Sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
I - De erfenis van
Weber
- De Weber-traditie
- Sleutelpositie
- Terug naar Weber?
- Interpretatieproblemen
- Inzet van de tekst
Volgende
hoofdstukken:
II-Sociale sluiting III-Klassen IV-Weber versus Marx V-Een belans Ø Literatuur
1 De Weber-traditie
Max Webers bijdrage aan de ontwikkeling van de sociologie is zo groot dat hij bijna algemeen erkend wordt als eminente klassieker. Deze eretitel heeft hij niet alleen te danken
aan zijn wetenschapstheoretische, methodologische en universeel-historisch
vergelijkende studies. Hij wordt op tal van sociaal-wetenschappelijke onderzoeksgebieden gewaardeerd als grondlegger: op het gebied van de
organisatietheorie, de politieke sociologie en religiesociologie, en ook op het gebied van theorievorming over sociale en in het bijzonder klasseongelijkheid.
De werkingsgeschiedenis van Webers bijdrage heeft echter nooit het karakter van echte schoolvorming aangenomen. Maar ze heeft wel zulke diepe sporen nagelaten dat men kan spreken van een Weber-traditie [Weiß 1975:9]. Wat zijn de algemene kenmerken van deze Weber-traditie?
- De Weber-traditie is uitermate heterogeen en controversieel.
Vertegenwoordigers van de meest uiteenlopende politiek-theoretische stromingen beroeken zich op het gezag van Weber. In de geschiedenis van de Amerikaanse sociologie werd bijvoorbeeld niet alleen een legitimerend beroep gedaan op het werk van Weber voor het conservatisme van Parsons, maar ook voor het liberalisme van Merton en het radicalisme van Mills [Horowitz 1964:354].
- De receptie van Webers werk is nogal fragmentarisch gebleven en instrumentalistisch van aard. Vooral de receptie van zijn bijdrage over sociale klassen is sterk gekleurd door een geïnteresseerde selectiviteit [R. Mayntz]. Een aantal elementen uit zijn werk zijn selectief geïncorporeerd in de moderne, met name amerikaanse stratificatiesociologie. Dit ging gepaard met vele creatieve misinterpretaties [Roth]. De metamorfose die Webers werk hierdoor heeft ondergaan kan misschien nog het beste worden aangeduid met de term Parsonizing [Cohen e.a. 1975]. Als gevolg van de normativistische (mis)interpretatie door Parsons werd Weber de-Marxified [Parkin 1979a:604].[1]
- Max Weber geniet nog steeds een opvallende populariteit en wordt vaak geciteerd als groot socioloog. Volgens Raymond Aron schiet zelfs dit superlatief tekort voor hem is Weber eenvoudig de socioloog. Wie op de schouders van zon reus gaat staan, heeft natuurlijk het voordeel dat hij zijn sociologische horizon aanzienlijk kan verbreden. Maar het beroep op de autoriteit van Weber heeft vaak een louter legitimerend karakter. Het aanleunen tegen het gezag van Weber wekt niet zelden de indruk dat er vooral ijdelheidsbelangen worden bevredigd, die het streven naar heerschappij van het eigen theoretische standpunt een nobel aanzien moet verschaffen.
2 Sleutelpositie
Weber wordt meestal beschouwd als theoretische grondlegger van een algemene theorie van sociale ongelijkheid en meer in het bijzonder als architect van de driedimensionale stratificatieanalyse. Hij zou als eerste een fundamenteel onderscheid
hebben gemaakt tussen drie analytisch onafhankelijke dimensies van sociale
stratificatie: klasse, status en macht. Deze drie dimensies refereerden
enerzijds aan de structuren van economische, sociale en politieke
ongelijkheid; anderzijds zou elk van deze dimensies refereren aan sociale
collectiviteiten: klassen, statusgroepen en partijen.
De sleutelpositie van
zijn bijdrage voor de moderne stratificatiesociologie wordt zowel erkend door
de - al dan niet burgerlijke - aanhangers, als de - al dan niet marxistische -
critici van Weber. Voor de eersten is Webers uiteenzetting de locus classicus
voor alle sociologen die het noodzakelijk vinden sociale ongelijkheid te
conceptualiseren op een wijze die er niet van uitgaat dat deze altijd zonder
restant gereduceerd kan worden tot de relaties tussen klassen gedefinieerd in
relaties tot de produktiekrachten [Runciman 1978: 6]. Het werk van Weber
wordt gezien als het beginpunt van vrijwel alle niet-marxistische studies naar
sociale ongelijkheid [Berting 1982:62]. Bijna alle pogingen om de
klassentheorie van Marx te critiseren of herformuleren als multi-dimensionale
stratificatietheorie werden ondernomen met een beroep op het werk van
Weber.[2]
De dominante stroming van
de academische klassentheorieën ontleent haar inspiratie in essentie
eerder aan Weber dan aan Marx. Ook de marxistisch georiënteerde critici
van Weber erkennen de grote invloed van zijn studies op de
sociaal-wetenschappelijke theorievorming. Volgens sommigen zouden zelfs
alle elementen van de latere 'burgerlijke' stratificatiesociologie al in het werk
van Weber aanwezig zijn [Herkommer 1975:125; Crompton/Gubbay
1978:2].
De status van Weber als 'klassieker' van de sociologie lijkt
inmiddels een zodanig eigen gewicht gekregen te hebben dat een louter
beroep op zijn autoriteit voldoende is om af te zien van verdere theoretische
argumentatie. Vaak wordt daarbij gesuggereerd of stilzwijgend aangenomen
dat de belangrijkste problemen met betrekking tot de multi-dimensionale
benadering van sociale ongelijkheid al door Weber zijn opgelost.
[3]
3 Terug naar Weber?
De toeëigening van Webers erfenis door onderzoekers van
sociale ongelijkheid is steeds controversieel geweest, en de strijd tussen zijn
erfgenamen is nog steeds niet beslecht. Mede onder invloed van de
Weber-revival onder een aantal angelsaksische sociologen - Randall Collins,
Anthony Giddens, Frank Parkin, Raymond Murphy, Jack Barbalet - is ook in
Nederland meer belangstelling ontstaan voor Webers klassentheoretische
bijdrage. Er werd gepleit voor een hernieuwde oriëntatie op Weber
[Peschar 1978:31] en een terug naar het werk van Weber [Berting 1981:342].
Voor de huidige theorievorming over sociale ongelijkheid hoeft een
herbezinning op de betekenis van Webers bijdrage geen terugval te
betekenen. Het beoogde effect recullier pour mieux sauter zal echter alleen
bereikt kunnen worden: - wanneer we bij de receptie van Webers werk
grotere afstand houden van het traditionele repertoire van
ongeïnformeerde vooroordelen waarmee het werk van Weber polemisch
wordt gecontrasteerd met de opvattingen van Marx en de marxistische
onderzoekstraditie;
- wanneer de speelruimte voor - al dan niet creatieve-
misinterpretaties wordt beperkt door grotere precisie in de explicatie,
interpretatie en reconstructie van Webers bijdrage.
Dat vereist dat we onder andere rekening houden met het onvoltooide en fragmentarische karakter van Webers uiteenzetting en niet lichtzinnig heenstappen over de hiermee samenhangende
reconstructieproblemen. 4 Interpretatieproblemen
Wie een beoordeling wil
geven van Webers bijdrage aan de theorievorming over sociale ongelijkheid
en klassen stuit op niet geringe interpretatieproblemen. Zijn expliciete
theoretische bijdrage over het klassenvraagstuk is beperkt gebleven tot twee
onvoltooide fragmenten. Ze behoren bij die delen van zijn theoretisch
hoofdwerk Wirtschaft und Gesellschaft (in het vervolg aangeduid met de
afkorting: WG) welke hij voor zijn dood niet meer heeft bewerkt. - Het
eerste fragment staat in het tweede deel van WG (Die Wirtschaft und die
gesellschaftlichen Ordnungen und Machte). Het is hiervan de laatste
paragraaf van het zevende hoofdstuk over Politische Gemeinschaften.
Het draagt de titel: Machtverteilung innerhalb der Gemeinschaft: Klassen,
Stände, Parteien [WG 531-40] en werd geschreven in de periode
1911-1913.
- Het tweede fragment werd in 1918-20 geschreven. Het staat in het
eerste deel (Sociologische Kategorienlehre) en is hiervan een
zelfstandig laatste hoofdstuk. De titel is Stände und Klassen
[WG:177-80].[4]
Ondanks de incompleetheid en het fragmentarische karakter van zijn behandeling van het klassenvraagstuk vormen de beide fragmenten bij uitstek de tekstuele grondslag van interpretaties. Hieruit een sociale stratificatietheorie te interpreteren lijkt een nogal hachelijke onderneming:
- In het eerste
fragment, dat de hoeksteen zou moeten vormen van de drie-dimensionale
benadering van sociale ongelijkheid, houdt Weber zich niet direct bezig met
sociale stratificatie. Ook als we deze uiteenzetting willen opvatten als een
embrionale theorie van sociale stratificatie [Kreckel 1976] moeten we er
rekening mee houden, dat hij zijn triade klasse-stand-partij ontwierp als
ideaaltypische interpretatiemodel van de machtsverdeling binnen de politieke
gemeenschap.
- Het tweede fragment is een onvoltooide, rudimentaire
schets waarin Weber een aantal ideaaltypische onderscheidingen maakt
tussen verschillende klassebegrippen en een beperkte kasuïstiek van
standen presenteert.
- Beide fragmenten bevatten bovendien een aantal
ambiguïteiten die het uitermate moeilijk maken te spreken van een
coherente theorie- en Weber pretendeert dit ook niet! Hierdoor is er een
relatief grote speelruimte voor interpretatie en dus ook voor willekeurige,
uitbuitende duidingen en assimilaties.[5]
5 Inzet van de tekst
5.1 Doelstelling en vraagstelling
Wat is nu de
betekenis van Webers bijdrage voor een theorie van sociale ongelijkheid en
voor de analyse van de klassenverhoudingen ? Door zijn erfgenamen is het
werk van Weber belast met de claim, dat hierin de grondslag werd gelegd voor
een algemene theorie van sociale ongelijkheid (multi-dimensionale
stratificatietheorie), en voor een alternatieve, d.w.z. niet-marxistische
klassentheorie. Voorlopig kunnen we deze claims echter beter als vragen
formuleren:
- In hoeverre is bij Weber überhaupt sprake van
een theorie van sociale ongelijkheid in het kader waarvan hij
klassenrelaties thematiseert? In hoeverre is in Webers verhandeling over
klassen, standen en partijen een algemene theorie van sociale ongelijkheid
verondersteld of geïmpliceerd? En in hoeverre kan Weber worden
beschouwd als grondlegger van een multi- resp. drie-dimensionele benadering
van sociale gelaagdheid ?
- In hoeverre is door Weber een algemene
klassentheorie ontwikkeld ? In hoeverre is in de beide fragmenten die
expliciet over het klassenvraagstuk gaan een aanzet gegeven voor een
theorie van klassenverhoudingen? En in hoeverre kan Webers benadering
worden opgevat als een alternatief voor de klassentheorie van Marx ?
Om deze vragen te beantwoorden zal ik een aantal hoofdlijnen schetsen voor
een kritisch-systematische reconstructie van Webers basisbegrippen en
hypothesen met betrekking tot klasse en en sociale stratificatie.
5.2 Werkwijze en beperkingen van het onderzoek
Het is een onderzoek in systematische theorie dat in principe langs twee
wegen loopt: deconstructie en reconstructie. In de
deconstructie-reconstructie-procedure kunnen een aantal analytische
operaties worden onderscheiden.[6]
De
deconstructie-procedure omvat twee operaties: expliciteren en interpreteren.
In de eerste plaats gaat het erom de probleemstellingen en
analysestrategieën van Weber te expliciteren. Explicatie
identificeert de probleemstelling en niet de volledige probleemoplossing; het
doel is het verbeteren van de probleemstelling zonder dat de grondslag van de
oorspronkelijke problematiek wordt verlaten. Explicatie vind met name plaats
door het situeren van een tekst(fragment) in conteksten. Ik leg hierbij sterk
het accent op de theorie-systematische contekst, d.w.z. op de plaats van
uitspraken (hypothesen, stellingen, begrippen enz.) in de systematiek van de
theorie. Afgezien van de vergelijking met Marx komt de theorie-historische
contekst hoofdzakelijk aan de orde waar het gaat om de plaats en betekenis
van uitspraken in theoriegeschiedenis na Weber. De sociaal-historische
contekst, d.w.z. de plaats in de 'externe' geschiedenis blijft grotendeels buiten
beschouwing.
Vervolgens gaat het erom door interpretatie de
samenhang tussen Webers probleemstellingen en zijn analytische
uitwerkingen (probleemoplossingen) te demonstreren. Hierdoor kunnen
mogelijke begripsmatige ambivalenties, theoretische inconsistenties en
verschuivingen in zijn teksten worden opgespoord en de hoofd- en
neventendenzen in de theoretische structuur van zijn aanzet worden
geïdentificeerd. Het schandaal van de deconstructie (Norris) is immers
de gewoonte om de disjuncte relaties bloot te leggen tussen de logika van een
theoretische uiteenzetting en de taal waarin deze is geformuleerd, tussen de
ordening en immanente samenhang van begrippen/concepten en de ordening
van de significatie, d.w.z. de relaties tussen de tekens van betekenis
(signifier), inclusief de vaagheden, ambiguïteiten en metaforen van de
schrijfstijl.
Mede op grond van een vergelijking met andere theoretische
benaderingen kunnen we een waardering geven van de theoretische
consistentie, reikwijdte en verklaringskracht van Webers aanzet. Hierdoor is
het tevens mogelijk om de concepten met een '(o)verleden actualiteit' te
onderscheiden van de concepten met een 'actueel verleden'. Deze laatste
elementen vormen de bouwstenen voor een systematische reconstructie van
Webers theoretische aanzet.
Door het opvullen van lege plekken en lacunes en het detailleren van globale concepten in dit theoretisch program is
het tenslotte ook mogelijk een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van de theorie, d.w.z. aan de constructie van een theorie van sociale ongelijkheid. Wie daaraan wil beginnen zal nieuwe begrippen moeten produceren, want theorieconstructie is in essentie een productieproces van nieuwe begrippen. Nieuwe begrippen ontstaan niet in een
theoretisch luchtledige ruimte en er bestaat geen theoretisch nul-punt. Het
proces van begripsvorming is altijd tegelijk een proces van
begripstransformatie: in de produktie van een nieuw concept gaan altijd
begripsmatige grondstoffen op van bestaande concepten. Voor het
(trans)formeren van begrippen kunnen we verschillende praktische
strategieën volgen. In aansluiting bij Wright [1985:292 e.v.] wil ik vier
belangrijke strategieën onderscheiden:
- We kunnen
een bestaand begrip ontbinden door nieuwe demarcatielijnen te trekken. Dit is mogelijk en gewenst wanneer in een bestaand begrip heterogene elementen onder een hoed gebracht zijn.
- We kunnen een bestaand begrip specificeren door bestaande demarcatielijnen opnieuw te specificeren. Wanneer de grenzen van een begrip worden gedefinieerd door overbodige, onvoldoende of incorrecte criteria moeten deze worden
gemodificeerd.
- We kunnen een begrip verbreden door een reaggregatie van categorieën onder meer algemene criteria. Bestaande
begrippen worden in een meer omvattend concept ondergebracht, d.w.z. in een concept dat een fundamenteler grenscriterium identificeert voor de begrippen die daarbinnen zijn geaggregeerd.
- Tenslotte kunnen we de conceptuele dimensionaliteit van een descriptieve taxonomie
decoderen. Beschrijvende taxonomieën in sociale theorieën
kunnen worden getransformeerd tot begripsmatige typologieën. Een
taxonomie bestaat uit een reeks categorieën die op basis van direct
evidente empirische criteria worden gedifferentieerd (wat overigens niet wil
zeggen dat de beschrijvende onderscheidingen in een taxonomie gebaseerd
zijn op zuivere feiten in de empiricistische zin van het woord; taxonomische
onderscheidingen zijn echter niet getheoretiseerd, ze zijn vaak gebaseerd op
pragmatische common sense criteria). Een typologie is een theoretisch
geconstrueerde reeks categorieën die gedifferentieerd zijn op basis van
theoretisch gespecificeerde dimensies. De decoderende strategie van
begrips(trans)formatie maakt de impliciete, nietgetheoretiseerde logica van
de gebruikte typologie expliciet.[7]
In
deze studie beperk ik mij grotendeels tot het aanduiden van een aantal
lege plekken in de theorie van sociale ongelijkheid en doe ik een paar
theorie-strategische suggesties voor verder onderzoek die niet volledig zullen
worden uitgewerkt.
Het is een kritisch-reconstructieve benadering. Kritisch, omdat ik geen interpretatie geef die tegenspraken en ambivalenties in het werk van Weber camoufleert of gladstrijkt, en omdat kritiek op creatieve misinterpretaties
een noodzakelijk onderdeel is van iedere poging om zicht te krijgen op Webers benadering van sociale ongelijkheid en klassen. Reconstructief, omdat ik de - meestal impliciete - systematiek opspoor in de vaak fragmentarische
uiteenzettingen van Weber. Constructief, voorzover hiermee tegelijkertijd een bijdrage geleverd kan worden aan de verdere ontwikkeling van een klassentheorie als onderdeel van een algemene theorie van sociale ongelijkheid.
5.3 Opbouw van de tekst
In hoofdstuk II ga ik na welke elementen voor een theorie van sociale ongelijkheid in het werk van Weber zijn geïmpliceerd. De aanzet voor een theorie van sociale ongelijkheid is mijns inziens vooral aanwezig in Webers
behandeling van het sociale sluitingstheorema. Deze reconstructie van Webers bijdrage aan een theorie van sociale ongelijkheid concentreert zich daarom op zijn analyse van de processen en resultaten van sociale sluiting van levenskansen.
In hoofdstuk III worden de beide fragmenten geanalyseerd waarin Weber expliciet op het klassebegrip ingaat. Hoewel hij daarin in eerste instantie bewust afziet van het geven van werkelijke theoretische verklaringen, kan zijn sociologische typologisering toch worden ondervraagd op impliciete theorie.
In hoofdstuk IV wordt de relatie tussen de benaderingen van Weber en Marx behandeld. Daarbij wil ik onder andere laten zien hoe misleidend het is om de klassenopvattingen van Marx en Weber op een simpele manier tegenover elkaar te zetten. De overeenkomsten en verschillen tussen beide worden geïdentificeerd en afgewogen. Daaruit zal moeten blijken of en in hoeverre de bijdrage van Weber gezien kan worden als een alternatief voor de theoretisch aanzet van Marx. Omdat ik mij in deze studie concentreer op Weber, zal ik slechts zijdelings ingaan op de problemen in de theoretische aanzet van Marx zelf (en in de marxistische onderzoekstraditie). De zwaktes van Marx blijven daarom implicieter.
Tenslotte worden in hoofstuk V een aantal algemene conclusies getrokken. Een vraag die hierbij aan de orde komt is: wat kunnen oude identiteitsformules zoals marxist of weberiaan nog betekenen voor onderzoekers van sociale ongelijkheid in klassenmaatschappijen? Wie wil er nog marxist of weberiaan zijn? En wat betekent dat?
Naar volgende hoofdstuk: II Sociale
Sluiting
Naar Inhoudsopgave