Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

WEBER Sociale ongelijkheid en klassen
Max Weber’s bijdrage aan de theorie
van sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
© 1987-2017

I. De erfenis van Weber

  1. De Weber-traditie
  2. Sleutelpositie
  3. Terug naar Weber?
  4. Interpretatieproblemen
  5. Inzet van de tekst
    5.1 Doelstelling en vraagstelling
    5.2 Werkwijze en beperkingen
    5.3 Opbouw van de tekst


1. De Weber-traditie

Max Weber’s bijdrage aan de ontwikkeling van de sociologie is zo groot dat hij bijna algemeen erkend wordt als eminente ‘klassieker’. Deze eretitel heeft hij niet alleen te danken aan zijn wetenschapstheoretische, methodologische en universeel-historisch vergelijkende studies. Hij wordt op tal van sociaalwetenschappelijke onderzoeksgebieden gewaardeerd als grondlegger: op het gebied van de organisatietheorie, de politieke sociologie en religiesociologie, en ook op het gebied van theorievorming over sociale en in het bijzonder klassenongelijkheid.

De werkingsgeschiedenis van Weber’s bijdrage heeft echter nooit het karakter van echte schoolvorming aangenomen. Maar ze heeft wel zulke diepe sporen nagelaten dat men kan spreken van een Weber-traditie [Weiß 1975:9]. Wat zijn de algemene kenmerken van deze Weber-traditie?

  1. De Weber-traditie is uitermate heterogeen en controversieel. Vertegenwoordigers van de meest uiteenlopende politiek-theoretische stromingen beroepen zich op het gezag van Weber. In de geschiedenis van de Amerikaanse sociologie werd bijvoorbeeld niet alleen een legitimerend beroep gedaan op het werk van Weber voor het conservatisme van Parsons, maar ook voor het liberalisme van Merton en het radicalisme van Mills [Horowitz 1964:354].

  2. De receptie van Weber’s werk is nogal fragmentarisch gebleven en instrumentalistisch van aard. Vooral de receptie van zijn bijdrage over sociale klassen is sterk gekleurd door een ‘geïnteresseerde selectiviteit’ [R. Mayntz]. Een aantal elementen uit zijn werk zijn selectief geïncorporeerd in de moderne, met name Amerikaanse stratificatiesociologie. Dit ging gepaard met vele ‘creatieve misinterpretaties’ [Roth]. De metamorfose die Weber’s werk hierdoor heeft ondergaan kan misschien nog het beste worden aangeduid met de term ‘Parsonizing’ [Cohen e.a. 1975]. Als gevolg van de normativistische (mis)interpretatie door Parsons werd Weber ‘de-Marxified’ [Parkin 1979a:604]. Zie voor kritieken op de normativistische Weber-interpretatie van Parsons: Rex [1971], Cohen e.a. [1973], Butts [1977], Warner [1978].

  3. Max Weber geniet nog steeds een opvallende populariteit en wordt vaak geciteerd als ‘groot socioloog’. Volgens Raymond Aron schiet zelfs dit superlatief tekort — voor hem is Weber eenvoudig ‘de socioloog’. Wie op de schouders van zo’n reus gaat staan, heeft natuurlijk het voordeel dat hij zijn sociologische horizon aanzienlijk kan verbreden. Maar het beroep op de autoriteit van Weber heeft vaak een louter legitimerend karakter. Het aanleunen tegen het gezag van Weber wekt niet zelden de indruk dat er vooral ijdelheidsbelangen worden bevredigd, die het streven naar heerschappij van het eigen theoretische standpunt een nobel aanzien moet verschaffen.

top


2. Sleutelpositie

Weber wordt meestal beschouwd als theoretische grondlegger van een algemene theorie van sociale ongelijkheid en meer in het bijzonder als architect van de driedimensionale stratificatieanalyse. Hij zou als eerste een fundamenteel onderscheid hebben gemaakt tussen drie analytisch onafhankelijke dimensies van sociale stratificatie: klasse, status en macht. Deze drie dimensies refereerden enerzijds aan de structuren van ‘economische’, ‘sociale’ en ‘politieke’ ongelijkheid; anderzijds zou elk van deze dimensies refereren aan sociale collectiviteiten: klassen, statusgroepen en partijen.

De sleutelpositie van zijn bijdrage voor de moderne stratificatiesociologie wordt zowel erkend door de —al dan niet ‘burgerlijke’— aanhangers, als de —al dan niet ‘marxistische’— kritici van Weber. Voor de eersten is Weber’s uiteenzetting de “locus classicus voor alle sociologen die het noodzakelijk vinden sociale ongelijkheid te conceptualiseren op een wijze die er niet van uitgaat dat deze altijd zonder restant gereduceerd kan worden tot de relaties tussen klassen gedefinieerd in relaties tot de productiekrachten” [Runciman 1978: 6]. Het werk van Weber wordt gezien als het beginpunt van vrijwel alle niet-marxistische studies naar sociale ongelijkheid [Berting 1982:62]. Bijna alle pogingen om de klassentheorie van Marx te kritiseren of herformuleren als multidimensionale stratificatietheorie werden ondernomen met een beroep op het werk van Weber.[2]

De dominante stroming van de academische klassentheorieën ontleent haar inspiratie in essentie eerder aan Weber dan aan Marx. Ook de marxistisch georiënteerde kritici van Weber erkennen de grote invloed van zijn studies op de sociaalwetenschappelijke theorievorming. Volgens sommigen zouden zelfs alle elementen van de latere ‘burgerlijke’ stratificatiesociologie al in het werk van Weber aanwezig zijn [Herkommer 1975:125; Crompton/Gubbay 1978:2].
De status van Weber als ‘klassieker’ van de sociologie lijkt inmiddels een zodanig eigen gewicht gekregen te hebben dat een louter beroep op zijn autoriteit voldoende is om af te zien van verdere theoretische argumentatie. Vaak wordt daarbij gesuggereerd of stilzwijgend aangenomen dat de belangrijkste problemen met betrekking tot de multidimensionale benadering van sociale ongelijkheid al door Weber zijn opgelost.

Zeer teleurstellend
Overigens hecht niet iedereen zoveel waarde aan Weber’s benadering van het klassenvraagstuk. Volgens Andreski is de klassentheorie niet Weber’s sterkste punt [Andreski 1975:1]. Georges Gurvitch vond zijn ideeën over het klassenvraagstuk “plus déficientes que tout autre probleme” en ontzegt Weber op dit punt elke originaliteit.
    “Het concept van sociale klasse dat door Weber op gang is gebracht is een eclectische combinatie van ideeën van Schmoller, van Bücher en van Pareto, met enige concessie aan Marx, het geheel is versmolten met de weberiaanse waarschijnlijkheidsleer, gecompleteerd door een paar suggesties van Tönnies. Het geheel heeft zeer teleurstellende resultaten opgeleverd” [Gurvitch 1966:142].
Volgens hem deed Weber de onmogelijke poging om een verzoening tot stand te brengen tussen Schmoller die probeerde het klassenbegrip te funderen op het beroep, Bücher, die het probeerde te funderen op eigendom, en Marx, die weigerde om beide criteria apart te nemen en het bestaan van maatschappelijke klassen verbond aan hun rol in de productie (en meer in het bijzonder aan differentiële posities in het proces van productie en toeëigening van meerarbeid).

top


3. Terug naar Weber?

De toeëigening van Weber’s erfenis door onderzoekers van sociale ongelijkheid is steeds controversieel geweest, en de strijd tussen zijn erfgenamen is nog steeds niet beslecht. Mede onder invloed van de Weber-revival onder een aantal Angelsaksische sociologen —Randall Collins, Anthony Giddens, Frank Parkin, Raymond Murphy, Jack Barbalet, Richard Green— is ook in Nederland meer belangstelling ontstaan voor Weber’s klassentheoretische bijdrage. Er werd gepleit voor “een hernieuwde oriëntatie op Weber” [Peschar 1978:31] en een “terug naar het werk van Weber” [Berting 1981:342].

Voor de huidige theorievorming over sociale ongelijkheid hoeft een herbezinning op de betekenis van Weber’s bijdrage geen terugval te betekenen. Het beoogde effect ‘recullier pour mieux sauter’ zal echter alleen bereikt kunnen worden:

  1. wanneer we bij de receptie van Weber’s werk grotere afstand houden van het traditionele repertoire van ongeïnformeerde vooroordelen waarmee het werk van Weber polemisch wordt gecontrasteerd met de opvattingen van Marx en de marxistische onderzoekstraditie;

  2. wanneer de speelruimte voor —al dan niet creatieve— misinterpretaties wordt beperkt door grotere precisie in de explicatie, interpretatie en reconstructie van Weber’s bijdrage.
Dat vereist dat we onder andere rekening houden met het onvoltooide en fragmentarische karakter van Weber’s uiteenzetting en niet lichtzinnig heenstappen over de hiermee samenhangende reconstructieproblemen.

top


4. Interpretatieproblemen

Wie een beoordeling wil geven van Weber’s bijdrage aan de theorievorming over sociale ongelijkheid en klassen stuit op niet geringe interpretatieproblemen. Zijn expliciete theoretische bijdrage over het klassenvraagstuk is beperkt gebleven tot twee onvoltooide fragmenten. Ze behoren bij die delen van zijn theoretisch hoofdwerk Wirtschaft und Gesellschaft —in het vervolg aangeduid met de afkorting: WG— welke hij voor zijn dood niet meer heeft bewerkt. Ondanks de incompleetheid en het fragmentarische karakter van zijn behandeling van het klassenvraagstuk vormen de beide fragmenten bij uitstek de tekstuele grondslag van interpretaties. Hieruit een sociale stratificatietheorie te interpreteren lijkt een nogal hachelijke onderneming:
  1. In het eerste fragment, dat de hoeksteen zou moeten vormen van de drie-dimensionale benadering van sociale ongelijkheid, houdt Weber zich niet direct bezig met sociale stratificatie. Ook als we deze uiteenzetting willen opvatten als een ‘embrionale theorie van sociale stratificatie’ [Kreckel 1976] moeten we er rekening mee houden, dat hij zijn triade ‘klasse-stand-partij’ ontwierp als ideaaltypische interpretatiemodel van de machtsverdeling binnen de politieke gemeenschap.

  2. Het tweede fragment is een onvoltooide, rudimentaire schets waarin Weber een aantal ideaaltypische onderscheidingen maakt tussen verschillende klassenbegrippen en een beperkte casuïstiek van standen presenteert.

  3. Beide fragmenten bevatten bovendien een aantal ambiguïteiten die het uitermate moeilijk maken te spreken van een coherente theorie- en Weber pretendeert dit ook niet! Hierdoor is er een relatief grote speelruimte voor interpretatie en dus ook voor willekeurige, ‘uitbuitende’ duidingen en assimilaties.
Deze interpretatieruimte kan enigszins worden verkleind door andere teksten bij de interpretatie te betrekken. In zijn historische teksten ging Weber gedetailleerder in op de verschillende verbindingen tussen diverse soorten klassenrelaties en tussen klasse- en standsbindingen. In zijn studie over de Agrarverhaltnisse im Altertum (1899/1909) ging Weber bijvoorbeeld uitvoeriger in op het begrip van het moderne proletariaat, op de klassenverhoudingen in de landbouw in Griekenland en op de staatsbureaucratische verhoudingen. In Der Sozialismus (1918) en in Methodologische Einleitung über die Auslese und Anpassung der Arbeiterschaft der geschlossenen Groszindustrie (1908) behandelde hij de relaties tussen arbeiders en employés en op de gelaagdheid binnen de industriële arbeidssector.

Vooral de marxistische kritici van Weber’s klassenconcept hebben zich met name gericht op de begripsmatige uitwerkingen in Wirtschaft und Gesellschaft, en niet op het gebruik dat hij van dit begripsmatig instrumentarium maakt in zijn historisch-empirisch werk. Hierdoor blijft ook het empirisch nut van de door Weber voorgestelde onderscheidingen onderbelicht [Weiß 1981:124]. top


5. Inzet van de tekst

5.1 Doelstelling en vraagstelling
Wat is nu de betekenis van Weber’s bijdrage voor een theorie van sociale ongelijkheid en voor de analyse van de klassenverhoudingen? Door zijn erfgenamen is het werk van Weber belast met de claim, dat hierin de grondslag werd gelegd voor een algemene theorie van sociale ongelijkheid (‘multi-dimensionale stratificatietheorie’), en voor een alternatieve, d.w.z. ‘niet-marxistische’ klassentheorie. Voorlopig kunnen we deze claims echter beter als vragen formuleren:
  1. In hoeverre is bij Weber überhaupt sprake van een theorie van sociale ongelijkheid in het kader waarvan hij klassenrelaties thematiseert? In hoeverre is in Weber’s verhandeling over klassen, standen en partijen een ‘algemene’ theorie van sociale ongelijkheid verondersteld of geïmpliceerd? En in hoeverre kan Weber worden beschouwd als grondlegger van een multi- resp. driedimensionele benadering van sociale gelaagdheid ?

  2. In hoeverre is door Weber een algemene klassentheorie ontwikkeld? In hoeverre is in de beide fragmenten die expliciet over het klassenvraagstuk gaan een aanzet gegeven voor een theorie van klassenverhoudingen? En in hoeverre kan Weber’s benadering worden opgevat als een alternatief voor de klassentheorie van Marx?
Om deze vragen te beantwoorden zal ik een aantal hoofdlijnen schetsen voor een kritisch-systematische reconstructie van Weber’s basisbegrippen en hypothesen met betrekking tot klasse en sociale stratificatie.

5.2 Werkwijze en beperkingen van het onderzoek
De methodiek van deconstructie is met name toegepast op filosofische en literaire teksten. Zie hiervoor de bij het werk van Derrida aansluitende studies van Norris [1982, 1983].
Het is een onderzoek in systematische theorie dat in principe langs twee wegen loopt: deconstructie en reconstructie. In de deconstructie-reconstructie-procedure kunnen een aantal analytische operaties worden onderscheiden.

De deconstructie-procedure omvat twee operaties: expliciteren en interpreteren. In de eerste plaats gaat het erom de probleemstellingen en analysestrategieën van Weber te expliciteren. Explicatie identificeert de probleemstelling en niet de volledige probleemoplossing; het doel is het verbeteren van de probleemstelling zonder dat de grondslag van de oorspronkelijke problematiek wordt verlaten. Explicatie vind met name plaats door het situeren van een tekst(fragment) in contexten. Ik leg hierbij sterk het accent op de theoriesystematische context, d.w.z. op de plaats van uitspraken (hypothesen, stellingen, begrippen enz.) in de systematiek van de theorie. Afgezien van de vergelijking met Marx komt de theoriehistorische context hoofdzakelijk aan de orde waar het gaat om de plaats en betekenis van uitspraken in theoriegeschiedenis na Weber. De sociaal-historische context, d.w.z. de plaats in de ‘externe’ geschiedenis blijft grotendeels buiten beschouwing.

Vervolgens gaat het erom door interpretatie de samenhang tussen Weber’s probleemstellingen en zijn analytische uitwerkingen (‘probleemoplossingen’) te demonstreren. Hierdoor kunnen mogelijke begripsmatige ambivalenties, theoretische inconsistenties en verschuivingen in zijn teksten worden opgespoord en de hoofd- en neventendensen in de theoretische structuur van zijn aanzet worden geïdentificeerd. Het ‘schandaal van de deconstructie’ (Norris) is immers de gewoonte om de disjuncte relaties bloot te leggen tussen de logica van een theoretische uiteenzetting en de taal waarin deze is geformuleerd, tussen de ordening en immanente samenhang van begrippen/concepten en de ordening van de significatie, d.w.z. de relaties tussen de ‘tekens’ van betekenis (‘signifier’), inclusief de vaagheden, ambiguïteiten en metaforen van de schrijfstijl.

Mede op grond van een vergelijking met andere theoretische benaderingen kunnen we een waardering geven van de theoretische consistentie, reikwijdte en verklaringskracht van Weber’s aanzet. Hierdoor is het tevens mogelijk om de concepten met een ‘(o)verleden actualiteit’ te onderscheiden van de concepten met een 'actueel verleden'. Deze laatste elementen vormen de bouwstenen voor een systematische reconstructie van Weber’s theoretische aanzet.

Door het opvullen van lege plekken en lacunes en het detailleren van globale concepten in dit theoretisch program is het tenslotte ook mogelijk een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van de theorie, d.w.z. aan de constructie van een theorie van sociale ongelijkheid. Wie daaraan wil beginnen zal nieuwe begrippen moeten produceren, want theorieconstructie is in essentie een productieproces van nieuwe begrippen. Nieuwe begrippen ontstaan niet in een theoretisch luchtledige ruimte en er bestaat geen ‘theoretisch nul-punt’. Het proces van begripsvorming is altijd tegelijk een proces van begripstransformatie: in de productie van een nieuw concept gaan altijd begripsmatige grondstoffen op van bestaande concepten. Voor het (trans)formeren van begrippen kunnen we verschillende praktische strategieën volgen. In aansluiting bij Wright [1985:292 e.v.] wil ik vier belangrijke strategieën onderscheiden:

  1. We kunnen een bestaand begrip ontbinden door nieuwe demarcatielijnen te trekken. Dit is mogelijk en gewenst wanneer in een bestaand begrip heterogene elementen onder een hoed gebracht zijn.

  2. We kunnen een bestaand begrip specificeren door bestaande demarcatielijnen opnieuw te specificeren. Wanneer de grenzen van een begrip worden gedefinieerd door overbodige, onvoldoende of incorrecte criteria moeten deze worden gemodificeerd.

  3. We kunnen een begrip verbreden door een reaggregatie van categorieën onder meer algemene criteria. Bestaande begrippen worden in een meer omvattend concept ondergebracht, d.w.z. in een concept dat een fundamenteler grenscriterium identificeert voor de begrippen die daarbinnen zijn geaggregeerd.

  4. Tenslotte kunnen we de conceptuele dimensionaliteit van een descriptieve taxonomie decoderen. Beschrijvende taxonomieën in sociale theorieën kunnen worden getransformeerd tot begripsmatige typologieën. Een taxonomie bestaat uit een reeks categorieën die op basis van direct evidente empirische criteria worden gedifferentieerd (wat overigens niet wil zeggen dat de beschrijvende onderscheidingen in een taxonomie gebaseerd zijn op ‘zuivere’ feiten in de empiricistische zin van het woord; taxonomische onderscheidingen zijn echter niet getheoretiseerd, ze zijn vaak gebaseerd op pragmatische ‘common sense’ criteria). Een typologie is een theoretisch geconstrueerde reeks categorieën die gedifferentieerd zijn op basis van theoretisch gespecificeerde dimensies. De ‘decoderende’ strategie van begrips(trans)formatie maakt de impliciete, niet getheoretiseerde logica van de gebruikte typologie expliciet.
      In mijn analyse van Weber’s bijdrage aan de theorie van sociale ongelijkheid en klasse worden zowel de vier analytische operaties (explicatie, interpretatie, reconstructie, constructie) als de vier praktische strategieën van concept(trans)formatie (ontbinden, specificeren, verbreden, decoderen) niet afzonderlijk-chronologisch, maar samengesteld-diagronisch (‘in elkaar verweven’) gehanteerd.
In deze studie beperk ik mij grotendeels tot het aanduiden van een aantal lege plekken in de theorie van sociale ongelijkheid en doe ik een paar theoriestrategische suggesties voor verder onderzoek die niet volledig zullen worden uitgewerkt.

Het is een kritisch-reconstructieve benadering. Kritisch, omdat ik geen interpretatie geef die tegenspraken en ambivalenties in het werk van Weber camoufleert of gladstrijkt, en omdat kritiek op creatieve misinterpretaties een noodzakelijk onderdeel is van iedere poging om zicht te krijgen op Weber’s benadering van sociale ongelijkheid en klassen. Reconstructief, omdat ik de - meestal impliciete - systematiek opspoor in de vaak fragmentarische uiteenzettingen van Weber. Constructief, voor zover hiermee tegelijkertijd een bijdrage geleverd kan worden aan de verdere ontwikkeling van een klassentheorie als onderdeel van een algemene theorie van sociale ongelijkheid.

5.3 Opbouw van de tekst
In hoofdstuk II ga ik na welke elementen voor een theorie van sociale ongelijkheid in het werk van Weber zijn geïmpliceerd. De aanzet voor een theorie van sociale ongelijkheid is mijns inziens vooral aanwezig in Weber’s behandeling van het sociale sluitingstheorema. Deze reconstructie van Weber’s bijdrage aan een theorie van sociale ongelijkheid concentreert zich daarom op zijn analyse van de processen en resultaten van sociale sluiting van levenskansen.

In hoofdstuk III worden de beide fragmenten geanalyseerd waarin Weber expliciet op het klassenbegrip ingaat. Hoewel hij daarin in eerste instantie bewust afziet van het geven van werkelijke theoretische verklaringen, kan zijn ‘sociologische typologisering’ toch worden ondervraagd op impliciete theorie.

In hoofdstuk IV wordt de relatie tussen de benaderingen van Weber en Marx behandeld. Daarbij wil ik onder andere laten zien hoe misleidend het is om de klassenopvattingen van Marx en Weber op een simpele manier tegenover elkaar te zetten. De overeenkomsten en verschillen tussen beide worden geïdentificeerd en afgewogen. Daaruit zal moeten blijken of en in hoeverre de bijdrage van Weber gezien kan worden als een alternatief voor de theoretisch aanzet van Marx. Omdat ik mij in deze studie concentreer op Weber, zal ik slechts zijdelings ingaan op de problemen in de theoretische aanzet van Marx zelf (en in de marxistische onderzoekstraditie). De ‘zwaktes van Marx’ blijven daarom implicieter.

Tenslotte worden in hoofstuk V een aantal algemene conclusies getrokken. Een vraag die hierbij aan de orde komt is: wat kunnen oude identiteitsformules zoals ‘marxist’ of ‘weberiaan’ nog betekenen voor onderzoekers van sociale ongelijkheid in klassenmaatschappijen? Wie wil er nog ‘marxist’ of ‘weberiaan’ zijn? En wat betekent dat?

Plaatje

top


Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam