Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 3 Structurering van klassenhandelen: van klassenposities naar politieke actoren

XVI. Reproductie en transformatie van klassenstructuren

  1. Stelling en afbakening
  2. Oorzaken van wat?
    2·1 Monocausale verklaringsmodellen
    2·2 Oorzaken van ontstaan, reproductie en transformatie
    2·3 Structurering van posities en rekrutering van individuen
  3. Mechanismen van stabilisatie en destabilisatie
    3·1 Klassenspecifieke gewoontes en zeden 3·2 Solidariteit tussen en binnen klassen
    3·3 Klassenbelangen
  4. Mechanismen van garantie en transformatie
    4·1 Conventies en rechten 4·2 Fysiek geweld 4·3 Legitimiteit
  5. Legitimiteitsgeloof van subalterne klassen
    5·1 Morele ordes in meervoud
    5·2 Symbolische universa en hun interpretaties
    5·3 Volksgeloof en alledaagse talen
    5·4 Humor en ironie
    5·5 Instemming, acceptatie, internalisatie en calculatie
    5·6 Existentieel en ethisch fatalisme
    5·7 Hoe legitimiteitsgeloof meten?
Figuren
16_1 Mechanismen van reproductie en transformatie
16_2 Handelingscoördinatie, gedragsverwachtingen en sancties
16_3 Mechanismen van reproductie en transformatie
Literatuur
© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Stelling en afbakening

Klassenstructuren worden niet alleen door sociaal handelen geconstitueerd, maar ook gereproduceerd en getransformeerd. Klassenverhoudingen worden pas structureel wanneer zij sociaal en temporeel zijn gestabiliseerd. Wanneer een bepaald type klassenverhoudingen eenmaal is uitgekristalliseerd en geformaliseerd, worden zij door een drietal mechanismen van handelingscoördinatie gestabiliseerd dan wel gedestabiliseerd: door klassenspecifieke gewoontes en zeden, door klassenspecifieke solidariteiten en door klassenbelangen. Daarnaast bestaan er een drietal mechanismen die direct en als zodanig gericht zijn op de in stand houding of verandering van gestabiliseerde klassenverhoudingen. Klassenverhoudingen worden gegarandeerd dan wel getransformeerd door conventies, door recht en geweld, en door legitimiteit.

Deze stelling impliceert een afbakening ten opzichte van alle benaderingen waarin een eenzijdig beeld wordt gegeven van het proces van reproductie en transformatie van klassenverhoudingen, en meer in het bijzonder ten opzichte van benaderingen waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen stabilisatie- en garantiemechanismen (respectievelijk tussen destabilisatie- en transformatiemechanismen).

Vooral in de marxistische traditie was het lange tijd gebruikelijk om de vraag naar de reproductie en transformatie van klassenverhoudingen uitsluitend te beperken tot mechanismen die direct zijn gericht op het in stand houden of veranderen van de bestaande klassenstructuren, namelijk tot het bekende duo ‘geweld’ (uiterlijke kracht) en ‘legitimiteit’ (innerlijke overtuiging).

Antonio Gramsci: dwang en consensus
De gramsciaanse opvatting over (klassen)hegemonie en de hierop aansluitende althusseriaanse benadering van de werking van de ideologische staatsapparaten zijn exemplarisch voor deze duale logica. Gramsci legt grote nadruk op de tweeledige wijzen waarop een heersende klasse haar controle over de maatschappij in standhoudt: via dwang of consensus. Dwangmatige reproductie van klassenverhoudingen noemt hij dictatuur en consensuele reproductie noemt hij hegemonie. Dictatuur en hegemonie beschouwt hij als twee ideaaltypen van klassenheerschappij, die in werkelijkheid natuurlijk nooit in zuivere vorm voorkomen, maar altijd in een bepaalde combinatie. In aansluiting op Machiavelli gebruikt Gramsci daarom voor klassenheerschappij het beeld van de Centaur: beest en mens, dwang en consensus, gezag en hegemonie, geweld en beschaving [Gramsci 1971:170].

Met dit dubbelkarakter van de klassenheerschappij correspondeert een tweedeling van de ‘maatschappelijke bovenbouw’ in een politieke sfeer (società politica) waarin de staat de hoofdrol speelt en een culturele sfeer (società civile) waarin particuliere organisaties zoals de kerk, het onderwijs, de pers en de vakbonden een centrale rol spelen.

Zie voor een uitvoerige interpretatie van Gramci’s staatsopvatting: Buci-Glucksmann [1975] en voor een beknopte weergave van zijn hegemonieconceptie: Van den Brink [1978]. Het begrip ‘civiele maatschappij’ wordt gereconstrueerd door Kebir [1991] en Pastore [2011].

Dit is een misleidende dichotomie omdat hiermee het zicht wordt ontnomen op de complexiteit van de reproductieve en transformatieve mechanismen. Door het dichotome beeld van geweld-legitimiteit verdwijnt het zicht op andere mechanismen van handelingscoördinatie waardoor klassenverhoudingen zich reproduceren en transformeren.

In iets mindere mate geldt dit bezwaar ook voor traditionele sociaal-wetenschappelijke benaderingen waarin naast geweld en legitimiteit ook aandacht wordt besteed aan de reproductieve en transformatieve betekenis van klassenbelangen.

Tenslotte impliceert deze stelling ook een afbakening ten opzichte van benaderingen waarin (traditioneel gemotiveerde) gewoontes en zeden en (affectief gemotiveerde) solidariteit alleen worden opgevat als stabilisatoren van klassenstructuren en niet ook als transformatoren.

Index2. Oorzaken van wat?

Er zijn veel discussies gevoerd over de vraag naar de oorsprong van klassenstructuren. Ik zal hier geen overzicht geven van al deze discussies en beperk me tot het benoemen van een aantal onduidelijkheden in de discussies over de ‘oorsprong’ van klassenongelijkheden.

Het meest opvallende is wel dat het meestal onduidelijk blijft wat er verstaan moet worden onder oorzaken, grondslagen of bases van klassenongelijkheid en met name voor wát precies naar oorzaken wordt gezocht. Deze onduidelijkheden zijn het gevolg van een drietal probleemvermengingen die in meer algemene termen al door Bader/Benschop [1988:56-8] in kaart zijn gebracht.

In dit hoofdstuk concentreren we ons op de reproductieve en transformatieve oorzaken, dat wil zeggen op de mechanismen die bepalend zijn voor het voortbestaan dan wel de verandering van klassenstructuren. Voordat ik hiertoe overga wil enkele korte aantekeningen maken over het ontstaan van klassenstructuren en de betekenis van allocatieve mechanismen.

Index


2·1 Monocausale verklaringsmodellen
In een transformationele benadering wordt gezocht naar historisch-causale verklaringen voor de vraag waarom er uit de egalitaire reproductieprocessen van segmentaire samenlevingsverbanden bijna overal politiek georganiseerde klassenmaatschappijen zijn ontstaan.

De meeste pogingen om het ontstaan van klassenstructuren historisch-causaal te verklaren concentreren zich echter op één factor en zijn dus voornamelijk monocausaal.

In de meest bekende monocausale verklaringsmodellen wordt het ontstaan van uitbuitings- en klassenverhoudingen verklaard vanuit dwang of geweld (oorlogen en veroveringen, usurpaties en fysiek geweld), eigendom, toeëigening van meerarbeid of van een meerproduct, arbeidsdeling of roldifferentiatie, of vanuit specifieke normatieve of culturele factoren.

Geweld
Klassieke vertegenwoordigers van deze stroming zijn Saint-Simon (1760-1825), Thierry (1795-1856), Gumplowics [1902], Oppenheimer [1923] en de uitvoerig door Friedrich Engels bekritiseerde Dühring. Een meer recente vertegenwoordiger van deze stroming is Andreski [1968]. Hij beschouwt fysiek en militair geweld als de oorsprong van klassenongelijkheid én als permanente grondslag van haar reproductie. In zijn visie zijn de variaties in de omvang van klassenongelijkheid een direct gevolg van verschillen in de ‘military participation ratio (MPR)’. Daaronder verstaat hij het deel van de volwassen bevolking van een maatschappij dat militair is gemobiliseerd. Zijn simplistische stelling luidt: hoe groter het aantal mensen dat wapens draagt, des te democratischer is de maatschappij; hoe minder mensen militaire training en uitrusting hebben, des te sterker is een samenleving gestratificeerd. Gelukkig zijn er ook minder reductionistische benaderingen waarin —terecht— de nodige nadruk wordt gelegd op de betekenis van geweldsverhoudingen. Behalve in de inmiddels klassieke werken van Marx, Engels, Weber en Elias treft men dergelijke genuanceerde benaderingen ook aan in de studies van Howard, McNeill en Anderson.

Eigendom
Rousseau [1755] en Godwin [1793] zijn hiervan de klassieke vertegenwoordigers. In Rousseau’s hypothetische reconstructie van het ontstaan van de maatschappelijke ongelijkheid speelt de vestiging van eigendoms-verhoudingen de hoofdrol.

    “De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij: dat was hij die als eerste een stuk grond omheinde, zich verstoutte te zeggen: ‘Dit is van mij’, en onnozelaars trof die hem geloofden. Hoeveel misdaden, oorlogen, moordpartijen, ellende en verschrikkingen zouden het mensengeslacht niet bespaard zijn gebleven, als iemand toen de palen had uitgerukt of de gracht had dichtgegooid, en zijn medemensen had toegeroepen: ‘Luister niet naar deze bedrieger, jullie zijn verloren als jullie vergeten dat de vruchten van de aarde van iedereen zijn en dat de aarde van niemand is’” [Rousseau 1955/83:91].
Toen de eigendom ten tonele verscheen, verdween de gelijkheid [idem:99]. Ook Aristoteles realiseerde zich al dat het vooral eigendom of gebrek aan eigendom was dat de burgers verdeelde in rijk en arm: euporoi en aporoi [Politiek, 1291(b) 7-8]. Vgl. Ste. Croix [1983:77].

Toeëigening meerarbeid/meerproduct
Marx en Engels zijn hiervan de klassieke vertegenwoordigers. Praktisch alle marxistisch georiënteerde economen, sociologen, antropologen en historici stellen deze factor centraal. In de vorm van de ‘surplus’-gedachte speelt deze factor ook een belangrijke rol in bepaalde varianten van de ruiltheorie en van de conflicttheorie [Lenski 1968,1970].

Arbeidsdeling of roldifferentiatie
Klassieke vertegenwoordigers van deze stroming zijn Spencer [1876:504 e.v.], Schmoller [1890], Bücher [1893], Durkheim [1960], Svalastoga [1965], Hegener [1976], en recent: Luhmann [1975a, 1985]. De belangrijkste kenmerken van en kritieken op deze benadering zijn al eerder geschetst in hft. IV, § 1·2.

Normatieve of culturele factoren
In de normatieve of culturele verklaringsaanzetten wordt het ontstaan van klassenongelijkheid verklaard vanuit de noodzaak om maatschappelijke normen te sanctioneren. De bekende vertegenwoordigers van dit verklaringsmodel zijn Parsons, Aberle, Davis, Levy, Barber, maar ook Dahrendorf.

Alle genoemde oorzaken zijn niet alleen theorie-historisch relevant, ze spelen ook in de moderne theorievorming en in het historische en antropologische onderzoek nog een actuele rol.

Wat daarbij opvalt is, dat de verklarende factoren meestal abstract tegenover elkaar worden gesteld, hoewel zij inhoudelijk helemaal niet zo exclusief tegenover elkaar staan en elkaar niet per definitie uitsluiten. Het feit dat deze verklaringsfactoren toch telkens weer scherp tegenover elkaar worden gesteld, heeft slechts gedeeltelijk te maken met de enorme complexiteit van de problemen die er in de vraag naar ‘de oorsprong’ schuil gaat. Discussie over de ‘primaire’ oorzaken van klassenongelijkheid is niet alleen wetenschapsinhoudelijk gemotiveerd, maar werd vanaf het begin sterk beïnvloed en gekleurd door intellectuele en politieke rivaliteiten.

In marxistische analyses van het ontstaan van klassenmaatschappijen spelen bijvoorbeeld de monopolisering en aanwending van superieur fysiek geweld, het ontstaan van centrale heerschappij-instanties, de erosie van collectief eigendom alsmede technische, economische en sociale differentiaties en arbeidsdelingen naar sekse en leeftijd een belangrijke rol. Sinds Friedrich Engels is het in de marxistische traditie gebruikelijk om aandacht te besteden aan de samenhang tussen het ontstaan van statelijk georganiseerde klassenheerschappij en vrouwenonderdrukking.

In verklaringen van multicausale processen gaat het enerzijds om de juiste benoeming van het object van verklaring (bijv. ontstaan, bestaan dan wel transformatie van klassenverhoudingen), anderzijds om de afbakening van de verklarende oorzaken en van hun effecten. De moeilijkheden bij de specificatie van ‘verklarende variabelen’ worden besproken door Wright/Levine/Sober [1992:134 e.v.].
Het werkelijke probleem bij historisch-causale verklaringen is echter niet zozeer dat men de ‘factoren’ die in het geding zijn moet isoleren, maar op welke wijze deze factoren in elkaar grijpen, hoe zij elkaar versterken of hun effecten afzwakken enzovoort. Voor historisch-antropologisch onderzoek naar het ontstaan van klassenverhoudingen zijn monocausale verklaringspogingen even ongeschikt als ‘eendimensionale’ theorieën van klassenongelijkheid voor de sociologische theorievorming.

Index


2·2 Oorzaken van ontstaan, reproductie en transformatie
Er dient een analytisch onderscheid te worden gemaakt tussen de oorzaken van het historische ontstaan van klassenstructuren, de oorzaken van hun (voort)bestaan of van hun reproductie, nadat zij eenmaal geïnstitutionaliseerd zijn, en de oorzaken van verandering of transformatie van eenmaal geïnstitutionaliseerde klassenstructuren.

De (bundels van) oorzaken die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan, de reproductie en de transformatie van klassenstructuren kunnen globaal identiek zijn, maar dit is zeker niet noodzakelijk het geval en het is historisch gezien ook zeker niet altijd het geval.

Superieur geweld was een doorslaggevende factor voor het ontstaan van zeer uiteenlopende nieuwe uitbuitings- en klassenverhoudingen.

Toenemend geweld en onbelemmerd gebruik van dwang zijn cruciale kenmerken van de opkomst en verankering van alle grote beschavingen tot nu toe [Mann 1986]. Dat geldt ook voor het ontstaan van de kapitalistische klassenmaatschappij.

Geweld speelt een zeer dominante rol in de periode van de oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal en vormt in zekere zin het uitgangspunt van de kapitalistische arbeidswijze. Zodra de kapitalistische uitbuitings- en klassenverhoudingen eenmaal zijn gestabiliseerd en genormaliseerd, treedt het gebruik van direct fysiek geweld meer en meer naar de achtergrond. Dit betekent natuurlijk niet dat er in uitzonderingssituaties geen geweld meer wordt gebruikt om het voortbestaan van de kapitalistische klassenverhoudingen te garanderen. De reproductie van deze verhoudingen wordt echter primair veroorzaakt door het formeel vreedzame proces van kapitaalaccumulatie en de formeel geweldloze toeëigening van de door de loonarbeiders geproduceerde meerwaarde.

Dit voorbeeld maakt duidelijk waarom het onderzoeksstrategisch van groot belang is een onderscheid te maken tussen oorzaken van het ontstaan en oorzaken van het bestaan van klassenverhoudingen.

Marx over ontstaan en reproductie van het kapitalisme
De genese van een specifieke arbeidswijze en van de daarin verankerde klassenverhoudingen is niet homogeen met haar eigen structuur en dus ook niet met de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de reproductie en transformatie van deze structuur.

Marx’ retrospectieve analyse van de oorspronkelijke accumulatie is hiervan het klassieke voorbeeld. Het is een genealogie van de elementen die de structuur van de kapitalistische arbeidswijze vormen. Bruut geweld speelt een cruciale rol om het scheidingsproces tussen arbeiders en arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen en aan de ene pool de maatschappelijke productie- en bestaansmiddelen in kapitaal om te zetten en aan de andere pool de volksmassa te veranderen in loonarbeiders.

Zoals het geld ‘met natuurlijke bloedvlekken op de ene wang ter wereld komt’ (Augier), zo ‘wordt het kapitaal geboren van kop tot teen, uit alle poriën, druipend van bloed en vuil’ (Marx).

Het verschil tussen de gewelddadige oorzaken van het ontstaan en de reproductieve oorzaken van het bestaan van de kapitalistische arbeidswijze werd door Marx als volgt samengevat.

    “De kapitaalverhouding veronderstelt de scheiding tussen arbeiders en het bezit van de voorwaarden ter verwezenlijking van de arbeid. Zodra de kapitalistische productie eenmaal op eigen benen staat, handhaaft ze niet alleen deze scheiding, maar reproduceert ze deze scheiding op een steeds grotere schaal. Het proces, waardoor de kapitaalverhouding tot stand wordt gebracht, kan dus niets anders zijn dan het proces van scheiding tussen de arbeiders en het bezit van zijn arbeidsvoorwaarden, een proces dat enerzijds de maatschappelijke bestaans- en productiemiddelen in kapitaal omzet, anderzijds de directe producenten verandert in loonarbeiders. De zogenaamde oorspronkelijke accumulatie is dus niets anders dan het historische scheidingsproces tussen producent en productiemiddel” [Marx, MEW 23:742; vert. 556].
Zodra de kapitalistische arbeidswijze op haar eigen benen staat, treedt bij haar uitgebreide reproductie het geweld naar de achtergrond.
    “Buiten-economisch, direct geweld wordt weliswaar nog altijd toegepast, maar slechts bij wijze van uitzondering” [Marx, MEW 23:765; vert. 575].
In Marx’ visie wordt het voortbestaan van de kapitalistische klassenverhoudingen primair veroorzaakt door het formeel vreedzame economische proces van kapitaalaccumulatie. Wanneer de loonarbeid-kapitaalverhouding zich eenmaal historisch heeft ontwikkeld, creëert het zijn eigen bestaansvoorwaarden. Het kapitaal schept zijn eigen vooronderstellingen, namelijk die van de beschikkingsmacht over objectieve arbeidsvoorwaarden voor de toeëigening van meerwaarde.
    “Deze vooronderstellingen die oorspronkelijk als voorwaarden van het ontstaan van het kapitaal fungeren, verschijnen nu als resultaat van zijn eigen realisatie, niet als voorwaarden van zijn ontstaan, maar als resultaten van zijn bestaan” [Marx, Grundrisse:364].

Zo wordt geld pas kapitaal als gevolg van vooronderstellingen die extern aan het kapitaal zijn. Zodra het kapitaal als zodanig bestaat, schept het zijn eigen bestaansvoorwaarden middels zijn eigen productieproces [idem:363].

Dit illustreert het onderzoeksstrategisch belang van het inhoudelijk-methodische onderscheid tussen de structurele vooronderstellingen van de kapitalistische arbeidswijze en de specifieke historische voorwaarden waaronder deze vooronderstellingen kunnen worden gerealiseerd.

Index


2·3 Structurering van posities en rekrutering van individuen
Er is al vaker gewezen op het belang van het onderscheid tussen structureel ongelijke klassenposities en de mechanismen van rekrutering waardoor individuen over deze ongelijk gestructureerde klassenposities worden verdeeld [→ hoofdstuk IV, § 1·3 en de relativering in IX, § 4·1]. Dit onderscheid tussen positionele en personele referentiepunten is ook relevant voor de vraag naar de oorzaken van klassenongelijkheid.

De vraag ‘waarom ontstaan, bestaan en veranderen structurele klassenposities?’ verwijst niet zonder meer naar dezelfde oorzakenbundel als de vraag: ‘waarom ontstaan, bestaan en veranderen uitsluitingscriteria en -mechanismen?’ Beide vragen moeten in eerste instantie onafhankelijk van elkaar worden onderzocht. Vervolgens kan een nauwkeuriger analyse worden gemaakt van de samenhang tussen de factoren die verantwoordelijk zijn voor de (re)productie en transformatie van klassenposities en de factoren die verantwoordelijk zijn voor de (re)productie en transformatie van de rekruteringspatronen.

We hebben gezien dat het antwoord op de eerste vraag gevonden kan worden door een analyse van de historische oorzaken en van sociaal-structurele grondslagen van de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen waardoor exploitatieprocessen mogelijk worden.

Het antwoord op de tweede vraag vereist een gedetailleerde analyse van de historische oorzaken en sociaal-structurele grondslagen van de specifieke ascriptieve en meritocratische criteria en van de specifieke allocatiemechanismen. (De allocatieve ongelijkheden werden eerder besproken in IV, § 1·3 en komen in XI, § 2) terug bij de bespreking van de relatie tussen sociale klassen en geblokkeerde mobiliteit).

Dit betekent ten eerste dat er een analyse moet worden gemaakt van de samenhang tussen de criteria van sociale sluiting, de praktijken van uitsluiting en de daarmee ideaal-typisch corresponderende legitimatielegendes. Deze samenhang is uitvoerig geanalyseerd in Bader/Benschop [1988:233-41] en hoeft hier niet te worden herhaald.

Ten tweede moet worden onderzocht welke mechanismen bijdragen aan de stabilisatie/destabilisatie en garantie/transformatie van mobiliteitscriteria, en daarmee aan de instandhouding of doorbreking van mobiliteitsbarrières.

Index3. Mechanismen van reproductie en transformatie

Wat zijn de mechanismen waardoor eenmaal uitgekristalliseerde en in zekere zin genormaliseerde klassenstructuren worden gereproduceerd en getransformeerd?

Om op deze vraag te beantwoorden grijp ik terug op de in hoofdstuk XIII ontwikkelde typologie van handelingsoriëntaties. Bij de bespreking van de affectieve, traditionele, waarderationele
In gebruik hier de term ‘mechanismen van handelingscoördinatie’ als synoniem voor ‘geobjectiveerde verwachtingsstructuren’ die geconstitueerd worden in en door het feitelijke sociale handelen.
en strategische handelingsoriëntaties werd al een korte aanduiding gegeven van de daarmee ideaaltypisch corresponderende mechanismen van handelingscoördinatie: gewoontes/zeden, solidariteiten, belangen en legitimiteit.

Ik gebruik deze typologische indeling als referentiekader om zowel de reproductie als de transformatie van klassenverhoudingen te verklaren. Alle mechanismen van handelingscoördinatie fungeren immers tegelijkertijd ook als mechanismen van reproductie en transformatie van klassenverhoudingen. Zij doen dit echter niet allemaal op dezelfde wijze.

Sommige mechanismen van handelingscoördinatie reproduceren en transformeren de bestaande klassenverhoudingen min of meer onbewust, als niet gewilde en onbedoelde nevengevolgen van klassenspecifieke oriëntaties en handelingen. Dit zijn de mechanismen van stabilisering of destabilisering.

Andere mechanismen van handelingscoördinatie zijn daarentegen direct en als zodanig bewust gericht op de instandhouding of verandering van klassenverhoudingen. Dit zijn de mechanismen van garantie of van bewuste, actieve en gerichte transformatie.

In de volgende figuur zijn deze beide mechanismen in beeld gebracht.

Figuur 16·1 Mechanismen van reproductie en transformatie

Index


3·1 Klassenspecifieke gewoontes en zeden
Het ontstaan, bestaan en de verandering van gestabiliseerde klassenstructuren zijn het gevolg van de feitelijke regelmatigheden van het klassenhandelen. Deze regelmatigheden vloeien voort uit het feit dat mensen hun klassenhandelen —op meer of minder bewuste wijze —op elkaar afstemmen.

3·1·1 Stabilisatie door routine

De schijnbaar meest elementaire, maar in hun werking uiterst effectieve traditionele handelingsoriëntaties genereren een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie: klassenspecifieke gewoontes en zeden.

Klassenstructuren worden dus gereproduceerd door — klassenspecifieke of klassengebonden — gewoontes en zeden die door traditionele oriëntaties en handelingen worden geconstitueerd.

Klassenzeden berusten dus uitsluitend op een langdurige gewenning. De zeden en gewoontes van een klasse zijn niet ‘geldig’ in de zin dat er van mensen wordt geëist dat zij zich aan bepaalde regels houden die uiterlijk zijn gewaarborgd. Klassenzeden zijn (nog) niet geformuleerd als conventionele of wettelijke regels die ‘moeten gelden’.

Twee vloeiende overgangen
Niet alleen de overgang tussen gebruiken/gewoontes en zeden, maar ook die tussen zeden en conventies is in werkelijkheid natuurlijk uitermate vloeiend. De eerste overgang is per definitie vloeiend omdat hier strikt genomen alleen de tijdsfactor een rol speelt: klassenspecifieke gewoontes en gebruiken worden klassenzeden wanneer zij worden verduurzaamd. Het is onmogelijk algemene uitspraken te doen over de vraag hoelang een specifiek gebruik ‘gebruikelijk’ moet zijn om een zede te worden.

De overgang tussen zeden en conventies is eveneens vloeiend, omdat hier het al dan niet normerende karakter van de regels waarop men zich oriënteert, het onderscheidende kenmerk is. Hoe normerend moet een handelingsregel zijn, wil deze als een conventie worden aangemerkt? (Of omgekeerd: hoelang moet een conventionele regel bestaan voordat deze tot klassenspecifieke zede wordt?). Het feit dat geen exacte meetlat bestaat waarmee dergelijke analytische onderscheidingen met ‘harde cijfers’ empirisch kunnen worden gedemonstreerd, heeft (en hoeft) niemand ervan (te) weerhouden controleerbare uitspraken te doen over de aard en werking van specifieke gewoontes en zeden.

Door de ingeleefde praktijk van een klassenzede — zoals een bepaalde arbeids- of huwelijksmoraal, een bedrijfsloyaliteit — kunnen klassenstructuren worden gestabiliseerd, ook indien de regels waaraan actoren zich vrijwillig houden nog niet of niet meer conventioneel worden verlangd of wettelijk zijn gesanctioneerd. In alledaagse klassenpraktijken spelen traditionele oriëntaties een zeer dominante rol.

De continuïteit en stabiliteit van klassenspecifieke zeden wordt veroorzaakt door het feit dat iemand die zijn handelen niet op deze zeden oriënteert, zich ‘onaangepast’ of niet conform de heersende zeden gedraagt en daarom kleine en grote ongemakken op de koop moet toenemen, zolang de meerderheid van de mensen in zijn directe omgeving wél rekening houdt met het bestaan van deze zeden en zich daarop blijft oriënteren [Weber, WG:16].

Hoe dit in z’n werk gaat, kan waarschijnlijk het beste worden geïllustreerd aan zedelijke codes die een rol spelen in de directe omgang tussen uitbuiters en uitgebuitenen. In zeer uiteenlopende klassenformaties komt de traditioneel verankerde onderdanige houding van afhankelijke producenten ten opzichte van hun ‘broodheer’ scherp tot uiting in geritualiseerde begroetingspraktijken waarin altijd een zeker eerbetoon wordt gesymboliseerd. Wie van deze gewoonteregels afwijkt, wordt niet alleen door zijn ‘heer’, maar meestal ook zijn eigen klassengenoten als nonconformist betiteld en dienovereenkomstig behandeld.

Omgekeerd was en is het nog gebruikelijk dat leden van exploiterende of heersende klassen in een duidelijke afstand behouden ten opzichte van hun uitbuitingssubjecten en ondergeschikten. Deze distantie komt in diverse gewoontes, gebruiken en zeden tot uitdrukking: in de specifieke wijze waarop men zich beweegt, kleedt, spreekt en eet, in de omgangsvormen en in de symbolische attributen van de macht [de algemene en klassenspecifieke aspecten van de habitus kwamen uitvoerig aan de orde in hoofdstuk XII].

Wanneer klassengebonden gewoontes en gebruiken eenmaal goed zijn ingeburgerd, leiden zij als klassenzeden een uiterst hardnekkig bestaan. Zelfs wanneer deze routines wettelijk worden bestreden of verboden, zullen zij niet onmiddellijk verdwijnen.

Uitgekristalliseerde gewoontes en zeden fungeren als stabilisatiemechanismen van klassenstructuren (en worden als hun ongewilde en onbedoelde resultaten gereproduceerd). Een klassensysteem dat alleen maar door strategische motieven of belangenconstellaties wordt gereproduceerd, is meestal veel labieler dan een stelsel dat tevens steunt op traditionele oriëntaties en daarmee corresponderende routines.

In klassenzeden zijn specifieke verwachtingsstructuren geobjectiveerd. Klassenzeden veronderstellen een zekere gelijksoortigheid van de wederzijdse verwachtingen en oriëntaties van de leden van een zelfde klasse. De afzonderlijke leden van een sociale klasse houden zich vrijwillig aan de in een klassenzede geïmpliceerde regels en verwachten dat hun klassengenoten zich om dezelfde traditionele redenen aan deze regels zullen houden.

Door klassenzeden worden dus in eerste instantie de verhoudingen bínnen de afzonderlijke klassen gestabiliseerd. In de mate dat de traditionele gewoontes en zeden van de subalterne klasse aan de bestaande uitbuitings- en heerschappijverhoudingen zijn ‘aangepast’, stabiliseren zij tevens de verhoudingen tussen de afzonderlijke klassen.

3·1·2 Destabiliserende zeden, gewoontes en gebruiken
Gecalculeerd traditionalisme
Leden van subalterne klassen geven vaak de voorkeur aan hun traditionele levenswijze, niet omdat zij tegen verandering als zodanig zijn, maar omdat de voorgestelde veranderingen voor hen meer problemen scheppen dan zij oplossen. Achter de schijnbaar traditionalistische houding gaat dus zeer vaak een nuchtere afweging van kosten en baten schuil. De (progressieve) rol van het traditionalisme van de arbeiders in de vroege fase van industrialisatie in Engeland werd door Bendix [1956] uitvoerig geanalyseerd. Vgl. Calhoun [1983].
De traditionele gewoontes en zeden van de subalterne klassen vertonen in de regel een hoge mate van habitueel verankerde aangepastheid en conformiteit. Dat wil echter niet zeggen dat deze routines altijd of per definitie conformistisch zijn. Ook nonconformistische gewoontes en rebelse zeden behoren immers tot de tradities die in subalterne klassen soms zeer hoog worden gewaardeerd.

Juist daarom fungeren ingeleefde en diepverankerde tradities niet alleen als stabilisator van klassenverhoudingen, maar onder bepaalde voorwaarden ook als een uiterst krachtige destabiliserende factor.

Er is al eerder op gewezen dat juist de pre-industriële of voorkapitalistische tradities van ambachtslieden een uiterst belangrijke voedingbodem waren voor het ontstaan van de eerste verzetsorganisaties van de arbeidersbeweging. De betekenis van dergelijke tradities als destabiliserende factor is niet beperkt tot de arbeidersbeweging in de vorige eeuw, maar speelt nog steeds een belangrijke rol.

Talloze arbeidsconflicten en stakingen ontstaan omdat ondernemers proberen een tot gewoonte geworden arbeidstempo op te voeren, omdat de voor arbeiders gebruikelijke kleine rustpauzes en speelruimtes worden weggerationaliseerd of omdat hun diepverankerde en jarenlange — vaak van vader op zoon overgedragen — bedrijfsloyaliteit wordt bedreigd door een aangekondigde bedrijfssluiting.

Klassensystemen gaan waarschijnlijk altijd gepaard met een fundamenteel —in de dagelijkse praktijk echter meestal zorgvuldig gemaskeerd— wantrouwen van de geëxploiteerden ten opzichte van hun exploiteurs. In de meer of minder elastische marges van de exploitatiesystemen vinden de uitgebuitenen een ruimte om hun eigen tradities vorm te geven: het gezamenlijk beperken van de arbeidsprestaties (‘remmen’), het toeëigenen van gereedschappen en producten (‘snaaien’), het maskeren van ongeoorloofde afwezigheid (‘ziekvieren’) tot aan de meest subtiele vormen van zelfbeschermende sabotage.

Al deze verzets- en overlevingsstrategieën behoren tot de op brede schaal ingeburgerde tradities die niet alleen zijn gericht tegen verscherping (of voor matiging) van exploitatiepraktijken, maar die ook kunnen gaan knagen aan de stabiliteit van het klassensysteem (vooral wanneer dergelijke praktijken diep in een volkscultuur verankerd raken).

Wanneer exploiterende en heersende klassen hun traditionele verplichtingen ten opzichte van hun arbeiders en onderdanen niet meer (kunnen of willen) nakomen en dus in hun ogen onzedelijk (arrogant, vrekkig) handelen, dan kan hierdoor een moeizaam opgebouwd stelsel van stabiliserende klassencompromissen worden doorbroken. In zijn analyse van de herstructurering van de lokale klassenverhoudingen in Maleisië laat Scott [1985] zien wat de betekenis is van de toenemende arrogantie en vrekkigheid van de rijken. Het alledaagse verzet van de kleine rijstboeren werd vooral aangemoedigd door de ‘schaamteloosheid’ waarmee de nieuwe landheren hun klassemacht uitoefenen.

Klassenspecifieke tradities (gewoontes, gebruiken en zeden) werken dus niet alleen als stabilisator van de relaties binnen en tussen sociale klassen, maar met name wanneer zij op elkaar botsen ook als transformator van klassenverhoudingen.

Index


3·2 Solidariteit tussen en binnen klassen
Klassenstructuren worden gestabiliseerd of gedestabiliseerd door solidariteit. Klassensolidariteit wordt geconstitueerd door gemeenschappelijke affectieve oriëntaties en emotioneel gemotiveerd handelen.

  1. Stabilisatie door solidariteit
    Klassenstructuren kunnen aanzienlijk worden gestabiliseerd wanneer leden van verschillende klassen ondanks hun tegengestelde belangen toch gemeenschappelijke affectieve of emotionele oriëntaties hebben (‘klassenoverstijgende solidariteiten’) of wanneer de leden van een zelfde klasse ondanks hun gemeenschappelijke klassenbelangen toch tegengestelde affectieve oriëntaties hebben en zich nadrukkelijk slechts met bepaalde delen van hun klasse solidair voelen (‘klassenverdelende solidariteiten’).

    In slavenhoudersmaatschappijen werd de onderlinge solidariteit tussen slaven gebroken door hun binding aan hun heer. Genovese [1974/5:578-660 - Roll Jordan Roll] laat zien hoe Amerikaanse slaven gestimuleerd werden om zichzelf tot op zekere hoogte aan te passen aan het systeem dat hen exploiteert. Slaven die er gezinnen mochten stichten werden aan een van de meest harde vormen van controle door meesters onderworpen: de dreiging van het opsplitsen van hun gezinnen. “The break-up of the family is the most effective of alle treats against its members” [Ste. Croix 1983:148]. De kinderen van slaven waren hun gijzelaars voor goed gedrag. De heersende slavenhoudersklasse probeerde de slaven die zij exploiteerden ervan te overtuigen dat zij hun onderdrukte situatie zonder protest moesten accepteren en indien mogelijk hier zelf behagen in moesten scheppen. Dat is de betekenis van ‘master-loving’ (philodespotos). De meest bekende moderne vorm daarvan is ‘het likken naar boven en trappen naar beneden’.

    Kapitalistische klassenverhoudingen worden gestabiliseerd door de solidariteit van een specifiek arbeidscollectief (de affectieve eenheid van kantoorpersoneel tegenover productiearbeiders), een bepaalde bedrijfsgemeenschap (de eenheid van de Philipsfamilie tegenover de rest van Nederland) en door nationalistische solidariteit die veel arbeiders tijdens imperialistische oorlogen — of tijdens Europese voetbalwedstrijden. Hetzelfde geldt ook voor onderlinge solidariteit van mannen ten opzichte van vrouwen en voor exclusieve solidariteit van etnisch-culturele groepen. Bovendien kunnen de solidariteiten en rivaliteiten die stoelen op persoonlijke contacten en directe interacties (in arbeidscollectieven, nabuurschap enz.) een obstakel vormen voor de constructie van vormen van solidariteit die berusten op nabijheid in de organisationele en maatschappelijke ruimte.

      Nader onderzoek naar deze conflictueuze samenhang tussen niveaus van handelingsintegratie en niveaus van collectief handelen is gewenst. Zie: Bourdieu [1989:315], Bader [1991:117 e.v.], Fantasia [1988].

    In werkelijkheid spelen bij deze vormen van solidariteit natuurlijk niet alleen zuiver affectieve of emotionele handelingsoriëntaties een rol. Deze meervoudig gemotiveerde politieke houdingen geven echter wel degelijk een indicatie van de stabiliserende werking die aan solidariteitsvormen verbonden kan zijn.

      Solidariteit wordt hier gedefinieerd als een specifieke geobjectiveerde verwachtingsstructuur die louter en alleen geconstitueerd wordt door gevoelsmatige of affectieve oriëntaties. Wanneer dit mechanisme van handelingscoördinatie eenmaal bestaat, kunnen mensen zich daarop ook anders dan affectief oriënteren: men kan zich ook op een traditionele, normatieve of strategische wijze op het bestaan van solidariteit oriënteren [Bader 1989]. Solidariteit komt hierdoor echter niet tot stand en klassenstructuren die daarop berusten, verliezen het surplus aan stabiliteit dat meestal het resultaat is van affectieve oriëntaties en solidaire (vriendschappelijke, kameraadschappelijke) bindingen.

  2. Destabilisatie door klassensolidariteit
    De klassensolidariteit van de uitgebuitenen fungeert daarentegen als een mechanisme dat kan leiden tot een destabilisatie van de klassenverhoudingen. Deze klassensolidariteit komt telkens weer opnieuw tot uiting in een breed scala van expressieve acties (met name in solidariteits-acties) en symbolen, die vaak onmiskenbaar laten zien tot welke klasse men behoort of gerekend wil worden [→ hoofdstuk. XIII, § 3].

    Van groeps- naar klassenbewustzijn
    Onder de Nederlandse arbeidersklasse bestond in de 19e eeuw een grote mate van onderlinge solidariteit en hulpvaardigheid. Deze onderlinge solidariteit leidde tot een zeker gevoel van verbondenheid binnen bepaalde groepen van de arbeidende klasse. In eerste instantie bleef de blik van de arbeiders beperkt tot de medearbeiders die zij persoonlijk kenden, hetzij op het werk, hetzij in de buurt waar men woonde.
      “In eerste instantie voelden de arbeiders zich immers verbonden met degenen die in dezelfde arbeids- en levensomstandigheden verkeerden als zij zelf” [Giele 1876:87].
    Het gevoel van lotsverbondenheid was het sterkst waar de bekendheid met elkaar in werk- en woonsituatie samenvielen. Deze onderlinge solidariteit vormde “de mogelijke kiem van de ontwikkeling van groepsbewustzijn naar klassenbewustzijn” [idem:98]. Deze ontwikkeling is omstreeks de eeuwwisseling in volle gang. Zij werd niet alleen gestimuleerd door de economische ontwikkeling in de tweede helft van de 19e eeuw (die een toenadering tussen de groepen binnen de arbeidersklasse bewerkstelligde), maar ook door de invloed van de socialistische propaganda van de Nederlandse sectie van de Eerste Internationale en de Sociaal-Democratische Bond (SDB).

  3. Verandering en beïnvloeding van klassensolidariteit
    Door de verbetering van de inhoudelijke en methodische strategieën en technieken van opinie- en attitudeonderzoek is het inmiddels wel mogelijk geworden een aantal van deze verschuivingen beter in kaart te brengen. Solidariteit stimuleert de feitelijke inzet, de energie en het uithoudingsvermogen, de motivatie en de strijdbaarheid van de deelnemers aan klassenbewegingen en -acties [Bader 1991:277]. Maar de vraag in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een toenemende zelfreflexieve omgang met solidariteitsbelevingen is nog nauwelijks onderzocht.
    Evenals klassenspecifieke zeden blijven klassensolidariteiten meestal voor een belangrijk deel on- of voorbewust. Mede daarom kunnen de veranderingen die daarin optreden lange tijd onopgemerkt blijven.

    Het tempo van deze veranderingen en de richting waarin de onderhuidse en moleculaire verschuivingen van de zeden en solidariteiten voltrekt, zijn slechts in beperkte mate manipuleerbaar.

    Klassensolidariteit kan weliswaar op elk terrein worden ingezet, maar zij laat zich niet of nauwelijks strategisch manipuleren. Dit stelt conflictorganisaties en hun leidingen voor een probleem. Zij kunnen de richting waarin onderlinge solidariteit zich formeert zeker op korte termijn niet of nauwelijks beïnvloeden. Maar zij moeten tegelijkertijd rekening houden met het gevaar dat aan het strategische gebruik van klassensolidariteit verbonden is: klassensolidariteiten kunnen hierdoor worden uitgehold. Wanneer op deze manier de erosie van onderlinge solidariteit wordt gestimuleerd, wordt deze op den duur als strategisch inzetbare bron veel minder waard.

    Conflictorganisaties en hun leidingen kunnen zich strategisch oriënteren op het bestaan van onderlinge solidariteit. In hun actieplanning houden zij rekening met de mate waarin werknemers met elkaar of met een bepaalde organisatie of institutie solidair zullen zijn. Ook bij de uitwerking van managementsstrategieën door ondernemers wordt er rekening gehouden dat het personeel een meer of minder sterke gevoelsmatige binding heeft met het bedrijf of met een specifieke bedrijfsafdeling.

    Bij de uitwerking van vakbondstrategieën wort ook cognitief rekening gehouden met het saamhorigheidsgevoel van het personeel en van de vakbondsleden. Wanneer deze strategische oriëntaties dominant worden, gaat solidariteit over in een zuivere belangenpositie. Maar daardoor gaat juist de mogelijke extra stabiliteit die meestal met affectieve oriëntaties verbonden is, verloren.

Klassenspecifieke zeden en solidariteiten vertonen niet alleen in traditionele maar ook in moderne maatschappijen een relatief grote continuïteit. Samen met klassenbelangen leveren zij niet alleen een doorslaggevende bijdrage aan de stabilisatie van klassenverhoudingen, maar spelen ook een essentiële rol in hun destabilisatie.

Index


3·3 Klassenbelangen
Onder strategisch gemotiveerde handelingen versta ik handelingen die het resultaat zijn van een meer of minder rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes.
Klassenbelangen worden geconstitueerd door zuiver strategische handelingsoriëntaties van individuen op basis van gelijksoortige verwachtingen van anderen en door zuiver strategisch gemotiveerde handelingen [→ hoofdstuk XIV, § 2].

Gemeenschappelijke belangen binnen en tussen klassen fungeren als een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie — zij dragen niet alleen bij aan de continuïteit en stabiliteit van klassenstructuren, maar bewerkstelligen ook de discontinuïteit en instabiliteit van klassenstructuren. Ook klassenbelangen fungeren dus tegelijkertijd als een mechanisme van reproductie én van transformatie van klassenstructuren.

  1. Klassenbelang als stabilisatiemechanisme
    Een eenmaal gevestigd gemeenschappelijk klassenbelang fungeert als een stabilisatiemechanisme wanneer en voor zover het bijdraagt aan de feitelijke reproductie van klassenstructuren. Actuele klassenbelangen zijn specifieke geobjectiveerde verwachtingstructuren: zij veronderstellen een gelijksoortigheid van de wederzijdse verwachtingen en oriëntaties van de leden van een zelfde klasse.

    De leden van een sociale klasse oriënteren zich strategisch op hun eigen klassenspecifieke doelen en verwachten dat alle andere leden zich op dezelfde manier op deze klassendoelen oriënteren; zij veronderstellen bovendien dat andere klassenleden van hen verwachten dat zij zich strategisch oriënteren en dienovereenkomstig handelen [Bader/Benschop 1988:267; Bader 1991:135].

    Klassenbelangen stabiliseren dus in de eerste plaats de verhoudingen binnen de afzonderlijke klassen, dat wil zeggen tussen de leden van een zelfde klasse.

    Klassenstructuren en -ongelijkheden worden echter met name gereproduceerd wanneer de leden van verschillende klassen gemeenschappelijke belangen definiëren of wanneer zij daadwerkelijke gemeenschappelijke belangen hebben, dat wil zeggen wanneer tussen afzonderlijke klassen een (partieel, tijdelijk) belangencompromis tot stand komt.

    Zolang de fundamentele tegenstellingen tussen klassenbelangen niet duidelijk voor iedereen zichtbaar naar voren komen, dragen deze gemeenschappelijke belangen feitelijk bij aan de stabilisering van klassenstructuren. Ondanks en naast hun tegengestelde klassenbelangen hebben loonarbeiders en kapitalisten bijvoorbeeld beide belang bij het afsluiten van arbeidscontracten; elk arbeidscontract dat wordt afgesloten reproduceert kapitalistische loonafhankelijkheid, of dit nu bewust bedoeld is of niet [Bader/Benschop 1988:270].

    De vooronderstelling van een transformationele klassenanalyse is niet dat de belangen van arbeiders en kapitalisten monolitisch zijn gepolariseerd. De acceptatie van de bestaande klassenverhoudingen door arbeiders is gedeeltelijk gebaseerd op strategische overwegingen en zeker niet alleen op acceptatie van burgerlijke normen en misleiding. Onder ‘normale’ omstandigheden, waarin klassenbelangen niet sterk zijn gepolitiseerd, hebben arbeiders een positief belang bij de rentabiliteit en overleving van het bedrijf waarvoor zij werken [Burawoy/Wright 1990:256 in aansluiting bij Przworski 1985].

    Gemeenschappelijke belangen reproduceren klassenstructuren min of meer onbewust, als niet gewilde en onbedoelde nevengevolgen van strategische oriëntaties en handelingen; zij zijn dus niet direct en als zodanig expliciet gericht op het in stand houden van klassenstructuren.

    Traditionele, affectieve en normatieve oriëntatie op klassenbelangen
    Klassenbelangen worden empirisch geconstitueerd door louter strategische oriëntaties en hierdoor gemotiveerde handelingen. Men kan zich echter ook op traditionele, affectieve of waarderationele wijze oriënteren op het bestaan van (tegengestelde) belangen.

    Van een traditionele oriëntatie op klassenbelangen is sprake wanneer de oriëntatie op het eigen klassenbelang tot een zodanige gewoonte is geworden, dat deze niet meer spoort met het actuele klassenbelang. Een ondernemer kan bijvoorbeeld de van oudsher ingeslepen afkeer van tegenspraak zo ver drijven, dat hij elke vorm van twijfel en kritiek als een aanval op zijn eigen gezagspositie opvat en dienovereenkomstig reageert. Omgekeerd kan een arbeider zo star vasthouden aan zijn van oudere klassengenoten overgenomen argwaan tegen technische vernieuwingen dat elke innovatie bij voorbaat wordt beschouwd als een aanslag op zijn belangenpositie.

    Van een affectieve oriëntatie op klassenbelangen is sprake wanneer de oriëntatie op het eigen klassenbelang zo sterk is verinnerlijkt, dat men in conflictsituaties geen strategische calculaties meer denkt nodig te hebben om de juiste keuzes te kunnen maken en volledig afgaat op het gevoelde eigenbelang.

    Van een waarderationele of normatieve oriëntatie op klassenbelangen is sprake wanneer het eigen klassenbelang dominant wordt gedefinieerd in termen van specifiek particularistische of collectivistische normen.

  2. Klassenbelang als destabilisatiemechanisme
    Klassenbelang is echter ook een mechanisme van destabilisering van klassenstructuren. Wanneer de leden van een sociale klasse zich strategisch oriënteren op hun eigen klassenspecifieke doelen verwachten zij immers niet alleen dat alle andere leden zich op dezelfde manier op deze klassendoelen oriënteren en van hen verwachten dat zij zich zo oriënteren en handelen; zij verwachten bovendien dat leden van een andere sociale klasse zich eveneens op hun klassendoelen oriënteren en van hen verwachten dat zij hetzelfde doen.

    Eenmaal gevestigde en gearticuleerde klassenbelangen dragen een groot conflictpotentieel in zich. Uitbuitings- en klassenposities zijn intrinsiek antagonistisch omdat zij tegenovergestelde belangen genereren. De realisatie van de belangen van de ene klasse impliceert in veel gevallen verzet tegen de realisatie van de belangen van een andere klasse (voor de hoofdklassen is dit in de regel altijd het geval).

    Dit betekent niet dat er geen compromis mogelijk is tussen tegengestelde belangen, maar dat bij dergelijke compromissen meestal een specifiek klassenbelang domineert over (en gerealiseerd wordt tegen) de belangen van andere klassen of klassenfracties. In de pregnante formulering van Wright [1985:36]: “Wat onmogelijk is is niet compromis, maar harmonie”.

    Klassenconflicten en klassencompromissen moeten niet uiterlijk tegenover elkaar worden gesteld. Klassencompromissen veronderstellen klassenconflicten op twee manieren.

    • Klassencompromissen worden gegenereerd door klassenconflicten — compromissen onderstrepen de conflictualiteit van de daaraan ten grondslag liggende belangenconstellaties.
    • Klassenconflict van essentieel belang om de ‘regels van het spel’ te handhaven waardoor klassencompromissen gereproduceerd kunnen worden [Burawoy/Wright 1990:264].

    Tegengestelde klassenbelangen vormen een uitermate krachtige conflictbron. Zij genereren permanent impulsen die tot een destabilisering van de krachtsverhoudingen tussen de sociale klassen leiden. Deze destabilisatie treedt met name op wanneer de tegenstellingen tussen de klassenbelangen op een directe en ondubbelzinnige (en dus voor iedereen zichtbare) wijze naar voren komen.

    Klassenbelangen zijn bovendien niet het meest bestendige op de wereld. De veelal niet opgemerkte moleculaire veranderingen van de relaties tussen objectieve klassenposities, klassenhabitus en levensstijlen genereren meestal onbewuste en niet bedoelde veranderingen van klassenbelangen op lange termijn. Het zijn deze wijzigingen in de actuele en gedeeltelijk bewust gearticuleerde klassenbelangen op lange termijn waardoor er telkens opnieuw klassenconflicten uitbreken (in oude bekende of nieuwe vormen) en de bestaande klassenstructuren worden gedestabiliseerd.

Index4. Mechanismen van garantie en transformatie

4·1 Conventies en rechten
De reproductie van klassenstructuren wordt uiterlijk gegarandeerd door conventies en wetten. Zij worden met name gegarandeerd door een conventionele of wettelijke normering van de wijze waarop de beschikkingsmacht over de maatschappelijke relevante bronnen is verdeeld (‘eigendomsrecht’) en de wijze waarop beschikkingsmacht over productieve bronnen en rijkdommen kan worden verkregen en overgedragen (‘erfrecht’).

Normering van bronnen, beloningen en subjecten
De conventionele en wettelijke normeringen die direct relevant zijn voor de reproductie van de klassenverhoudingen zijn natuurlijk niet beperkt tot het eigendoms- en erfrecht.
  1. Het gaat om alle conventionele en/of wettelijke normeringen van de controle over maatschappelijk relevante bronnen: de normering van de duurzaamheid van de controle (getermineerde en niet getermineerde controle), van de mate van controle (differentiatie, delegatie en externe limitatie van controle) en van de objecten van controle (inclusie van personen of juist beperkt tot goederen of ‘zaken’).

  2. Het gaat ook om normeringen van controle over beloningen en in het bijzonder om de conventies en wetten die de inkomens- en inkomstenverdeling reguleren: normering van tribuut- of belastingverplichting, van minimum- of maximuminkomen, van bijdragen aan het sociale zekerheidsfonds en van aanspraken op uitkeringen uit dit fonds.

  3. Tenslotte is de conventionele en wettelijke normering van klassenverhoudingen niet alleen betrokken op (de reproductie van) klassenposities, maar ook op de allocatie van individuen op klassenposities. Het gaat dus ook om de directe normering van klassensubjecten en allocatiecriteria: normering van eigendomssubjecten (individuen, families, stammen, formele organisaties en instellingen, niet-formeel georganiseerde groepen van gediscrimineerden) en normering van criteria van sociale sluiting (zoals racistische, seksistische, gerontocratische, regionalistische, nationalistische, clericalistische, meritocratische, expertocratische normeringen).

Door deze geïnstitutionaliseerde normering worden niet alleen de bestaande eigendomsverhoudingen gegarandeerd, maar wordt tevens de specifieke vorm van het recht op toeëigening van meerarbeid, dat wil zeggen het recht op exploitatie verankerd en verduurzaamd. Door de conventionele of wettelijke normering van feitelijk toegeëigende exploitatieve kansen (‘klassenprivileges’) wordt zowel de intra- als de intergenerationele reproductie van de uitbuitings- en klassenverhoudingen uiterlijk gegarandeerd.

Deze vorm van garantie wordt ‘uiterlijk’ genoemd omdat mensen niet in de legitimiteit van de conventies of rechtsregels hoeven te geloven om toch rekening te houden met de maatschappelijke geldigheid ervan. Ook een dief houdt er rekening mee dat de strafwet geldig is. Deze erkenning van de geldigheid van de eigendoms- en strafwetten komt tot uiting in het feit dat de dief zijn criminele praktijken zoveel mogelijk probeert te verheimelijken. Dit ‘rekening houden met’ betekent niet dat de dief ook normatief instemt met deze eigendomsregels.

Klassenprivileges zijn het resultaat van een zodanig ongelijke verdeling van feitelijke controle over bronnen dat een effectieve claim op meerarbeid (uitbuiting) mogelijk is. Klassenprivileges zijn dus feitelijk toegeëigende exploitatiekansen. Wanneer klassenprivileges uiterlijk worden gegarandeerd door conventies en/of door recht nemen zij de vorm aan van klassenrechten. Klassenrechten zijn dus conventioneel of wettelijk gegarandeerde klassenprivileges. Bewuste en als zodanig nagestreefde verandering van conventies en met name van het gepositiveerde recht zijn beslissende mechanismen van hervormende of revolutionaire verandering.

4·1·1 Conventionele garantie
Conventie is een type van garantie van klassenverhoudingen waarbij de gelding van normerende regels uiterlijk wordt gegarandeerd door het feit dat degene die van deze regels afwijkt de kans loopt op “een betrekkelijk algemene en praktisch voelbare afkeuring” [Weber, WG:17].

Het gelden van normen impliceert het recht om bepaalde handelingen partieel te controleren en erkenning dat andere normdragers datzelfde recht hebben. Een sanctie is de uitoefening van dat recht. Sociale sanctie kunnen negatief zijn (gericht op het verbieden van een handeling die door de norm wordt verboden) of positief (gericht op het induceren van handelingen die door de norm worden voorgeschreven).
Anders dan bij klassenzeden worden klassenconventies expliciet opgevat als normerende regels, dat wil zeggen als een specifiek soort normatieve gedrags-verwachtingen. Deze normerende regels worden gegarandeerd door het dreigen met of het toepassen van negatieve sociale sancties, zoals uitsluiting, boycot of staking [Coleman 1990:263].

In werkelijkheid worden sociale sancties zeer vaak gecombineerd met juridisch gelegaliseerde of getolereerde fysieke sancties. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de wijze waarop de uitbuitings-verhoudingen in het oude India werden gegarandeerd. De boeren werden collectief uitgebuit middels de zware belastingen die de centrale staat aan de dorpsgemeenschappen oplegde; binnen hun dorpen werden zij geëxploiteerd door dorpshoofden die door de centrale staat werden benoemd. Terwijl de uitbuiting ván dorpen (via een zware belastingheffing van de staat) werd gesanctioneerd door militaire kracht, werd de uitbuiting bínnen dorpen primair gegarandeerd door het kastenstelsel en zijn religieuze sancties [Maddison 1971:27; Anderson 1973:489].

De in meer of minder sterke mate geïnstitutionaliseerde normen vormen de morele context van lokale, bedrijfsspecifieke of nationale klassenverhoudingen. Deze context bestaat uit een serie normatieve gedragsverwachtingen en voorkeuren met betrekking tot de relaties tussen uitbuiters en uitgebuitenen: slavenhouders en slaven, heren en onderhorigen, ondernemers en loonarbeiders, of algemener: rijken en armen.

Deze verwachtingen worden grotendeels gearticuleerd in het idioom van patronage, ondersteuning, welwillendheid en hulpvaardigheid. Zij worden toegepast op gezagsuitoefening, werkgelegenheid en beloning (‘rechtvaardig loon voor fatsoenlijke arbeid’), maar ook op charitas, het geven van feesten en op het gedrag in de alledaagse omgang (zoals de wijze van begroeting en de afstand die men daarbij geacht wordt te houden). Wie aan deze verwachtingen voldoet, zal met respect, loyaliteit en sociale erkenning worden behandeld. Het is een ‘politics of reputation’ (Bailey) waarin een goede naam wordt verleend in ruil voor steun aan een bepaalde gedragscode [Scott 1985:185].

De keerzijde hiervan is een politiek van sociale sancties. Wie niet voldoet aan de gedragsverwachtingen die in de morele context zijn verankerd, verliest niet alleen het respect en de loyaliteit van zijn klassenopponent, maar vaak ook van zijn eigen klassengenoten.

De landheer die zijn conventionele verplichtingen ten opzichte van zijn pachters verwaarloost, wordt een object van hartgrondige verachting en verliest zijn goede naam [in Bertolucci’s film Novecento is dat op indringende wijze in beeld gebracht]. Een kleine pachter die zijn landheer deemoediger dan noodzakelijk bejegend en meer diensten verleend dan waartoe hij conventioneel verplicht is, wordt door zijn dorpsgenoten sociaal geïsoleerd en ‘met de nek’ aangekeken. Een trouwe werknemer die zijn ondergeschiktheid zo sterk heeft verinnerlijkt dat hij ‘de hielen van de baas likt’ of zich uitslooft om het gebruikelijke arbeidstempo op te voeren, wordt door zijn medearbeiders niet meer als loyale collega beschouwd en dienovereenkomstig behandeld.

Of omgekeerd: een arbeider die zijn baas niet op een conventioneel respectvolle wijze bejegent, wordt door zijn ondernemer met ontslag bedreigd of feitelijk ontslagen. De ondernemer die deze arbeider daadwerkelijk ontslaat, loopt echter tevens het risico hiervoor een staking aan zijn broek te krijgen (omdat dit andere conventies schendt, of omdat zijn personeel een heel andere waardering heeft van de in eerste instantie geschonden conventie).

Prekapitalistische conventies
Ook een patrimoniale of feodale heer is iets aan zijn onderhorigen verschuldigd, niet juridisch maar volgens traditionele gebruiken, gewoontes en conventies. De heer wordt geacht extern bescherming en in geval van nood hulp te bieden, zijn onderhorigen op een ‘menselijke’ wijze te behandelen, en er wordt vooral van hem verwacht dat hij zich bij zijn uitbuiting houdt aan de ‘gebruikelijke’ of ‘normale’ beperkingen. Dergelijke normatieve gedragsverwachtingen spelen met name een belangrijke rol in klassenformaties die (nog) niet zijn gericht op het verwerven of accumuleren van geld, maar op de bevrediging van de behoeften van de heer.

In patrimoniale of feodale verhoudingen kan de uitbuiting van onderhorigen worden beperkt zonder de belangen van de heer te schenden, omdat deze nog niet worden gedicteerd door het in principe ongelimiteerde winststreven [Weber, WG:583; J. C. Scott 1976]. Prekapitalistische verwachtingspatronen spelen echter ook in het moderne kapitalisme nog een uitermate belangrijke rol en worden in conflictsituaties vaak weer gereactiveerd. Ideologisch worden deze traditionele verwachtingen en verplichtingen gearticuleerd in de politieke taal van ‘de vaderlijke ondernemer’ (als patroon) en ‘de fatsoenlijke arbeider’ (als cliënt) [Thompson 1971; Bridges 1986; → hoofdstuk IX, § 2·2·3].

In zijn analyse van de lokale klassenverhoudingen in Maleisië heeft James Scott laten zien hoe klassenconflicten tussen rijke boeren en arme pachters binnen een traditionele morele context worden uitgevochten, dat wil zeggen hoe zij zich strategisch oriënteren op conventies. Ook de rijke boeren van ‘Sedaka’ zijn niet in staat zich volledig te onttrekken aan de prekapitalistische normatieve context van het dorpsleven. Daarom proberen zij de toepasbaarheid van deze waarden — waarin zij eens een veel groter gevestigd belang hadden — radicaal te beperken.

    “De volledige toepassing van deze waarden zou hen nu verhinderen om zich te onttrekken aan de sociale verplichtingen die tussen hen en de winsten van de Groene Revolutie staan” [Scott 1985: 185].

De rijke boeren hanteren verschillende strategieën om de morele context aan te passen aan hun ongelimiteerde winststreven; de kleine pachters proberen in hun moleculaire verzet hiertegen juist de traditionele conventies te reactiveren. Zowel de rijke als de arme boeren proberen een zodanige interpretatie van de situatie te geven dat deze prekapitalistische waarden in dienst staan van hun eigen partijdige klassendoelen.

Deze waarden alleen in en door sociale conflicten worden gemodelleerd. De normatieve context is dus geen dwangbuis, maar in de meest letterlijke zin van het woord een context: het biedt een kader voor het conflict tussen winnaars en verliezers.

    “The parties to this conflict are all bricoleurs with a given set of tools or a set of variations on themes that are, for the time being, largely given. Those themes include the normative expectations that those who are comparatively well-off should be generous to their less-well-off neighbors and kin, that such generosity should tame nondemeaning … forms, and that neither rich nor poor should conduct themselves in an arrogant or shameful manner. Just who is well-off, just how generous they should be, just what forms their generosity should take, just which forms of help are compatible with dignity, and just what behavior is arrogant and shameful are questions that form the substance of the drama. Within these broad confines, both rich and poor have developed working strategies designed to make the normative principles serve their interests as much as possible” [Scott 1985:198 e.v.].

In alle tot nu toe onderzochte industrialisatieprocessen zien we vergelijkbare processen optreden. Degenen die de industrialisatie proberen te stimuleren, maken voor eigen doeleinden gebruik van de traditionele onderschikking van de arbeiders, maar verwerpen in theorie en praktijk de traditionele verplichtingen van de heersende klassen. Voor de vroege fase van de industrialisatie in Engeland en Rusland is dit uitvoerig gedemonstreerd door Bendix [1956].

4·1·2 Juridische garantie
Klassenstructuren kunnen uiterlijk worden gegarandeerd door juridisch gesanctioneerde normerende regels, dat wil zeggen door rechtsverhoudingen. Recht wordt hier begrepen als een specifiek type van garantie. Het in stand houden van normerende regels en de bestraffing van hun overtreders wordt gegarandeerd door een specifiek type negatieve sancties, namelijk door het dreigen met of het toepassen van fysiek geweld door een disciplinaire ambtelijke staf (justitie, politie, leger, detentie).

De juridisch gesanctioneerde regels die een klassenstelsel normeren, kunnen in wetten worden gecodificeerd. Wanneer dit gebeurt, wordt het tevens mogelijk dat de in wetboeken vastgelegde rechtsregels zich tot op zekere hoogte losmaken van de normatieve gedragsverwachtingen zoals deze in de dagelijkse praktijk gelden. Er ontstaat dan een verschil tussen de feitelijke empirische gelding van de rechtsregels en hun juridisch-dogmatische gelding.

Empirische en juridisch gelding van rechtsnormen
Hier wordt geen ethisch rechtsbegrip gehanteerd maar een kritisch sociaalwetenschappelijk rechtsbegrip. Dit rechtsbegrip staat als zodanig los van de vraag naar de empirische legitimiteit van rechtsnormen. Hiervoor bestaan twee goede argumenten. (i) De empirische legitimiteit van rechtsnormen is altijd een graduele kwestie. De normen die in rechtsregels zijn vervat gelden empirisch gezien alleen maar voor zover er feitelijk in overeenstemming met de subjectief bedoelde zin van rechtsregels wordt gehandeld [Weber, WG:17; WL:444 e.v.]. (ii) Ook de rechtsnormen die in parlementair-democratische rechtsstaten voor empirisch legitiem doorgaan, staan op een aantal punten op gespannen voet met de normen van een democratische ethiek. De empirische legitimiteit van rechtsnormen is dus slechts één, in meer of minder mate relevante grondslag van de rechtsgelding. “Recht is dus niet eenvoudig legitiem, ze is dat niet empirisch en ook niet in de zin van ethische theorieën” [Bader/Benschop 1988:271].

Dat klassenstructuren door rechtsregels worden gegarandeerd, is historisch gezien tamelijk evident. Het recht kan echter ook fungeren als een mechanisme waarmee klassenverhoudingen veranderd kunnen worden. De seculiere strijd tussen de maatschappelijke klassen wordt uitgevochten op het politieke domein, dat wil zeggen in de strijd om de institutionalisering van rechten (mensenrechten, burgerrechten en sociale rechten).

De politieke strijd tussen de maatschappelijke klassen heeft zich in de hele geschiedenis geconcentreerd rond de rechten die de uitbuitingsverhoudingen garanderen.

Waar slavenhouders het eigendomsrecht op slaven verdedigden, daar traden de zaakwaarnemers of vertegenwoordigers van slaven op voor een beperking van dit eigendomsrecht en uiteindelijk voor hun vrijheid. Waar feodale heren het recht op lijfeigenschap en horigheid verdedigden, daar traden de woordvoerders of vertegenwoordigers van lijfeigenen op voor beperking of afschaffing van de ‘heerlijke rechten’ op hun persoon en traden horigen op voor beperking of afschaffing van de herendiensten en tributen (zoals tienden, renten, huur, schatting, reisgeld) waartoe zij volgens wettelijke voorschriften en contracten verplicht waren. En waar tenslotte de politieke vertegenwoordigers van kapitalistische ondernemers hun exploitatierecht verdedigden door het voorschrijven van gedwongen winkelnering, door vernederende privaatrechtelijke bedrijfsreglementen, door het verbieden van vakbonden en arbeiderspartijen en het tegenhouden van arbeidstijdverkorting, daar traden de syndicale en politieke vertegenwoordigers van loonafhankelijke arbeiders op voor hun vrije marktrechten (stakingsrecht), voor het recht op organisatie en vrijheid van bedrijfsinterne en politieke communicatie, voor inspraak- en zeggenschapsrechten en democratisering van de bedrijfsinterne gezagsverhoudingen, voor een wettelijke afschaffing van kinderarbeid en beperking van de arbeidstijden.

De rechten die uitbuitingspraktijken en klassenverhoudingen garanderen zijn dus altijd inzet én resultaat van politieke strijd. In kapitalistische maatschappijformaties treden vertegenwoordigers van de subalterne, geëxploiteerde klassen op voor specifieke democratiseringsprogramma’s. Met betrekking tot de arbeidsverhoudingen bepleiten zij algemene rechten die de tegenstelling tussen het najagen van particuliere belangen en de toewijding aan gemeenschappeljke belangen verzachten en democratische vormen van arbeidsorganisatie stimuleren.

Een onorthodoxe programma voor radicale democratisering zou men — in aansluiting op Roberto Unger [1987:506-39] — zou minstens de volgende vier rechten moeten bevatten.

  1. Marktrechten
    Marktrechten zijn de rechten die de economische ruilverhoudingen in de maatschappij moeten garanderen. Het kapitalistische marktstelsel kan worden getranformeerd door de introductie van conditionele en provisionele rechten die de toegang tot een sociaal kapitaalfonds reguleren. De regels die het gebruik van dit kapitaal regelen moeten in democratische besluitvorming worden bepaald. Ondernemingen zijn vrij om transacties met andere bedrijven aan te gaan binnen limieten van tijd en gebruik zoals voorgeschreven door centrale politieke instanties. Deze marktrechten moeten zodanig worden geïnstitutionaliseerd dat zij verhinderen dat een der marktpartijen een monopolistische (of anderszins democratisch niet te legitimeren) positie kan verwerven.

  2. Immuniteitsrechten
    Immuniteitsrechten moeten het individu beschermen tegen onderdrukking en exploitatie door geconcentreerde publieke of particuliere machten, tegen uitsluiting van belangrijke besluiten die zijn leven beïnvloeden, en tegen extreme economische en culturele deprivatie: vrijheid van geweld, dwang, onderwerping en (absolute en relatieve) armoede. Zij moeten individuen stimuleren om te participeren in collectieve besluitvorming.

  3. Destabilisatierechten
    Destabilisatierechten moeten het belang van burgers bij het openbreken van verstarde organisaties beschermen. Zij geven een juridische garantie dat alle instituties en praktijken bekritiseerd en gereviseerd kunnen worden en moeten voorkomen dat deze veranderingsinitiatieven met geweld of repressie worden beantwoord.

  4. Solidariteitsrechten
    Solidariteitsrechten moeten een juridische vorm geven aan sociale vertrouwensrelaties. Zij zouden mensen in staat moeten stellen een meer levensvatbare en verdedigbare versie van ‘het communale ideaal’ te realiseren dat niet meer in contrast met conflicten of particuliere belangen is gedefinieerd — en dus niet als harmonie en altruïsme. “Mensen die door solidariteitsrechten gebonden zijn kunnen zich niet meer terugtrekken in een gebied van absolute discretie waarin zij door kunnen blijven voor de aanspraken die anderen op hen maken” [Unger 1987:537]. Solidariteitsrechten kunnen natuurlijk voor een belangrijk deel niet formeel worden afgedwongen.
      “The whole constitutional scheme takes away the legal basis for concentrating in a few hands the power to direct other people’s labor: its goals, forms and rewards. To prevent the emergence of economic entitlements that enable individuals to control large amounts of labor, property must be disaggregated ...: not handed over lock, stock, and barrel to the capitalist, the government, or the enterprise work force. Disaggegrate property (rather than transfer it) is what the reformed regime of capital does” [idem:508].
In de volgende figuur zijn de typen gedragsverwachtingen en bijbehorende sancties van gewoonten/zeden, conventies en rechten ideaaltypisch in kaart gebracht.

Figuur 16·2 Handelingscoördinatie, gedragsverwachtingen en sancties


Type gedragsverwachtingen Type sancties
Gewoonten & Zeden Geobjectiveerde gedragsverwachtingen Lichte sociale sancties:
grotere of kleinere ongemakken zoals pesten en treiteren, vaderlijke vermaning
Conventies Geobjectiveerde
normatieve
gedragsverwachtingen
Zware sociale sancties:
betrekkelijk algemene afkeuring d.m.v. verdachtmakingen, en roddel, karaktermoord en hekserij, verstoting en uitsluiting, staking en boykot
Rechten Geobjectiveerde en
geformaliseerde
normatieve
gedragsverwachtingen
Juridische sancties:
dreigen met of toepassen van fysiek geweld (politioneel en justitieel geweld; lijfstraffen en detentie)

Index


4·2 Fysiek geweld
Het voortbestaan van klassenstructuren en instituties wordt niet alleen uiterlijk ‘gedekt’ door conventies en wetten, maar ook door fysiek geweld. Het dreigen met of toepassen van superieur fysiek geweld door een staf van geweldspecialisten is de laatste dekkingsgarantie van klassenverhoudingen die juridisch en statelijk zijn gesanctioneerd. Een werkelijke of dreigende aantasting van de bestaande klassenverhoudingen kan met legaal, semi-legaal of illegaal fysiek geweld effectief worden bestreden. Het feitelijke gebruik van of de dreiging met fysiek geweld is daarbij primair, en niet of het gewelddadige optreden legaal of illegaal is. Stakingen die wettelijk gezien legaal waren, werden maar al te vaak gebroken doordat ondernemers hun toevlucht namen tot niet-legaal particulier geweld.

Exploitatie- en klassenverhoudingen worden dus niet alleen door legaal geweld gegarandeerd, maar ook door illegaal geweld. In eerste instantie is niet de legaliteit of illegaliteit van geweldsdreiging of -toepassing van belang, maar het feitelijke gebruik van of de dreiging met fysiek geweld. Ook wanneer bijvoorbeeld een staking wettelijk gezien legaal is, dan fungeert het particuliere (niet-legale) geweld dat ondernemers gebruiken om deze staking te breken als feitelijke garantie voor de reproductie van de lokale, sectorale of zelfs nationale en internationale klassenverhoudingen.

4·2·1 Geweld als laatste dekkingsgarantie
De kans om met legaal geweld een werkelijke of dreigende aantasting van de bestaande eigendoms- en klassenverhoudingen te bedwingen, berust altijd op het effectieve monopolie op superieure fysieke geweldsmiddelen. De maatschappelijk dominante klasse heeft in de regel een geprivilieerde toegang tot sde staatsmacht. In die mate dat dit daadwerkelijk het geval is, en zij dus als politiek heersende klasse optreden, kan zij in noodgevallen van dit geweldsmonopolie gebruik maken om een aantasting van haar exploitatiebelangen veilig te stellen. Om een aantasting van haar privileges, rechten en eigendommen te voorkomen kan gewelddadige staatsmacht worden ingezet om oppositionele bewegingen te onderdrukken.

Zo fungeerde het absolutisme als een gehergroepeerd en geherprogrammeerd apparaat van de feodale gezags- en klassenverhoudingen. Het was met name ontworpen om de boeren met geweld terug te dringen in hun traditionele sociale en politieke afhankelijkheidspositie — ondanks en tegenover het voordeel dat zij hadden behaald door de verlichting van hun schulden. De absolutistische staat fungeerde niet als arbiter tussen de aristocratie en de bourgeoisie en was zeker ook geen instrument van de opkomende bourgeoisie tegenover de aristocratie — zij was veeleer het nieuwe politieke schild van de bedreigde adel.

Het politieke regime van de absolute monarch was een nieuwe politieke vorm die nodig was om de feodale heerschappij en exploitatie te handhaven in een periode waarin de wareneconomie zich begon te ontwikkelen [Anderson 1974:18 e.v.]. De bloedige geschiedenissen van de onderdrukking van opstandige boeren, en van lokale, regionale en nationale boerenopstanden zijn het gevolg geweest.

In burgerlijke klassenformaties doet zich onder bepaalde condities een vergelijkbare verharding van de staatsmacht voor. Dit gebeurt vooral in situaties waarin een labiel krachtsevenwicht bestaat tussen de politiek gemobiliseerde sociale klassen en geen der betrokken klassemachten in staat is hun centrale doelstellingen te realiseren. Verharding van de staatsmacht doet zich voor in politieke conjuncturen

Het progressieve oppositionele blok van klassenkrachten kan haar bronnen meer verder mobiliseren omdat zij onvoldoende greep heeft op de centrale machtsapparaten van de staat. Het conservatieve ‘blok aan de macht’ is daareentegen niet meer in staat om de reeds verworven rechten ongedaan te maken.

De geschiedenis leert dat in dergelijke situaties de ‘normale’ burgerlijke gezagsvormen (republiek en constitutionele monarchie) vaak vervangen worden door de uitzonderingsregimes van de militaire, bonapartistische of fascistische dictatuur.

Door de geblokkeerde krachtsverhouding tussen de maatschappelijke hoofdklassen en hun bondgenoten ontstaat een machtsvacuüm dat door militaire en fascistische dictaturen op specifieke wijze ingevuld:

Ook werkgevers kunnen onder dergelijke uitzonderingsregimes een aantal politieke rechten verliezen. Werknemers verliezen echter verreweg het meest. Zij verliezen niet alleen het recht op vrijheid van meningsuiting en politieke communicatie, maar ook het recht op vrije zelforganisatie. Daardoor zijn zij meestal niet meer in staat om op nationaal, sectoraal en bedrijfsniveau effectief te onderhandelen over hun arbeidsvoorwaarden. Het gevolg daarvan is dat hun eerder verworven sociale rechten worden beperkt of afgebroken, zoals ontslagbescherming, regeling arbeidstijden, minimum inkomen of uitkering. Bovendien worden door introductie van rigidere gezagsverhoudingen binnen arbeidsorganisaties hun rechten op informatie, inspraak en medezeggenschap verpulverd.

Fasciseringsprocessen doen zich voor wanneer de heersende klasse of klassenfractie niet meer in staat is haar leiding op te leggen aan de andere klassen en fracties van het blok aan de macht — noch door eigen politiek-organisatorische middelen, noch langs de omweg van de parlementair-democratische staat. De conjunctuur van het fascisme en van de militaire en bonapartistische dictaturen wordt dus met name bepaald door het onvermogen van de verschillende heersende klassen of klassenfracties om hun hegemonie door te zetten. Het blok aan de macht is daarom niet meer in staat ‘uit eigen kracht’ de toegespitste tegenstellingen in eigen gelederen te overwinnen. Dit onvermogen om de hegemonie bínnen het blok aan de macht te handhaven of te herstellen, is meestal nauw verbonden met een hegemoniale crisis in de maatschappij als geheel, d.w.z. met een crisis van de politieke heerschappij over de gehele maatschappijformatie.

Dergelijke uitzonderingsregimes zijn natuurlijk (per definitie) niet maatgevend voor het economisch systeem van het kapitalisme. Het zijn tot op zekere hoogte ‘abnormale’ fenomenen die zich in West-Europa voordeden tijdens het Duitse en Italiaanse fascisme en onder de iets recentere militaire dictaturen in Portugal, Griekenland en Spanje. Men hoeft echter het vizier maar iets meer te openen om te beseffen dat zich op wereldschaal toch zeer veel ‘abnormale’ situaties voordoen, waarbij het fysieke geweld een prominente rol speelt.

In maatschappijformaties die op kapitalistische leest geschoeid zijn, werd en wordt nog steeds fysiek geweld gebruikt om zelforganisatie van werknemers te onderdrukken. Het recht op vakbondsorganisatie en het stakingsrecht moest overal letterlijk met bloed, zweet en tranen worden bevochten. Stakingen die wettelijk gezien legaal waren, werden zeer vaak gebroken door ondernemers die het recht in eigen hand namen, d.w.z. die hiervoor gebruik maakten van illegaal geweld. Ook uit de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging zijn voorbeelden van ondernemersterreur bekend (zaalafdrijving, uitsluiting, intimidatie, desinformatie, sabotage e.d.).

Vooral de Amerikaanse ‘labor history’ staat bekend om zijn uiterst gewelddadige karakter. Om ‘de wil van het kapitaal’ kracht bij te zetten werd zeer regelmatig militair en paramilitair geweld ingezet. Ondernemers probeerden georganiseerd arbeidersverzet telkens weer te breken met behulp van federale troepen en de nationale garde, maar ook door de inzet van de Pinkertons, particuliere militias en door ingehuurde misdadigersbendes. Plaatsen als Coeur d’Alene, Cripple Creek, Everett, Homestead en Flint zijn hierdoor over de hele wereld bekend geworden [Montgomery 1979; Bendix 1956; Fantasia 1988].

Moderne Pinkertons
Tegenwoordig concentreren de Amerikaanse ondernemers zich op het met behulp van formele procedures laten verbieden vakbonden. De formele procedures voor ‘union decertification’ werden ingevoerd onder de Taft-Hartley wet van 1947. Door deze wet werden alle effectieve vormen van solidariteit en georganiseerd protest illegaal verklaard.

Ondernemers roepen tegenwoordig de hulp in van zo’n duizend advokatenkantoren en adviesbureaus die zich gespecialiseerd hebben in de vernietiging van bestaande vakbonden en de onderdrukking van hun opvolgers. Uit onderzoek blijkt dat zij daarin zeer succesvol zijn. Zij verdienen jaarlijks honderden miljoenen dollars aan buitenspel zetten van lokale vakbonden. De strategieën en tactieken van de moderne Pinkertons worden geanalyseerd door Chernow [1980 - The New Pinkertons], Georgine [1980 - From Brass Knuckles to Briefcases] en R.M. Smith [2003 - From Blackjacks to Briefcases].

Ook het paramilitaire geweld tegen vakbonden, de bloedige terreur tegen haar leden en de fysieke eliminatie van haar leiders fungeren dus als feitelijke garantie voor de instandhouding van de ondernemersmacht en -privileges.

Ook in Nederland was het verbod om zich te organiseren en te staken lange tijd geen dode letter. In 1869 werd in Rotterdam een man tot 2 jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij spoorwegarbeiders tot staking had aangezet. Hij werd veroordeeld “terzake van onderlinge samenspanning of vereeniging van de zijde der werklieden (spoorweg-werkers) om tegelijkertijd het werk te doen ophouden en duurder te maken, door een begin van uitvoering achtervolgd en door dezen beklaagde als hoofd- en aanlegger gepleegd” [Hudig 1904:121]. Volgens Harmsen [1974:46] betrof de veroordeling wegen het aanzetten tot staking altijd ongeschoolde arbeiders en liet men stakende vakarbeiders ongemoeid.
Zie voor een analyse van de ontwikkeling van opvattingen over het stakingsrecht na 1945: Windmuller/De Galan [1969:46 e.v.], Van den Berg/Fortuyn/Jaspers [1978], Pennings [2007].
In de officiële arbeidsverhoudingen zoals wij die in Nederland kennen speelt fysiek geweld als zodanig een relatief geringe rol. De dreiging van fysiek geweld blijft echter als laatste dekkingsgarantie op de achtergrond altijd aanwezig. In 1872 werd formeel het coalitieverbod ingetrokken. Daarna waren stakingen in principe niet meer strafrechtelijk vervolgbaar, behalve in het geval van overheidspersoneel en spoorwegemployés. De werkstaking wordt als een gegeven feit, als een soort niet wettelijk geregeld sociaal grondrecht aanvaard [→ Panhonlibco-arrest]. Bij arbeidsconflicten gaan weinig werkgevers over tot een rechtszaak wegens contractbreuk om op deze manier een schadevergoeding te claimen. Wanneer dat mogelijk was ontsloegen ondernemers liever de stakers en namen ze anderen in dienst.

Stakingen vallen niet meer onder het strafrecht, maar kunnen nog wel civielrechtelijk aanhangig worden gemaakt. Rechters kunnen met een beroep op ‘het algemeen belang’ of op de ‘onevenredigheid van doel en middelen’ een staking verbieden of een stakingsverbod opleggen. Vakbonden kunnen voor de rechter worden gedaagd wanneer zij een niet-rechtmatige staking organiseren. Stakers kunnen individueel ter verantwoording worden geroepen wanneer zij meedoen aan een onrechtmatige staking of bedrijfsbezetting.

Stakende arbeiders gebruiken in Nederland zelden fysiek geweld tegen halstarrige ondernemers of tegen stakingsbrekers. Het met fysiek geweld bedreigen van ‘onderkruipers’ (stakingsbrekers) komt waarschijnlijk frequenter voor, hoewel daarover slechts incidentele en anekdotische gegevens bekend zijn.

4·2·2 Transformationeel geweld
Superieur fysiek geweld is niet alleen een doorslaggevend mechanisme om vigerende uitbuitings- en klassenverhoudingen in stand te houden, maar ook om ze te veranderen.

De kwestie van controle over relevante geweldsmiddelen is altijd van grote betekenis geweest voor politieke conflictorganisaties en leidingen van uitgebuite klassen die in hun vaandel een vergaande transformatie van de klassenstructuren hadden geschreven. Maar dit geldt ook voor hervormende of revolutionaire bewegingen die om principi&#euml;le en/of pragmatische redenen streven naar een geweldloze omwenteling van de exploitatie- en klassenstructuren. Bewegingen die geen aandacht besteden aan de controle over geweldsapparaten van de staat of de militaire geweldsverhoudingen verkeerd inschatten, worden meest op een hardhandige en bloedige wijze op deze fout geattendeerd. Zij worden er aan herinnerd ‘dat een heersende klasse niet altijd humaan is’ (Aristoteles).

Fysiek geweld speelt een belangrijke rol bij de inschatting van de politieke krachtsverhoudingen tussen de (organisaties van de) rivaliserende klassen en bij het ontwerpen van strategieën om deze verhoudingen te wijzingen.

De reproductie van klassenverhoudingen wordt in laatste instantie altijd mede met —legaal en/of illegaal— geweld gegarandeerd. Superieur fysiek geweld is daarom ook in laatste instantie het doorslaggevende mechanisme dat tot een omwenteling van de bestaande uitbuitings- en klassenverhoudingen kan leiden of deze omwenteling juist kan blokkeren.

Of, wanneer en in welke vorm het uur van deze ‘laatste instantie’ zal slaan, is nauwelijks te voorspellen. En dat is niet alleen omdat voorspellingen op basis van sociaalwtenschappelijk onderzoek altijd een hachelijk zaak zijn. Maar vooral omdat bewegingen die het klassenstelsel fundamenteel willen veranderen zich meestal inspannen om het uur van de laatste instantie op een niet-gewelddadige wijze te laten slaan (juist omdat zij geen toegang hebben tot superieure superieure geweldsmiddelen).

Een van de consequenties hiervan is dat maatschappijhervormende bewegingen zodanig opereren dat zij directe confrontaties met de gewapende staatsmacht vermijden. Dit is de ratio van de strategie van ‘de zichzelf beperkende revolutie’ zoals deze destijds in Polen door de woordvoerders van de democratische oppositie —zoals Mischnik en Kuron— werd bepleit. Met deze strategie kon weliswaar niet worden voorkomen dat in december 1981 generaal Jaruzelski de staat van beleg afkondigde en de syndicaal-politieke verzetsbeweging Solidariteit verboden werd, maar wél een interventie van het Sovjet-leger [Benschop 1982 - Bonapartistisch Socialisme?; Staniszkis 1982 - Polish peaceful revolution].

De derde kracht
De strategie die in Zuid-Afrika door het ANC van Mandela in praktijk werd gebracht om het economisch apartheidssysteem te breken was gericht op het voorkomen van een gewelddadige confrontatie van de repressieve staat. Deze omwentelingsstrategie werd echter sterk gefrusteerd door het optreden van een ‘derde kracht’.

De zgn. derde kracht in de Zuidafrikaanse politiek was een netwerk van geheime eenheden van de politie dat er bijna in slaagde de toenadering tussen het ANC van Mandele en de Nationale Partij van De Klerk te saboteren. De hoogste leiding van de Zuidafrikaanse politie was betrokken bij een netwerk van samenzweerders dat moorden pleegden, terreur zaaide in zwarte gemeenschappen, mensen afperste, de justitie dwarsboomde, en wapens verkocht aan de Zulu-aanhangers van de Inkatha Vrijheidspartij om de Zuid-Afrika te destabiliseren. De veiligheidstroepen waren bijvoorbeeld direct betrokken bij het bloedbad dat op 17 juni 1992 werd aangericht in het zwarte woonoord Boipatong. Het bestaan van deze geheimzinnige ‘derde kracht’ in de Zuidafrikaanse politiek werd in maart 1994 aangetoond door de commissie-Goldstone [Simpson/Rauch 1992 - Political Violence].

Index


4·3 Legitimiteit

4·3·1 Empirische legitimiteit: normatieve instemming
Klassenstructuren worden gereproduceerd door de empirische legitimiteit van de maatschappelijke regels en institutionele ordeningen. Empirische legitimiteit komt tot stand door een zuiver waarderende of waarderationele instemming met bestaande uitbuitingspraktijken en klassenrelaties en door handelingen die in overeenstemming zijn met ethisch of religieus gemotiveerde normen.

Legitimiteit is een mechanisme van handelingscoördinatie waardoor klassenstructuren door innerlijke overtuiging worden gegarandeerd. De continue reproductie van uitbuitings- en klassenverhoudingen berust dus niet alleen op gewoontes, zeden, solidariteiten, belangen, en op uiterlijke garanties door conventies, recht en geweld, maar ook op normatieve instemming met de organisatieprincipes en regels waarop deze verhoudingen en instituties zijn gebaseerd. Dit betekent echter ook dat de bewuste en als zodanig beoogde delegitimatie van klassenverhoudingen een beslissend mechanisme is voor hun structurele transformatie.

De hoogste graad van sociale stabilisatie en garantie van klassenverhoudingen wordt bereikt wanneer zij feitelijk als legitiem worden ervaren en op de een of andere wijze als rechtvaardig worden gedefinieerd. In de mate dat de bestaande exploitatie- en klassenverhoudingen daadwerkelijk als legitiem of rechtvaardig worden geaccepteerd, worden zij innerlijk gegarandeerd: op grond van ethisch of religieus geïnspireerde waarderende overtuigingen wordt er bewust mee ingestemd.

Wanneer werknemers elke dag op tijd op hun werk verschijnen dan is dit niet alleen bepaald door hun specifieke belangenpositie en door ingeleefde gewoontes (arbeidsmoraal), maar ook doordat voor hen het arbeidscontract ‘geldt’ als een gebod, waarvan de schending niet alleen nadelen met zich mee zou brengen, maar ook indruist tegen hun plichtsgevoel — zij menen dat het ‘onredelijk’ of ‘onjuist’ zou zijn niet op tijd te komen.

Zodra uitbuitingspraktijken en klassenverhoudingen als zodanig worden ervaren en bekritiseerd, wordt geprobeerd om ze te legitimeren. De klassenrelaties worden voorgesteld als ‘rechtvaardig’, als ‘door God gewild’, als ‘natuurlijk’, als een betreurenswaardig maar onvermijdelijk en ‘functioneel’ gegeven, of nog banaler: als ‘goed voor de economie’. In de mate waarin negatief geprivilegieerde klassen instemmen met deze legitimatielegendes en waarin deze waardeoordelen feitelijk relevant zijn voor hun handelen, zijn deze klassenverhoudingen ultrastabiel.

Een essentiële functie van de ideologie van een heersende klasse is om zichzelf en degenen die zij exploiteert en domineert een coherent wereldbeeld voor te schotelen dat voldoende flexibel, omvattend en bemiddelend is om subalterne klassen te overtuigen van de rechtvaardigheid van haar hegemonie. Heersende klassen zijn er vaak in geslaagd dit doel te bereiken. Dit geldt niet alleen voor de aristocraten van het slavensysteem [Ste. Croix 1983: 409 e.v.; Genovese 1974/5:587-60] en voor de feodale heren in de middeleeuwen [Hilton 1975:16], maar ook voor de ondernemersklasse in de burgerlijke maatschappij [Bendix 1956].

Index


4·3·2 Waarom is legitimatie noodzakelijk?
Waarom zouden klassenstructuren en instituties eigenlijk gelegitimeerd moeten worden? Waar komt die behoefte aan rechtvaardigingen van bestaande exploitatie- en klassenverhoudingen vandaan? De discussies daarover zijn nogal verwarrend. Dat komt omdat de perspectieven van waaruit deze vraag beantwoord kan worden niet goed uit elkaar worden gehouden. Legitimatieprocessen kunnen zowel vanuit een een sociaal-historisch, een sociaal-structureel als een antropologisch perspectief worden benaderd. Ik zal een korte typering geven van deze drie perspectieven.

  1. Sociaal-historisch: ontstaan van legitimatielegendes
    In een sociaal-historische benadering kan men vertrekken vanuit de specifieke rol van het ‘oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn’ in segmentaire (klassen- en staatloze) samenlevingsverbanden. Het oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn vormde een uiterst krachtige barrière tegen de opkomst van de eerste klassenformaties [→ hoofdstuk VI, § 5·3].

    De doorbreking van de egalitaire mechanismen van de archaïsche klasseloze samenlevingen zonder staat was alleen maar mogelijk door een transformatie van het oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn. Om deze transformatie te bewerkstelligen, moesten legendes worden geconstrueerd die niet alleen het ontstaan, maar vooral ook de continuering en systematisering van asymmetrische en exploitatieve verhoudingen konden legitimeren.

    De spannende vraag is natuurlijk of en zo ja op welke wijze en in welke mate de herinnering aan dit oorspronkelijke ongelijkheidsbewustzijn nog doorwerkt in moderne, door klassentegenstellingen gekenmerkte maatschappijformaties. Het is verleidelijk te denken dat deze sociaalhistorische context meer is dan een vervagende historische herinnering aan een ver verleden. Er zijn minstens twee invalshoeken om deze vraag te onderzoeken.

    1. Alledaagse politieke talen
      Op het niveau van de alledaagse politieke talen hebben referenties aan oorspronkelijke gelijkheid waarschijnlijk altijd al een prominente rol gespeeld. Dit manifesteert zich vooral in alledaagse uitdrukkingen en gezegdes over de relatie tussen werkenden en niet-werkenden. Al sinds de 14e eeuw werd dit thema op rebelse wijze aan de orde gesteld in de populaire retorische vraag: “Toen Adam delfde en Eva span, wie was toen de Edelman” In heel Europa werd deze vraag in diverse parafrasen opgeworpen [Ossowski 1957/72:40; Ginzburg 1976/89:129,251; Hiltion 1973:222 e.v.].

      De engelse radicaal Richard Rumbold, die in 1685 zijn hoofd op het schavot moest leggen, sprak voor de bijl viel nog de volgende woorden:

        “Dit is een misleide generatie, gehuld in onwetendheid. Want hoewel het pausdom en de slavernij bovenop hun rug zitten, hebben zij dit niet door. Ik weet zeker dat geen mens geboren werd die door God boven een ander werd gesteld. Want niemand komt in de wereld met een zadel op zijn rug, noch iemand gelaarsd en gespoord om hem te bereiden” [Hill/Dell 1969:474]

    2. Gesystematiseerde politieke talen
      Op het niveau van de meer gesystematiseerde politieke talen kan worden onderzocht welke rol referenties aan oorspronkelijk gelijkheidsverhoudingen spelen in schriftelijk vastgelegde utopieën. In de gesystematiseerde religieuze, natuurrechtelijke en egalitaire kritieken op sociale ongelijkheden heeft de referentie aan de (door God of de Natuur gegeven) oorspronkelijke ‘gelijkheid van alle mensen’ altijd een zeer prominente betekenis gehad.

      Dit is waarschijnlijk op de meest krachtige manier verwoord in Rousseau’s hypothetische reconstructie van de geschiedenis, waarin een oorspronkelijke natuurlijke gelijkheid onder de mensen wordt verondersteld.

      Rousseau schetst een beeld van de natuurlijke mens als een solitair wezen, zonder taal of kennis, zonder behoefte om te werken, zonder gezin of moraliteit. Deze barbaarse tijden waren ‘een gouden tijdperk’, niet omdat de mensen verenigd waren, maar omdat zij gescheiden waren: iedereen was baas over zichzelf, niemand wilde een ander controleren. Zij konden elkaar aanvallen wanneer zij elkaar tegenkwamen, maar zij ontmoetten elkaar zelden. “Er heerste een universele staat van oorlog, en de gehele aard was in vrede” [Rousseau - Discours du l’origine de language. 1749-54].

      De mens had niet de behoefte om iemand anders tot slaaf te maken en beschikte ook niet over de middelen om dit te bedenken of uit te voeren. Deze oorspronkelijke gelijkheid en vrijheid werd door wetenschap en cultuur in slavernij veranderd.

      “De mens wordt vrij geboren, en overal ligt hij in ketenen...” is de openingszin van Het maatschappelijk verdrag. Rousseau [1755/1983:91] verbindt het verlaten van de natuurlijke staat aan de opkomst van het privé-eigendom. Het kan nauwelijks scherper worden geformuleerd.

        “De ware grondlegger van de burgerlijke maatschappij dat was hij die als eerste een stuk grond omheinde, zich verstoutte om te zeggen ‘Dit is van mij’, en onnozelaars trof die hem geloofden. Hoeveel misdaden, oorlogen, moordpartijen, ellende en verschrikkingen zouden het mensengeslacht bespaard zijn gebleven, als iemand toen de palen had uitgerukt of de gracht had dichtgegooid, en zijn mede mensen had toegeroepen: ‘Luister niet naar deze bedrieger, jullie zijn verloren als jullie vergeten dat de vruchten van de aarde van iedereen zijn en dat de aarde van niemand is” [Roussseau 1755/1973:345 -Vertoog over de ongelijkheid].

      Historisch-antropologische studies over de (on)gelijkheid onder natuurvolken (‘primitieve volken’) waren in de 18e en 19e eeuw een terugkerend thema in de politieke filosofie. Bij alle niet-geciviliseerde volken meende men zowel iets te vinden over de oorsprong van de ongelijkheid als over de mogelijkheden om bestaande ongelijkheden op te heffen, resp. de noodzaak ze juist in stand te houden [Lakoff 1964; Lepenies 1971:62]. Zie voor kritische beschouwingen vanuit feministisch perspectief: Exler [1976], Lange [1979], Lloyd [1983].

    Legitimatielegendes zijn een noodzakelijk onderdeel van alle geslaagde exploitatie- en sociale sluitingsstrategieën. Dit is met name het geval wanneer een klassenorde haar stabiliteit nog niet kan ontlenen aan belangencompromissen en aan duurzaam ingeslepen routines. De in meer of mindere mate gemythologiseerde herinnering aan de genese van een klassensysteem speelt meestal een cruciale rol bij de legitimatie (en delegitimatie) van haar bestaansrecht.

  2. Sociaal-structureel: functies van legitimatielegendes
    De sociaal-structurele benadering concentreert zich op de strategische samenhang tussen legitimatieprocessen en exploitatie- en gezagsverhoudingen. Legitimatie is een noodzakelijk onderdeel van uitbuitings- en sociale sluitingsstrategieën. Exploitatieve toeëigening impliceert per definitie de feitelijke macht om anderen uit te sluiten van het gebruik van essentiële maatschappelijke bronnen en levenskansen. De criteria op grond waarvan deze uitsluiting plaatsvindt, worden in officiële legitimatielegendes verwoord en gecodificeerd.

    Veranderingen in klassenverhoudingen gaan daarom altijd gepaard met veranderingen in de legitimatieverhoudingen. Zodra het contrast in levenskansen dat door structureel asymmetrische uitbuitings- en heerschappijverhoudingen wordt gegenereerd subjectief wordt ervaren, ontstaat er een specifieke behoefte aan legitimatie.

    In legitimaties van kapitalistische klassenverhoudingen speelt de mythe van de oorspronkelijke accumulatie een belangrijke rol. De kern van deze mythe is dat de ondernemers hun beginkapitaal verworven zouden hebben door besparingen op de producten van hun eigen arbeid. Het ontstaan van het kapitalisme wordt dus ‘verklaard’ door een gecultiveerde herinnering aan een beginperiode waarin de (toekomstige) kapitalist door zijn persoonlijke arbeid en spaarzaamheid de voorwaarden schept om meerarbeid van anderen toe te eigenen.

    In het verlengde daarvan ligt de mythe van de ‘self-made man’, een apotheose van het moderne ondernemersideaal.

      “Door individuele concurrentie zou iedereen met energie en capaciteiten, hoe laag zijn komaf ook is, in staat zijn om de ladder van de ondernemende maatschappij de beklimmen. Vanuit dit geloof ontsproot een van de meest krachtige propaganda-instrumenten die ooit door een klasse is ontwikkeld om zichzelf te rechtvaardigen en anderen te verleiden tot haar eigen ideaal: de mythe van de self-made man” [Perkin 1983:172].

    De ‘selfmade man’ was de ideale (of geïdealiseerde) ondernemer: de man zonder enig aanvangskapitaal, eigendom of patronage, zonder opleiding (anders dan door zelfopvoeding) en zonder enig privilege (anders dan zijn aangeboren talent), die door eigen initiatief en karaktersterkte zijn weg baande naar rijkdom, macht en prestige. Het was een reële mythe die voldoende in de werkelijkheid verankerd was om haar aannemelijk te maken, terwijl zij als een sociologische verklaring van de ondernemers als klasse duidelijk fictief bleef.

    In zijn reconstructie van ondernemers-ideologieën heeft Bendix [1956] laten zien dat deze enerzijds gericht waren tegen de positie van de heersende aristocratie (actief kapitaal, openlijke concurrentie en de productieve ondernemers werden gecon-trasteerd met passief eigendom, gesloten patronage en de ‘luierende heren van stand’), anderzijds op het overwinnen van de weerstanden van de gerecruteerde arbeiders tegen het op industriële basis georganiseerde exploitatie- en gezagssysteem.

  3. Antropologisch: universele psychische comfortbehoefte?
    Een quasi-antropologische verklaring vertrekt vanuit het door Max Weber geformuleerde uitgangspunt dat de behoefte aan legitimiteit is geworteld in “zeer algemene innerlijke constellaties” van de mens. Een gelukkig mens is tegenover de minder gelukkigen nooit tevreden met zijn feitelijke geluk, maar wil ook nog het ‘recht’ op zijn geluk. Mensen proberen zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat zij hun geluk hebben verdiend, zoals de minder gelukkige zijn pech moet hebben verdiend.

    Hierbij hoeft geen cynisme te worden verondersteld, maar hoogstens dat er een universele tendens bestaat “to put the best possible face on one’s actions” [J.C. Scott 1985:185].

    Iedereen kan uit zijn eigen dagelijkse ervaringen opmaken dat er een “psychische comfortbehoefte aan legitimiteit van het geluk” [Weber, WG:299] bestaat en hoe deze werkt. Men hoeft zich slechts een hypothetische situatie voor te stellen waarin twee mensen een contrasterend noodlot hebben wat betreft gezondheid, economische positie of sociaal aanzien: de geprivilegieerde heeft de aanhoudende behoefte het voor hem gunstige contrast als legitiem voor te stellen en zijn situatie als door hemzelf verdiend op te vatten. De situatie van de negatief geprivilegieerde wordt voorgesteld als ‘eigen schuld’ [Weber, WG:549,679; RS I:242].

    De basisgedachte van Max Weber is zeker niet nieuw. Aristoteles ging er net als de andere Griekse denkers van uit dat de klasse die aan de macht komt altijd heerst met een visie die in haar eigen voordeel is. Zij die een groter deel van de rijkdom hebben dan anderen zijn geneigd om zichzelf als absoluut superieur op te vatten [Aristoteles Politiek V.1:1301(a) 31-3].

    Door Rousseau wordt dezelfde gedachte nog puntiger wordt geformuleerd: “De sterkste is nooit sterk genoeg om altijd heer en meester te blijven, tenzij hij zijn kracht in recht transformeert, en gehoorzaamheid in plicht” [Du Contact Social § 3]. Met dit citaat opent Bendix zijn monumentale studie over ondernemers en managementideologieën. En in dezelfde geest vervolgt hij:

      “Waar er ook maar ondernemingen werden opgezet, weinigen commanderen en velen gehoorzamen. De weinigen namen er echter zelden genoegen mee te commanderen zonder een hogere rechtvaardiging ook al hadden zij elke belangstelling voor ideeën laten varen. En de velen waren zelden dociel genoeg om dergelijke rechtvaardigingen niet te provoceren“ [Bendix 1956:1].

    Men kan vraagteken zetten bij de vooronderstelling dat er een ‘universele menselijke comfortbehoefte’ bestaat die in alle bekende of denkbare samenlevingsverbanden een cruciale rol speelt voor de legitimatie van ongelijkheids- en klassenverhoudingen. Men zou er ook —met Rousseau [1755/1983:47 e.v.,80,93]— vanuit kunnen gaan dat het fundamentele verlangen naar zelfbehoud wordt getemperd door een minstens even fundamentele afkeer om zijn soortgenoten te zien lijden; dit ‘medelijden’ is een minstens even universele menselijke deugd.

    Heuristisch principe
    Men kan de antropologische premisse van de universele comforbehoefte als heuristisch principe gebruiken voor empirisch legitimiteits-onderzoek. In dat geval zal men het onderzoek concentreren op de relatie tussen sociaalstructurele grondslagen van legitimatieprocessen en de veronderstelde antropologische constante van de algemeen menselijke ‘behoefte aan legitimatie’. De kernvraag is dan onder welke specifieke sociaal-structurele voorwaarden deze ‘psychische comfortbehoefte aan de legitimiteit van het geluk’ wordt gegenereerd.
    Ook als men —om welke reden dan ook— wil vasthouden aan deze vooronderstelling van een universele psychische behoefte aan comfort, dan impliceert dit nog geen antwoord op de vraag welke concrete vormen deze ‘behoefte aan legitimiteit van het geluk’ onder specifieke maatschappelijke voorwaarden kan aannemen. Of anders gezegd: welke relatie er bestaat tussen de bijzondere aard van het exploitatieve klassensysteem en het idioom waarin deze comfortbehoefte wordt gearticuleerd.

    Weber benadert het legitimiteitsprobleem zelf overigens niet primair vanuit een antropologisch of sociaal-psychologisch perspectief, maar vooral in samenhang met gezagsverhoudingen. Legitimatie is voor hem een noodzakelijk onderdeel van toeëigenings- en sociale sluitingsstrategieën.

Ideologieën die uitbuitings- en onderdrukkingsverhoudingen legitimeren, hebben met elkaar gemeen dat zij toeëigening van vreemde arbeid en ondemocratische gezagsuitoefening in een gunstig daglicht proberen te stellen. De meest simpele vormen hiervan zijn (i) het ontkennen dat er sprake is van uitbuiting en onderdrukking (ii) de suggestie dat er alleen maar wordt geëxploiteerd en overheerst in het algemeen belang en dat dit mogelijk is omdat de subalterne klassen beseffen dat hun gehoorzaamheid uiteindelijk ook voor hen het meeste voordeel zal opleveren.

Een antropologische of sociaalpsychologische benadering hoeven niet ten koste te gaan van een sociaalhistorische of een sociaalstructurele benadering. De kunst is om deze drie perspectieven op een creatieve en zinvolle wijze met elkaar te combineren.

Index


4·3·3 Typologie van legitimatielegendes
Leden van exploiterende en heersende klassen claimen altijd dat hun privileges, rechten en eigendommen legitiem zijn. Zij articuleren deze legitimiteitsaanspraken in een of andere legitimatielegende. Deze aanspraken op legitimiteit moeten niet worden verward met empirische legitimiteit. Het bestaan van legitimatielegendes betekent immers niet automatisch dat de vigerende uitbuitings- en klassenverhoudingen ook in empirisch of sociaal opzicht gelegitimeerd zijn.

Empirische legitimiteit is uitsluitend het gevolg van het feit dat mensen daadwerkelijk waarderationeel (dus op basis van bepaalde ethische normen) geloof hechten aan de rechtvaardigheid van het vigerende klassenstelsel. Voor de analyse van de legitimiteitsverhoudingen heeft dit minstens twee belangrijke implicaties.

Voor de rechtvaardiging van uitbuitings- en klassenverhoudingen werden in de loop van de geschiedenis een reeks uiteenlopende legitimatielegendes geconstrueerd. Er zijn helaas geen studies waarin al deze in kaart zijn gebracht en er bestaan ook geen bruikbare typologieën. Alle legitimatielegendes bevatten echter een specifieke rechtvaardiging van de ongelijkheden van het ecomische systeem en haar instituties, d.w.z. zij geven telkens een specifieke legitimatie van ongelijke verdeling van bronnen en beloningen (positioneel) en van de mechanismen die ertoe leiden dat de actoren op een bepaalde wijze over economische posities worden verdeeld (allocatief).

In legitimatielegendes wordt dus zowel de structurering van economische posities en de daaraan verbonden levenskansen, als de recrutering van individuen voor deze posities gerechtvaardigd. Daarom zou men legitimatielegendes kunnen typeren naar de specifieke definities van de criteria om mensen uit te sluiten van beschikkingsmacht over economisch relevante bronnen en van posities waaraan privileges verbonden zijn.

Vanuit deze optiek kan een tamelijk eenvoudig onderscheid worden gemaakt tussen de volgende legitimatielegendes:

Dit zijn concurrerende legitimatielegendes die echter in de praktijk zeer vaak met elkaar worden gecombineerd tot een rechtvaardigend of ideologisch verhaal. Alle waarden die in deze legitimatieaanspraken worden geformuleerd hebben met elkaar gemeen dat zij in tegenspraak zijn met de morele universaliseringsregel: zij rechtvaardigen stuk voor stuk belangen die niet veralgemeend kunnen worden. Legitimatielegendes zijn politieke articulaties van particuliere belangen van positief geprivilegieerde actoren.

*Biologistisch-aristocratische legitimatielegende
In biologistisch-aristocratische legendes worden exploitatie en heerschappij gerechtvaardigd door een verwijzing naar de natuurlijke superioriteit op grond van geboorte: van de edelheid van het ‘blauwe bloed’ tot aan de seksistische en racistische superioriteitswaan. In de Westerse traditie kan Aristoteles worden beschouwd als de architect van deze legende. Hij spande zich in om de slavernij en de mannenheerschappij te legitimeren op grond van natuurlijke verschillen. Zijn uitgangspunt is dat bepaalde volken en individuen zijn geboren om te dienen, terwijl anderen tot heersen zijn geroepen.
    “Het is duidelijk dat er van nature vrijen en slaven zijn en dat dienen voor dezen juist en terecht is. ... Evenzo is de verhouding tussen het mannelijke tot het vrouwelijke van nature zo, dat het ene beter, het andere minder is, en dat de ene regeert en de ander geregeerd wordt. ... Bij de barbaren hebben overigens het vrouwelijke en het geregeerde dezelfde rang. Dit komt omdat ze het natuurlijk heersende niet bezitten. ... Daarom zegt de dichter ‘Dat Grieken over barbaren heersen is rechtvaardig’, omdat namelijk van nature de barbaar en de slaaf hetzelfde zijn” [Aristoteles, Politiek en de staat der Athenen].
Overigens maakte Aristoteles wel een onderscheid in soorten heerschappij. Terwijl de verhouding tussen meester en slaaf een verhouding is (of: dient te zijn) van de tiran over zijn onderdanen, is de heerschappij van mannen over vrouwen als die van een staatsman over zijn medeburgers en is de heerschappij van ouders over kinderen als de heerschappij van een welwillende monarch. Hij beschouwt de arbeidsverdeling tussen de seksen als een natuurlijke —en alleen al daarom goede— zaak:
    “de man is van nature superieur en de vrouw inferieur, de man heerst en de vrouw is ondergeschikt” [Aristoteles, Politiek, Boek I/II:12].
Met kracht verwerpt hij de opvatting van Plato dat vrouwen —althans de vrouwen van de heersende klasse— sociale en politieke rollen kunnen vervullen die dicht bij die van de mannen liggen. Over de inferioriteit van de vrouw laat Aristoteles zich op een weinig dubbelzinnige wijze uit:
    “Het vrouwtje is vrouwtje krachtens een zeker gemis aan eigenschappen”. Daarom moet men (lees: de mannen) in aanmerking nemen “dat het karakter van de vrouwen lijdt aan een natuurlijke tekortkoming”.
Eva was slechts “het overtollige bot van Adam”. Het vrouwelijke wordt dus opgevat als het gemankeerde mannelijke — vrouwen onderscheiden zich alleen door hun onvermogen om te doen wat mannen doen. In de late middeleeuwen werd deze mythe nog eens haarscherp discriminerend verwoord door de kerkvader Thomas van Acquino: de vrouw is een ‘mislukte man’. Vrouwen, kinderen en imbecielen behoren tot een groep die op grond van een ‘defect in de rede’ niet in staat is om een betrouwbaar bewijs te leveren [Summa Theologica II, Q, art, 3, deel 9].

De essentie van de stelling van Aristoteles is dat er een gepredestineerde harmonie bestaat tussen natuurlijke en sociale ongelijkheid. Zoals de menselijke soort een natuurlijke superioriteit heeft ten opzichte van de dieren, zo worden er ook verschillende soorten mensen geboren in verschillende kasten of standen met natuurlijke verschillen in vermogens, vaardigheden, aspiraties enz.

De empirische legitimiteit van een klassensysteem komt louter en alleen tot stand door een waarderende instemming met de daarin geldende regels en dominante normen. Daarom lijkt het plausibel de legitimiteitstypen van elkaar te onderscheiden door na te gaan welke vormen van ‘waarderationeel geloof’ of ‘waarderende instemming’ er bestaan. Maar daarover lopen de meningen sterk uiteen.

Weber [WG:19-20, 124,154] classificeerde de typen van legitimiteit op basis van de typische, subjectief geloofde, d.w.z. waarderationeel geaccepteerde geldingsoorzaken. Zijn typologie van legitimiteitsvormen vertrekt dus vanuit de vraag wat de aard is van de waarderationele instemming met een bepaalde ordening of systeem.

  1. Van traditionele legitimiteit is sprake wanneer en voor zover de legitimiteit van een klassenstelsel gebaseerd is op het geloof in de geldigheid van tradities. Deze waarderationeel gemotiveerde instemming met de geldigheid van tradities moet niet worden verward met de traditioneel gemotiveerde acceptatie van de gebruiktelijke gewoontes en zeden.

  2. Van charismatische legitimiteit is sprake wanneer en voor zover de legitimiteit van een klassenstelsel gebaseerd is op het geloof in de buitengewone heiligheid, het heldendom of het exemplarische karakter van een individuele persoon en in de door profeten geopenbaarde waarden of normen. Deze waarderationeel gemotiveerde instemming met de geldigheid van de door bijzondere individuen gestelde regels en gepropageerde normen moet niet worden verward met de affectief gemotiveerde identificatie met deze buitengewone personen. In het laatste geval voelt men zich slechts emotioneel verplicht aan of solidair met bijvoorbeeld de stichter van een onderneming; in het eerste geval stemt men in met alle bedrijfsreglementen en gedragscodes die door deze stichter worden afgekondigd.

  3. Van waarderationele legitimiteit is sprake wanneer en voor zover de legitimiteit van een klassenstelsel gebaseerd is op het geloof in de absolute geldigheid van ultieme waarden, zoals bijvoorbeeld het ‘natuurrecht’.

  4. Van legale legitimiteit is sprake wanneer en voor zover de empirische legitimiteit van een klassenstelsel feitelijk gebaseerd is op het geloof in de geldigheid van wettelijke regelingen en procedures, dat wil zeggen door de innerlijke aanvaarding van alle regels die formeel correct en volgens de gebruikelijke procedures tot stand zijn gekomen. Deze waarderationeel gemotiveerde instemming met de geldigheid van regels die volgens autocratische of democratische procedures tot stand zijn gekomen, moet niet worden verward met het strategisch gemotiveerde rekening houden met de feitelijke geldigheid van wettelijke regels en de daarmee gepaard gaande juridische sancties.

Deze typologie is echter aanvechtbaar. In zijn reconstructie van Weber’s legitimiteitsbegrip heeft Bader [1989:321 e.v.] een aantal interne inconsistenties van deze typologie aan het licht gebracht. Weber’s typen van legitimiteit zijn in feite allemaal procedureel. Legaal gezag kan bijvoorbeeld heel goed worden gedifferentieerd in democratische, aristocratische, monocratische procedurele legitimiteit.

Naast deze procedurele legitimiteitstypen kunnen ook andere, niet-procedurele of substantiële legitimiteitstypen. Voorbeelden daarvan zijn:

Voor de legitimatie van kapitalistische economische structuren en instituties is het utilitarisme nog steeds de meest dominante stroming. Het levert samen met het technocratisme de belangrijkste bouwstenen en het cement voor de legitimatie van de actuele verhoudingen. De centrale claim van het utilitarisme is dat het economische structuren en instituties moreel rechtvaardig zijn wanneer zij ‘het grootste geluk/welvaart/welzijn voor een zo groot mogelijk aantal leden van de maatschappij’ produceren.

De aantrekkelijkheid van het utilitarisme is dat het doel dat de utilitaristen propageren niet afhankelijk is van het bestaan van God of een andere dubieuze metafische entiteit. Het is dus geen theologische maar een seculiere morele theorie. Een tweede aantrekkelijkheid van het utilitarisme is haar consequentialisme: het utilitarisme vereist dat we telkens nagaan of een bepaalde handeling of een beleid daadwerklijk aantoonbaar goede gevolgen heeft of niet. Iets is dus pas in moreel opzicht slecht als men kan aantonen dat een handeling slechte gevolgen heeft. Consequentialisme of gevolgenethiek biedt een bescherming tegen willekeurige morele veroordelingen.

Het utilitarisme sluit dus aan bij onze intuïtie dat het welzijn van mensen belangrijk is en dat morele regels getoetst moeten worden op hun gevolgen voor het welzijn van mensen. Zonder deze basisintuïties los te laten is er echter veel kritiek mogelijk op het utilitarisme. Ik verwijs hiervoor naar de studies van Williams [1973], Kymlicka [1990:12-49] en Sen [1987/92].

Ik heb er elders op gewezen dat utiliteit een zeer omstreden begrip en dat daarvan diverse varianten in omloop zijn [→ Naar een nieuwe economische sociologie, hoofdstuk IV:2·1]. In een kritische analyse van de utilitaristische legitimaties van economische structuren en instituties moet men er daarom rekening mee houden dat er meerdere utilitarismen courant zijn. Het utilitarisme is —in welke variant dan ook— niet alleen de kern van praktisch alle legitimaties van het moderne kapitalisme, zij vormt ook de morele grondslag van de neoklassieke economische theorie. In de volgende twee hoofdstukken kom ik hier nog uitvoerig op terug.

Index


4·3·4 Strategieën van delegitimatie
Zoals legitimiteit van een een klassenmaatschappij het mechanisme van haar innerlijke garantie is, zo is delegitimering een belangrijk mechanisme van haar ondergraving. In strategieën die erop gericht zijn het bestaande klassenstelsel te delegitimeren, worden meestal zeer uiteenlopende vormen van kritiek en genres van utopisch denken met elkaar gecombineerd. In de delegitimatiestrategieën van de arbeidersbeweging en van nieuwe sociale bewegingen zijn meestal heterogene elementen met elkaar vervlochten. Naast egalitair, meritocratisch, democratisch, ecologisch en feministisch geïnspireerde kritieken treft men ook elementen aan van metafysische, religieuze, natuurrechtelijke kritiekgenres.

Het succes van strategieën om economische structuren te veranderen is voor een belangrijk deel afhankelijk van de mate waarin deze structuren worden gedelegitimeerd: om bestaande structuren te kunnen veranderen moeten zij door massaal als onrechtvaardig worden gedefinieerd. Oppositionele bewegingen en elites zijn er daarom altijd op uit ‘het systeem van haar schijnbare rechtvaardigheid te beroven’. Dat is geen geringe opgave omdat de empirische legitimiteit van een economisch stelsel zich niet zo gemakkelijk laat manipuleren. Legitimatieproblemen en -crises ontstaan vooral in situaties waarin zich relatief snelle veranderingen in de economische structuur voltrekken en waarin er openlijke en heftige sociaal-economische conflicten worden uitgevochten.

Het geloof in de legitimiteit van een maatschappij is altijd gerelateerd aan de potentiële en actuele klassentegenstellingen en -conflicten. Voor de ‘normale’ of ‘alledaagse’ reproductie van klassenverhoudingen zijn in het algemeen stabiele zeden, solidariteiten en compromissen tussen klassenbelangen doorslaggevend en verdwijnt de uiterlijke garantie door recht en toepassing van geweld meer naar de achtergrond. In de dagelijkse routine van de klassenpraktijken komen legitimatieproblemen niet of slechts incidenteel en op een beperkte wijze aan de orde.

Dit ‘normale‘ patroon van reproductie- en garantiemechanismen kan onder bepaalde omstandigheden sterk veranderen. Dat gebeurt vooral wanneer er ingrijpende verschuivingen optreden in de klassenverhoudingen en het enorme conflictpotentieel, dat eigen is aan uitbuitingsverhoudingen, zich in de politieke arena’s begint te manifesteren. In deze buitengewone, ingrijpende conflictsituaties kunnen ook de heersende legitimaties van het klassensysteem als zodanig aan de orde worden gesteld en een centraal thema vormen van het politieke debat.

Economische en politieke conjucnturen hebben dus invloed op het soortelijk gewicht van de mechanismen van handelingscoördinatie. In gestabiliseerde en genormaliseerde klassenstructuren treden de mechanismen op de voorgrond die verantwoordelijk zijn voor hun continue reproductie en hun langzame, vaak onopgemerkte transformatie. De dominante mechanismen van handelingscoördinatie in alledaagse of normale situaties zijn de —door opvoeding en socialisatie getransmitteerde— tradities en gewoontes in combinatie met de anonieme dwang van de economische verhoudingen.

In buitengewone of crisissituaties, waarin het labiele evenwicht in de krachtsverhoudingen tussen de klassen is verbroken, neemt daarentegen de betekenis van geweld en legitimiteit toe [Bader/Benschop 1988:274]. Perioden van ‘verhitte’ klassenbotsingen zijn culminatiepunten van politiek klassenhandelen die ingrijpende sociaal-economische structuurveranderingen (‘klassenrevoluties’) tot gevolg kunnen hebben. De oorzaken die leiden tot een meer of minder snelle transformatie van een klassenstructuur zijn dus niet noodzakelijkerwijze identiek met die van haar ‘normale’ reproductie [→ § 2·2].

Zolang er ongelijkheden tussen klassen bestaan, is daar kritiek op uitgeoefend. Het gelijkheidsbeginsel is minstens even oud als de sociale ongelijkheid en ouder dan de legendes die het ontstaan en voortbestaan van klassenstelsels rechtvaardigden [→ hoofdstuk VI, § 5·3 over primitief egalitarisme en hierboven § 4·3·2].

Het gelijkheidsbeginsel bevat altijd een kritisch en rebels element. Dat komt omdat het een normatief of contra-feitelijk beginsel is: het staat altijd in meer of minder schril contrast met de feitelijke ongelijkheden die in klassenformaties bestaan. Daarom is het niet alleen een kritisch, maar ook een activerend beginsel: het nodigt uit om de verhoudingen die ermee in strijd zijn te veranderen. Het kan zich zelfs tot revolutionair beginsel ontpoppen wanneer het door leden of organisaties van subalterne klassen wordt gebruikt om klassenbarrières af te breken die de realisatie van een gelijke vrijheid voor iedereen verhinderen.

De waarden die in het sociale gelijkheidsbeginsel zijn vervat, hebben onder negatief geprivilegieerde groepen een tamelijk grote erkenning gevonden. Uit empirisch onderzoek blijkt dat in Nederland een gematigd egalitaire houding overheersend is [Wijngaarden/Hermkens/Knippers 1988; Smirmai 1986; Berting 1986; Berting e.a. 1987].

Deze nivelleringsethos is echter nogal ambivalent. Enerzijds bestaat er een duidelijk bewustzijn van bestaande verdelingsongelijkheid en een brede kritiek op de sociaal-economische stratificatiestructuur. Anderzijds wordt de structuur van de sociale kansenverdeling op een affirmatief-legitimerende wijze gewaardeerd en heeft men een afwijzende houding tegenover protestacties (men heeft overwegend een ‘sociaal-pacifistische’ houding).

In de mate dat deze waarden door de leden van subalterne klassen worden erkend en als richtsnoer wordt genomen voor hun gezamenlijke handelen, kunnen zij een actieve drijfkracht worden. Wanneer grote delen van de subalterne klassen de maatschappij waarin zij leven als ‘onrechtvaardig’ gaan ervaren, kan daaruit een legitimatiecrisis van de bestaande klassenorde ontstaan [Moore 1978; Brinton 1983].

Het minimaliseren of afschaffen van klassenongelijkheden is ook in hoogontwikkelde burgerlijke maatschappijformaties een centraal waardeprobleem en een machtig moreel imperatief. Het gelijkheidsbeginsel is een van de peilers van de normatieve opvattingen over rechtvaardigheid. Naast vrijheid en solidariteit is het gelijkheidsbeginsel een hoeksteen van elke enigszins gepreciseerde rechtvaardigheidstheorie.

In strategieën die erop gericht zijn het bestaande klassenstelsel te delegitimeren, worden meestal zeer uiteenlopende vormen van kritiek en genres van utopisch denken met elkaar gecombineerd. Ook in oude en nieuwe delegitimatiestrategieën van de arbeidersbeweging zijn meestal heterogene elementen met elkaar vervlochten. Naast egalitair, meritocratisch en democratisch geïnspireerde kritieken treft men ook elementen aan van bijvoorbeeld metafysische, religieuze, natuurrechtelijke kritiekgenres.

Index5. Legitimiteitsgeloof van subalterne klassen

Historisch en sociologisch onderzoek naar het legitimiteitsgeloof van subalterne klassen staat in meerdere opzichten nog in de kinderschoenen. In het overzicht van het empirisch onderzoek naar klassebewustzijn en -identiteit in hoofdstuk I zijn een aantal van deze problemen al gedetailleerd behandeld. Maar daarmee hebben we nog onvoldoende zicht op de vraag waarom en in welke mate de subalterne klassen zich voegen naar het exploitatieregime waaraan zij onderworpen zijn.

5·1 Morele ordes in meervoud
We hebben hiervoor gezien dat de legitimiteit van een klassensysteem louter en alleen tot stand door een waarderende instemming met de daarin geldende regels en dominante normen. Genormeerde regels en legitimerende teksten moeten echter altijd door de actoren zelf worden geïnterpreteerd. Het gevolg daarvan is dat mensen zeer uiteenlopende betekenis en zin kunnen toekennen aan de regels die een klassenmaatschappij normeren en aan de legitimatielegendes (verhalen, teksten) die haar legitimeren.

In klassenmaatschappijen is daarom het zeer waarschijnlijk dat er discrepanties ontstaan tussen de waarden die in een legitimiteitsaanspraken worden geformuleerd en de waarden die in het feitelijke legitimiteitsgeloof zijn geïmpliceerd. Mensen hoeven zich daarvan niet bewust te zijn — zij worden zich hiervan meestal pas bewust tijdens openlijke conflictsituaties.

Bovendien is het in klassenmaatschappijen meer dan waarschijnlijk dat er concurrerende laatste waarden bestaan of in ieder geval tegenstrijdige interpretaties en concretiseringen van ‘gemeenschappelijke ultieme waarden’. Volledige consensus over fundamentele waarden is buitengewoon zeldzaam. Voor zover er sprake is van consensus is deze meestal partieel. Dit impliceert een scherpe afbakening ten opzichte van het normatieve functionalisme van Parsons, waarin waarden en geloof altijd als een geïntegreerd geheel worden behandeld wanneer het gaat om de motivatie van actoren [Lockwood 1982:106; Bader/Benschop 1988:160 e.v.].

In sociologisch en historisch onderzoek gaat het er dus vooral om zicht te krijgen op het naast elkaar bestaan van de verschillende, elkaar tegensprekende morele ordeningen en waarden.

Index


5·2 Symbolische universa en hun interpretaties
In de legitimatielegendes van de (woordvoerders van) heersende klassen worden diverse waarden geformuleerd, zoals individuele vrijheid, sociale gelijkheid, menselijke waardigheid, discipline, prestatie en efficiëntie. Deze waarden vormen een reservoir waaruit ook de leden van de geëxploiteerde en subalterne klassen hun waarden selecteren.

Zij kunnen deze waarden echter een subjectief verkeerde, inadequate of bewust en polemisch andere, ja zelfs een tegengestelde betekenis geven. Het meest klassieke voorbeeld hiervan zijn de interpretaties van de waarden van de Bijbel.

Zoals bekend bieden de christelijke waarden niet alleen legitimatikansen, maar ook delegitimatiekansen. Het christelijke geloof en de christelijke waarden bevatten elementen van een klassegebonden ideologie die fungeert als een legitimatie van zowel strijdbare als van onderdanige wereldbeelden. Religie heeft veeleer het karakter van een Janus-kop en levert zeker niet alleen morele en ideologische steun aan de status quo [Schoenfeld 1992].

Het Christendom bracht géén volledig nieuwe en betere houding met zich mee ten opzichte van slavernij. Jezus accepteerde slavernij als een gegeven, net zoals dit in het Oude testament wordt geaccepteerd [Ste. Croix 1975:19; 1983:418]. Zijn volgelingen accepteerden en modificeerden de dominante Grieks-Romeinse visie. Gelijkheid bestaat alleen ‘in het licht van God’ en heeft geen enkele relatie met wereldlijke verhoudingen [Colossenzen 3.4; Galaten 3.28; 1 Corinthiërs 7.22].

In de nieuwe heilsleer wordt sterk de nadruk gelegd op gehoorzaamheid van Christelijke slaven ten opzichte van hun meesters. “Slaven, weest uw heren naar het vlees gehoorzaam met vreze en beven, in eenvoud uws harten, als aan Christus” [Brief van Paulus aan de Epheziërs 6.5]. Een historicus van de Klassieke Oudheid komt tot het volgende oordeel:

Voorzover Christenen slavernij veroordeelden, ging dit meestal gepaard met de stilzwijgende instemming dat slavernij van ongelovige toelaatbaar was en zelfs prijzenswaardig wanneer dit tot bekering leidde. Van een principiële veroordeling van slavernij als een institutie door Christenen was in ieder geval tijdens de Middeleeuwen geen sprake.

Het Christendom speelde een sterk stimulerende rol in de slavenhandel van de 15e tot de 18e eeuw [Ste. Croix 1983:424]. In naam van het Christendom —maar in werkelijkheid in opdracht van de roofzuchtige Vereenigde Oostindische Companie (VOC)— werd in 1621 door ‘onze’ Jan Pieterszoon Coen praktisch de gehele bevolking op de Banda-eilanden (deel van de Molukken) afgeslacht omdat zij tegen het verbod van de VOC in, toch nootmuskaat bleven verkopen aan Portugezen en Britten. Na deze genocide stichtte Coen een van de eerste moderne plantage-economieën, gebaseerd op slavenarbeid [Postma 1990; Van Zanden 1991].

Waardeninterpretaties zijn altijd afhankelijk van specifieke maatschappelijke contexten en van de klassenposities van degenen die deze interpretaties geven. In het empirisch onderzoek naar de legitimiteit van klassensystemen zijn de verschillende —en in de regel rivaliserende — interpretaties relevant en niet zozeer een vermeende ‘oorspronkelijke’ betekenis van teksten of van de legitimatielegendes zelf [Bader/Benschop 1988:293].

Index


5·3 Volksgeloof en alledaagse talen
In deze paragraaf bouw ik voort op andere taalaspecten van het transformationele model die eerder zijn behandeld:
  • Klassespecifieke taaltradities en de geschiedenis van klassentalen: I, § 2·1.
  • Klassespecifeke kenmerken van gebahitueerde taalpatronen en spreekstijlen: XII, § 3·6.
  • Klasssespecifieke organisatievormen van de ervaring en de rol van taal in de constitutie van klassenbewustzijn: XIII, § 4.
  • De diversiteit van politieke talen waarin onvrede wordt gearticuleerd in XV, § 2
  • Onderzoek naar alledaagse en gesystematiseerde politieke talen: § 4·3·2.
Legitimatielegendes worden niet alleen gearticuleerd in gesystematiseerde en allesomvatende symbolische universa. Zij worden ook gearticuleerd in veldspecifieke politieke talen, in rudimentaire alledaagse theorieën en met name in alledaagse politieke talen.

De elementen van een dominante ideologie worden door geritualiseerde symbolen naar de massa toe vertaald en in variërende mate geïntegreerd met het volksgeloof [Weber, WG:16 e.v.; WL 346,345,444].

De legitimatielegendes die door (woordvoerders van) positief geprivilegieerde klassen worden geconstrueerd, gestileerd en gepropageerd, worden door de leden van subalterne klassen zelden in hun oorspronkelijke betekenis geaccepteerd, maar veeleer in de gemodificeerde en gecodificeerde vorm van alledaagse uitdrukkingen, zegswijzen, fabels en ‘common sense’.

Wie wil achterhalen met welke legitimaties mensen werkelijk instemmen, moet zich dus niet uitsluitend concentreren op hun (bewuste en min of meer systematisch gearticuleerde) abstracte vertogen. Men moet ook en misschien wel in de eerste plaats nagaan hoe deze instemming (of het gebrek daaraan) is versleuteld in het alledaagse en deels onbewuste of voorbewuste taalgebruik.

Studies over de volkshumor leveren in dit opzicht vaak heel verrassende resultaten op. De humor is bij uitstek de vorm waarin onverenigbare referentiekaders (en waarden) met elkaar worden geconfronteerd (‘bisociatie’)*. Humor is “the perceiving of a situation in to self-consistent, but mutually incompatibel frames of reference or associative contexts” [Koestler 1986:740]. In het lachen dat wordt opgewekt door het onverwachte aspect van het ongerijmde, gaat niet zelden een enorme distantie schuil ten opzichte van heersende waarden en een vergruizing van superieure kwaliteiten van de heersenden.

Dit verschijnsel komt zeer pregnant tot uiting in de traditionele carnavals en ook nog in de moderne, sterk gecommercialiseerde carnavals. In het authentieke carnaval worden alle dominante waarden en bestaande prestigehiërarchieën op speelse wijze omgekeerd.

In het carnaval worden hiërarchische structuren en dominante zeden uitgelachen en wordt de spot gedreven met alle vanzelfsprekendheden van de dominante ideologie [Bakhtin 1968:91]. Niets hoeft meer, alles mag. Het gemaskerde bal is in feite een ontmaskering van de bestaande orde [Koops 1991]. In carnaval manifesteert zich een humoristische intuïtie van het werkelijke klassen- en stratificatiesysteem. Deze omkering wordt als bevrijdend ervaren. In het carnaval lacht men de bestaande sociale hiërarchieën uit.

Carnavals zijn symbolische omkeringen en transgressies van de officiële ‘geciviliseerde’ cultuur. Tijdens het carnaval worden geldende taboes doorbroken en verboden verlangens gearticuleerd in ongecontroleerde emoties en in het groteske (directe en vulgaire) lichamelijke genot van dikmakend voedsel, bedwelmende drank en seksuele promiscuïteit [Bakhtin 1968; Stallybrass/White 1986].

De legitimiteit van klassenverhoudingen is nooit absoluut en universeel. Aan de legitimaties van uitbuitings- en klassenverhoudingen wordt altijd slechts binnen bepaalde categorieën klassenactoren werkelijk geloof gehecht. In legitimiteitsonderzoek moet worden nagegaan in welk opzicht er door wie, door hoeveel mensen en in welke mate feitelijk waarderend wordt ingestemd met de in klassenverhoudingen geïmpliceerde sociale ongelijkheden, privileges, rechten, eigendommen en uitsluitingen.

Index


5·4 Bisociatie: Humor en ironie
In verbale ironie vindt een bisociatie plaats van twee tegengestelde referentiekaders, waarbij het ene (de ‘betekenis’) gezien wordt in het kader van het andere (wat letterlijk gezegd wordt). Daarbij wordt de ‘betekenis’ zelf niet rechtstreeks aangeduid.

In de ironie wordt dat wat ís vergeleken met dat wat zou kunnen of zou moeten zijn (dus tegengesteld aan wat is); in humor wordt dat wat is vergeleken met wat óók is (tegengesteld aan het andere zijnde). Daarom is ironie het geijkte middel om vastgeroeste conventies en referentiekaders aan de kaak te stellen, terwijl humor de onderlinge tegenstellingen van het leven blootlegt. Ironie ridiculiseert en roept een (glim)lach op, terwijl humor het tragische en meelijwekkende laat zien [Bakhtin 1968; Morreall 1983; Koops 1991].

Bij zowel ironie als humor speelt een element van het onoverkomelijk van de tegenstelling, van de zinloosheid de tegenstelling weg te werken.

De ironische levenshouding (‘als je voor een dubbeltje geboren bent, … ’) is een berustende, afstandelijke houding:

Humor vervult meerdere functies: het brengt mensen dichter bij elkaar (smeerolie van sociale cohesie), het brengt mensen in verlegenheid, het ridiculiseert, het vertroost, zet aan tot nadenken, verlicht spanning of zet serieuze kwesties in perspectief [Powell/Paton 1988; Powell/Paton/Wagg 1996; Kuipers 2006, 2008].

Vanuit een klassenanalitisch perspectief vervullen humor en ironie een tegenstrijdige functie.

  1. Humor en ironie als stabiliserende kracht
    Humor en ironie kunnen klassenverhoudingen bestendigen. Vooral in de oudere studies over humor in de functionalistische traditie werd benadrukt hoe humor de maatschappelijke orde handhaaft en ondersteunt.

    In aansluiting op Herbert Spencer werd humor, ironie en lachen primair opgevat als een ontlading van opgekropte gevoelens, als een afreageren van spanning in situaties die door een structureel conflict of tegenstelling gekenmerkt zijn. Alle vormen van geritualiseerde humor zouden louter fungeren als een veiligheidsklep om de stoom die mensen in restrictieve werk- en levensomstandigheden oplopen af te laten vloeien.

    In deze ontladingstheorie wordt aan humor nog een andere functie toegekend: sociale controle. Samen om iemand lachen functioneert als mechanisme van uitsluiting en dus als een vorm van sociale controle. Over een gewone werknemer die zich als baas of werkgever gedraagt, worden door zijn collega’s altijd grappen gemaakt die hem duidelijk maken dat hij zich buiten de groep plaatst en dat dit niet geaccepteerd wordt. Over een buitengewone topmanager die zich gedraagt als hij een gewone werknemer is, worden door zijn werknemers grappen gemaakt die hem duidelijk maken dat hij zich binnen een groep sociaal georganiseerde werknemers wil plaatsen en dat dit niet geaccepteerd wordt. Deze vormen van sociale controle zijn echter niet per se functioneel voor de reproductie van lokale of organisationele klassenrelaties. Zij reproduceren veeleer de kracht en cohesie van de klassespecifieke gemeenschap die juist voorwaarde is om exploitatieverhoudingen te destabiliseren en te transformeren.

    Coser [1960] heeft in haar analyse van grappen in een psychiatrische instelling heeft laten zien hoe humor de sociale hiërarchie reflecteert en reproduceert. Omdat er overwegend sprake is van joking down worden mensen op hun plaats gehouden en wordt de sociale orde gehandhaafd.

  2. Humor en ironie als ontregelende en transformatieve kracht
    Humor en lachen zijn een sociale activiteiten. Een grap maken en daarom samen lachen, functioneert als middel van sociale in- en uitsluiting. Zij versterken de sociale groepscohesie en trekken scheidslijnen met ‘zij daar boven’. Als werknemers over hun bazen of managers zeggen ‘dat zij nog geen orgie in een hoerenkast kunnen organiseren’, dan impliceert dit niet alleen ironisch oordeel over de altijd en overal geclaimde organisationele ‘rationaliteit’ en ‘deskundigheid’ van hun superieuren. Het bestendigt ook het gevoel van lotsverbondenheid van die werknemers en het trekt een sociaal-culturele grens tussen hen en hun leidinggevenden.

    Humor en ironie hebben ook een ontregelende functie: zij zijn uitdrukking van conflicten en tegenstellingen, zij ridiculiseren klassenopponenten en sporen aan tot verzet. [Mulkay 1988; Palmer 1994; Holmes 2000,2008; Martin 2006; Kuipers 2008]. Humor en ironie zijn weapons of the weak [Scott 1985]: zij functioneren als een defensief middel om de moraal en cohesie van de eigen groep te versterken en als een offensief middel om conflicttegenstanders verbaal een kopje kleiner te maken. Zij trekken een scherpe scheidslijn tussen de eigen voortreffelijkheid en de gebrekkigheid van de klasse-opponent.

    Humor, ironie en lachen hebben een potentieel subversief en bevrijdend karakter [Hiller 1983; Jenkins 1994]. Zij leiden weliswaar niet direct tot opstand of politieke revoluties, maar zij openen wel “een discursieve ruimte waarbinnen het mogelijk wordt om te spreken over kwesties die anders genaturaliseerd, niet ondervraagd, of verzwegen worden” [Goldstein 2003:10]. De syndicale en politieke conflictorganisaties hebben daarom altijd humor en ironie gebruikt om hun eisen en aspiraties kracht bij te zetten. Humor is een discursieve vorm van verzet. De politieke grap wordt onderdeel van de taalcultuur van gemobiliseerde klassen en van de debatcultuur van hun leidingen.

    Index


    5·5 Instemming, acceptatie, internalisatie en calculatie
    Ook al houden de uitgebuitenen zich aan de regels en voorschriften die in een bepaalde klassenformatie gelden, dan is dit nog geen bewijs dat zij de geïnstitutionaliseerde normen ook als legitiem ervaren. Van legitimiteit is immers slechts sprake wanneer mensen waarderend instemmen met deze regels en voorschriften. De legitimiteit van een klassenstelsel in de zin van normatieve instemming moet niet worden verward met traditionele acceptatie, met affectieve internalisatie of met een strategische calculatie.

      “In het algemeen is het waarschijnlijk waar dat het falen van ondergeschikten om hun situaties te verbeteren net zoveel is toe te schrijven hun onvermogen om een mogelijk alternatief te concipiëren, en/of wanneer zij alternatieven wel concipiëren en wensen, om manieren te bedenken om deze ideeën uit te voeren. Alleen in een erg beperkte zin van het woord kan men zeggen dat mensen onder dergelijke omstandigheden hun posities ‘accepteren’. En deze mate van acceptatie is ververwijderd van enige acceptatie van de legitimiteit van de situatie waarin zij leven, als we onder legitimiteit meer verstaan dan nominale conformiteit met de dominante normen [Tumin 1961:478].

    Legitimiteit moet ook niet worden verward met het feit dat leden van geëxploiteerde klassen er zuiver cognitief en strategisch rekening mee houden dat anderen de klassenmaatschappij als legitiem beschouwen. Zoals eerder opgemerkt, houdt ook de dief door het verheimelijken van zijn criminele handeling rekening met de geldigheid van de rechtsorde. Op dezelfde wijze kunnen klassenactoren rekening houden met de geldigheid van de regels van het klassensysteem door te verheimelijken dat zij daarmee normatief niet instemmen. Wanneer werknemers een opdracht van hun baas opvolgen, betekent dit allerminst dat zij daarmee ook normatief instemmen. In de gegeven situatie zullen zij er nuchter rekening mee houden dat de bevoegdheid om dergelijke opdrachten te geven door vele anderen als legitiem wordt beschouwd. Bovendien maken zij een rationele calculatie van de gevolgen van ongehoorzaamheid en volgen zij tot op zekere hoogte de normen van gehoorzaamheid aan legaal gezag.

    We hebben eerder gezien dat de feitelijke handelingsoriëntaties van leden van subalterne klassen in werkelijkheid altijd complexe mengvormen van deze analytisch onderscheiden handelingsoriëntaties. Daarom is ook de reproductie van klassenverhoudingen in werkelijkheid het resultaat van de gecombineerde werking van traditionele acceptatie, affectieve internalisatie, strategische calculatie en normatieve instemming.

    Mijn stelling is dat men de vier genoemde elementen niet al te snel moet reduceren of synthetiseren. We zullen hieronder zien dat dit zeer vaak wel gebeurt.

    Figuur 16·3 Combinatie van mechanismen van handelingscoördinatie

    Er zijn vele beschouwingen geschreven over de vraag waarom en in welke mate klassenverhoudingen ook door leden van subalterne klassen worden ‘geaccepteerd’ en zijn al veel verklaringen gegeven van de geringe freqentie en de verspreiding van verzet tegen exploitatieve praktijken. In de meeste beschouwingen wordt met te eenvoudige tweedelingen geopereerd, zoals die tussen pragmatische en normatieve acceptatie. Bij ‘pragmatische acceptatie’ schikken individuen zich naar de situatie omdat zij geen realistische alternatieven zien; bij ‘normatieve acceptatie’ internaliseren individuen de morele verwachtingen van de heersende klasssen en beschouwen hun eigen inferieure positie als legitiem [zie in plaats van velen: Mann 1970:425; Etzioni 1988]. De ‘pragmatische acceptatie’ is echter een combinatie van drie zeer verschillende mechanismen van handelingscoördinatie: traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en strategische calculatie.

    Het grote nadeel van zo’n tweedeling is dus haar ondercomplexiteit: men krijgt geen vat op de specificiteit van de mechanismen van handelingscoördinatie die in het geding zijn omdat zij in het gehanteerde verklaringsmodel al bij voorbaat onherkenbaar met elkaar versmolten worden.

    De gecombineerde werking van uiteenlopende handelingsmotivaties kan niet met een simpel additief model worden benaderd. De belangrijkste reden daarvan is dat de afzonderlijke handelingsoriëntaties intern op elkaar betrokken zijn en daarom meer complexe en hoger geaggrereerde vormen aannemen. Concreter geformuleerd: actoren kunnen zich ook op een traditionele, affectieve of zuiver strategische wijze oriënteren op de bestaande of veronderstelde legitimiteit van een klassenstelsel. Veit Bader [1989:134] heeft dit thema eerder algemeen uitgewerkt. Toegespitst op de reproductie van klassenverhoudingen betekent dit het volgende.

    1. Van een traditionele oriëntatie op legitimiteit is sprake wanneer de bestaande of veronderstelde legitimiteit van een klassenstelsel op routinematige wijze wordt geaccepteerd. De legitimiteit van een klassenstelsel wordt door deze traditionele oriëntatie weliswaar niet empirisch geconstitueerd, maar de klassenverhoudingen worden er wel door gestabiliseerd. Wanneer de traditionele oriëntatie op de eens voor legitiem gehouden regels dominant wordt, gaat legitimiteit over in zede.

    2. Van een affectieve oriëntatie op legitimiteit is sprake wanneer de actoren de regels van een klassenmaatschappij internaliseren. Dit proces van psychische verinnerlijking moet duidelijk worden onderscheiden van bewuste waarderationele instemming.
      Zie de eerdere uiteenzetting in hft. XII: § 3·2 over de psychische habitus en de daar geciteerde literatuur over verinnerlijking van de agressor en geïnternaliseerd kolonialisme.
      Affectieve oriëntatie op personen of regels kan legitimiteit niet constitueren, noch garanderen, maar hierdoor worden klassensystemen wel gestabiliseerd. Wanneer de empirische oriëntatie op legitimiteit dominant affectief wordt, gaat legitimiteit over in solidariteit.

    3. Van een strategische oriëntatie op legitimiteit is sprake wanneer actoren niet waarderationeel instemmen met een klassenorde en deze uit gewoonte of gevoelsmatige binding accepteren, maar er rekening mee houden dat anderen deze orde als ‘legitiem’ beschouwen (omdat deze daarmee wel waarderationeel instemmen of omdat zij op hun beurt zuiver cognitief verwachten dat alle anderen het stelsel om welke reden dan ook feitelijk als legitiem beschouwen en daarmee in hun handelen rekening houden). Of zij nu een cognitief verkeerde definitie van de situatie hanteren, over gebrekkige informatie beschikken, een belangenovereenkomst vermoeden waar deze (vaak) niet bestaat of over onvoldoende fysieke middelen van verzet beschikken — in alle gevallen houden zij zich om zuiver uiterlijke motieven aan de geboden en verboden van de klassenorde. Zelfs wanneer zij deze orde schenden of zich eraan proberen te onttrekken, erkennen zij de empirische geldigheid van haar regels.

      Strategische oriëntaties op de empirische gelding van normerende regels zijn een uiterst effectieve garantie voor de stabiliteit van klassenstelsels. Van een overtreding van deze regels verwacht men negatieve of pijnlijke gevolgen. Ook deze strategische oriëntatie op (veronderstelde) legitimiteit is niet constitutief voor feitelijke legitimiteit van een klassenstelsel. Wanneer de strategische oriëntatie op de veronderstelde legitimiteit van een klassenstelsel dominant wordt, gaat legitimiteit over in een zuivere belangenpositie. Men accepteert de klassenorde dan immers niet meer omdat men er subjectief waarderationeel mee instemt en voor zichzelf als rechtvaardig ervaart, maar alleen nog vanwege — vermeende of werkelijke — belangenovereenstemming of vanwege de verwachte negatieve gevolgen. Wanneer strategische overwegingen een dominante rol gaan spelen dan verliezen de klassenverhoudingen hun legitimiteit en worden zij als zodanig niet meer aanvullend gestabiliseerd door empirische legitimiteit, dat wil zeggen door zuiver normatieve instemming.

    Traditionele oriëntatie op legitimiteit Traditionele acceptatie
    Affectieve oriëntatie op legitimiteit Affectieve internalisatie
    Strategische oriëntatie op legitimiteit Strategische calculatie
    Waardenrationele instemming Normatieve instemming Legitimiteit

    Index


    5·6 Existentieel en ethisch fatalisme
    Er is al vaker opgemerkt dat subalterne klassen overwegend een wereldbeeld hebben dat een zekere acceptatie van de bestaande orde impliceert [in plaats van velen: Goldthorpe e.a. 1969; Marshall e.a. 1988:143 e.v.]. Voor deze acceptatie worden zeer uiteenlopende en allesbehalve neutrale termen gebruikt, zoals resignatie, fatalisme, instrumentalisme, pragmatisme, realisme en cynisme.

    Al deze termen refereren aan een in subalterne klassen veel voorkomende specifieke houding ten opzichte van het klassensysteem waarin zij leven. Deze berustende houding komt tot stand door een calculerende reactie op asymmetrische verdelingen van maatschappelijke bronnen en beloningen, die weliswaar in sterke mate als onrechtvaardig worden ervaren, maar toch ook grotendeels als onveranderlijke ‘facts of life’ worden geaccepteerd. Leden van subalterne klassen hebben vaak wel een vermoeden dat er alternatieven bestaan, maar leggen zich in de regel neer bij het feit dat zij zelf weinig of niets kunnen doen om deze alternatieven te helpen realiseren.

    Het feit dat ook de subalterne klassen de bestaande klassenorde tot op zekere hoogte accepteren, is niet zozeer gebaseerd op consensus of instemming en heeft in de regel helemaal niets te maken met het (veronderstelde) bestaan van een gemeenschappelijke ‘morele orde’, maar is veeleer gebaseerd op specifieke vormen van berusting en routine.

    Voor moderne kapitalistische klassenformaties lijkt dit in veel sterkere mate te gelden dan voor prekapitalistische klassenformaties. Deze stelling is echter zeer moeilijk te toetsen. In ieder geval wordt in diverse empirische studies geconcludeerd dat in de burgerlijke maatschappijformatie van tegenwoordig geen morele orde bestaat en dat de sociale cohesie van deze formatie meer op berusting en routine is gebaseerd dan op consensus en instemming [Marshall e.a. 1988:143]. In aansluiting bij Lockwood en Marshall zal ik voor de specifieke vorm van acceptatie van het klassensysteem door subalterne klassen de term fatalisme gebruiken.

      De term fatalisme werd al eerder gebruikt in hoofdstuk I, § 2·3·3, om een aanduiding te geven van een specifiek maatschappijbeeld: ‘de maatschappij als dichotomie van boven en onder’. In de huidige context van de legitimatieproblematiek heeft de term een bredere betekenis. Ik deel overigens niet de door Gordon Marshall gekoesterde illusie dat de term fatalisme ‘politiek neutraler’ zou zijn dan bijvoorbeeld de term pragmatisme.

    Fatalisme is een vorm van geïnternaliseerde sociale klassendwang die als een externe, onveranderlijke en onpersoonlijke levensvoorwaarde wordt ervaren. Voor het ontstaan van een fatalistische houding is niet zozeer de mate van onderdrukking en uitbuiting bepalend, maar veeleer het feit dat de klassendwang als een externe levensvoorwaarde wordt ervaren die niet substantieel kan worden veranderd.

    In samenlevingen waarin de samenhang tussen de oorzaken en de gevolgen van de klassenpositie niet transparant is gestructureerd, bestaat er slechts een kleine kans dat de subalterne klassen een hervormend of revolutionair klassenbewustzijn ontwikkelen en tot gemeenschappelijk politiek klassenhandelen komen — zelfs al bestaan er nog zulke extreme verschillen in de levensomstandigheden van de diverse sociale klassen [Weber, WG:533; vert. 87].

    Wanneer de bepaaldheid door en de gevolgen van de klassenpositie niet duidelijk herkenbaar zijn, wordt het contrast in levenskansen veeleer als een ‘gegeven’ ervaren, als een klassenlot dat geaccepteerd moet worden. Onder deze omstandigheden wordt het specifieke klassenlot niet of nauwelijks ervaren als iets dat voortvloeit uit de bestaande eigendomsverhoudingen of uit de specifieke aard van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen, resp. van het economische systeem.

    Fatalisme is echter een kwestie van gradaties en kan bovendien zeer uiteenlopende vormen aannemen.

    • In aansluiting op Durkheim maakt Lockwood [1982:103; vgl. 1992] een onderscheid tussen fysiek en moreel despotisme. Fysiek despotisme is een vorm van directe persoonlijke dwang zoals deze bijvoorbeeld wordt uitgeoefend om mensen in gevangenissen of concentratiekampen in ‘het gareel’ te houden. Moreel despotisme is een vorm van onpersoonlijke sociale dwang die werkt doordat zij door de overheerste individuen zelf wordt verinnerlijkt.
      Het kan de vorm aannemen van een existentieel fatalisme dat primair strategisch gemotiveerd is. Existentieel fatalisme is het geheel van houdingen die resulteren uit de verwerking van een ‘zakelijk despotisme’, dat wil zeggen van de stomme kracht der economische omstandigheden, van het waren-, geld- en kapitaalfetisjisme en van de ‘ijzeren kooi van de bureaucratie’.
        Lockwood [1982:104] gebruikt hiervoor de term ‘conditioneel fatalisme’. Dit concept van fatalisme berust niet op de vooronderstellingen van de consensus- of de conflicttheorie en staat haaks op de premissen van het normatieve functionalisme. Er wordt immers geen gemeenschappelijk waardensysteem of een morele consensus verondersteld. In het normatieve functionalisme wordt ‘sociale integratie’ uitsluitend geanalyseerd als een resultaat van een proces waarin actoren waarden internaliseren; de conformiteit van actoren met geïnstitutionaliseerde normen wordt primair en hoofdzakelijk opgevat als de uitkomst van deze acceptatie van waarden die rolverwachtingen legitimeren.

    • Het kan ook de vorm aannemen van een ethisch fatalisme dat primair religieus gemotiveerd is. Ethisch fatalisme is het resultaat van de verwerking van ‘moreel despotisme’, dat wil zeggen van een klassendwang die wordt opgelegd door een expliciet fatalistisch geloofsregime, zoals dit bijvoorbeeld is geïmpliceerd in de hindoeïstische verlossingsdoctrine.
        De meeste auteurs sluiten aan bij de Weber’s analyse van het ethisch fatalisme in India en van de betekenis van de hindoeïstische karma-doctrine: Dumont [1963], Béteille [1965,1969], Srinivas [1966], en het overzicht van Lockwood [1982]. Een centraal thema in deze studies is de samenhang tussen ethisch fatalisme (de radicale ontkenning van wereldlijke verlossing) en de geringe frequentie en verspreiding van het verzet tegen het kastenstelsel.

    Het verschil tussen deze beide fatalistische houdingen is dus niet de feitelijke mate van onderdrukking of exploitatie, maar de relatieve betekenis die strategische dan wel ethische overwegingen spelen bij de subjectieve verwerking van de sociale klassendwang.

    • Strategisch geïnformeerd existentieel fatalisme impliceert een zeker geloof in de onveranderlijkheid van de klassenstructuren, maar niet noodzakelijk geloof in hun legitimiteit. In hoeverre dit laatste het geval is, is een empirische kwestie. Of subalterne klassen hun posities als legitiem beschouwen in plaats van als simpel onveranderlijk, is in sterke mate afhankelijk van de vraag of het betreffende klassensysteem primair wordt gegarandeerd door geloof of door rituelen.

    • Het fatalisme dat is gebaseerd op een specifieke fatalistische ideologie, genereert een ethische verbondenheid en daarmee een specifieke (namelijk religieus gekleurde) vorm van normatieve instemming, dat wil zeggen een fatalistische ethos. Dit ethische fatalisme moet duidelijk worden onderscheiden van het geritualiseerde fatalisme van de massa’s in maatschappijen waarin een grote afstand bestaat tussen de werkende klassen en de ideologische centra. Deze afstand kan zo groot zijn dat de denkbeelden die door de ideologische centra worden verspreid het gros van de werkende klassen niet bereikt, of afstuit op het wantrouwen in alles wat ‘van boven af’ komt.

    De godsdienst nam in de 19e eeuw in Nederland nog een zeer belangrijke plaats in het maatschappelijke leven in. In ieder geval tot 1848 speelden de kerken en kerkelijke instellingen een grote rol in het openbare leven en waren nauw met de staat verbonden. De houding van de arbeiders tegenover kerk en godsdienst nam echter zeer speciale vormen aan. In een historische studie naar de levenshouding en het maatschappijbeeld van de arbeidende klasse in het midden van de 19e eeuw wordt hiervan de volgende typering gegeve.

      “Het volslagen gebrek aan ontwikkeling, het geestelijke isolement ten opzichte van de hogere standen en het wantrouwen in alles wat van boven af kwam, zorgden voor een mengeling van onverschilligheid en vijandigheid onder de arbeiders” [Giele 1976:53].

    Een deel van de ambachtslieden zocht aansluiting bij de religieuze sentimenten van de kleine burgerij (en met name bij de gereformeerde beweging van de ‘kleine luyden’). Bij de lagere volksklassen — in het bijzonder de categorie van losse, ongeschoolde arbeiders — had de religie een overwegend negatieve invloed. Dit gold in het bijzonder voor de orthodoxe predestinatieleer, waarvan een tijdgenoot in 1850 opmerkte dat de Friese landarbeiders hierdoor gemakkelijk vervallen tot een blind fatalisme en godsdienstige apathie.

    Ethisch fatalisme impliceert altijd een zekere normatieve instemming met een als onveranderlijk ervaren klassensysteem en wordt in de regel gearticuleerd in en gereproduceerd door een religieus getinte verlossingsideologie. Dit thema staat centraal in studies over de specifieke klassenreligiositeit van negatief geprivilegieerde groeperingen. De aspiraties van de subalterne klassen kunnen op zeer uiteenlopende manieren religieus worden gearticuleerd. In de bij Weber [WG:285-314] aansluitende godsdienstsociologie worden deze articulaties zowel inhoudelijk als structureel gethematiseerd.

    1. De sociaal-politieke eisen van subalterne klassen kunnen in een religieus vertoog inhoudelijk worden voorgesteld als ‘door God gewild’. Door deze religieuze onderbouwing van specifieke maatschappelijke belangen en verlangens kan het zelfbewustzijn van de negatief geprivilegieerde klassen aanzienlijk versterken.

    2. Kenmerkend voor de specifieke structuur van hun religiositeit is de centrale plaats van de ‘verlossingsbehoefte’. De heilandsreligiositeit is hiervan het meest typische voorbeeld: de (menselijke, goddelijke of menselijk-goddelijke) verlosser figureert daarbij als drager van het heil en het geloof in de verlosser biedt toegang tot het zieleheil. Het ‘proletarische rationalisme’ (Weber) heeft ertoe bijgedragen dat in de arbeidersklasse de religie door andere surrogaten werd vervangen: van de socialist Domela Nieuwenhuis als ‘us ferlosser’, via de communist Fré Meis tot aan de aristocratische populist Pim Fortuyn: ‘at your service’. Gevoelens van onveiligheid en onzekerheid maken mensen ontvankelijker voor charismatische leiders, vooral wanneer deze de belofte belichamen van steun voor het eigen zelfbeeld [Solomon 2004].

      Voor de Friese veenarbeiders gold Domela Nieuwenhuis als een ware verlosser. “Ja, voor hen was deze ex-predikant de heiland, die de wereld der zatheid verlaten had om voortaan met hen, voor en en uit hen te leven. De vlam van zijn overtuiging wekte de geesten en verwarmde de harten van duizenden die het wonder hunner komende bevrijding als een geschenk uit zijn handen verwachtten” [Romein/Romein 1977:803].

      In zijn religieus-sociologische tractaat De verweesde samenleving [1995] kende Pim Fortuyn zichzelf een profetische en sacrale rol toe en vergelijkt hij zich met Mozes, die zijn verlaten volk naar het beloofde land wil voeren. Om zijn missie en positie te karakteriseren bediende Fortuyn zich graag van religieuze metaforen [De Vries/Van der Lubben 2005]. Hij beschouwde zichzelf als een instrument in de handen van God, een God die met hem en de wereld een plan had. Uit de boodschappen die werden achtergelaten bij tijdelijke herdenkingsplaatsen en condoléanceregisters wordt duidelijk hoe zeer hij in de ogen van zijn aanhang als een verlosser werd gezien [Margry 2002a, 2002b,2003,2004].

      “Was Domela voor velen de verlosser uit de diepgaande sociale problemen van de moderniserende Nederlandse samenleving, Fortuyn trad op als heilsprofeet en spirituele gids van de postmoderne samenleving” [De Hart 2005:62].

    Existentieel fatalisme is gebaseerd op een combinatie van traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en strategische calculatie, en impliceert niet noodzakelijk een normatieve instemming. Het onderzoek van Marshall e.a. laat zien dat met het begrip van existentieel (primair strategisch gemotiveerd) fatalisme een typering kan worden gegeven van het maatschappelijke bewustzijn van de leden van geëxploiteerde klassen in hoogontwikkelde kapitalistische landen. Een dergelijke typering lokt natuurlijk veel amendementen uit en roept om nuancering. Dat neemt echter niet weg dat deze conceptie zelf een vruchtbaar heuristisch uitgangspunt vormt voor empirisch onderzoek naar het legitimiteitsgeloof van negatief geprivilegieerde klassen.

    Index


    5·7 Hoe feitelijke legitimiteitsgeloof meten?
    Het is altijd moeilijk en soms onmogelijk om exacte uitspraken te doen over het feitelijke legitimiteitsgeloof van subalterne klassen en negatief geprivilegieerden. De reden hiervan is dat de betreffende informatiebronnen meestal zeer beperkt zijn en dat de geschreven documenten bijna altijd zijn opgesteld door (woordvoerders van) positief geprivilegieerden. De cultuur van de subalterne klassen (‘volkscultuur’) is grotendeels een mondelinge cultuur.

    Historici en historisch-sociologen zijn niet in staat zijn om met hun onderzoeksobjecten te praten en moeten daarom gebruik maken van schriftelijke bronnen. Deze schriftelijke bronnen zijn echter dubbel vertekend. Ten eerste omdat ze geschreven zijn en ten tweede omdat ze geschreven werden door personen die meer of minder duidelijk met de heersende cultuur verbonden waren. Ginzburg [1976/83:13] merkt in dit verband op dat de gedachten, de geloofsvormen en de verwachtingen van de boeren en ambachtslieden uit het verleden ons bijna altijd bereiken (áls ze ons al bereiken) via vervormende filters en tussenpersonen. Zijn prachtige analyse van de lotgevallen van de ‘ketterse’ italiaanse molenaar Menocchio biedt een uniek inzicht in de wederzijdse beïnvloeding van een authentieke volkscultuur en de heersende religieuze cultuur.

    Economisch-sociologen die zich in hun empirisch onderzoek concentreren op legitimiteitsgeloof in de huidige verhoudingen zijn wel in staat om met hun onderzoeksobjecten te communiceren. Zij kunnen dus gemakkelijker toegang verwerven tot bronnen die indicaties bevatten over het feitelijke legitimiteitsgeloof van leden van subalterne klassen en negatief geprivilegieerden. Het grote probleem daarbij is echter dat men altijd rekening moet houden met de reflexiviteit van verwachtingsstructuren. Ik heb elders laten zien dat het niet eenvoudig is om bijvoorbeeld interviews zodanig te structureren dat resultaten geen simpele verdubbeling zijn van de heersende legitimiteitsopvattingen — en dus slechts artefacten van een gebrekkige methodologie.

      Zie hft. I, § 2 voor de problemen van het empirische bewustzijnsonderzoek en hft. IX, § 2·2·2 voor de gevolgen van de institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen. Vgl. ook Bader/Benschop [1988:158 e.v,] over ‘de verwachtingen omtrent de verwachtingen van anderen’.

    Of mensen werkelijk op normatieve gronden instemmen met het bestaande klassenstelsel is met interviews moeilijk te achterhalen. Leden van subalterne klassen vechten de legitimiteit van een klassenstructuur in het openbaar meestal niet aan — en men kan niet veronderstellen dat dit verschil tussen ‘on stage’ en ‘off stage’ houding kleiner wordt of verdwijnt wanneer zij worden ondervraagd door enquêteurs die door sociale wetenschappers ‘het veld’ in worden gestuurd. Legitimiteitsgeloof is altijd positiegebonden en contextafhankelijk. Bovendien is het geloof in de legitimiteit van een klassenmaatschappij niet zonder meer feitelijk relevant voor al het sociale en politieke handelen van de klassenactoren die dit geloof koesteren.

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013