| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
Albert Benschop
XVI. Reproductie en transformatie van klassenstructuren
| |
| Noten | Literatuur |
|---|---|
| 1. Stelling en afbakening |
|---|
Klassenstructuren worden niet alleen door sociaal handelen geconstitueerd, maar ook gereproduceerd en getransformeerd. Klassenverhoudingen worden pas structureel wanneer zij sociaal en temporeel zijn gestabiliseerd. Wanneer een bepaald type klassenverhoudingen eenmaal is uitgekristalliseerd en geformaliseerd, worden zij door een drietal mechanismen van handelingscoördinatie gestabiliseerd dan wel gedestabiliseerd: door klassenspecifieke gewoontes en zeden, door klassenspecifieke solidariteiten en door klassenbelangen. Daarnaast bestaan er een drietal mechanismen die direct en als zodanig gericht zijn op de in stand houding of verandering van gestabiliseerde klassenverhoudingen. Klassenverhoudingen worden gegarandeerd dan wel getransformeerd door conventies, door recht en geweld, en door legitimiteit.
Deze stelling impliceert een afbakening ten opzichte van alle benaderingen waarin een eenzijdig beeld wordt gegeven van het proces van reproductie en transformatie van klassenverhoudingen, en meer in het bijzonder ten opzichte van benaderingen waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen stabilisatie- en garantiemechanismen (respectievelijk tussen destabilisatie- en transformatiemechanismen).
Vooral in de marxistische traditie was het lange tijd gebruikelijk om de vraag naar de reproductie en transformatie van klassenverhoudingen uitsluitend te beperken tot mechanismen die direct zijn gericht op het in stand houden of veranderen van de bestaande klassenstructuren, namelijk tot het bekende duo geweld (uiterlijke kracht) en legitimiteit (innerlijke overtuiging).
|
Met dit dubbelkarakter van de klassenheerschappij correspondeert een tweedeling van de maatschappelijke bovenbouw in een politieke sfeer (società politica) waarin de staat de hoofdrol speelt en een culturele sfeer (società civile) waarin particuliere organisaties zoals de kerk, het onderwijs, de pers en de vakbonden een centrale rol spelen.[1] |
Dit is een misleidende dichotomie omdat hiermee het zicht wordt ontnomen op de complexiteit van de reproductieve en transformatieve mechanismen. Door het dichotome beeld van geweld-legitimiteit verdwijnt het zicht op andere mechanismen van handelingscoördinatie waardoor klassenverhoudingen zich reproduceren en transformeren.
In iets mindere mate geldt dit bezwaar ook voor traditionele sociaal-wetenschappelijke benaderingen waarin naast geweld en legitimiteit ook aandacht wordt besteed aan de reproductieve en transformatieve betekenis van klassenbelangen.[2]
Tenslotte impliceert deze stelling ook een afbakening ten opzichte van benaderingen waarin (traditioneel gemotiveerde) gewoontes en zeden en (affectief gemotiveerde) solidariteit alleen worden opgevat als stabilisatoren van klassenstructuren en niet ook als transformatoren.
2. Oorzaken van wat? |
|---|
Er zijn veel discussies gevoerd over de vraag naar de oorsprong van klassenstructuren. Ik zal hier geen overzicht geven van al deze discussies en beperk me tot het benoemen van een aantal onduidelijkheden in de discussies over de oorsprong van klassenongelijkheden.
Het meest opvallende is wel dat het meestal onduidelijk blijft wat er verstaan moet worden onder oorzaken, grondslagen of bases van klassenongelijkheid en met name voor wát precies naar oorzaken wordt gezocht. Deze onduidelijkheden zijn het gevolg van een drietal probleemvermengingen die in meer algemene termen al door Bader/Benschop [1988:56-8] in kaart zijn gebracht.
In dit hoofdstuk concentreren we ons op de reproductieve en transformatieve oorzaken, dat wil zeggen op de mechanismen die bepalend zijn voor het voortbestaan dan wel de verandering van klassenstructuren. Voordat ik hiertoe overga wil enkele korte aantekeningen maken over het ontstaan van klassenstructuren en de betekenis van allocatieve mechanismen.
De meeste pogingen om het ontstaan van klassenstructuren historisch-causaal te verklaren concentreren zich echter op één factor en zijn dus voornamelijk monocausaal.[3]
In de meest bekende monocausale verklaringsmodellen wordt het ontstaan van uitbuitings- en klassenverhoudingen verklaard vanuit dwang of geweld (oorlogen en veroveringen, usurpaties en fysiek geweld),[4] eigendom,[5] toeëigening van meerarbeid of van een meerproduct,[6] arbeidsdeling of roldifferentiatie,[7] of vanuit specifieke normatieve of culturele factoren.[8]
Alle genoemde oorzaken zijn niet alleen theorie-historisch relevant, ze spelen ook in de moderne theorievorming en in het historische en antropologische onderzoek nog een actuele rol.[9]
Wat daarbij opvalt is, dat de verklarende factoren meestal abstract tegenover elkaar worden gesteld, hoewel zij inhoudelijk helemaal niet zo exclusief tegenover elkaar staan en elkaar niet per definitie uitsluiten.[10]
In marxistische analyses van het ontstaan van klassenmaatschappijen spelen bijvoorbeeld de monopolisering en aanwending van superieur fysiek geweld, het ontstaan van centrale heerschappij-instanties, de erosie van collectief eigendom alsmede technische, economische en sociale differentiaties en arbeidsdelingen naar sekse en leeftijd een belangrijke rol. Sinds Friedrich Engels is het in de marxistische traditie gebruikelijk om aandacht te besteden aan de samenhang tussen het ontstaan van statelijk georganiseerde klassenheerschappij en vrouwenonderdrukking. De eerste klassentegenstelling, die in de geschiedenis optreedt, valt samen met de ontwikkeling van het antagonisme tussen man en vrouw in het enkelvoudige huwelijk en de eerste klassenonderdrukking met die van het vrouwelijke geslacht door het mannelijke [Engels 1891/1971:84].[11]
Het werkelijke probleem bij historisch-causale verklaringen is echter niet zozeer dat men de factoren die in het geding zijn moet isoleren, maar op welke wijze deze factoren in elkaar grijpen, hoe zij elkaar versterken of hun effecten afzwakken enzovoort.[12] Voor historisch-antropologisch onderzoek naar het ontstaan van klassenverhoudingen zijn monocausale verklaringspogingen even ongeschikt als eendimensionale theorieën van klassenongelijkheid voor de sociologische theorievorming.
De (bundels van) oorzaken die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan, de reproductie en de transformatie van klassenstructuren kunnen globaal identiek zijn, maar dit is zeker niet noodzakelijk het geval en het is historisch gezien ook zeker niet altijd het geval.
Geweld speelt bijvoorbeeld een zeer dominante rol in de periode van de oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal en vormt in zekere zin het uitgangspunt van de kapitalistische arbeidswijze.[13] Zodra de kapitalistische uitbuitings- en klassenverhoudingen eenmaal zijn gestabiliseerd en genormaliseerd, treedt het gebruik van direct fysiek geweld meer en meer naar de achtergrond. Dit betekent natuurlijk niet dat er in uitzonderingssituaties geen geweld meer wordt gebruikt om het voortbestaan van de kapitalistische klassenverhoudingen te garanderen. De reproductie van deze verhoudingen wordt echter primair veroorzaakt door het formeel vreedzame proces van kapitaalaccumulatie en de formeel geweldloze toeëigening van de door de loonarbeiders geproduceerde meerwaarde.
Dit voorbeeld maakt duidelijk waarom het onderzoeksstrategisch van groot belang is een onderscheid te maken tussen oorzaken van het ontstaan en oorzaken van het bestaan van klassenverhoudingen.[14]
|
Marx retrospectieve analyse van de oorspronkelijke accumulatie is hiervan het klassieke voorbeeld. Het is een genealogie van de elementen die de structuur van de kapitalistische arbeidswijze vormen. Bruut geweld speelt een cruciale rol om het scheidingsproces tussen arbeiders en arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen en aan de ene pool de maatschappelijke productie- en bestaansmiddelen in kapitaal om te zetten en aan de andere pool de volksmassa te veranderen in loonarbeiders. Zoals het geld met natuurlijke bloedvlekken op de ene wang ter wereld komt (Augier), zo wordt het kapitaal geboren van kop tot teen, uit alle poriën, druipend van bloed en vuil (Marx). Het verschil tussen de gewelddadige oorzaken van het ontstaan en de reproductieve oorzaken van het bestaan van de kapitalistische arbeidswijze werd door Marx als volgt samengevat.
Zo wordt geld pas kapitaal als gevolg van vooronderstellingen die extern aan het kapitaal zijn. Zodra het kapitaal als zodanig bestaat, schept het zijn eigen bestaansvoorwaarden middels zijn eigen productieproces [idem:363]. Dit illustreert het onderzoeksstrategisch belang van het inhoudelijk-methodische onderscheid tussen de structurele vooronderstellingen van de kapitalistische arbeidswijze en de specifieke historische voorwaarden waaronder deze vooronderstellingen kunnen worden gerealiseerd. |
De vraag waarom ontstaan, bestaan en veranderen structurele klassenposities? verwijst niet zonder meer naar dezelfde oorzakenbundel als de vraag: waarom ontstaan, bestaan en veranderen uitsluitingscriteria en -mechanismen? Beide vragen moeten in eerste instantie onafhankelijk van elkaar worden onderzocht. Vervolgens kan een nauwkeuriger analyse worden gemaakt van de samenhang tussen de factoren die verantwoordelijk zijn voor de (re)productie en transformatie van klassenposities en de factoren die verantwoordelijk zijn voor de (re)productie en transformatie van de rekruteringspatronen.
We hebben gezien dat het antwoord op de eerste vraag gevonden kan worden door een analyse van de historische oorzaken en van sociaal-structurele grondslagen van de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen waardoor exploitatieprocessen mogelijk worden.
Het antwoord op de tweede vraag vereist een gedetailleerde analyse van de historische oorzaken en sociaal-structurele grondslagen van de specifieke ascriptieve en meritocratische criteria en van de specifieke allocatiemechanismen.[16]
Dit betekent ten eerste dat er een analyse moet worden gemaakt van de samenhang tussen de criteria van sociale sluiting, de praktijken van uitsluiting en de daarmee ideaal-typisch corresponderende legitimatielegendes. Deze samenhang is uitvoerig besproken in Bader/Benschop [1988:233-41] en hoeft hier niet te worden herhaald.
Ten tweede moet worden onderzocht welke mechanismen bijdragen aan de stabilisatie/destabilisatie en garantie/transformatie van mobiliteitscriteria, en daarmee aan de instandhouding of doorbreking van mobiliteitsbarrières. Een nauwkeuriger behandeling van dit thema valt buiten het bestek van deze studie, maar we komen hier in de volgende paragraven nog op terug.
3. Mechanismen van reproductie en transformatie |
|---|
Wat zijn de mechanismen waardoor eenmaal uitgekristalliseerde en in zekere zin genormaliseerde klassenstructuren worden gereproduceerd en getransformeerd?
Om op deze vraag te beantwoorden grijp ik terug op de in hoofdstuk XIII ontwikkelde typologie van handelingsoriëntaties. Bij de bespreking van de affectieve, traditionele, waarderationele en strategische handelingsoriëntaties werd al een korte aanduiding gegeven van de daarmee ideaaltypisch corresponderende mechanismen van handelingscoördinatie: gewoontes/zeden, solidariteiten, belangen en legitimiteit.[17]
We gebruiken deze typologische indeling als referentiekader om zowel de reproductie als de transformatie van klassenverhoudingen te verklaren. Alle mechanismen van handelingscoördinatie fungeren immers tegelijkertijd ook als mechanismen van reproductie en transformatie van klassenverhoudingen. Zij doen dit echter niet allemaal op dezelfde wijze.
Sommige mechanismen van handelingscoördinatie reproduceren en transformeren de bestaande klassenverhoudingen min of meer onbewust, als niet gewilde en onbedoelde nevengevolgen van klassenspecifieke oriëntaties en handelingen. Dit zijn de mechanismen van stabilisering of destabilisering.
Andere mechanismen van handelingscoördinatie zijn daarentegen direct en als zodanig bewust gericht op de instandhouding of verandering van klassenverhoudingen. Dit zijn de mechanismen van garantie of van bewuste, actieve en gerichte transformatie.[18]
3·1·1 Stabilisatie door routine
De schijnbaar meest elementaire, maar in hun werking uiterst effectieve traditionele handelingsoriëntaties genereren een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie: klassenspecifieke gewoontes en zeden.
Klassenstructuren worden dus gereproduceerd door klassenspecifieke of klassengebonden gewoontes en zeden die door traditionele oriëntaties en handelingen worden geconstitueerd.
Door de ingeleefde praktijk van een klassenzede zoals een bepaalde arbeids- of huwelijksmoraal, een bedrijfsloyaliteit kunnen klassenstructuren worden gestabiliseerd, ook indien de regels waaraan actoren zich vrijwillig houden nog niet of niet meer conventioneel worden verlangd of wettelijk zijn gesanctioneerd. In alledaagse klassenpraktijken spelen traditionele oriëntaties een zeer dominante rol.
De continuïteit en stabiliteit van klassenspecifieke zeden wordt veroorzaakt door het feit dat iemand die zijn handelen niet op deze zeden oriënteert, zich onaangepast of niet conform de heersende zeden gedraagt en daarom kleine en grote ongemakken op de koop moet toenemen, zolang de meerderheid van de mensen in zijn directe omgeving wél rekening houdt met het bestaan van deze zeden en zich daarop blijft oriënteren.[20]
Hoe dit in zn werk gaat, kan waarschijnlijk het beste worden geïllustreerd aan zedelijke codes die een rol spelen in de direct omgang tussen uitbuiters en uitgebuitenen. In zeer uiteenlopende klassenformaties komt de traditioneel verankerde onderdanige houding van afhankelijke producenten ten opzichte van hun broodheer scherp tot uiting in geritualiseerde begroetingspraktijken waarin altijd een zeker eerbetoon wordt gesymboliseerd. Wie van deze gewoonteregels afwijkt, wordt niet alleen door zijn heer, maar meestal ook zijn eigen klassengenoten als nonconformist betiteld en dienovereenkomstig behandeld.
Omgekeerd was en is het vaak nog gebruikelijk dat leden van exploiterende of heersende klassen in een duidelijke afstand behouden ten opzichte van hun uitbuitingssubjecten en ondergeschikten. Deze distantie komt in diverse gewoontes, gebruiken en zeden tot uitdrukking: in de specifieke wijze waarop men zich beweegt, kleedt, spreekt en eet, in de omgangsvormen en in de symbolische attributen van de macht [de algemene en klassenspecifieke aspecten van de habitus kwamen uitvoerig aan de orde in: hft. XII].
Wanneer klassengebonden gewoontes en gebruiken eenmaal goed zijn ingeburgerd, leiden zij als klassenzeden een uiterst hardnekkig bestaan. Zelfs wanneer deze routines wettelijk worden bestreden of verboden, zullen zij niet onmiddellijk verdwijnen.
Uitgekristalliseerde gewoontes en zeden fungeren als stabilisatiemechanismen van klassenstructuren (en worden als hun ongewilde en onbedoelde resultaten gereproduceerd). Een klassensysteem dat alleen maar door strategische motieven of belangenconstellaties wordt gereproduceerd, is meestal veel labieler dan een stelsel dat tevens steunt op traditionele oriëntaties en daarmee corresponderende routines.[21]
In klassenzeden zijn specifieke verwachtingsstructuren geobjectiveerd. Klassenzeden veronderstellen een zekere gelijksoortigheid van de wederzijdse verwachtingen en oriëntaties van de leden van een zelfde klasse. De afzonderlijke leden van een sociale klasse houden zich vrijwillig aan de in een klassenzede geïmpliceerde regels en verwachten dat hun klassengenoten zich om dezelfde traditionele redenen aan deze regels zullen houden.
Door klassenzeden worden dus in eerste instantie de verhoudingen bínnen de afzonderlijke klassen gestabiliseerd. In de mate dat de traditionele gewoontes en zeden van de subalterne klasse aan de bestaande uitbuitings- en heerschappijverhoudingen zijn aangepast, stabiliseren zij tevens de verhoudingen tussen de afzonderlijke klassen.
3·1·2 Destabiliserende zeden, gewoontes en gebruiken
|
|
Juist daarom fungeren ingeleefde en diepverankerde tradities niet alleen als stabilisator van klassenverhoudingen, maar onder bepaalde voorwaarden ook als een uiterst krachtige destabiliserende factor.
Er is al eerder op gewezen dat juist de pre-industriële of voorkapitalistische tradities van ambachtslieden een uiterst belangrijke voedingbodem waren voor het ontstaan van de eerste verzetsorganisaties van de arbeidersbeweging. De betekenis van dergelijke tradities als destabiliserende factor is zeker niet beperkt tot de arbeidersbeweging in de vorige eeuw, maar speelt nog steeds een belangrijke rol.
Talloze arbeidsconflicten en stakingen ontstaan omdat ondernemers proberen een tot gewoonte geworden arbeidstempo op te voeren, omdat de voor arbeiders gebruikelijke kleine rustpauzes en speelruimtes worden weggerationaliseerd of omdat hun diepverankerde en jarenlange vaak van vader op zoon overgedragen bedrijfsloyaliteit wordt bedreigd door een aangekondigde bedrijfssluiting.
Klassensystemen gaan waarschijnlijk altijd gepaard met een fundamenteel in de dagelijkse praktijk echter meestal zorgvuldig gemaskeerd wantrouwen van de geëxploiteerden ten opzichte van hun exploiteurs. In de meer of minder elastische marges van de exploitatiesystemen vinden de uitgebuitenen een ruimte om hun eigen tradities vorm te geven: het gezamenlijk beperken van de arbeidsprestaties (remmen), het toeëigenen van gereedschappen en producten (snaaien), het maskeren van ongeoorloofde afwezigheid (ziekvieren) tot aan de meest subtiele vormen van zelfbeschermende sabotage.
Al deze verzets- en overlevingsstrategieën behoren tot de op brede schaal ingeburgerde tradities die niet alleen zijn gericht tegen verscherping (of voor matiging) van exploitatiepraktijken, maar die ook kunnen gaan knagen aan de stabiliteit van het klassensysteem (vooral wanneer dergelijke praktijken diep in een volkscultuur verankerd raken).
Wanneer exploiterende en heersende klassen hun traditionele verplichtingen ten opzichte van hun arbeiders en onderdanen niet meer (kunnen of willen) nakomen en dus in hun ogen onzedelijk (arrogant, vrekkig) handelen, dan kan hierdoor een moeizaam opgebouwd stelsel van stabiliserende klassencompromissen worden doorbroken. In zijn analyse van de herstructurering van de lokale klassenverhoudingen in Maleisië laat Scott [1985] zien wat de betekenis is van de toenemende arrogantie en vrekkigheid van de rijken. Het alledaagse verzet van de kleine rijstboeren werd vooral aangemoedigd door de schaamteloosheid waarmee de nieuwe landheren hun klassemacht uitoefenen.[23]
Klassenspecifieke tradities (gewoontes, gebruiken en zeden) werken dus niet alleen als stabilisator van de relaties binnen en tussen sociale klassen, maar met name wanneer zij op elkaar botsen ook als transformator van klassenverhoudingen.
Zo worden kapitalistische klassenverhoudingen worden gestabiliseerd door de solidariteit van een specifiek arbeidscollectief (de affectieve eenheid van kantoorpersoneel tegenover productiearbeiders), een bepaalde bedrijfsgemeenschap (de eenheid van de Philipsfamilie tegenover de rest van Nederland) en door nationalistische solidariteit die veel arbeiders tijdens imperialistische oorlogen (of tijdens Europese voetbalwedstrijden). Hetzelfde geldt ook voor onderlinge solidariteit van mannen ten opzichte van vrouwen en voor exclusieve solidariteit van etnisch-culturele groepen. Bovendien kunnen de solidariteiten en rivaliteiten die stoelen op persoonlijke contacten en directe interacties (in arbeidscollectieven, nabuurschap enz.) een obstakel vormen voor de constructie van vormen van solidariteit die berusten op nabijheid in de organisationele en maatschappelijke ruimte.[25]
In werkelijkheid spelen bij deze vormen van solidariteit natuurlijk niet alleen zuiver affectieve of emotionele handelingsoriëntaties een rol. Deze meervoudig gemotiveerde politieke houdingen geven echter wel degelijk een indicatie van de stabiliserende werking die aan solidariteitsvormen verbonden kan zijn.
De klassensolidariteit van de uitgebuitenen fungeert daarentegen als een mechanisme dat kan leiden tot een destabilisatie van de klassenverhoudingen. Zoals eerder opgemerkt, komt deze klassensolidariteit telkens weer opnieuw tot uiting in een breed scala van expressieve acties (met name in solidariteitsacties) en symbolen, die vaak onmiskenbaar laten zien tot welke klasse men behoort of gerekend wil worden.[26]
|
Evenals klassenspecifieke zeden blijven klassensolidariteiten meestal voor een belangrijk deel on- of voorbewust. Mede daarom kunnen de veranderingen die daarin optreden lange tijd onopgemerkt blijven.[27]
Het tempo van deze veranderingen en de richting waarin de onderhuidse en moleculaire verschuivingen van de zeden en solidariteiten voltrekt, zijn slechts in beperkte mate manipuleerbaar.
Klassensolidariteit kan weliswaar op elk terrein worden ingezet, maar men kan haar niet of nauwelijks strategisch manipuleren. Dit stelt conflictorganisaties en hun leidingen voor een probleem. Zij kunnen de richting waarin onderlinge solidariteit zich formeert zeker op korte termijn niet of nauwelijks worden beïnvloed. Maar zij moeten tegelijkertijd rekening houden met het gevaar dat aan het strategische gebruik van klassensolidariteit verbonden is: klassensolidariteiten kunnen hierdoor worden uitgehold. Wanneer op deze manier de erosie van onderlinge solidariteit wordt gestimuleerd, wordt deze op den duur als strategisch inzetbare bron veel minder waard [idem:125].
Conflictorganisaties en hun leidingen kunnen zich strategisch oriënteren op het bestaan van onderlinge solidariteit. In hun actieplanning houden zij rekening met de mate waarin werknemers met elkaar of met een bepaalde organisatie of institutie solidair zullen zijn. Ook bij de uitwerking van managementsstrategieën door ondernemers wordt er rekening gehouden dat het personeel een meer of minder sterke gevoelsmatige binding heeft met het bedrijf of met een specifieke bedrijfsafdeling.
Bij de uitwerking van vakbondstrategieën wort ook cognitief rekening gehouden met het saamhorigheidsgevoel van het personeel en van de vakbondsleden. Wanneer deze strategische oriëntaties dominant worden, gaat solidariteit over in een zuivere belangenpositie. Maar daardoor gaat juist de mogelijke extra stabiliteit die meestal met affectieve oriëntaties verbonden is, verloren.
Klassenspecifieke zeden en solidariteiten vertonen niet alleen in traditionele maar ook in moderne maatschappijen een relatief grote continuïteit. Samen met klassenbelangen leveren zij niet alleen een doorslaggevende bijdrage aan de stabilisatie van klassenverhoudingen, maar spelen ook een essentiële rol in hun destabilisatie.
Gemeenschappelijke belangen binnen en tussen klassen fungeren als een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie zij dragen niet alleen bij aan de continuïteit en stabiliteit van klassenstructuren, maar bewerkstelligen ook de discontinuïteit en instabiliteit van klassenstructuren. Ook klassenbelangen fungeren dus tegelijkertijd als een mechanisme van reproductie én van transformatie van klassenstructuren.
De leden van een sociale klasse oriënteren zich strategisch op hun eigen klassenspecifieke doelen en verwachten dat alle andere leden zich op dezelfde manier op deze klassendoelen oriënteren; zij veronderstellen bovendien dat andere klassenleden van hen verwachten dat zij zich strategisch oriënteren en dienovereenkomstig handelen.[29]
Klassenbelangen stabiliseren dus in de eerste plaats de verhoudingen binnen de afzonderlijke klassen, dat wil zeggen tussen de leden van een zelfde klasse.
Klassenstructuren en -ongelijkheden worden echter met name gereproduceerd wanneer de leden van verschillende klassen gemeenschappelijke belangen definiëren of wanneer zij daadwerkelijke gemeenschappelijke belangen hebben, dat wil zeggen wanneer tussen afzonderlijke klassen een (partieel, tijdelijk) belangencompromis tot stand komt.
Zolang de fundamentele tegenstellingen tussen klassenbelangen niet duidelijk voor iedereen zichtbaar naar voren komen, dragen deze gemeenschappelijke belangen feitelijk bij aan de stabilisering van klassenstructuren. Ondanks en naast hun tegengestelde klassenbelangen hebben loonarbeiders en kapitalisten bijvoorbeeld beide belang bij het afsluiten van arbeidscontracten; elk arbeidscontract dat wordt afgesloten reproduceert kapitalistische loonafhankelijkheid, of dit nu bewust bedoeld is of niet.[30]
Gemeenschappelijke belangen reproduceren klassenstructuren min of meer onbewust, als niet gewilde en onbedoelde nevengevolgen van strategische oriëntaties en handelingen; zij zijn dus niet direct en als zodanig expliciet gericht op het in stand houden van klassenstructuren.[31]
Klassenbelang is echter ook een mechanisme van destabilisering van klassenstructuren. Wanneer de leden van een sociale klasse zich strategisch oriënteren op hun eigen klassenspecifieke doelen verwachten zij immers niet alleen dat alle andere leden zich op dezelfde manier op deze klassendoelen oriënteren en van hen verwachten dat zij zich zo oriënteren en handelen; zij verwachten bovendien dat leden van een andere sociale klasse zich eveneens op hun klassendoelen oriënteren en van hen verwachten dat zij hetzelfde doen.
Eenmaal gevestigde en gearticuleerde klassenbelangen dragen een groot conflictpotentieel in zich. Uitbuitings- en klassenposities zijn intrinsiek antagonistisch omdat zij tegenovergestelde belangen genereren. De realisatie van de belangen van de ene klasse impliceert in veel gevallen verzet tegen de realisatie van de belangen van een andere klasse (voor de hoofdklassen is dit in de regel altijd het geval).
Dit betekent niet dat er geen compromis mogelijk is tussen tegengestelde belangen, maar dat bij dergelijke compromissen meestal een specifiek klassenbelang domineert over (en gerealiseerd wordt tegen) de belangen van andere klassen of klassenfracties. In de pregnante formulering van Wright [1985:36]:
Klassenconflicten en klassencompromissen moeten niet uiterlijk tegenover elkaar worden gesteld. Klassencompromissen veronderstellen klassenconflicten op twee manieren.
Tegengestelde klassenbelangen vormen een uitermate krachtige conflictbron. Zij genereren permanent impulsen die tot een destabilisering van de krachtsverhoudingen tussen de sociale klassen leiden. Deze destabilisatie treedt met name op wanneer de tegenstellingen tussen de klassenbelangen op een directe en ondubbelzinnige (en dus voor iedereen zichtbare) wijze naar voren komen.
Klassenbelangen zijn bovendien niet het meest bestendige op de wereld. De veelal niet opgemerkte moleculaire veranderingen van de relaties tussen objectieve klassenposities, klassenhabitus en levensstijlen genereren meestal onbewuste en niet bedoelde veranderingen van klassenbelangen op lange termijn. Het zijn deze wijzigingen in de actuele en gedeeltelijk bewust gearticuleerde klassenbelangen op lange termijn waardoor er telkens opnieuw klassenconflicten uitbreken (in oude bekende of nieuwe vormen) en de bestaande klassenstructuren worden gedestabiliseerd.
3·4·1 Conventionele en wettelijke garantie
De reproductie van klassenstructuren wordt uiterlijk gegarandeerd door conventies en wetten. Zij worden met name gegarandeerd door een conventionele of wettelijke normering van de wijze waarop de beschikkingsmacht over de maatschappelijke relevante bronnen is verdeeld (eigendomsrecht) en de wijze waarop beschikkingsmacht over productieve bronnen en rijkdommen kan worden verkregen en overgedragen (erfrecht).[32]
Door deze geïnstitutionaliseerde normering worden niet alleen de bestaande eigendomsverhoudingen gegarandeerd, maar wordt tevens de specifieke vorm van het recht op toeëigening van meerarbeid, dat wil zeggen het recht op exploitatie verankerd en verduurzaamd. Door de conventionele of wettelijke normering van feitelijk toegeëigende exploitatieve kansen (klassenprivileges) wordt zowel de intra- als de intergenerationele reproductie van de uitbuitings- en klassenverhoudingen uiterlijk gegarandeerd.[33]
Klassenprivileges zijn het resultaat van een zodanig ongelijke verdeling van feitelijke controle over bronnen dat een effectieve claim op meerarbeid (uitbuiting) mogelijk is. Klassenprivileges zijn dus feitelijk toegeëigende exploitatiekansen. Wanneer klassenprivileges uiterlijk worden gegarandeerd door conventies en/of door recht nemen zij de vorm aan van klassenrechten. Klassenrechten dus conventioneel of wettelijk gegarandeerde klassenprivileges. Bewuste en als zodanig nagestreefde verandering van conventies en met name van het gepositiveerde recht zijn beslissende mechanismen van hervormende of revolutionaire verandering.
De in meer of minder sterke mate geïnstitutionaliseerde normen vormen de morele context van lokale, bedrijfsspecifieke of nationale klassenverhoudingen. Deze context bestaat uit een serie normatieve gedragsverwachtingen en voorkeuren met betrekking tot de relaties tussen uitbuiters en uitgebuitenen (slavenhouders en slaven, heren en onderhorigen, ondernemers en loonarbeiders, of algemener: rijken en armen).
Deze verwachtingen worden grotendeels gearticuleerd in het idioom van patronage, ondersteuning, welwillendheid en hulpvaardigheid. Zij worden toegepast op gezagsuitoefening, werkgelegenheid en beloning (rechtvaardig loon voor fatsoenlijke arbeid), maar ook op charitas, het geven van feesten en op het gedrag in de alledaagse omgang (zoals de wijze van begroeting en de afstand die men daarbij geacht wordt te houden). Wie aan deze verwachtingen voldoet, zal met respect, loyaliteit en sociale erkenning worden behandeld. Het is een soort politics of reputation (Bailey) waarin een goede naam wordt verleend in ruil voor steun aan een bepaalde gedragscode [Scott 1985:185].
De keerzijde hiervan is een politiek van sociale sancties. Wie niet voldoet aan de in de morele context verankerde gedragsverwachtingen verliest niet alleen het respect en de loyaliteit van zijn klassenopponent, maar vaak ook van zijn eigen klassengenoten.
De landheer die zijn conventionele verplichtingen ten opzichte van zijn pachters verwaarloost, wordt een object van hartgrondige verachting en verliest zijn goede naam.[35] Een kleine pachter die zijn landheer deemoediger dan noodzakelijk bejegend en meer diensten verleend dan waartoe hij conventioneel verplicht is, wordt door zijn dorpsgenoten sociaal geïsoleerd en met de nek aangekeken. Een trouwe werknemer die zijn ondergeschiktheid zo sterk heeft verinnerlijkt dat hij de hielen van de baas likt of zich uitslooft om het gebruikelijke arbeidstempo op te voeren, wordt door zijn medearbeiders niet meer als loyale collega beschouwd en dienovereenkomstig behandeld.
Of omgekeerd: een arbeider die zijn baas niet op een conventioneel respectvolle wijze bejegent, wordt door zijn ondernemer met ontslag bedreigd of feitelijk ontslagen. De ondernemer die deze arbeider daadwerkelijk ontslaat, loopt echter tevens het risico hiervoor een staking aan zijn broek te krijgen (omdat dit andere conventies schendt, of omdat zijn personeel een heel andere waardering heeft van de in eerste instantie geschonden conventie).
|
In patrimoniale of feodale verhoudingen kan de uitbuiting van onderhorigen worden beperkt zonder de belangen van de heer te schenden, omdat deze nog niet worden gedicteerd door het in principe ongelimiteerde winststreven.[36] Prekapitalistische verwachtingspatronen spelen echter ook in het moderne kapitalisme nog een uitermate belangrijke rol en worden in conflictsituaties vaak weer gereactiveerd. Ideologisch worden deze traditionele verwachtingen en verplichtingen gearticuleerd in de politieke taal van de vaderlijke ondernemer (als patroon) en de fatsoenlijke arbeider (als cliënt).[37] In zijn analyse van de lokale klassenverhoudingen in Maleisië heeft James Scott laten zien hoe klassenconflicten tussen rijke boeren en arme pachters binnen een traditionele morele context worden uitgevochten, dat wil zeggen hoe zij zich strategisch oriënteren op conventies. Hij wijst erop dat ook de rijke boeren van Sedaka niet in staat zijn zich volledig te onttrekken aan de prekapitalistische normatieve context van het dorpsleven. Daarom proberen zij de toepasbaarheid van deze waarden waarin zij eens een veel groter gevestigd belang hadden radicaal te beperken.
Deze waarden alleen in en door sociale conflicten worden gemodelleerd. De normatieve context is dus geen dwangbuis, maar in de meest letterlijke zin van het woord een context: het biedt een kader voor het conflict tussen winnaars en verliezers.
|
Klassenstructuren kunnen uiterlijk worden gegarandeerd door juridisch gesanctioneerde normerende regels, dat wil zeggen door rechtsverhoudingen. Recht wordt hier begrepen als een specifiek type van garantie. De in stand houding van normerende regels en de bestraffing van hun overtreders wordt door een specifiek type negatieve sancties gegarandeerd, namelijk door het dreigen met of het toepassen van fysiek geweld door een disciplinaire ambtelijke staf (justitie, politie, leger, detentie).
De juridisch gesanctioneerde regels die een klassenstelsel normeren, kunnen in wetten worden gecodificeerd. Wanneer dit gebeurt, wordt het tevens mogelijk dat de in wetboeken vastgelegde rechtsregels zich tot op zekere hoogte losmaken van de normatieve gedragsverwachtingen zoals deze empirisch in de dagelijkse praktijk gelden. Er ontstaat dan een verschil tussen de feitelijke empirische gelding van de rechtsregels en hun juridisch-dogmatische gelding.[39]
Dat klassenstructuren door rechtsregels worden gegarandeerd, is historisch gezien tamelijk evident. Het recht kan echter ook fungeren als een mechanisme waarmee klassenverhoudingen veranderd kunnen worden. De seculiere strijd tussen de maatschappelijke klassen wordt uitgevochten op het politieke domein, dat wil zeggen in de strijd om de institutionalisering van rechten (mensenrechten, burgerrechten en sociale rechten).
De politieke strijd tussen de maatschappelijke klassen heeft zich in de hele geschiedenis geconcentreerd rond de rechten die de uitbuitingsverhoudingen garanderen.
Waar slavenhouders het eigendomsrecht op slaven verdedigden, daar traden de zaakwaarnemers of vertegenwoordigers van slaven op voor een beperking van dit eigendomsrecht en uiteindelijk voor hun vrijheid. Waar feodale heren het recht op lijfeigenschap en horigheid verdedigden, daar traden de zaakwaarnemers of vertegenwoordigers van lijfeigenen op voor beperking of afschaffing van de heerlijke rechten op hun persoon en traden horigen op voor beperking of afschaffing van de herendiensten en tributen (zoals tienden, renten, huur, schatting, reisgeld) waartoe zij volgens wettelijke voorschriften en contracten verplicht waren. Waar de politieke vertegenwoordigers van kapitalistische ondernemers hun exploitatierecht verdedigden door het voorschrijven van gedwongen winkelnering, door vernederende privaatrechtelijke bedrijfsreglementen, door het laten verbieden van vakbonden en arbeiderspartijen en het tegenhouden van arbeidstijdverkorting, daar traden de syndicale en politieke vertegenwoordigers van loonafhankelijke arbeiders op voor hun vrije marktrechten (stakingsrecht), voor het recht op organisatie en vrijheid van bedrijfsinterne en politieke communicatie, voor inspraak- en zeggenschapsrechten en democratisering van de bedrijfsinterne gezagsverhoudingen, voor een wettelijke afschaffing van kinderarbeid en beperking van de arbeidstijden.
|
Roberto Unger heeft een stimulerende poging gedaan om een onorthodox programma voor radicale democratisering uit te werken. Met betrekking tot de arbeidsverhoudingen formuleert hij een aantal algemene rechten die erop gericht zijn de tegenstelling tussen toewijding aan gemeenschappelijke belangen (the common good) en het najagen van particuliere belangen te verzachten en flexibele vormen van arbeidsorganisatie (softening of contrast between supervisors and supervised) te realiseren [Unger 1987:506-39]. Zijn normatieve schets kan in vier punten worden samengevat.
|
3·4·2 Fysiek geweld
Het dreigen met of toepassen van superieur fysiek geweld door een staf van geweldspecialisten is de laatste dekkingsgarantie van klassenverhoudingen die juridisch en statelijk zijn gesanctioneerd. De kans om met legaal geweld een werkelijke of dreigende aantasting van de bestaande eigendoms- en klassenverhoudingen te bedwingen, berust altijd op het effectieve monopolie op superieure fysieke geweldsmiddelen.[41]
Zo fungeerde het absolutisme als een gehergroepeerd en geherprogrammeerd apparaat van de feodale gezags- en klassenverhoudingen. Het was met name ontworpen om de boeren met geweld terug te dringen in hun traditionele sociale en politieke afhankelijkheidspositie ondanks en tegenover het voordeel die zij hadden behaald door de verzachting van de schulden. De absolutistische staat fungeerde niet als arbiter tussen de aristocratie en de bourgeoisie en was zeker ook geen instrument van de opkomende bourgeoisie tegenover de aristocratie zij was veeleer het nieuwe politieke schild van de bedreigde adel.
Dit specifieke klassenkarakter van de absolutistische staten werd onder andere door Perry Anderson [1974:18 e.v.] uitvoerig geanalyseerd. Het politieke regime van de absolute monarch was een nieuwe politieke vorm die nodig was om de feodale heerschappij en exploitatie te handhaven in een periode waarin de wareneconomie zich begon te ontwikkelen. De absolute monarchie was een andere vorm van feodale monarchie dan de daaraan voorafgaande feodale-landgoed-monarchie.
In burgerlijke klassenformaties doet zich onder bepaalde condities een vergelijkbare verharding van de staatsmacht voor. Dit gebeurt met name in situaties waarin een labiel krachtsevenwicht bestaat tussen de politiek gemobiliseerde sociale klassen en tegelijkertijd geen der betrokken klassemachten in staat is hun centrale doelstellingen te realiseren. Iets te simpel gezegd gaat het om politieke conjuncturen
Het machtsvacuüm dat door de geblokkeerde krachtsverhouding tussen de maatschappelijke hoofdklassen en hun bondgenoten ontstaat, wordt door militaire en fascistische dictaturen op specifieke wijze ingevuld: de gewapende staatsapparaten verzelfstandigen zich in vergaande mate ten opzichte van de burgerlijke maatschappij, democratische controles op de staatsmacht worden systematisch afgebroken of uitgehold, de oppositionele politieke en syndicale organisaties van emancipatiebewegingen worden vernietigd, verboden of onder curatele gesteld en de werkende massa wordt onder dreiging of met toepassing van grof geweld weer in het gelid geschopt.[43]
Superieur fysiek geweld is niet alleen een doorslaggevend mechanisme om vigerende uitbuitings- en klassenverhoudingen in stand te houden, maar ook om ze te veranderen.
De kwestie van controle over relevante geweldsmiddelen is altijd van grote betekenis geweest voor politieke conflictorganisaties en leidingen van uitgebuite klassen die in hun vaandel een vergaande transformatie van de klassenstructuren hadden geschreven. Het speelt een belangrijke rol bij de inschatting van de politieke krachtsverhoudingen tussen de (organisaties van de) rivaliserende klassen en bij het ontwerpen van strategieën om deze verhoudingen te wijzingen.
Hervormende en revolutionaire klassenbewegingen die de kwestie van controle over geweldsapparaten van de staat negeerden of verkeerd beoordeelden, werden meestal op een uiterst hardhandige en bloedige wijze op dit falen geattendeerd. Of om een understatement van Aristoteles te gebruiken: men wordt eraan herinnerd dat een heersende klasse niet altijd humaan is.
De reproductie van klassenverhoudingen wordt in laatste instantie altijd mede met legaal en/of illegaal geweld gegarandeerd. Superieur fysiek geweld is daarom ook in laatste instantie het doorslaggevende mechanisme dat tot een omwenteling van de gegeven uitbuitings- en klassenverhoudingen kan leiden.
Een van de mogelijke consequenties hiervan is dat maatschappijhervormende bewegingen zodanig opereren dat zij directe confrontaties met de gewapende staatsmacht vermijden. Dit is de ratio van de strategie van de zichzelf beperkende revolutie zoals deze in Polen destijds door de woordvoerders van de democratische oppositie (zoals Mischnik en Kuron) werd bepleit. Met deze strategie kon weliswaar niet worden voorkomen dat in december 1981 generaal Jaruzelski de staat van beleg afkondigde en de syndicaal-politieke verzetsbeweging Solidariteit verboden werd, maar wél een interventie van het Sovjet-leger.[44]
3·5·1 Empirische legitimiteit
Klassenstructuren worden gereproduceerd door de empirische legitimiteit van de regels en ordeningen. Empirische legitimiteit komt tot stand door een zuiver waarderende of waardenrationele instemming met bestaande uitbuitingspraktijken en klassenrelaties en door handelingen die in overeenstemming zijn met ethisch of religieus gemotiveerde normen.
Legitimiteit is een mechanisme van handelingscoördinatie waardoor klassenstructuren door innerlijke overtuiging worden gegarandeerd. De continue reproductie van uitbuitings- en klassenverhoudingen berust dus niet alleen op uiterlijke belangen maar ook op normatieve instemming met de organisatieprincipes en regels waarop deze verhoudingen zijn gebaseerd. Omgekeerd geldt echter ook dat de bewuste en als zodanig beoogde delegitimatie van klassenverhoudingen een beslissend mechanisme is voor hun hervormende of revolutionaire transformatie.
De hoogste graad van sociale stabilisatie en garantie van klassenverhoudingen wordt bereikt wanneer deze feitelijk als legitiem worden ervaren en op de een of andere wijze als rechtvaardig gedefinieerd. In de mate dat de bestaande exploitatie- en klassenverhoudingen daadwerkelijk als legitiem of rechtvaardig worden geaccepteerd, worden zij innerlijk gegarandeerd: op grond van ethisch of religieus geïnspireerde waarderende overtuigingen wordt er bewust mee ingestemd.[45]
Zodra uitbuitingspraktijken en klassenverhoudingen als zodanig worden ervaren en bekritiseerd, wordt geprobeerd om ze te legitimeren. De klassenrelaties worden voorgesteld als rechtvaardig, als door God gewild, als natuurlijk, als een betreurenswaardig maar onvermijdelijk en functioneel gegeven, of nog banaler: als goed voor de economie. In de mate waarin negatief geprivilegieerde klassen instemmen met deze legitimatielegendes en waarin deze waardeoordelen feitelijk relevant zijn voor hun handelen, zijn deze klassenverhoudingen ultrastabiel.
Een essentiële functie van de ideologie van een heersende klasse is om zichzelf en degenen die zij exploiteert en domineert een coherent wereldbeeld voor te schotelen dat voldoende flexibel, omvattend en bemiddelend is om subalterne klassen te overtuigen van de rechtvaardigheid van haar hegemonie. Heersende klassen zijn er vaak in geslaagd dit doel te bereiken. Dit geldt niet alleen voor de aristocraten van het slavensysteem [Ste. Croix 1983: 409 e.v.] en voor de feodale heren in de middeleeuwen [Hilton 1975:16], maar ook voor de ondernemersklasse in de burgerlijke maatschappij [Bendix 1956].
3·5·2 Drie verklaringen van legitimatieprocessen
Legitimatieprocessen kunnen zowel sociaal-historisch, sociaal-structureel als antropologisch worden benaderd.
De doorbreking van de egalitaire mechanismen van de archaïsche klasseloze samenlevingen zonder staat was alleen maar mogelijk door een transformatie van het oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn. Om deze transformatie te bewerkstelligen, moesten legendes worden geconstrueerd die niet alleen het ontstaan, maar vooral ook de continuering en systematisering van asymmetrische en exploitatieve verhoudingen konden legitimeren.
Op het niveau van de alledaagse politieke talen hebben referenties aan oorspronkelijke gelijkheidsverhoudingen waarschijnlijk altijd al een grote rol gespeeld. We zien dit met name bij referenties aan de relaties tussen werkenden en niet-werkenden. Al sinds de 14e eeuw werd dit thema op rebelse wijze aan de orde gesteld in de populaire retorische vraag: Toen Adam delfde en Eva span, wie was toen de Edelman. In heel Europa werd deze vraag in diverse parafrasen opgeworpen.[46]. De engelse radicaal Richard Rumbold, die in 1685 zijn hoofd op het schavot moest leggen, sprak voor de bijl viel nog de volgens woorden:
In de gesystematiseerde religieuze, natuurrechtelijke en egalitaire kritieken op sociale ongelijkheden heeft de referentie aan de (door God of de Natuur gegeven) oorspronkelijke gelijkheid van alle mensen altijd een zeer prominente betekenis gehad. Dit is waarschijnlijk op de meest krachtige manier verwoord in Rousseaus hypothetische reconstructie van de geschiedenis, waarin een oorspronkelijke natuurlijke gelijkheid onder de mensen wordt verondersteld. Rousseau schetst een beeld van de natuurlijke mens als een solitair wezen, zonder taal of kennis, zonder behoefte om te werken, zonder gezin of moraliteit. Deze barbaarse tijden waren een gouden tijdperk, niet omdat de mensen verenigd waren, maar omdat zij gescheiden waren: iedereen was baas over zichzelf, niemand wilde een ander controleren. Zij konden elkaar aanvallen wanneer zij elkaar tegenkwamen, maar zij ontmoetten elkaar zelden.
De mens had niet de behoefte om iemand anders tot slaaf te maken en beschikte ook niet over de middelen om dit te bedenken of uit te voeren. Deze oorspronkelijke gelijkheid en vrijheid werd door wetenschap en cultuur in slavernij veranderd. De mens wordt vrij geboren, en overal ligt hij in ketenen... is de openingszin van Het maatschappelijk verdrag. Rousseau [1755/1983:91] verbindt het verlaten van de natuurlijke staat aan de opkomst van het privé-eigendom. Het kan nauwelijks scherper worden geformuleerd.
Historisch-antropologische studies over de (on)gelijkheid onder natuurvolken (primitieve volken) waren in de 18e en 19e eeuw een terugkerend thema in de politieke filosofie. Bij alle niet-geciviliseerde volken meende men zowel iets te vinden over de oorsprong van de ongelijkheid als over de mogelijkheden om bestaande ongelijkheden op te heffen, resp. de noodzaak ze juist in stand te houden.[47] |
Legitimatielegendes zijn een noodzakelijk onderdeel van alle geslaagde exploitatie- en sociale sluitingsstrategieën. Dit is met name het geval wanneer een klassenorde haar stabiliteit nog niet kan ontlenen aan belangencompromissen en aan duurzaam ingeslepen routines. De in meer of mindere mate gemythologiseerde herinnering aan de genese van een klassensysteem speelt meestal een cruciale rol bij de legitimatie (en delegitimatie) van haar bestaansrecht.
De sociaal-structurele benadering concentreert zich op de strategische samenhang tussen legitimatieprocessen en exploitatie- en gezagsverhoudingen. Legitimatie is een noodzakelijk onderdeel van uitbuitings- en sociale sluitingsstrategieën. Exploitatieve toeëigening impliceert per definitie de feitelijke macht om anderen uit te sluiten van het gebruik van essentiële maatschappelijke bronnen en levenskansen. De criteria op grond waarvan deze uitsluiting plaatsvindt, worden in officiële legitimatielegendes verwoord en gecodificeerd.
Veranderingen in klassenverhoudingen gaan daarom altijd gepaard met veranderingen in de legitimatieverhoudingen. Zodra het contrast in levenskansen dat door structureel asymmetrische uitbuitings- en heerschappijverhoudingen wordt gegenereerd subjectief wordt ervaren, ontstaat er een specifieke behoefte aan legitimatie.
In legitimaties van kapitalistische klassenverhoudingen speelt de mythe van de oorspronkelijke accumulatie een belangrijke rol. De kern van deze mythe is dat de ondernemers hun beginkapitaal verworven zouden hebben door besparingen op de producten van hun eigen arbeid. Het ontstaan van het kapitalisme wordt dus verklaard door een gecultiveerde herinnering aan een beginperiode waarin de (toekomstige) kapitalist door zijn persoonlijke arbeid en spaarzaamheid de voorwaarden schept om meerarbeid van anderen toe te eigenen.
In het verlengde daarvan ligt de mythe van de self-made man, een apotheose van het moderne ondernemersideaal.
De self-made man was de ideale (of geïdealiseerde) ondernemer: de man zonder enig aanvangskapitaal, eigendom of patronage, zonder opleiding (anders dan door zelfopvoeding) en zonder enig privilege (anders dan zijn aangeboren talent), die door eigen initiatief en karaktersterkte zijn weg baande naar rijkdom, macht en prestige. Het was een reële mythe die voldoende in de werkelijkheid verankerd was om haar aannemelijk te maken, terwijl zij als een sociologische verklaring van de ondernemers als klasse duidelijk fictief bleef.[48]
Een quasi-antropologische verklaring vertrekt vanuit het door Max Weber geformuleerde uitgangspunt dat de behoefte aan legitimiteit is geworteld in zeer algemene innerlijke constellaties van de mens.
Een gelukkig mens is tegenover de minder gelukkigen nooit tevreden met zijn feitelijke geluk, maar wil ook nog het recht op zijn geluk.[49] Mensen proberen zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat zij hun geluk hebben verdiend, zoals de minder gelukkige zijn pech moet hebben verdiend.[50]
Iedereen kan uit zijn eigen dagelijkse ervaringen opmaken dat er een psychische comfortbehoefte aan legitimiteit van het geluk bestaat en hoe deze werkt [Weber WG:299]. Men hoeft zich slechts een hypothetische situatie voor te stellen waarin twee mensen een contrasterend noodlot hebben wat betreft gezondheid, economische positie of sociaal aanzien: de geprivilegieerde heeft de aanhoudende behoefte het voor hem gunstige contrast als legitiem voor te stellen en zijn situatie als door hemzelf verdiend op te vatten. De situatie van de negatief geprivilegieerde wordt voorgesteld als eigen schuld.[51]
Deze antropologische premisse is als heuristisch principe een nuchter uitgangspunt voor empirisch legitimiteitsonderzoek.
Een antropologische of sociaal-psychologische benadering hoeven niet ten koste te gaan van een sociaal-historische of een sociaal-structurele benadering. Het gaat erom deze drie perspectieven op een creatieve en zinvolle wijze met elkaar te combineren.
Leden van exploiterende en heersende klassen claimen dat hun klassenprivileges, -rechten en eigendommen legitiem zijn en articuleren deze legitimiteitsaanspraken in legitimatielegendes. Deze legitimatieaanspraken en -legendes betekenen echter nog niet dat de bestaande uitbuitings- en klassenverhoudingen ook in empirisch of sociaal opzicht gelegitimeerd zijn.
Empirische legitimiteit is uitsluitend het gevolg van het feit dat mensen daadwerkelijk waardenrationeel (op basis van bepaalde ethische normen) geloof hechten aan de rechtvaardigheid van het vigerende klassenstelsel. Voor de analyse van de legitimiteitsverhoudingen heeft dit minstens twee belangrijke implicaties.
3·5·3 Legitimatielegendes en legitimiteitsgeloof
Voor de rechtvaardiging van uitbuitings- en klassenverhoudingen werden in de loop van de geschiedenis een reeks uiteenlopende legitimatielegendes geconstrueerd. Er zijn nog weinig serieuze aanzetten gegeven voor een gedifferentieerde en empirisch vruchtbare typologie van deze legitimatielegendes.
Het is ook lastig om een typologie presenteren waarin recht worden gedaan aan de enorme diversiteit en complexiteit van de historisch relevante legimatielegendes met betrekking tot uitbuitings- en klassenverhoudingen.
Klassenspecifieke legitimatielegendes bevaten altijd een specifieke rechtvaardiging van uitbuitings- en heerschappijverhoudingen en van de (verbeelde of werkelijke) criteria die ertoe leiden dat sommige individuen of groepen in staat zijn om anderen uit te buiten en te overheersen.
Legitimatielegendes kunnen daarom getypeerd worden naar de criteria waaarop mensen worden uitgesluiten van controle over maatschappelijk relevante bronnen en van posities die exploitatie mogelijk maken.
Vanuit deze optiek maak ik een onderscheid tussen de volgende legitimatielegendes:
Alle waarden die in deze concurrerende maar vaak ook gecombineerde legitimatie-aanspraken worden geformuleerd, hebben met elkaar gemeen dat zij in tegenspraak zijn met de morele universaliseringsregel. Zij drukken direct of indirect, bewust of onbewust belangen uit die niet veralgemeend kunnen worden. Legitimatielegendes zijn politieke articulaties van de particuliere belangen van positief geprivilegieerde klassen.
3·5·4 Historisch en sociologisch onderzoek
Historisch en sociologisch onderzoek naar het legitimiteitsgeloof van subalterne klassen staat nog in een aantal opzichten in de kinderschoenen.[55]
In klassenmaatschappijen is het zeer waarschijnlijk dat er discrepanties ontstaan tussen de waarden die in een legitimiteitsaanspraken worden geformuleerd en de waarden die in het feitelijke legitimiteitsgeloof zijn geïmpliceerd. Mensen hoeven zich van deze discrepantie niet bewust te zijn; zij worden zich hiervan meestal pas bewust tijdens openlijke conflictsituaties. Bovendien is het in klassenmaatschappijen meer dan waarschijnlijk dat er concurrerende laatste waarden bestaan of in ieder geval tegenstrijdige interpretaties en concretiseringen van gemeenschappelijke ultieme waarden. Volledige consensus over fundamentele waarden is buitengewoon zeldzaam; voor zover er sprake is van consensus is deze meestal partieel.[58]
In sociologisch en historisch onderzoek gaat het er dus vooral om zicht te krijgen op het naast elkaar bestaan van de verschillende, elkaar tegensprekende morele ordeningen en waarden.
In de legitimatielegendes van de (woordvoerders van) heersende klassen worden diverse waarden geformuleerd, zoals individuele vrijheid, sociale gelijkheid, menselijke waardigheid, discipline, prestatie en efficiëntie. Deze waarden vormen een reservoir waaruit ook de leden van de uitgebuite klassen hun waarden selecteren.
Aan deze waarden kan echter een subjectief verkeerde, inadequate of bewust en polemisch andere, ja zelfs een tegengestelde betekenis worden gegeven. Het meest klassieke voorbeeld hiervan zijn de interpretaties van de waarden van de Bijbel.
|
In de nieuwe heilsleer wordt sterk de nadruk gelegd op gehoorzaamheid van Christelijke slaven ten opzichte van hun meesters. Slaven, weest uw heren naar het vlees gehoorzaam met vreze en beven, in eenvoud uws harten, als aan Christus [Brief van Paulus aan de Epheziërs 6.5]. Whatever the theologian may think of Christianitys claim to set free the soul of the slave, therefore, the historian cannot deny that it helped to rivet the shackles rather more firmly on his feet. It performed the same social function as the fashionable philosophies of the Graeco-Roman world, and perhaps with deeper effect: it made the slave both more content to endure his earthly lot, and more tractable and obedient [Ste. Croix 1983:420]. Wanneer Christenen de slavernij veroordeelden ging dit meestal gepaard met de stilzwijgende instemming dat slavernij van ongelovigen toelaatbaar was en zelfs prijzenswaardig wanneer dit leidde tot bekering. Tijdens de Middeleeuwen was er in ieder geval geen sprake van een principiële veroordeling van slavernij als institutie door Christenen. Het Christendom speelde een erg constructieve en legitimerende rol in de slavenhandel vanaf de 15e tot de 28e eeuw [Ste. Croix 1983:424]. |
Christelijke waarden zijn niet alleen legitimatiekansen, maar ook delegitimatiekansen. Het christelijke geloof en de christelijke waarden bevatten elementen van een klassengebonden ideologie die fungeert als een legitimatie van zowel strijdbare als van onderdanige wereldbeelden. Religie heeft veeleer het karakter van een Janus-kop en levert zeker niet alleen morele en ideologische steun aan de status quo [Schoenfeld 1992].
Waardeninterpretaties zijn altijd afhankelijk van specifieke maatschappelijke contexten en van de klassenposities van degenen die deze interpretaties geven. In het empirisch onderzoek naar de legitimiteit van klassensystemen zijn de verschillende en in de regel rivaliserende interpretaties relevant en niet zozeer een vermeende oorspronkelijke betekenis van teksten of legitimatielegendes zelf [Bader/Benschop 1988:293].
Legitimatielegendes worden gearticuleerd in (gesystematiseerde en allesomvatende) symbolische universa, maar ook in veldspecifieke politieke talen, in rudimentaire alledaagse theorieën en met name in alledaagse politieke talen.
De legitimatielegendes die door (woordvoerders van) positief geprivilegieerde klassen worden geconstrueerd, gestileerd en gepropageerd, worden door de leden van subalterne klassen zelden in hun oorspronkelijke betekenis geaccepteerd, maar veeleer in de gemodificeerde en gecodificeerde vorm van alledaagse uitdrukkingen, zegswijzen, fabels en common sense.
Legitimaties waar mensen daadwerkelijk mee instemmen, articuleren zij meer of minster systematisch in abstracte vertogen maar ook in hun alledaagse en deels onbewuste of voorbewuste taalgebruik.
|
|
De legitimiteit van klassenverhoudingen is nooit absoluut en universeel. Aan de legitimaties van uitbuitings- en klassenverhoudingen wordt altijd slechts binnen bepaalde categorieën klassenactoren werkelijk geloof gehecht. In legitimiteitsonderzoek moet worden nagegaan in welk opzicht er door wie, door hoeveel mensen en in welke mate feitelijk waarderend wordt ingestemd met de in klassenverhoudingen geïmpliceerde sociale ongelijkheden, privileges, rechten, eigendommen en uitsluitingen.
Ook al houden de uitgebuitenen zich aan de regels en voorschriften die in een bepaalde klassenformatie gelden, dan is dit nog geen bewijs dat zij de geïnstitutionaliseerde normen ook als legitiem ervaren. Van legitimiteit is immers slechts sprake wanneer mensen waarderend instemmen met deze regels en voorschriften.
De legitimiteit van een klassenstelsel in de zin van normatieve instemming moet niet worden verward met traditionele acceptatie, met affectieve internalisatie of met een strategische calculatie. Het moet ook niet worden verward met het feit dat leden van geëxploiteerde klassen er zuiver cognitief en strategisch rekening mee houden dat anderen de klassenmaatschappij als legitiem beschouwen.
Zoals eerder opgemerkt, houdt ook de dief door het verheimelijken van zijn criminele handeling rekening met de geldigheid van de rechtsorde. Op dezelfde wijze kunnen klassenactoren rekening houden met de geldigheid van de regels van het klassensysteem door te verheimelijken dat zij daarmee normatief niet instemmen. Wanneer arbeiders een opdracht van hun baas opvolgen, betekent dit allerminst dat zij daarmee ook normatief instemmen. In de gegeven situatie zullen zij er nuchter rekening mee houden dat de bevoegdheid om dergelijke opdrachten te geven door vele anderen als legitiem wordt beschouwd. Bovendien maken zij natuurlijk altijd een rationele calculatie van de gevolgen van ongehoorzaamheid en volgen zij tot op zekere hoogte de normen van gehoorzaamheid aan legaal gezag.
De feitelijke handelingsoriëntaties van leden van subalterne klassen zijn in werkelijkheid altijd complexe mengvormen van deze analytisch onderscheiden handelingsoriëntaties. Daarom is ook de reproductie van klassenverhoudingen in werkelijkheid het resultaat van de gecombineerde werking van traditionele acceptatie, affectieve internalisatie, strategische calculatie en normatieve instemming.[60]
|
Er is al vaker opgemerkt dat subalterne klassen overwegend een wereldbeeld hebben dat een zekere acceptatie van de bestaande orde impliceert.[61] Voor deze acceptatie worden zeer uiteenlopende en allesbehalve neutrale termen gebruikt, zoals resignatie, fatalisme, instrumentalisme, pragmatisme, realisme en cynisme.
Al deze termen refereren aan een in subalterne klassen veel voorkomende specifieke houding ten opzichte van het klassensysteem waarin zij leven. Deze berustende houding komt tot stand door een calculerende reactie op asymmetrische verdelingen van maatschappelijke bronnen en beloningen, die weliswaar in sterke mate als onrechtvaardig worden ervaren, maar toch ook grotendeels als onveranderlijke facts of life worden geaccepteerd. Leden van subalterne klassen hebben vaak wel een vermoeden dat er alternatieven bestaan, maar leggen zich in de regel neer bij het feit dat zij zelf weinig of niets kunnen doen om deze alternatieven te helpen realiseren.
Het feit dat ook de subalterne klassen de bestaande klassenorde tot op zekere hoogte accepteren, is niet zozeer gebaseerd op consensus of instemming en heeft in de regel helemaal niets te maken met het (veronderstelde) bestaan van een gemeenschappelijke morele orde, maar is veeleer gebaseerd op specifieke vormen van berusting en routine.[62] In aansluiting bij Lockwood en Marshall zal ik voor de specifieke vorm van acceptatie van het klassensysteem door subalterne klassen de term fatalisme gebruiken.[63]
Fatalisme is een vorm van geïnternaliseerde sociale klassendwang die als een externe, onveranderlijke en onpersoonlijke levensvoorwaarde wordt ervaren.[64] Fatalisme is echter een kwestie van gradaties en kan bovendien zeer uiteenlopende vormen aannemen.
Het verschil tussen deze beide fatalistische houdingen is dus niet de feitelijke mate van onderdrukking of exploitatie, maar de relatieve betekenis die strategische dan wel ethische overwegingen spelen bij de subjectieve verwerking van de sociale klassendwang.
Strategisch geïnformeerd existentieel fatalisme impliceert een zeker geloof in de onveranderlijkheid van de klassenstructuren, maar niet noodzakelijk geloof in hun legitimiteit. In hoeverre dit laatste het geval is, is een empirische kwestie.
Of subalterne klassen hun posities als legitiem beschouwen in plaats van als simpel onveranderlijk, is in sterke mate afhankelijk van de vraag of het betreffende klassensysteem primair wordt gegarandeerd door geloof of door rituelen.
Het fatalisme dat is gebaseerd op een specifieke fatalistische ideologie, genereert een ethische verbondenheid en daarmee een specifieke (namelijk religieus gekleurde) vorm van normatieve instemming: een fatalistische ethos.
Dit ethische fatalisme moet duidelijk worden onderscheiden van het geritualiseerde fatalisme van de massas in maatschappijen waarin een grote afstand bestaat tussen de werkende klassen en de ideologische centra. Deze afstand kan zo groot zijn dat de denkbeelden die door de ideologische centra worden verspreid het gros van de werkende klassen niet bereikt, of afstuit op het wantrouwen in alles wat van boven af komt.
|
De houding van de arbeiders tegenover kerk en godsdienst nam echter zeer speciale vormen aan. In zijn historische studie naar de levenshouding en het maatschappijbeeld van de arbeidende klasse in het midden van de 19e eeuw geeft Giele hiervan de volgende typering.
Een deel van de ambachtslieden zocht aansluiting bij de religieuze sentimenten van de kleine burgerij (en met name bij de gereformeerde beweging van de kleine luyden). Bij de lagere volksklassen in het bijzonder de categorie van losse, ongeschoolde arbeiders had de religie een overwegend negatieve invloed. Dit gold in het bijzonder voor de orthodoxe predestinatieleer, waarvan een tijdgenoot in 1850 opmerkte dat de Friese landarbeiders hierdoor gemakkelijk vervallen tot een blind fatalisme en godsdienstige apathie [idem]. |
Ethisch fatalisme impliceert altijd een zekere normatieve instemming met een als onveranderlijk ervaren klassensysteem en wordt in de regel gearticuleerd in en gereproduceerd door een religieus getinte verlossingsideologie.[67]
Existentieel fatalisme is gebaseerd op een combinatie van traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en strategische calculatie, en impliceert niet noodzakelijk een normatieve instemming. Zoals uit het onderzoek van Marshall e.a. blijkt, kan met deze conceptie van een existentieel (primair strategisch gemotiveerd) fatalisme een typering worden gegeven van het maatschappelijke bewustzijn van de leden van geëxploiteerde klassen in hoogontwikkelde kapitalistische landen. Een dergelijke typering lokt natuurlijk veel amendementen uit en roept om nuancering. Dat neemt echter niet weg dat deze conceptie zelf een vruchtbaar heuristisch uitgangspunt vormt voor empirisch onderzoek naar het legitimiteitsgeloof van negatief geprivilegieerde klassen.
Exacte uitspraken over het feitelijke legitimiteitsgeloof van subalterne klassen zijn altijd moeilijk en soms onmogelijk. De reden hiervan is dat de betreffende informatiebronnen meestal zeer beperkt zijn en dat de geschreven documenten bijna altijd zijn opgesteld door (woordvoerders van) positief geprivilegieerde klassen.
|
Ginzburg [1976/83:13] merkt in dit verband op dat de gedachten, de geloofsvormen en de verwachtingen van de boeren en ambachtslieden uit het verleden ons bijna altijd bereiken (áls ze ons al bereiken) via vervormende filters en tussenpersonen. Zijn prachtige analyse van de lotgevallen van de ketterse Italiaanse molenaar Menocchio biedt een uniek inzicht in de wederzijdse beïnvloeding van een authentieke volkscultuur en de heersende religieuze cultuur. In de middeleeuwse werd de ideologie van heersers op de boeren overgedargen door eindeloze preken over de te verrichten plichten en over de te vermijden zonden [Hilton 1975:16]. |
Wanneer men beschikt over historische bronnen die indicaties bevatten over het feitelijke legitimiteitsgeloof van leden van subalterne klassen dan moet er bovendien altijd rekening worden gehouden met de reflexiviteit van verwachtingsstructuren. Bij de bespreking van de empirische indicaties over vormen van klassenbewustzijn heb ik er al op gewezen dat het niet eenvoudig is om bijvoorbeeld interviews zodanig te structureren dat resultaten geen simpele verdubbeling zijn van de heersende legitimiteitsopvattingen (en dus slechts artefacten van een gebrekkige methodologie).[68]
Of mensen werkelijk op normatieve gronden instemmen met het bestaande klassenstelsel is met interviews moeilijk te achterhalen. Leden van subalterne klassen vechten de legitimiteit van een klassenstructuur in het openbaar meestal niet aan en men kan niet veronderstellen dat dit verschil tussen on stage en off stage houding kleiner wordt of verdwijnt wanneer zij worden ondervraagd door enquêteurs die door sociale wetenschappers het veld in worden gestuurd. Legitimiteitsgeloof is altijd positiegebonden en contextafhankelijk. Bovendien is het geloof in de legitimiteit van een klassenmaatschappij niet zonder meer feitelijk relevant voor al het sociale en politieke handelen van de klassenactoren die dit geloof koesteren.
3·5·5 Strategieën van delegitimatie
Zoals legitimiteit van een klassenmaatschappij het mechanisme van haar innerlijke garantie is, zo is delegitimering een belangrijk mechanisme van haar ondergraving. Delegitimatie is een cruciale voorwaarde voor de hervormende of revolutionaire verandering van klassenstructuren. Legitimatieproblemen en legitimatiecrises ontstaan met name in situaties waarin zich relatief snelle veranderingen in de klassenstructuur voltrekken en waarin zich openlijke en heftige klassenconflicten voordoen.
Het geloof in de legitimiteit van een maatschappij is altijd gerelateerd aan de potentiële en actuele klassentegenstellingen en -conflicten. Voor de normale of alledaagse reproductie van klassenverhoudingen zijn in het algemeen stabiele zeden, solidariteiten en compromissen tussen klassenbelangen doorslaggevend en verdwijnt de uiterlijke garantie door recht en toepassing van geweld meer naar de achtergrond. In de dagelijkse routine van de klassenpraktijken komen legitimatieproblemen niet of slechts incidenteel en op een beperkte wijze aan de orde.
Dit patroon van reproductie- en garantiemechanismen verandert echter aanzienlijk wanneer zich ingrijpende wijzigingen van de klassenverhoudingen aandienen en het enorme conflictpotentieel, dat eigen is aan uitbuitingsverhoudingen, zich in de politieke arenas begint te manifesteren. In deze buitengewone, ingrijpende conflictsituaties kunnen ook de heersende legitimaties van het klassensysteem als zodanig aan de orde worden gesteld en een centraal thema vormen van het politieke debat.
In gestabiliseerde en genormaliseerde klassenstructuren treden de mechanismen op de voorgrond die verantwoordelijk zijn voor hun continue reproductie en hun langzame, vaak onopgemerkte transformatie. De dominante mechanismen van handelingscoördinatie in alledaagse of normale situaties zijn de door opvoeding en socialisatie getransmitteerde tradities en gewoontes in combinatie met de stomme dwang van de economische verhoudingen [Marx MEW 23:765].
In buitengewone of crisissituaties, waarin het labiele evenwicht in de krachtsverhoudingen tussen de klassen is verbroken, neemt daarentegen de betekenis van geweld en legitimiteit toe [Bader/Benschop 1988:274]. Perioden van verhitte klassenbotsingen zijn culminatiepunten van politiek klassenhandelen die ingrijpende sociaal-economische structuurveranderingen (klassenrevoluties) tot gevolg kunnen hebben. De oorzaken die leiden tot een meer of minder snelle verandering van een klassenstructuur zijn dus niet noodzakelijkerwijze identiek met die van haar normale reproductie.
Zolang er ongelijkheden tussen klassen bestaan, is daar kritiek op uitgeoefend. Het gelijkheidsbeginsel is minstens even oud als de sociale ongelijkheid en ouder dan de legendes die het ontstaan en voortbestaan van klassenstelsels rechtvaardigden.[69]
Als normatief uitgangspunt heeft het gelijkheidsbeginsel altijd een rebels element bevat omdat het een contra-feitelijk beginsel is: het staat altijd in meer of minder schril contrast met de feitelijke ongelijkheden die in klassenformaties bestaan. Daarom is het niet alleen een kritisch, maar ook een activerend beginsel: het nodigt uit om de verhoudingen die ermee in strijd zijn te veranderen. Het kan zich zelfs tot revolutionair beginsel ontpoppen wanneer het door leden of organisaties van subalterne klassen wordt gebruikt om klassenbarrières af te breken die de realisatie van een gelijke vrijheid voor iedereen verhinderen.
De waarden die in het sociale gelijkheidsbeginsel zijn vervat, hebben in de werkende en uitgebuite klassen een relatief grote erkenning gevonden. In de mate dat deze waarden door de leden van subalterne klassen worden erkend en als richtsnoer wordt genomen voor hun gezamenlijke handelen, kunnen zij een actieve drijfkracht worden. Wanneer grote delen van de subalterne klassen de maatschappij waarin zij leven als onrechtvaardig gaan ervaren, kan daaruit een legitimatiecrisis van de bestaande klassenorde ontstaan.[70]
De minimalisering of afschaffing van klassenongelijkheden is ook in hoogontwikkelde burgerlijke maatschappijformaties een centraal waardeprobleem en een machtig moreel imperatief. Het gelijkheidsbeginsel is een van de peilers van de normatieve opvattingen over rechtvaardigheid. Naast vrijheid en solidariteit is het gelijkheidsbeginsel een hoeksteen van elke enigszins gepreciseerde rechtvaardigheidstheorie.[71]
Noten hoofdstuk XVI |
|---|
1 Zie voor een uitvoerige interpretatie van Gramcis staatsopvatting: Buci-Glucksmann [1975] en voor een beknopte weergave van zijn hegemonieconceptie: Van den Brink [1978]. Het begrip civiele maatschappij wordt gereconstrueerd door Kebir [1991].
2 Zie voor een meer algemene kritiek op deze benaderingen: Bader/Benschop [1988:265 e.v.], Bader [1991]. Habermas [1981] is een duidelijke representant van deze benadering. Zie voor een compacte kritiek op de vooronderstellingen en politieke consequenties van zijn model: Bader [1983].
3 Ik zal hier geen uitvoerig overzicht geven van de verschillende verklaringspogingen en theoretische benaderingen. Ter compensatie verwijs ik naar de overigens stuk voor stuk beperkte theorie-historische overzichten van Fahlbeck [1922], Hernnstadt [1965], Dahrendorf [1966], Wiehn [1974], Therborn [1982], Calvert [1982], Bolte/Hradil [1984].
4 Klassieke vertegenwoordigers van deze stroming zijn Saint-Simon (1760-1825), Thierry (1795-1856), Gumplowics [1902], Oppenheimer [1923] en de uitvoerig door Friedrich Engels bekritiseerde Dühring. Een meer recente vertegenwoordiger van deze stroming is Andreski [1968]. Hij beschouwt fysiek en militair geweld als de oorsprong van klassenongelijkheid én als permanente grondslag van haar reproductie. In zijn visie zijn de variaties in de omvang van klassenongelijkheid een direct gevolg van verschillen in de military participation ratio (MPR). Daaronder verstaat hij het deel van de volwassen bevolking van een maatschappij dat militair is gemobiliseerd. Zijn simplistische stelling luidt: hoe groter het aantal mensen dat wapens draagt, des te democratischer is de maatschappij; hoe minder mensen militaire training en uitrusting hebben, des te sterker is een samenleving gestratificeerd. Gelukkig zijn er ook minder reductionistische benaderingen waarin terecht de nodige nadruk wordt gelegd op de betekenis van geweldsverhoudingen. Behalve in de inmiddels klassieke werken van Marx, Engels, Weber en Elias treft men dergelijke genuanceerde benaderingen ook aan in de studies van Howard, McNeill en Anderson.
5 Rousseau [1755] en Godwin [1793] zijn hiervan de klassieke vertegenwoordigers. In Rousseaus hypothetische reconstructie van het ontstaan van de maatschappelijke ongelijkheid speelt de vestiging van eigendomsverhoudingen de hoofdrol. Maar ook Aristoteles realiseerde zich dat het vooral eigendom of gebrek aan eigendom was dat de burgers verdeelde in rijk en arm: euporoi en aporoi [Politiek, 1291(b) 7-8]. Vgl. Ste. Croix [1983:77].
6 Marx en Engels zijn hiervan de klassieke vertegenwoordigers. Praktisch alle marxistisch georiënteerde economen, sociologen, antropologen en historici stellen deze factor centraal. In de vorm van de surplus-gedachte speelt deze factor ook een belangrijke rol in bepaalde varianten van de ruiltheorie en van de conflicttheorie [Lenski 1968,1970].
7 Klassieke vertegenwoordigers van deze stroming zijn Spencer [1876:504 e.v.], Schmoller [1890], Bücher [1893], Durkheim [1960], Svalastoga [1965], Hegener [1976], en recent: Luhmann [1975a, 1985]. De belangrijkste kenmerken van en kritieken op deze benadering zijn al eerder geschetst in hft. IV, § 1·2.
8 In de normatieve of culturele verklaringsaanzetten wordt het ontstaan van klassenongelijkheid verklaard vanuit de noodzaak om maatschappelijke normen te sanctioneren. De bekende vertegenwoordigers van dit verklaringsmodel zijn Parsons, Aberle, Davis, Levy, Barber, maar ook Dahrendorf.
9 Bij de verklaringen van het ontstaan van uitbuitings- en klassenverhoudingen kan een onderscheid worden gemaakt tussen modellen waarin exogene dan wel endogene factoren primair worden gesteld. In exogene modellen wordt het ontstaan van klassenstructuren verklaard door van buiten komende factoren (zoals verovering of ecologische factoren); endogene modellen gaan ervan uit dat klassen ontstaan vanuit de eigen reproductievereisten van soevereine eenheden.
Exogene verklaringen hoeven zich overigens niet noodzakelijkerwijze te concentreren op geweld van buiten (van andere stammen, volkeren of naties), terwijl endogene verklaringen niet altijd vreedzaam hoeven te zijn.
De wisselwerking tussen endogene en exogene factoren wordt onder andere behandeld door Anderson [1974:416,420] in zijn analyse van de verschillen tussen de overgang van feodalisme naar kapitalisme in West-Europa en in Japan. Het onderscheid tussen endogene en exogene factoren is theorie-afhankelijk. In de marxistische theorietraditie worden bijvoorbeeld productiekrachten wel als endogeen aan het sociale systeem opgevat en klimaat niet [Wright/Levine/Sober 1992:56 e.v.].
10 Het feit dat deze verklaringsfactoren toch telkens weer scherp tegenover elkaar worden gesteld, heeft slechts gedeeltelijk te maken met de enorme complexiteit van de problemen die er in de vraag naar de oorsprong schuil gaat. Discussie over de primaire oorzaken van klassenongelijkheid is niet alleen wetenschapsinhoudelijk gemotiveerd, maar werd vanaf het begin sterk beïnvloed en gekleurd door intellectuele en politieke rivaliteiten.
11 Zie voor feministische interpretaties van deze stelling: McDonough/Harrison [1979], Reiter [1975,1977], Aaby [1977], Delmar [1976], Moore [1988].
12 In discussies over de verklaring van multicausale processen gaat het enerzijds om de juiste benoeming van het object van verklaring (bijv. ontstaan, bestaan dan wel transformatie van klassenverhoudingen), anderzijds om de afbakening van de verklarende oorzaken en van hun effecten. De moeilijkheden bij de specificatie van verklarende variabelen worden besproken door Wright/Levine/Sober [1992:134 e.v.].
13 Dit geldt natuurlijk niet alleen voor het ontstaan van kapitalistische klassenverhoudingen. Superieur geweld was een doorslaggevende factor voor het ontstaan van zeer uiteenlopende nieuwe uitbuitings- en klassenverhoudingen. Dit geldt bijvoorbeeld voor de koloniale oorlogen van de Griekse stadsstaten, de veroveringsveldtochten van het Imperium Romanum, de verovering van geciviliseerde hoogculturen door nomaden via de rooftochten van de feodale ridders, de gewelddadige onteigening van de boeren door de ridders van de industrie tot aan het kapitalistische kolonialisme en imperialisme en de afpersingspraktijken van de diverse moderne maffias [Bader/Benschop 1988:56].
14 In hft. VI, § 5·3·3 werden drie historische trajecten geschetst van de overgang van segmentaire maatschappijen zonder staat naar klassenmaatschappijen.
15 Zie hft. III, § 1·2 en de relativering in hft X, § 5 - noot 79.
16 De alocatieve ongelijkheden werden eerder besproken in IV, § 1·3.
17 Mechanismen van handelingscoördinatie wordt als synoniem gebruikt voor geobjectiveerde verwachtingsstructuren die geconstitueerd worden in en door het feitelijke sociale handelen.
18 De basisgedachte die aan het onderscheid tussen deze mechanismen ten grondslag ligt, werd uitgewerkt door Bader [1981,1989]. Zie voor een meer algemene analyse van de reproductie en transformatie van sociale ongelijkheden: Bader/Benschop [1988: hft. X]. De centrale noties uit deze analyses worden hier gespecificeerd voor klassenverhoudingen.
19 Niet alleen de overgang tussen gebruiken/gewoontes en zeden, maar ook die tussen zeden en conventies is in werkelijkheid natuurlijk uitermate vloeiend. De eerste overgang is per definitie vloeiend omdat hier strikt genomen alleen de tijdsfactor een rol speelt: klassenspecifieke gewoontes en gebruiken worden klassenzeden wanneer zij worden verduurzaamd. Het is onmogelijk algemene uitspraken te doen over de vraag hoelang een specifiek gebruik gebruikelijk moet zijn om een zede te worden. De overgang tussen zeden en conventies is eveneens vloeiend, omdat hier het al dan niet normerende karakter van de regels waarop men zich oriënteert, het onderscheidende kenmerk is. Hoe normerend moet een handelingsregel zijn, wil deze als een conventie worden aangemerkt? (Of omgekeerd: hoelang moet een conventionele regel bestaan voordat deze tot klassenspecifieke zede wordt?). Het feit dat geen exacte meetlat bestaat waarmee dergelijke analytische onderscheidingen met harde cijfers empirisch kunnen worden gedemonstreerd, heeft (en hoeft) niemand ervan (te) weerhouden controleerbare uitspraken te doen over de aard en werking van specifieke gewoontes en zeden.
20 Vgl. Weber [WG:16]. In deze op klassenverhoudingen toegesneden definities van gewoontes en zeden klinken natuurlijk onmiskenbaar de algemene definities van Max Weber door.
21 Mensen kunnen zich ook affectief, normatief of zuiver strategisch kunnen oriënteren op het (veronderstelde) bestaan van gewoontes en zeden. Wanneer deze oriëntaties empirisch dominant worden, gaan gewoontes en zeden over in solidariteit, legitimiteit of in klassenbelangen [Bader 1989:311]. Klassenverhoudingen die daarop gebaseerd zijn, verliezen hierdoor echter juist de niet geringe extra stabiliteit die meestal met traditionele oriëntaties en ingeslepen routines is verbonden.
22 Vgl. Calhoun [1983].
23 Onder stabiliserende klassencompromissen versta ik compromissen die gericht zijn tegen een fundamentele verandering van klassenverhoudingen.
24 Solidariteit wordt hier gedefinieerd als een specifieke geobjectiveerde verwachtingsstructuur die louter en alleen geconstitueerd wordt door gevoelsmatige of affectieve oriëntaties. Bader [1989] wijst erop dat wanneer dit mechanisme van handelingscoördinatie eenmaal bestaat, men zich daarop ook anders dan affectief kan oriënteren: men kan zich ook op een traditionele, normatieve of strategische wijze op het bestaan van solidariteit oriënteren. Solidariteit komt hierdoor echter niet tot stand en klassenstructuren die daarop berusten, verliezen het surplus aan stabiliteit dat meestal het resultaat is van affectieve oriëntaties en solidaire (vriendschappelijke, kameraadschappelijke) bindingen.
25 Nader onderzoek naar deze conflictueuze samenhang tussen niveaus van handelingsintegratie en niveaus van collectief handelen is gewenst. Zie: Bourdieu [1989:315], Bader [1991:117 e.v.], Fantasia [1988].
Ook in slavenhoudersmaatschappijen werd de onderlinge solidariteit tussen slaven gebroken door hun binding aan hun heer. Genovese [1974/5:578-660 - Roll Jordan Roll] laat zien hoe Amerikaanse slaven gestimuleerd werden om zichzelf tot op zekere hoogte aan te passen aan het systeem dat hen exploiteert. Slaven die er gezinnen mochten stichten werden aan een van de meest harde vormen van controle door meesters onderworpen: de dreiging van het opsplitsen van hun gezinnen. The break-up of the family is the most effective of alle treats against its members [Ste. Croix 1983:148]. De kinderen van slaven waren hun gijzelaars voor goed gedrag. De heersende slavenhoudersklasse probeerde de slaven die zij exploiteerden ervan te overtuigen dat zij hun onderdrukte situatie zonder protest moesten accepteren en indien mogelijk hier zelf behagen in moesten scheppen. Dat is de betekenis van master-loving (philodespotos). De meest bekende moderne vorm daarvan is het likken naar boven en trappen naar beneden.
27 Door de verbetering van de inhoudelijke en methodische strategieën en technieken van opinie- en attitudeonderzoek is het inmiddels wel mogelijk geworden een aantal van deze verschuivingen beter in kaart te brengen. Een nog nauwelijks onderzochte vraag is in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een toenemende zelfreflexieve omgang met solidariteitsbelevingen.
28 Onder strategisch gemotiveerde handelingen versta ik handelingen die het resultaat zijn van een meer of minder rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes.
29 Vgl. Bader/Benschop [1988:267], Bader [1991:135].
30 Vgl. Bader/Benschop [1988:270]. De vooronderstelling van een transformationele klassenanalyse is niet dat de belangen van arbeiders en kapitalisten monolitisch zijn gepolariseerd. De acceptatie van de bestaande klassenverhoudingen door arbeiders is gedeeltelijk gebaseerd op strategische overwegingen en zeker niet alleen op acceptatie van burgerlijke normen en misleiding. Onder normale omstandigheden, waarin klassenbelangen niet sterk zijn gepolitiseerd, hebben arbeiders een positief belang bij de rentabiliteit en overleving van het bedrijf waarvoor zij werken. Vgl. Burawoy/Wright [1990:256] in aansluiting bij Przworski [1985].
31 Klassenbelangen worden empirisch geconstitueerd door louter strategische oriëntaties en hierdoor gemotiveerde handelingen. Men kan zich echter ook op traditionele, affectieve of waarderationele wijze oriënteren op het bestaan van (tegengestelde) belangen. Van een traditionele oriëntatie op klassenbelangen is sprake wanneer de oriëntatie op het eigen klassenbelang tot een zodanige gewoonte is geworden, dat deze niet meer spoort met het actuele klassenbelang. Een ondernemer kan bijvoorbeeld de van oudsher ingeslepen afkeer van tegenspraak zo ver drijven, dat hij elke vorm van twijfel en kritiek als een aanval op zijn eigen gezagspositie opvat en dienovereenkomstig reageert. Omgekeerd kan een arbeider zo star vasthouden aan zijn van oudere klassengenoten overgenomen argwaan tegen technische vernieuwingen dat elke innovatie bij voorbaat wordt beschouwd als een aanslag op zijn belangenpositie. Van een affectieve oriëntatie op klassenbelangen is sprake wanneer de oriëntatie op het eigen klassenbelang zo sterk is verinnerlijkt, dat men in conflictsituaties geen strategische calculaties meer denkt nodig te hebben om de juiste keuzes te kunnen maken en volledig afgaat op het gevoelde eigenbelang. Van een waarderationele of normatieve oriëntatie op klassenbelangen is sprake wanneer het eigen klassenbelang dominant wordt gedefinieerd in termen van specifiek particularistische of collectivistische normen.
32 De conventionele en wettelijke normeringen die direct relevant zijn voor de reproductie van de klassenverhoudingen zijn natuurlijk niet beperkt tot deze beide aspecten (eigendomsrecht en erfrecht).
33 Deze vorm van garantie wordt uiterlijk genoemd omdat men niet in de legitimiteit van de conventies of rechtsregels hoeft te geloven om rekening te houden met de maatschappelijke geldigheid ervan. Ook een dief houdt er rekening mee dat de strafwet geldig is. Deze erkenning van de geldigheid van de eigendoms- en strafwetten komt tot uiting in het feit dat de dief zijn criminele praktijken zoveel mogelijk probeert te verheimelijken. Dit rekening houden met betekent niet dat de dief normatief hoeft in te stemmen met deze eigendomsregels.
34 In werkelijkheid worden sociale sancties zeer vaak gecombineerd met juridisch gelegaliseerde of getolereerde fysieke sancties. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de wijze waarop de uitbuitingsverhoudingen in het oude India werden gegarandeerd. De boeren werden collectief uitgebuit middels de zware belastingen die de centrale staat aan de dorpsgemeenschappen oplegde; binnen hun dorpen werden zij geëxploiteerd door dorpshoofden die door de centrale staat werden benoemd. Terwijl de uitbuiting ván dorpen (via een zware belastingheffing van de staat) werd gesanctioneerd door militaire kracht, werd de uitbuiting bínnen dorpen primair gegarandeerd door het kastenstelsel en zijn religieuze sancties. Vgl. Maddison [1971:27], Anderson [1973:489].
35 Dergelijke processen zijn in de sociaal-historische literatuur uitgebreid beschreven en bijv. door Bertolucci uitermate boeiend verfilmd in Novecento.
36 Vgl. Weber [WG:583], J. C. Scott [1976].
37 Zie eerder hft. IX, § 2·2. Vgl. Thompson [1971], Bridges [1986].
38 In alle tot nu toe onderzochte industrialisatieprocessen zien we vergelijkbare processen optreden. Degenen die de industrialisatie proberen te stimuleren, maken voor eigen doeleinden gebruik van de traditionele onderschikking van de arbeiders, maar verwerpen in theorie en praktijk de traditionele verplichtingen van de heersende klassen. Voor de vroege fase van de industrialisatie in Engeland en Rusland is dit uitvoerig gedemonstreerd door Bendix [1956].
39 Hier wordt geen ethisch rechtsbegrip gehanteerd maar een kritisch sociaal-wetenschappelijk rechtsbegrip. Dit rechtsbegrip staat als zodanig los van de vraag naar de empirische legitimiteit van rechtsnormen. Hiervoor bestaan twee goede argumenten. (i) De empirische legitimiteit van rechtsnormen altijd een graduele kwestie. De in rechtsregels vervatte normen gelden empirisch gezien alleen maar voor zover er feitelijk in overeenstemming met de subjectief bedoelde zin van rechtsregels wordt gehandeld [vgl. Weber WG:17; WL:444 e.v.]. (ii) Ook de rechtsnormen die in parlementair-democratische rechtsstaten voor empirisch legitiem doorgaan, staan op een aantal punten op gespannen voet met de normen van een democratische ethiek. De empirische legitimiteit van rechtsnormen is dus slechts één, in meer of minder mate relevante grondslag van de rechtsgelding. Recht is dus niet eenvoudig legitiem, ze is dat niet empirisch en ook niet in de zin van ethische theorieën [Bader/Benschop 1988:271].
41 Klassenverhoudingen worden uiteraard niet alleen door legaal geweld gegarandeerd, maar ook door illegaal geweld. In eerste instantie is niet de legaliteit of illegaliteit van geweldsdreiging of -toepassing van belang, maar het feitelijke gebruik van of de dreiging met fysiek geweld. Ook wanneer bijvoorbeeld een staking wettelijk gezien legaal is, dan fungeert het particuliere (niet-legale) geweld dat ondernemers gebruiken om deze staking te breken als feitelijke garantie voor de reproductie van de lokale, sectorale of zelfs nationale en internationale klassenverhoudingen.
42 Geweld is niet de enige garantie van uitbuitings- en klassenverhoudingen en is ook zeker niet de enige reden waarom er rechten bestaan die deze verhoudingen garanderen. Rechtsvormen kunnen immers tot op zekere hoogte ook traditioneel en affectief zijn gestabiliseerd, zij kunnen op gemeenschappelijke belangen berusten en zij kunnen door een grote groep mensen als legitiem worden gezien. In dit geval krijgen deze rechtsnormen een surplus aan traditionele, affectieve, utilitaire en waarderend instemmende stabiliteit. Het dreigen met of toepassen van fysiek geweld door een disciplinaire staf is dus niet de enige, maar wel de laatste en voor de juridische garantie specifieke dekkingsgarantie [Bader/Benschop [1988:271].
43 Zie in plaats van velen de analyses die Poulantzas [1970,1975] heeft gemaakt van het Duitse en Italiaanse fascisme en van de crisis van de dictaturen in Portugal, Griekenland en Spanje.
44 In Bonapartistisch socialisme? Stellingen over de gemilitariseerde partijdictatuur in Polen [Benschop 1982] heb ik dit fenomeen in detail geanalyseerd.
45 Ter illustratie: wanneer arbeiders elke dag op een bepaald tijdstip op hun werk verschijnen dan is dit niet alleen bepaald door hun specifieke belangenpositie en door ingeleefde gewoontes (arbeidsmoraal), maar ook doordat voor hen het arbeidscontract geldt als een gebod, waarvan de schending niet alleen nadelen met zich mee zou brengen, maar ook indruist tegen hun plichtsgevoel zij menen dat het onredelijk of onjuist zou zijn niet op tijd te komen.
46 Vgl. Ossowski [1957/72:40], Ginzburg [1976/89:129,251], Hiltion [1973:222 e.v.].
47 Vgl. Lakoff [1964], Lepenies [1971:62]. Zie voor kritische beschouwingen vanuit feministisch perspectief: Exler [1976], Lange [1979], Lloyd [1983].
48 In zijn reconstructie van de ondernemersideologieën heeft Bendix [1956] laten zien dat deze enerzijds gericht waren tegen de positie van de heersende aristocratie (actief kapitaal, openlijke concurrentie en de productieve ondernemers werden gecontrasteerd met passief eigendom, gesloten patronage en de luierende heren van stand), anderzijds op het overwinnen van de weerstanden van de gerecruteerde arbeiders tegen het op industriële basis georganiseerde exploitatie- en gezagssysteem.
49 Wherever enterprises are set up, a few command and many obey. The few, however, have seldom been satisfied to command without a higher justification even when they abjured all interests in ideas, and the many have seldom been docile enough not to provoke such justifications [Bendix 1956:1]. Bendix opent zijn monumentale studie over managementideologieën met een citaat van Rousseau, waarin dezelfde gedachte nog puntiger wordt geformuleerd: The strongest is never strong enough to be always master, unless he transforms his strength into right, and obedience into duty. We kunnen nog een paar stappen teruggaan tot Aristoteles. Net als de andere Griekse denkers ging hij ervan uit dat de klasse die aan de macht komt altijd heerst men een visie die in haar eigen voordeel is. Zij die een groter deel van de rijkdom hebben dan anderen zijn geneigd om zichzelf als absoluut superieur op te vatten [Aristoteles Politiek V.1:1301(a) 31-3].
50 De vooronderstelling is dat er een universele tendens bestaat to put the best possible face on ones actions [Scott 1985:185]. Ideologieën die uitbuitings- en onderdrukkingsverhoudingen legitimeren, hebben met elkaar gemeen dat zij toeëigening van vreemde arbeid en ondemocratische gezagsuitoefening in een gunstig daglicht proberen te stellen. De meest simpele vormen hiervan zijn (i) het ontkennen dat er sprake is van uitbuiting en onderdrukking (ii) de suggestie dat er alleen maar wordt geëxploiteerd en overheerst in het algemeen belang en dat dit mogelijk is omdat de subalterne klassen beseffen dat hun gehoorzaamheid uiteindelijk ook voor hen het meeste voordeel zal opleveren.
51 Vgl. Weber [WG:549,679; RS I:242]. Weber benadert het legitimiteitsprobleem niet primair vanuit een antropologisch of sociaal-psychologisch perspectief, maar vooral in samenhang met gezagsverhoudingen. Legitimatie is voor hem een noodzakelijk onderdeel van toeëigenings- en sociale sluitingsstrategieën. Weber gaat niet in op de relatie tussen deze sociaal-structurele grondslagen van legitimatieprocessen en de veronderstelde antropologische constante van de algemeen menselijke behoefte aan legitimatie. Daarom gaat hij ook niet in op de vraag onder welke specifieke sociaal-structurele voorwaarden deze psychische comfortbehoefte aan de legitimiteit van het geluk wordt gegenereerd. Ik betwijfel de vooronderstelling dat dit een universeel menselijke behoefte is die in alle bekende of denkbare samenlevingsverbanden een cruciale rol speelt of zal spelen (men zou er ook met Rousseau [1755/1983:47 e.v.,80,93] vanuit kunnen gaan dat het fundamentele verlangen naar zelfbehoud wordt getemperd door een minstens even fundamentele afkeer om zijn soortgenoten te zien lijden; dit medelijden is een minstens even universele menselijke deugd). Ook wanneer men om welke reden dan ook wil vasthouden aan deze vooronderstelling dan impliceert dit nog geen antwoord op de vraag welke concrete vormen deze behoefte aan legitimiteit van het geluk onder specifieke maatschappelijke voorwaarden kan aannemen, resp. welke relatie er bestaat tussen de bijzondere aard van het klassensysteem en het idioom waarin deze behoefte wordt gearticuleerd.
52 Als instrumenten van pedagogische opvoeding en politieke beheersing worden deze legitimatielegendes natuurlijk uiterst serieus behandeld. Het cruciale punt is echter dat men zelf geen gelovige hoeft te zijn om het ware geloof te kunnen verspreiden [Wolferen 1989:499]. Het strategisch koel doordachte instrumentele gebruik van het geloof door katholieke kerkleiders staat hiervoor model. De effectiviteit van de handhaving en consolidatie van de machtspositie van de katholieke kerk, staat waarschijnlijk in omgekeerd evenredige verhouding tot de mate waarin haar priesters zelf geloof hechten aan de door hen uitgedragen geloofsartikelen (voor het ontstaan van de kerk en voor perioden van grote expansie geldt dit waarschijnlijk in veel mindere mate). En hoeveel ondernemers zouden er werkelijk geloof hechten aan de stelling winst=werk?
53 Vgl. Bader [1989], Bader/Benschop [1988:272].
54 In biologistisch-aristocratische legendes worden exploitatie en heerschappij gerechtvaardigd door een verwijzing naar de natuurlijke superioriteit op grond van geboorte: van de edelheid van het blauwe bloed tot aan de seksistische en racistische superioriteitswaan. In de Westerse traditie kan Aristoteles worden beschouwd als de architect van deze legende. Hij spande zich in om de slavernij en de mannenheerschappij te legitimeren op grond van natuurlijke verschillen. Zijn uitgangspunt is dat bepaalde volken en individuen zijn geboren om te dienen, terwijl anderen tot heersen zijn geroepen.
De essentie van de stelling van Aristoteles is dat er een gepredestineerde harmonie bestaat tussen natuurlijke en sociale ongelijkheid. Zoals de menselijke soort een natuurlijke superioriteit heeft ten opzichte van de dieren, zo worden er ook verschillende soorten mensen geboren in verschillende kasten of standen met natuurlijke verschillen in vermogens, vaardigheden, aspiraties enz.
55 Bij de evaluatie van het empirisch onderzoek naar klassenbewustzijn en -identiteit in hft. I zijn al een aantal problemen aan de orde geweest die hier niet herhaald hoeven te worden.
56 Het lijkt daarom plausibel de legitimiteitstypen van elkaar te onderscheiden door na te gaan welke vormen van waarderationeel geloof of waarderende instemming er bestaan. Weber [WG:19-20, 124,154] classificeert de typen van legitimiteit op basis van de typische, subjectief geloofde, d.w.z. waarderationeel geaccepteerde geldingsoorzaken. Zijn typologie van legitimiteitsvormen vertrekt dus vanuit de vraag wat de aard is van de waarderationele instemming met een bepaalde ordening of systeem.
Deze typologie is echter aanvechtbaar. In zijn reconstructie van Webers legitimiteitsbegrip heeft Bader [1989:321 e.v.] een aantal interne inconsistenties van deze typologie aan het licht gebracht. Zijn stelling is dat Webers typen van legitimiteit in feite allemaal procedureel zijn. Zo kan bijvoorbeeld legale heerschappij heel goed worden gedifferentieerd in democratische, aristocratische, monocratische procedurele legitimiteit. Bovendien kunnen naast deze procedurele legitimiteitstypen ook andere, niet-procedurele legitimiteitstypen worden onderscheiden, zoals utilitaristische (individualistische, groepsspecifieke, sociaaleudemonistische), substantieel-ethische (bijv. pacifistische, ecologische), technocratische (efficiëntie als waarde) [idem: 334]. Zie voor een meer algemene bespreking van het verschil tussen procedurele en substantiële ethieken: Rawls [1971:25], Kymlicka [1990].
57 De elementen van een dominante ideologie worden meestal door geritualiseerde symbolen naar de massa toe vertaald en worden in variërende mate geïntegreerd met het volksgeloof. Vgl. ook Weber [WG:16 e.v.; WL 346,345,444].
58 Vgl. Bader/Benschop [1988:160 e.v.], Lockwood [1982:106]. Dit impliceert een scherpe afbakening ten opzichte van het normatieve functionalisme van Parsons, waarin waarden en geloof altijd als een geïntegreerd geheel worden behandeld wanneer het gaat om de motivatie van actoren.
59 Zie voor een analyse van de betekenis van carnaval in de volkscultuur: Bakhtin [1986], Stallybrass/White [1986]. Zie voor een analyse van de betekenis van pré-industriële carnavaleske tradities voor post-moderne culturen: Featherstone [1991:22,29,136]. Zie voor de werking van fabels in de klassieke oudheid: Ste. Croix [1983:444 e.v.].
60 Voor een nauwkeurige analyse van de mate waarin klassenverhoudingen door leden van subalterne klassen worden geaccepteerd (resp. voor een verklaring van de geringe freqentie en de verspreiding van verzet tegen exploitatiepraktijken) is het van belang dat men de vier genoemde elementen niet al te snel reduceert of aggregeert. Zo maakt Mann [1970:425] een onderscheid tussen pragmatische en normatieve acceptatie: bij pragmatische acceptatie schikken individuen zich naar de situatie omdat zij geen realistische alternatieven zien; bij normatieve acceptatie internaliseren individuen de morele verwachtingen van de heersende klasssen en beschouwen hun eigen inferieure positie als legitiem. Het probleem met deze tweedeling is dat de pragmatische acceptatie in werkelijkheid een combinatie is van drie verschillende mechanismen van handelingscoördinatie: traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en strategische calculatie.
61 Zie in plaats van velen: Goldthorpe e.a. [1969], Marshall e.a. [1988:143 e.v.].
62 Voor moderne kapitalistische klassenformaties lijkt dit in veel sterkere mate te gelden dan voor prekapitalistische klassenformaties. Deze stelling is echter zeer moeilijk te toetsen. In ieder geval wordt in een aantal empirische studies geconcludeerd dat in de burgerlijke maatschappijformatie van tegenwoordig geen morele orde bestaat en dat de sociale cohesie van deze formatie meer op berusting en routine is gebaseerd dan op consensus en instemming [Marshall e.a. 1988:143].
63 De term fatalisme werd al eerder gebruikt in hft. I, § 2·3·3, om een aanduiding te geven van een specifiek maatschappijbeeld: de maatschappij als dichotomie van boven en onder. In de huidige context van de legitimatieproblematiek heeft de term een bredere betekenis. Ik deel overigens niet de door Marshall e.a. gekoesterde illusie dat de term fatalisme politiek neutraler zou zijn dan bijvoorbeeld de term pragmatisme.
64 In aansluiting op Durkheim maakt Lockwood [1982:103; vgl. 1992] een onderscheid tussen fysiek en moreel despotisme. Fysiek despotisme is een vorm van directe persoonlijke dwang zoals deze bijvoorbeeld wordt uitgeoefend om mensen in gevangenissen of concentratiekampen in het gareel te houden. Moreel despotisme is een vorm van onpersoonlijke sociale dwang die werkt doordat zij door de overheerste individuen zelf wordt verinnerlijkt.
Voor het ontstaan van een fatalistische houding is niet zozeer de mate van onderdrukking en uitbuiting bepalend, maar veeleer het feit dat de klassendwang als een externe levensvoorwaarde wordt ervaren die niet substantieel kan worden veranderd.
In samenlevingen waarin de samenhang tussen de oorzaken en de gevolgen van de klassenpositie niet transparant is gestructureerd, bestaat er slechts een kleine kans dat de subalterne klassen een hervormend of revolutionair klassenbewustzijn ontwikkelen en tot gemeenschappelijk politiek klassenhandelen komen zelfs al bestaan er nog zulke extreme verschillen in de levensomstandigheden van de diverse sociale klassen [Weber WG:533; vert. 87]. Wanneer de bepaaldheid door en de gevolgen van de klassenpositie niet duidelijk herkenbaar zijn, wordt het contrast in levenskansen veeleer als een gegeven ervaren, als een klassenlot dat geaccepteerd moet worden. Onder deze omstandigheden wordt het specifieke klassenlot niet of nauwelijks ervaren als iets dat voortvloeit uit de bestaande eigendomsverhoudingen of uit de specifieke aard van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen, resp. van het economische systeem.
65 Lockwood gebruikt hiervoor de term conditioneel fatalisme. Hij benadrukt dat deze conceptie van fatalisme niet berust op de vooronderstellingen van de consensus- of de conflicttheorie en haaks staat op de premissen van het normatieve functionalisme. Er wordt immers geen gemeenschappelijk waardensysteem of een morele consensus verondersteld. In het normatieve functionalisme wordt sociale integratie uitsluitend geanalyseerd als een resultaat van een proces waarin actoren waarden internaliseren; de conformiteit van actoren met geïnstitutionaliseerde normen wordt primair en hoofdzakelijk opgevat als de uitkomst van deze acceptatie van waarden die rolverwachtingen legitimeren. Vgl. Lockwood [1982:104].
66 De meeste auteurs sluiten aan bij de Webers analyse van het ethisch fatalisme in India en van de betekenis van de hindoeïstische karma-doctrine. Vgl. Dumont [1963], Béteille [1965,1969], Srinivas [1966], en het overzicht van Lockwood [1982]. Een centraal thema in deze studies is de samenhang tussen ethisch fatalisme (de radicale ontkenning van wereldlijke verlossing) en de geringe frequentie en verspreiding van het verzet tegen het kastenstelsel.
67 Dit is het centrale thema van studies over de specifieke klassenreligiositeit van negatief geprivilegieerde klassen, standen en sociale lagen. De aspiraties van de subalterne klassen kunnen op zeer uiteenlopende manieren religieus worden gearticuleerd. In de bij Weber [WG:285-314] aansluitende godsdienstsociologie worden deze articulaties zowel inhoudelijk als structureel gethematiseerd.
68 Zie hft. I, § 2 voor de problemen van het empirische bewustzijnsonderzoek en hft. IX, § 2·2·2 voor de gevolgen van de institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen. Vgl. ook Bader/Benschop [1988:158 e.v,] over de verwachtingen omtrent de verwachtingen van anderen.
69 Al vóór Aristoles waren er protesten geweest tegen de hypothese van de natuurlijke slavernij en zelfs tegen de vooronderstelling dat barbaren van nature inferieur zouden zijn aan Grielen. De Oude en waarschijnlijk ook de Midden Stoa verwierp de theorie van de natuurlijke slavernij. De gehelleniseerde Joodse filosoof Philo van Alexandrië (20 v.Chr.40 n. Chr.) schreef dat slavernij niet alleen onnatuurlijk is, maar zelfs tegennatuurlijk (para physin). Hij klaagt de slavenhouders aan vanwege het onrechtmatig vernietigen van de gelijkheid (isot&etilde;s) en het goddeloos schenden van de grondregel van de natuur [Ste. Croix 1983:417, 422, 442 e.v.].
70 Vgl. Moore [1978], Brinton [1983].
71 In strategieën die erop gericht zijn het bestaande klassenstelsel te delegitimeren, worden meestal zeer uiteenlopende vormen van kritiek en genres van utopisch denken met elkaar gecombineerd. Ook in oude en nieuwe delegitimatiestrategieën van de arbeidersbeweging zijn meestal heterogene elementen met elkaar vervlochten. Naast egalitair, meritocratisch en democratisch geïnspireerde kritieken treft men ook elementen aan van bijvoorbeeld metafysische, religieuze, natuurrechtelijke kritiekgenres.
  |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]()
dr. Albert Benschop |