Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 3 Structurering van klassenhandelen: van klassenposities naar politieke actoren

XIII. Handelingsoriëntaties en klassenbewustzijn

  1. Stelling en afbakening
  2. Handelingsoriëntaties en klassenbewustzijn
  3. Typologie van handelingsoriëntaties
    3·1 Vier typen handelingsoriëntaties 3·2 Empirische combinaties en mengvormen
    3·3 Theoriestrategische voordelen
    3·4 Strategisch handelen en klassenbelang
  4. Ervaring en klassenbewustzijn
    4·1 Het mechanisme van mystificatie
    4·2 Mystificatievormen
    4·3 Georg Lukács: klassenbewustzijn als hypthetische constructie?
    4·4 Edward Thompson: een geniale model-culturalist? 4·5 Wright: klassenbewustzijn als bewustzijn van klassenbelangen?
  5. Graden en typen van klassenbewustzijn
    5·1 Praktisch en discursief klassenbewustzijn
    5·2 Klassenidentiteit, hervormend en revolutionair klassenbewustzijn
  6. Klassenindentiteiten in beweging

Figuren
13_1: Handelingsoriëntaties - typen van klassenbewustzijn en -handelen
13_2: Mystificatiemechanismen

Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Stelling en afbakening

Klassen worden pas actuele conflictgroepen of collectieve actoren wanneer zij niet alleen een eigen klassenspecifieke habitus en levensstijl, maar ook een collectieve identiteit, een klassenbewustzijn ontwikkelen. Politiek klassenhandelen en sociale bewegingen op klassenbasis kunnen ontstaan wanneer de leden van een sociale klasse gemeenschappelijke handelingsoriëntaties en een zekere mate van klassenbewustzijn hebben ontwikkeld.

Sociaal georganiseerde klassen, klassenspecifieke habitus en levensstijlen vormen de grondslag voor het ontstaan van collectieve handelingsoriëntaties en klassenbewustzijn; zij leggen de grenzen vast waarbinnen specifieke handelingsoriëntaties en vormen van klassenbewustzijn kunnen variëren en bepalen hiervan tevens de waarschijnlijke uitkomsten.

De op deze wijze gestructureerde handelingsoriëntaties en typen van klassenbewustzijn omvatten niet alleen strategische, maar ook traditionele, affectieve en normatieve oriëntaties op de klassenpositie, de habitus en levensstijl van de eigen klasse en die van andere klassen.

Collectieve actoren en sociale bewegingen op klassenbasis veronderstellen altijd een zekere mate aan gemeenschappelijkheid in definities van de eigen belangen en die van de klassetegenstanders, van na te streven doelen en programma’s voor verandering, en van handelingsstrategie en tactiek.

Hierbij zou men ook benaderingen kunnen rangschikken waarin de problematiek van het klassenbewustzijn niet meer als factor wordt opgenomen bij de theoretische reconstructie van de mechanismen van handelingsstructurering, maar volledig wordt verschoven naar empirisch-historisch onderzoek. Dit lijkt bijvoorbeeld de strekking van het betoog van Van Dijk [1984:305,336].
Deze stelling impliceert enerzijds een afbakening ten opzichte van objectivistische benaderingen waarin geen of onvoldoende aandacht wordt besteed aan de eigen betekenis die handelingsoriëntaties en bewustzijnsvormen hebben voor de structurering van klassenhandelen. In deze benaderingen wordt meestal een simpele correspondentie tussen klassenpositie en actuele patronen van klassenbewustzijn verondersteld.

Anderzijds kan men zich met deze stelling wapenen ten opzichte van benaderingen waarin eenzijdig de nadruk wordt gelegd op één bepaald type handelingsoriëntatie en bewustzijn. Deze eenzijdigheid manifesteert zich vooral in rationalistische benaderingen waarin klassenbewustzijn wordt gereduceerd tot rationeel inzicht in de eigen klassenbelangen (de reductie van klassenbewustzijn tot strategisch bewustzijn in de marxistische traditie en de utilitaristische ‘logic of collective action’), maar ook in culturalistische of normativistische benaderingen waarin klassenbewustzijn wordt vastgepind op traditionele solidariteitsbindingen en affectieve loyaliteiten, of op normatieve zelf- of vijandbeelden.

Index2. Handelingsoriëntaties en klassenbewustzijn

Het inmiddels bekende algemene uitgangspunt van deze studie is dat klassenhandelen een op meerdere niveaus gestructureerd fenomeen is, Bij de theoretische reconstructie van de structurering van klassenhandelen moeten de afzonderlijke niveaus zo nauwkeurig mogelijk worden geïdentificeerd en hun onderlinge samenhang en wisselwerking worden bepaald.

De leidende gedachte in dit hoofdstuk is dat de subjectieve handelingsoriëntaties en het klassenbewustzijn niet alleen worden gestructureerd door de objectieve klassenpositie, maar ook door de klassenspecifieke habitus en levensstijlen, alsmede door de maatschappelijk dominante en oppositionele (cognitieve en normatieve) duidingspatronen.

Deze structurering legt de feitelijke handelingsoriëntatie en vormen van klassenbewustzijn niet deterministisch vast, maar bepaalt wel de grenzen waarbinnen zij kunnen variëren en binnen deze grenzen ook de structurele waarschijnlijkheid dat bij bepaalde klassen specifieke (combinaties van) handelingsoriëntaties en typen van klassenbewustzijn ontstaan.

Onder bepaalde voorwaarden is het bovendien waarschijnlijk dat er binnen deze speelruimte klassenoriëntaties en vormen van klassenactie ontstaan die de reproductie van de veronderstelde klassenstructuur in gevaar brengen of transformeren.

Er bestaat dus geen rechtstreeks verband tussen klassenpositie en klassenbewustzijn. Individuen die in de klassenstructuur een identieke positie innemen, hebben daarom niet noodzakelijk eenzelfde klassenbewustzijn. Het enige dat men hypothetisch kan veronderstellen, is dat de kans dat deze individuen vormen van klassenbewustzijn hebben die in overeenstemming zijn met de objectieve belangen die aan deze klassenpositie zijn verbonden groter is dan voor bezetters van andere klassenposities.

Index3. Typologie van handelingsoriëntaties

3·1 Vier typen handelingsoriëntaties
Voor een empirische analyse van klassenbewustzijn is het van belang dat daarbij verschillende typen handelingsoriëntaties en vormen van klassenbewustzijn in het geding zijn.
De algemene typologie die in Bader/Benschop [1988:70] en met name Bader [1989, 1991:70 e.v.,117 e.v.] is uitgewerkt, wordt hier voor de klassenproblematiek gespecificeerd.
Om de klassenspecifieke handelingsoriëntaties zo zuiver mogelijk te identificeren, maak ik van een inmiddels goed beargumenteerde algemene indeling in vier typen handelingsoriëntaties.

Ik preciseer deze algemene typologie voor klassenspecifieke handelingsoriëntaties, en werk dit heuristische model verder uit voor vier typen van klassenbewustzijn en van klassenhandelen onderscheiden. In het volgende schema zijn deze onderscheidingen samengevat.

Figuur 13_1: Handelingsoriëntaties — typen van klassenbewustzijn en -handelen

Oriëntatie van klassenhandelen Type klassenbewustzijn Type klassenhandelen
Affectieve oriëntatie Solidair klassenbewustzijn
Gemeenschaps- en saamhorigheidsgevoel.
Expressief handelen
Identificatie met leiders, symbolen en tekens, expressieve acties.
Traditionele oriëntatie Historisch klassenbewustzijn
Gedeelde zeden en gewoontes.
Traditioneel handelen
Gestandaardiseerde praktijken van onderdrukking & verzet, van herdenking, van dagelijkse omgang.
Normatieve oriëntatie Moreel klassenbewustzijn
Gedeelde waardepatronen en waarderingen; ethieken en utopieën.
Normatief handelen
Overtuigen & moraliseren, legitimeren & delegitimeren.
Strategische oriëntatie Strategisch klassenbewustzijn
Gedeelde belangen en belangendefinities; belangenverschillen, -tegenstellingen en -contradicties.
Strategisch handelen
Praktijken van belangenbehartiging.

3·1·1 Affectieve oriëntaties
Affectieve oriëntaties constitueren expressieve vormen van klassenbewustzijn en -handelen. Men kan zich bijvoorbeeld gevoelsmatig oriënteren op de solidariteit van een klassengemeenschap of de collegialiteit van een arbeidscollectief: “ik doe mee aan deze staking omdat ik mij verbonden voel met mijn collega’s”.

Gevoelsmatige oriëntaties zijn de grondslag voor gemeenschaps- of saamhorigheidsgevoelens.[5] Ik zal deze emotionele dimensie van klassenidentiteit solidair klassenbewustzijn noemen.

Solidair klassenbewustzijn uit zich in expressieve vormen van klassenhandelen:

*Mechanismen van handelingscoördinatie zijn geobjec-tiveerde verwachtingsstructuren die corresponderen met de ideaaltypisch onderscheiden subjectieve handelings-oriëntaties. In hoofdstuk XVI wordt nader onderzocht hoe deze transformatie van ‘subjectief bedoelde zin van het handelen’ naar ‘geobjectiveerde betekenis- en verwachtings-structuren’ tot stand komt.
Het ideaaltypisch met de affectieve handelingsoriëntaties en handelingen corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie* is solidariteit. Affectief gemotiveerd klassenhandelen en klassenbewustzijn worden gecoördineerd door klassensolidariteit.

Saamhorigheidsgevoel van een gemeenschap
Gemeenschaps- en saamhorigheidsgevoelens zijn nooit louter affectief gemotiveerd, maar zijn in de regel ook altijd traditioneel en strategisch gemotiveerd. In sociaal-historische studies worden meestal bijzondere conglomeraten van affectieve en traditionele handelingsoriëntaties geanalyseerd. Dit samengestelde karakter van gemeenschapsstichtende saamhorigheidsgevoelens wordt in sociologische studies vaak niet nader gedifferentieerd.

De combinatie van affectieve en traditionele handelingsmotieven speelt een cruciale rol in Weber’s definities van gemeenschappelijk handelen en van gemeenschap. In zijn terminologie wordt een sociale relatie immers een gemeenschap genoemd wanneer en voorzover de instelling van het sociale handelen berust op subjectief gevoelde (affectuele of traditionele) saamhorigheid van de deelnemers. Zie eerder hoofdstuk XI, § 4·4.

3·1·2 Traditionele oriëntaties
Traditionele oriëntaties constitueren traditioneel klassenbewustzijn en -handelen. Men kan zich bijvoorbeeld traditioneel oriënteren op de specifieke zeden en gewoonten die in de loop van de geschiedenis van de eigen klasse zijn ontstaan: “ik doe mee aan deze staking omdat ik dat áltijd gedaan heb, net als mijn vader”.

Vanwege de oriëntatie op klassenspecifieke zeden zou men in dit verband ook van zedelijk klassenbewustzijn kunnen spreken. In § 3·2 wordt uitgelegd waarom dat minder verstandig is.
De traditionele dimensie van klassenidentiteit kan als traditioneel of historisch klassen-bewustzijn worden omschreven.

Historisch klassenbewustzijn uit zich in traditionele vormen van klassenhandelen:

Traditionele oriëntaties moeten niet worden verward met reflexieve oriëntaties op tradities, zoals deze tot uiting komen in herdenkingen van grote nederlagen of vieringen van grote overwinningen (revolutieherdenkingen, 1 mei-vieringen), in de viering van geboorte- of sterfjaar van grote leiders of intellectuelen of in de koestering en cultivering van historische legendes. Een oriëntatie op ‘geschiedenis’ is niet per definitie ‘traditioneel’, ook al steunen zij op het respect voor historische gebeurtenissen of persoonlijkheden.

Het ideaaltypisch met traditionele handelingsoriëntaties en handelingen corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is zede en gewoonte. Traditioneel gemotiveerd klassenhandelen en -bewustzijn worden gecoördineerd door klassenspecifieke zeden en gewoontes.

3·1·3 Waarderationele of normatieve oriëntaties
Waarderationele of normatieve oriëntaties constitueren een ethisch of moreel klassenbewustzijn en motiveren normatief klassenhandelen. Men kan zich bijvoorbeeld normatief oriënteren op klassenspecifieke of universalistische — humanitaire, communautaire, internationalistische, democratische, anti-discriminerende etcetera — ethieken: “ik doe mee aan deze staking omdat ik de huidige toestand onrechtvaardig vind en streef naar democratische arbeidsverhoudingen”.

Normatieve oriëntaties vormen de grondslag voor gedeelde waardepatronen en waarderingen en in het bijzonder voor gedeelde rechtvaardigheidsnormen. De normatieve dimensies van een klassenidentiteit kunnen als ethisch of moreel klassenbewustzijn worden omschreven [zie excursie: Moreel bewustzijn en morele sentimenten].

Moreel klassenbewustzijn omvat het geheel van klassenspecifieke zedelijkheden en deugden. Het omvat meer of minder universele of universaliseerbare ethieken waarmee de leden van een klasse of klassenfractie sympathiseren (klassengebonden moraal of universele voorkeursmoraal van een klasse) alsmede hun normatieve utopieën. Het omvat dus niet alleen de gedeelde normatieve maatstaven van kritiek op het bestaande, maar ook de moreel gelegitimeerde visies op een betere, rechtvaardiger toekomstige maatschappij.

Moreel klassenbewustzijn uit zich in normatieve vormen van klassenhandelen:

Het ideaaltypisch met normatieve handelingsoriëntaties corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is legitimiteit. Normatief klassenhandelen en -bewustzijn worden gecoördineerd door klassenspecifieke utopiën en legitimatielegendes.

3·1·4 Strategische oriëntaties
Strategische oriëntaties constitueren strategisch (‘doelbewuste) klassenbewustzijn en motiveren strategisch klassenhandelen. Onder strategisch klassenhandelen wordt hier verstaan: klassenhandelen dat gericht is op het realiseren van eigen doelen die als particuliere doelen in tegenstelling staan tot de doelen van anderen. Deze doelen worden gedefinieerd als tegenstrijdige belangen. Men kan zich bijvoorbeeld strategisch oriënteren op de eigen klassenspecifieke belangen tegenover die van andere klassen: “ik doe mee aan deze staking omdat ik die poen hard nodig heb en de grote bazen al genoeg over onze ruggen hebben verdiend”.

Strategische oriëntaties vormen de grondslag voor gedeelde belangen en belangendefinities. Het geheel van klassenspecifieke belangendefinities kan als strategisch klassenbewustzijn worden omschreven.

Strategisch klassenbewustzijn omvat zowel definities van eigen klassenbelangen als die van andere klassen en klassenfracties, en het omvat dus per definitie ook vergelijkingen, dat wil zeggen definities van verschillen, tegenstellingen of tegenspraken tussen klassenbelangen of belangen van klassenfracties.

Strategisch klassenbewustzijn komt tot uiting in strategische vormen van klassenhandelen: in alle praktijken die gericht zijn op het realiseren van belangen die specifiek zijn voor de betreffende klasse of klassenfractie.

Het ideaaltypisch met deze handelingsoriëntatie corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is klassenbelang [→ hoofdstuk XVI, § 3·3]. In § 3·4 ga ik uitvoeriger in op de afbakening van het begrip strategisch handelen en op terminologische varianten van het begrip klassenbelang.

Index


3·2 Empirische combinaties en mengvormen
Natuurlijk moet ook deze typologie niet worden opgevat als een indeling van empirisch van elkaar afgebakende handelingsoriëntaties of specifieke vormen van klassenbewustzijn. Feitelijk zijn alle handelingsoriëntaties en vormen van klassenbewustzijn immers complexe mengvormen van deze analytisch onderscheiden typen. Men kan dus aan een staking deelnemen omdat men hiervoor álle eerder genoemde redenen tegelijkertijd heeft.

Bovendien bestaat er ook geen simpel rechtlijnig verband tussen de typen van handelingsoriëntatie en de daarmee (typologisch) corresponderende mechanismen van handelingscoördinatie. Men kan zich dus niet alleen strategisch oriënteren op belangen, maar ook op specifieke tradities en gewoontes, op specifieke vormen van solidariteit, collegialiteit en loyaliteit, op specifieke normen of ethische waarden [Bader 1989]. Of concreter geformuleerd:

Omgekeerd kan men zich ook primaire gevoelsmatig oriënteren:

Vergelijkbare problemen doen zich voor bij de analyse van de vormen van klassenbewustzijn. Ik heb er al eerder op gewezen dat men bijvoorbeeld het traditionele klassenbewustzijn ook een zedelijk klassenbewustzijn zou kunnen noemen — traditioneel klassenhandelen en -bewustzijn worden immers gecoördineerd door klassenspecifieke zeden en gewoontes. Ik zal dat hier niet doen. Ten eerste worden zowel in het alledaagse als wetenschappelijke taalgebruik juist de normatieve aspecten van collectieve identiteit meestal aangeduid als zedelijk bewustzijn. Bovendien wordt onder zedelijk bewustzijn meestal een combinatie verstaan van gevoelsmatige, traditionele en normatieve/morele dimensies van maatschappelijk bewustzijn.

Deze empirische samensmelting van gevoelsmatige, traditionele en normatieve elementen kan het beste geïllustreerd worden aan de hand van een van de meest uitvoerig bestudeerde onderwerpen in de sociaal-historische literatuur: de rol die overgeërfde preindustriële, voorkapitalistische tradities speelden bij de eerste vormen van verzet tegen het opkomende industriële kapitalisme. Dit verzet werd vooral gedragen door ambachtslieden in de steden en een grote verscheidenheid van arbeiders in de manufactuur. De invoeging in de nieuwe kapitalistische orde met zijn fabrieksdiscipline en kille accumulatiezucht werd door hen vooral als een bedreiging ervaren — als een kwetsing van het diepst van hun gehabitualiseerde gevoelsleven, als een aantasting van hun traditionele levenswijze en als krenking van hun voorkapitalistische zeden en moraal.

Het vaak radicale en heftige verzet tegen de destructieve effecten van de industrialisatie werd vooral georganiseerd vanuit de traditionele woon- en leefgemeenschappen. Toen rond 1865 in Nederland de georganiseerde arbeidersbeweging ontstond en de typografen aan hun patroons om een loonsverhoging verzochten, reageerden zij in eerste instantie op de achteruitgang in hun levenspositie en -perspectieven waarmee zij geconfronteerd werden. Hun gekrenkte vaktrots en traditionele standsbewustzijn speelden daarbij een belangrijke rol. Het idee dat elke stand recht had op een bepaald levenspatroon (’ieder zijn stand en naar zijn stand en daarin tevreden’) werd gebruuskeerd. De typografen beschouwden dit als “een aanranding van de waardigheid van de werkman” [Van Tijn 1988:51].

De uiterst moeizame overgang van het oude standsbewustzijn naar klassenbewustzijn werd niet alleen gestimuleerd door nieuwe klassenervaringen en door de socialistische interpretaties van deze ervaringen, maar kon — zoals Van Tijn terecht opmerkt — ook aanknopen bij een oud bewustzijnselement.

Dit demonstreert hoe sterk de verschillende handelingsmotivaties en bewustzijnsvormen in de praktijk met elkaar verweven zijn tot complexe en niet zelden intern tegenstrijdige mengvormen van klassenspecifieke oriëntaties, bewustzijnsvormen en verzetspraktijken. Als men deze samengestelde handelingsfiguraties analytisch wil ontsluiten, doet men er verstandig een heuristisch kader te gebruiken waarin de afzonderlijke handelingsmotivaties en bewustzijnsvormen scherp en zuiver zijn geformuleerd.

Moreel bewustzijn en morele sentimenten
In de marxistisch geïnspireerde socialistische traditie werd grotendeels voorbijgegaan aan de betekenis van morele en utopische bewustzijnsvormen [zie hoofdstuk II, § 1·2].

In de jaren tachtig van de 19e eeuw werd de hoofdstroom van het marxisme steeds meer theoretisch afgesloten tot een zich vernauwend ‘institutioneel of partij-marxisme’ [Harmsen 1968]. Er ontwikkelde zich een socialistische orthodoxie die de betekenis van moreel zelfbewustzijn miskende, ondanks of juist door het feit dat deze zichzelf legitimeerde met een beroep op ‘wetenschappelijkheid’.

Tegen deze achtergrond is het werk van William Morris, een laat-negentiende eeuwse Engelse socialist van belang. Morris was een originele socialistische denker met een grote sensibiliteit voor de betekenis van het morele (zelf)bewustzijn. Edward Thompson demonstreert in zijn prachtige biografie over Morris dat men veel van Morris kan leren als men geïnteresseerd is in de vraag wat de plaats en betekenis is van het morele en utopische bewustzijn in maatschappelijke veranderingen.

Marx zelf wordt door Thompson anders beoordeeld: “Marx, in his wrath and compassion, was a moralist in every stroke of his pen” [Thompson 1987:363].
Morris’ werk is complementair aan het marxisme. ‘Het geval Morris’ kan het beste worden beoordeeld tegen de achtergrond van het probleem van “the subordination of the imaginative utopian faculties within the later Marxist tradition: its lack of moral selfconsciousness or even a vocabulary of desire, its inability to project any images of the future, or even its tendency to fall back in lieu of these upon the Utilitarian’s earthly paradise — the maximisation of economic growth” [Thompson 1959/76: 792; vgl. p. 786}. Morris heeft daar een meer open heuristische discours tegenover gesteld. Zijn hele werk wordt gekenmerkt door “its open, speculative quality, and its detachment of the imagination from the demands of conceptual precision” [idem:790].

In het in 1976 geschreven nawoord bij de tweede uitgave van Thompsons’ boek wordt Morris niet meer afgeschilderd als een ‘revolutionaire marxist’, maar als een ‘communistische utopist’. Zijn grootheid ligt met name in zijn ‘moreel realisme’. Dat komt niet alleen tot uiting in het praktische morele voorbeeld van zijn leven, in de diepe morele inzichten van zijn politieke en artistieke teksten, maar ook in “the appeal to the moral consiousness as a vital agency of social change” [idem:717,721].

Geïnspireerd door Morris’ morele en politieke voorstellingsvermogen heeft Thompson zijn eigen visie verder uitgewerkt. Dat Thompson daarbij het morele bewustzijn zeer sterk koppelt aan gevoelens is niet aan de aandacht van zijn critici ontsnapt. Perry Anderson, die zijn opvattingen over utopie en moraliteit uitvoerig heeft bekritiseerd, merkt op dat Thompson steeds geneigd is om ‘waarden’ gelijk te stellen aan ‘gevoelens’ en deze af te zetten tegen ‘ideeën’.

In een aantal passages legt Thompson er inderdaad sterk de nadruk op dat waarden in laatste instantie gevoelens zijn: het zijn op praktische ervaringen gestoelde gevoelens die mensen binnen hun cultuur omzetten in normen en waarden (of in meer uitgewerkte vorm stileren tot een artistiek of religieus geloof). Het is dit gedeelte van de cultuur dat hij omschrijft als “affective and moral consciousness” [Thompson 1978:363]. Moraliteit is voor hem geen ‘autonome regio’ van menselijke wil en keuze en ontstaat niet onafhankelijk van het historische proces. Integendeel, “every contradiction is a conflict of value as well as a conflict of interest” en “inside every ‘need’ there is an affect, or ‘want’, on its way to becoming an ‘ought’ (and vice versa)” [idem].

Thompson werkt dus niet met een ‘zuiver’, dat wil zeggen van zedelijkheid afgebakend begrip van moraliteit, maar veeleer met de gemengde notie van ‘moral sentiments’. Moreel bewustzijn is weliswaar empirisch sterk verbonden met traditionele en affectieve oriëntaties en gevoelens, maar zou hiervan toch duidelijk analytisch moeten worden onderscheiden.

    “Moral awareness is not to be simply elided with affective sensation: it is always a matter of intellectual conviction as well. Without principles, passions have no ethical bearing. Values normally and necessarily rest on a delicate equilibrium of ‘ideas’ and ‘fealings’. Any unilateral extrapolation of them from one sphere or the other risks deformation of their nature” [Anderson 1980:164].

Voor deze problematiek zijn met name de analyses van Habermas van belang. Hij maakt een duidelijk —theoretisch en historisch geïnformeerd— onderscheid tussen moraliteit en zedelijkheid. Bovendien plaatst hij de verhouding tussen beide in een sociaal-historisch en politiek ontwikkelingsperspectief.

    “Die Moralität hat sich noch nicht von der Sittlichkeit einer fraglos eingelebten partikularen Lebensform gelöst, noch niet als Moralität verselbständigt. Die Pflichten sind derart in konkrete Lebensgewohnheiten eingelassen, daβ sie ihre Evidenz aus Hintergrundgewiβheiten beziehen können. Fragen der Gerechtigkeit stellen sich hier im Umkreis der immer schon beantworteten Fragen des guten Lebens” [Habermas 1984:178].
Habermas benadrukt dat een scherp begrip van moraliteit pas in de postconventionele ontwikkelingsfase geformuleerd kan worden[Habermas 1985/9:78-109;1988:40 e.v.]. De grote zwakte in Habermas is zijn onderschatting van de betekenis van ‘morele sentimenten’ ook voor het ontwerpen van morele theorieën. Op dit punt is Thompson’s ‘theory of moral sentiments’ veel sensibeler en aanzienlijk vruchtbaarder.

Index


3·3 Theoriestrategische voordelen
De typologie van handelingsoriëntaties zoals deze in schema 11 is samengevat, heeft een aantal theoriestrategische voordelen.

In de eerste plaats is zij gedifferentieerder dan de tweedelingen die ook in moderne klassenanalyses nog zo’n grote rol spelen: waarderationele versus doelrationele oriëntatie, normatieve versus strategische oriëntatie, consensuele oriëntatie versus resultaat-gerichtheid, die door Habermas werden samengevat in: communicatief versus strategisch handelen.

Ook de marxistische traditie is nogal geteisterd door dit soort dichotome denkmodellen. Het meest gangbaar in deze traditie is de dichotomie van geweld en culturele overtuiging. Dit gebeurt vaak in aansluiting bij Gramsci’s opvattingen over het dubbelkarakter van politiek handelen: ‘gewelddadige overheersing’ (dictatuur) en ‘morele en politieke leiding’ (hegemonie).

Deze verleidelijke, maar ook misleidende dichotomieën blokkeren het zicht op de meervoudigheid en complexiteit van handelingsoriëntaties en typen van klassenbewustzijn, en dus ook op het hierdoor gemotiveerde klassenhandelen.

In de tweede plaats biedt deze typologie de mogelijkheid om te ontsnappen aan de —in de marxistische traditie zo gebruikelijke— reductie van handelingsoriëntaties tot strategische of op belangen gerichte dimensies.

En tenslotte biedt deze typologie ook de mogelijkheid om te ontsnappen aan de —ook nog bij Wright duidelijk aanwezige— reductie van klassenbewustzijn tot bewustzijn van klassenbelangen.

Index


3·4 Strategisch handelen en klassenbelang
Het zal niemand ontgaan dat deze typologie verwantschap vertoont met de bekende handelingstypologie van Max Weber. Deze laatste kent echter een aantal dubbelzinnigheden en lacunes die overwonnen moeten worden [zie de kritische interpretaties van Prewo 1979; Schluchter 1979 en Bader 1989].

In de door Bader/Benschop ontworpen pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen werd een gemodificeerde handelingstypologie uitgewerkt waarin deze dubbelzinnigheden worden vermeden en een aantal lacunes —vooral wat betreft de samenhang tussen typen van handelingsoriëntatie en mechanismen van handelingscoördinatie— opgevuld [Bader/Benschop 1988:69-70,265-74,299; Bader 1991:69-71,124-126,133-4].

De motivering van deze typologie van handelingsoriëntaties en handelingen hoeft hier niet herhaald te worden. Ik beperk me tot een paar korte toelichtingen op het begrip strategisch handelen.

  1. Strategisch handelen moet niet worden geïdentificeerd met doelgericht handelen. Doelgerichtheid is een veel bredere term en is niet alleen een kenmerk van strategisch handelen. Ook solidair, traditioneel en ethisch gemotiveerd handelen zijn immers gericht op doelrealisatie. De specifieke aard van de doelen van strategisch handelen worden niet gedekt door de bredere term doelrationaliteit en resultaatgerichtheid.

  2. Strategisch handelen is ook specifieker dan handelen dat gericht is op de realisatie van eigen doelen. Bij solidair, expressief en normatief handelen gaat het immers ook altijd om de realisatie van eigen doelen, ook al zijn deze nog zo onbaatzuchtig. Een echte solidariteitsstaking komt bijvoorbeeld alleen maar tot stand wanneer de potentiële actoren zélf het gevoel of de overtuiging hebben dat hun onbaatzuchtige inzet de moeite waard is, dat wil zeggen indien het tonen van solidariteit hun eigen doelstelling is.

  3. Het specifieke van strategische oriëntaties is dat het gaat om eigen particuliere doelen die in tegenstelling staan tot de doelen van anderen. Bij strategisch handelen gaat het dus altijd om particuliere doelen die als tegenstrijdige belangen worden gezien. Particuliere doelen zijn gericht op optimaliseren of maximeren van eigen voordeel of nut. Dit particularisme van de doelen van strategisch handelen moet niet worden gereduceerd tot zijn beperkte burgerlijke varianten van egoïsme en privatisme [Bader 1991:133; 1989:309].

  4. Doelgerichtheid is een eigenschap van al het rationele handelen. Strategisch handelen moet echter niet worden gelijkgesteld met rationeel handelen. Strategisch handelen en strategische oriëntatie kunnen — in het ideaaltypische grensgeval — volledig rationeel zijn, maar zij vertonen in werkelijkheid verschillende graden van rationaliteit. Op grond van doelrationele overwegingen kan men zelfs besluiten om strategisch handelen te beperken en het najagen van eigen belangen te matigen, bijvoorbeeld omdat men niet verantwoordelijk wil zijn voor een conflictescalatie waarin álle partijen verliezen of ten onder gaan.

  5. Strategische oriëntaties en strategisch handelen kunnen — in het ideaaltypische grensgeval — volledig bewust zijn, maar zij vertonen in werkelijkheid zeer verschillende graden van bewustheid. Strategische oriëntaties en strategisch handelen kunnen ook onbewust, voorbewust of halfbewust zijn. Strategische oriëntaties kunnen bovendien zeer traditioneel zijn en kunnen worden geïnternaliseerd en zeer gevoelsmatig bezet zijn.

Terminologische alternatieven
In aansluiting bij Weber’s algemene handelingstypologie is het gebruikelijk om het mechanisme van handelingscoördinatie dat voortvloeit uit doelrationele handelingsoriëntaties en handelingen aan te duiden als ‘belangenpositie’.

Een regelmatig voorkomende handelingsoriëntatie wordt door Weber “bepaald door belangenposities (‘belangenbepaald’) genoemd, “wanneer en voorzover de empirische kans dat sociaal handelen optreedt uitsluitend bepaald is door zuiver doelrationele oriëntatie van individuen op gelijksoortige verwachtingen” [WG:15].

De term belangenpositie refereert wel aan objectieve levensposities, maar is hiervan ook bij Weber geen synoniem.

Belangen zijn door objectieve levensposities, habitus en levensstijlen gestructureerde en handelingsmotiverende particuliere doelen. Belangen zijn dus niet identiek met objectieve levensposities en zijn hiervan ook geen loutere reflectie. De ratio van de term ‘belangenpositie’ is dat hierin de positionele bepaaldheid van belangen tot uitdrukking wordt gebracht.

Om mogelijke misverstanden te voorkomen, zou men in plaats van belangenpositie ook van ‘eigen belangen’ kunnen spreken (zoals door Roth/Wittich, de Engelse vertalers van Wirtschaft und Gesellschaft is gedaan). Het nadeel hiervan is dat het bij ‘eigen belangen’ altijd gaat om ongelijksoortige, tegenstrijdige verwachtingen en oriëntaties van individuele of collectieve actoren. Bij ‘belangenpositie’ ligt het accent juist op de gelijksoortigheid of gemeenschappelijkheid van de wederzijdse gedragsverwachtingen en oriëntaties.

    “Belangenpositie als mechanisme van handelingscoördinatie veronderstelt in tegenstelling tot belangen een gelijksoortigheid van de wederzijdse verwachtingen en oriëntaties van de verschillende individuele of collectieve actoren. Zij oriënteren zich strategisch op hun particuliere doelen en weten en verwachten dat alle anderen zich op dezelfde manier oriënteren en van hen verwachten dat zij zich zo oriënteren en handelen” [Bader 1991:134].
Men zou kunnen overwegen om het met klassenspecifieke strategische oriëntaties corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie ‘klassenbelangenpositie’ te noemen. Een dergelijke taalkundige draak kan gelukkig worden voorkomen.

In mijn analyse gaat het om strategische oriëntaties van klassenspecifieke individuen, die zich in meer of minder sterke mate op hun eigen klassenspecifieke —en dus in zekere mate gelijksoortige— belangen oriënteren. In de term (objectief) ‘klassenbelang’ is de gelijksoortigheid van de wederzijdse gedragsverwachtingen van de leden van een bepaalde klasse al verondersteld (en daarmee ook de tegenstrijdigheid ten opzichte van de gelijksoortige gedragsverwachtingen van de leden van een ándere sociale klasse).

De bonus voor het gebruik van de term ‘klassenbelang’ is dat hiermee terminologisch afstand wordt gehouden van de eerder genoemde identificatie van ‘belangenpositie’ met ‘objectieve levenspositie’.

Index4. Ervaring en klassenbewustzijn

Gemeenschappelijkheid van de ‘geleefde ervaring’ speelt een essentiële rol bij de ontwikkeling van een klassenidentiteit. Zonder gemeenschappelijke en dus gemakkelijk gedeelde ervaring zou er geen impuls voor solidaire actie en klassenstrijd bestaan.

Het ontstaan van klassenidentiteit en -bewustzijn berust op ervaring van tegengestelde klassenbelangen, tegengestelde zeden en gewoontes, tegengestelde solidariteiten, collegialiteiten en loyaliteiten, op tegengestelde normen en waarden, en op elkaar botsende legitimatielegendes en utopieën. Het kritische punt is telkens de ervaring van de tegenspraak.

Klassenervaringen zijn echter evenals alle andere ervaringen meervoudig maatschappelijk gestructureerd. Klassenervaringen worden niet alleen gestructureerd door objectieve klassenverhoudingen en -tegenstellingen, maar ook door de individuele en klassenhabitus en door maatschappelijk dominante schema’s van waarneming, duiding en waardering. Ik kom hier in hoofdstuk VI nog uitvoeriger op terug.

De constitutie van klassenbewustzijn moet niet worden verkort tot de relatie van een klassenindividu en zijn directe ervaringsgebieden. Deze directe interacties zijn immers ingebed in en gekleurd door organisationele en maatschappelijke contexten. Persoonlijke ervaringen zijn daarom per definitie interactioneel, organisationeel en maatschappelijk gemedieerds. Anders gezegd: perssonlijke klassenervaringen worden gestructureerd door de positie die een individu inneemt in het geheel van de maatschappelijke, organisationele en interactionele verhoudingen.

Klassenbelangen en -identiteiten alsmede de specifieke klachten en aspiraties van een sociale klasse worden altijd in politieke talen gearticuleerd. Klassenervaringen worden geïnterpreteerd, gearticuleerd en georganiseerd in bijzondere politieke talen. Politiek klassenbewustzijn vloeit niet zozeer voort uit de ‘klassenervaringen als zodanig’, maar veeleer uit de specifiek talige ordening van deze ervaringen. Klassenidentiteit en -bewustzijn zijn dus niet direct aan klassenspecifieke ervaringen gerelateerd, maar altijd via de tussenschakel van een politieke taal die het begrip van de ervaring organiseert. Meerdere talen zijn in staat zijn om eenzelfde reeks ervaringen te organiseren.

Deze theoretisch-methodische afbakening van het begrip ‘klassenervaring’ impliceert een scherpe afbakening van twee andere benaderingen. Ten eerste ten opzichte van empiristische en vulgair-materialistische benaderingen. Daarin wordt een naïef begrip van theorieloze ervaring gehanteerd. Symbolen, tekens, meningen, voorstellingen en ideologieën worden voorgesteld als eenvoudige mechanische afbeeldingen.

De tweede afbakening is ten opzichte van constructivistische benaderingen. Het inzicht dat waarneming en ervaring afhankelijk zijn van begrippen en theorie wordt daarin szo sterk wordt overtrokken, dat ervaringen als loutere taalconstructies worden opgevat die onbeperkt gemanipuleerd kunnen worden. In constructivistische benaderingen wordt de zinnige stelling ‘dat alle ervaringen in een ideologie worden gearticuleerd’ omgezet in de onzinnige stelling: ‘alle ervaringen zíjn ideologie’.

In analyses van de organisatie van de ervaring wordt systematisch rekening gehouden met de talige en theoretische aard van alle ervaring, zonder te vervallen in linguïstisch idealisme. Want daarin verdwijnt de weerbarstige ervaring volledig in de taal.

In de volgende paragraaf worden de voortalige of zo men wil ruwe en weerbarstige ervaringen onderzocht die kenmerkend zijn voor onze beleving van kapitalistische klassenverhoudingen.

Index


4·1 Het mechanisme van mystificatie
Klassenervaringen worden primair gestructureerd door objectieve klassenverhoudingen en -tegenstellingen. Voor de analyse van het ontstaan en de ontwikkeling van klassenbewustzijn in burgerlijke maatschappijen is hierbij van grote betekenis dat kapitalistische klassenverhoudingen en de daarin verankerde belangentegenstellingen allesbehalve transparant zijn. Zoals in het voetspoor van Marx al uitvoerig werd gedemonstreerd, is de oppervlakte of de façade van deze klassenverhoudingen een door talloze mystificatiemechanismen en fetisjismen meervoudig gebroken uitdrukking van haar kernstructuur. Ik beperk me tot een schets van de hoofdlijnen van deze mystificatietheorie.

Het inhoudelijk-methodisch uitgangspunt van de mystificatietheorie is dat de complexe structurering van het maatschappelijke bewustzijn van de klassen in een burgerlijke maatschappij het beste kan worden ontcijferd wanneer men zich in eerste instantie richt op de specifieke vorm van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen van de kapitalistische arbeidswijze en van de daaruit voortvloeiende kenmerken van de sociale klassenverhoudingen. De analyse van de specifieke waardevormen en van de hierdoor gestructureerde sociale levensverhoudingen biedt dus de sleutel voor het begrip van het maatschappelijke bewustzijn van de klassenactoren.

Niet alleen de klassenposities maar ook het klassenbewustzijn worden gethematiseerd vanuit de telkens specifieke verhoudingen waarin de actoren betrokken zijn in het maatschappelijke arbeids- en toeëigeningsproces. De vooronderstelling van deze theorie is niet dat klassenbewustzijn eenzijdig kan worden opgevat als een direct uitvloeisel of reflectie van de tegenstrijdige bewegingsvormen van het kapitaal. Er wordt slechts verondersteld

  1. de in burgerlijke maatschappijformaties dominante kapitalistische uitbuitings- klassenverhoudingen een grote invloed hebben op de maatschappelijke bewustzijnsvormen,

  2. dat de basisstructuren van de kapitalistische arbeidswijze niet als zodanig en rechtstreeks worden ervaren, maar in de vorm waarin deze zich aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij manifesteren, en

  3. dat er een aantal specifieke mystificatiemechanismen werkzaam zijn die ertoe leiden dat er verschillen bestaan tussen kern- en oppervlaktestructuur van kapitalistische klassenverhoudingen.
De mystificatie van de kapitaalverhouding is echter net zo min absoluut als de kapitalistische arbeidswijze. De kapitalistische arbeidswijze produceert zelf de materiële en geestelijke voorwaarden voor haar eigen overwinning en daarmee voor de opheffing van de mystificatie [Beckenbach e.a. 1974:104. En voor de samenhang tussen fetisjisme en ideologie: Mazzone 1977; Lockwood 1992].

Index


4·3 Mystificatievormen
Mystificatie is een mechanisme waardoor de exploitatieve kernstructuren van de kapitalistische maatschappijformatie worden versluierd. Mystificatie heeft niets van doen met subjectieve misleiding of verhulling, maar met de specifieke wijze waarop de arbeids- en toeëigenings-verhoudingen aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappijen verschijnen.

In de kapitalistische maatschappijformatie manifesteert het specifieke maatschappelijke karakter van de arbeid zich in een volledig verdraaide, omgekeerde vorm. De producenten in de kapitalistische warenproductie leven in een betoverde wereld:

Deze personifiëring van zaken en deze verdinglijking van maatschappelijke arbeidsverhoudingen vloeien voort uit het specifieke karakter van het kapitalistische arbeids- en reproductieproces. Op de analytisch te onderscheiden niveaus van dit proces kunnen een aantal mystificaties worden onderscheiden: de waren-, geld-, loon-, circulatie- en kapitaalfetish.

  1. Warenfetish
    In de burgerlijke maatschappij treden individuen met elkaar in maatschappelijk contact middels de ruil van arbeidsproducten. Kapitalistische arbeidsverhoudingen zijn geen directe maatschappelijke relaties tussen de personen in hun arbeid, maar zakelijke verhoudingen tussen personen of maatschappelijke verhoudingen tussen dingen.
      “Aangezien de producenten pas door de ruil van hun arbeidsproducten in maatschappelijk contact treden, treedt ook het specifieke maatschappelijke karakter van hun bijzondere arbeid pas door deze ruil aan het daglicht. Anders gezegd: de individuele arbeid doet zich inderdaad pas gelden als schakel van de maatschappelijke totale arbeid door de verhouding, waarin de arbeidsproducten, en via deze ook de producenten, door de ruil worden geplaatst. Voor de producenten krijgen de maatschappelijke betrekkingen van hun individuele soorten arbeid daardoor het voorkomen van wat zij werkelijk zijn, dat wil zeggen zij verschijnen niet als directe maatschappelijke verhoudingen tussen individuen in hun arbeid, maar juist als zakelijke verhoudingen tussen personen en als maatschappelijke verhoudingen tussen zaken” [Marx, MEW 23:87;vert. 31].

    De eerste en meest algemene voorstelling van een ding als een maatschappelijke verhouding ontstaat zodra een arbeidsproduct wordt omgezet in een waar. Hoe ontstaat het fetisjisme dat aan de arbeidsproducten kleeft wanneer zij als waren worden geproduceerd?

    Een waar is een eenheid van gebruiks- en ruilwaarde. De gebruikswaarde van een waar komt in haar natuurlijke vorm tot uitdrukking, dat wil zeggen in de concreet-fysieke eigenschappen van het product, het warenlichaam. Waren ontlenen hun gebruikswaarde aan de bevrediging van menselijke behoeften, en hun ruilwaarde aan de hoeveelheid arbeidstijd die in het product is geïncorporeerd. De waarde van een waar kan niet worden uitgedrukt in haar eigen natuurlijke vorm.

      “Men kan een waar wenden en keren zoveel men wil, als waardeding blijft zij ongrijpbaar” [Marx, MEW 23: 62; vert.11].

    Door de waarde verandert een arbeidsproduct in een ‘maatschappelijk hiëroglief’ dat ontcijferd moet worden. Waarde is immers een achter stoffelijke omhulsels verborgen verhouding tussen personen.

      “Later trachten mensen de betekenis van de hiëroglief te ontcijferen, trachten zij achter het geheim van hun eigen maatschappelijk product te komen, want de bepaling van gebruiksvoorwerpen als waarden is evenzeer hun maatschappelijk product als de taal” [Marx, MEW 23:88; vert.32].

    Omdat waren echter dingen zijn, moeten zij ook hun ruilwaarde zakelijk kunnen tonen. Om de waarde van een waar als louter hoeveelheid menselijke arbeid uit te drukken, moet deze worden uitgedrukt als een ‘substantie’ die van haar natuurlijke vorm verschilt. Waren bezitten alleen een waardemassa voor zover zij de uitdrukking zijn van dezelfde maatschappelijke eenheid, menselijke arbeid; hun waardesubstantie is dus zuiver maatschappelijk. Daarom kan deze waardesubstantie alleen verschijnen in de maatschappelijke verhouding van waar tegenover waar. De abstracte waardesubstantie van de ene waar moet zich in de waardeverhouding tussen twee waren noodzakelijkerwijs uitdrukken in de natuurlijke vorm van de andere waar (die voor haar slechts als waardegedaante geldt). De waarde van de ene waar wordt uitgedrukt in de gebruikswaarde van de andere [Marx, MEW 23:66;vert. 15].

      “De in de waar opgesloten innerlijke tegenstelling van gebruikswaarden en waarde wordt dus voorgesteld door een uiterlijke tegenstelling, namelijk door de verhouding tussen twee waren, waarin de ene waar, waarvan de waarde moet worden uitgedrukt, direct slechts als gebruikswaarde figureert, terwijl de andere waar, waarin de waarde wordt uitgedrukt, direct slechts als ruilwaarde figureert. De eenvoudig waardevorm van een waar is dus de eenvoudige verschijningsvorm van de daarin vervatte tegenstelling van gebruikswaarde en waarde” [Marx MEW 23:75; vert. 22].

    Het grote probleem bij de analyse van de waardevorm is dus dat de waar, om zich als gebruikswaarde én waarde te manifesteren, haar vorm moet verdubbelen. Het is relatief eenvoudig om de waarde van een waar te onderscheiden van haar gebruikswaarde: als men een waar in de ene vorm beschouwt dan niet in de andere vorm en omgekeerd. Deze abstracte tegenstellingen vallen vanzelf uit elkaar en kunnen daarom analytisch gemakkelijk uit elkaar worden gehouden.

    Met de waardevorm is dit echter veel ingewikkelder. De waardevorm kan immers alleen in de verhouding van waar tegenover waar bestaan. Daarbij speelt de gebruikswaarde een nieuwe rol: de gebruikswaarde wordt een verschijningsvorm van de warenwaarde, en dus van haar tegendeel. In plaats van uit elkaar te vallen, reflecteren de tegengestelde eigenschappen van de waar zich hier in elkaar en bewerkstelligen een specifieke omkering: het zintuiglijk waarneembare concrete (de gebruiksvorm van de ene waar) manifesteert zich als loutere verwerkelijkingsvorm van het abstract algemene (de waardevorm van de andere waar).

      “Het geheimzinnige van de warenvorm ligt dus eenvoudig in de omstandigheid dat deze vorm voor de mensen het maatschappelijk karakter van hun eigen arbeid weerspiegelt als het concrete karakter van de arbeidsproducten zelf, als de maatschappelijk-natuurlijke eigenschappen van deze dingen; hierdoor wordt ook de maatschappelijke verhouding van de producenten tot hun totale arbeid weerspiegeld als een buiten hen om bestaande maatschappelijke verhouding tussen dingen” [Marx, MEW 23: ;vert.31].

    Deze vorm van vervreemding van de producenten ten opzichte van hun eigen maatschappelijke relaties en de voorwaarden van hun arbeid is louter een historische, geen absolute noodzakelijkheid van arbeid als zodanig.

    Warenfetisjisme verwijst niet naar de wijze waarop de ene klasse haar opvattingen aan een andere klasse oplegt als een middel om op rationele wijze haar eigen doeleinden te bereiken. Warenfetisjisme heeft dus niets van doen met indoctrinatie, maar is een emergente eigenschap van kapitalistische klassenverhoudingen.

    Ook David Lockwood benadrukt dat het warenfetisjisme niets te maken heeft met ideologische inprenting door heersende klassen. “Fetishism is the unintended, system effect produced by the market-mediated interactions of a plurality of rational egoists, who puportedly come to think of their relations with one anohter as relations between commodities, whose exchange values appear to possess a life of their own” [Lockwood 1992:309]. De zwakte van Lockwood’s behandeling van het fetisjsme is dat hij uitsluitend (en niet erg nauwkeurig) het warenfetisjisme behandeld en alle andere —meer complexe— mystificatievormen volledig buiten beschouwing laat.

  2. Geldfetish
    In het onder kapitalistische voorwaarden veralgemeende ruilproces fungeert de eigen geobjectiveerde arbeid louter als middel om de gebruikswaarden van anderen te verwerven. In dit proces neemt de interne tegenstelling van de waar —gebruikswaarde én waarde te zijn— een uiterlijke waarneembare vorm aan: de waar verdubbelt zich in waar en geld.

    Het geld fungeert voor alle waren als een waardespiegel. Hierdoor wordt het geld een algemene waar, een symbool van maatschappelijke rijkdom. In het geld neemt de waarde ten opzichte van de diverse gebruikswaarden van de waren een tastbare en zintuiglijk waarneembare gedaante aan. Door het geld gaat de waarde zich aan een bijzondere waar (goud, zilver enzovoort) hechten. In deze natuurlijke vorm van het geld wordt de schijn bevestigd dat de waarde een eigenschap van de dingen zelf is. De verdinglijking van de maatschappelijke verhoudingen die al in de elementaire warenvorm besloten ligt, wordt door de geldvorm nog eens versterkt.

    De analyse van de meest eenvoudige economische vormen (waar en geld) geeft inzicht in de werking van de warenfetisj. Door de warenvorm en de waardeverhouding van de arbeidsproducten nemen de maatschappelijke arbeidsverhoudingen van de mensen een dingmatige gestalte aan en krijgen de waren een mystiek karakter die zij als gewone zinnelijke objecten nooit kunnen hebben.

    Net als bij de andere, meer gecompliceerde mystificaties is het mystieke van deze economische vormen dat het maatschappelijke karakter van de arbeid in geobjectiveerde kenmerken van de arbeidsproducten zelf, dat wil zeggen in ‘natuurlijke eigenschappen’ van dingen wordt uitgedrukt. De maatschappelijke verhoudingen waarin de producenten in het kapitalisme opereren, verschijnen als een buiten hen om bestaande relatie tussen dingen. De eenvoudige waar is dus al een zeer ‘vertracktes Ding’ (Marx). Dit wordt nog geheimzinniger als men kijkt naar het proces waarin de waren worden geproduceerd.

  3. Loonfetisj
    In het kapitalistische arbeidsproces wordt meerwaarde aan loonarbeiders onttrokken. De permanente strijd om de hoogte van het loon en de grenzen van de arbeidsdag laat zien dat de dragers van dit proces zich hiervan tot op zekere hoogte ook bewust zijn. Wat zich precies in het kapitalistische arbeidsproces afspeelt is echter allesbehalve transparant. Dit wordt veroorzaakt door de specifieke wijze waarop de relatieve meerwaarde in kapitalistische arbeidsverhoudigen wordt geproduceerd. Hierdoor wordt de specifieke verhouding waarin de maatschappelijk gecombineerde arbeid onder doelmatige aanwending van arbeidsmiddelen nieuwe producten schept verduisterd.

    De maatschappelijke combinatie van het arbeidscollectief en de materiële arbeidsvoorwaarden staan niet onder controle van de loonarbeiders, maar behoren aan de kapitalist — het zijn bestaansvormen van het kapitaal. De productiekracht van de arbeid vloeit voort uit de combinatie van de verschillende soorten arbeid en uit de toepassing van het machinesysteem. Beide verschijnen als productiekrachten van het kapitaal. Door de vorm van het arbeidsloon wordt tenslotte elk spoor van de verdeling van de arbeidsdag in noodzakelijke arbeid en meerarbeid, in betaalde en onbetaalde arbeid uitgewist. Alle arbeid lijkt betaalde arbeid te zijn.

    In dit opzicht vormt loonarbeid een duidelijk contrast met slavenarbeid.

      “Bij de slavenarbeid schijnt zelfs het deel van de arbeidsdag, waarin de slaaf alleen de waarde van zijn eigen bestaansmiddelen vervangt, waarin hij in feit voor zichzelf werkt, arbeid voor zijn meester te zijn. Alle arbeid van de slaaf lijkt onbetaalde arbeid te zijn. Bij de loonarbeid schijnt omgekeerd zelfs de meerarbeid of onbetaalde arbeid betaalde arbeid te zijn” [Marx, MEW 23:563; vert. 413].

    Feodale exploitatieverhoudingen zijn in dit opzicht veel transparanter dan kapitalistische exploitatieverhoudingen.

      “Bij de herendiensten bestaat een naar ruimte en tijd duidelijk waarneembaar onderscheid tussen de arbeid van de horige voor zichzelf en de gedwongen arbeid voor zijn heer” [idem].

    De loonvorm versluiert dus het essentiële kenmerk van kapitalistische verhoudingen, namelijk uitbuiting. Uitbuiting is gebaseerd op het verschil tussen de waarde van de arbeidskracht (waarvoor de kapitalist betaalt om deze voor een bepaalde periode te gebruiken) en de grotere waarde die dezelfde arbeidskracht schept gedurende de tijd dat deze voor de ondernemer opereert. Door de loonvorm lijkt de kapitalist niet voor de arbeidskracht, maar voor de arbeid te betalen, waardoor de ongelijkheid van de ruil wordt vermomd als een gelijke ruil.

    Alle verdere mystificaties van de kapitalistische arbeidswijze berusten op het feit dat door het arbeidsloon het kapitalistische karakter van de arbeid wordt verduisterd; loonafhankelijkheid lijkt hierdoor een absolute voorwaarde voor elk arbeidsproces.

      “Op deze verschijningsvorm die de werkelijke verhouding verdonkeremaant en juist het tegendeel van die verhouding toont, berusten alle rechtsvoorstellingen zowel van de arbeider als van de kapitalist, alle mystificaties van de kapitalistische productiewijze, al haar vrijheidsillusies, alle apologetische kletspraatjes van de vulgaire economie” [Marx, MEW 23:562; vert 413].

    Door de mystificatie van het arbeidsloon verschijnt alle arbeid van nature als loonarbeid. Op deze wijze wordt een specifieke historische verhouding tussen arbeid en haar materiële voorwaarden getransformeerd in een vanzelfsprekende natuurlijke verhouding.

  4. Circulatiefetisj
    Uit het circulatieproces van het kapitaal vloeien nog complexere vormen van mystificatie voort. We hebben gezien dat het specifieke economische karakter dat de dingen in het maatschappelijk arbeidsproces opgedrukt krijgen, verandert in een natuurlijk, uit de stoffelijke aard van deze dingen voortvloeiend karakter. Dit fetisjisme wordt nog eens bevestigd door de vormverschillen tussen vast en circulerend kapitaal.

    Vast en circulerend kapitaal
    Vast en circulerend kapitaal zijn gedefinieerd door hun verschillende functies in het circulatieproces (of kringloopproces) van het kapitaal. Het is een secundair verschil van het kapitaal dat niet verwisseld moet worden met het primaire verschil tussen constant en variabel kapitaal, welke gedefinieerd zijn door hun functies in het directe arbeidsproces.

    Het secundaire verschil tussen vast en circulerend kapitaal vloeit voort uit de functie die zij vervullen in omslag van de kapitaalwaarde die in het arbeidsproces fungeert. De waarde van de bestanddelen van het productieve kapitaal — productiemiddelen (grondstoffen, hulpstoffen, arbeidsmiddelen) en levende arbeid — worden op verschillende manieren overgedragen op op het arbeidsproduct: (a) in het resultaat van het arbeidsproces, d.w.z. in het arbeidsproduct of de waar, wordt niet alleen de waarde van de arbeidskracht gereproduceerd, maar wordt door haar tegelijkertijd een nieuwe waarde geproduceerd; (b) de waarde van de verbruikte grondstoffen en hulpstoffen wordt volledig op het arbeidsproduct overgedragen.

    Hoewel deze vormverschillen hun bestaan slechts te danken hebben aan verschillen in de circulatie van de kapitalistisch geproduceerde waarde, lijken zij toch op het conto van stoffelijke eigenschappen van dingen in het arbeidsproces geschreven te kunnen worden. Hierdoor worden arbeids- en bestaansmiddelen tevens tot natuurlijke bestaanswijzen van het kapitaal verdraaid. De kapitaalwaarden die in de vorm van arbeids- en bestaansmiddelen worden voorgeschoten, verschijnen hierdoor beide (gelijkmatig) in de waarde van het product.

    De omzetting van het kapitalistische arbeidsproces wordt hierdoor in een mysterie veranderd en de werkelijke oorsprong van de meerwaarde wordt volledig aan het gezicht onttrokken. De omzetting van waar in geld en omgekeerd kost tijd. Dit volledig bij de kapitalistische arbeidswijze behorende transformatieproces wordt tenslotte zodanig verdraaid dat het circulatieproces, waarin reeds gecreëerde waarde slechts wordt gerealiseerd, zelf als waardescheppend proces verschijnt.

  5. Kapitaalfetisj
    Een nog verder ontwikkelde mystificatie van de uitbuitings- en klassenverhoudingen van de kapitalistische arbeidswijze (productie van waarde en meerwaarde) doet zich voor bij de omzetting van meerwaarde in de vorm van winst. In de winstvorm wordt de meerwaarde betrokken op alle voorgeschoten delen van het kapitaal. De in het arbeidsproces reeds bestaande omkering van subject en object, waarin het kapitaal waardescheppend en de arbeidskracht slechts waar is, wordt hier op de spits gedreven. De winst wordt omgezet in gemiddelde winst, de waarden worden omgezet in productieprijzen en marktprijzen; in het gecompliceerde nivelleringsproces van de kapitalen, worden de prijzen ontkoppeld van de gegeven waarden en de winsten van de gegeven exploitatie, zonder dat het mechanisme van dit nivelleringsproces zichtbaar is. De verhulling van de aard van de meerwaarde en van het historisch specifieke karakter van zijn voortbrenging wordt hiermee voltooid.

    De verzelfstandiging van de vorm van de meerwaarde, de verstening van zijn vorm tegen zijn inhoud wordt voltooid door de splitsing van de winst in ondernemerswinst, rente voor het bankkapitaal, en grondrente voor de grondbezitters.

    1. Een deel van de winst maakt zich van de kapitaalverhouding als zodanig los en verschijnt alsof deze uit de loonarbeid van de kapitalisten zelf voortkomt en niet uit de functie van de loonarbeid.
    2. Een ander deel van de meerwaarde wordt aan een zelfstandige klasse van grondbezitters betaald en lijkt niet uit een maatschappelijke verhouding voort te komen, maar uit een natuurlijk element, de aarde.
    3. De meest vervreemde en kenmerkende vorm van het kapitaal is het rentedragende kapitaal. Het rentedragende kapitaal lijkt in geen enkele verhouding meer te staan met de arbeiders, noch met de industriële kapitalisten. Het rentedragende kapitaal is de meest gefetisjeerde vorm van het kapitaal: het is geldscheppend geld. De analyse van het totale proces van de kapitalistische productie vertrok vanuit de gemystificeerde vorm van het geld; aan het einde van deze analyse komen we het geld weer tegen als het resultaat van een proces waarin de gedaante van het kapitaal steeds vervreemder wordt en zijn ‘innerlijke wezen’ steeds meer verhuld wordt.

    Door de kapitaalfetisj worden echter ook de waarnemingen en voorstellingen van de kapitalistische arbeidswijze gestempeld. De gangbare voorstelling is dat dat kapitaal rente geeft, dat grond grondrente afwerpt en dat arbeid arbeidsloon verdient. In deze economische triniteitsformule wordt de samenhang tussen de bestanddelen van de waarde en van de rijkdom met bronnen volledig verdraaid.

    De mystificatie van de kapitalistische arbeidswijze, de verdinglijking van de maatschappelijke verhoudingen en de directe versmelting van materiële bronnen met de historisch specifieke maatschappelijke bepaaldheid van arbeidsverhoudingen is in deze formule voltooid: de betoverde, verdraaide en op z’n kop gezette wereld, waarin ‘Monsieur le Capital en Madame la Terre’ als sociale karakters en tegelijk direct als loutere dingen hun spookachtige activiteiten bedrijven.

Figuur 13_2: Mystificatiemechanismen

Schema 12 Mystificatiemechanismen

De gemystificeerde vormen van de betoverde wereld van het kapitaal modelleren niet alleen de begrippen waarmee de economen operen; het zijn ook maatschappelijk geldige, dus ‘objectieve gedachtenvormen’ voor de productie- en klassenverhoudingen van de kapitalistische arbeidswijze [Marx, MEW 23:90; vert. 34].

In deze vervreemde en irrationele vormen van kapitaal — rente, grond — grondrente, arbeid — arbeidsloon voelen de actoren van het arbeidsproces zich volledig thuis. Het zijn immers de werkelijke gedaanten van de schijn, waarin zij zich bewegen en waarmee zij dagelijks te maken hebben: de mystificaties van de kapitalistische arbeidswijze vormen de werkelijke grondslag voor hun verdraaide opvattingen, hun ‘religie van het alledaagse leven’. Mystificaties zijn een structurele bron van ideologieën.

Ook Geras [1971:83] wijst erop dat de theorie van de voorwaarden en mogelijkheden van demystificatie veel minder sterk is ontwikkeld dan de theorie van de mystificatie. Met name omdat Het Kapitaal afbreekt op het punt waarop Marx begon aan zijn analyse van de maatschappelijke klassen. Ik heb dit uitvoerig geanalyseerd in Benschop [1990/2017 - hoofdstuk I]. Zolang deze ‘eenzijdigheid’ niet wordt doorbroken, hoeft men zich er niet over te verbazen dat de mystificatietheorie weinig bijdraagt aan de verklaring van feitelijk politiek klassenhandelen.
Het meest opvallende, maar ook onderbelichte kenmerk van Marx’ theorie van de mystificaties is de nadruk die er gelegd wordt op het tegen-strijdige karakter van mystificatieprocessen. De mystificatietheorie biedt niet alleen een ingang voor de analyse van gemystificeerde bewustzijnsvormen, maar ook van de elementen die tot een erosie van gemystificeerde bewustzijn (kunnen) leiden.

In de invloedrijke bijdrage van Lukács wordt dit laatste aspect volledig uit de mystificatietheorie weggesneden.

Fictieve en perspectivische contrastvormen
In de visie van Marx visie verliezen de maatschappelijke arbeidsverhoudingen pas hun geheimzinnige, mystificerende werking wanneer de voortbrenging van de maatschappelijke rijkdom door de producenten zelfbewust ter hand wordt genomen. “Alle mystiek van de warenwereld, al het getover en het gespook, waarmee de arbeidsproducten op grondslag van de warenproductie worden omneveld, verdwijnt dus zodra we onze toevlucht nemen tot andere productievormen” [Marx, MEW 23:90:vert. 34].

Hij behandelt Robinson’s eenpersoons-economie als fictieve contrastvorm en de ‘vereniging van vrije mensen die met gemeenschappelijke productiemiddelen werken’ als perspectivische contrastvorm. De donkere Europese middeleeuwen dienen als historische contrastvorm. In plaats van de volledig onafhankelijke mens in de Robinsonade treffen we daar slechts afhankelijke mensen aan. Zowel lijfeigenen als grondbezitters, vazallen als leenheren, leken als priesters staan in persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen.

    “De persoonlijke afhankelijkheid kenmerkt evenzeer de maatschappelijke verhoudingen van de materiële productie als de hierop gegrondveste levenssferen. Maar juist omdat de feodale maatschappij gebaseerd is op persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen, is het niet nodig dat de arbeid en de producten een fantastische vorm aannemen, die van de realiteit afwijkt. Als diensten en prestaties in natura passen zij in het maatschappelijke mechanisme.

    De natuurlijke vorm, de bijzondere vorm van de arbeid, is hier direct maatschappelijke vorm en niet, zoals op basis van de warenproductie, de algemene vorm. De door herendienst geleverde arbeid wordt even goed door de tijd gemeten als de arbeid, waarbij waren worden voortgebracht; maar de lijfeigene weet dat hij een bepaalde hoeveelheid van zijn persoonlijke arbeidskracht in dienst van zijn heer besteedt. Die tiende, die hij aan de priesters moet afstaan, bezit een meer tastbare vorm dan de zegen van de priesters.

    Welk oordeel men ook moge hebben over de maskerade waarin de mensen hier tegenover elkaar komen te staan, de maatschappelijke verhoudingen van de personen in hun arbeid komen in ieder geval als hun eigen persoonlijke verhoudingen te voorschijn en deze zijn niet vermomd als maatschappelijke verhoudingen van dingen, van arbeidsproducten” [Marx, MEW 23:91; vert. 35]. Vgl. MEW 25:799,803.

Index


4·3 Lukács: klassenbewustzijn als hypothetische constructie?
Georg Lukács analyseert klassenbewustzijn niet vanuit de historisch-specifieke vorm van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen. Hij gaat ook niet uit van empirische gegevens over bewustzijnsinhouden om deze te confronteren met (een analyse van) de kapitalistische verhoudingen.

Zijn methodisch uitgangspunt is de referentie aan het geheel van de maatschappij [Lukács 1923:61]. Hij constateert dat “die Menschen ihre geschichtlichen Taten selbst vollbringen und mit Bewuβtsein vollziehen. Es ist aber ... ein falsches Bewuβtsein” [idem]. Het in dit bewustzijn geïmpliceerde “‘Falsche’, der ‘Schein’, der in dieser Sachlage enthalten ist, ist hiermit nichts Willkürliches, sondern eben der gedankliche Ausdruck der objektiv-ökonomische Struktur” [idem:63].

Dit gemystificeerde bewustzijn is slechts de mentale uitdrukking van de objectieve economische structuur. Daarom moet men volgens Lukács niet blijven staan bij de simpele constatering dat dit bewustzijn verkeerd of verdraaid is en moet men ‘wahr und falsch’ niet star tegenover elkaar stellen. Het gemystificeerde bewustzijn moet concreet worden onderzocht, als een moment van de ‘historische totaliteit’ waarbij het hoort.

Lukács: stelt dus bij voorbaat vast dat de analyse van klassenbewustzijn niet mag worden beperkt tot de vraag wat de kenmerken zijn van het empirische bestaande bewustzijn. Via een algemene functionele bepaling van bewustzijn wil hij een begrip van klassenbewustzijn als mogelijkheid formuleren. Klassenbewustzijn wordt opgevat als een ‘categorie van de objectieve mogelijkheid’ en wordt contra-feitelijk gedefinieerd.

Lukács legt dus grote nadruk op het verschil tussen klassenbewustzijn en alledaags bewustzijn, dat wil zeggen de feitelijke gedachten en gevoelens van de individuen die een klasse vormen [Lukács 1923:86]. Vanuit een —theoretisch gedefinieerde— economische belangenpositie wordt —een hypothetisch geconstrueerd— klassenbewustzijn aan een klasse toegeschreven. Vanuit dit theoretisch geconstrueerde begrip van klassenbewustzijn wil hij vervolgens nagaan in hoeverre het feitelijke empirische bewustzijn verdraaid (‘falsch’) is, dat wil zeggen in hoeverre het nog aan de mystificaties van de maatschappelijke verhoudingen is onderworpen.

Het hypothetisch geconstrueerde begrip klassenbewustzijn vervult bij Lukács echter niet alleen een heuristische functie bij de verklaring van de empirisch vormen van klassenbewustzijnsvormen. Het toegeschreven klassenbewustzijn correspondeert weliswaar niet met het feitelijke klassenbewustzijn van individuen, maar het klassenhandelen wordt in laatste instantie wel door dit toegeschreven klassenbewustzijn bepaald. Lukács veronderstelt dus dat het toegeschreven klassenbewustzijn relevant is of wordt voor het bewustzijn van klassenindividuen en daarmee ook voor hun klassenhandelen.

De bezwaren tegen Lukács benadering kunnen in drie punten worden samengevat.

  1. Bij de afbakening van het begrip ‘objectieve klassenbewustzijn’ moeten ook vooronderstellingen van deze hypothetische constructie duidelijk worden gespecificeerd. Lukács doet dit slechts gedeeltelijk en impliciet. Juist omdat het feitelijke subjectieve klassenbewustzijn op talloze manieren wordt vertekend en beperkt moet de hypothetische constructie van objectief klassenbewustzijn goed worden beargumenteerd.

    In kapitalistische klassenmaatschappij moet in ieder geval rekening worden gehouden met dezelfde voorwaarden die in het volgende hoofdstuk [XIV, § 6·1] zullen worden benoemd voor de hypothetische constructie van ‘objectieve klassenbelangen’. Dat is geen geringe —en misschien wel onmogelijke— opgave. Een dergelijke constructie heeft immers alleen maar zin als men veronderstelt:

    • dat klassenactoren zich zuiver strategisch, overwegend rationeel en volledig bewust oriënteren op hun klassenspecifieke doelen;
    • dat zij zich cognitief en normatief hebben bevrijd van dominante duidingspatronen en duidingen;
    • dat zij over voldoende adequate informatie beschikken en dat hun communicaties niet worden vertekend door ongelijke voorwaarden en gebrekkige vrijheden van politieke communicatie, en
    • dat zij zich mentaal aan de mystificerende werking van de kapitalistische uitbuitings- en klassenverhoudingen hebben weten te onttrekken.

    Van deze serie vooronderstellingen worden er door Lukács slechts enkele aangestipt. Alleen de laatste vooronderstelling wordt door hem iets uitvoeriger — maar niet erg gedifferentieerd — behandeld.

  2. Lukács analyseert de mystificaties van de kapitalistische arbeidswijze op een zeer eenzijdige wijze. Hij reduceert de kapitaalverhoudingen reduceert tot (eenvoudige) warenruil. Dit heeft een aantal vergaande consequenties.

    Lukács schetst een hermetisch gesloten, getotaliseerd beeld van de mystificaties van de kapitalistische warenmaatschappij en van de verdinglijking van het arbeidersbewustzijn. Hierdoor is het niet meer voorstelbaar dat de leden van de arbeidersklasse vanuit hun eigen levensvoorwaarden ooit nog op eigen kracht een inzicht in de uitbuitingsverhoudingen kunnen ontwikkelen. Een onvertroebeld inzicht in hun klassenpositie kunnen de uitgebuitenen daarom alleen verwerven wanneer hen ‘van buitenaf’ een klassenbewustzijn wordt aangedragen.[30] Dit veronderstelt dat er een oppositionele elite of intellectuele voorhoede bestaat die over het juiste klasseninzicht beschikt. Hoe deze politieke en pedagogische intellectuelen erin slagen om zich aan het uniform verdinglijkte bewustzijn te onttrekken en zelfs een ‘wetenschappelijk bewustzijn’ te ontwikkelen, blijft het geheim van Lukács.

    Principiële beperktheid van arbeidersbewustzijn?
    Volgens het door Kautsky ontwikkelde en door Lenin overgenomen concept van de ‘principiële beperktheid van het arbeidersbewustzijn’ kunnen arbeiders vanuit zichzelf slechts een ‘vakbondsbewustzijn’ ontwikkelen, d.w.z. een besef van de noodzaak van de verbetering van de lonen en arbeidsvoorwaarden. De ‘economische belangen’ van de arbeiders zijn volgens Lenin echter geen ‘historische’ belangen van hun klasse. De arbeiders moeten daarom worden opgevoed om deze klassenbelangen en de ‘historische missie’ die daarin geïmpliceerd is, te ontdekken. De ‘opvoeder’ van de arbeidersklasse is een groep van professionele revolutionairen, die door hun intellectuele begrip van de geschiedenis en hun organisatorische discipline als ‘voorhoede van de arbeidersbeweging’ kunnen fungeren.

  3. Volgens Lukács is het hypothetisch geconstrueerde ‘objectieve klassenbewustzijn’ als zodanig handelingsrelevant. ‘Objectief klassenbewustzijn’ is per definitie slechts een potentieel klassenbewustzijn. Een potentieel klassenbewustzijn is echter geen werkelijke of actuele handelingsmotivatie en als zodanig ook niet handelingsrelevant. Alleen een actueel klassenbewustzijn motiveert feitelijk het handelen van de leden van een klasse en sorteert als zodanig handelingseffecten.

Index


4·4 Edward Thompson: geniale model-culturalist?

4·4·1 De formatie van de arbeidersklasse
Als prototypisch voorbeeld van een culturalistische benadering wordt vaak verwezen naar Edward Thompson’s imposante studie over The Making of the English Working Class [1963/80]. Thompson beschrijft daarin hoe de sociaal-culturele en politiek-ideologische formatie van de Engelse arbeidersklasse zich in de 19e eeuw in drie opeenvolgende bewegingen heeft voltrokken.

Volgens Thompson formeerde de Engelse arbeidersklasse zich tegen 1830 als een coherente, rebelse klasse met een ‘heldhaftige cultuur’ en veranderde zij daarna —met name toen het Chartisme rond 1850 feitelijk ten einde was— in een ogenschijnlijk volgzame, gepacificeerde klasse, die niet meer in staat was tot het nationale leven door te dringen en het te hervormen. De burgerlijke hervormers waren erin geslaagd de volksbeweging te gebruiken om van de grondbezittende klassen een zodanig beperkte uitbreiding van het kiesrecht af te dwingen dat de massa’s die deze veranderingen mogelijk hadden gemaakt ervan uitgesloten bleven.

De kritiek op het werk van Thompson concentreert zich op drie punten. (i) Culturalisme, dat wil zeggen zijn preoccupatie met de beschrijving van de culturele ervaring van economische klassen-structuren. (ii) Romanticisme, dat wil zeggen zijn idealisering van het klassenbewustzijn van arbeiders. (iii) Essentialisme, dat wil zeggen zijn afsluiting van de arbeidersklassenformatie aan het einde van de geanalyseerde periode in 1832.

4·4·2 Klassenconstitutie en -bewustzijn
Thompson benadrukt dat de arbeidersklasse bij haar eigen ontstaansproces actief aanwezig was en stelt dat het ontstaan van de arbeidersklasse “net zoveel te danken heeft aan menselijk handelen als aan de conditionering ervan” [Thompson 1963/80: 9]:

In The Poverty of Theory herhaalt Thompson [1978:298] deze stelling in iets andere woorden:
Twee interpretaties
Omdat Thompson expliciet over ‘klassenformatie’ spreekt kan zijn stelling op twee manieren worden geïnterpreteerd. (a) De sociale en culturele klassenformatie is het gecombineerde effect van een in de maatschappelijke productieverhoudingen voorgestructureerde klassen(positie) en de zelf-activiteit van de leden van deze klasse. (b) Op het kruispunt van ‘determinatie’ en ‘zelfactiviteit’ ontstaan klassen en klassenformaties. De eerste interpretatie veronderstelt een onderscheid tussen klassen (als klassenposities die door maatschappelijke arbeidsverhoudingen zijn gestructureerde) en klassenformatie (als een sociaal en culturele formatie die op basis van klassenposities kan ontstaan). In de tweede interpretatie bestaat er geen verschil tussen klassen en klassenformatie.
Thompson gebruikt een specifiek model van klassenconstitutie waarin ervaring de hoofdrol speelt: collectieve ervaringen worden getransformeerd in maatschappelijk bewustzijn en hierdoor worden klassen gedefinieerd en gecreëerd. Klassenbewustzijn is de cruciale maatstaf voor het ontstaan van klassen en het criterium voor de onderscheiding van geformeerde klassen.

Zijn kernstelling is dat ”een klasse gedefinieerd wordt door mensen die hun eigen geschiedenis (be)leven” [idem:10]. Klassen bestaan slechts in en door het proces van collectieve zelfidentificatie, dat wil zeggen door klassenbewustzijn.

Klassenervaring is een cruciale factor in de constitutie van sociale en politiek handelingsbekwame klassen. Klassenbewustzijn is voor hem de toetssteen voor het bestaan van een klasse.

In The Poverty of Theory wordt dit nog scherper geformuleerd: Een klasse is voor Thompson dus geen — en zeker niet in de eerste plaats — structureel gegeven: het is geen objectieve levenspositie in exploitatieve productieverhoudingen, Klasse is voor Thompson een historische gebeurtenis die het resultaat is van een verwerking van klassenspecifieke ervaringen. Een sociale klasse is “een zichzelf definiërende historische formatie” [Thompson 1978:238].

In The peculiarities of the English wordt dit als volgt geformuleerd:

Een klasse wordt door Thompson dus uiteindelijk zonder enige referentie aan objectieve posities in sociaal-economische klassenverhoudingen gedefinieerd. Klassen zijn sociale en culturele formaties die het gevolg zijn van een culturele verwerking van klassenspecifieke ervaringen. Deze ervaringen sedimenteren zich in gedeelde belangen, tradities en waardesystemen en in een dispositie om zich als klasse te gedragen.

Uit de hier geciteerde passages blijkt dat Thompson zijn klassendefinitie primair situeert op het hier als derde onderscheiden niveau van handelingsstructurering, nl. dat van de klassenhabitus en de klassenspecifieke levenstijlen. In het laatste deel van het citaat — ‘class is a happening’ — benadrukt Thompson het vierde niveau van handelingsstructurering, nl. dat van de specifieke voorwaarden van politiek klassenhandelen. Een vergelijkbare conclusie trekt Katznelson [1985:18], hoewel deze de niveaus van handelingsstructurering op een andere —en minder gedifferentieerde— manier benadert.

4·4·3 Klasse als historische categorie
Klasse is voor Thompson geen analytisch structuurbegrip, maar primair een historisch fenomeen dat in menselijke relaties gebeurt.

Vanuit deze stelling levert hij in zijn latere teksten een ongemeen felle kritiek op stratificatiesociologen, en structuralistische marxisten. Hij kritiseert enerzijds het statistische karakter van sociologische klassenkaarten (waaruit de historische dynamiek is weggesneden) en anderzijds het reïficerende karakter van het begrip van klassenstructuren in het structuralistische marxisme (waaruit de handelende actoren zijn weggesneden).

Stratificatiesociologie
“Sociologists who have stopped the time-machine and, with a good deal of conceptual huffing and puffing, have gone down to the engine-room to look, tell us that nowhere at all have they been able to locate and classify a class. They can only find a multiple of people with different occupations, incomes, status-hierarchies, and the rest. Of course they are right, since class is not this or that part of the machine, but the way the machine works once it is set in motion — not this interest and that interest, but the friction of interests — the movement itself, the heat, the thundering noise” [Thompson 1965/78:85 — The Peculiarities of the English].
Structuralistisch marxisme
“No historical category has been more misunder-stood, tormented, transfixed, and de-historicised than the category of social class: a self-defining historical formation, which men and women make out of their own experience of struggle, has been reduced to a static category, or an effect of an ulterior structure, of which men are not the maker but the vectors. Not only have Althusser and Poulantzas done Marxist history this wrong, but they complain that history (from whose arms they abducted this concept) has no proper theory of class!” [Thompson 1978:238 — The Poverty of Theory].

Maar Thompson heeft zijn kritische boog iets te strak gespannen: hij wijst elke mogelijkheid van de hand om aan klassen of klassenposities een van subjectieve levenservaringen onafhankelijk bestaan toe te kennen. Dit staat haaks op zijn stelling dat klassenbepaalde ervaringen constitutief zijn voor het ontstaan van sociale klassen.

4·4·4 Klassenstrijd zonder klasse?
De tegenstrijdigheden van Thompson’s klassedefinitie worden in zijn latere bijdragen niet opgelost, maar eerder verscherpt. Dit is met name zichtbaar in zijn essay Eighteenth-Century English Society [1978a]. Klasse figureert nu in twee betekenissen. Enerzijds hanteert hij het begrip klasse zoals deze bewust wordt ervaren en dus in het bronnenmateriaal van de historicus direct zichtbaar wordt. Anderzijds figureert klasse als een begrip dat door de historicus wordt gebruikt voor gevallen van klassenstrijd die door de actoren zelf niet als zodanig werden opgevat [Kuys 1988:309].

‘Klasse’ is en blijft echter een historische categorie die betrokken is op het sociale handelen van mensen door de tijd heen. Dit sociale handelen was aanleiding om het begrip ‘klasse’ als heuristische categorie te gebruiken en om van maatschappelijke structuren of klassenverhoudingen te spreken. Als men nu veronderstelt dat ‘structuren‘ of ‘modellen’ optreden als veroorzakers van klassen, dan zet men volgens Thompson de zaak op z’n kop. Klassenstrijd is voor hem het eerste en tevens meer universele begrip, want

Thompson komt tot de nogal paradoxale conclusie dat er in de 18e eeuw in Engeland wel een maatschappelijke krachtenveld van klassenstrijd bestond tussen de massa en de aristocratie en de ‘heren’, maar zonder dat de eerstgenoemde een klasse in de ware zin des woords was. Er bestond een ‘klassenstrijd zonder klasse’.

‘Klasse’ is voor Thompson dus geen zuivere culturele formatie die geheel onafhankelijk is van objectieve determinaties. Het onderzoek van de objectieve determinaties kan er echter nooit toe leiden dat klasse en klassenbewustzijn eenvoudig met elkaar worden geïdentificeerd. Klasse vindt plaats wanneer “mannen en vrouwen hun productieverhoudingen doorleven, en wanneer zij hun voorgegeven situaties ondervinden, binnen ‘het geheel van de maatschappelijke verhoudingen’, volgens de patronen van de cultuur en de verwachtingen die zij hebben geërfd” [Thompson 1978a:47 e.v.].

De tegenstrijdigheid van deze redenatie is evident. Volgens Thompson gaan ervaringen vooraf aan klassenformatie en daarom ook aan het bestaan van sociale klassen. Daarvan uitgaande is moeilijk voorstelbaar hoe deze ervaringen als klassenspecifieke ervaringen gestructureerd kunnen zijn. En omgekeerd: als de ervaringen gestructureerd worden door daaraan veronderstelde (posities in) klassenverhoudingen (zoals Thompson ook doet), dan kan men niet tegelijkertijd volhouden dat het bestaan van sociale klassen de resultante is van de (culturele verwerking van de) ervaringen van deze klassenverhoudingen.

4·4·5 Ervaring tussen klassenstructuur en klassenbewustzijn
In zijn (her)definitie van het klassenbegrip legt Thompson een zeer grote nadruk op de — door structuralistische marxisten vergeten — categorie van de ervaring. Deze accentuering van de ‘ervaring’ is gemeengoed onder sociaal-historici die niet veel aankunnen met structuralistische en functionalistische benaderingen van de sociale werkelijkheid. De aard van hun vak vereist nu eenmaal dat zij op een of andere manier toegang moeten krijgen tot wat zich in de hoofden van de historische actoren zelf heeft afgespeeld, d.w.z. zij moeten binnendringen in de historische en klassenspecifieke waarnemings-, duidings- en waarderingspatronen en in subjectieve percepties, cognitieve en normatieve duidingen en gevoelens van de persoonscategorieën die worden beschreven.

Historici zien meestal geen heil in of hebben vaak een grote afkeer van abstracte (structuralistische) classificaties van klassen (‘vleesloze skeletten’), waarin voor historische actoren geen plaats lijkt te zijn ingeruimd. Dat is echter nog geen reden om hier tegenover ‘alternatieven zonder ruggegraad’ te stellen, d.w.z. klassenconcepties die zo ‘vloeibaar’ zijn dat men helemaal niet meer in staat is objectieve, sociaal-structureel verankerde klassenpositionaliteiten te lokaliseren. Een evenwichtiger oordeel uit sociaal-historische hoek is dat van Katznelson [1986:5]: “We are particularly unsettled by an excessive preoccupation with ‘objective’ classifications of class structure as the master toll for understanding class formation”.

Via de term ervaring wordt bij Thompson de structuur omgezet in een proces en doet het subject opnieuw zijn intrede in de geschiedenis. Het bekende bezwaar tegen een dergelijke benadering is dat dat de term ervaring wordt overbelast. Hierdoor verschuift het probleem van de structurering van deze ervaring door maatschappelijke verhoudingen naar de achtergrond. Thompson ontkent echter niet het bestaan van objectieve determinanten, maar benadrukt dat deze zich slechts doen gelden via de ‘ervaring’ van mensen die zichzelf tot een klasse hebben gevormd [Thompson 1963/80:11].

Ervaring als kapstokbegrip
Perry Anderson wijst er op dat ervaring als zodanig een begrip is waar je alle kanten mee op kunt. “Precies dezelfde gebeurtenissen kunnen beleefd worden door actoren die er diametraal tegengestelde conclusies uit trekken” [Anderson 1980/3:424]. Hij refereert hierbij aan de polemiek van Sartre met Lefort in de vroege jaren vijftig, waarin Sartre het begrip van l’expérience-qui-comporte-sa-propre-interprétation aanvalt als een kapstokbegrip [idem:444, noot 12].
Het ervaringsbegrip wordt door Thompson op een nogal oscillerende en dubbelzinnige wijze gebruikt. De reden daarvan is dat hij enerzijds een zeer algemeen ervaringsbegrip gebruikt en anderzijds een meer specifieke notie die op de analyse van klassenformaties is toegespitst. Bij het algemene ervaringsbegrip laat hij bewust de kwesties van differentiële klassenervaring (en ‘consequente ideologische predisposities’) buiten beschouwing.

  1. Ervaring “omvat het verstandelijke en gevoelsmatige antwoord van een individu of maatschappelijke groep op vele gebeurtenissen die onderling zijn verweven, of op vele herhalingen van hetzelfde type gebeurtenis” [Thompson 1978:199]. Ervaring is dus een verzameling verstandelijke en gevoelsmatige reacties op gebeurtenissen. Deze gebeurtenissen stellen nieuwe problemen en die breken via de hierdoor gegenereerde ervaringen in op het bestaande maatschappelijke bewustzijn.

      “We cannot conceive of any form of social being independently of its organising concepts and expectations, nor could social being reproduce itself for a day without thought. What we mean is that changes take place within social being, which give rise tot changed experiences: and this experience is determining, in the sense that it exerts pressures upon existent social consciousness, proposes new questions, and affords much of the material which the more elaborated intellectual exercises are about. ... Experience walks in without knocking at the door, and announces deaths, crises of subsistence, trench warfare, unemployment, inflation, genocide” [1978:200-1].
        Thompson legt er in dit verband terecht de nadruk op dat in het licht van dergelijke algemene ervaringen oude begripssystemen en referentiekaders in elkaar storten en nieuwe problematieken op hun aanwezigheid aandringen. Zie voor een uitwerking van de problematiek van dergelijke negatieve ervaringen: Goffman [1974], Bader [1991:167,430].

    Het gaat volgens Thompson niet om ‘de grenzen van de ervaring’, maar om de wijze waarop ervaringen worden geproduceerd. Ervaringen ontstaan weliswaar spontaan in het maatschappelijke leven, maar zij ontstaan niet gedachtenloos en ook niet zonder gevoelens. Ervaring “arises because men and women (and not only philosophers) are rational, and they think about what is happening to themselves and their world” [Thompson 1978: 199-200]. Mensen ‘ervaren hun eigen ervaring’ echter niet alleen als ideëen, binnen het denken of als proletarisch instinct enzovoort, maar ook als gevoel. En “they handle their feelings within their culture, as norms, familial and kinship obligations and reciprocities, as values or (through more elaborated forms) within art or religious beliefs. This half of culture (and it is a full one-half) may be described as affective and moral consciousness” [idem:363].

    Thompson maakt een onderscheid tussen twee soorten ervaring: lived experience (ervaring I) en perceived experience (ervaring II), datgene wat mensen objectief meemaken én de wijze waarop ze daarop subjectief reageren oftewel hun maatschappelijk bewustzijn. Thompson suggereert dat er “een eenduidig verband bestaat tussen ervaring I en het bewustzijn — de vooronderstelling dat mensen zouden ‘leren’ van hun ervaringen in de zin dat ze er min of meer automatisch en vooral autonoom de juiste lessen uit trekken” [Mol 1983:395]. Tussen beleving en ervaring bestaat echter geen eenduidig verband.

    De gesuggereerde eenduidigheid van het verband tussen ‘beleving’ en ‘ervaring’ wordt uitvoerig bekritiseerd door Anderson [1980/3:422-5]. Thompson besteedt geen systematische aandacht aan het feit dat geleefde ervaringen worden georganiseerd en gearticuleerd in politieke talen. “Thomson’s concept of class consciousness still assumes a relatively direct relationship between ‘social being’ and ‘social consciousness’ which leaves little independent space to the ideological contexts within which the coherence of a particular language of class can be constituted” [Stedman-Jones 1983:101].

  2. Ervaring is een noodzakelijke middenterm tussen het maatschappelijk zijn en het maatschappelijke bewustzijn. De ervaring wordt “in laatste instantie gegenereerd in het ‘materiële leven’ en op klassenspecifieke wijze gestructureerd”. Het ‘maatschappelijke zijn’ bepaalt dus het ‘maatschappelijke bewustzijn’.* De klassenstructuur domineert weliswaar ervaring, maar vanaf dat punt is haar determinerende invloed zwak: de wijze waarop elke levende generatie in het ‘heden’ deze ervaring verwerkt is immers niet voorspelbaar en laat zij zich in geen enkele strikte definitie van determinatie vangen [Thompson 1978:363].

    * Het ‘maatschappelijke zijn’ wordt door Thompson opgevat als de productiewijze van het ‘materiële leven’ en de maatschappelijke verhoudingen (‘human relationships’) die op basis hiervan ontstaan en die zowel exploitatieverhoudingen (acquisitiveness’) als heerschappijverhoudingen omvatten. ‘Maatschappelijk zijn’ bepaalt ‘maatschappelijk bewustzijn’ niet eenzijdig, zij staan in een ‘dialectical interrelationship’. In latere teksten gooit Thompson deze stelling overboord. Zelfs voor kapitalistische maatschappijen is het onderscheid zijn/ bewustzijn geen leidraad meer voor onderzoek. In analyses van folklore en ‘common sense’ van specifieke groepen binnen de subalterne klassen ‘we cannot conceive of social being apart from social consciousness or norms’ en daarom is het zinloos om aan het ‘zijn’ een prioriteit toe te kennen boven het ‘bewustzijn’. Vgl. Thompson [1978b:265 — Folklore, antropology and social history].

4·4·6 Klassenbegrip en klassenanalyse
Het klassenbegrip van Thompson is integraal of holistisch en uitermate elastisch. Hij geeft geen analyse van de structureringsniveaus van klassenrelaties, maar vanuit het perspectief hoe deze structuren door de werkende massa werden ervaren en hoe zij binnen deze ervaren structuren op klassenspecifieke wijze collectief handelen. Thompson’s project is gericht op een reconstructie van de cultureel gevormde ervaring van de opkomende kapitalistische orde en van het collectieve verzet van de werkende bevolking daartegen. Het uitgangspunt van zijn analyse is niet het structurele proletariseringsproces, maar de politieke en culturele tradities van de werkende bevolking die zichzelf vormde als een klasse met een eigen collectieve identiteit.

Thompson maakt geen analyse van de omvang van de Engelse arbeidersklasse of van de verschuivingen in de samenstelling van de arbeidersklasse. Hij maakt ook geen analyse van de kapitaalaccumulatie die zich tussen 1790 en 1830 met plotselinge tempowisselingen en scherpe breuken voltok en die gepaard ging met een proces van ongelijke geografische spreiding en verplaatsing. En hij gaat ook niet in op “het historische proces waarin heterogene groepen ambachtslieden, keuterboeren, landarbeiders, thuiswerkers en rondzwervende paupers geleidelijk bijeengebracht, gedistribueerd en teruggebracht werden tot de situatie van aan het kapitaal ondergeschikte arbeid, allereerst in de formele onderschikking aan de loonovereenkomst en tenslotte in de reële onderschikking van hun integratie in de gemechaniseerde productiemiddelen” [Anderson 1980/3:428].

Tegenover deze kritiek op het gebrek aan ‘objectieve coördinaten’ van zijn klassenanalyse heeft Thompson zich nogal slapjes verweerd door te wijzen op “de grenzeloze stompzinnigheden van de kwantitatieve meting van klassen” [Thompson 1978a:149]. Thompson geeft overigens zelf wel een paar schattingen van de numerieke omvang van specifieke beroepscategorieën (landarbeiders en wevers). Het blijft natuurlijk altijd lastig om schattingen te doen over de omvang en structuur van de verschillende klassen in de Engelse maatschappij uit die periode. Maar in latere studies roept Thompson hier regelmatig toe op.

Critici hebben er —terecht— op gewezen dat Thompson geen ‘objectief kader’ biedt waardoor hij een afweging zou kunnen maken van het relatieve belang van de subjectieve ervaringen van de Engelse arbeidersklasse ten opzichte van andere structureringsniveaus. Thompson maakt geen analyse van de transformatie van het accumulatieproces van het kapitaal, niet van de verandering in de arbeidsorganisatie (overgang van werkplaats naar fabriek) en van de ontwikkeling van ambachtslieden naar proletarische loonarbeiders, niet van de verschuivingen in omvang en samenstelling van de arbeidersklasse. En hij laat ook niet zien hoe juist deze ontwikkelingen leiden tot een ontwrichting van de culturele, politieke en ideologische volkstradities, terwijl dit juist zo’n grote betekenis heeft voor de formatie (‘making’) en transformatie (‘remaking’) van de arbeidersklasse.

In Thompson’s benadering zijn de relaties tussen de verschillende structureringsniveaus van klassenhandelen als het ware uit hun evenwicht geraakt. Zijn overaccentuering van de (subjectief beleefde) ervaring gaat gepaard met een grondige afkeer van abstracte of generaliserende analyses. Dit uit zich met name in “the tendency of rejecting analytical distinctions as a matter of principle, the tendency to disguised or unselfconscious theoretical borrowings and the failure fully to theorize the results of concrete studies” [Johnson 1979:216].

Het begrip ervaring wordt overbelast en de maatschappelijke structurering van de ervaringen verdwijnt naar de achtergrond. Maar Thompson is geen simpele culturalist. Veranderingen in arbeids- en klassenverhoudingen zijn in Thompson’s historische studies niet afwezig — en hun structurerende kracht wordt altijd verondersteld. De veranderingen in de arbeidsverhoudingen en daarin verankerde klassenstructuren worden echter alleen begrepen via hun ervarings- en politieke effecten en worden niet als zodanig geanalyseerd. Thompson beschrijft het transformatieve karakter van de industriële revolutie via de ervaringen van ambachtslieden, wevers enzovoort. De specifieke aard van de verschuivingen in de klassenverhoudingen worden niet als zodanig beschreven en vormen in zijn verhaal slechts een achtergrond of een decor.

Thompson geeft echter geen expliciete uiteenzetting over de causale samenhangen die ten grondslag liggen aan het historische proces van culturele en politieke klassen-formaties dat hij beschrijft. In feite hanteert hij een zwakke — maar nog teleologische — versie van het klassieke model van de klasse-op-zich/klasse-voor-zich.
De structurerende kracht van veranderingen in de objectieve klassenverhoudingen wordt dus verondersteld, maar de meeste aandacht gaat uit naar de kracht van culturele en politieke processen en alleen deze laatsten worden gedetailleerd beschreven [Johnson 1979:221; Johnson e.a. 1978]. Thompson’s kracht is dat hij deze analyse uitvoert met een enorme bagage aan historische informatie en een scherpzinnig gevoel voor politieke en culturele nuances. Zijn grote verdienste is dat hij een gedetailleerde beschrijving geeft van de uiterst complexe samenhang tussen culturele en politieke disposities, houdingen, waarden en oriëntaties van de werkende bevolking in Engeland.

Index


4·5 Wright: klassenbewustzijn als bewustzijn van klassenbelangen?
In tegenstelling tot Lukács vat Wright klassenbewustzijn niet op als een contra-feitelijk of toegeschreven kenmerk van klassen als collectieve entiteiten. Voor Wright is klassenbewustzijn een aspect van de concrete subjectiviteit van menselijke individuen als leden van sociale klassen. Klassenbewustzijn bestaat uit subjectieve voorkeuren van individuele actoren. Klassenbewustzijn refereert aan elementen van de subjectiviteit van een persoon — geloof, ideeën, observaties, informatie, theorieën, preferenties — “which are discursively accessible to the individual’s own awareness” [Wright 1985:244].

De vraag is in welke mate klassenbewustzijn als een eigenschap van klassen (collectieve klassenpraktijken) dan wel van de klassenindividuen (individuele voorkeuren) gethematiseerd kan worden. Voetnootsgewijs merkt Wright op dat men klassenbewustzijn ook als een eigenschap van een collectiviteit zou kunnen benaderen, nl. “when consciousness is used to describe the practices themselves and not simply the forms of subjectivity that shape the intentional choices implicated in those practices” [Wright 1985:280]. Hij geeft er echter zelf de voorkeur aan de term bewustzijn te beperken tot de ‘subjectieve dimensie’. Voor de collectief georganiseerde bronnen die in klassenacties worden gebruikt, hanteert hij de term ‘capaciteiten’; voor de individuele en collectieve activiteiten die resulteren uit de verbinding van individueel bewustzijn en collectieve capaciteiten gebruikt hij de term ‘praktijken’. Marshall e.a. [1988:192] laten zien dat de conclusies van Wright’s analyse van klassenbewustzijn in Zweden en de Verenigde Staten haaks staan op zijn poging om klassenbewustzijn te conceptualiseren in termen van louter individuele kenmerken.

Klassenbewustzijn wordt door Wright bijna altijd gereduceerd tot bewustzijn van klassenspecifiek gestructureerde objectieve belangen.

In andere passages lijkt hij deze reductie los te laten, maar dit heeft geen consequenties voor zijn uitgangsdefinitie en leidt in ieder geval niet tot een bredere thematisering van klassenspecifieke handelingsoriëntaties. Als men klassenbewustzijn daadwerkelijk wil verstaan “in termen van het klassenkarakter van waarnemingen, theorieën en preferenties die intentionele keuzes bepalen” [Wright 1985:250] dan heeft dit minstens twee consequenties die onverenigbaar zijn met een reductie van klassenbewustzijn tot belangenoriëntatie.

  1. Om enig idee te krijgen van de ‘preferenties die intentionele keuzes bepalen’ moet men ‘subjectiviteit van menselijke individuen’ reconstrueren. Zo’n reconstructie vertrekt vanuit een analyse van de klassenspecifieke habitus en levensstijlen die gestructureerd worden door objectieve klassenverhoudingen en dominante waarnemings-, duidings- en waarderingspatronen. Dit hele stelsel van klassenspecifieke disposities en voorkeuren ‘aan gene zijde van bewustzijn en discursief denken’ (Bourdieu) bepaalt immers de parameters van actuele taalpatronen en spreekstijlen, actuele waarnemingen, duidingen en cognitieve stijlen, van actuele normatieve (voor)oordelen en oriëntaties, van actuele smaakpreferenties en esthetische intoleranties, van actuele psychische houdingen en karakterstructuren, en van actuele lijfelijke ervaringen en lichaamshoudingen.

    Volgens Brenner [1989:190] legt Wright een overdreven abstracte verbinding tussen objectieve belangen en bewustzijn en besteedt hij onvoldoende aandacht aan het proces waardoor arbeiders hun visies op de wereld ontwikkelen.
    In zijn reactie op de kritiek van Johanna Brenner blijkt Wright [1989: 209 e.v.] overigens wel gevoelig te zijn voor het argument dat de criteria waarmee sociale klassen onderscheiden worden niet gereduceerd kunnen worden tot verschillen in hun ‘materiële belangen’, maar ook verschillen in hun habitus en levensstijlen omvatten. Hij erkent dat dit een belangrijk en potentieel krachtig alternatief is voor zijn eigen benadering waarin het begrip klassenstructuur geconcentreerd is rond ‘materiële belangen’.

    Voor Wright is dit echter geen reden om de klassenhabitus als apart niveau van handelingsstructurering in zijn model op te nemen. Hij wil de klassenhabitus en de hierop steunende processen van identiteitsvorming niet in zijn begrip van de klassenstructuur opnemen. Verschillen in klassenhabitus en -identiteit zijn immers — pace Bourdieu — geen criterium voor de structurering van klassenposities. Wright stelt voor om de ‘lived experiences’ te behandelen als een onafhankelijke bron van variatie binnen klassen, eerder dan als criterium voor klasse(posities) zelf. Het bezwaar is dat Wright de constitutie van klassenhabitus en klassenspecifieke levensstijlen niet als een apart niveau integreert in zijn —te beperkte— notie van structurering van klassenbewustzijn en handelen.

    Wright vermengt het probleem van habitus en levensstijlen met twee andere problemen. Enerzijds wordt het vermengd met het probleem van de ‘geleefde ervaringen’ [idem:206,288 e.v.]. Anderzijds wordt het probleem van de subjectieve ervaringen en identiteitsvorming helemaal toegespitst op de gemeenschappelijkheid van ‘werkplaats ervaringen’ [zie de op dit punt terechte kritiek van Erikson/Goldthorpe 1992:234].

    Wright geeft geen reden waarom klassenervaringen gecentreerd zouden moeten worden op het organisationeel-interactionele niveau van de arbeidsplaats, en op de variaties die op dit niveau kunnen worden onderscheiden tussen verschillende ‘factory regimes’ (Burowoy). Opmerkelijk is dat Wright in een latere uitweiding weer laat vallen en in het abstracte model van de zuivere kapitalistische productiewijze drie ‘critical lived experiences’ onderscheidt: de ervaring van het gedwongen zijn om de eigen arbeidskracht te verkopen teneinde te overleven, de ervaring van het gedomineerd worden door bazen tijdens het werk, en de ervaring van het onvermogen om de allocatie van de maatschappelijke bronnen te controleren [idem:337, 289].

  2. We hebben gezien dat Wright klassenbewustzijn wil thematiseren in termen van de klasseninhoud van percepties, ’theorieën’ en preferenties die intentionele keuzes bepalen. Maar zelfs als men hiervoor kiest is dat nog geen goede reden de handelingsmotiverende oriëntaties te beperken tot strategische, dat wil zeggen belangengerichte oriëntaties.

Index5. Graden typen van klassenbewustzijn

5·1 Praktisch en discursief klassenbewustzijn
Handelingsoriëntaties zijn niet per sé discursief bewust, maar kunnen ook voorbewust of onbewust zijn. Bij klassenhandelen spelen praktische, stilzwijgende of achtergrondkennis en ‘know how’ een belangrijke rol.

Deze vaak voor- of onbewuste praktische inzichten kunnen door reflectie niet algemeen, maar wel thematisch en selectief in discursieve kennis worden getransformeerd [Bader/Benschop 1988:135,323 en Bader 1991:62, in aansluiting bij Habermas en Giddens]. Dit inzicht is helaas nog weinig doorgedrongen in pedagogische concepties voor arbeidersvorming en politieke strategieën van ‘bewustmaking’. Zie hiervoor m.n. de discussies naar aanleiding van Oskar Negt’s model van ‘exemplarisch leren’.

We spreken van discursief klassenbewustzijn wanneer en voor zover actoren in staat zijn om expliciete redenen en motieven aan te geven voor hun eigen klassenhandelen. Daarentegen omvat praktisch klassenbewustzijn alles wat actoren weten en moeten weten om zich in klassenspecifieke contexten van het sociale leven te kunnen bewegen. Praktisch klassenbewustzijn omvat zeer uiteenlopende vormen van kennis en inzicht. Het omvat ook inzichten die actoren niet noodzakelijkerwijs hoeven te kunnen verwoorden, maar die ze wel hebben en die constitutief zijn voor hun klassenspecifieke handelen.

Praktisch klassenbewustzijn manifesteert zich in zeer uiteenlopende vormen van communicatie en interactie: in het spreken en in het betekenisvolle zwijgen, in het gebruik van specifieke woorden, spreekwoorden en gezegden en in de wijze waarop zij worden uitgesproken, in het beoordelen van mensen en alledaagse situaties en in het veroordelen van (en in vooroordelen over) andere mensen en vreemde of juist bekende situaties, in het lachen, de scherts en de humor en in specifieke vormen van fatalisme, sarcasme, leedvermaak of zelfvernedering, in de bijzonderheden van mimiek en lichamelijke motoriek en in de omgang met superieuren en soortgelijken, in de favoriete begroetingswijze van vrienden, beroeps- en klassegenoten en in de gecalculeerde afstand die men houdt ten opzichte van leden van andere klassen.

Empirische analyse van praktisch klassenbewustzijn
Bij de bespreking van de wijze waarop klassenverhoudingen in het alledaagse bewustzijn zijn verwerkt, heb ik al gewezen op de nadelen die verbonden zijn aan de traditionele vormen van mondelinge of schriftelijke enquêtering [hft. I, § 2]. De problemen van het empirische bewustzijnsonderzoek zijn helaas niet beperkt tot het vinden van een gepaste ‘taal’ waarin vragen gesteld kunnen worden en tot het ontwikkelen van een —sociolinguïstisch geïnformeerd— referentiekader om de antwoorden die men noteert te interpreteren. Het probleem is veeleer dat men met gestandaardiseerde of open interviews hooguit een paar aspecten van het praktisch klassenbewustzijn kan identificeren.

Dit geldt ook voor de door Wright [1985] en Erbslöh e.a. [1990] geconstrueerde bewustzijnsindex die als indicator voor klassenbewustzijn wordt gebruikt. Strikt genomen worden hiermee alleen de geverbaliseerde uitingsvormen van praktisch klassenbewustzijn geregistreerd. Sociale historici, etnologen en antropologen hebben waarschijnlijk ‘van huis uit’ veel minder moeite om het hele skala van andere vormen van discours in hun empirische analyses te betrekken dan sociologen. Bepaalde grondhoudingen van personen worden alleen manifest in bepaalde collectief beleefde, niet kunstmatig geprovoceerde situaties [Fantasia 1988:5; Hagelstange 1990:115].

Om deze uitingsvormen van praktisch klassenbewustzijn te onderzoeken moeten we “in het sociologisch vocabulair alle vormen van discours toelaten die we als alledaagse actoren normaal gesproken ook zouden accepteren” [Giddens 1987:42]. Het menselijke vermogen om te spreken en te communiceren is immers afhankelijk van kennis die we grotendeels niet discursief kunnen weergeven: er is dus altijd een verschil tussen wat we ‘weten’ en het ‘inzicht’ dat we hebben, en wat we feitelijk onder woorden kunnen brengen.

Giddens ziet op dit punt een belangrijke taak weggelegd voor linguïsten, die hun hele leven besteden aan het ontdekken van datgene wat we al weten. “Hierin schuilt geen paradox, immers we kennen deze dingen niet op discursief niveau. Ik ben bang dat wat voor linguïsten geldt in belangrijke mate eveneens opgaat voor sociologen: wat zij proberen bloot te leggen is bij de mensen zelf —zij het meestal niet op discursief niveau— vaak allang bekend” [Giddens 1987:44].

Index


5·2 Klassenidentiteit, hervormend en revolutionair klassenbewustzijn
Klassenidentiteiten onderscheiden zich van klassenhabitus en van klassenspecifieke levensstijlen en culturen door een minimum aan klassenbewustheid. Wanneer en in de mate dat de leden van een sociale klasse een gemeenschappelijke klassenidentiteit ontwikkelen, wordt deze klasse ook een subjectieve realiteit, dat wil zeggen gaat zij ook voor zichzelf bestaan in onderscheid van of in tegenstelling tot andere klassen. Het ontstaan van klassenbewustheid of klassenidentiteit is daarom een belangrijke fase in de lange weg van klassen als potentiële conflictgroepen naar actuele politieke actoren (klassenkrachten en -bewegingen) en manifeste klassenconflicten.

Tegen deze achtergrond kan opnieuw het probleem van de graden van klassenbewustheid en de typen van klassenbewustzijn worden geagendeerd. In aansluiting bij Giddens [1973:111 e.v.] en Bader [1991:126-9] maak ik een onderscheid tussen klassenbewustheid of -identiteit, hervormend en revolutionair klassenbewustzijn. Dit onderscheid biedt voldoende mogelijkheden om de dynamische —ontwikkelingstheoretische en historische— dimensie van klassenspecifieke handelingsoriëntaties te analyseren.

  1. Klassenidentiteit
    Zie hoofdstuk I, § 2 voor empirisch onderzoek naar klassenidentiteiten. Bader [1991:109-24] geeft een uitvoerige protheoretische analyse van oorzaken, grondslagen en processen van identiteitsvorming en -definitie.
    Het eerste niveau van klassenbewustheid is dat van de klassenidentiteit [Giddens 1973:111; Jackman/Jackman 1983]. Klassenidentiteit refereert niet alleen aan verschillen tussen objectieve klassenposities, maar ook aan verschillen in klassenhabitus en levensstijlen alsmede aan de zeden, solidariteiten en waarden van een klasse (en hun onderlinge samenhang).

    Klassenidentiteit impliceert altijd een zeker minimum aan bewustheid en vergelijking van belangenverschillen.* De graden van bewustheid lopen echter uiteen van een vaag vermoeden (‘klassenbesef’ of ‘klasseninstinct’) tot aan een duidelijk inzicht in de verschillen tussen klassen en het daadwerkelijk formuleren van deze verschillen.

    * Ik laat hiermee niet de eerder ingenomen stelling vallen dat in klassenidentiteiten niet alleen strategische, belangengerichte handelingsoriëntaties zijn verwerkt, maar ook traditionele, gevoelsmatige en normatieve oriëntaties. Daarom is het nauwkeuriger te zeggen: wanneer klassenidentiteiten in de strategische handelingscontext worden geanalyseerd, impliceren zij dat in ieder geval ook belangenverschillen. Bovendien zijn deze belangenverschillen vaak een overblijfsel van verder ontwikkelde vormen van conflictbewustzijn. “Ook wanneer dit niet het geval is, vloeien belangenverschillen echter toch niet spontaan en zonder vergelijking voort uit de eigen levenspositie en -wijze. Verschillen van objectieve levenspositie, van houdingen en levensstijlen, van culturen enz. verschijnen slechts in egalitaristische utopieën van gelijkmakerij als steen des aanstoots” [Bader 1991:414]. Vgl. Bader/Benschop [1988:286].

    Klassenidentiteiten ontstaan net alle andere collectieve identiteiten door processen van identificatie. Een klassenidentiteit kan ontstaan door een positieve identificatie met de eigen klassengemeenschap. Een klassenidentiteit kan echter ook in vergaande mate of uitsluitend en zelfs relatief bewust negatief zijn. Klassenidentiteiten worden immers niet alleen gedefinieerd door de leden van de eigen klasse, maar ook door anderen.

    Voor acties en bewegingen van uitgebuite klassen is klassenidentiteit een doorslaggevende mobilisatie- en conflictbron. Dit is precies de reden waarom er zo veel pogingen gedaan worden de definitie van klassenidentiteit strategisch te beïnvloeden.
    Een sociale klasse en klassengemeenschap wordt ook gedefinieerd door de leden van andere klassen of door hun (natuurlijk altijd ‘ongebonden’ en ‘onpartijdige’) woordvoerders en intellectuelen. De meestal weinig flatterende, vaak regelrecht krenkende of discriminerende definities (‘plebs’, ‘proleet’, ‘bourgeois’, ‘kleinburger’) zijn al voldoende om tot deze klasse te worden gerekend en als ‘lid’ van een klassengemeenschap te worden erkend. Daarbij doet het niet ter zake of men zich zelf met deze toegeschreven kenmerken en eigenschappen positief identificeert of niet. Er is slechts een elementair klassenbesef nodig om te voelen of te weten dat men door anderen bij een bepaalde klasse wordt ingedeeld.

    Uit een negatieve klassenidentiteit kan een negatief klassenbewustzijn ontstaan. Dit veronderstelt echter dat de krenkende en discriminerende definities die door anderen worden gegeven gedeeltelijk worden doorbroken of dat de negatieve waardering wordt omkeerd: de verachte ‘proleten’ die tot het midden van de vorige eeuw in het meest gunstige geval het geliefde object van burgerlijk filantropisch medelijden waren, begonnen hun proces van zelfbewustwording met het accepteren van de geuzennaam ‘proletariërs’.* Zij onderkenden de oneigenlijkheid van de criteria die door burgerlijke woordvoerders op hen werden toegepast en begonnen andere criteria te leren waardoor hun eigen verzetspotentieel en zelforganiserend vermogen in het vizier kwam [Draper 1977 I:129 e.v.; Briggs 1983:2 e.v.]. In dit perspectief zou men ook kunnen onderzoeken welke invloed de definities van ‘de nieuwe vrijgestelden’, ‘het spijkerpakkenproletariaat’ enz. hebben gehad op de (positieve dan wel negatieve) zelfopvatting van de moderne loonafhankelijke middenklassen.

    * Eerzame proleten
    In de proletarische klassenidentiteit zoals deze zich in de 19e eeuw ontwikkelde, werd het arbeidersbestaan als ‘eerzaam’, ‘maatschappelijk waardevol’ en ‘progressief’ geïnterpreteerd. Daarbij werd de leuze van het oude ambacht —arbeid en eer— gecontinueerd en geherïnterpreteerd. De eer was nu gelegen in het eigen arbeidersbestaan, in het verrichten van productieve arbeid en in het streven om de maatschappij te verbeteren.

    Daarmee nauw verbonden was de duiding van het eigen dagelijkse klassenbestaan als miserabel en onwaardig, als moreel verwerpelijk product van het kapitalisme, dat door gezamenlijke klassenactie fundamenteel kon worden verbeterd. De negatieve ervaringen van de armoede en ellende van het arbeidersbestaan werden onder invloed van de georganiseerde arbeidersbeweging omgezet in een positieve identiteit, die perspectivische hoop op een toekomstige —rechtvaardige of socialistische— maatschappij wekte en op de eigen levensstijl werd betrokken.

    Ook al was men als arbeider niet in staat de eigen positie te verbeteren en de eigen kinderen een betere en zekerder toekomst te bieden, dan was men nog wel in staat een positief gevoel van eigenwaarde te behouden, een goede vakbondsman, sociaal-democraat of socialist te zijn en de kinderen in deze traditie op te voeden, en door onderwijs en zelfscholing deel te nemen aan de culturele ontwikkeling.

  2. Hervormend klassenbewustzijn
    Wanneer de onderscheidingen tussen de eigen klassensituatie en die van andere klassen niet alleen als verschillend (‘meer of minder van hetzelfde’), maar ook als tegenstrijdig of antagonistisch worden ervaren en gedefinieerd, ontstaat er bewustzijn van het klassenconflict. Klassenhandelen en -conflicten worden gestimuleerd door de ervaring en het inzicht dat klassenbelangen onverenigbaar zijn.

    Hervormend klassenbewustzijn wordt bepaald door het inzicht in tegenstellingen tussen klassenbelangen. Voor het hervormend klassenbewustzijn kunnen de tegenstellingen tussen klassenbelangen in principe worden opgelost door veranderingen binnen de bestaande klassenstructuren. Binnen de grenzen van de kapitalistische klassenverhoudingen stimuleert dit het streven naar de ‘gelijkwaardigheid van arbeid en kapitaal’.

    Hervormend klassenbewustzijn is een impuls voor zeer uiteenlopende en soms zeer vergaande modificaties van en aanvullingen op de maatschappijstructuren en
    “Hervormend conflictbewustzijn van de loonarbeidersklasse in het kapitalisme vereist bijvoorbeeld een modificatie van kapitalistische maatschappijen — algemene politieke burger-rechten, sociale zekerheid, collectieve arbeids-overeenkomsten, met investeringsvrijheid verenigbare vormen van medezeggenschap op bedrijfsniveau enz.; het gaat ervan uit dat in dergelijke gemodificeerde maat-schappijen de belangentegenstellingen tussen arbeidersklasse en kapitalistenklasse in het alledaagse en geïnstitutionaliseerde klassenconflict met succes beïnvloed kunnen worden ten gunste van de arbeiders” [Bader 1991:128].
    van de staatsverhoudingen en -instituties waarin de politieke krachtsverhou-dingen tussen de klassen zijn gesedimenteerd. Hervormend klassenbewustzijn wordt geschraagd door de verwachting dat het mogelijk is de eigen klassenbelangen te behartigen door collectieve klassenacties in en rond de arbeidsorganisaties (syndicale acties), in en rond de staat (zoals partijpolitieke acties, lokale acties) en in andere instellingen en organisaties van de civiele maatschappij (culturele initiatieven, gezinspolitiek).

  3. Revolutionair klassenbewustzijn
    Revolutionair klassenbewustzijn wordt bepaald door de ervaring en het inzicht in de tegengesteldheid van klassenbelangen. Voor het revolutionaire bewustzijn kunnen deze tegenspraken of antagonismen tussen klassenbelangen niet binnen het kader van de bestaande klassenstructuren worden opgelost. Daarom moeten deze klassenstructuren zelf fundamenteel veranderd worden.

    Revolutionair klassenbewustzijn is een impuls voor het ontwikkelen van alternatieve of utopische maatschappijbeelden en wordt geschraagd door de verwachting dat door politiek gericht klassenhandelen een fundamentele omwenteling of zelfs een volledige overwinning van het klassenstelsel tot stand gebracht kan worden.

      “Revolutionair klassenbewustzijn van arbeiders veronderstelt dat de belangen van de arbeiders ook in ... gemodificeerde kapitalistische maatschappijen niet duurzaam met succes behartigd kunnen worden en daarom een verandering van de basisinstituties zelf vereisen. Het is aanleiding en resultaat van de ontwikkeling van alternatieve maatschappelijke ordeningsmodellen en van het geloof dat dergelijke fundamentele veranderingen door collectieve politieke strategieën gerealiseerd kunnen worden” [Bader 1991:129]. Vgl. Wolpe [1969:255], Mann [1973/5:13].

    Het onderscheid tussen veranderingen bínnen het kader van geïnstitutionaliseerde klassenverhoudingen en verandering ván deze verhoudingen is uiteraard vloeiend. Ook revolutionair klassenbewustzijn is geen kwestie van ‘alles-of-niets’.

    Alles-of-niets definities
    Het nadeel van ‘alles-of-niets’ definities van klassenbewustzijn is dat hiermee veel praktische uitdrukkingen van klassenbewustzijn in collectieve acties over het hoofd worden gezien omdat zij niet voldoen aan de ideale standaard van wat klassenbewustzijn zou moeten zijn.

    De mate van klassbewustheid kan echter alleen worden afgelezen uit het geheel van de culturele expressies van de geleefde ervaringen van een sociale klasse, d.w.z. van de praktische en ideële representaties van ervaringen die in het interactieproces tussen en binnen klassen worden verwerkt.

    Rick Fantasia [1988] heeft dit voorbeeldelijk gedaan in zijn analyse de solidariteitsculturen van de moderne Amerikaanse arbeidersklasse. Hij thematiseert het klassenbewustzijn van de Amerikaanse arbeiders middels een drietal casestudies van de processen van arbeiderssolidariteit op afdelings-, bedrijfs- en lokaal niveau. Het grote voordeel van zijn analyse is dat men zicht krijgt op zowel de maatschappelijke, organisationele als interactionele aspecten van het proces van klassenbewustzijn. Bovendien krijgt men ook weer zicht op de paradoxen en oscillaties van het arbeidersklassenbewustzijn die met de gebruikelijke survey technieken altijd onderbelicht blijven.

    Charles Tilly heeft er terecht op gewezen dat revolutionair klassenbewustzijn voor een historicus net zo iets is als wrijvingsloze beweging voor een mechanicus. “Neither has ever existed, but both underlie vast theoretical constructions and wide-ranging empirical inquiries. Physicists, however, have the good sense not to waste their time looking for frictionless motion or, worse yet, striving to prove that it fails to characterize one real situation or another. Labor historians (at least those of modern England) generally lack that good sense” [Tilly 1974, geciteerd in Katznelson 1986:7].

Door mensen gemaakt,
door mensen te veranderen
Revolutionair klassenbewustzijn impliceert het geloof in de mogelijkheid van een verandering van de bestaande exploitatie- en klassenverhoudingen. Instellingen die voorheen als natuurlijk en onveranderlijk werden ervaren worden nu gedefinieerd als door mensen gemaakt en dus door mensen te veranderen. Revolutionair klassenbewustzijn impliceert bovendien het geloof in de eigen kracht om de gewenste verandering daadwerkelijk door te voeren.
Wanneer zich eenmaal een klassenidentiteit heeft gevormd, vergemakkelijkt en stimuleert dit de articulatie van klassenbelangen op lange termijn. Evenals klassenspecifieke houdingen, levensstijlen en culturen kunnen klassenidentiteiten echter zelf ook een aanleiding tot en inzet van klassenconflicten worden. Met name wanneer bestaande klassenidentiteiten worden bedreigd, kunnen zij zelf een explosieve belangentegenstelling of -tegenspraak worden. Het explosieve karakter van conflicten waarin klassenidentiteiten zelf als tegenstrijdige belangen worden gedefinieerd, kan als volgt worden verklaard: “Collectieve habitus en collectieve identiteiten zijn ‘delen van het zelf’ en staan als zodanig niet ter beschikking, noch kan er over hen worden onderhandeld. Deze niet-onderhandelbaarheid van collectieve identiteiten beïnvloedt het karakter van alle conflicten, waarbij de erkenning van collectieve conflictgroepen en hun identiteiten een grote rol speelt; het verklaart de geringe compromiskansen en de vaak scherpe escalatie van deze conflicten” [Bader 1991:129].

Index6. Klassenidentiteiten in beweging

Hoe ontstaan klassenidentiteiten, hoe worden zij bestendigd en gecultiveerd en hoe veranderen zij in de loop der tijd?

Klassenidentiteiten ontstaan evenals alle andere collectieve identiteiten in situaties van concurrentie of strijd om bronnen en beloningen die als schaars worden ervaren en gedefinieerd. Het ontstaan van klassenidentiteiten wordt gestimuleerd door:

De bestendiging en cultivering van klassenidentiteiten is afhankelijk van

Klassenorganisaties spelen een cruciale rol in de bestendiging van klassenidentiteiten. Vakbonden en politieke partijen op klassenbasis zijn een essentiële voorwaarde voor de transformatie van latente gevoelens van klassenidentiteit in bewuste klassenactie.

De specifieke aard en omvang van klassespecifieke bewegingsorganisaties zijn dus mede bepalend voor de empirische variaties in klassenidentiteiten. Omgekeerd geldt echter ook dat er een latente klassenidentiteit moet bestaan waarbij vakbonden en partijen kunnen aanknopen en dat zij voor klassenspecifieke doelen kunnen mobiliseren.

Gevormde en gecultiveerde klassenidentiteiten zijn door hun diepe psychologische verankering weliswaar relatief stabiel, maar zijn zeker geen statische gegevens. De genoemde constitutieve en bestendigingsfactoren zijn tevens de factoren die verantwoordelijk zijn voor de verandering van klassenidentiteiten.

Het tempo van deze veranderingen is even variabel als de diepgang of reikwijdte van de transformaties. Snelle en diepgaande transformaties van klassenidentiteiten zijn even zeldzaam als snelle en diepgaande revolutionaire omwentelingen van de klassenstructuren die daaraan ten grondslag liggen. Deze revolutionaire episoden van ‘wit hete’ klassenmobilisatie en catharsische klassenconflicten zijn meestal mede het resultaat van langdurige, moleculaire transformaties van bestaande klassenidentiteiten, die vaak onopgemerkt blijven (voor de direct betrokkenen zelf en meestal ook —of juist— voor sociale wetenschappers).

Wanneer zowel de gemeenschappelijkheden van de objectieve klassenpositie en geïnternaliseerde klassenhabitus als van de levensstijlen en culturen feitelijk veranderen of verdwijnen, dan verliezen klassenidentiteiten hun sociaal-structurele en habituele grondslag. Op den duur leiden dergelijke processen meestal tot fragmentatie van bestaande klassenidentiteiten, of zelfs tot een volledige erosie van klassenidentiteiten.

Erosie van dichotome klassenidentiteit?
Het oude, dichotoom gestructureerde arbeidersbewustzijn is aan erosie onderhevig [Mooser 1984]. In historisch-sociologische en sociaal-psychologische studies over de ontwikkeling van het arbeidersbewustzijn wordt benadrukt dat zich onder invloed van een verhoogde materiële levensstandaard en de hierdoor bepaalde uitbreiding van de individuele reproductiemogelijkheden buiten de sfeer van de arbeid een steeds sterkere tendens van individualisering van handelingsoriëntaties aftekent.

In het traditionele arbeidersbewustzijn nam het gemeenschappelijke belang om als (lid van een) klasse te overleven een centrale plaats in; in het moderne arbeidersbewustzijn komen de individuele belangen om zich als lid van een beroepsgroep en van een huishouden te reproduceren meer op de voorgrond te staan. De hier zeer grof aangeduide individidualiseringstendens wordt bevestigd in diverse studies naar levensstijl van de moderne arbeidersklasse.

Dit betekent echter nog niet dat klassenspecifieke belangen, verlangens en aspiraties geen rol meer spelen in het moderne arbeidersbewustzijn. Juist door de inspanningen die arbeiders zich getroosten om hun individuele ontwikkelings- en reproductiebelangen te behartigen (via kwalificatie en het op de markt brengen van de eigen arbeidskracht), stuiten zij telkens weer op groepsbelangen die gemeenschappelijk moeten worden verdedigd en worden zij herinnerd aan de relatie tussen hun individuele levens- en handelingskansen en de collectieve arbeidsovereenkomsten (waardoor deze kansen telkens weer opnieuw moeten worden veroverd).

Ook al is het individuele handelingsperspectief van de moderne loonarbeiders nog zo sterk, het blijft ingebonden in het kader van klassenspecifieke belangen en conflicten. Zolang en in de mate dat dit het geval is, blijft de georganiseerde arbeidersbeweging een praktische betekenis houden voor grote groepen loonarbeiders en zullen de historische ervaringen van de arbeidersklasse en de daaruit gecultiveerde klassenidentiteiten voor hen een oriëntatiefunctie vervullen.

Ook een sociale klasse kan dus in een identiteitscrisis verkeren. Voor een opkomende klasse is dit waarschijnlijk een even normaal verschijnsel als voor een klasse in verval. In het laatste geval begint de crisis van de klassenidentiteit zodra zij haar hegemoniale positie in de politieke klassenformatie begint te verliezen, of zodra zij haar moeizaam verworven plaats binnen een hegemoniale constructie aan andere klassenformaties moet afstaan. Het klassenspecifieke ressentiment dat hierdoor wordt opgeroepen, is in het historische onderzoek het meest duidelijk gedemonstreerd aan de hand van de opstelling van de kleinburgerij ten opzichte van het nationaal-socialisme: van de ‘wandelende tegenspraak’ bij Marx tot de ‘wildgeworden kleinburger’ bij Lenin, en van Geiger’s ‘paniek in de middenstand’ tot aan Poulantzas’ schets van het ‘fetisjisme van de macht’ dat zich tussen de angst voor proletarisering en de afgunst van de bourgeoisie nestelt.

Wanneer klassenidentiteiten van hun gemeenschappelijke ervaringsbasis zijn beroofd, worden zij en daarmee hun dragers in zeer sterke mate van discursieve aansprekingsstrategieën afhankelijk. De labiliteit van klassenidentiteiten is waarschijnlijk de belangrijkste maatstaf voor de manipuleerbaarheid van deze identiteiten.

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013