| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
| 1. Stelling en afbakening |
|---|
1.1 Arbeidsverhoudingen als uitgangspunt
Klassenverhoudingen worden primair door exploitatieve arbeidsverhoudingen gestructureerd. De afbakening van objectieve klassenposities berust op twee centrale veronderstellingen.
In deze stelling ligt zowel een afbakening (een negatieve heuristiek) besloten ten opzichte van (a) benaderingen die uitgaan van een economisch-deterministisch of productivistisch verkort klassenbegrip, als van (b) benaderingen waarin het klassenbegrip wordt opgerekt middels het brede, synthetische concept van productiewijze (à la Poulantzas, Bourdieu e.a.).
|
Twee willekeurige voorbeelden uit de niet-marxistische traditie:
Zie over de betekenis en invloed van Bucharins mechanisch-economistische codering van het historisch-materialisme: Deborin/Bucharin [1969], Kofler [1971:155-6] en de oudere kritieken van Lukács [1925] en Gramsci [1971:419-72; Ned. vert. pp. 86-112]. |
Kenmerkend voor deze opvatting is dat de klassenverhouding wordt gereduceerd tot een mens-ding relatie, dat wil zeggen tot een relatie tussen directe producenten en hun objectieve productievoorwaarden (die bijna altijd worden gereduceerd tot materiële productiemiddelen). De veronderstelde consensus onder marxisten zou zijn dat het beslissende criterium van klassendeling de verhouding is waarin de directe producenten staan tegenover de productiemiddelen (vergelijk de bekende formuleringen over bezit en niet-bezit van de productiemiddelen).
De stelling van Marx was evenwel dat het meest intieme geheim van de maatschappelijke constructie gelegen is in de directe verhouding van de eigenaar van de productievoorwaarden (en niet de productievoorwaarden zelf!) tot de directe producenten. Het geheim van de maatschappelijke klassendeling is dus gelegen in de telkens specifieke economische vorm van deze verhouding [Marx, MEW 25:799; MEW 23:231; MEW 26.3:271]. De these van Marx zou als volgt geformuleerd kunnen worden: de verschillende klassen worden gekenmerkt door de specifieke economische vorm van hun verhouding tot de objectieve arbeidsvoorwaarden [Marx, MEW 26.3:27]. In deze zin wordt het klassenbegrip dus in eerste instantie economisch opgevat.
Het beslissende klassencriterium is dus niet het bezit van productiemiddelen, maar het eigendom resp. de toeëigening van meerarbeid/meerwaarde. De eigendom van de productiemiddelen impliceert de facto toeëigening van meerarbeid, maar dat is niet altijd zonder meer het geval. |
Zoals bekend worden er in de sociologische stratificatieliteratuur als indicator van de technische arbeidsdeling zeer vaak (meer of minder gedifferentieerde) beroepsindelingen gehanteerd. De bezwaren tegen een dergelijke benadering kunnen in twee punten worden samengevat [zie ook al hoofdstuk I, § 2·4].
Beroepen zijn dus niet als zodanig bepalend voor de aard van sociale klassen. It is class relations, embedded as these are within the control relationships of organizations, that determine the delineation of occupations and therefore, occupational orders. […] It is only by reference to class, as determined by the social relations of economic and social organizations, that it is possible to understand the changing composition of occupational orders and, related to these, patterns of privilege and disadvantage [Scase 1992:26].
1.3.1 Nicos Poulantzas: een oeverloos begrip van productiewijze
| Poulantzas werkt zijn klassentheorie vooral uit in Pouvoir politique et classes sociales [1968] en Les classes sociales dans le capitalisme daujourdhui [1974]. Van dit laatste boek zijn een aantal hoofdstukken vertaald in Klassen in het huidige kapitalisme. Nijmegen [1976]. |
In een latere formulering is klasse voor hem een begrip dat de structuuruitwerking (effet de structure) in de maatschappelijke arbeidsdeling (de maatschappelijke verhoudingen en praktijken) aanduidt [Poulantzas 1976:16]. Daarom moet een maatschappelijke klasse structureel worden gedefinieerd door haar positie in het geheel van de maatschappelijke praktijken, d.w.z. door haar positie in het geheel van de maatschappelijke arbeidsdeling die ook politieke en ideologische verhoudingen omvat [idem]. De maatschappelijke klassen zijn weliswaar hoofdzakelijk maar niet uitsluitend bepaald door hun positie in het productieproces, d.w.z. in de economische sfeer. Aan deze economische positie komt weliswaar de hoofdrol toe, maar het economische is niet voldoende voor de bepaling van de maatschappelijke klassen: ... het politieke en de ideologie, kortom de bovenbouw ... [spelen] eveneens een zeer belangrijke rol [idem].
Aan een dergelijke benadering kleven tal van problemen, die niet of nauwelijks vanuit de gehanteerde basispremisse zijn op te lossen [zie de kritieken van Cardoso 1972; Shotnets 1979 en vooral Wright 1978].
| Het is indicatief dat Poulantzas drie verschillende termen gebruikt om de bijzondere rol van de economische instantie aan te duiden. Als men de laatste term (beslissende rol) letterlijk neemt, zou de hele anti-economistische exercitie van Poulantzas op losse schroeven komen te staan. Poulantzas lijkt het economisme door de voordeur te verdrijven om het in een nieuw gewaad weer door de achterdeur binnen te halen. Zie ook de kritiek van Miliband [1973/6:641] en Hirst [1977]. |
Poulantzas volstaat met een verwijzing naar Lenins beschrijvende begrip van het klasseninstinct om aan te geven dat het economische bestaan van de arbeidersklasse zich uitdrukt in specifieke materiële en ideologische praktijken [Poulantzas 1976:19]. Om dit te kunnen begrijpen adviseert hij dat men in ieder geval moet breken met iedere opvatting van ideologie als een coherent stelsel van ideeën of discours en dat men haar moet opvatten als geheel van materiële praktijken [idem]. Later komt hij hierop kort terug met een verwijzing naar Marx analyse van het warenfetisjisme als een uitstekend voorbeeld van een reproductie van de heersende ideologie die het bereik van de [ideologische] apparaten te buiten gaat [idem, p. 34]
Als men het klassenbegrip zo oeverloos uitbreidt dat het alle maatschappelijke activiteitsverhoudingen omvat, dan gaat dit ten koste van haar verklaringskracht. Alomvattende begrippen verklaren uiteindelijk niets meer.
1.3.2 Pierre Bourdieu: een elastisch klassenbegrip
In het centrum van Bourdieus analyse van sociale ongelijkheid staat de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over bronnen, die hij zonder meer kapitaal noemt. Het globale volume van het kapitaal is het primaire verschil dat de hoofdklassen van bestaansvoorwaarden constitueert [Bourdieu1979:128]. Het kapitaalvolume is de som van alle effectief te gebruiken en te mobiliseren bronnen: economisch, cultureel en ook sociaal kapitaal.
Bourdieu gaat uit van een homogeniteitspostulaat, hij wil zo homogeen mogelijke klassen construeren /118/. De objectieve klasse wordt gedefinieerd als het geheel van actoren die in homogene bestaansvoorwaarden zijn geplaatst welke homogene conditioneringen opleggen en homogene systemen van disposities voortbrengen die in staat zijn gelijksoortige praktijken te genereren, en die een reeks gemeenschappelijke eigenschappen bezitten, geobjectiveerde eigenschappen, die soms juridisch gegarandeerd zijn (als bezit van goederen en macht) of eigenschappen die geïncorporeerd zijn als klassenhabitus (en met name systemen van classificerende schemas) /112/. Deze objectieve klasse die Bourdieu [1989:145;1991:34] later ook wel aanduid als de papieren- of waarschijnlijke klasse wordt onderscheiden van de gemobiliseerde klasse (classe mobilisé) die gedefinieerd wordt als het geheel van actoren dat verzameld is op basis van de homogeniteit van de geobjectiveerde of belichaamde eigenschappen die de objectieve klasse definiëren met het oog op de strijd die gericht is op instandhouding of modificatie van de structuur van de verdeling van geobjectiveerde eigenschappen/113 - noot 6/.
De bezwaren tegen deze benadering kunnen in een aantal punten worden samengevat [Bader/Benschop 1988:90,116 en Bader 1991:31,259].
| In een opstel uit 1984, Espace social et genèse des classes, wordt naast economisch, cultureel en sociaal kapitaal ook expliciet symbolisch kapitaal opgevoerd, dat doorgaans prestige, reputatie of roem genoemd wordt en dat de vorm is waarin de verschillende soorten kapitaal als legitiem onderkend en erkend worden [Bourdieu 1989:144]. In Economisch, sociaal, cultureel kapitaal (uit 1983) wordt symbolisch kapitaal omschreven als kapitaal van welke soort dan ook voor zover het wordt gerepresenteerd, dat wil zeggen symbolisch wordt opgevat, beschouwd als voorwerp van kennis of beter: van miskenning en erkenning; het veronderstelt dus de tussenkomst van een sociaal geconstitueerd cognitief vermogen [Bourdieu 1989:310 - noot 3]. |
| In een latere reactie op critici heeft Bourdieu dit duidelijker geformuleerd. De conclusie in La Distinction was dat de belangrijkste, centrale onderscheidingsprincipes …, die nodig zijn om de ruimte van de sociale verschillen, en preciezer van de differentiële posities … weer te geven, gelegen zijn in het totale kapitaal waarover telkens wordt beschikt, de structuur van dit kapitaal … en tenslotte in de temporele ontwikkelingen van deze beide parameters [Bourdieu 1989:407 e.v.]. Alle verschillen tussen sociale posities worden zonder meer logische klassen, klassen op papier genoemd. Het is overigens opmerkelijk hoe Bourdieu reageert op de critici van zijn klassentheorie: Met La Distinction … had ik niet de bedoeling een theorie van de sociale klassen te formuleren, … deze werd slechts in een voetnoot voor de toekomst aangekondigd [idem]. Wie zijn pretentieuze klassentheoretische verhandeling nog eens naleest, zal een dergelijke repliek curieus voorkomen; en zij is nogal pijnlijk voor Bourdieus adepten, die zijn bijdrage in La Distinction juist hebben geprezen als een grote innovatie van de klassentheorie. |
| In zijn opstel over Politieke vertegenwoordiging (geschreven in 1981) draagt Bourdieu wel een aantal bouwstenen aan voor een theorie van het politieke veld. En in zijn opstel over De sociale ruimte en de genese van klassen (geschreven in 1984) gaat hij iets uitvoeriger in op die mysterieuze alchemie waardoor een groep-in-strijd, een gepersonifieerd collectief, een historische actor die zich zijn eigen doeleinden stelt, oprijst uit de objectieve economische condities [Bourdieu 1989:148]. Voor hem is dit in de eerste plaats een kwestie van de politiek zelf, in de tweede plaats een kwestie van het verband tussen de classificaties van de sociale wetenschappers en de classificaties waarmee de actoren zelf in hun alledaagse bestaan opereren. |
2. Arbeid en arbeidsverhoudingen |
|---|
De transformationele klassenanalyse oriënteert zich op de specifieke maatschappelijke arbeidsverhoudingen (of als men de marxistische dictie prefereert: de vormbepalingen van het economisch proces) en onderzoekt van daaruit de doorwerkingen van klassensplitsingen in andere maatschappelijke activiteitsverhoudingen. Zon benadering is alleen verdedigbaar wanneer men vertrek vanuit een breed (maar niet oeverloos opgerekt) begrip van arbeid en arbeidsverhoudingen.
Arbeid is het geheel van doelmatige en bewuste menselijke activiteiten welke specifiek gericht zijn op het voortbrengen van gebruikswaarden, dat wil zeggen van goederen en diensten die behoeften van menselijke individuen kunnen bevredigen. Het geheel van maatschappelijke betrekkingen die mensen in of ten opzichte van de arbeid met elkaar aangaan, constitueren de specifieke maatschappelijke vorm van de arbeid. De conceptualisering van de diverse historische klassenformaties vertrekt vanuit een typering van de specifieke maatschappelijke arbeidsverhoudingen waarin mensen gebruikswaarden (goederen en diensten) voortbrengen, waarmee zij hun zeer uiteenlopende maatschappelijk bepaalde behoeften kunnen bevredigen.
Voor Marx is de historisch-specifieke vorm van de maatschappelijke arbeid d.w.z. de vorm waarin de producenten het voor hun individuele en collectieve reproductie noodzakelijke deel van de door hen geproduceerde goederen en diensten toeëigenen centraal voor het begrip van de gehele economische structuur van een maatschappij.
|
Voordat we ons richten op de analyse van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen moeten er een paar kanttekeningen worden gemaakt bij het algemene arbeidsbegrip.
Alle menselijke activiteiten die gebruikswaarden voortbrengen kunnen in principe als arbeid worden aangeduid, althans wanneer voor de actoren zelf herkenbaar is dat deze activiteiten zijn onderscheiden van niet-arbeid. Deze laatste clausulering attendeert erop dat er bij deze definitie van het algemene arbeidsbegrip drie vooronderstellingen in het geding zijn.
Sinds de opkomst van de oude jagers- en verzamelaarsmaatschappijen is dit scheidingsproces een steeds duidelijker ervaringsfeit geworden. De activiteit van het verzamelen, jagen en vooral die van het ploegen, zaaien en oogsten kunnen gemakkelijker als arbeid worden herkend, omdat zij tijd-ruimtelijk en institutioneel van de niet-arbeid of vrije tijd gescheiden zijn.
In moderne industriële maatschappijen heeft zich deze scheiding grosso modo en afgezien van recente tegentendensen: thuisarbeid steeds verder ontwikkeld en heeft ook de beroepsvorming en professionalisering steeds gedifferentieerder vormen aangenomen.
Bij huishoudelijke arbeid is deze splitsing meestal nauwelijks aanwezig en tastbaar (a womans work is never done) en is er nauwelijks sprake van beroepsspecialisatie (wij koken en kopen, wassen en verzorgen, voeden op en cultiveren enzovoort). Dit is een belangrijke oorzaak van de moeilijkheden die zich voordoen bij het herkennen en benoemen van huishoudelijke activiteiten als arbeid.
In maatschappijen met een dominante kapitalistische arbeidswijze komt dit nog scherper naar voren, omdat daarin arbeid wordt gereduceerd tot waren of ruilwaarde producerende beroepsarbeid. Het algemene referentiepunt van de arbeid wordt hierbij zodanig beperkt dat huishoudelijke arbeid (welke slechts gebruikswaarde voortbrengt) officieel niet meer meetelt in de calculaties van de economen. Arbeid wordt conventioneel gedefinieerd als betaalde arbeid buitenshuis.
Artsen en therapeuten, advocaten en soldaten, priesters en professoren, kappers en kinderverzorgers, schrijvers en cabaretiers produceren allen een gebruikswaarde voor anderen. Artsen en therapeuten bevredigen mijn behoefte aan fysieke en mentale gezondheid (maar zij produceren ook ziekte en afhankelijkheid), professoren en schrijvers produceren rationele kennis en Verlichting (maar ook domheid en obscurantisme), dichters, zangers en toneelspelers produceren kunstwerken (maar ook smakeloosheid), moralisten produceren zeden (maar ook zedeloosheid), priesters en dominees produceren de geloofscultus, zieleheil en vertroosting (maar ook bijgeloof, godsdienstwaan en diepe existentiële ontreddering), de arbeid van de soeverein en zijn soldaten produceert veiligheid (maar ook onveiligheid en terreur).
Arbeid is een maatschappelijk fenomeen en heeft niets te maken met oordelen over de (on)zin of het (on)nut van menselijke activiteiten. Het vervaardigen van objecten die voor niemand nuttig of potentieel bruikbaar zijn, is geen arbeid ook al heeft deze activiteit nog zon grote invloed op de omgeving. Iets wat voor niemand meer een intersubjectief te begrijpen zin heeft (d.w.z. geen werkelijke of ingebeelde gebruikswaarde) is geen arbeid, ook al impliceert het een verandering, en misschien wel een bewuste en planmatige verandering van de natuurlijke en sociale omgeving [Krätke 1984:272].
3. Drie aspecten van arbeidsverhoudingen |
|---|
Voor de precisering van het begrip maatschappelijke arbeidsverhoudingen maak ik gebruik van de criteria die hiervoor door Bader/Benschop [1988:176 e.v.] zijn uitgewerkt. De specifieke aard van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen is van drie factoren afhankelijk: (1) de wijze waarop de beschikkingsmacht over directe of productieve bronnen is verdeeld, (2) het dominante of overheersende doel van de arbeid, en (3) de hierdoor gestructureerde sociale afhankelijkheidsrelaties in arbeidsverhoudingen, met name in het directe arbeidsproces.
| Volgens Weber impliceert elke organisatie van de economie altijd de een of andere feitelijke verdeling van beschikkingsmacht en mag daarom het begrip beschikkingsmacht niet ontbreken als sociologisch begrip van het economisch handelen [Weber WG:33]. Des te opmerkelijker is het dat Weber zelf het begrip beschikkingsmacht en de objecten waarover deze kan worden uitgeoefend niet systematisch uitwerkt. Zijn ideaal-typische uiteenzetting van de maatschappelijke organisatie-vormen van de arbeid [WG:62-97] is echter uiterst gedetaillieerd (maar in de sociaalwetenschappe-lijke literatuur nog weinig benut). |
Maatschappelijke arbeidsverhoudingen vertonen historisch gezien een zeer grote verscheidenheid. Deze verscheidenheid kan in eerste instantie tot twee extreme modelmatige typen worden teruggebracht, wanneer men de op zichzelf simpele vraag stelt: beschikken degenen die goederen produceren en diensten verlenen (directe producenten en dienstverleners) over de materiële bronnen, hun eigen arbeidskracht en de vormen van arbeidsorganisatie die nodig zijn om deze goederen te produceren of deze diensten te verrichten?[zie excursie over directe en indirecte bronnen]
Deze samenlevingsverbanden waren zeker niet zo broederlijk democratisch als de idyllische mythe over primitieve samenlevingen ons wil doen geloven. De primitieve lotsverbondenheid kwam tot stand door een tamelijk amorf gemeenschappelijk handelen. Dit lag in Webers terminologie nog relatief dichtbij het louter reactieve massahandelen waarvan de regelmatigheid tot stand komt door het gelijksoortig reageren op de tijd-ruimtelijke concentratie van de leden van deze oer-communistische overlevingsgemeenschappen.
Het handelen van de leden van de oergemeenschap was echter wel degelijk gebaseerd op een affectief en traditioneel saamhorigheidsgevoel (hoe primitief dan ook), op een strategisch gemotiveerde belangenverbinding en op een normatieve oriëntatie op de legitimiteit van het egalitaire bestaan.
Maatschappijen die gekenmerkt worden door solidaire en niet-antagonistische arbeidsverhoudingen zijn klasseloze maatschappijen. Maatschappijen die gekenmerkt worden door exploitatieve arbeidsverhoudingen en antagonistische belangen zijn klassenmaatschappijen.
Zon globale typologie is natuurlijk veel te abstract om ook maar enigszins bruikbaar te zijn als referentiekader voor de indeling van historische tijdperken of voor de opeenvolging van maatschappelijke klassenformaties. Daarvoor moeten minstens twee specificaties en concretiseringen worden aangebracht.
In de werkelijke geschiedenis van de maatschappijformaties vertoont de beschikkingsmacht over directe of productieve bronnen een groot aantal gradaties; zij is bijna altijd in meer of mindere mate gedifferentieerd, gedelegeerd en extern gelimiteerd. En omgekeerd is de uitsluiting van de beschikkingsmacht over directe bronnen in de regel gradueel en slechts bij uitzondering volledig dichotoom gestructureerd (zoals in het abstracte ideaaltypische begrip het geval is).
Zodra men de aard van de directe bronnen specificeert, krijgt men op tamelijk eenvoudige wijze een aantal historisch relevante arbeidsverhoudingen en uitbuitingvormen in het typologische vizier.
|
Er zijn drie soorten directe bronnen:
Wright maakt een onderscheid tussen vier productive assets: labor power assets, capital assets, organization assets en skill or credential assets [Wright 1985:82 e.v.; 1989:14-22,306]. Tegen zijn behandeling van de productieve bronnen zijn door Bader/Benschop[1988:324] de volgende bezwaren ingebracht.
Wrights notie van productive assets is dus zeer ambivalent en zijn catalogus van productieve bronnen is niet erg consistent en tamelijk onnauwkeurig. In dit opzicht blijft zijn class analytical preoccupation with the order of production tout court [Westergaard 1995:4] uiteindelijk tamel steriel. |
Figuur 6_1: Doelen van de arbeid
![]() |
|---|
Door de differentiatie van de doelen van de arbeid kunnen dus verschillende typen van arbeidsverhoudingen worden onderscheiden. Deze indeling overlapt op een aantal punten de eerste indeling maar de indeling van arbeidsverhoudingen naar doelen van arbeid en naar de typen directe bronnen waarover beschikkingsmacht wordt uitgeoefend, dekken elkaar niet. Bovendien moet er rekening mee worden houden dat in maatschappijen waarin een bepaald arbeidsdoel domineert (bijvoorbeeld kapitaalaccumulatie) ook andere arbeidsvormen bestaan. Warenproductie (en warencirculatie) zijn verschijnselen die bij de meest uiteenlopende arbeidswijzen behoren, zij het in verschillende omvang en draagwijdte. Warencirculatie is dus als zodanig geen differentia specifica van een arbeidswijze.
|
Het begrip informele sector werd in 1971 geïntroduceerd door Keith Hart en speelde jarenlang een belangrijke rol in studies over werkgelegenheid in landen van de zgn. Derde Wereld en in werkgelegenheidsprogrammas van het ILO. De methodologische en inhoudelijke bezwaren tegen deze conceptie werden door Peter Worsley samengevat in een aantal pertinente vragen.
|
Warenproductie en -circulatie behoren tot de algemene voorwaarden van de kapitalistische arbeidswijze. Warenproductie veronderstelt een zodanige arbeidsverdeling binnen de maatschappij dat de scheiding tussen gebruikswaarde en ruilwaarde die in de directe ruilhandel begint al is doorgevoerd. Dit is een gemeenschappelijk kenmerk van historisch zeer uiteenlopende maatschappijformaties. Het specifieke van de kapitalistische arbeidswijze is dat de warencirculatie (en i.h.b. de circulatie van de waar arbeidskracht) de absolute grondslag wordt van het dominerende productiestelsel [Marx, MEW 23:128,184; MEW 26.3:69,108; GR:907-25]. In § 6 zal ik iets uitvoeriger stilstaan bij de zgn. historiserende opvatting van de eenvoudige warenproductie zoals deze door Engels [MEW 25:909] werd verwoord.
| De relatie tussen specifieke arbeidsvormen en vormen van sociale afhankelijkheid werd door Marx voor het eerst uitvoerig gethematiseerd in de Grundrisse:75 e.v. Zie ook MEW 25:799. Zie voor een uitvoerige interpretatie PEM [1978:171 e.v.]. |
Persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen zijn kenmerkend voor alle voorburgerlijke maatschappijformaties (zoals patriarchale, antieke en feodale formaties). In deze samenlevingen beschikken werkenden niet of niet volledig over de eigen persoon en veelal ook niet over de eigen arbeidskracht. Sommige werkenden beschikken nog wel over eigen materiële bronnen en zijn hiervan vaak ook de rechtmatige eigenaars. In dergelijke formaties wordt de meerarbeid hoofdzakelijk toegeëigend door een of andere vorm van buiten-economische dwang.
In deze voorburgerlijke formaties zijn de eigendomsverhoudingen juist daarom meestal tevens directe heerschappij- en onderschikkingsverhoudingen. Het zijn persoonlijke (patriarchale of patrimoniale) en geen bureaucratische afhankelijkheidsverhoudingen waarin individuen slechts in bijzondere gedaante en niet via een verzakelijkte en anonieme markt met elkaar in contact treden, als feodale heer en vazal, grondbezitter en lijfeigene, of als lid van een speciale kaste of stand [Marx, GR:81 én Weber, WG:133,580].
| De Amerikaanse etnoloog en historicus Morgan [1877 Ancient society] noemt de op persoonlijke relaties gebaseerde, primitief geciviliseerde maatschappijen societas. De op zakelijke afhankelijk-heid gebaseerde maatschappijformaties noemde hij civitas. |
Verzakelijkte (door geldrelaties gemedieerde) en gebureaucratiseerde (door formele beslissingsregels gemedieerde) afhankelijkheidsverhoudingen zijn in het bijzonder kenmerkend voor maatschappijformaties waarin de kapitalistische arbeidswijze domineert. De oude banden van persoonlijke privileges (standen) en eerbiedwaardige tradities (gilden) worden daarin steeds meer vervangen door de zelfzuchtige belangen van marktsubjecten die door concurrentie van elkaar zijn gescheiden.
In kapitalistische formaties beschikken de loonafhankelijk werkenden formeel en feitelijk over hun eigen persoon en arbeidskracht. Loonafhankelijke arbeiders beschikken echter niet over de benodigde materiële arbeidsvoorwaarden. Om in hun levensonderhoud te voorzien zijn zij daarom gedwongen (het gebruiksrecht over) hun arbeidskracht te verhuren aan de feitelijke of juridische eigenaar van die vereiste materiële arbeidsvoorwaarden.
In de ruilrelaties die werkenden in distributieprocessen aangaan, treden zij op als formeel vrije en gelijke individuen. In de directe arbeidsprocessen zelf fungeren de werkenden echter als afhankelijke en ongelijke individuen; zij treden in ondergeschikte posities van gezagsrelaties met een meer of minder despotische, autoritaire dan wel welwillende heerschappij.
Formeel-juridisch wordt het gezag van de kapitalist slechts beperkt door de wet en door het arbeidscontract. In arbeidscontracten worden afspraken vastgelegd over (i) de gezagsverhouding, (ii) de vaste beloning, (iii) een vast omschreven arbeidstermijn en (iv) een verplichting tot arbeid of dienstverlening. In wettelijke regelingen worden de randvoorwaarden van arbeidscontracten vastgelegd, zoals bijv. de maximale werktijden, de minimale vacantiedagen, de minimale beloning en de minimale inspraakrechten van werknemers. De feitelijke limitatie van het gezag van de kapitalist is primair afhankelijk van de tegenmacht die zijn producenten weten te organiseren. In een contractuele samenleving worden de traditionele persoonlijke afhankelijkheids-verhoudingen teruggedrongen en ontstaat er een nieuw type formele persoonlijke vrijheid op basis van zakelijke afhankelijkheidsverhoudingen. De individuele vrijheid en handelingsmogelijkheden van de werkenden worden hierdoor niet per definitie groter. De formele mogelijkheden op de kapitalistisch georganiseerde kapitaal- en arbeidsmarkt zijn immers niet voor iedereen feitelijk gelijk. Volgens Weber wordt dit vooral verhinderd door de differentiatie van de feitelijke bezitsverdeling welke door het recht wordt gegarandeerd.
|
Werkenden bezetten ondergeschikte posities in de formele beslissingshiërarchie en moeten opdrachten uitvoeren en bevelen van superieuren gehoorzamen. Zij kunnen niet of slechts marginaal meebeslissen over de structuur en het beleid van hun arbeidsorganisatie (democratisch illegitiem gezag) en zij worden gedwongen meerarbeid voor anderen te leveren (uitbuiting). Door deze figuratie van de arbeidsverhoudingen is buiten-economische dwang in de regel geen dagelijks verschijnsel; de reguliere exploitatie voltrekt zich hier formeel vreedzaam, in en door de transacties die ondernemers en loonafhankelijke arbeiders met elkaar aangaan.
In dergelijke maatschappijformaties beschikken de werkenden individueel en collectief over alle relevante directe bronnen: zij beschikken juridisch en feitelijk zowel over hun eigen persoon en arbeidskracht, over alle benodigde materiële bronnen als over hun arbeidsorganisatie (in vormen van effectieve democratie).
Onder deze voorwaarden is reguliere en geïnstitutionaliseerde exploitatie van werkenden in arbeidsverhoudingen in principe uitgesloten.
4. Arbeidswijze |
|---|
Op basis van deze drie factoren die het maatschappelijk karakter van arbeidsverhoudigen structureren, kan een gedifferentieerde typologie worden geconstueerd van mogelijke theoretisch denkbare maatschappelijke arbeidswijzen.
Een arbeidswijze is een combinatie van (a) een specifieke verdeling van beschikkingsmacht over directe bronnen, (b) een specifiek dominant arbeidsdoel, en (c) een specifiek type van sociale afhankelijkheidsverhoudingen in en ten opzichte van arbeidsorganisaties.
| Het bestaan van zuivere arbeidswijzen wordt dus (net als bij Wright 1989:306) verbonden aan specifieke uitbuitingsmechanismen die verankerd zijn in een ongelijke verdeling van beschikkingsmachten over directe bronnen. Het verschil met Wrights benadering is dat ik het doel van de arbeid en het type sociale afhankelijkheid in de arbeidsorganisatie betrek in de definitie van arbeidswijze. |
Voor de huidige fase van het wereldkapitalisme (imperialisme) heeft Poulantzas onder andere laten zien dat de kapitalistische productiewijze alleen kan bestaan op voorwaarde dat zij andere productiewijzen en -vormen aan zich onderwerpt en zich hun elementen (arbeidskracht, arbeidsmiddelen) toeëigent. De geleding van de kapitalistische productiewijze met andere productiewijzen en -vormen tot maatschappijformatie, welke geleding de kapitalistische productiewijze in haar reproductie tot stand brengt, brengt de ongelijke ontwikkeling voort [Poulantzas 1976:50].
5. Huishoudelijke arbeidswijze |
|---|
In tegenstelling tot de kleine warenproductie is de huishoudelijke arbeidswijze wel ooit de basis geweest voor een gehele maatschappijformatie. De huishoudelijke arbeidswijze vormde de basis voor alle archaïsche of segmentaire maatschappijformaties, waaruit zich uiteindelijk via een tussenfase van patriarchaal georganiseerde protoklassenverhoudingen alle latere klassenmaatschappijen hebben ontwikkeld.
De huishoudelijke arbeidswijze is hierdoor echter niet van het toneel verdwenen, maar fungeert in de meeste antagonistische klassenformaties als een onzelfstandige arbeidswijze waarvan de plaats, functie en functioneringswijze in hoge mate wordt bepaald door de in deze formaties dominante arbeidswijze.
Het is lastig om een algemeen begrip te formuleren van de huishoudelijke of verwantschappelijke arbeidswijze. Gezien de onderzoeksresultaten van de talloze antropologen, etnologen en archeologen en de vele discussies die daarover inmiddels zijn gevoerd, is het een bijna hachelijke zaak om een enigszins gepreciseerd en bruikbaar concept van deze arbeidswijze te formuleren.
Met alle voorzichtigheid die hierbij geboden is, worden hier toch de algemene kenmerken van een zuivere dus louter modelmatig gedefinieerde huishoudelijke arbeidswijze geschetst. Ik preciseer eerst de vooronderstellingen van een algemeen begrip van de huishoudelijke arbeidswijze. Daarvoor moeten er een aantal stevige abstracties worden doorgevoerd.
In sommige samenlevingen domineert weliswaar de huishoudelijke arbeidswijze, maar wordt deze gepenetreerd door kapitalistische handelsrelaties als gevolg van koloniale overheersing. Dergelijke gekoloniseerde verwantschappelijke samenlevingen zijn als vanouds het object van antropologisch onderzoek. De huishoudelijke arbeidswijze vervult echter ook een belangrijke rol in maatschappijformaties die primair gekenmerkt worden door hydraulische (of aziatische), antieke of feodale arbeidswijzen.
|
Voor de constructie van een algemeen begrip van de huishoudelijke arbeidswijze is het echter een verstandige abstractie wanneer men in eerste instantie afziet van de mate waarin zich tussen huishoudelijke gemeenschappen feitelijke handelsrelaties hebben ontwikkeld. Ik sluit hiermee aan op Webers typologische afbakening van natuurlijke economieën zonder ruil, waarbij hij een onderscheid maakt tussen een gesloten huishoudelijke economie en de Oikos [Weber WG:69,207]. In een gesloten huishoudelijke economie zijn de afzonderlijke economische eenheden op volledig communistische of coöperatieve wijze georganiseerd. De Oikos is een liturgisch georganiseerd politiek verband, waarin huishoudelijke eenheden gecombineerd zijn die weliswaar in andere opzichten autonoom en zelfbesturend zijn, maar toch verplicht zijn om goederen af te dragen aan een centrale instantie welke bestaat voor de uitoefening van gezag of als een communale instantie. |
De primair op verwantschappelijke basis geassocieerde leden van de huishoudens leven niet van de uitbuiting van vreemde arbeidskrachten. Hun relaties met andere verwantschapseenheden worden overwegend gekenmerkt door de uitwisseling van vrouwen en van prestige-objecten met een overwegend decoratieve, symbolische en ceremoniële waarde (en met name bruidsprijzen).
|
Vooral antropologen zijn bijzonder waakzaam ten opzichte van het overdragen van westerse beelden op niet-westerse samenlevingen. Toch bespeurt men ook in de antropologische en sociologische literatuur over zelfvoorzieningseconomieën nog regelmatig een kritiekloze projectie van westerse beelden (d.w.z. van op het kapitalisme geënte begrippen) op samenlevingsverbanden die helemaal niets of zeer weinig met kapitalistische marktverhoudingen van doen hebben. Dit geldt niet alleen voor specifiek economische begrippen zoals kapitaal, geld, markt en warenruil, maar ook voor het begrip economie zelf. Men zou in ieder geval moeten preciseren in welke zin men bij zelfvoorzienende huishoudelijke arbeidseenheden überhaupt van een economie kan spreken. De voor de burgerlijke maatschappijformaties kenmerkende institutionele scheiding tussen economie en politiek kan men niet zomaar ovedragen op samenlevingsverbanden waarin deze scheiding juist niet of nog niet bestaat. |
De relaties binnen de afzonderlijke huishoudens worden gekenmerkt door het principe van de volledige afdracht (Mauss): jongeren werken voor de familie-oudsten die op hun beurt zorg dragen voor de distributie binnen en de verzorging van de hele verwantschapsgroep [Meillassoux 1983:570; Wolfe 1982:88; Worsley 1984:68; Raatgever 1988:18,48,68].
| Er kan pas sprake zijn van uitbuiting wanneer de beschikbare levensmiddelen en menselijke arbeidstijd op een zodanige wijze worden gerangschikt dat één categorie stelselmatig wordt benadeeld terwijl een andere categorie daarvan juist systematisch profiteert. In het algemeen kan men zeggen dat jongeren en vrouwen hun arbeidsproducten overdragen aan de oudste, die een deel hiervan direct over de leden van een verwantschapsgroep distribueert en een deel gebruikt om prestige-objecten te verwerven die als bruidsprijzen dienen. De jongere mannen krijgen dit deel in zekere zin weer terug in de vorm van een vrouw [Meillassoux 1975:122; Raatgever 1988:48]. |
Hishoudelijke eenheden produceren de middelen die noodzakelijk zijn voor het onderhoud en voortbestaan van de leden van de huishoudelijke gemeenschap. Huishoudelijke zelfvoorziening impliceert een sterke mate aan autarkie (hoewel beide begrippen niet met elkaar geïdentificeerd moeten worden). In archaïsche of segmentaire maatschappijen zijn huishoudens volledig autarke productie-eenheden, maar het zijn geen vensterloze monaden (Lévi-Strauss). Toch is het samenlevingsverband niet veel meer dan de som van de afzonderlijke huishoudelijke belangen. Huishoudelijke productie-eenheden produceren per definitie op uiterst kleine schaal en maken daarbij gebruik van zeer simpele productietechnieken.
| Het met pijl en boog verschalken van een hert of het met simpele werktuigen bakken van een pot vereist natuurlijk als zodanig al zeer verfijnde vaardigheden. Het gaat dus niet zozeer om de vraag hoe complex de vaardigheden zijn die voor arbeidsprocessen in de huishoudelijke arbeidswijze vereist zijn, maar om de vraag naar de mate van specialisatie van deze vaardigheden. |
| ♥Dit impliceert tevens dat het gezag van de oudste sterk afhankelijk is van de mate waarin de betreffende gemeenschap houdbare goederen produceert. Bij de verbouw van goederen die niet duurzaam houdbaar zijn (zoals bij bananen), is de macht van de oudste in het algemeen lager, omdat de opslag en accumulatie van deze goederen nauwelijks mogelijk is. |
|
Onder gerontocratisch gezag versta ik met Weber [WG:133] het gezag dat binnen een meestal primair economische en familiale (huishoudelijke) gemeenschap wordt uitgeoefend door de oudste in jaren, die de beste kennis heeft of geacht wordt te hebben van de heilige tradities. Patriarchaal gezag wordt uitgeoefend door individuen die hiertoe volgens vaste regels van erfopvolging worden aangewezen. Gerontocratie en patriarchalisme bestaan vaak naast elkaar en zijn empirisch in elkaar verstrengeld. Doorslaggevend kenmerk van beide is het geloof van de gemeenschapsleden dat het gezag van de gerontocraten en de patriarchen weliswaar een traditioneel recht of privilege van hun heer is (Eigenrecht), maar materieel een privilege van de gemeenschapsleden (Genossenrecht) en dat dit gezag daarom in hun eigen belang moet worden uitgeoefend. De gerontocratische en patriarchale heer beschikken beide niet over een persoonlijke of patrimoniale bestuurlijke staf. Omdat hij geen staf heeft, is de heer in hoge mate afhankelijk van de bereidheid van de gemeenschapsleden om hem te gehoorzamen. De macht van deze heer berust primair op de toestemming van de groepsleden en deze legitimeert hun beperkte macht. De toestemming is de oorsprong, maar tevens de begrenzing van de macht van het traditionele opperhoofd [Lévi-Strauss 1955/85:310]. De leden van de huishoudelijke gemeenschap zijn dus genoten en nog geen onderdanen. Het zijn huisgenoten of familieleden op grond van een traditie en niet op grond van reglementen; in de praktijk zijn zij bijna ongelimiteerde gehoorzaamheid verschuldigd aan de heer als persoon en niet aan gepositiveerde onpersoonlijke regels. Omgekeerd is de heer bij zijn gezagsuitoefening gebonden aan tradities: de gerontocraat of patriarch is nog geen superieur, maar een persoonlijke heer wiens macht gebonden is door traditionele zeden en geritualiseerde gewoonten. Bij de primaire of elementaire gerontocratie of patriarchalisme is de verplichting tot gehoorzaamheid aan de familie-oudste of patriarch beperkt tot zijn eigen huishouding. Het patrimoniaal gezag is hiervan onderscheiden doordat het traditionele gezag van de heer wordt uitgebreid met een bestuurlijke en militaire staf welke als persoonlijk instrument van de heer dient, terwijl de leden van de gemeenschap waarover dit gezag wordt uitgeoefend als onderdanen worden behandeld. Het gezag van de heer verandert in een louter persoonlijk privilege of recht dat hij zich net als alle andere eigendomsobjecten volledig toeëigent en naar willekeur kan exploiteren en overdragen. Het sultanisme is hiervan een extreem voorbeeld [Weber, WG:580 e.v.; Eder 1980:88]. Het politieke gezag van de familieoudsten kan slechts in rudimentaire vorm worden doorgezet; het is niet functioneel gedifferentieerd, maar volledig aan personen gebonden. Pas wanneer gezagsposities erfelijk worden en onafhankelijk bestaan van de personen die deze bekleden, hebben we met de eerste institutionalisering van gezag en prestige te maken. Het gezag en prestige komt dan automatisch toe aan elke nieuwe bezetter van deze posities. In evolutionair perspectief werd deze ontwikkeling geanalyseerd door Luhmann [1972] en in antropologisch perspectief door Lévi-Strauss [1955/85] en Sahlins [1963]. Bij veel primitieve volkeren is de macht van het opperhoofd louter gebaseerd op zijn persoonlijke reputatie en zijn bekwaamheid om vertrouwen in te boezemen. Het persoonlijke gezag van het opperhoofd is met name afhankelijk van zijn vermogen om bevredigende oplossingen te vinden voor voedselproblemen in tijden van schaarste en voor veiligheidsproblemen (in het bijzonder de bescherming van vrouwen tegen de begeerte van vreemde groepen). Het opperhoofd vervult een aantal taken die van cruciale betekenis zijn voor de handhaving van de interne eenheid en de externe veiligheid van zijn stam, maar deze berusten niet op een geïnstitutionaliseerde machtsbevoegdheid of op openlijk erkend gezag. De macht berust enkel op de toestemming en deze legitimeert de macht [Lévi-Strauss 1955/85:305]. In feite beschikt het opperhoofd dus over geen enkel geïnstitutionaliseerd machtsmiddel: zijn enige en voornaamste machtsmiddel is zijn vrijgevigheid [zie § 5·3·2]. In veel gevallen is polygamie het enige privilege van het opperhoofd. Polygamie is een belangrijke concessie van de groep aan het opperhoofd, omdat hij periodiek vrouwen onttrekt aan de regelmatige huwelijkscyclus en hierdoor het evenwicht verstoort tussen het aantal geslachtsrijpe en huwbare jongens en meisjes. De polygamie die praktisch zijn privilege is, vormt de morele sentimentele compensatie voor zijn zware plichten terwijl ze hem tevens een middel verschaft ze te vervullen. ... Het polygame huwelijk treedt hierdoor enerzijds op als een soort van pluralistische amoureuze kameraadschappelijkheid boven het monogame huwelijk en anderzijds als een attribuut van de heerschappij, een attribuut dat zowel op psychologisch als economisch gebied een functionele waarde heeft [idem:308-9]. |
De vroegste vormen van de huishoudelijke arbeidswijze kunnen in twee opeenvolgende typen worden onderscheiden: de paleolithische en de neolithische arbeidswijzen.
5·2·1 De paleolithische arbeidswijze
| Harris [1988:177] noemt het a hunting, gathering, fishing mode of production. Sommige antropologen reserveren het begrip van de huishoudelijke of domestieke productiewijze voor de argrarische gemeenschappen van landbouwers. Voor de daaraan voorafgaande paleolithische periode wordt dan bijvoorbeeld de term horde gebruikt. |
Verzamelen en jagen zijn activiteiten die nauwelijks het huishoudelijk kader verlaten. Alleen in meer complexe jachtoperaties die noodzakelijk zijn voor het vangen van grotere dieren, is een zekere coöperatie vereist die het institutionele kader van de afzonderlijke huishoudens doorbreekt. In de paleolithische fase is echter de jacht op groot wild niet de dominante toeëigeningsvorm. Jagers- en verzamelaarsmaatschappijen zijn in deze fase nog primair afhankelijk van het verzamelen. Zolang dit het geval is, blijft de huishoudelijke arbeidswijze de grondslag van tribale of segmentaire maatschappijformaties zonder staat.
|
*Zo schetst sir John Lubbock in 1872 het volgende beeld: The true savage is neither free nor noble; he is a slave of his own wants, his own passions; imperfectly protected from the weather, he suffers from cold by late night and the heat of the sun by day; ignorant of agriculture, living in the chase, and improvident in succes, hunger always stares him in the face, and often drives them to the dreadful alternative of cannibalism or death [gecit. in Bettinger 1991:23]. De primitieve jager en verzamelaar werden door hem vergeleken met een kind dat alleen datgene ziet en hoort wat direct voor hem/haar wordt neergezet. |
| Vanaf de jaren zestig van de 19e eeuw werden al diverse studies gepubliceerd waarin simplistische beelden over primitieve volkeren werden gecorrigeerd. Dit geldt vooral voor het werk van Maine, Bachofen, Morgan, Maurer, Kowalewski. In de hierop gebaseerde interpretaties van Marx en Engels werd de anti-teleologische evolutietheorie van Darwin opgevat als de natuurwetenschappelij-ke grondslag van de historische klassenstrijd. Zij benadrukten het multilineaire karakter van de evolutie, waarin meerdere trajecten of ontwikkelingslijnen gelijktig optreden. |
| Marschall Sahlins vertolkte als eerste de opzienbarende stelling dat the amount of hunger increases relatively and absolutely with the evolution of culture [Shalins 1972:36]. In vruchtbare delen van de wereld, waar voldoende vis, wild and planten voorhanden zijn, was en is het leven voor jagers en verzamelaar zeker geen permanente existentiële strijd. Jagers en verzamelaar work less than we do; and rather than a continious travail, the food quest is intermittent, leisure abundant, and there is a greater amount of sleep in the day time per capita per year than in any other condition of society [idem:16]. Deze relatieve welvaart van de jagers en verzamelaars kon alleen maar worden gehandhaafd door een strikte beperking van de omvang van de populatie en alleen zolang er gunstige klimatologische en andere omgevingsvoorwaarden bestonden voor het overleven en de reproductie van planten en dieren met een hoge voedingswaarde. |
De paleolithische periode begon minstens 2,5 miljoen jaar geleden met het in gebruik nemen van stenen werktuigen en eindigde ongeveer 10.000 jaar geleden met het einde van de laatste ijstijd. Gedurende deze hele periode was voedselverzameling en niet voedselproductie de kenmerkende arbeidswijze. Er waren nog geen gedomesticeerde planten en dieren, behalve de hond die aan het einde van het paleolithicum werd gebruikt bij de jacht. De paleolithische periode duurde dus meer dan 2 miljoen jaar, terwijl de daaropvolgende mesolithische en neolithische periode bij elkaar nog geen 10.000 jaar omvatte. In het vroege en midden paleolithicum waren de jagers en verzamelaars verspreid over een uitgestrekt territorium; zij vestigden zich waarschijnlijk in een of ander kamp of grot voor niet meer dan enkele weken of maanden. Tegen het einde van het paleolithicum bestonden er al grotere nederzettingen die veel duurzamer werden bewoond.
5·2·2 De neolithische arbeidswijze
De neolithische arbeidswijzen zijn gebaseerd op een producerende economie: het zijn landbouw en veeteeltmaatschappijen waarin echter nog een groot deel van de tijd en energie van de producenten wordt besteed aan jagen en verzamelen. In de huishoudelijke landbouwgemeenschappen is de landbouw dominant omdat deze het grootste deel van de tijd en energie van de producenten opeist en voor de algemene sociale organisatie bepalend is. Deze arbeidswijze werd mogelijk gemaakt door de neolithische revolutie die zich zon tienduizend jaar geleden heeft voltrokken en met name bestond uit de beheersing van vuurgebruik, de ontwikkeling van competenties om elementaire werktuigen te vervaardigen en uit de vestiging van nederzettingen.
|
Deze ontwikkeling werd uitvoerig geanalyseerd door Childe [1936/56,1964]. Hij een sterke nadruk op de bepalende rol van de productie(krachten) en op de continuïteit tussen de natuurlijke en sociale evolutie. De drie belangrijkste stadia van de maatschappelijke ontwikkeling worden in zijn visie telkens geïnitieerd door transformaties in arbeidsprocessen en -verhoudingen:
Uit recenter archeologisch onderzoek is echter gebleken dat er al veel eerder stedelijke nederzettingen bestonden. Het bekendste voorbeeld hiervan is de oudste tot nu toe gevonden neolithische nederzetting Çatal Hüyük in het zuiden van Turkije, welke minstens dateert van 8000 v. Chr. en welke door zon zesduizend mensen werd bewoond [Jacobs 1970; Giddens 1981:97; Harris 1988:192 e.v.]. Door veel nieuwe archeologische ontdekkingen is weliswaar de speelruimte voor (speculatieve) interpretaties ingeperkt, maar alle alle specialisten zijn het er over eens dat een gedetailleerde analyse van neolithische maatschappijen een uitermate moeilijke zaak blijft. Vóór de beheersing van het vuur was de menselijke arbeidskracht de belangrijkste energiebron. In de landbouw en de ambachtelijke arbeid werd naast de menselijke arbeidskracht het vuur een belangrijke energiebron, bijvoorbeeld bij het ontginnen door platbranden. De geschiedenis van de vuurbeheersing in pre-agrarische samenlevingen en de betekenis hiervan voor de overgang naar agrarische samenlevingen werd geanalyseerd door Goudsblom [1992:41-76]. Een belangrijk gevolg van de neolitische revolutie was de bevolkingsgroei. Door de ontwikkeling van de landbouw werden de kosten van het grootbrengen van kinderen verlaagd. Voor jagers en verzamelaars was het grootbrengen van kinderen arbeidsintensief omdat ze over grotere afstanden vervoerd moesten worden en lange tijd onproductief omdat jongetjes pas op volwassen leeftijd effectieve jagers werden. In landbouwgemeenschappen kunnen kinderen al op vroege leeftijd een productieve bijdrage leveren door het verzorgen van planten en dieren en worden de vrouwen verlost van de last om hun kinderen elke dag over langere afstanden te dragen. |
Als gevolg van de neolithische revolutie konden dieren en planten worden gedomesticeerd, waardoor de directe afhankelijkheid van de bronnen die in de natuur werden aangetroffen, verkleind kon worden. Landbouw en jagen blijven echter direct verbonden aan de huishoudens, die nu ook de verdeling van de te bebouwen grond reguleren. De arbeid voor het huishouden blijft primair productie voor gebruik en niet voor ruil. Men houdt op met werken zodra men meent genoeg voedingsmiddelen te hebben om de leden van het huishouden te verzorgen. In paleolithische en neolithische arbeidswijzen werd waarschijnlijk geen of slechts een uiterst gering surplus of meerproduct geproduceerd.
Deze stelling kan alleen maar met de grootste voorzichtigheid worden geformuleerd. Vooral door het werk van Sahlins en Clastres zijn er op dit punt nogal wat twijfels ontstaan. Het lijkt in ieder geval onjuist te beweren dat de vroege jagers en verzamelaars niet beschikten over de capaciteiten om een surplus (in de zin van absolute of potentiële meerarbeid) te produceren.
| In segmentaire samenlevingen leidt surplusproductie alleen maar tot voedsel-voorraden die snel bederven en dus verspild worden. Het enige noodzakelijke surplus is het voedsel dat nodig is voor het onderhoud van een zeer beperkt aantal ambachtelijke specialisten en de rituele experts. Ook na de overgang van jagers- en verzamelaarsmaatschappijen naar sedimentaire landbouwgemeenschappen blijkt dat de maximalisering van de productie geen overheersend doel is. Wanneer het mogelijk was voldoende te produceren om aan de dagelijkse behoeften te voorzien, kiezen de directe producenten voor vrije tijd. |
| ♥ In de visie van Lévi-Strauss (en in aansluiting daarop ook van Meillassoux) fungeert de vrouw in traditionele samenlevingen slechts als een passief object van de uitwisselingen tussen de patrilinies. Dat is waarschijnlijk in het algemeen een zeer overtrokken beeld. Het gaat in ieder geval niet op voor zeer veel tribale samenlevingsverbanden waar vrouwen een eigen politiek voeren ten aanzien van de bruidsprijzen. Geschiere [1983:27] heeft dit bijv. aangetoond voor de Maka in Kameroen. Zie voor een meer algemene kritiek op Lévi-Strauss: Leacock [1983:689 e.v.]. En voor een in dit opzicht zeer tegendraadse visie: Sierksma [1979]. Zie voor een samenvatting van de feministisch-antropologische kritieken op het werk van Meillassoux: Moore [1988:49 e.v.]. |
5·3·1 Vrouwenruil en exploitatie
Het is de ruil, altijd de ruil die ten grondslag blijkt te liggen aan alle bestaansvormen van de institutie huwelijk [Lévi-Straus 1967/83:652]. De uitwisseling van vrouwen is niet alleen de basis voor maar ook het archetype van alle andere ruil. De vooronderstelling daarvan is het universele fenomeen van exogamie (of van het incestverbod). Daarom kan men zonder overdrijving zeggen dat de exogamie het archetype is van alle andere verschijningsvormen die op wederkerigheid zijn gebaseerd en dat ze de onwrikbare grondregel levert die het bestaan van de groep als groep veilig stelt [idem:655].
Het incestverbod is dan ook niet primair een regel die verbiedt met de moeder, zuster of dochter te huwen, maar veeleer een positieve regel die verplicht de moeder, zuster of dochter aan een ander af te staan. Het dwingt mannen om hun partners buiten de biologische familie te zoeken en leidt zo tot expansie van de samenleving [Layard 1956:62].
Exogamie en het incestverbod zijn bij uitstek regels van de gift. Zij vervullen een uiterst essentiële positieve functie, namelijk vreedzame communicatie met anderen en integratie van de verwantschapsgroep. Tegenover de verplichting tot het uithuwen van dochters en zusters buiten de eigen verwantengroep, staat de claim op de dochters en zusters van andere verwantschapsgroepen. Beide aspecten maken een overwegend vreedzame interactie en communicatie tussen verwantschapseenheden mogelijk. Wanneer een vrouw haar eigen verwantengroep verlaat voor haar huwelijk, moet de bruidsprijs gebruikt worden voor een nieuw huwelijk van een jonge man van haar eigen verwantengroep; op deze wijze wordt de band met haar eigen bloedverwanten feitelijk bevestigd.
De uitwisseling van vrouwen is echter zelden direct wederkerig en wordt meestal op termijn geregeld. Vrouwen die door een verwantschapsgroep worden verworven, vormen een restitutie voor vrouwen die al eerder zijn afgestaan of impliceren een vordering op vrouwen die in de toekomst nog moeten worden afgestaan. De bruidsprijzen fungeren dus als een soort schuldbekentenis; zij fungeren als teken dat de groep een vrouw heeft ontvangen zonder er nog een voor terug te ontvangen. Juist hierdoor worden de sociale relaties tussen verwantschapseenheden gestabiliseerd.
Als men de uitwisseling van vrouwen wil analyseren als een ruilverhouding, dan moet er bovendien rekening mee worden gehouden dat deze ruil minstens drie niet-reciproke elementen bevat. Het eerste gevolg van deze ruil is dat er een asymmetrische verhouding ontstaat tussen de echtgenoten. De mate waarin vrouwen zelf controle kunnen uitoefenen over deze transacties en hun uitkomsten is nog weinig onderzocht, maar vertoont in ieder geval een zeer grote variatie. Het tweede element van niet-wederkerigheid ontstaat (of kan ontstaan) in de verhouding tussen verwantschapsgroepen onderling, omdat via het huwelijk de verwantengroep van de man niet alleen de beschikking krijgt over de arbeidskracht van de vrouw, maar ook over haar kinderen. Het derde element van ongelijkheid bestaat in de verhouding tussen de mannen onderling: het zijn immers niet de mannen maar vrijwel altijd de oudsten die namens de familie onderling vrouwen ruilen en hiervoor het beheer over de bruidsprijzen voor de hele groep voeren. De oudsten treden niet alleen op als vertegenwoordigers van de groep naar buiten, maar oefenen ook binnen de groep een gerontocratisch of patriarchaal gezag uit over de jongere mannen die voor het verkrijgen van een vrouw van hen afhankelijk zijn [Meillassoux 1983:570; Boekraad e.a. 1983:547 e.v.].
| Rey neemt expliciet afstand van de door Marx en Engels gekoesterde opvatting dat verwantschaps-relaties egalitair en niet-exploitatief zijn. De op een aantal punten nogal simplistische opvattingen van Marx en Engels over de primitieve, klasseloze maatschappijen worden kritisch besproken door Bloch [1983]. Marx uitvoerige verwerking van empirisch-antropologische en sociaalhistorische studies van tijdgenoten over voor-kapitalistische maatschappijformaties worden in detail besproken door Krader [1976] en Harstick [1977]. |
De oudsten verwerven hun rijkdom en prestige niet op basis van hun eigen arbeid, maar door de meerarbeid van jongeren. De specifieke vorm waarin de exploitatie plaatsvindt is de bruidsprijs: de afhankelijken leveren de basis voor de verwerving van prestigegoederen die op het niveau van de oudsten circuleren als bruidsbetalingen. Omdat de bruidsbetalingen uitsluitend circuleren tussen de oudsten moeten zij volgens Rey als heersende klasse worden beschouwd. Zo onderscheidt Rey in de huishoudelijke arbeidswijze (die door hem als verwantschappelijke productiewijze wordt aangeduid) bij de Gouro (Ivoorkust) twee klassen: de oudsten aan de ene kant; de jongeren, slaven en vrouwen aan de andere kant.
De zwakte in Reys argumentatie is dat hij veronderstelt: (a) dat elke vorm van transfer van meerarbeid per definitie uitbuiting is, en (b) dat elke vorm van uitbuiting, hoe marginaal en incidenteel deze ook moge zijn, constitutief is voor het ontstaan van klassenposities. Voor Rey speelt de zwaarte, het meer of minder substantiële karakter van de toegeëigende meerarbeid geen enkele rol en zelfs niet of deze wordt gecompenseerd. Het enige dat voor hem telt is of de uitbuiting steunt op een zodanig geheel van de maatschappelijke verhoudingen dat de productie zonder haar niet kan worden voortgezet [Rey 1977/83: 587]. Dit reductionisme is een gevolg van het feit dat hij het klassenbegrip beperkt tot uitbuiting die in de productie zelf is geworteld [idem].
5·3·2 Egaliserende mechanismen
In segmentaire maatschappijen bestaat wel ongelijkheid in rijkdom, maar deze is in de regel slechts tijdelijk en wordt niet duurzaam gestabiliseerd. De verschillen in rijkdom worden zo niet intra-, dan toch intergenerationeel genivelleerd. De spontane pogingen om deze egalitaire ordening te doorbreken worden tegengewerkt door een drietal egaliserende mechanismen.
Lévi-Strauss heeft dit verschijnsel gedocumenteerd voor een aantal Zuid-Amerikaanse stammen. De vrijgevigheid is bij haast alle primitieve volkeren en vooral in Amerika een essentieel attribuut van macht; ze speelt zelfs in deze elementaire samenlevingen, wier materiële cultuur nauwelijks ontwikkeld is, een belangrijke rol. Ofschoon het opperhoofd, wat de materiële bezittingen betreft, geen bevoorrechte positie schijnt in te nemen, moet hij toch altijd over voedingsmiddelen, gereedschap, wapens en sieraden kunnen beschikken, die al zijn ze nog zo armzalig, ten overstaan van de algemene armoede toch een aanzienlijke waarde hebben. Als een individu, een gezin of een hele groep een wens heeft of een bepaalde behoefte gevoelt, doet men een beroep op het opperhoofd om eraan te voldoen. Zo is vrijgevigheid de belangrijkste eigenschap die men van een nieuw opperhoofd verwacht. Het al of niet aanwezig zijn van deze eigenschap beslist over instemming of afkeuring. Men behoeft er dan ook niet aan te twijfelen dat in dit opzicht het opperhoofd tot het uiterste toe wordt uitgebuit [Lévi-Straus 1955/85:305 e.v.].
In veel traditionele stammen beheerst men tot op de dag van vandaag nog altijd zeer goed de kunst om al te autoritaire of hebberige figuren een toontje lager te laten zingen. Het feit dat gezagsposities buiten het huishouden niet voorkomen, wil niet zeggen dat er geen streven naar distinctie, macht en prestige bestaat. Het streven naar distinctie, macht en prestige wordt echter beperkt door de angst voor sancties. Anders gezegd: in segmentaire maatschappijen wordt sociale gelijkheid beperkt en gestabiliseerd door de empirische gelding van gelijkheidsnormen [dit thema wordt uitvoerig behandeld in XVI § 3·5]. Het is niet een kwestie van gelijkheidsgedrag uit gebrek aan alternatieven, maar van gelijkheidsnormen. Dit blijkt alleen al uit het feit dat de leden van segmentaire samenlevingsverbanden zelf reageren op overtredingen van de gelijkheidsnormen. Daarom is het niet tautologisch om te zeggen dat de oriëntatie op gelijkheidsnormen in segmentaire maatschappijen de sociale gelijkheid reproduceert en stabiliseert.
5·3·3 Klassenvorming en staatsvorming
De vorming van klassenstructuren strekt zich uit over een periode van meer dan tweeduizend jaar en neemt haar aanvang bij de eerste hoge culturen die tussen 3000 en 2000 v. Chr. ontstonden. Daarin ontwikkelden zich twee elementen die van beslissende betekenis waren voor het ontstaan van exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhoudingen die klassenverhoudingen mogelijk maken: de vorming van centrale besturingsinstanties (statelijke organisatievormen) en de arbeidsdeling tussen stad en land. De archaïsche egalitaire sociale structuur wordt in eerste instantie vervangen door een patriarchaal georganiseerde protoklassenverhouding.
Het eindpunt van deze ontwikkeling is de ontbinding van de collectieve grondeigendom en de eliminatie van de subsistentiebasis van vrije agrarische producenten. Hierdoor kwam er een einde aan de protoklassenverhouding en begon de ontwikkeling van klassenmaatschappijen [Eder 1973:8, 21 e.v.]. In de hoge culturen voltrekt deze ontwikkeling zich ongeveer vanaf 1000 v. Chr. in China, India, Voor-Azië en in landen rond de Egeïsche zee.
Ik zal hier geen poging doen de historische overgang te schetsen van klasseloze segmentaire maatschappijen naar patriarchaal georganiseerde protoklassenverhoudingen, noch hoe van daaruit de eerste klassenmaatschappijen zijn ontstaan. Een gedetailleerde schets van de uitermate complexe historische evolutie van klassensystemen gaat het kader van deze studie ver te buiten. Ik volsta hier met een uiterst summiere typologie. Wat de politieke constitutie van de maatschappij betreft, kan zeer in het algemeen een onderscheid worden gemaakt tussen drie klasseloze maatschappijtypen en drie ontwikkelingspaden naar klassenformaties van de hoge(re) culturen.
Tegen deze achtergrond kunnen drie cruciale etappes of ontwikkelingspaden worden aangegeven die kenmerkend zijn voor het ontstaan van meer ontwikkelde huishoudelijke gemeenschappen.
| In deze etappeschets laat ik een aantal van de eerder genoemde onderscheidings-kenmerken (de eerste twee en de laatste) grotendeels buiten beschouwing. Rey [1973:82-7] analyseert drie fasen waarin voor-kapitalistische arbeidswijzen in het kapitalisme worden geintegreerd: (1) de initiële verbinding in de sfeer van de ruil, waarbij de interactie met het kapitalisme leidt tot een versterking van de voor-kapitalistische arbeidswijzen; (2) de onderschikking van de voor-kapitalistische arbeidswijzen aan het kapitalisme, en tenslotte (3) de vernietiging van de voor-kapitalistische arbeidswijzen. |
Voor de gezagsdragers in de verwantschapsgroepen betekent dit enerzijds dat ze hun controle over de kwaliteit van de bruidsgoederen verliezen; hun traditionele monopolie op prestigegoederen wordt door de monetarisering van de bruidsprijzen immers direct ondergraven. Anderzijds wordt het hierdoor echter ook meer dan voorheen mogelijk de bruidsprijzen te accumuleren: voor zover hun gezagspositie nog intact is, kunnen zij de bruidsprijzen verhogen, de door hen gecontroleerde bruidsprijzen verhandelen, oppotten enzovoort. Hieruit kunnen gemakkelijker substantiële en duurzame vormen van uitbuiting ontstaan.
Omgekeerd biedt de monetarisering van de bruidsprijzen zowel voor jongere mannen als voor vrouwen een aantal nieuwe (ontsnappings)mogelijkheden. Jongere mannen kunnen door eigen arbeid of participatie in de geldeconomie hun eigen bruidsprijs verdienen en kunnen hiermee buiten de patriarchale gezagsrelatie een eigen vrouw verwerven. Ook vrouwen zijn nu in principe in staat zelf het geld te vergaren waarmee zij zich kunnen vrijkopen.
|
Ook wanneer de jongere mannen zelf geld verdienen blijven ze vaak toch nog afhankelijk van de steun van de oudste. Ten eerste omdat de bruidsprijzen vaak drastisch worden verhoogd en en tweede omdat de oudste nog steeds de bruidsprijzen voor hun zusters int [Geschiere 1983:615].
De mogelijkheden voor vrouwen om voldoende geld te sparen om zich vrij te kopen zijn weliswaar beperkter, maar niet helemaal geblokkeerd. Tegenwoordig proberen vrouwen ook zelf genoeg geld te verdienen, bijvoorbeeld als prostituée in de stad, om zich vrij te kopen. Een vrouw die zo haar zelfstandigheid heeft veroverd, wordt algemeen gerespecteerd, maar slechts weinigen lukt het om zo veel geld te sparen. De bruidsprijs kan dus inderdaad een zware last betekenen voor de vrouw. Maar daarom is ze, in ieder geval voor de Maka zelf, nog niet te beschouwen als een passief object of als reproductiemiddel in de uitwisselingen tussen de groepen. De Maka-mannen, zeker de broer die van de bruidsprijs van zijn zuster profiteert, hebben alle redenen om de strategie van de vrouw rond haar eigen bruidsprijs, serieus te nemen [Geschiere 1983:629]. |
De belangengemeenschap tussen verwantschapsoudsten en kapitalisten bestaat hierin dat zij beide voordeel trekken uit de monetarisering van de bruidsprijzen. De keerzijde van dit mechanisme is dat deze monetarisering van de bruidsprijs fungeert als een hefboom om de jongeren de markteconomie binnen te drijven [Geschiere 1983:634]. Geschiere maakt hierbij een belangrijke kanttekening. In Kameroen vormden de koloniale ambtenaren de belangrijkste steunpunten van de kapitalistische expansie en waren de Maka-oudsten zich niet bewust van de convergentie van hun belangen met die van de kapitalisten.
De meer ontwikkelde vormen van huishoudelijke gemeenschappen moeten hier verder buiten beschouwing blijven en er kan ook niet uitvoerig worden ingegaan op de zeer uiteenlopende en complexe interne en externe verbindingen tussen de huishoudelijke arbeidswijze en andere (voorkapitalistische en kapitalistische) arbeidswijzen [Binsbergen/Geschiere 1985].
In burgerlijke maatschappijen is de huishoudelijke arbeidswijze een onzelfstandige arbeidswijze waarvan de plaats en functie in sterke mate afhankelijk zijn van de in deze maatschappijformaties dominante kapitalistische arbeidswijze. De huishoudelijke arbeidswijze is dus op specifieke wijze functioneel geïntegreerd in de kapitalistische geldeconomie. In de huidige gezinsvorm is de huishoudelijke arbeidswijze geen voor-kapitalistische arbeidswijze (en is dus niet zoals andere voor-kapitalistische productie-eenheden aan een voortdurend ontbindingsproces onderhevig). Zij heeft natuurlijk wel historische wortels die teruggaan tot ver voor het kapitalisme. De specifieke wijze waarop de moderne gezinsvorm van de huishoudelijke arbeidswijze is geïntegreerd in de kapitalistische arbeidswijze komt vooral tot uiting in de specifieke input van loongoederen en de output van (gereproduceerde) arbeidskrachten. Omdat de werking van dit mechanisme buiten het kader van mijn analyse valt, volsta ik met de opmerking dat deze functionele integratie natuurlijk disfuncties (structurele spanningen en latente/openlijke conflicten) niet uitsluit.
6. Kleine warenproductie als onzelfstandige arbeidswijze |
|---|
Kleine warenproductie wordt vaak gebruikt als een beschrijvende term voor producenten die buiten de centrale as van de kapitalistische arbeids- en/of marktverhoudingen staan. Als analytische term is kleine of kleinschalige warenproductie een aanduiding voor een specifieke maatschappelijke arbeidsverhouding die in de context van meerdere arbeidswijzen kan bestaan. Gebruikmakend van de eerder geïntroduceerde criteria om maatschappelijke arbeidsverhoudingen te kenmerken [§ 3], kan de arbeidswijze van kleine warenproductie als volgt worden getypeerd.
De arbeidswijze van de zelfstandige, niet-kapitalistische warenproducenten is zeker niet altijd stationair of technologisch achtergebleven. Maar zij vereist in de regel ook geen mateloze accumulatie van arbeidsmiddelen of geld. De basis van de marktmacht van sommige warenproducerende en dienstverlenende bedrijfjes is soms een extreem gespecialiseerde en verfijnde kennis van hun grondleggers.
Om het kleinschalige karakter van deze arbeidsvorm aan te duiden wordt vaak opgemerkt dat het technologische niveau van de betreffende productie laag of achtergebleven is. Dit is echter lang niet altijd het geval. Ook met uiterst geavanceerde technologieën is kleine warenproductie mogelijk (en tegenwoordig steeds frequenter). Bovendien moet niet worden vergeten dat veel grote kapitalistische ondernemingen uiterst arbeidsintensief zijn, technologisch niet geavanceerd en met een traditioneel management opereren [Berger 1981:73].
|
In deze context refereert het woord klein aan kleinschalig en oorspronkelijk. In de latere stedelijke context fungeerde de kleine warenproductie als een belangrijk uitgangspunt voor de opkomst van een nieuwe ondernemersklasse en voor grootschalige kapitaalaccumulatie. In deze context betekent het woord klein embryonaal of beginnend met betrekking tot de evolutie van een burgerlijke klasse en de opkomst van een kapitalistische arbeidswijze. Met de opkomst van het moderne kapitalisme heeft het woord klein een dubbele betekenis gekregen. In material terms it means small, gap-filling, exploitable and cost-absorptive. But all of this has only real relevance to the capitalist mode of production, which petty commodity production faithfully serves. In ideological terms and as far as the capitalist mode of production is concerned, it means insubstantial and insignificant (though nog without usefulness) vis-a-vis the system it supports. To those who constitute the focus on this ideological strategy, it implies future growth potential [Gerry/Birkbeck 1981:133 e.v.]. |
De maatschappelijke arbeidsverhoudingen van de kleine warenproductie zijn als zodanig niet gericht op expansie, maar veeleer op eenvoudige reproductie. In burgerlijke maatschappijen worden de cruciale limieten aan expansie van de kleine warenproductie hoofdzakelijk gesteld door de mate waarin het kapitaal zijn hegemonie over de diverse productiesectoren heeft gevestigd [Gerry/Birkbeck 1981:133]. Binnen deze limieten wordt de expansie van het productiebedrijf primair beperkt door de individuele arbeidskracht van de kleine warenproducent (bedrijfshoofd) en zijn gezin.
|
De vraag of de gezinsleden die in het bedrijf van een zelfstandige meewerken worden opgevoerd als meewerkende gezinsleden of als loon- of salarisontvangers, is vooral in expanderende sferen sterk afhankelijk van de belastingwetgeving. Vaak wordt het gezinsinkomen geboekt als loon- en bedrijfskosten teneinde de omzet- en winstbelasting te verminderen. Dit is een van de redenen waarom er in de afzonderlijke sectoren zulke sterk afwijkende relaties bestaan in de verhouding van zelfstandigen en meewerkenden. Vooral in boerenbedrijven komt exclusieve huisvrouwenactiviteit slechts zelden voor omdat deze meestal verbonden is met agrarische activiteiten. Daarom is de arbeidsparticipatie van boerengezinnen veel hoger dan die van andere sociale groepen [IMSF 1974:20 Teil II·2]. En daarom is bijvoorbeeld ook het aandeel van de zelfstandigen en meewerkenden in de landbouw aan de beroepsbevolking veel hoger dan het aandeel van de volwassen boerenbevolking aan de volwassen totale bevolking. |
De kleine warenproductie is als zodanig nooit de economische basis geweest van een gehele maatschappijformatie; het is altijd een secundaire arbeidsverhouding.
|
Kleine warenproductie als historische categorie
Kleine warenproductie als zelfstandige productiewijze Ook Ralf Hilferding vat de eenvoudige warenproductie op als voor-kapitalistische warenproductie. In de eenvoudige warenproductie bestaan er volgens hem geen economisch-wetmatige crises. Die Störungen der Wirtschaft sind keine ökonomisch-gesetzmäßigen Krisen, sonder Katastrophen, die aus besonderen natürlichen oder historischen Ursachen, wie Mißwachs, Dürre, Seuchen, Kriegen entspringen [Hilferding 1909/68:327]. Het kenmerkende van deze evenwichtsstoringen is dat zij uit een gebrek van de reproductie voortkomen en niet uit een of andere overproductie. Volgens Hilferding is dit vanzelfsprekend omdat deze productie altijd nog primair productie voor eigen behoeften is, dat productie en consumptie als middel en doel met elkaar verbonden zijn, en dat de warencirculatie een verhoudingsgewijs kleine rol speelt. Tenslotte behandelt ook Heinz Jung de eenvoudige warenproductie in eerste instantie als een historische, voorkapitalistische fase [Jung 1973:33]. In het kapitalisme kunnen de productieverhoudingen van de kleine warenproductie niet (meer) als autonome klassenverhouding worden gezien, omdat deze in toenemende mate in het reproductieproces van het kapitaal zijn geïntegreerd en door de progressie van de accumulatie worden gepolariseerd [idem:163].
Eigensoortige karakter van kleine warenproductie Zo merkt Karl Kautsky [1899:60] op dat de eenvoudige warenproductie in tegenstelling tot de kapitalistische warenproductie niet de heersende vorm van productie is en dat de prijzen niet door de productiekosten worden bepaald. Bij de eenvoudige warenproductie wordt ook een meerproduct voortgebracht, dat de vorm van waren aanneemt en een waarde heeft. Deze waarde moet volgens Kautsky geen meerwaarde worden genoemd, omdat de menselijke arbeidskracht in dit stadium wel waarden schept maar zelf nog geen waarde heeft, omdat zij nog geen waar is. Lenin is van mening dat na de intrede van de kapitalistische warenproductie de boer alleen nog formeel als eenvoudige warenproducent kan worden opgevat. Hij gaat er dus ook vanuit dat de eenvoudige warenproductie een zelfstandige inhoud heeft. Zolang de boer eenvoudige warenproducent blijft, kan hij zich tevreden stellen met het loonniveau van een arbeider; hij kan afzien van winst en grondrente en kan voor een grondstuk een hogere prijs betalen dan een kapitalistische ondernemer. De eenvoudige warenproductie wordt echter verdrongen door de kapitalistische productie. Wanneer bijvoorbeeld de boer zijn grondstuk met hypotheek heeft belast, moet hij hiervoor ook de rente opbrengen. Op dit ontwikkelingsniveau zou men daarom de boer slechts formeel als eenvoudige warenproducent kunnen beschouwen [Lenin LW 4:115].
Scheringer/Sprenger stellen eenvoudige warenproductie gelijk met een op behoeftebevrediging gerichte maatschappijvorm. Zij leiden dit af uit een vergelijking tussen de maatschappelijke positie van de kapitalist als uitbuiter met die van de eenvoudige warenproducent, die eveneens ook productiemiddelen bezit maar geen vreemde arbeidskrachten uitbuit. Der einfache Warenproduzent erzeugt und verkauft seine Ware mit dem Ziel, sie in eine andere Ware zu verwandeln, die der Befriedigung seiner Bedürfnisse dient [Scheringer/Sprenger 1970:33]. Poppinga [1975:9] heeft laten welke problemen ontstaan als men eigen wetmatigheden toeschrijft aan de kleine warenproductie. Het eerste probleem is dat de eenvoudige warenproductie in zeer uiteenlopende productiewijzen voorkomt en daarin telkens weer een andere specifieke inhoud heeft. In een kapitalistisch milieu kunnen agrarische kleine warenproducenten bijvoorbeeld helemaal niet afzien van winst en grondrente, moeten zij zich in een harde concurrentiestrijd zien te handhaven en zijn zij gedwongen te accumuleren. Wanneer men de kleine warenproductie opvat als een periode met eigen wetmatigheden impliceert dit bovendien dat de kapitalistische warenproductie zich alleen maar zou kunnen doorzetten wanneer de kleine warenproductie wordt verdrongen en in haar plaats komt. |
7. Economisme in de klassenanalyse |
|---|
De kritiek van de politieke economie in de marxistische traditie meestal opgevat als de rationele grondslag van de analyse van kapitalistische klassenverhoudingen is geen strikte economische theorie. In de marxistische traditie werd voor de klassenanalyse van het kapitalisme altijd de cruciale betekenis benadrukt van de vormbepalingen van de maatschappelijke arbeid [zie in plaats van velen: Bischoff 1973; PKA 1973 en Ritsert 1987].
In zijn kritiek van de politieke economie analyseerde Marx op systematische wijze de kapitalistische arbeids- en klassenverhoudingen. Kenmerkend voor zijn manier van klassenanalyse is enerzijds dat daarin telkens wordt gerefereerd aan algemene waardetheoretische bepalingen. Deze systematische referentie aan de arbeidswaarde- en kapitaaltheorie gaat ook in zijn empirische van de details van de klassenstructuur niet verloren. Anderzijds beperkt hij de reikwijdte van de kritiek van de politieke economie niet tot de maatschappelijke arbeids- en toeëigeningsverhoudingen, maar gaat hij ook in op het geheel van sociale klassenverhoudingen en bewustzijnsvormen. Hij verzet zich daarmee tegen de reductie van de kapitalisme-analyse tot louter vakeconomie. Zijn centrale kritiek op de politieke economen is dat zij geen besef hebben van het specifieke maatschappelijke karakter van hun object. Hij behandelt de economische vormbepalingen als indicatoren van sociale relaties en bewustzijnsvormen van de individuen in de burgerlijke maatschappij.
Het programma van Marx was er op gericht de samenhang van 'de economie' met alle andere maatschappelijke verhoudingen te analyseren (met name de staats-, rechts- en ideologische verhoudingen, waarin de mystificaties van het alledaagse economische leven een gepotentieerde uitdrukking krijgen). De kritiek van de politieke economie is qua intentie dus geen (kritische) vakeconomie die met een kritische maatschappijtheorie (kritische sociologie) en een theorie van het subject (kritische psychologie) moet worden aangevuld.
|
In de door Althusser en Poulantzas gepopulariseerde instantieleer blijft erg onduidelijk om wat voor type indeling het eigenlijk gaat. De termen economie-politiek-ideologie kunnen immers zowel worden opgevat (a) als basisfuncties van specifieke maatschappelijke verhoudingen, (b) als analytische aspecten van alle arbeidsverhoudingen, (c) als functioneel gedifferentieerde activiteits-verhoudingen of (d) als empirische indeling van instanties, d.w.z. van empirisch afgebakende handelingssystemen of velden. De overwegende suggestie is dat het gaat om een indeling van empirisch gedifferentieerde handelingssystemen. Zie voor een uitvoeriger kritiek op het reductionisme van een dergelijke instantieleer: Bader/Benschop [1988:125 e.v.]. Zie voor een kritiek vanuit antropologische optiek: Raatgever [1988:30,58,72]. |
Dit laatste is van belang omdat het denkmodel van deze heilige drie-eenheid meestal gepaard gaat met de vooronderstelling dat in politieke en ideologische instanties of subsystemen zelf (whatever that may be) geen exploitatie kan bestaan en dus ook geen klassenverhoudingen kunnen worden gegenereerd.
Incidentele vormen van roof en afpersing vallen buiten het kritische begrip van uitbuiting (dat in het volgende hoofdstuk wordt uitgewerkt). Van uitbuiting is pas sprake wanneer roof en afpersing een meer duurzaam en systematisch karakter aanneemt. Dit veronderstelt echter dat roof- en afpersingspraktijken als arbeidsverhoudingen georganiseerd moeten worden. Men kan dit verschijnsel bestuderen aan de hand van de oude roofzuchtige staten die systematische rooftochten organiseerden (en waartegen de boeren zich trachtten te weren door geheime graanschuren aan te leggen). Men kan het ook bestuderen bij de moderne georganiseerde afpersingspraktijken van maffiose staten in staten.
Deze vermenging van het uitbuitings- en het afpersingsbegrip werd o.a. bekritiseerd door de Franse antropoloog Pierre-Philippe Rey. Zijn basisstelling is mijns inziens correct: of zij nu gematigd is of niet, gecompenseerd wordt of niet, afpersing is geen uitbuiting [Rey 1979/83:587]. Maar dat geldt niet voor wijze waarop Rey deze stelling onderbouwt en uitwerkt.
De tweede vorm is een bijzonder geval van indirecte uitbuiting in distributieprocessen op basis van geweld (de naar oud-testamentisch voorbeeld gemodelleerde heffing van tienden onder dreiging van superieur kerkelijk geweld), van schuldverhoudingen of van ongelijke ruilverhoudingen. Bij afdrachten van tienden onder dreiging van kerkelijk superieur geweld is deze kerkelijke uitbuiting relatief gemakkelijk als zodanig te herkennen en is ook de identificatie van de profiteurs niet zeer ingewikkeld.
Ook bij kerkelijke exploitatie in de vorm van schuldrelaties is historisch gezien duidelijk dat achter de religieuze legitimatie van deze overdrachten van meerarbeid een zeer profane beschikkingsmacht over land, arbeids- en geweldsmiddelen schuilt. Dit was in ieder geval geen geheim voor de zogenaamde Bokkerijders die bij de planning van hun roofovervallen een grote voorkeur aan de dag legden voor de enorme bezittingen die door de abdijen in de Maasvallei waren verzameld [Blok 1991:25,70].
Bij de overdracht van meerarbeid in de vorm van ongelijke ruil is het exploitatieve karakter en zijn de profiteurs en loosers vaak veel moeilijker te identificeren. Dit geldt met name voor de ongelijksoortige ruil tussen de prijs van een kerkelijke aflaat en het vermeende voorrangsrecht bij Petrus hemelpoort [zie excursie: Aflaten en Exploitatie]. Maar het geldt ook voor de moderne contributies en schenkingen die gelovigen overwegend vrijwillig overmaken op de bankrekeningen van fundamentalistische televisiepredikanten, die hen in ruil hiervoor niet alleen verzekeren dat de eigen zaligheid wordt bevorderd, maar ook dat hierdoor de blijde boodschap via de ether verspreid zal worden. Bij al deze variaties van kerkelijke exploitatie van gelovigen zou telkens een afweging moeten worden gemaakt tussen de waarde van het zieleheil en die van de overgedragen arbeidsproducten of de geleverde diensten [Bader/Benschop[1988:358].
De kiem van de aflaatpraktijken ligt in de oude kerkelijke boetepraktijk ter verzachting en kwijtschelding van canonieke straffen. De aflaten stammen uit de 11e eeuw. Als plaatsbekleedster van God kon de kerk straffen opleggen, met als doel een voor God geldende uitboeting der zonde; door de kwijtschelding van die straffen verleende de kerk een voor God geldende verzoening [Katholieke Encyclopedie, p. 586]. Als de bezitster van de sleutelmacht kon de kerk zonden vergeven; zij eiste daarvoor niet alleen berouw en belijdenis, maar ook satisfactie door werken. De aflaatpraktijk werd theologisch verdedigd door de leer van de schat van verdiensten van Christus en de overtollige verdiensten van de heiligen, waarover uitsluitend de kerk zou beschikken en waaruit zij kon uitdelen. Wat de gelovige aan berouw tekort kwam, kon door geld worden goedgemaakt; vergeving van zonden kon dus voor geld worden bemachtigd. Een aflaat is de kwijtschelding van tijdelijke straffen (die op aarde en in het vagevuur gedragen moesten worden), nog uit te boeten na reeds vergeven zonden. In de 16e eeuw ontwikkelde de katholieke kerk een uiterst gedifferentieerd stelsel van aflaten. Er waren kortstondige en zeer langdurig werkzame aflaten (soms voor meer dan 100 jaar), plaatselijk gebonden en meer algemeen geldige aflaten, persoonlijke en zakelijke aflaten, gedeeltelijke aflaten door een deel der straffen en volle aflaten voor de kwijtschelding van alle schulden, aflaten voor levenden en voor overledenen (om hun verblijf in het vagevuur te verkorten). Door de geldhonger van de paus en de geestelijkheid verscherpten zich de aflaatpraktijken. De aflaathandel leverde grote sommen geld op en werd een internationaal bedrijf. Door de schraapzucht van vele predikers werd het geldelijk element van de aflaatpredikers ook bij menig gelovige in diskrediet gebracht. De misbruiken namen zodanige proporties aan dat ook steeds meer gelovigen hierover slechts beschaamd het hoofd konden schudden.
Tegen deze weinig verheffende, demagogisch legitimeerde exploitatiepraktijken spijkerde Maarten Luther op 31 oktober 1517 zijn beroemde 95 stellingen op de deur van de slotkerk van Wittenburg (vooral in stelling 1 en 36). Luther werd geconfronteerd met mensen die hun zonden kwamen opbiechten en daarna hun aflaten lieten zien, zodat Luther hen geen boetedoening kon opleggen. Ware boete kon volgens Luther nooit door een geldelijke transactie worden vervangen. Iemand die geen werkelijke berouw over zijn zonde voelde, zou volgens Luther nooit aan vagevuur of hel ontsnappen. Bovendien lagt het volgens Luther ook niet in de macht van de kerk om al dan niet zonden te vergeven. God laat zich niet manipuleren door offer of aflaat, bedevaart noch schietgebed. Alleen God zelf kon uit barmhartigheid de zondaar vergeven. Een ander bekend voorbeeld is de zogenaamde dijkaflaat die in de jaren 1513-1518 in de Nederlanden werd afgekondigd. Een derde van de opbrengt van deze aflaat verdween in de zakken van de Curie en twee derde moest aan Karel V worden afgedragen. Op deze wijze werd wel hun schatkist gevuld, maar aan de dijken werd verder geen aandacht besteed. |
8. Productieve arbeid in de kapitalistische arbeidswijze |
|---|
8·1 Productieve arbeid als meerwaarde scheppende arbeid
De begrippen productieve en onproductieve arbeid spelen in marxistisch geïnspireerde klassenanalyses een belangrijke, maar ook een omstreden rol. Ik beperkt me hier tot een aanduiding van de ratio van het begrip productieve arbeid binnen het productie- en reproductieproces van het kapitaal. De problemen rond het begrip onproductieve arbeid worden besproken in hft. X, § 4·3·2.
Het onderscheid tussen productieve en onproductieve arbeid heeft betrekking op de specifieke maatschappelijke vorm van de arbeid en correspondeert met het onderscheid tussen kapitalistische en niet-kapitalistische arbeidswijze. Wat productieve arbeid binnen de kapitalistische arbeidswijze is, kan worden gespecificeerd door een nadere omschrijving van het specifieke resultaat van deze arbeidswijze. Het directe doel en het eigenlijke product van het kapitalistische arbeidsproces is de meerwaarde.
Meerwaarde is de specifieke vorm waarin de meerarbeid van de directe producenten in het kapitalistische arbeidsproces wordt toegeëigend. Productieve arbeid in de kapitalistische arbeidswijze is de arbeid die direct meerwaarde produceert, welke dient als middel van de zelfexpansie van het kapitaal. Als kapitaalproducerende arbeid is productieve arbeid loonarbeid in de strikt economische betekenis van het woord. Om productief te werken moet men loonarbeider zijn en in een kapitalistisch georganiseerd arbeidsproces waren produceren of diensten verlenen.
Ook de kapitalistisch georganiseerde dienstverlening kan dus als productieve arbeid worden beschouwd. De orthodoxe opvatting over deze kwesties is dat diensten onproductieve arbeid zijn, omdat zij niet tot de materiële productie behoren. Alleen wat uit de materiële productie voortkomt, kan tot waar worden. Dat is niet zozeer de marxistische alswel een grof materialistische en dogmatische benadering. Deze dogmatische opvatting wordt bijvoorbeeld verdedigd door Poulantzas.
|
|
Het productieve karakter van de arbeid is geen inhoudelijke, maar een functionele bepaling: productieve en onproductieve arbeid onderscheiden zich van elkaar doordat zij op verschillende doelen zijn betrokken. Daarom moet het begrip productieve arbeid voor elke arbeidswijze afzonderlijk worden gespecificeerd.
Overigens is ook het algemene begrip van productieve arbeid een functionele bepaling: vanuit het eenvoudige arbeidsproces bezien, is productieve arbeid de arbeid die zich in een nuttig product realiseert (dat onafhankelijk van dit arbeidsproces en van haar potentiële consumenten als waar kan circuleren) of waarvan het nuttige effect in de arbeidshandeling zelf is geïmpliceerd (zodat er geen arbeidsproduct ontstaat dat onafhankelijk van het arbeid en van het consumptieproces kan circuleren). Productieve arbeid in het algemeen is gedefinieerd als gebruikswaarde scheppende arbeid en is dus functioneel betrokken op menselijke behoeftebevrediging.
Het totale reproductieproces van het kapitaal omvat zowel het productieproces (waarin de waarde wordt geproduceerd) als het circulatieproces (waarin de geproduceerde waarde wordt gerealiseerd). Het kapitaal moet deze twee processen in op elkaar volgende tijdsperiodes doorlopen. De circulatie is een etappe van het kapitaalsproces welke voor de hernieuwing van de productie noodzakelijk is, maar waarin geen waarde en dus ook geen meerwaarde wordt gecreëerd.
De totale omslagtijd van het kapitaal is samengesteld uit de productietijd en de omloop- of circulatietijd. Gedurende de tijd dat het kapitaal zich in de circulatie bevindt, kan het zich niet in het productieproces bevinden en kan het zich dus niet vermeerderen. De tijd waarin het industriële kapitaal de sfeer van de circulatie moet doorlopen, is daarom een negatieve barrière voor de meerwaardevorming van het kapitaal [Marx, MEW 24:127]. De waardeschepping en de kapitaalrealisatie worden door de circulatietijd dus op negatieve wijze beïnvloed: door de versnelling of verlangzaming van de circulatie wordt de tijd verkort of verlengd, waarin het kapitaal geen productieve arbeid kan aanwenden (en zich dus niet kan vermeerderen). Circulatie is that purely social movement, the transfer of property titles, which is necessitated only by the fact that products assume the form of commodities [Cottrell 1984:63; vgl. Marx, MEW 24:132].
Activiteiten van circulatiearbeiders zijn meestal verbonden met de calculatie van waarde (boekhouding), met de realisatie van waarde (productverkoop), of met de transformatie van het gerealiseerde geld in productiemiddelen (aankoop van grondstoffen en arbeidsmiddelen) en arbeidskrachten (salarisadministratie). De overige circulatieactiviteiten hangen samen met het lenen en verlenen van geld.
Tijdens de circulatie voltrekt zich een vormverandering van de waren. Voor deze metamorfose is arbeid vereist en veroorzaakt dus kosten. De circulatiekosten die gemaakt moeten worden om de vormverandering van de waar tot stand te brengen, voegen geen nieuwe waarde aan de waar toe. Circulatiekosten zijn kosten om de waarde te realiseren of kosten om de waar uit haar ene vorm te transformeren in een andere zij zijn louter onkosten van de kapitalistische warenproductie. Omdat zij betaald worden uit het meerproduct of de meerwaarde vormen zij voor de kapitalistenklasse als geheel een vermindering van meerproduct of meerwaarde. De eigenlijke circulatiekosten leiden dus nooit tot waardevermeerdering en kunnen daarom worden aangemerkt als onkosten voor productieve arbeid.
De circulatiefuncties kunnen worden uitgevoerd door loonarbeiders die zelf van de verhuur van hun arbeidskracht leven. Door deze arbeidsdeling hoeft slechts een geringer deel van de arbeidskracht en van de arbeidstijd voor deze noodzakelijke, maar niet direct productieve functies te worden ingezet. Voor de kapitalist kunnen de circulatiekosten worden verminderd omdat ook commerciële loonarbeiders niet de volledige waarde van hun arbeid, maar slechts die van hun arbeidskracht ontvangen: de meerarbeid van de gewone commerciële loonarbeiders van het kapitaal wordt niet betaald. Voor de afzonderlijke commerciële kapitalist is dit een positieve winst.
Omdat de arbeid in de circulatiesfeer geen meerwaarde schept, fungeert hij niet direct als productieve arbeid, maar omdat hij voor de kapitalist de circulatiekosten door meerarbeid en versnelling van het circulatieproces vermindert, fungeert hij toch als indirect productieve arbeid [Marx, MEW 25:293; Beckenbach 1973:97; Berthoud 1974:93].
Tussen de directe productieve arbeiders en de onproductieve arbeiders bestaat dus nog een derde categorie van indirect productieve arbeiders. Commerciële loonarbeiders van het kapitaal zijn niet indirect productief omdat zij diensten verrichten, maar omdat zij diensten in de circulatiesfeer verrichten. Hun arbeidskracht wordt geruild tegen handels- of bankkapitaal en zij zijn onderworpen aan de algemene dwang tot meerarbeid. Voor hun ondernemers vervullen zij noodzakelijke en nuttige functies en leveren voor hen een winst op, maar geen waarde of meerwaarde.
Loonarbeiders die eenmalige gebruikswaarden (quasi-waren) produceren en wier arbeidtijd niet kan worden genormeerd, worden door Krätke [1984:134] als niet-productieve loonarbeiders aangeduid. Hij tekent daarbij bezwaar aan tegen het gebruik van de term indirect productieve loonarbeiders omdat de meeste loonarbeiders, dus ook de echte onproductieve loonarbeiders, invloed uitoefenen op de waardeschepping en meerwaardeproductie [idem:274]. Dat klopt, maar toch is er een essentieel verschil tussen de invloed van onproductieve arbeid op het meerwaardevormingsproces en de invloed van de indirect productieve arbeid. De onproductieve loonarbeiders staan immers buiten de verhouding van loonarbeid en kapitaal; zij beïnvloeden het waardevormingsproces niet als loonarbeiders van het kapitaal, maar bijvoorbeeld als loonarbeiders van de staat.
Ritsert [1987:17] maakt in dit verband een onderscheid tussen waarderelevante en waardebemiddelende activiteiten. Waarderelevante activiteiten van commerciële loonarbeiders van het kapitaal leiden weliswaar niet direct tot waardevorming, maar stellen wel de voorwaarden van de meerwaardevorming veilig; zij hebben met name effect op de massa van de meerwaarde. Waardebemiddelende activiteiten van onproductieve loonarbeiders (bedienden in particuliere huishoudens; loonarbeiders van de staat) fungeren niet als zodanig en direct binnen het reproductieproces van het kapitaal, maar kunnen dit proces wel extern beïnvloeden (dus remmen of stimuleren).
De functies van waarderealisatie zijn in het systeem van de reproductie van het kapitaal niet alleen noodzakelijk, maar het werk van de commerciële arbeiders is in alle takken van de circulatiesfeer tevens waarderelevant. Commerciële loonarbeid is in vier opzichten waarderelevant.
Volgens sommige auteurs is dit mogelijk wanneer men de hele waarde- en meerwaardetheorie (of kernbestanddelen daarvan) overboord gooit en genoegen neemt met de gedachte dat uitbuiting in het kapitalisme betekent the appropriation of the fruits of labour of one class by another (which is equivalent to a transfer of the surplus from one class to another) [Wright1985:74]. Met deze aan Cohen [1981] ontleende gedachte wil Wright the central thrust of the traditional Marxist concept of exploitation [Wright 1985:74] overeind houden. Omdat de arbeidswaardetheorie wordt losgelaten kan de omvang (dat wil zeggen de waarde) van dit surplus product niet meer onafhankelijk van de prijzen worden gedefinieerd. Het eigenlijke probleem van de analyse en meetbaarheid van uitbuitingsgraden wordt hiermee echter niet opgelost, maar verschoven naar de vraag hoe de omvang van dit surplus product kan worden gemeten. Wright is zich hiervan overigens wel degelijk bewust. Zodra men de arbeidswaardetheorie verlaat is surplus in de zin van surplus product volgens hem notoriously hard to define rigourously [Wright 1985:100 - noot 18]. Daar staat tegenover dat men vanuit de arbeidswaardetheorie weliswaar een nauwkeuriger theoretische definitie van meerwaarde kan geven, maar dat de concretisering en operationalisering van deze abstracte conceptie telkens weer op grote nog onopgeloste en misschien ook wel onoplosbare problemen stuit. Omdat de basisgedachte dat arbeid waarde schept wordt losgelaten, kunnen een aantal problemen die een waardetheoretische benadering met zich meebrengt van de agenda worden gehaald.
Men kan ook zoals Roemer [1977,1985] zijn toevlucht nemen tot een speltheorie waarin het probleem van de vergelijkbaarheid van de waarde van de verschillende soorten arbeid (en van de hierdoor geproduceerde goederen en diensten) eenvoudig wordt ontkend. In Wrights benadering is het overbodig (en mijns inziens ook onmogelijk) om een kapitalisme-specifiek begrip van uitbuiting te formuleren. Daarom heeft hij geen boodschap aan de vraag of de arbeid van professionals en experts direct bijdraagt aan de meerwaardevorming en of hun credentierente wordt betaald uit het fonds dat zij zelf produceren. Volgens Wright zijn dergelijke vragen niet relevant voor zijn analyse van de skill exploitation. Want zelfs als men de arbeidswaardetheorie en het daarmee gepaard gaande begrip van onproductieve arbeid accepteert the issues raised here would still apply for credentialed productive labor [Wright 1989:308].
![]() |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam Gepubliceerd: Januari 1993 Laatst gewijzigd: 06 November, 2011 |