Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 2 Structurering van objectieve klassenposities

VI. Arbeidsverhoudingen en arbeidswijze

  1. Stelling en afbakening
    1.1 Arbeidsverhoudingen als uitgangspunt
    1.2 Economistisch klassenbegrip en beroepsindelingen
    1.3 Synthetisch klassenbegrip
  2. Arbeid en arbeidsverhoudingen
  3. Aspecten van arbeidsverhoudingen
    3.1 Beschikkingsmacht over directe bronnen
    3.2 Doel van de arbeid
    3.3 Gezags- en afhankelijkheidsrelaties
  4. Arbeidswijze
  5. Huishoudelijke arbeidswijze
    5.1 Model van huishoudelijke arbeidswijze
    5.2 Segmentaire maatschappijen zonder klassen en zonder staat 5.3 Primitief egalitarisme 5.4 Formatie van ontwikkelde huishoudelijke gemeenschappen
  6. Kleine warenproductie als onzelfstandige arbeidswijze
  7. Economisme in de klassenanalyse
  8. Productieve arbeid in de kapitalistische arbeidswijze
    8.1 Productieve arbeid als meerwaarde scheppende arbeid
    8.2 Productieve arbeid in het reproductieproces van het kapitaal
    8.3 Weg met de waardetheorie?

Figuur 6_1: Doelen van de arbeid

Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Stelling en afbakening

1.1 Arbeidsverhoudingen als uitgangspunt
Klassenverhoudingen worden primair door exploitatieve arbeidsverhoudingen gestructureerd. De afbakening van objectieve klassenposities berust op twee centrale veronderstellingen.

In deze stelling ligt zowel een afbakening (een negatieve heuristiek) besloten ten opzichte van (a) benaderingen die uitgaan van een economisch-deterministisch of productivistisch verkort klassenbegrip, als van (b) benaderingen waarin het klassenbegrip wordt opgerekt middels het brede, synthetische concept van productiewijze (à la Poulantzas, Bourdieu e.a.).

Index


1.2 Economistisch klassenbegrip
Zoals gezegd worden klassen in de marxistische traditie primair gedefinieerd in termen van bijzondere arbeidsverhoudingen; zij worden dus niet eenvoudig gedefinieerd in termen van het arbeids- of productieproces. Hierin ligt een afbakening besloten tegenover de gangbare ‘pseudodefinitie van klasse’ (Draper) die men zowel aantreft in de marxistische als niet-marxistische traditie.

Consensus over een pseudodefinitie van klassen
In de marxistische traditie wordt hierbij vaak verwezen naar een klassieke formulering van Nicolai Bucharin. Hij definieerde maatschappelijke klassen als “die Gesamtheit der Personen ... die in der Produktion die gleiche Rolle spielen, die im Produktionsprozeβ in gleichen Verhältnissen zu den anderen stehen, wobei diese Verhältnisse auch in den Dingen (Arbeitsmitteln) ihren Ausdruck finden” [Bucharin 1922:324]. De pseudo-definitie van klassen ontstaat met name door een verabsolutering van het laatste deel van de formulering.

Twee willekeurige voorbeelden uit de niet-marxistische traditie:

    “Marx’s doctrine of class compromises two aspects. The first ... defines class as a social ensemble characterized by its place in the process of production; this place is determined at one and the same time by its technical role and by its relation to the means of production” [Aron 1964:57].
Aron suggereert dat er onder ‘marxisten’ consensus bestaat over deze klassendefinitie, en dat zij zelfs voor andere wetenschappers acceptabel is.
    “Klassen zijn omvangrijke categorieën personen die ten opzichte van de productiemiddelen een gelijke positie innemen” [Berting 1981:324].
Zelfs Giddens [1989:210] maakt een knieval voor de ‘marxistische’ pseudodefinitie van klassen.

Zie over de betekenis en invloed van Bucharin’s mechanisch-economistische codering van het historisch-materialisme: Deborin/Bucharin [1969], Kofler [1971:155-6] en de oudere kritieken van Lukács [1925] en Gramsci [1971:419-72; Ned. vert. pp. 86-112].

Kenmerkend voor deze opvatting is dat de klassenverhouding wordt gereduceerd tot een mens-ding relatie, dat wil zeggen tot een relatie tussen directe producenten en hun objectieve productievoorwaarden (die bijna altijd worden gereduceerd tot materiële productiemiddelen). De veronderstelde consensus onder ‘marxisten’ zou zijn dat het beslissende criterium van klassendeling de verhouding is waarin de directe producenten staan tegenover de productiemiddelen (vergelijk de bekende formuleringen over ‘bezit en niet-bezit van de productiemiddelen’).

De stelling van Marx was evenwel dat “het meest intieme geheim van de maatschappelijke constructie” gelegen is in de directe verhouding van de eigenaar van de productievoorwaarden (en niet de productievoorwaarden zelf!) tot de directe producenten. Het ‘geheim’ van de maatschappelijke klassendeling is dus gelegen in de telkens specifieke economische vorm van deze verhouding [Marx, MEW 25:799; MEW 23:231; MEW 26.3:271]. De these van Marx zou als volgt geformuleerd kunnen worden: de verschillende klassen worden gekenmerkt door de specifieke economische vorm van hun verhouding tot de objectieve arbeidsvoorwaarden [Marx, MEW 26.3:27]. In deze zin wordt het klassenbegrip dus in eerste instantie ‘economisch’ opgevat.

Oorzaken van verwarring
De gangbare opvatting is dat in Marx’ theorie de eigendom van de productiemiddelen het criterium is van klassendeling. Deze misvatting wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een verwarring van twee proposities.
  • Op het hoogste abstractieniveau van klassen in de zuivere kapitalistische productiewijze is de maatschappij verdeeld in industriële kapitalisten die geen meerwaarde produceren maar wel toeëigenen, en industriële arbeiders die meerwaarde produceren maar het niet ontvangen.

  • De eigenaars van de productiemiddelen eigenen meerwaarde toe, terwijl de eigenaars van arbeidskracht die geen beschikkingsmacht hebben over de productiemiddelen, waarde ontvangen die noodzakelijk is voor de reproductie van hun arbeidskracht [Marx, MEW 23:249 — vert. p. 161; en de interpretatie van Jasinska/ Nowak 1979:85].

Het beslissende klassencriterium is dus niet het bezit van productiemiddelen, maar het eigendom resp. de toeëigening van meerarbeid/meerwaarde. De eigendom van de productiemiddelen impliceert de facto toeëigening van meerarbeid, maar dat is niet altijd zonder meer het geval.

Zoals bekend worden er in de sociologische stratificatieliteratuur als indicator van de technische arbeidsdeling zeer vaak (meer of minder gedifferentieerde) beroepsindelingen gehanteerd. De bezwaren tegen een dergelijke benadering kunnen in twee punten worden samengevat [zie ook al hoofdstuk I, § 2·4].

Index


1.3 Synthetisch klassenbegrip
De tweede stelling impliceert tevens een afbakening van synthetische klassenbegrippen, waarbij ‘politieke’ en ‘ideologische’ criteria worden geïntroduceerd in de structurele klassenbepaling, dat wil zeggen in de afbakening van klassenposities. Deze benadering is met name uitgewerkt door Poulantzas, maar heeft in zekere zin zijn voortzetting gevonden in het werk van Bourdieu.

1.3.1 Nicos Poulantzas: een oeverloos begrip van productiewijze
Poulantzas werkt zijn klassentheorie vooral uit in Pouvoir politique et classes sociales [1968] en Les classes sociales dans le capitalisme d’aujourdhui [1974]. Van dit laatste boek zijn een aantal hoofdstukken vertaald in Klassen in het huidige kapitalisme. Nijmegen [1976].
De synthetische klassenbenadering is vooral bekend geworden door de bijdragen van Nicos Poulantzas. Zijn basisstelling, die hij in Pouvoir politique et classes sociales formuleerde, is dat sociale klassen nooit alleen betrekking hebben op de economische structuur (de productie-verhoudingen), maar altijd op “het geheel van de structuren van een productiewijze en een maatschappijformatie, en op de verhoudingen tussen de diverse niveaus” [Poulantzas 1968:61]. Hij beschouwt sociale klassen als “een uitwerking van het geheel van de structuren en van de verhoudingen tussen die structuren, dus in de eerste plaats van het economisch niveau, ten tweede het politieke niveau en ten derde het ideologisch niveau” [idem].

In een latere formulering is klasse voor hem een begrip “dat de structuuruitwerking (effet de structure) in de maatschappelijke arbeidsdeling (de maatschappelijke verhoudingen en praktijken) aanduidt” [Poulantzas 1976:16]. Daarom moet een maatschappelijke klasse structureel worden gedefinieerd door “haar positie in het geheel van de maatschappelijke praktijken, d.w.z. door haar positie in het geheel van de maatschappelijke arbeidsdeling die ook politieke en ideologische verhoudingen omvat” [idem]. De maatschappelijke klassen zijn weliswaar “hoofdzakelijk maar niet uitsluitend” bepaald door “hun positie in het productieproces, d.w.z. in de economische sfeer”. Aan deze economische positie komt weliswaar de ‘hoofdrol’ toe, maar ‘het economische’ is niet voldoende voor de bepaling van de maatschappelijke klassen: “... het politieke en de ideologie, kortom de bovenbouw ... [spelen] eveneens een zeer belangrijke rol” [idem].

Aan een dergelijke benadering kleven tal van problemen, die niet of nauwelijks vanuit de gehanteerde basispremisse zijn op te lossen [zie de kritieken van Cardoso 1972; Shotnets 1979 en vooral Wright 1978].

  1. In de eerste plaats is moeilijk in te zien welke theoretische of onderzoeksstrategische voordelen het heeft om een redelijk duidelijk afgebakend begrip als ‘productiewijze’ op te blazen door er ‘politieke’ en ‘ideologische’ dimensies aan toe te voegen.

    Het is indicatief dat Poulantzas drie verschillende termen gebruikt om de bijzondere rol van de ‘economische instantie’ aan te duiden. Als men de laatste term (‘beslissende rol’) letterlijk neemt, zou de hele ‘anti-economistische’ exercitie van Poulantzas op losse schroeven komen te staan. Poulantzas lijkt het ‘economisme’ door de voordeur te verdrijven om het in een nieuw gewaad weer door de achterdeur binnen te halen. Zie ook de kritiek van Miliband [1973/6:641] en Hirst [1977].

  2. In de tweede plaats geeft Poulantzas geen argumentatie waaruit duidelijk wordt op welke wijze de ‘economische’ klassenbepaling haar ‘principiële’, ‘hoofdzakelijke’, ‘beslissende’ rol realiseert. Hij beweert eenvoudig “dat elke objectieve klassenpositie in het productieproces zich noodzakelijkerwijs uitdrukt in uitwerkingen, wat deze klasse betreft, op het geheel van haar structurele bepaling, d.w.z. evenzeer in een specifieke positie van deze klasse in de politieke en ideologische verhoudingen van de maatschappelijke arbeidsdeling” [Poulantzas 1976:19]. Hoe zich dit proces van ‘noodzakelijke uitdrukking’ volstrekt, blijft volstrekt duister.

    Poulantzas volstaat met een verwijzing naar Lenin’s beschrijvende begrip van het klasseninstinct om aan te geven dat het economische bestaan van de arbeidersklasse zich uitdrukt in “specifieke materiële en ideologische praktijken” [Poulantzas 1976:19]. Om dit te kunnen begrijpen adviseert hij dat men in ieder geval moet breken met iedere opvatting van ideologie als een coherent ‘stelsel van ideeën’ of ‘discours’ en dat men haar moet opvatten als “geheel van materiële praktijken” [idem]. Later komt hij hierop kort terug met een verwijzing naar Marx’ analyse van het warenfetisjisme als een “uitstekend voorbeeld van een reproductie van de heersende ideologie die het bereik van de [ideologische] apparaten te buiten gaat” [idem, p. 34]

  3. In de derde plaats ontwikkelt hij geen duidelijk criterium voor het gebruik van politieke en ideologische criteria. Daardoor komen deze criteria in de praktijk op gelijke voet te staan met ‘economische’ relaties en criteria. De ‘politieke’ en ‘ideologische’ verhoudingen worden als aanvullende bepalingen opgeteld bij de economische verhoudingen. Deze additieve benadering is ingebakken in een merkwaardige cirkelredenatie: eerst geeft ‘de economie’ de fundamentele bepaling die tegelijk de politieke en ideologische momenten bevatten, dan worden in het vervolg van de analyse van de verschillende sociale categorieen “deze politieke en ideologische verhoudingen … eveneens beslissend” [Poulantzas 1974:192].

Als men het klassenbegrip zo oeverloos uitbreidt dat het alle maatschappelijke activiteitsverhoudingen omvat, dan gaat dit ten koste van haar verklaringskracht. Alomvattende begrippen verklaren uiteindelijk niets meer.

1.3.2 Pierre Bourdieu: een elastisch klassenbegrip
In het centrum van Bourdieu’s analyse van sociale ongelijkheid staat de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over bronnen, die hij zonder meer ‘kapitaal’ noemt. Het globale volume van het kapitaal is het “primaire verschil” dat de “hoofdklassen van bestaansvoorwaarden” constitueert [Bourdieu1979:128]. Het kapitaalvolume is de som van alle effectief te gebruiken en te mobiliseren bronnen: economisch, cultureel en ook sociaal kapitaal.

Bij de constructie van de klassen en klassefracties waarop hij zijn analyse baseert, houdt hij zowel met primaire als met secundaire kenmerken rekening. De “primaire kenmerken” of “hoofdvariabelen” /115/ zijn: beroep, inkomen en opleidingsniveau. De “secundaire kenmerken” /113,116,118/ of “variabelen” /114,116/ zijn: sekse-ratio, woonplaats (geografische verdeling) en een “reeks van aanvullende kenmerken” zoals: etnische en sociale afkomst, leeftijd, burgerlijke staat /113/.

Bourdieu gaat uit van een homogeniteitspostulaat, hij wil “zo homogeen mogelijke klassen construeren” /118/. De ‘objectieve klasse’ wordt gedefinieerd als “het geheel van actoren die in homogene bestaansvoorwaarden zijn geplaatst welke homogene conditioneringen opleggen en homogene systemen van disposities voortbrengen die in staat zijn gelijksoortige praktijken te genereren, en die een reeks gemeenschappelijke eigenschappen bezitten, geobjectiveerde eigenschappen, die soms juridisch gegarandeerd zijn (als bezit van goederen en macht) of eigenschappen die geïncorporeerd zijn als klassenhabitus (en met name systemen van classificerende schema’s)” /112/. Deze objectieve klasse —die Bourdieu [1989:145;1991:34] later ook wel aanduid als de papieren- of waarschijnlijke klasse— wordt onderscheiden van de gemobiliseerde klasse (classe mobilisé) die gedefinieerd wordt als “het geheel van actoren dat verzameld is — op basis van de homogeniteit van de geobjectiveerde of belichaamde eigenschappen die de objectieve klasse definiëren — met het oog op de strijd die gericht is op instandhouding of modificatie van de structuur van de verdeling van geobjectiveerde eigenschappen”/113 - noot 6/.

De bezwaren tegen deze benadering kunnen in een aantal punten worden samengevat [Bader/Benschop 1988:90,116 en Bader 1991:31,259].

  1. Bourdieu hanteert het kapitaalbegrip in feite als synoniem voor ‘bronnen’, ‘machtspotentieel’, hoewel hij ook vaak losjes en simpelweg ‘macht’, ‘structuur’ of ‘sociale energie’ schrijft /128/. Omdat hij alle bronnen eenvoudig ‘kapitaal’ noemt, heeft hij geen apart begrip meer voor bronnen die níet particulier zijn toegeëigend, en ook niet meer voor vormen van particuliere toeëigening van bronnen die specifiek zijn voor een bepaalde maatschappijformatie.

  2. De bronnen en bronsoorten worden tamelijk willekeurig en onvolledig behandeld. Hoewel er in eerste instantie slechts ‘drie en niet meer dan drie’ kapitaalsoorten lijken te zijn (het economische, culturele en het sociale kapitaal en hun afkortingen: vermogen, talenten, geboorte), ontdekt men een bonte — niet door enige systematiek beteugelde — veelvoud van kapitaalsoorten: literair, wetenschappelijk, juridisch kapitaal, geïncorporeerd cultureel kapitaal, schools- of onderwijskapitaal, lichamelijk kapitaal, symbolisch kapitaal, politiek kapitaal, deugden en manieren als kapitaal enzovoort. Opvallend is verder dat een aantal belangrijke bronnen — zoals geweld, geld, rechten en prestige — slechts mogen schitteren door afwezigheid.

    In een opstel uit 1984, Espace social et genèse des ‘classes’, wordt naast economisch, cultureel en sociaal kapitaal ook expliciet symbolisch kapitaal opgevoerd, “dat doorgaans prestige, reputatie of roem genoemd wordt en dat de vorm is waarin de verschillende soorten kapitaal als legitiem onderkend en erkend worden” [Bourdieu 1989:144]. In Economisch, sociaal, cultureel kapitaal (uit 1983) wordt ‘symbolisch kapitaal’ omschreven als “kapitaal van welke soort dan ook voor zover het wordt gerepresenteerd, dat wil zeggen symbolisch wordt opgevat, beschouwd als voorwerp van kennis of beter: van miskenning en erkenning; het veronderstelt dus de tussenkomst van een sociaal geconstitueerd cognitief vermogen” [Bourdieu 1989:310 - noot 3].

  3. Bourdieu’s redenatie is intern inconsistent. Terwijl kapitaalvolume wordt gedefinieerd als de som van drie kapitaalsoorten, spreekt Bourdieu bij zijn onderscheiding van de hoofdklassen slechts van het economische en het culturele kapitaal. Het sociale kapitaal verdwijnt — zonder enige argumentatie — uit de bepaling van de hoofdklassen [zie diagram 5: De ruimte van sociale posities, p. 140]. Hij zou moeten zoeken naar indicatoren voor ‘economisch kapitaal’ (‘beroep’ en ‘inkomen’), ‘cultureel kapitaal’ (‘opleidingsniveau’) en ‘sociaal kapitaal’ (‘aantal relaties’ en ‘kwaliteit van relaties’).

  4. Bourdieu verbindt zijn hoofdklassen niet met posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen die gekenmerkt worden door ongelijke beschikkingsmacht over bronnen, en voor het exploitatiebegrip is in zijn benadering geen (in ieder geval geen systematische) plaats. In plaats daarvan werkt hij met een gegeneraliseerd kapitaalbegrip. Om zijn conceptie van kapitaalvolume plausibel te maken, zou men verwachten dat hij laat zien hoe de verschillende kapitaalsoorten met elkaar vergeleken kunnen worden en met behulp van welke maatstaf men deze kapitaalsoorten onder één noemer kan brengen, zodat zij bij elkaar kunnen worden opgeteld. Het probleem van de vergelijkbaarheid en van de constructie van een maatstaf wordt echter überhaupt niet besproken.

  5. Bij zijn afbakening van het begrip klassenpositie worden positionele structuurvormen van sociale ongelijkheid (of positionele criteria) vermengd met rekruterings- of allocatiecriteria (en deze laatsten worden nogal willekeurig en uiterst onvolledig behandeld). Hierdoor wordt het begrip klassenpositie in feite geïdentificeerd met ongelijke levenspositie of met sociale positie. Het klassenbegrip wordt zover opgerekt dat het identiek wordt met sociale ongelijkheid: het omvat praktisch alle positionele en allocatieve vormen van sociale ongelijkheid. Daarom kan hij klasse verheffen tot een ‘universeel verklaringsprincipe’/127/.

    In een latere reactie op critici heeft Bourdieu dit duidelijker geformuleerd. De conclusie in La Distinction was “dat de belangrijkste, centrale onderscheidingsprincipes …, die nodig zijn om de ruimte van de sociale verschillen, en preciezer van de differentiële posities … weer te geven, gelegen zijn in het totale kapitaal waarover telkens wordt beschikt, de structuur van dit kapitaal … en tenslotte in de temporele ontwikkelingen van deze beide parameters” [Bourdieu 1989:407 e.v.]. Alle verschillen tussen sociale posities worden zonder meer ‘logische klassen’, ‘klassen op papier’ genoemd. Het is overigens opmerkelijk hoe Bourdieu reageert op de critici van zijn klassentheorie: “Met La Distinction … had ik niet de bedoeling een theorie van de sociale klassen te formuleren, … deze werd slechts in een voetnoot voor de toekomst aangekondigd” [idem]. Wie zijn pretentieuze klassentheoretische verhandeling nog eens naleest, zal een dergelijke repliek curieus voorkomen; en zij is nogal pijnlijk voor Bourdieu’s adepten, die zijn bijdrage in La Distinction juist hebben geprezen als een grote ‘innovatie’ van de klassentheorie.

  6. Bourdieu gaat zonder enige argumentatie uit van een ‘fundamenteel primaat’ van primaire tegenover secundaire kenmerken: “Groepen die gemobiliseerd worden op basis van een secundair criterium (zoals sekse of leeftijd) zijn waarschijnlijk door minder duurzame en minder diepgaande affiniteiten en solidaire relaties aan elkaar gebonden dan groepen die gemobiliseerd worden op basis van de fundamentele determinanten van hun voorwaarden” /118/.

  7. De overgang van klassenposities naar politieke handelingscollectieven is bijzonder zwak uitgewerkt. Het blijft onduidelijk hoe uit ‘objectieve klassen’ ‘gemobiliseerde klassen’ kunnen ontstaan. Bourdieu merkt slechts op dat klassen in de zin van Marx (klassen als politieke krachten) ‘gemaakt’ moeten worden en dat hiervoor ‘politieke constructiearbeid’ nodig is: ‘klassen op papier’ kunnen slechts werkelijke, effectief gemobiliseerde en georganiseerde groepen worden door politieke arbeid [Bourdieu 1989a:408].

    In zijn opstel over Politieke vertegenwoordiging (geschreven in 1981) draagt Bourdieu wel een aantal bouwstenen aan voor een theorie van het politieke veld. En in zijn opstel over De sociale ruimte en de genese van ‘klassen’ (geschreven in 1984) gaat hij iets uitvoeriger in op “die mysterieuze alchemie waardoor een groep-in-strijd, een gepersonifieerd collectief, een historische actor die zich zijn eigen doeleinden stelt, oprijst uit de objectieve economische condities” [Bourdieu 1989:148]. Voor hem is dit in de eerste plaats een kwestie van de politiek zelf, in de tweede plaats een kwestie van het verband tussen de classificaties van de sociale wetenschappers en de classificaties waarmee de actoren zelf in hun alledaagse bestaan opereren.

Index2. Arbeid en arbeidsverhoudingen

De transformationele klassenanalyse oriënteert zich op de specifieke maatschappelijke arbeidsverhoudingen (of als men de marxistische dictie prefereert: ‘de vormbepalingen van het economisch proces’) en onderzoekt van daaruit de doorwerkingen van klassensplitsingen in andere maatschappelijke activiteitsverhoudingen. Zo’n benadering is alleen verdedigbaar wanneer men vertrek vanuit een breed (maar niet oeverloos opgerekt) begrip van arbeid en arbeidsverhoudingen.

Arbeid is het geheel van doelmatige en bewuste menselijke activiteiten welke specifiek gericht zijn op het voortbrengen van gebruikswaarden, dat wil zeggen van goederen en diensten die behoeften van menselijke individuen kunnen bevredigen. Het geheel van maatschappelijke betrekkingen die mensen in of ten opzichte van de arbeid met elkaar aangaan, constitueren de specifieke maatschappelijke vorm van de arbeid. De conceptualisering van de diverse historische klassenformaties vertrekt vanuit een typering van de specifieke maatschappelijke arbeidsverhoudingen waarin mensen gebruikswaarden (goederen en diensten) voortbrengen, waarmee zij hun zeer uiteenlopende maatschappelijk bepaalde behoeften kunnen bevredigen.

Voor Marx is de historisch-specifieke vorm van de maatschappelijke arbeid —d.w.z. de vorm waarin de producenten het voor hun individuele en collectieve reproductie noodzakelijke deel van de door hen geproduceerde goederen en diensten toeëigenen— centraal voor het begrip van de gehele economische structuur van een maatschappij.
    “Die ganze ökonomische Struktur der Gesellschaft dreht sich um die Form der Arbeit, d.h. also die Form, worin der Arbeiter sich seine Lebensmittel aneignet oder den Teil seines Produkts, upon which he lives” [Marx, MEW 26.3:405].
De verschillende productiewijzen worden door hem onderscheiden op basis van de specifieke vorm waarin de arbeider de voor zijn reproductie noodzakelijke middelen van bestaan toeëigent. De betekenis die Marx in dit verband geeft aan het begrip productieve arbeid wordt uitvoeriger geanalyseerd in § 8.

Voordat we ons richten op de analyse van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen moeten er een paar kanttekeningen worden gemaakt bij het algemene arbeidsbegrip.

Alle menselijke activiteiten die gebruikswaarden voortbrengen kunnen in principe als arbeid worden aangeduid, althans wanneer voor de actoren zelf herkenbaar is dat deze activiteiten zijn onderscheiden van niet-arbeid. Deze laatste clausulering attendeert erop dat er bij deze definitie van het algemene arbeidsbegrip drie vooronderstellingen in het geding zijn.

  1. Differentiatie arbeid en niet-arbeid
    De voortbrenging van gebruikswaarden kan alleen als arbeid worden ervaren wanneer er empirisch sprake is van een minimale differentiatie tussen arbeid en niet-arbeid (vrije tijd). Deze ervaring wordt gestimuleerd wanneer arbeid en andere activiteiten zowel tijd-ruimtelijk als institutioneel gescheiden zijn, en wanneer de beroepsspecialisatie zich verder ontwikkelt.

    Sinds de opkomst van de oude jagers- en verzamelaarsmaatschappijen is dit scheidingsproces een steeds duidelijker ervaringsfeit geworden. De activiteit van het verzamelen, jagen en vooral die van het ploegen, zaaien en oogsten kunnen gemakkelijker als arbeid worden herkend, omdat zij tijd-ruimtelijk en institutioneel van de niet-arbeid of vrije tijd gescheiden zijn.

    In moderne industriële maatschappijen heeft zich deze scheiding grosso modo — en afgezien van recente tegentendensen: thuisarbeid — steeds verder ontwikkeld en heeft ook de beroepsvorming en professionalisering steeds gedifferentieerder vormen aangenomen.

      Maurice Bloch heeft er terecht op gewezen dat ook het leven van een traditionele subsistentie-boer niet overeenkomt met onze moderne notie van arbeid.
        “We cannot answer such questions as at what time does a rural Malagasy begin work and at what time does he or she end it? There is no break between getting up, washing, husking rice for breakfast, eating the breakfast, making basket work, stopping to chat, going out to cultivate the kitchen garden, mending household objects and tools, going to the field, fishing for crayfish in a nearby stream, swimming there, herding the cattle, playing a musical instrument, etc. All these are part of living, all these activities are totally intertwined, and there is no possibility of separating them into work and leisure” [Bloch 1983:91].
      In pre-kapitalistische maatschappijen is de productieve activiteit volledig is geïntegreerd in andere sociale relaties en is de scherpe scheidslijn die wij trekken tussen arbeid en andere activiteiten afwezig. Eerst met de empirische differentiatie tussen arbeid en niet-arbeid ontstonden er afzonderlijke ruimten met een eigen functie. De werksituatie en woonsituatie worden zowel tijd-ruimtelijk als institutionaal gescheiden [Prost 1990:19 e.v.].

    Bij huishoudelijke arbeid is deze splitsing meestal nauwelijks aanwezig en tastbaar (‘a woman’s work is never done’) en is er nauwelijks sprake van beroepsspecialisatie (‘wij koken en kopen, wassen en verzorgen, voeden op en cultiveren enzovoort’). Dit is een belangrijke oorzaak van de moeilijkheden die zich voordoen bij het herkennen en benoemen van huishoudelijke activiteiten als arbeid.

      Juist in de discussie over huishoudelijke arbeid wordt duidelijk dat ‘werk’ niet alleen een kwestie is van wat mensen doen. Elke definitie van arbeid impliceert ook uitspraken over de voorwaarden waaronder dat werk wordt verricht en de gepercipieerde sociale waarde of waardering. Vanuit feministisch-antropologisch perspectief stelt Moore [1988:43]: “The apparent invisibility of women’s work is a feature of the sexual division of labour in many societies, and it is reinforced by the ethnoentric assumptions of researchers and policy-makers, and by indigenous gender ideologies. If work is conventionally understood as ‘paid work outside the home’, then the value of women’s subsistence and domestic labour goes unrecognized. This definition of work may persist even when it is clearly contradicted by people’s experiences and expectations”.

    In maatschappijen met een dominante kapitalistische arbeidswijze komt dit nog scherper naar voren, omdat daarin arbeid wordt gereduceerd tot waren of ruilwaarde producerende beroepsarbeid. Het algemene referentiepunt van de arbeid wordt hierbij zodanig beperkt dat huishoudelijke arbeid (welke ‘slechts’ gebruikswaarde voortbrengt) officieel niet meer meetelt in de calculaties van de economen. Arbeid wordt conventioneel gedefinieerd als betaalde arbeid buitenshuis.

      De feitelijke mate waarin vrouwen onbetaalde arbeid verrichten, werd altijd onderschat. Vrouwen leverden door de eeuwen heen een substantiële bijdrage aan het huishoudelijk inkomen resp. de huishoudelijke inkomsten. Zij deden en doen dit zowel indirect in termen van hun onbetaalde agrarische en huishoudelijke arbeid als direct door het inkomen dat zij verdienen in de handel en kleine warenproductie. Zie voor een internationale vergelijking van vrouwenarbeid: Boserup [1970], Lewenhak [1992].

  2. Handelingscontext en subjectief perspectief
    Arbeid kan niet los van de handelingscontext en het subjectieve perspectief van de actoren worden begrepen. Precies dezelfde concrete activiteit (zoals eten koken) kan voor de een arbeid zijn, terwijl het voor de ander een vrije tijdsactiviteit of hobby is. Wanneer ik thuis voor vrienden de sterren van de hemel speel op mijn gitaar dan is dat geen arbeid, terwijl de saaiste les van de meest incompetentie muziekleraar op een middelbare school dat wel is. Het is dus van de specifieke handelingscontext afhankelijk of een bepaald repertoire van menselijke handelingen als arbeid kan worden ervaren en gedefinieerd of niet.

  3. Voortbrenging van gebruikswaarden
    Arbeid is niet beperkt tot ‘materiële productie’ in de zin van goederenproductie, maar omvat alle activiteitsprocessen waarin gebruikswaarden worden voortgebracht. Arbeid omvat dus ook alle processen waarin diensten worden verleend, die zich niet (of niet direct) veruiterlijken in een materieel product dat tijd-ruimtelijk kan worden gescheiden van het arbeidsproces (en van de lijfelijke aanwezigheid van de dienstverlener) en van het consumptieproces (en de lijfelijke aanwezigheid van de consumenten, gebruikers of cliënten van deze dienst).

    Artsen en therapeuten, advocaten en soldaten, priesters en professoren, kappers en kinderverzorgers, schrijvers en cabaretiers produceren allen een gebruikswaarde voor anderen. Artsen en therapeuten bevredigen mijn behoefte aan fysieke en mentale gezondheid (maar zij produceren ook ziekte en afhankelijkheid), professoren en schrijvers produceren rationele kennis en ‘Verlichting’ (maar ook domheid en obscurantisme), dichters, zangers en toneelspelers produceren kunstwerken (maar ook smakeloosheid), moralisten produceren zeden (maar ook zedeloosheid), priesters en dominees produceren de geloofscultus, zieleheil en vertroosting (maar ook bijgeloof, godsdienstwaan en diepe existentiële ontreddering), de arbeid van de soeverein en zijn soldaten produceert veiligheid (maar ook onveiligheid en terreur).

    Arbeid is een maatschappelijk fenomeen en heeft niets te maken met oordelen over de (on)zin of het (on)nut van menselijke activiteiten. Het vervaardigen van objecten die voor niemand nuttig of potentieel bruikbaar zijn, is geen arbeid — ook al heeft deze activiteit nog zo’n grote invloed op de omgeving. Iets wat voor niemand meer een intersubjectief te begrijpen zin heeft (d.w.z. geen werkelijke of ingebeelde gebruikswaarde) is geen arbeid, ook al impliceert het een verandering, en misschien wel een bewuste en planmatige verandering van de natuurlijke en sociale omgeving [Krätke 1984:272].

Index3. Drie aspecten van arbeidsverhoudingen

Voor de precisering van het begrip maatschappelijke arbeidsverhoudingen maak ik gebruik van de criteria die hiervoor door Bader/Benschop [1988:176 e.v.] zijn uitgewerkt. De specifieke aard van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen is van drie factoren afhankelijk: (1) de wijze waarop de beschikkingsmacht over directe of productieve bronnen is verdeeld, (2) het dominante of overheersende doel van de arbeid, en (3) de hierdoor gestructureerde sociale afhankelijkheidsrelaties in arbeidsverhoudingen, met name in het directe arbeidsproces.

Index


3·1 Beschikkingsmacht over directe bronnen
Volgens Weber impliceert elke organisatie van de economie altijd de een of andere feitelijke verdeling van beschikkingsmacht en mag daarom het begrip beschikkingsmacht niet ontbreken als sociologisch begrip van het economisch handelen [Weber WG:33]. Des te opmerkelijker is het dat Weber zelf het begrip beschikkingsmacht en de objecten waarover deze kan worden uitgeoefend niet systematisch uitwerkt. Zijn ideaal-typische uiteenzetting van de maatschappelijke organisatie-vormen van de arbeid [WG:62-97] is echter uiterst gedetaillieerd (maar in de sociaalwetenschappe-lijke literatuur nog weinig benut).
De feitelijke beschikkingsmacht over directe bronnen structureert zowel de machtskansen in arbeidsprocessen als de verdelingskansen van hun resultaten. Het meest doorslag-gevende kenmerk van alle maatschappelijke arbeidsverhoudingen draait dus altijd om de vraag naar de feitelijke beschikkingsmacht over directe bronnen. De essentiële vraag is: wie oefent er effectieve beschikkings-macht uit over welke directe bronnen?

Maatschappelijke arbeidsverhoudingen vertonen historisch gezien een zeer grote verscheidenheid. Deze verscheidenheid kan in eerste instantie tot twee extreme modelmatige typen worden teruggebracht, wanneer men de op zichzelf simpele vraag stelt: beschikken degenen die goederen produceren en diensten verlenen (‘directe producenten en dienstverleners’) over de materiële bronnen, hun eigen arbeidskracht en de vormen van arbeidsorganisatie die nodig zijn om deze goederen te produceren of deze diensten te verrichten?[zie excursie over directe en indirecte bronnen]

  1. Solidaire en niet-antagonistische arbeidsverhoudingen
    Arbeidsverhoudingen waarin werkenden (individueel of geassocieerd) effectief beschikken over het geheel van de bronnen die direct en als zodanig bijdragen aan de voortbrenging van de gebruikswaarden bieden geen mogelijkheden om meerarbeid toe te eigenen en zijn derhalve ook geen grondslag voor klassenrelaties. Het zijn potentieel solidaire en niet-antagonistische arbeidsverhoudingen. Alle werkenden zijn door een dergelijke type arbeids- en distributieverhoudingen immers op een gelijke wijze met elkaar verbonden. De lusten en lasten van de maatschappelijke arbeid zijn een gemeenschappelijke aangelegenheid. De vitale behoeften en belangen van de leden van een dergelijke maatschappij zijn principieel gelijkvormig en gemeenschappelijk. Dit betekent niet dat dergelijke maatschappijen gelijkgeschakeld of opgelegd gecollectiveerd moeten zijn; zij kunnen veeleer worden gekenmerkt door een grote verscheidenheid en persoonlijk gekleurde individualisatie.
      Dit laatste geldt zeker niet voor de zogenaamde oer-communistische maatschappijen van zo’n 5000 jaar voor de Christelijke jaartelling. De behoeften van de leden van deze samenlevingen waren nog weinig empirisch gedifferentieerd en kenden een geringe mate aan diversiteit en individuatie. Hun onderlinge verbondenheid werd geschraagd door een spontane —instinctief-animalistische of organische— solidariteit van de archaïsche arbeids- en leefgemeenschap.

      Deze samenlevingsverbanden waren zeker niet zo broederlijk democratisch als de idyllische mythe over primitieve samenlevingen ons wil doen geloven. De primitieve lotsverbondenheid kwam tot stand door een tamelijk amorf gemeenschappelijk handelen. Dit lag —in Weber’s terminologie— nog relatief dichtbij het louter reactieve massahandelen waarvan de regelmatigheid tot stand komt door het gelijksoortig reageren op de tijd-ruimtelijke concentratie van de leden van deze oer-communistische overlevingsgemeenschappen.

      Het handelen van de leden van de oergemeenschap was echter wel degelijk gebaseerd op een affectief en traditioneel saamhorigheidsgevoel (hoe primitief dan ook), op een strategisch gemotiveerde belangenverbinding en op een normatieve oriëntatie op de legitimiteit van het egalitaire bestaan.

  2. Exploitatieve en antagonistische arbeidsverhoudingen
    Maatschappelijke arbeidsverhoudingen waarin de werkenden niet effectief beschikken over materiële bronnen, hun eigen arbeidskracht en de coördinatievormen van hun arbeidsorganisatie bieden mogelijkheden om meerarbeid toe te eigenen. Wanneer dat het geval is, hebben we met potentieel exploitatieve en antagonistische arbeidsverhoudingen te maken, die hier als klassenverhoudingen zullen worden aangeduid. De posities die de leden van een dergelijke maatschappij innemen zijn niet gelijksoortig: het ene deel van deze samenleving leeft door de beheersing en op kosten van een ander deel. Degenen die beschikkingsmacht hebben over de directe bronnen die noodzakelijk zijn voor de voortbrenging van de maatschappelijk nuttige gebruikswaarden (dat wil zeggen van alle denkbare middelen van behoeftebevrediging) kunnen leven op kosten van de arbeidsinspanning van een ander deel van de maatschappij dat niet over deze bronnen beschikt. De vitale belangen van de leden van een dergelijke samenleving zijn antagonistisch: de realisering van de belangen van de ene klasse gaat per definitie op kosten van die van de andere klasse.

Maatschappijen die gekenmerkt worden door solidaire en niet-antagonistische arbeidsverhoudingen zijn ‘klasseloze maatschappijen’. Maatschappijen die gekenmerkt worden door exploitatieve arbeidsverhoudingen en antagonistische belangen zijn ‘klassenmaatschappijen’.

Zo’n globale typologie is natuurlijk veel te abstract om ook maar enigszins bruikbaar te zijn als referentiekader voor de indeling van historische tijdperken of voor de opeenvolging van maatschappelijke klassenformaties. Daarvoor moeten minstens twee specificaties en concretiseringen worden aangebracht.

Uitbuitende of heersende klassen beschikken in de regel zelden over alle directe bronnen en zij beschikken hierover zeker niet volledig of absoluut. Omgekeerd zijn uitgebuite of overheerste klassen in werkelijkheid zelden volledig van alle directe productieve bronnen beroofd.

In de werkelijke geschiedenis van de maatschappijformaties vertoont de beschikkingsmacht over directe of productieve bronnen een groot aantal gradaties; zij is bijna altijd in meer of mindere mate gedifferentieerd, gedelegeerd en extern gelimiteerd. En omgekeerd is de uitsluiting van de beschikkingsmacht over directe bronnen in de regel gradueel en slechts bij uitzondering volledig dichotoom gestructureerd (zoals in het abstracte ideaaltypische begrip het geval is).

Zodra men de aard van de directe bronnen specificeert, krijgt men op tamelijk eenvoudige wijze een aantal historisch relevante arbeidsverhoudingen en uitbuitingvormen in het typologische vizier.

Directe en indirecte bronnen
Het analytische onderscheid tussen bronnen en beloningen en tussen directe en indirecte bronnen is uitvoerig uitgewerkt door Bader/Benschop [1988:131 e.v.]. Bronnen zijn objecten die gebruikt worden om de middelen van behoeftebevrediging voort te brengen of om deze toe te eigenen; beloningen fungeren als middel voor directe behoeftebevrediging. Directe bronnen zijn bronnen die als zodanig direct in maatschappelijke arbeidsverhoudingen worden gebruikt voor het voortbrengen van maatschappelijke gebruikswaarden. Alle andere bronnen die niet direct en als zodanig in arbeidsprocessen gebruikt kunnen worden, worden aangeduid als indirecte bronnen. Omdat directe bronnen in tegenstelling tot indirecte bronnen als zodanig bijdragen aan de vervaardiging van goederen en diensten kunnen zij ook als productieve bronnen worden aangeduid.

Er zijn drie soorten directe bronnen:

  1. materiële bronnen of materiële arbeidsvoorwaarden: bewerkte en onbewerkte natuurlijke voorwaarden (zoals grond, bossen, akkers, water), materiële productie- of arbeidsvoorwerpen (grondstoffen) en materiële arbeidsmiddelen (zoals machines, gebouwen, wegen),
  2. prestatiekwalificaties van specifieke gekwalificeerde arbeidskrachten, en
  3. vormen van coöperatie, coördinatie en leiding van de arbeidsorganisatie.

Wright maakt een onderscheid tussen vier ‘productive assets’: ‘labor power assets’, ‘capital assets’, ‘organization assets’ en ‘skill or credential assets’ [Wright 1985:82 e.v.; 1989:14-22,306]. Tegen zijn behandeling van de productieve bronnen zijn door Bader/Benschop[1988:324] de volgende bezwaren ingebracht.

  • Wright geeft geen duidelijke omschrijving van productieve bronnen. Door zijn referentie aan het begrip ‘productiekrachten’ van Adam Smith en Marx lijkt het alsof hij onder productieve bronnen ongeveer hetzelfde verstaat als wat hier onder directe bronnen wordt verstaan: bronnen die in maatschappelijke arbeidsverhoudingen als zodanig direct (kunnen) fungeren om gebruikswaarden voort te brengen.

    Het feit dat Wright ook ‘credentials’ opneemt in het rijtje productieve bronnen wijst er echter op dat hij een andere —niet geëxpliciteerde— definitie hanteert, of dat hij het voor zijn eigen analyse zo cruciale begrip van productieve bron nogal elastisch opvat. Met diploma’s kan men immers heel veel doen, maar zij werken niet als zodanig en dragen niet direct bij aan de vervaardiging van gebruikswaarden. Diploma’s, getuigschriften en referenties kunnen nooit als directe of productieve bron fungeren, maar wel als indirecte bron. Wright’s catalogus van productieve bronnen is op dit punt inconsistent (en in het gunstigste geval heterogeen).

  • Wright maakt niet duidelijk waarom er een onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen ‘labour power’ en ‘kwalificatie’. Dit onderscheid is alleen zinvol wanneer men zich een volledig ongekwalificeerde arbeidskracht kan voorstellen — d.w.z. een arbeidskracht die tot niets in staat is, althans niet tot productieve prestaties.

  • Het is niet erg duidelijk wat hij onder ‘productiemiddelen’ verstaat. In een algemene catalogus van productieve bronnen zou men deze bron ook bij de algemene naam moeten (be)noemen. Wright doet dit niet en noemt ze ‘kapitaalbron’ (capital asset) [Wright 1985: 82]. Alleen onder kapitalistische verhoudingen nemen de productiemiddelen de specifieke maatschappelijke vorm van kapitaal aan. Men moet de productiemiddelen niet identificeren met hun specifieke kapitaalvorm (wat slechts een — belangrijke — historische vorm is). Bovendien blijft het bij Wright onduidelijk wat hij precies onder ‘means of production’ verstaat — alleen de materiële arbeidsmiddelen, of ook de bewerkte en onbewerkte natuurlijke arbeidsvoorwaarden en de materiële productie- of arbeidsvoorwerpen.

Wright’s notie van ‘productive assets’ is dus zeer ambivalent en zijn catalogus van productieve bronnen is niet erg consistent en tamelijk onnauwkeurig. In dit opzicht blijft zijn “class analytical preoccupation with the order of production tout court” [Westergaard 1995:4] uiteindelijk tamel steriel.

Index


3·2 Doel van de arbeid
Arbeidsverhoudingen worden zowel gestructureerd door de verdeling van beschikkingsmacht over bronnen, als door het overheersende doel van de arbeid.

Figuur 6_1: Doelen van de arbeid

Door de differentiatie van de doelen van de arbeid kunnen dus verschillende typen van arbeidsverhoudingen worden onderscheiden. Deze indeling overlapt op een aantal punten de eerste indeling — maar de indeling van arbeidsverhoudingen naar doelen van arbeid en naar de typen directe bronnen waarover beschikkingsmacht wordt uitgeoefend, dekken elkaar niet. Bovendien moet er rekening mee worden houden dat in maatschappijen waarin een bepaald arbeidsdoel domineert (bijvoorbeeld kapitaalaccumulatie) ook andere arbeidsvormen bestaan. Warenproductie (en warencirculatie) zijn verschijnselen die bij de meest uiteenlopende arbeidswijzen behoren, zij het in verschillende omvang en draagwijdte. Warencirculatie is dus als zodanig geen differentia specifica van een arbeidswijze.

Duale economie & Informele sector
Het samengaan van arbeidsverhoudingen met uiteenlopende, soms rivaliserende doelen is bijvoorbeeld een centraal thema in theorieën van de duale economie zoals deze onder andere door de econoom Boeke [1964,1966] werd geformuleerd op basis van zijn analyse van de economische ontwikkeling in Indonesië. In een duale economische structuur bestaat er naast de ‘moderne’, op maximale winst gerichte sector van de economie een ‘traditionele’, op subsistentie gerichte sector.

Het begrip informele sector werd in 1971 geïntroduceerd door Keith Hart en speelde jarenlang een belangrijke rol in studies over werkgelegenheid in landen van de zgn. Derde Wereld en in werkgelegenheidsprogramma’s van het ILO. De methodologische en inhoudelijke bezwaren tegen deze conceptie werden door Peter Worsley samengevat in een aantal pertinente vragen.

    “Why assume that there were two (and only two) sectors? Might ‘informal’ and ‘formal’ not be better thought of as poles at either end of a continuum? Why had there been no multivariate analysis to test whether the attributes listed as identifiers of informality were causally connected or not? Were the two sectors really independent of each other? Was it wise to advocate a unitary policy for such a diverse range of activities? Was there not an informal sector in the countryside? How were the two sectors related to the State and other sectors (and what were the latter)? Was not a model of the overall system needed? Could informal units be converted into petty capitalist enterprises merely via government intervention? What would happen to those involved, and would established firms tolerate new competition and lost dependencies? Was the individual, the household, the locality, or the enterprise the unit of the informal economy? Were all informal workers really poor, and all in the formal sector aristocrats?” [Worsley 1984:211].
Ik deel zijn conclusie dat de informele sector een sterk gereïficeerde conceptie is. “Analytically it fails to distinguish between capitalist production — where a non-owning producer works for a non-producing owner; empirically, it conflates the very different spheres of production and trade under the rubric of ‘petty enterprise’” [idem:213].

Warenproductie en -circulatie behoren tot de algemene voorwaarden van de kapitalistische arbeidswijze. Warenproductie veronderstelt een zodanige arbeidsverdeling binnen de maatschappij dat de scheiding tussen gebruikswaarde en ruilwaarde — die in de directe ruilhandel begint — al is doorgevoerd. Dit is een gemeenschappelijk kenmerk van historisch zeer uiteenlopende maatschappijformaties. Het specifieke van de kapitalistische arbeidswijze is dat de warencirculatie (en i.h.b. de circulatie van de waar arbeidskracht) de absolute grondslag wordt van het dominerende productiestelsel [Marx, MEW 23:128,184; MEW 26.3:69,108; GR:907-25]. In § 6 zal ik iets uitvoeriger stilstaan bij de zgn. historiserende opvatting van de eenvoudige warenproductie zoals deze door Engels [MEW 25:909] werd verwoord.

Index


3·3 Gezags- en afhankelijkheidsrelaties in arbeidsverhoudingen
Voor een volledige typering van de vormen van maatschappelijke arbeid is het tenslotte nodig in te gaan op de sociale afhankelijkheidsrelaties in arbeidsverhoudingen, met name in het directe arbeidsproces.

De relatie tussen specifieke arbeidsvormen en vormen van sociale afhankelijkheid werd door Marx voor het eerst uitvoerig gethematiseerd in de Grundrisse:75 e.v. Zie ook MEW 25:799. Zie voor een uitvoerige interpretatie PEM [1978:171 e.v.].
Om een algemene typologie van mogelijke maatschappelijke arbeidsverhoudingen te construeren kunnen we aangesluiten bij een gedachte van Marx, die hij in een ontwikkelingshistorische schets van economische maatschappijformaties uitwerkte. Daarin ligt het accent op de samenhang tussen de specifieke verdeling van beschikkingsmacht over productieve bronnen en het karakter van de sociale afhankelijkheidsrelaties in de arbeids- en toeëigeningsverhoudingen. In deze optiek worden drie globale fasen van maatschappijformaties onderscheiden, welke gekenmerkt worden door een specifieke vorm van sociale afhankelijkheid.

  1. De eerste maatschappijformaties in de geschiedenis worden gekenmerkt door persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen. De arbeidsproductiviteit is in deze samenlevingen slechts in geringe omvang en op geïsoleerde punten ontwikkeld.

    Persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen zijn kenmerkend voor alle voorburgerlijke maatschappijformaties (zoals patriarchale, antieke en feodale formaties). In deze samenlevingen beschikken werkenden niet of niet volledig over de eigen persoon en veelal ook niet over de eigen arbeidskracht. Sommige werkenden beschikken nog wel over eigen materiële bronnen en zijn hiervan vaak ook de rechtmatige eigenaars. In dergelijke formaties wordt de meerarbeid hoofdzakelijk toegeëigend door een of andere vorm van ‘buiten-economische dwang’.

      “In de pre-kapitalistische productiewijzen zijn de arbeiders in het bezit van de productiemiddelen. Zij brengen daarmee de goederen voort die nodig zijn voor de reproductie van de arbeidskracht én een surplus dat de vorm aanneemt van het deel van de productie dat wordt afgedragen aan de heer (tribuutheffing) en/of van de (opbrengst van de) gedwongen arbeid op het land van de heer; surplus-extractie is hier gebaseerd op niet-economische (politieke) dwang. Het is een volledig gesloten systeem waarin, ideaal-typisch, de markt geen rol speelt” [Van Zanden 1991:19].

    In deze voorburgerlijke formaties zijn de eigendomsverhoudingen juist daarom meestal tevens directe heerschappij- en onderschikkingsverhoudingen. Het zijn persoonlijke (patriarchale of patrimoniale) en geen bureaucratische afhankelijkheidsverhoudingen waarin individuen slechts in bijzondere gedaante —en niet via een verzakelijkte en anonieme markt— met elkaar in contact treden, als feodale heer en vazal, grondbezitter en lijfeigene, of als lid van een speciale kaste of stand [Marx, GR:81 én Weber, WG:133,580].

      Weber’s typologische onderscheid tussen verschillende gezagsvormen blijft op dit punt zeer vruchtbaar. Zijn gedifferentieerde typologie van de elementaire en meer ontwikkelde vormen van persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen is nog steeds een van de beste aanknopingspunten voor sociale wetenschappers die dit historische fenomeen proberen te duiden en te verklaren.

    De Amerikaanse etnoloog en historicus Morgan [1877 — Ancient society] noemt de op persoonlijke relaties gebaseerde, primitief geciviliseerde maatschappijen ‘societas’. De op zakelijke afhankelijk-heid gebaseerde maatschappijformaties noemde hij ‘civitas’.

  2. De tweede categorie maatschappijformaties wordt gekenmerkt door persoonlijke onafhankelijkheid op basis van zakelijke afhankelijkheid. In deze formaties vormde zich een algemeen systeem van maatschappelijke arbeid, universele relaties, alzijdige behoeften en universele arbeidspotenties.

    Verzakelijkte (door geldrelaties gemedieerde) en gebureaucratiseerde (door formele beslissingsregels gemedieerde) afhankelijkheidsverhoudingen zijn in het bijzonder kenmerkend voor maatschappijformaties waarin de kapitalistische arbeidswijze domineert. De oude banden van persoonlijke privileges (‘standen’) en eerbiedwaardige tradities (‘gilden’) worden daarin steeds meer vervangen door de zelfzuchtige belangen van marktsubjecten die door concurrentie van elkaar zijn gescheiden.

    In kapitalistische formaties beschikken de loonafhankelijk werkenden formeel en feitelijk over hun eigen persoon en arbeidskracht. Loonafhankelijke arbeiders beschikken echter niet over de benodigde materiële arbeidsvoorwaarden. Om in hun levensonderhoud te voorzien zijn zij daarom gedwongen (het gebruiksrecht over) hun arbeidskracht te verhuren aan de feitelijke of juridische eigenaar van die vereiste materiële arbeidsvoorwaarden.

    In de ruilrelaties die werkenden in distributieprocessen aangaan, treden zij op als formeel vrije en gelijke individuen. In de directe arbeidsprocessen zelf fungeren de werkenden echter als afhankelijke en ongelijke individuen; zij treden in ondergeschikte posities van gezagsrelaties — met een meer of minder despotische, autoritaire dan wel welwillende heerschappij.

    Arbeidscontract
    In zijn Economisch-filosofische Manuscripten van 1861 laat Marx zien hoe het kapitaal aanvankelijk het actuele arbeidproces slechts formeel aan zich onderschikt, zonder iets te veranderen aan haar specifieke technologische karakter. Deze formele onderschikking van het arbeidsproces aan het kapitaal betekent dat de arbeider wordt onderworpen aan de toezicht en daarom aan het bevel van de kapitalist. “Kapitaal wordt commando over arbeid, niet in de zin van Adam Smith’s stelling dat rijkdom absoluut bevel over arbeid is, maar in de zin dat de werknemer als arbeider onder het bevel van de kapitalist komt te staan”.
    Wanneer een kapitalistische ondernemer een loonarbeider aanstelt dan koopt hij “de dispositie over zijn arbeidsvermogen” [Marx, Resultate:19], d.w.z. hij verwerft voor een bepaalde periode het commando over deze arbeider. Ondanks de contractuele vorm moet de loonarbeider dus in een gezagsverhouding treden. Gedurende zijn gehele arbeidstijd staat de loonarbeider — wat hij ook doet — onder het “gezag van de kapitalist” [MEW 23:377 - vert. p.263]. De fabriekscode is het traditionele instrument waarmee “het kapitaal zijn autocratie over de arbeiders privaatrechtelijk en eigenmachtig vestigt” [MEW 23:447].

    Formeel-juridisch wordt het gezag van de kapitalist slechts beperkt door de wet en door het arbeidscontract. In arbeidscontracten worden afspraken vastgelegd over (i) de gezagsverhouding, (ii) de vaste beloning, (iii) een vast omschreven arbeidstermijn en (iv) een verplichting tot arbeid of dienstverlening. In wettelijke regelingen worden de randvoorwaarden van arbeidscontracten vastgelegd, zoals bijv. de maximale werktijden, de minimale vacantiedagen, de minimale beloning en de minimale inspraakrechten van werknemers. De feitelijke limitatie van het gezag van de kapitalist is primair afhankelijk van de tegenmacht die zijn producenten weten te organiseren.

    In een ‘contractuele samenleving’ worden de traditionele persoonlijke afhankelijkheids-verhoudingen teruggedrongen en ontstaat er een nieuw type formele persoonlijke vrijheid op basis van zakelijke afhankelijkheidsverhoudingen. De individuele vrijheid en handelingsmogelijkheden van de werkenden worden hierdoor niet per definitie groter. De formele mogelijkheden op de kapitalistisch georganiseerde kapitaal- en arbeidsmarkt zijn immers niet voor iedereen feitelijk gelijk. Volgens Weber wordt dit vooral verhinderd door de differentiatie van de feitelijke bezitsverdeling welke door het recht wordt gegarandeerd.

      “Het formele recht van een arbeider, om elk willekeurig arbeidscontract aan te gaan met elke willekeurige ondernemer, betekent voor de werkzoekende praktisch niet de geringste vrijheid om de eigen arbeidsvoorwaarden vorm te geven en garandeert hem als zodanig ook geen enkele invloed daarop. Daaruit volgt in ieder geval dat de op de markt meer machtigen, in dit geval normaal gesproken de ondernemers, de mogelijkheid hebben om deze voorwaarden naar eigen believen vast te stellen, ze ter aanvaarding of afwijzing aan de werkzoekenden aan te bieden en —gezien de gemiddeld sterkere economische urgentie van het arbeidsaanbod voor werkzoekenden— deze te op te leggen. Het resultaat van de contractuele vrijheid is dus in eerste instantie: het bieden van de kans om door slim gebruik van goederenbezit op de markt en niet gelimiteerd door rechtsgrenzen te benutten als middel om macht over anderen te verkrijgen” [Weber, WG:439; vgl. ook p. 123,388].

    Werkenden bezetten ondergeschikte posities in de formele beslissingshiërarchie en moeten opdrachten uitvoeren en bevelen van superieuren gehoorzamen. Zij kunnen niet of slechts marginaal meebeslissen over de structuur en het beleid van hun arbeidsorganisatie (democratisch illegitiem gezag) en zij worden gedwongen meerarbeid voor anderen te leveren (uitbuiting). Door deze figuratie van de arbeidsverhoudingen is buiten-economische dwang in de regel geen dagelijks verschijnsel; de reguliere exploitatie voltrekt zich hier formeel vreedzaam, in en door de transacties die ondernemers en loonafhankelijke arbeiders met elkaar aangaan.

  3. De derde fase is die van de vrije individualiteit, gebaseerd op de universele ontwikkeling van de individuen en de onderschikking van de maatschappelijke productiviteit aan hun zelfbewuste controle. Vrije individualiteit is kenmerkend voor sociale relaties in arbeidsverhoudingen van nog niet gerealiseerde klasseloze, dus postkapitalistische of socialistische/communistische maatschappijformaties.

    In dergelijke maatschappijformaties beschikken de werkenden individueel en collectief over alle relevante directe bronnen: zij beschikken juridisch en feitelijk zowel over hun eigen persoon en arbeidskracht, over alle benodigde materiële bronnen als over hun arbeidsorganisatie (in vormen van effectieve democratie).

    Onder deze voorwaarden is reguliere en geïnstitutionaliseerde exploitatie van werkenden in arbeidsverhoudingen in principe uitgesloten.

      Deze formulering zou de indruk kunnen wekken dat uitbuiting alleen mogelijk is wanneer er sprake is van structureel ongelijke beschikkingsmacht over directe bronnen of in directe arbeidsprocessen. In deze studie wordt uitgebreid beargumenteerd dat uitbuiting ook mogelijk is op basis van ongelijke beschikkingsmacht over indirecte bronnen (zoals geweld en prestige) en tevens kan plaatsvinden in distributieprocessen die aanknopen bij arbeidsprocessen. In het volgende hoofdstuk komt dit uitvoeriger aan de orde.
Index4. Arbeidswijze

Op basis van deze drie factoren die het maatschappelijk karakter van arbeidsverhoudigen structureren, kan een gedifferentieerde typologie worden geconstueerd van mogelijke —theoretisch denkbare— maatschappelijke arbeidswijzen.

Een arbeidswijze is een combinatie van (a) een specifieke verdeling van beschikkingsmacht over directe bronnen, (b) een specifiek dominant arbeidsdoel, en (c) een specifiek type van sociale afhankelijkheidsverhoudingen in en ten opzichte van arbeidsorganisaties.

Het bestaan van ‘zuivere’ arbeidswijzen wordt dus (net als bij Wright 1989:306) verbonden aan specifieke uitbuitingsmechanismen die verankerd zijn in een ongelijke verdeling van beschikkingsmachten over directe bronnen. Het verschil met Wright’s benadering is dat ik het doel van de arbeid en het type sociale afhankelijkheid in de arbeidsorganisatie betrek in de definitie van arbeidswijze.
Deze drie elementen van een arbeidswijze vormen tezamen het kader van de specifieke mechanismen van toeëigening van meerarbeid. Alle klassenformaties zijn verankerd in exploitatieve arbeidswijzen. Arbeidswijzen onderscheiden zich primair (maar zoals we gezien hebben niet exclusief) van elkaar door het type bron waarover een uitbuitende klasse feitelijke beschikkingsmacht heeft, waardoor zij in staat is de maatschappelijk geproduceerde meerarbeid toe te eigenen.

  1. De waarde van een algemene typologie van arbeidswijzen voor sociaal-historisch en sociologisch onderzoek kan aanzienlijk worden vergroot wanneer deze gecombineerd wordt met de ontwikkeling van de productiekrachten van de arbeid, dat wil zeggen wanneer de ontwikkelingsstand van de directe bronnen in zo’n algemene typologie wordt geïntegreerd. Een vereenvoudiging ligt alleen in het verschiet wanneer op grond van historische informatie afbakeningen worden gemaakt tussen theoretisch denkbare en historisch relevante typen van arbeidswijzen en tussen (typologisch) denkbeeldige en (projectief) plausibele typen [Bader/Benschop 1988:179].

  2. Welke factoren en mechanismen zijn verantwoordelijk voor de transformatie van de ene arbeidswijze in een andere? In een evolutionaire theorie van de arbeidswijzen moeten de dynamische processen die geïmpliceerd zijn in de specifieke arbeidswijzen worden geïsoleerd en vooral de structurele contradicties binnen en tussen de verschillende subsystemen van een arbeidswijze worden geïdentificeerd.

  3. Een typologie van arbeidswijzen kan gebruikt worden om een onderscheid te maken tussen primaire of dominante arbeidswijzen en secundaire of onzelfstandige arbeidswijzen. Binnen elke maatschappijformatie bestaan in de regel meerdere arbeidswijzen die op een specifieke wijze (intern en extern) aan elkaar gerelateerd zijn, en waarvan het algemene patroon wordt bepaald door de in deze maatschappijformatie dominante arbeidswijze. Meerdere arbeidswijzen kunnen dus gelijktijdig bestaan zonder dat er sprake is van een overgangsfase, dat wil zeggen van een contradictie of strijd tussen een nog dominante arbeidswijze in verval en een opkomende, potentieel dominante arbeidswijze.

  4. Een maatschappijformatie die niet in een overgangsfase verkeert, wordt gekenmerkt door een bijzonder ‘evenwicht-met-dominantie’ tussen de verschillende arbeidswijzen of typen maatschappelijke arbeidsverhoudingen. Op dít punt zijn de analyses van Poulantzas wél de moeite waard.

      “Een maatschappijformatie omvat meerdere productiewijzen — en ook -vormen in een specifieke geleding (articulation spécifique). De europese kapitalistische maatschappijen aan het begin van de twintigste eeuw bijv. waren samengesteld uit elementen van de feodale productiewijze, van de productievorm van de eenvoudige warenproductie en de manufactuur —een overgangsvorm van feodalisme naar kapitalisme—, en van de kapitalistische productiewijze in haar concurrentiekapitalistische en monopolistische vormen. Maar deze maatschappijformaties waren desondanks kapitalistische formaties, dat wil zeggen de kapitalistische productiewijze was dominant. In feite stelt men in elke maatschappijformatie de dominantie van een productiewijze vast, een dominantie die op de andere productiewijzen en -vormen samengestelde uitwerkingen van ontbinding-instandhouding (effect de dissolution-conservation) heeft en dus aan deze maatschappijformaties hun karakter (feodaal, kapitalistisch, enz.) verleent, met uitzondering van overgangsperioden in strikte zin, die juist worden gekenmerkt door een bijzonder ‘evenwicht’ tussen de verschillende productiewijzen en -vormen” [Poulantzas 1976:22-7].

    Voor de huidige fase van het wereldkapitalisme (‘imperialisme’) heeft Poulantzas onder andere laten zien “dat de kapitalistische productiewijze alleen kan bestaan op voorwaarde dat zij andere productiewijzen en -vormen aan zich onderwerpt en zich hun elementen (arbeidskracht, arbeidsmiddelen) toeëigent. De geleding van de kapitalistische productiewijze met andere productiewijzen en -vormen tot maatschappijformatie, welke geleding de kapitalistische productiewijze in haar reproductie tot stand brengt, brengt de ongelijke ontwikkeling voort” [Poulantzas 1976:50].

      Zie voor een bespreking van het begrip koppeling of articulatie van productiewijzen in de antropologische discussie: Raatgever [1988:22 e.v.], Bloch [1983:149-67]. Zie voor een historische analyse van de koppeling tussen antieke en feodale productiewijze: Anderson [1974]. En voor een meer algemeen theoretische behandeling: Balibar [1968II], Rey [1973], Foster-Carter [1978].
    De samenhang tussen dominante en subdominante (of onzelfstandige) arbeidswijzen in de kapitalistische maatschappijformatie werd het meest uitvoerig geanalyseerd voor de arbeidswijze van de kleine zelfstandige warenproducenten en voor de huishoudelijke arbeidswijze. Op de diverse connecties die er tussen verschillende arbeidswijzen en uitbuitingsvormen kunnen bestaan, kom ik uitvoeriger terug in hoofdstuk VII, § 3: Combinatie van uitbuitingsvormen.

Index5. Huishoudelijke arbeidswijze

In tegenstelling tot de kleine warenproductie is de huishoudelijke arbeidswijze wel ooit de basis geweest voor een gehele maatschappijformatie. De huishoudelijke arbeidswijze vormde de basis voor alle archaïsche of segmentaire maatschappijformaties, waaruit zich uiteindelijk —via een tussenfase van patriarchaal georganiseerde ‘protoklassenverhoudingen’— alle latere klassenmaatschappijen hebben ontwikkeld.

De huishoudelijke arbeidswijze is hierdoor echter niet van het toneel verdwenen, maar fungeert in de meeste antagonistische klassenformaties als een onzelfstandige arbeidswijze waarvan de plaats, functie en functioneringswijze in hoge mate wordt bepaald door de in deze formaties dominante arbeidswijze.

Het is lastig om een algemeen begrip te formuleren van de huishoudelijke of verwantschappelijke arbeidswijze. Gezien de onderzoeksresultaten van de talloze antropologen, etnologen en archeologen en de vele discussies die daarover inmiddels zijn gevoerd, is het een bijna hachelijke zaak om een enigszins gepreciseerd en bruikbaar concept van deze arbeidswijze te formuleren.

Met alle voorzichtigheid die hierbij geboden is, worden hier toch de algemene kenmerken van een ‘zuivere’ —dus louter modelmatig gedefinieerde— huishoudelijke arbeidswijze geschetst. Ik preciseer eerst de vooronderstellingen van een algemeen begrip van de huishoudelijke arbeidswijze. Daarvoor moeten er een aantal stevige abstracties worden doorgevoerd.

  1. Een zuiver begrip van de huishoudelijke arbeidswijze kan alleen maar worden geconstrueerd wanneer men systematisch abstraheert van historisch specifieke combinaties met en invoegingen in andere arbeidswijzen.

    In sommige samenlevingen domineert weliswaar de huishoudelijke arbeidswijze, maar wordt deze gepenetreerd door kapitalistische handelsrelaties als gevolg van koloniale overheersing. Dergelijke gekoloniseerde verwantschappelijke samenlevingen zijn als vanouds het object van antropologisch onderzoek. De huishoudelijke arbeidswijze vervult echter ook een belangrijke rol in maatschappijformaties die primair gekenmerkt worden door hydraulische (of aziatische), antieke of feodale arbeidswijzen.

  2. Voor de constructie van het algemene begrip van de huishoudelijke arbeidswijze moet worden geabstraheerd van samenlevingen waarin zich reeds centrale besturingsinstanties (statelijke organisatievormen) hebben ontwikkeld en waarin zich al een duidelijke arbeidsdeling aftekent tussen stad en land.

  3. Tenslotte moet er worden geabstraheerd van de vraag of en in welke mate er feitelijke handelingsrelaties bestaan tussen huishoudelijke gemeenschappen, of en in welke mate deze handelsrelaties zijn gemonetariseerd en of en in welke mate deze gemonetariseerde handelsrelaties zijn ingevoegd in of gecombineerd met — intern ontwikkelde of van buitenaf opgelegde — kapitalistische markten.

    Nut van een hypothetische constructie
    Natuurlijk is het hypothetisch om een oorspronkelijke situatie te veronderstellen waarin bijvoorbeeld de bruidsprijzen slechts binnen of tussen huishoudelijke gemeenschappen circuleren. Zelfs in de meer geïsoleerde delen van het Afrikaanse continent bestonden allang vóór de koloniale verovering handelsrelaties die met name de bruidsgoederen betroffen [Geschiere 1983: 614].

    Voor de constructie van een algemeen begrip van de huishoudelijke arbeidswijze is het echter een verstandige abstractie wanneer men in eerste instantie afziet van de mate waarin zich tussen huishoudelijke gemeenschappen feitelijke handelsrelaties hebben ontwikkeld.

    Ik sluit hiermee aan op Weber’s typologische afbakening van ‘natuurlijke economieën’ zonder ruil, waarbij hij een onderscheid maakt tussen een gesloten huishoudelijke economie en de Oikos [Weber WG:69,207]. In een gesloten huishoudelijke economie zijn de afzonderlijke economische eenheden op volledig communistische of coöperatieve wijze georganiseerd. De Oikos is een liturgisch georganiseerd politiek verband, waarin huishoudelijke eenheden gecombineerd zijn die weliswaar in andere opzichten autonoom en zelfbesturend zijn, maar toch verplicht zijn om goederen af te dragen aan een centrale instantie welke bestaat voor de uitoefening van gezag of als een communale instantie.

Het zijn allemaal aspecten van concrete figuraties van de historische specifieke samenlevingsverbanden waarin de huishoudelijke arbeidswijze een belangrijke rol speelt. Maar zij zijn als zodanig niet bepalend voor het algemene begrip van de huishoudelijke arbeidswijze.

Index


5·1 Het model van een huishoudelijke arbeidswijze
De huishoudelijke arbeidswijze wordt gedefinieeerd drie —eerder beargumenteerde— criteria voor de identificatie van maatschappelijke arbeidsverhoudingen.

  1. Kenmerkend voor de ‘zuivere’ (dus nog niet gemonetariseerde of gekoloniseerde) huishoudelijke arbeidswijze is dat de afzonderlijke huishoudens effectief beschikken over de materiële arbeidsvoorwaarden en dat de relaties met andere huishoudens worden gereguleerd door verwantschapsverplichtingen. Zolang deze beschikkingsmacht daadwerkelijk effectief is en de zelfstandigheid van de afzonderlijke huishoudens niet door centrale besturingsinstanties of statelijke organisatievormen wordt beperkt, kunnen de in deze huishoudens verenigde producenten de volledige opbrengst van hun werkzaamheden zelf toeëigenen en consumeren.
      Eigendom of Patrimonium
      Meillassoux heeft er terecht op gewezen dat voor de verhouding tot de grond en de arbeidsmiddelen de term eigendom niet op z’n plaats is en beter als een patrimoniale verhouding kan worden aangeduid. De grond en de arbeidsmiddelen behoren onverdeeld toe aan de leden van een familiaal collectief en worden in de regel onder de leden van de verwantschapsgroep overgedragen door vererving, uitkering of schenking, dus altijd zonder tegenprestatie [Meillassoux 1983:560]. Zie in dit verband ook Weber’s compacte definitie van de Oikos: “Autarkie der Bedarfsdeckung durch Hausangehörige oder Hausgehörige Arbeitskräfte, welchen die sachlichen Beschaffungsmittel tauschlos zur Verfügung stehen” [Weber WG:69]. Zie voor het algemene begrip van patrimoniale verhoudingen: Weber [WG:592 e.e.].

    De primair op verwantschappelijke basis geassocieerde leden van de huishoudens leven niet van de uitbuiting van vreemde arbeidskrachten. Hun relaties met andere verwantschapseenheden worden overwegend gekenmerkt door de uitwisseling van vrouwen en van prestige-objecten met een overwegend decoratieve, symbolische en ceremoniële waarde (en met name bruidsprijzen).

    Bruidsgoederen ≠ Bruidsprijzen
    In niet-gemonetariseerde ruil- of uitwisselingsverhoudingen is de term ‘bruidsprijs’ in zekere zin misplaatst omdat deze al een soort geldeconomie veronderstelt. Daarom zou men beter van ‘bruidsgoederen’ kunnen spreken en de term ‘bruidsprijzen’ reserveren voor huishoudelijke gemeenschappen die in contact komen met of figureren binnen een geld- of markteconomie. In de Angelsaksische literatuur wordt daarom meestal de voorkeur gegeven aan ‘bridewealth’ boven ‘bride-price’, omdat de term ‘price’ al te direct verwijst naar westerse economische verhoudingen [Geschiere 1983:605].

    Vooral antropologen zijn bijzonder waakzaam ten opzichte van het overdragen van ‘westerse beelden’ op niet-westerse samenlevingen. Toch bespeurt men ook in de antropologische en sociologische literatuur over ‘zelfvoorzieningseconomieën’ nog regelmatig een kritiekloze projectie van ‘westerse beelden’ (d.w.z. van op het kapitalisme geënte begrippen) op samenlevingsverbanden die helemaal niets of zeer weinig met kapitalistische marktverhoudingen van doen hebben. Dit geldt niet alleen voor specifiek economische begrippen zoals kapitaal, geld, markt en warenruil, maar ook voor het begrip ‘economie’ zelf.

    Men zou in ieder geval moeten preciseren in welke zin men bij zelfvoorzienende huishoudelijke arbeidseenheden überhaupt van een ‘economie’ kan spreken. De voor de burgerlijke maatschappijformaties kenmerkende institutionele scheiding tussen ‘economie’ en ‘politiek’ kan men niet zomaar ovedragen op samenlevingsverbanden waarin deze scheiding juist niet of nog niet bestaat.

    De relaties binnen de afzonderlijke huishoudens worden gekenmerkt door het principe van de volledige afdracht (Mauss): jongeren werken voor de familie-oudsten die op hun beurt zorg dragen voor de distributie binnen en de verzorging van de hele verwantschapsgroep [Meillassoux 1983:570; Wolfe 1982:88; Worsley 1984:68; Raatgever 1988:18,48,68].

    Er kan pas sprake zijn van uitbuiting wanneer de beschikbare levensmiddelen en menselijke arbeidstijd op een zodanige wijze worden gerangschikt dat één categorie stelselmatig wordt benadeeld terwijl een andere categorie daarvan juist systematisch profiteert. In het algemeen kan men zeggen dat jongeren en vrouwen hun arbeidsproducten overdragen aan de oudste, die een deel hiervan direct over de leden van een verwantschapsgroep distribueert en een deel gebruikt om prestige-objecten te verwerven die als bruidsprijzen dienen. De jongere mannen krijgen dit deel in zekere zin weer terug in de vorm van een vrouw [Meillassoux 1975:122; Raatgever 1988:48].
    Voor zover er sprake is van exploitatie van familieleden (met name van vrouwen en jongeren) is dit een uitbreiding en geen substituut voor eigen arbeid. Huishoudens fungeren in hun klassieke vorm tegelijker-tijd als productie- en consumptie-eenheid en zijn onderling verbonden door verwantschapsverplichtingen en niet door gezags- of ruil- en handelsrelaties. Voor zover er sprake is van ruil betreft dat hoofdzakelijk luxe- of prestigegoederen. Deze ruilrelaties worden echter als ‘buitenmaatschappelijk’ gedefinieerd [Eder 1980:42]. De belangrijkste structuren die het collectieve levensonderhoud garanderen zijn unilineaire afstammingsgroepen die via hun organisatorische regels beslissen over de toegang tot de materiële arbeidsvoorwaarden en over de huwelijkskansen.

  2. De arbeid die in verwantschappelijke instituties wordt verricht is een vorm van subsistentieproductie voor eigen behoeften: er worden gebruikswaarden geproduceerd voor eigen levensonderhoud (zelfvoorziening) en geen ruilwaarden voor de markt (ruilwaardeproductie).

    Hishoudelijke eenheden produceren de middelen die noodzakelijk zijn voor het onderhoud en voortbestaan van de leden van de huishoudelijke gemeenschap. Huishoudelijke zelfvoorziening impliceert een sterke mate aan autarkie (hoewel beide begrippen niet met elkaar geïdentificeerd moeten worden). In archaïsche of segmentaire maatschappijen zijn huishoudens volledig autarke productie-eenheden, maar het zijn geen ‘vensterloze monaden’ (Lévi-Strauss). Toch is het samenlevingsverband niet veel meer dan de som van de afzonderlijke huishoudelijke belangen. Huishoudelijke productie-eenheden produceren per definitie op uiterst kleine schaal en maken daarbij gebruik van zeer simpele productietechnieken.
    Het met pijl en boog verschalken van een hert of het met simpele werktuigen bakken van een pot vereist natuurlijk als zodanig al zeer verfijnde vaardigheden. Het gaat dus niet zozeer om de vraag hoe complex de vaardigheden zijn die voor arbeidsprocessen in de huishoudelijke arbeidswijze vereist zijn, maar om de vraag naar de mate van specialisatie van deze vaardigheden.
    De arbeidsmiddelen zijn eenvoudig, kunnen in relatief korte tijd worden geproduceerd en het hele arbeidsproces vereist meestal zeer weinig gespecialiseerde deskundigheden. In de huishoudelijke arbeidswijze is arbeidsdeling slechts mogelijk binnen het huishouden — daarin ligt het belangrijkste verschil met andere voor-kapitalistische arbeidswijzen.

  3. De gezagsverhoudingen binnen huishoudelijke eenheden worden gekenmerkt door solidariteit tussen de verwanten en door het gezag van de oudsten. De sociale relaties binnen de huishoudelijke arbeidseenheden worden enerzijds gekenmerkt door een sterke mate aan onderlinge solidariteit die tot uiting komt in het principe van de volledige afdracht, de deeldwang en in familiale loyaliteit. Anderzijds worden zij gekenmerkt door meer of minder sterke patriarchale of gerontocratische en seksistische gezags- en afhankelijkheidsverhoudingen: jongeren zijn ondergeschikt aan ouderen (en met name aan de familie-oudste), vrouwen zijn ondergeschikt aan mannen.
    Dit impliceert tevens dat het gezag van de oudste sterk afhankelijk is van de mate waarin de betreffende gemeenschap houdbare goederen produceert. Bij de verbouw van goederen die niet duurzaam houdbaar zijn (zoals bij bananen), is de macht van de oudste in het algemeen lager, omdat de opslag en accumulatie van deze goederen nauwelijks mogelijk is.
    De familie-oudste belichaamt de eenheid van de huishoudelijke gemeenschap: hij draagt zorg voor het bijeenbrengen en opslaan, het beheer en de verdeling van de arbeidsproducten en hij controleert de uitwisseling van huwbare vrouwen tussen de afzonderlijke families. Omdat de oudsten de belangrijkste prestigegoederen monopoliseren, houden zij de controle over de uitwisseling van vrouwen tussen de afzonderlijke verwantschapsgroepen en daardoor blijven de jongere mannen van hen afhankelijk.

Primaire typen van traditioneel gezag
Gerontocratie en patriarchalisme zijn de twee primaire typen van —altijd door mannen uitgeoefend en dus ‘seksistisch’— traditioneel gezag, die worden uitgeoefend door een heer zonder persoonlijke staf.

Onder gerontocratisch gezag versta ik —met Weber [WG:133]— het gezag dat binnen een meestal primair economische en familiale (huishoudelijke) gemeenschap wordt uitgeoefend door de oudste in jaren, die de beste kennis heeft of geacht wordt te hebben van de heilige tradities.

Patriarchaal gezag wordt uitgeoefend door individuen die hiertoe volgens vaste regels van erfopvolging worden aangewezen.

Gerontocratie en patriarchalisme bestaan vaak naast elkaar en zijn empirisch in elkaar verstrengeld. Doorslaggevend kenmerk van beide is het geloof van de gemeenschapsleden dat het gezag van de gerontocraten en de patriarchen weliswaar een traditioneel recht of privilege van hun heer is (‘Eigenrecht’), maar materieel een privilege van de gemeenschapsleden (‘Genossenrecht’) en dat dit gezag daarom in hun eigen belang moet worden uitgeoefend. De gerontocratische en patriarchale heer beschikken beide niet over een persoonlijke of ‘patrimoniale’ bestuurlijke staf. Omdat hij geen staf heeft, is de heer in hoge mate afhankelijk van de bereidheid van de gemeenschapsleden om hem te gehoorzamen. De macht van deze heer berust primair op de toestemming van de groepsleden en deze legitimeert hun —beperkte— macht. De toestemming is de oorsprong, maar tevens de begrenzing van de macht van het traditionele opperhoofd [Lévi-Strauss 1955/85:310].

De leden van de huishoudelijke gemeenschap zijn dus genoten en nog geen onderdanen. Het zijn ‘huisgenoten’ of ‘familieleden’ op grond van een traditie en niet op grond van reglementen; in de praktijk zijn zij bijna ongelimiteerde gehoorzaamheid verschuldigd aan de heer als persoon en niet aan gepositiveerde onpersoonlijke regels. Omgekeerd is de heer bij zijn gezagsuitoefening gebonden aan tradities: de gerontocraat of patriarch is nog geen superieur, maar een persoonlijke heer wiens macht gebonden is door traditionele zeden en geritualiseerde gewoonten.

Bij de primaire of elementaire gerontocratie of patriarchalisme is de verplichting tot gehoorzaamheid aan de familie-oudste of patriarch beperkt tot zijn eigen huishouding. Het patrimoniaal gezag is hiervan onderscheiden doordat het traditionele gezag van de heer wordt uitgebreid met een bestuurlijke en militaire staf welke als persoonlijk instrument van de heer dient, terwijl de leden van de gemeenschap waarover dit gezag wordt uitgeoefend als onderdanen worden behandeld. Het gezag van de heer verandert in een louter persoonlijk privilege of recht dat hij zich net als alle andere eigendomsobjecten volledig toeëigent en naar willekeur kan exploiteren en overdragen. Het sultanisme is hiervan een extreem voorbeeld [Weber, WG:580 e.v.; Eder 1980:88].

Het politieke gezag van de familieoudsten kan slechts in rudimentaire vorm worden doorgezet; het is niet functioneel gedifferentieerd, maar volledig aan personen gebonden. Pas wanneer gezagsposities erfelijk worden en onafhankelijk bestaan van de personen die deze bekleden, hebben we met de eerste institutionalisering van gezag en prestige te maken. Het gezag en prestige komt dan automatisch toe aan elke nieuwe bezetter van deze posities. In evolutionair perspectief werd deze ontwikkeling geanalyseerd door Luhmann [1972] en in antropologisch perspectief door Lévi-Strauss [1955/85] en Sahlins [1963].

Bij veel ‘primitieve volkeren’ is de macht van het opperhoofd louter gebaseerd op zijn persoonlijke reputatie en zijn bekwaamheid om vertrouwen in te boezemen. Het persoonlijke gezag van het opperhoofd is met name afhankelijk van zijn vermogen om bevredigende oplossingen te vinden voor voedselproblemen in tijden van schaarste en voor veiligheidsproblemen (in het bijzonder de bescherming van vrouwen tegen de begeerte van vreemde groepen). Het opperhoofd vervult een aantal taken die van cruciale betekenis zijn voor de handhaving van de interne eenheid en de externe veiligheid van zijn stam, maar deze berusten niet op een geïnstitutionaliseerde machtsbevoegdheid of op openlijk erkend gezag. “De macht berust enkel op de toestemming en deze legitimeert de macht” [Lévi-Strauss 1955/85:305]. In feite beschikt het opperhoofd dus over geen enkel geïnstitutionaliseerd machtsmiddel: zijn enige en voornaamste machtsmiddel is zijn vrijgevigheid [zie § 5·3·2].

In veel gevallen is polygamie het enige privilege van het opperhoofd. Polygamie is een belangrijke concessie van de groep aan het opperhoofd, omdat hij periodiek vrouwen onttrekt aan de regelmatige huwelijkscyclus en hierdoor het evenwicht verstoort tussen het aantal geslachtsrijpe en huwbare jongens en meisjes. “De polygamie die praktisch zijn privilege is, vormt de morele sentimentele compensatie voor zijn zware plichten terwijl ze hem tevens een middel verschaft ze te vervullen. ... Het polygame huwelijk treedt hierdoor enerzijds op als een soort van pluralistische amoureuze kameraadschappelijkheid boven het monogame huwelijk en anderzijds als een attribuut van de heerschappij, een attribuut dat zowel op psychologisch als economisch gebied een functionele waarde heeft” [idem:308-9].

Index


5·2 Segmentaire maatschappijen zonder klassen en zonder staat
De huishoudelijk arbeidswijze is de evolutionair vroegste vorm van vermaatschappelijking van het arbeidsproces en werd —onder verschillende titels: ‘archaïsche productiewijze’, ‘verwantschappelijke productiewijze’ — het meest uitvoerig geanalyseerd in de economische antropologie.

De vroegste vormen van de huishoudelijke arbeidswijze kunnen in twee opeenvolgende typen worden onderscheiden: de paleolithische en de neolithische arbeidswijzen.

5·2·1 De paleolithische arbeidswijze
Harris [1988:177] noemt het “a hunting, gathering, fishing mode of production”. Sommige antropologen reserveren het begrip van de huishoudelijke of domestieke productiewijze voor de argrarische gemeenschappen van landbouwers. Voor de daaraan voorafgaande paleolithische periode wordt dan bijvoorbeeld de term ‘horde’ gebruikt.
De paleolithische arbeidswijze is gebaseerd op een ‘extractieve economie’. Deze arbeidswijze is dominant in de samenlevingsverbanden van jagers en verzamelaars in het stenen tijdperk [Sahlins 1972:130; Bettinger 1991].

Verzamelen en jagen zijn activiteiten die nauwelijks het huishoudelijk kader verlaten. Alleen in meer complexe jachtoperaties die noodzakelijk zijn voor het vangen van grotere dieren, is een zekere coöperatie vereist die het institutionele kader van de afzonderlijke huishoudens doorbreekt. In de paleolithische fase is echter de jacht op groot wild niet de dominante toeëigeningsvorm. Jagers- en verzamelaarsmaatschappijen zijn in deze fase nog primair afhankelijk van het verzamelen. Zolang dit het geval is, blijft de huishoudelijke arbeidswijze de grondslag van tribale of segmentaire maatschappijformaties zonder staat.

*Zo schetst sir John Lubbock in 1872 het volgende beeld: “The true savage is neither free nor noble; he is a slave of his own wants, his own passions; imperfectly protected from the weather, he suffers from cold by late night and the heat of the sun by day; ignorant of agriculture, living in the chase, and improvident in succes, hunger always stares him in the face, and often drives them to the dreadful alternative of cannibalism or death”
[gecit. in Bettinger 1991:23]. De primitieve jager en verzamelaar werden door hem vergeleken met een kind dat alleen datgene ziet en hoort wat direct voor hem/haar wordt neergezet.
In de oudere etnografische literatuur werd een beeld geschetst waarin de jagers-verzamelaars zich eigenlijk alleen bezig hielden met het verwerven van middelen van bestaan. Door hun uiterst beperkte technologische vermogens zouden zij constant bezig zijn voedsel te zoeken en in permanente angst voor de hongerdood leven.* Omdat de meeste bestaansvoorwaarden voor de ‘primitieven’ zo onzeker waren, zouden zij ook geen tijd over hebben om uitvindingen te doen waardoor zij hun levenskwaliteit konden verbeteren, noch om zich te wijden aan meer contemplatieve activiteiten. In ieder geval zouden de primitieven of wilden nog geen enkele ethische kwaliteiten vertonen. Dit werd met name geïllustreerd aan de barbaarse behandeling van vrouwen (die louter als eigendom werden beschouwd) en buren (die als vijanden werden beschouwd). Bovendien werd verondersteld dat primitieve jagers en verzamelaars nog in geen enkel opzicht religieuze sentimenten koesterden. Volgens dit verklaringsmodel kwam er aan de wereldwijde dominantie van het jagen en verzamelen pas een einde na de uitvinding van het vuur en het vermogen om elementaire samengestelde werktuigen te maken.

Vanaf de jaren zestig van de 19e eeuw werden al diverse studies gepubliceerd waarin simplistische beelden over primitieve volkeren werden gecorrigeerd. Dit geldt vooral voor het werk van Maine, Bachofen, Morgan, Maurer, Kowalewski. In de hierop gebaseerde interpretaties van Marx en Engels werd de anti-teleologische evolutietheorie van Darwin opgevat als ‘de natuurwetenschappelijke grondslag van de historische klassenstrijd’. Zij benadrukten het multilineaire karakter van de evolutie, waarin meerdere trajecten of ontwikkelingslijnen gelijktig optreden.
Inmiddels zijn een aantal van deze ‘vooroordelen over de Flinstones’ gesneuveld toen deze met nieuw ontdekte feiten werden geconfronteerd. Vooral sinds het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw bleef er van het standaardmodel van de primitieve jagers en verzamelaars weinig heel. Zo bleken de jagers-verzamelaars niet jong te sterven en waren zij waarschijnlijk ook niet permanent bezig met hun strijd tegen natuurlijke bedreigingen en verhongering. Bovendien bleken sommige jagers en verzamelaars over een veel hogere levensstandaard en meer vrije tijd te beschikken dan de van landbouw levende boerenvolken [Lee/Devore 1968; Sahlins 1968;1972]. Hoewel de empirische gegevens waarop deze nieuwe visie steunde niet overweldigend waren, vond zij al snel veel aanhangers. In recenter etnologische en archeologische studie wordt deze visie gerelativeerd en gepreciseerd [Bettinger 1991].

Marschall Sahlins vertolkte als eerste de opzienbarende stelling dat “the amount of hunger increases relatively and absolutely with the evolution of culture” [Shalins 1972:36]. In vruchtbare delen van de wereld, waar voldoende vis, wild and planten voorhanden zijn, was en is het leven voor jagers en verzamelaar zeker geen permanente existentiële strijd. Jagers en verzamelaar “work less than we do; and rather than a continious travail, the food quest is intermittent, leisure abundant, and there is a greater amount of sleep in the day time per capita per year than in any other condition of society” [idem:16]. Deze relatieve ‘welvaart’ van de jagers en verzamelaars kon alleen maar worden gehandhaafd door een strikte beperking van de omvang van de populatie en alleen zolang er gunstige klimatologische en andere omgevingsvoorwaarden bestonden voor het overleven en de reproductie van planten en dieren met een hoge voedingswaarde.

De paleolithische periode begon minstens 2,5 miljoen jaar geleden met het in gebruik nemen van stenen werktuigen en eindigde ongeveer 10.000 jaar geleden met het einde van de laatste ijstijd. Gedurende deze hele periode was voedselverzameling —en niet voedselproductie— de kenmerkende arbeidswijze. Er waren nog geen gedomesticeerde planten en dieren, behalve de hond die aan het einde van het paleolithicum werd gebruikt bij de jacht. De paleolithische periode duurde dus meer dan 2 miljoen jaar, terwijl de daaropvolgende mesolithische en neolithische periode bij elkaar nog geen 10.000 jaar omvatte. In het vroege en midden paleolithicum waren de jagers en verzamelaars verspreid over een uitgestrekt territorium; zij vestigden zich waarschijnlijk in een of ander kamp of grot voor niet meer dan enkele weken of maanden. Tegen het einde van het paleolithicum bestonden er al grotere nederzettingen die veel duurzamer werden bewoond.

5·2·2 De neolithische arbeidswijze
De neolithische arbeidswijzen zijn gebaseerd op een ‘producerende economie’: het zijn landbouw en veeteeltmaatschappijen waarin echter nog een groot deel van de tijd en energie van de producenten wordt besteed aan jagen en verzamelen. In de huishoudelijke landbouwgemeenschappen is de landbouw dominant omdat deze het grootste deel van de tijd en energie van de producenten opeist en voor de algemene sociale organisatie bepalend is. Deze arbeidswijze werd mogelijk gemaakt door de neolithische revolutie die zich zo’n tienduizend jaar geleden heeft voltrokken en met name bestond uit de beheersing van vuurgebruik, de ontwikkeling van competenties om elementaire werktuigen te vervaardigen en uit de vestiging van nederzettingen.

Steden, vuur en bevolking
De overgang van voedselverzameling (verzamelen en jagen) naar voedselproductie (landbouw en veeteelt) ging gepaard met de vestiging van nederzettingen en territoriale bindingen. Deze neolithische transformatie heeft zich vanaf het Midden-Oosten verspreid tot in Europa.

Deze ontwikkeling werd uitvoerig geanalyseerd door Childe [1936/56,1964]. Hij legt een sterke nadruk op de bepalende rol van de productie(krachten) en op de continuïteit tussen de natuurlijke en sociale evolutie. De drie belangrijkste stadia van de maatschappelijke ontwikkeling worden in zijn visie telkens geïnitieerd door transformaties in arbeidsprocessen en -verhoudingen:

  1. de cesuur tussen de paleolithische samenleving van jagers en verzamelaars en de neolithische samenleving van landbouwers en veetelers wordt bewerkstelligd door de ‘neolithische revolutie’;
  2. de cesuur tussen de agrarische samenlevingen en de stedelijke civilisaties wordt bewerkstelligd door de ‘stedelijke revolutie’ [Childe 1950].
Childe veronderstelt dat de neolithische revolutie noodzakelijkerwijs voorafgaat aan de opkomst van de steden en dat de steden zich ontwikkelen uit de neolithische agrarische dorpen.

Uit recenter archeologisch onderzoek is echter gebleken dat er al veel eerder stedelijke nederzettingen bestonden. Het bekendste voorbeeld hiervan is de oudste tot nu toe gevonden neolithische nederzetting Çatal Hüyük in het zuiden van Turkije, welke minstens dateert van 8000 v. Chr. en welke door zo’n zesduizend mensen werd bewoond [Sjoberg 1960; Jacobs 1970; Giddens 1981:97; Harris 1988:192 e.v.]. Door veel nieuwe archeologische ontdekkingen is weliswaar de speelruimte voor (speculatieve) interpretaties ingeperkt, maar een gedetailleerde analyse van neolithische maatschappijen blijft een uitermate moeilijke zaak.

Vóór de beheersing van het vuur was de menselijke arbeidskracht de belangrijkste energiebron. In de landbouw en de ambachtelijke arbeid werd naast de menselijke arbeidskracht het vuur een belangrijke energiebron, bijvoorbeeld bij het ontginnen door platbranden. De geschiedenis van de vuurbeheersing in pre-agrarische samenlevingen en de betekenis hiervan voor de overgang naar agrarische samenlevingen werd geanalyseerd door Goudsblom [1992:41-76].

Een belangrijk gevolg van de neolitische revolutie was de bevolkingsgroei. Door de ontwikkeling van de landbouw werden de kosten van het grootbrengen van kinderen verlaagd. Voor jagers en verzamelaars was het grootbrengen van kinderen arbeidsintensief omdat ze over grotere afstanden vervoerd moesten worden en lange tijd onproductief omdat jongetjes pas op volwassen leeftijd effectieve jagers werden. In landbouwgemeenschappen kunnen kinderen al op vroege leeftijd een productieve bijdrage leveren door het verzorgen van planten en dieren en worden de vrouwen verlost van de last om hun kinderen elke dag over langere afstanden te dragen.

Als gevolg van de neolithische revolutie konden dieren en planten worden gedomesticeerd, waardoor de directe afhankelijkheid van de bronnen die in de natuur werden aangetroffen, verkleind kon worden. Landbouw en jagen blijven echter direct verbonden aan de huishoudens, die nu ook de verdeling van de te bebouwen grond reguleren. De arbeid voor het huishouden blijft primair productie voor gebruik en niet voor ruil. Men houdt op met werken zodra men meent genoeg voedingsmiddelen te hebben om de leden van het huishouden te verzorgen. In paleolithische en neolithische arbeidswijzen werd waarschijnlijk geen of slechts een uiterst gering surplus of meerproduct geproduceerd.

Deze stelling kan alleen maar met de grootste voorzichtigheid worden geformuleerd. Vooral door het werk van Sahlins en Clastres zijn er op dit punt nogal wat twijfels ontstaan. Het lijkt in ieder geval onjuist te beweren dat de vroege jagers en verzamelaars niet beschikten over de capaciteiten om een surplus (in de zin van absolute of potentiële meerarbeid) te produceren.

In segmentaire samenlevingen leidt surplusproductie alleen maar tot voedsel-voorraden die snel bederven en dus verspild worden. Het enige ‘noodzakelijke’ surplus is het voedsel dat nodig is voor het onderhoud van een zeer beperkt aantal ambachtelijke specialisten en de rituele experts. Ook na de overgang van jagers- en verzamelaarsmaatschappijen naar sedimentaire landbouwgemeenschappen blijkt dat de maximalisering van de productie geen overheersend doel is. Wanneer het mogelijk was voldoende te produceren om aan de dagelijkse behoeften te voorzien, kiezen de directe producenten voor vrije tijd.
In paleolithische en neolithische arbeidswijzen is het wel mogelijk een surplus te produceren, maar er bestonden geen maatschappelijk geïnstitutionaliseerde mechanismen die dit noodzakelijk maakten. Daarom stopte men automatisch met ‘werken’ wanneer het levensonderhoud van de eigen huishoudelijke gemeenschap was verzekerd. Deze eigenschap van de archaïsche arbeidsverhoudingen limiteert de benuttingsgraad van de bestaande productiekrachten. De twee kenmerkende factoren zijn onderbenutting van materiële bronnen en van arbeidskracht.

Index


5·3 Primitief egalitarisme
Segmentaire maatschappijen zijn acefale maatschappijen, dat wil zeggen maatschappijen zonder centrale besturingsinstanties of statelijke organisatievormen. Het zijn weliswaar geen klassenmaatschappijen, maar het zijn strikt genomen ook geen egalitaire maatschappijen zoals vaak wordt beweerd. Enerzijds zijn segmentaire maatschappijen georganiseerd op basis van ‘egalitaire systemen’. De gelijkheid is in deze formaties echter primair collectief gedefinieerd.
In de visie van Lévi-Strauss (en in aansluiting daarop ook van Meillassoux) fungeert de vrouw in traditionele samenlevingen slechts als een passief object van de uitwisselingen tussen de patrilinies. Dat is waarschijnlijk in het algemeen een zeer overtrokken beeld. Het gaat in ieder geval niet op voor zeer veel tribale samenlevingsverbanden waar vrouwen een eigen politiek voeren ten aanzien van de bruidsprijzen. Geschiere [1983:27] heeft dit bijv. aangetoond voor de Maka in Kameroen. Zie voor een meer algemene kritiek op Lévi-Strauss: Leacock [1983:689 e.v.]. En voor een in dit opzicht zeer tegendraadse visie: Sierksma [1979]. Zie voor een samenvatting van de feministisch-antropologische kritieken op het werk van Meillassoux: Moore [1988:49 e.v.].
Anderzijds worden deze maatschappijen gekenmerkt door een seksistisch gekleurd of zo men wil primitief egalitarisme. De basistegenstelling die de verdere ontwikkeling van segmentaire maatschappijen belemmert, is dat de identiteit en gelijkheid slechts voor de helft van de populatie geldt: vrouwen zijn geen subjecten van het egalitaire systeem, maar slechts ruilobjecten binnen dit systeem. Vrouwen fungeren als — grotendeels passieve— elementen in een vruchtbaarheidsreservoir, zij zijn objecten van ruilprocessen tussen patrilineaire verbanden welke door de familie-oudsten worden gedirigeerd. Leeftijdsverschillen worden gradueel gewaardeerd en leeftijdsgebonden ongelijkheid is per definitie transitief; het biologische geslacht wordt echter sociaal dichotoom gewaardeerd en seksespecifieke ongelijkheden zijn daarom veel hardnekkiger — vrouwen zijn sociaal gezien ‘eeuwige jongeren’ (Rey). De hiërarchiserende waardering van leeftijd en geslacht leidt dus tot bepaalde vormen van ongelijkheid tussen ouderen en jongeren en tussen mannen en vrouwen, maar niet tot enigszins stabiele en extern gegarandeerde uitbuitingsposities. Aparte aandacht vereist het verschijnsel van huisslaven. Onder jagers en verzamelaars was slavernij waarschijnlijk een uiterst marginaal en zeldzaam verschijnsel, maar bij sommige Noord-Amerikaanse indianen aan de Westkust kwam dit bijvoorbeeld wel degelijk voor. Onder herdersvolken komt huisslavernij frequenter voor. In aansluiting op Marx hebben Goody [1980], Bloch [1980; 1983:89] en Ste. Croix [1983:52,209] er terecht op gewezen dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen kleinschalige en marginale vormen van huisslavernij en maatschappijen die als geheel gebaseerd waren op exploitatie van slaven, zoals in Griekenland en Rome het geval was in de klassieke oudheid [Finley 1963/77; 1985:62 e.v.; Wolf 1982:87; Schmidt 1978]. In het eerste geval kan men wel degelijk spreken van uitbuiting. Deze was echter zo sporadisch en minimaal dat zich hieruit nog geen stabiele uitbuitingsposities kristalliseerden en zeker geen afgebakende klassenposities. De huisslaven in primitieve samenlevingsverbanden boden voor hun meesters waarschijnlijk slechts af en toe enige huishoudelijke luxe en seksuele privileges. Veel meer omstreden is de vraag of en zo ja hoe de bijzondere positie die vrouwen innemen in segmentaire samenlevingsverbanden in klassenanalytische termen kan worden geanalyseerd.

5·3·1 Vrouwenruil en exploitatie
“Het is de ruil, altijd de ruil die ten grondslag blijkt te liggen aan alle bestaansvormen van de institutie huwelijk” [Lévi-Straus 1967/83:652]. De uitwisseling van vrouwen is niet alleen de basis voor maar ook het archetype van alle andere ruil. De vooronderstelling daarvan is het universele fenomeen van exogamie (of van het incestverbod). Daarom kan men zonder overdrijving zeggen “dat de exogamie het archetype is van alle andere verschijningsvormen die op wederkerigheid zijn gebaseerd en dat ze de onwrikbare grondregel levert die het bestaan van de groep als groep veilig stelt” [idem:655].

Het incestverbod is dan ook niet primair een regel die verbiedt met de moeder, zuster of dochter te huwen, maar veeleer een positieve regel die verplicht de moeder, zuster of dochter aan een ander af te staan. Het dwingt mannen om hun partners buiten de biologische familie te zoeken en leidt zo tot expansie van de samenleving [Layard 1956:62].

Exogamie en het incestverbod zijn bij uitstek regels van de gift. Zij vervullen een uiterst essentiële positieve functie, namelijk vreedzame communicatie met anderen en integratie van de verwantschapsgroep. Tegenover de verplichting tot het uithuwen van dochters en zusters buiten de eigen verwantengroep, staat de claim op de dochters en zusters van andere verwantschapsgroepen. Beide aspecten maken een overwegend vreedzame interactie en communicatie tussen verwantschapseenheden mogelijk. Wanneer een vrouw haar eigen verwantengroep verlaat voor haar huwelijk, moet de bruidsprijs gebruikt worden voor een nieuw huwelijk van een jonge man van haar eigen verwantengroep; op deze wijze wordt de band met haar eigen bloedverwanten feitelijk bevestigd.

De uitwisseling van vrouwen is echter zelden direct wederkerig en wordt meestal op termijn geregeld. Vrouwen die door een verwantschapsgroep worden verworven, vormen een restitutie voor vrouwen die al eerder zijn afgestaan of impliceren een vordering op vrouwen die in de toekomst nog moeten worden afgestaan. De bruidsprijzen fungeren dus als een soort schuldbekentenis; zij fungeren als teken dat de groep een vrouw heeft ontvangen zonder er nog een voor terug te ontvangen. Juist hierdoor worden de sociale relaties tussen verwantschapseenheden gestabiliseerd.

Als men de uitwisseling van vrouwen wil analyseren als een ruilverhouding, dan moet er bovendien rekening mee worden gehouden dat deze ruil minstens drie niet-reciproke elementen bevat. Het eerste gevolg van deze ruil is dat er een asymmetrische verhouding ontstaat tussen de echtgenoten. De mate waarin vrouwen zelf controle kunnen uitoefenen over deze transacties en hun uitkomsten is nog weinig onderzocht, maar vertoont in ieder geval een zeer grote variatie. Het tweede element van niet-wederkerigheid ontstaat (of kan ontstaan) in de verhouding tussen verwantschapsgroepen onderling, omdat via het huwelijk de verwantengroep van de man niet alleen de beschikking krijgt over de arbeidskracht van de vrouw, maar ook over haar kinderen. Het derde element van ongelijkheid bestaat in de verhouding tussen de mannen onderling: het zijn immers niet ‘de mannen’ maar vrijwel altijd de oudsten die namens de familie onderling vrouwen ruilen en hiervoor het beheer over de bruidsprijzen voor de hele groep voeren. De oudsten treden niet alleen op als vertegenwoordigers van de groep naar buiten, maar oefenen ook binnen de groep een gerontocratisch of patriarchaal gezag uit over de jongere mannen die voor het verkrijgen van een vrouw van hen afhankelijk zijn [Meillassoux 1983:570; Boekraad e.a. 1983:547 e.v.].

Rey neemt expliciet afstand van de door Marx en Engels gekoesterde opvatting dat verwantschaps-relaties egalitair en niet-exploitatief zijn. De op een aantal punten nogal simplistische opvattingen van Marx en Engels over de primitieve, klasseloze maatschappijen worden kritisch besproken door Bloch [1983]. Marx’ uitvoerige verwerking van empirisch-antropologische en sociaalhistorische studies van tijdgenoten over voor-kapitalistische maatschappijformaties worden in detail besproken door Krader [1976] en Harstick [1977].
De vraag is of er in deze huishoudelijke arbeidswijze sprake is van uitbuitingsrelaties en of deze arbeidswijze daarom ook als een antagonistische, klassenconstituerende arbeidswijze kan worden opgevat. In zijn analyse van de overgang van kolonialisme naar kapitalisme in Congo-Brazzaville heeft Pierre-Philippe Rey [1971;1977/83:587] laten zien dat jongeren hun arbeid zonder tegenprestatie afstaan aan de oudsten. Daarom heeft de door de oudsten gecontroleerde ruil van de arbeid van jongeren tegen vrouwen een exploitatief karakter.

De oudsten verwerven hun rijkdom en prestige niet op basis van hun eigen arbeid, maar door de meerarbeid van jongeren. De specifieke vorm waarin de exploitatie plaatsvindt is de bruidsprijs: de afhankelijken leveren de basis voor de verwerving van prestigegoederen die op het niveau van de oudsten circuleren als bruidsbetalingen. Omdat de bruidsbetalingen uitsluitend circuleren tussen de oudsten moeten zij volgens Rey als heersende klasse worden beschouwd. Zo onderscheidt Rey in de huishoudelijke arbeidswijze (die door hem als ‘verwantschappelijke productiewijze’ wordt aangeduid) bij de Gouro (Ivoorkust) twee klassen: de oudsten aan de ene kant; de jongeren, slaven en vrouwen aan de andere kant.

De zwakte in Rey’s argumentatie is dat hij veronderstelt: (a) dat elke vorm van transfer van meerarbeid per definitie uitbuiting is, en (b) dat elke vorm van uitbuiting, hoe marginaal en incidenteel deze ook moge zijn, constitutief is voor het ontstaan van klassenposities. Voor Rey speelt de zwaarte, het meer of minder substantiële karakter van de toegeëigende meerarbeid geen enkele rol en zelfs niet of deze wordt gecompenseerd. Het enige dat voor hem telt is of de uitbuiting “steunt op een zodanig geheel van de maatschappelijke verhoudingen dat de productie zonder haar niet kan worden voortgezet” [Rey 1977/83: 587]. Dit reductionisme is een gevolg van het feit dat hij het klassenbegrip beperkt tot uitbuiting die “in de productie zelf is geworteld” [idem].

5·3·2 Egaliserende mechanismen
In segmentaire maatschappijen bestaat wel ongelijkheid in rijkdom, maar deze is in de regel slechts tijdelijk en wordt niet duurzaam gestabiliseerd. De verschillen in rijkdom worden zo niet intra-, dan toch intergenerationeel genivelleerd. De spontane pogingen om deze egalitaire ordening te doorbreken worden tegengewerkt door een drietal egaliserende mechanismen.

  1. Deeldwang: sociale herverdeling
    Het eerste mechanisme is een geïnstitutionaliseerde vorm van deeldwang waardoor individuen die door toeval (een uiterst succesvolle jacht) of persoonlijke kwaliteiten (een zeer behendige jager) een zekere extra rijkdom konden verwerven, moreel gedwongen zijn dit met andere leden van de verwantschapseenheid (familie, stam, clan) te delen. Diepverankerde generositeitsverwachtingen leiden ertoe dat ook —en waarschijnlijk vooral— stamhoofden conventioneel verplicht waren hun overtollige rijkdom met anderen te delen, waardoor hun accumulatiemogelijkheden werden beperkt.
      Vooral de voedingsmiddelen staan onder een sterke deeldwang. Evans-Pritchard [1950:36] heeft al laten zien dat de plicht om verwanten die minder hebben te helpen ertoe leidt dat een Nuer op den duur niet meer bezit dan anderen. Een Nuer die meerdere speren en bijlen bezit, verliest deze op den duur. Dit leidt er onder andere toe dat bijzonder begeerde objecten vaak worden verstopt om later als tegenprestatie voor bijzondere diensten te worden weggegeven. Ook bij de andere stammen bestaan sterke generositeitsnormen. Wie daarvan afwijkt, kan zelfs met de dood worden bestraft [Worsley 1984:68].

    Lévi-Strauss heeft dit verschijnsel gedocumenteerd voor een aantal Zuid-Amerikaanse stammen. “De vrijgevigheid is bij haast alle primitieve volkeren en vooral in Amerika een essentieel attribuut van macht; ze speelt zelfs in deze elementaire samenlevingen, wier materiële cultuur nauwelijks ontwikkeld is, een belangrijke rol. Ofschoon het opperhoofd, wat de materiële bezittingen betreft, geen bevoorrechte positie schijnt in te nemen, moet hij toch altijd over voedingsmiddelen, gereedschap, wapens en sieraden kunnen beschikken, die al zijn ze nog zo armzalig, ten overstaan van de algemene armoede toch een aanzienlijke waarde hebben. Als een individu, een gezin of een hele groep een wens heeft of een bepaalde behoefte gevoelt, doet men een beroep op het opperhoofd om eraan te voldoen. Zo is vrijgevigheid de belangrijkste eigenschap die men van een nieuw opperhoofd verwacht. Het al of niet aanwezig zijn van deze eigenschap beslist over instemming of afkeuring. Men behoeft er dan ook niet aan te twijfelen dat in dit opzicht het opperhoofd tot het uiterste toe wordt uitgebuit” [Lévi-Straus 1955/85:305 e.v.].

  2. Gelijkheid in erfoverdracht: natuurlijke nivellering
    Het tweede bezitsreducerende mechanisme is de gelijkheid in erfelijke overdracht, waardoor de bezittingen die ouders tijdens hun leven vergaren slechts verspreid of gedeeld aan hun kinderen kunnen worden overgedragen. De bezitsverschillen zijn transitief omdat (en voor zover) zij via sociale herverdeling (deeldwang) of natuurlijke nivellering telkens weer verdwijnen en niet geaccumuleerd kunnen worden.

  3. Gelding van gelijkheidsnormen: angst voor sancties
    Christian Sigrist [1979] heeft een schitterende analyse gemaakt van het voor segmentaire maatschappijen dominante gelijkheidsbewustzijn en van het bewuste streven om de bestaande gelijkheid (met uitzondering van die van vrouwen) in stand te houden. Hij geeft hierbij een aantal illustraties van egalitair geïnspireerde reacties tegen prominenten (rijke mannen en instanties) en van intimidatie van patriarchen door (vrouwelijke) hekserij. Dorpsroddel, verdachtmakingen en hekserij tegen rijke en machtige individuen zijn een sanctie op de schending van de verwantschappelijke ondersteuningsplichten.
      Het centrale motief voor reacties tegen rijke, machtige of prominente personen is afgunst en wordt gevoed door de overtuiging dat bijvoorbeeld rijkdom het gevolg is van een onrechtmatige toeëigening. Hekserij is het agressieve antwoord van de minder tegenover de meer geprivilegieerden [Sigrist 1979:130, 190]. “Witchcraft is the weapon of the weak and the poor and it is the rich man and the leader who have more to fear from witchcraft than the poor man and the follower” [E. Winter]. De betekenis van verdachtmakingen, roddel en karaktermoord is scherp geanalyseerd door J. C. Scott [1985:228,234 e.v.,262,282,284,290]. Vgl. ook: Geschiere [1983:608].

    In veel traditionele stammen beheerst men tot op de dag van vandaag nog altijd zeer goed de kunst om al te autoritaire of hebberige figuren een toontje lager te laten zingen. Het feit dat gezagsposities buiten het huishouden niet voorkomen, wil niet zeggen dat er geen streven naar distinctie, macht en prestige bestaat. Het streven naar distinctie, macht en prestige wordt echter beperkt door de angst voor sancties. Anders gezegd: in segmentaire maatschappijen wordt sociale gelijkheid beperkt en gestabiliseerd door de empirische gelding van gelijkheidsnormen [dit thema wordt uitvoerig behandeld in XVI § 4·3]. Het is niet een kwestie van gelijkheidsgedrag uit gebrek aan alternatieven, maar van gelijkheidsnormen. Dit blijkt alleen al uit het feit dat de leden van segmentaire samenlevingsverbanden zelf reageren op overtredingen van de gelijkheidsnormen. Daarom is het niet tautologisch om te zeggen dat de oriëntatie op gelijkheidsnormen in segmentaire maatschappijen de sociale gelijkheid reproduceert en stabiliseert.

5·3·3 Klassenvorming en staatsvorming
De vorming van klassenstructuren strekt zich uit over een periode van meer dan tweeduizend jaar en neemt haar aanvang bij de eerste ‘hoge culturen’ die tussen 3000 en 2000 v. Chr. ontstonden. Daarin ontwikkelden zich twee elementen die van beslissende betekenis waren voor het ontstaan van exploitatieve maatschappelijke arbeidsverhoudingen die klassenverhoudingen mogelijk maken: de vorming van centrale besturingsinstanties (statelijke organisatievormen) en de arbeidsdeling tussen stad en land. De archaïsche egalitaire sociale structuur wordt in eerste instantie vervangen door een patriarchaal georganiseerde ‘protoklassenverhouding.’

Het eindpunt van deze ontwikkeling is de ontbinding van de collectieve grondeigendom en de eliminatie van de subsistentiebasis van vrije agrarische producenten. Hierdoor kwam er een einde aan de protoklassenverhouding en begon de ontwikkeling van klassenmaatschappijen [Eder 1973:8, 21 e.v.]. In de hoge culturen voltrekt deze ontwikkeling zich ongeveer vanaf 1000 v. Chr. in China, India, Voor-Azië en in landen rond de Egeïsche zee.

Ik zal hier geen poging doen de historische overgang te schetsen van klasseloze segmentaire maatschappijen naar patriarchaal georganiseerde protoklassenverhoudingen, noch hoe van daaruit de eerste klassenmaatschappijen zijn ontstaan. Een gedetailleerde schets van de uitermate complexe historische evolutie van klassensystemen gaat het kader van deze studie ver te buiten. Ik volsta hier met een uiterst summiere typologie. Wat de politieke constitutie van de maatschappij betreft, kan zeer in het algemeen een onderscheid worden gemaakt tussen drie klasseloze maatschappijtypen en drie ontwikkelingspaden naar klassenformaties van de hoge(re) culturen.

  1. Drie klasseloze maatschappijen
    De klasseloze maatschappijen kunnen worden onderverdeeld in egalitaire maatschappijen, statusmaatschappijen en gestratificeerde maatschappijen [Fried 1967]. De egalitaire maatschappijen van paleolithische volken komen tot op de dag van vandaag nog voor in aan aantal randgebieden met bijzondere ecologische kenmerken, zoals bij de pygmeeën en de vuurlandindianen. De statusmaatschappijen bestaan uit neolithische groepen die naar prestige zijn gedifferentieerd en als afstammingssystemen zijn georganiseerd. De prestige-orde in deze formaties is afhankelijk van afstamming. In gestratificeerde maatschappijen is de ‘verticale’ differentiatie verder ontwikkeld. Dit komt met name tot uiting in de ongelijke toegang tot de materiële bronnen. In gestratificeerde maatschappijen hebben zich echter nog geen gezagsinstanties ontwikkeld die boven het niveau van de afzonderlijke verwantschapsgroepen uitgaan. Stratificatie is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor staatsvorming.

  2. Ontstaan van centrale politieke besturingsinstantis
    De taak van het organiseren van de arbeid (productie, distributie en handel) en van de defensie (interne en externe veiligheidsbelangen) wordt stap voor stap overgenomen door een politiek-religieus-militaire hiërarchie (elites), die de kern vormt van de latere staatsbureaucratieën.

      “These elite groups provided services in the form of calendrical calculations, provision of emergency rations, support of artisan specialist, and religious ceremonials. They eventually developed into exploitative classes whose despotic power rested on a monopoly of police-military force. By imposing various forms of taxation, the first dynastic ruling classes succeeded in diverting a substantial portion of the farming population’s harvests into state enterprises, thereby preventing the peasant food producers from slackening their productive efforts or from enjoying the leisure or security that are intuitivily but erroneously associated with the adoption of advanced technologies” [Harris 1988:196].

    Pas door de ontwikkeling van centrale politieke besturingsinstanties kunnen de nieuw verworven rijkdommen van afzonderlijke personen beschermd worden tegen de egalitaire —primitief communistische— tradities van de segmentaire orde. Staatsvorming —en in het bijzonder de monopolisering van de fysieke geweldsmiddelen— maakt het mogelijk de particuliere eigendom te garanderen. De staat is dus “een instelling, die niet alleen de opkomende splitsing van de maatschappij in klassen vereeuwigde, maar ook het recht van de bezittende klasse op het uitbuiten van de niet-bezittende klasse en de heerschappij van de eerder over de laatste” [Engels, Oorsprong:136].
      Bloch [1983:81-5] geeft een evenwichtig oordeel over Engels’ visie op de relatie tussen staatsvorming en klassevorming. Het door Engels geformuleerde inzicht is overigens niet zo nieuw. Cicero [106-43 voor Chr.] was waarschijnlijk de eerste die in De officiis (Over Plichten) opmerkte dat de primaire functie van de staat was: het beschermen van de eigendom [II:73,78,83-5; I: 21].

  3. Drie wegen naar klassenmaatschappijen
    Er zijn drie globale ontwikkelingspaden naar klassenmaatschappijen in de hoge(re) culturen: de aziatische, de antieke en de feodale weg. De aziatische weg loopt vanaf de aziatische stamorganisatie tot de patrimoniale systemen en in deze context naar de vorming van de aziatische of hydraulische arbeidswijze: de Inkastaat, het vedische India en de homerische maatschappij. De antieke weg loopt vanaf de aristocratische clanorganisatie tot de oude stadsstaten en in deze context naar de formatie van de antieke arbeidswijze: de Griekse stadsstaat en het Romeinse imperium. De feodale weg loopt vanaf de primitieve koningschappen naar de feodale systemen en in deze context naar de vorming van een feodale arbeidswijze [Service 1975; Eder 1980:104 e.v.].
      Deze ontwikkelingspaden zijn in min of meerdere mate uitgebreid onderzocht in studies waarnaar in hoofstuk III, § 1.4 wordt verwezen.

Index


5·4 Formatie van ontwikkelde huishoudelijke gemeenschappen
Maatschappijen waarin de huishoudelijke arbeidswijze domineert of nog een cruciale rol vervult, onderscheiden zich van elkaar door de volgende zes kenmerken:

Tegen deze achtergrond kunnen drie cruciale etappes of ontwikkelingspaden worden aangegeven die kenmerkend zijn voor het ontstaan van meer ontwikkelde huishoudelijke gemeenschappen.

    In deze etappeschets laat ik een aantal van de eerder genoemde onderscheidings-kenmerken (de eerste twee en de laatste) grotendeels buiten beschouwing. Rey [1973:82-7] analyseert drie fasen waarin voor-kapitalistische arbeidswijzen in het kapitalisme worden geintegreerd: (1) de initiële verbinding in de sfeer van de ruil, waarbij de interactie met het kapitalisme leidt tot een versterking van de voor-kapitalistische arbeidswijzen; (2) de onderschikking van de voor-kapitalistische arbeidswijzen aan het kapitalisme, en tenslotte (3) de vernietiging van de voor-kapitalistische arbeidswijzen.
  1. In de eerste etappe ontstaan er handelsrelaties tussen aanvankelijk zelfvoorzienende huishoudelijke gemeenschappen. Het gevolg hiervan is dat de prestigegoederen in de bruidsprijs een handelswaarde krijgen. De machtspositie van de oudsten kan door deze commercialisering van de bruidsgoederen worden versterkt omdat juist zij in contact komen met de handelaren van buiten. Hiertegen kunnen de jongere mannen zich alleen verzetten wanneer zij zich meester maken van de nieuwe handelsgoederen. De gezagspositie van de oudsten wordt met name ondergraven wanneer de jongeren zelf hun bruidsgoederen weten te vergaren: pas wanneer zij het traditionele monopolie van de oudsten op deze (prestige-)goederen doorbreken zijn zij in principe in staat zich aan het patriarchale gezag te onttrekken.

  2. In de tweede etappe nemen de handelsrelaties een monetaire vorm aan. De monetarisering van de bruidsgoederen biedt zowel voor de oudsten als voor de jongeren geheel nieuwe perspectieven. Zodra bruidsgoederen in geld kunnen worden uitgedrukt, worden zij vrij verhandelbaar. Geld is het nieuwe prestigegoed bij uitstek waarvoor (bijna) alles gekocht kan worden. Alle directe en indirecte bronnen en beloningen kunnen immers in principe met geld worden verworven, voor zover deze verwerving niet door conventionele of juridische regels wordt beperkt.

    Voor de gezagsdragers in de verwantschapsgroepen betekent dit enerzijds dat ze hun controle over de kwaliteit van de bruidsgoederen verliezen; hun traditionele monopolie op prestigegoederen wordt door de monetarisering van de bruidsprijzen immers direct ondergraven. Anderzijds wordt het hierdoor echter ook meer dan voorheen mogelijk de bruidsprijzen te accumuleren: voor zover hun gezagspositie nog intact is, kunnen zij de bruidsprijzen verhogen, de door hen gecontroleerde bruidsprijzen verhandelen, oppotten enzovoort. Hieruit kunnen gemakkelijker substantiële en duurzame vormen van uitbuiting ontstaan.

    Omgekeerd biedt de monetarisering van de bruidsprijzen zowel voor jongere mannen als voor vrouwen een aantal nieuwe (ontsnappings)mogelijkheden. Jongere mannen kunnen door eigen arbeid of participatie in de geldeconomie hun eigen bruidsprijs verdienen en kunnen hiermee buiten de patriarchale gezagsrelatie een eigen vrouw verwerven. Ook vrouwen zijn nu in principe in staat zelf het geld te vergaren waarmee zij zich kunnen vrijkopen.

    Ook wanneer de jongere mannen zelf geld verdienen blijven ze vaak toch nog afhankelijk van de steun van de oudste. Ten eerste omdat de bruidsprijzen vaak drastisch worden verhoogd en en tweede omdat de oudste nog steeds de bruidsprijzen voor hun zusters int [Geschiere 1983:615].

    De mogelijkheden voor vrouwen om voldoende geld te sparen om zich vrij te kopen zijn weliswaar beperkter, maar niet helemaal geblokkeerd. “Tegenwoordig proberen vrouwen ook zelf genoeg geld te verdienen, bijvoorbeeld als prostituée in de stad, om zich vrij te kopen. Een vrouw die zo haar zelfstandigheid heeft veroverd, wordt algemeen gerespecteerd, maar slechts weinigen lukt het om zo veel geld te sparen. De bruidsprijs kan dus inderdaad een zware last betekenen voor de vrouw. Maar daarom is ze, in ieder geval voor de Maka zelf, nog niet te beschouwen als een passief object of als ‘reproductiemiddel’ in de uitwisselingen tussen de groepen. De Maka-mannen, zeker de broer die van de bruidsprijs van zijn zuster profiteert, hebben alle redenen om de strategie van de vrouw rond haar eigen bruidsprijs, serieus te nemen” [Geschiere 1983:629].

  3. In de derde etappe wordt de huishoudelijke arbeidswijze gecombineerd met of ingevoegd in een kapitalistische markteconomie. In deze etappe ontstaan voor de traditionele gezagsdragers van de huishoudelijke gemeenschappen directe mogelijkheden om de door hen beheerde bruidsprijzen te kapitaliseren. De kapitalisering van bruidsgoederen betekent niet alleen dat er in en rond huishoudelijke gemeenschappen regelrechte uitbuitingspraktijken kunnen ontstaan, maar ook dat er een strategische alliantie tot stand komt tussen verwantschapsoudsten en kapitalisten. Deze alliantie heeft een vergelijkbare kracht en betekenis als de bekende klassenallliantie tussen feodale landheren en kapitalisten tijdens de beginperiode van het kapitalisme in Europa en met name in Engeland.
      De betekenis en werking van deze alliantie tussen verwantschapsoudsten en kapitalisten is onder andere door Rey [1979] onderzocht. Zie voor de alliantie tussen feodale landheren en kapitalisten in Engeland: Wiener [1981], Bush [1988;1992a].

    De belangengemeenschap tussen verwantschapsoudsten en kapitalisten bestaat hierin dat zij beide voordeel trekken uit de monetarisering van de bruidsprijzen. De keerzijde van dit mechanisme is dat deze monetarisering van de bruidsprijs fungeert “als een hefboom om de jongeren de markteconomie binnen te drijven” [Geschiere 1983:634]. Geschiere maakt hierbij een belangrijke kanttekening. In Kameroen vormden de koloniale ambtenaren de belangrijkste steunpunten van de kapitalistische expansie en waren de Maka-oudsten zich niet bewust van de convergentie van hun belangen met die van de kapitalisten.

      “De ambtenaren deden al het mogelijke om de snelle stijging van de bruidsprijzen tegen te gaan. En de Maka-oudsten voelden zich constant bedreigd omdat de ambtenaren geen enkel respect toonden voor hun traditionele gezagspositie, maar voortdurend op zoek bleken naar jonge ‘dynamische’ chefs. Elders in Afrika moet de samenwerking tussen het koloniale bestuur en de oude dominante klasse veel bewustere vormen hebben aangenomen, wat direct consequenties heeft voor de moderne klassenverhoudingen. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat de Maka-oudsten volstrekt niet gecoöpteerd zijn binnen de nieuwe dominante klasse: tegenwoordig hebben zij nog slechts invloed binnen het dorp en niet in de moderne staatsinstituties daarbuiten. Om dergelijke variaties te begrijpen zou het nodig zijn meer in detail na te gaan hoe de transformatie van de oude exploitatieverhouding — in casu de monetarisering van de bruidsprijs — verlopen is” [idem].
    Dit wijst er eens te meer op dat de hier in zeer grove lijnen geschetste ontwikkelingsetappes van de huishoudelijke arbeidswijze zich in de afzonderlijke landen zeker niet altijd precies in deze volgorde heeft voltrokken en dat men met talloze empirische variaties rekening moet houden.
Ik heb hier slechts een aantal ontwikkelingspaden onderscheiden in de transformatie van de elementaire huishoudelijke arbeidswijze naar meer complexe en ontwikkelde vormen. Dit is per se niet hetzelfde als een beschrijving van de historische opeenvolging van deze ontwikkelingspaden voor de vorming van complexe huishoudelijke arbeidssystemen.

De meer ontwikkelde vormen van huishoudelijke gemeenschappen moeten hier verder buiten beschouwing blijven en er kan ook niet uitvoerig worden ingegaan op de zeer uiteenlopende en complexe interne en externe verbindingen tussen de huishoudelijke arbeidswijze en andere (voorkapitalistische en kapitalistische) arbeidswijzen [Binsbergen/Geschiere 1985].

In burgerlijke maatschappijen is de huishoudelijke arbeidswijze een onzelfstandige arbeidswijze waarvan de plaats en functie in sterke mate afhankelijk zijn van de in deze maatschappijformaties dominante kapitalistische arbeidswijze. De huishoudelijke arbeidswijze is dus op specifieke wijze functioneel geïntegreerd in de kapitalistische geldeconomie. In de huidige gezinsvorm is de huishoudelijke arbeidswijze geen voor-kapitalistische arbeidswijze (en is dus niet — zoals andere voor-kapitalistische productie-eenheden — aan een voortdurend ontbindingsproces onderhevig). Zij heeft natuurlijk wel historische wortels die teruggaan tot ver voor het kapitalisme. De specifieke wijze waarop de moderne gezinsvorm van de huishoudelijke arbeidswijze is geïntegreerd in de kapitalistische arbeidswijze komt vooral tot uiting in de specifieke input van loongoederen en de output van (gereproduceerde) arbeidskrachten. Omdat de werking van dit mechanisme buiten het kader van mijn analyse valt, volsta ik met de opmerking dat deze functionele integratie natuurlijk disfuncties (structurele spanningen en latente/openlijke conflicten) niet uitsluit.

Index6. Kleine warenproductie als onzelfstandige arbeidswijze

‘Kleine warenproductie’ wordt vaak gebruikt als een beschrijvende term voor producenten die ‘buiten’ de centrale as van de kapitalistische arbeids- en/of marktverhoudingen staan. Als analytische term is kleine of kleinschalige warenproductie een aanduiding voor een specifieke maatschappelijke arbeidsverhouding die in de context van meerdere arbeidswijzen kan bestaan. Gebruikmakend van de eerder geïntroduceerde criteria om maatschappelijke arbeidsverhoudingen te kenmerken [§ 3], kan de arbeidswijze van kleine warenproductie als volgt worden getypeerd.

  1. De kleine warenproducent heeft effectieve beschikkingsmacht over de materiële arbeidsvoorwaarden: ‘eigendom van de productiemiddelen’. De directe producent is niet onteigend van zijn materiële arbeidsvoorwaarden en deze hebben zich tegenover hem ook niet als kapitaal verzelfstandigd. Zolang de beschikkingsmacht over de materiële arbeidsvoorwaarden effectief is en de zelfstandigheid van de kleine warenproducent geen loutere formaliteit, kan deze het waardeproduct van de eigen arbeid volledig toeëigenen, zonder dit met anderen te moeten delen (dit veronderstelt dat alles wat wordt geproduceerd op de warenmarkt tegen zijn waarde verkocht kan worden). De zelfstandige warenproducent leeft volledig of overwegend van de resultaten van eigen arbeid, en niet of slechts marginaal van de uitbuiting van ‘vreemde’ arbeidskrachten. De exploitatie van familiale of vreemde arbeidskrachten is eerder een uitbreiding dan een substitutie voor eigen arbeid. Het inkomen waarvan kleine warenproducenten leven is geen arbeidsloon of meerwaarde, maar een op zichzelf staande categorie: producentenloon.

  2. De kleine warenproductie is geen subsistentieproductie voor eigen behoeften en ook geen kapitalistische productie gericht op kapitaalaccumulatie, maar marktgerichte productie van goederen en diensten. Het doel van de arbeid is niet het scheppen van meerwaarde, maar eenvoudige reproductie, dat wil zeggen het scheppen van een inkomen voor de kleine warenproducent en zijn/haar gezin en het in stand houden van een zelfstandig bestaan [Marbach 1942:232]. Het is een kleinschalige productie met een beperkte output van warenvolume, een beperkte omvang van arbeidskrachten, een beperkte omvang van investeringen en een relatief beperkte omvang van inzet van technologie.

    De arbeidswijze van de zelfstandige, niet-kapitalistische warenproducenten is zeker niet altijd stationair of technologisch achtergebleven. Maar zij vereist in de regel ook geen mateloze accumulatie van arbeidsmiddelen of geld. De basis van de marktmacht van sommige warenproducerende en dienstverlenende bedrijfjes is soms een extreem gespecialiseerde en verfijnde kennis van hun grondleggers.

    Om het kleinschalige karakter van deze arbeidsvorm aan te duiden wordt vaak opgemerkt dat het technologische niveau van de betreffende productie ‘laag’ of ‘achtergebleven’ is. Dit is echter lang niet altijd het geval. Ook met uiterst geavanceerde technologieën is kleine warenproductie mogelijk (en tegenwoordig steeds frequenter). Bovendien moet niet worden vergeten dat veel grote kapitalistische ondernemingen uiterst arbeidsintensief zijn, technologisch niet geavanceerd en met een traditioneel management opereren [Berger 1981:73].

    Wat is klein
    Het woord ‘klein’ had in de geschiedenis diverse connotaties. Als direct gevolg van de ontwikkeling van een primitieve arbeidsdeling en de concentratie van vroege ambachten binnen de huishoudelijke arbeidswijze, vormde de kleine warenproductie in de agrarische context een vruchtbaar medium voor de ontwikkeling van het feodalisme.

    In deze context refereert het woord ‘klein’ aan kleinschalig en oorspronkelijk. In de latere stedelijke context fungeerde de kleine warenproductie als een belangrijk uitgangspunt voor de opkomst van een nieuwe ondernemersklasse en voor grootschalige kapitaalaccumulatie. In deze context betekent het woord ‘klein’ embryonaal of beginnend met betrekking tot de evolutie van een burgerlijke klasse en de opkomst van een kapitalistische arbeidswijze.

    Met de opkomst van het moderne kapitalisme heeft het woord ‘klein’ een dubbele betekenis gekregen. “In material terms it means small, gap-filling, exploitable and cost-absorptive. But all of this has only real relevance to the capitalist mode of production, which petty commodity production faithfully serves. In ideological terms and as far as the capitalist mode of production is concerned, it means insubstantial and insignificant (though nog without usefulness) vis-a-vis the system it supports. To those who constitute the focus on this ideological strategy, it implies future growth potential” [Gerry/Birkbeck 1981:133 e.v.].

    De maatschappelijke arbeidsverhoudingen van de kleine warenproductie zijn als zodanig niet gericht op expansie, maar veeleer op eenvoudige reproductie. In burgerlijke maatschappijen worden de cruciale limieten aan expansie van de kleine warenproductie hoofdzakelijk gesteld door de mate waarin het kapitaal zijn hegemonie over de diverse productiesectoren heeft gevestigd [Gerry/Birkbeck 1981:133]. Binnen deze limieten wordt de expansie van het productiebedrijf primair beperkt door de individuele arbeidskracht van de kleine warenproducent (‘bedrijfshoofd’) en zijn gezin.

  3. De sociale relaties in arbeidsverhoudingen worden enerzijds gekenmerkt door het feit dat het bedrijfshoofd als directe producent leiding geeft aan en controle heeft over het arbeidsproces. De gezagsrelaties in de arbeidsverhoudingen van de kleine warenproductie worden anderzijds gekenmerkt door persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen (‘paternalisme’) en niet door verzakelijkte afhankelijkheidsverhoudingen (‘bureaucratisme’). Wanneer er al sprake is van coöperatie dan is deze meestal beperkt tot gezins- of familieleden die zonder bijzondere arbeidsverhouding in het gezinsbedrijf meewerken. Door het geringe aantal arbeiders binnen de afzonderlijke eenheden van de kleine warenproductie, zijn de onderlinge relaties in de regel sterk gepersonaliseerd (patriarchaal). De ‘baas’ werkt dagelijks naast en met zijn meewerkende gezinsleden en/of ingehuurde arbeidskrachten. De ‘vreemde’ arbeidskrachten worden meestal gerekruteerd uit netwerken van verwantschap, vriendschap en nabuurschap. De arbeidsverhoudingen in de kleine warenproductie bevatten daarom een sterk ‘non-contractueel element’.

    Zelfstandigen en meewerkende gezinsleden
    Zoals eerder opgemerkt is er pas van een arbeidscontract sprake wanneer er afspraken worden gemaakt over de gezagsverhouding, een vaste beloning, een vast omschreven arbeidstermijn en een verplichting tot arbeid of dienstverlening. Het merendeel van de meewerkende gezinsleden zijn echtgenote van de zelfstandige (vooral bij de boeren, waarin zij het sterkst vertegenwoordigd zijn). Aan de ene kant horen deze meewerkende gezinsleden —via de binding aan en participatie in het gezinseigendom— sociaal gezien tot de categorie van de zelfstandigen. Aan de andere kant staan zij in een patriarchale, voor-kapitalistische afhankelijkheidsverhouding waarin hen niet alleen de beschikking over de resultaten van hun eigen arbeid is ontnomen, maar ook over hun arbeidskracht.

    De vraag of de gezinsleden die in het bedrijf van een zelfstandige meewerken worden opgevoerd als ‘meewerkende gezinsleden’ of als loon- of salarisontvangers, is —vooral in expanderende sferen— sterk afhankelijk van de belastingwetgeving. Vaak wordt het gezinsinkomen geboekt als loon- en bedrijfskosten teneinde de omzet- en winstbelasting te verminderen. Dit is een van de redenen waarom er in de afzonderlijke sectoren zulke sterk afwijkende relaties bestaan in de verhouding van zelfstandigen en meewerkenden. Vooral in boerenbedrijven komt exclusieve huisvrouwenactiviteit slechts zelden voor omdat deze meestal verbonden is met agrarische activiteiten. Daarom is de arbeidsparticipatie van boerengezinnen veel hoger dan die van andere sociale groepen [IMSF 1974:20 — Teil II·2]. En daarom is bijvoorbeeld ook het aandeel van de zelfstandigen en meewerkenden in de landbouw aan de beroepsbevolking veel hoger dan het aandeel van de volwassen boerenbevolking aan de volwassen totale bevolking.

De kleine warenproductie is als zodanig nooit de economische basis geweest van een gehele maatschappijformatie; het is altijd een secundaire arbeidsverhouding.

De historische oorsprong van de kleine warenproductie is de kleinschalige agrarische subsistentieproductie in de pre-feodale maatschappijen. Van een tijd-ruimtelijke en sociale scheiding tussen arbeid en gezin was daarin nog geen sprake. Het gezin fungeerde als centrale productie-eenheid en de arbeidsrelaties werden gekenmerkt door sterke persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen (patriarchaal gezag). Vanuit de kleinschalige agrarische subsistentieproductie ontwikkelden zich in de middeleeuwen de gilden. In het kapitalisme vormde de kleine warenproductie het uitgangspunt van het ontstaan van kapitalistische ondernemingen; de resterende elementen bleven als een relatief zelfstandige productievorm voortbestaan (als secundaire arbeidsverhouding), of kwamen onder directe of indirecte controle van het kapitaal te staan (een soort residuale arbeidsverhouding). De kleine of eenvoudige warenproductie wordt inhoudelijk gestructureerd door de telkens dominante arbeidswijze. Op basis van de historisch gegroeide verhoudingen wordt de specifieke inhoud van de kleine warenproductie gestructureerd door het specifieke ontwikkelingsstadium van de kapitalistische arbeidswijze. Omdat de niet-kapitalistische warenproducenten waren produceren, worden zij immers per definitie beïnvloed door de marktvoorwaarden zoals deze onder het kapitalisme bestaan. Dit sluit niet uit dat er aan het bestaan van kleine warenproducenten in het kapitalisme bijzondere maatschappelijke relaties zijn verbonden .

Eenvoudige warenproductie in de marxistische traditie
In de marxistische traditie is het begrip kleine (of: eenvoudige) warenproductie nogal omstreden [Poppinga 1975:8 e.v.; Gerry/Birkbeck 1981:121 e.v. Zie voor een bespreking van dit begrip in het historische onderzoek naar klassenverhoudingen in het feodalisme: Vogler 1979:65 e.v.].

Kleine warenproductie als historische categorie
In Friedrich Engels’ interpretatie wordt de eenvoudige warenproductie tegenover de kapitalistische warenproductie gesteld en historisch opgevat als een daaraan voorafgaande productievorm. In tegenstelling tot Marx vat hij de eenvoudige warenproductie primair op als een historische categorie. De periode waarin de eenvoudige warenproductie bestaan zou hebben, dateert hij van 4-6de eeuw voor het begin van onze tijdrekening tot aan de 15de eeuw. In deze hele periode zou de ‘waardewet’ algemene geldigheid hebben gehad. Door intrede van de kapitalistische productievorm zou de eenvoudige warenproductie gemodificeerd zijn [MEW 25:909].

* Door de ‘dialectici’ wordt altijd gehamerd op de stelling dat er een hemelsbreed verschil bestaat tussen Marx’ methode van logische uiteenzetting (‘van het abstracte opstijgen naar het concrete’) en Weber’s ideaaltypische analysestrategie. Als men zich hierdoor niet laat imponeren, zou men ook kunnen zeggen dat het begrip eenvoudige warenproductie een ideaal-typische of heuristische categorie is (en niet zozeer een ‘real Abstraktion’). “Marx’ analyse vangt aan bij een (ideaaltypische) pre-kapitalistische situatie waarin er sprake is van ‘eenvoudige warenproductie’: de arbeiders beschikken zelf over de productiemiddelen; deze zijn dus niet geconcentreerd in de handen van een kleine groep. In een dergelijke situatie, zo toont Marx aan, reflecteren de martkprijzen de ‘hoeveelheid noodzakelijk arbeidstijd’ en is er geen winstinkomen: het hele inkomen valt toe aan de arbeiders” [Van Zanden 1991:17].
Volgens Engels gaf Marx in de eerste drie hoofdstukken van het eerste deel van Het Kapitaal een beschrijving van een maatschappijvorm — ‘de eenvoudige warenproductie’ — welke historisch aan het kapitalisme is voorafgegaan. Maar bij Marx is de eenvoudige warenproductie veeleer een analytische of logische categorie.* Marx gebruikt deze term als algemene aanduiding van het feit dat bij maatschappelijke arbeidsdeling en privé-eigendom van de productiemiddelen de producten in waren veranderen, en zich pas daarna op de markt als deel van de maatschappelijke arbeid moeten bewijzen. Deze algemene bepaling geldt zowel in de kapitalistische productiewijze als in de sfeer van de eenvoudige warencirculatie en zegt dus op zichzelf nog niets over de productiewijze.

Kleine warenproductie als zelfstandige productiewijze
Er zijn maar weinig marxistisch georiënteerde auteurs die de eenvoudige warenproductie opvatten als een zelfstandige productiewijze. Een daarvan is Fred Oelßner. Eenvoudige en kapitalistische warenproductie worden bij Oelßner van elkaar onderscheiden door een verschillende basistegenspraak. De kapitalistische warenproductie wordt gekenmerkt door de basistegenstelling tussen maatschappelijke productie en private toeëigening. Maar in “der einfachen Warenproduction besteht kein Widerspruch zwischen der Produktionsweise und der Aneignungsweise. Beide sind privat. Der Schuhmacher arbeitet, evenso wie alle anderen Handwerker, um den Lebensunterhalt für sich und siene Familie zu erwerben. Das setzt der Ausdehnung der Produktion relativ enge Schranken” [Oelßner 1971:25; vgl. p. 12]. De analytische categorie van de eenvoudige warenproductie, zoals deze door Marx in het eerste deel van Het Kapitaal werd uitgewerkt, wordt ook door Oelßner opgevat als een historische categorie.

Ook Ralf Hilferding vat de eenvoudige warenproductie op als voor-kapitalistische warenproductie. In de eenvoudige warenproductie bestaan er volgens hem geen economisch-wetmatige crises. “Die Störungen der Wirtschaft sind keine ökonomisch-gesetzmäßigen Krisen, sonder Katastrophen, die aus besonderen natürlichen oder historischen Ursachen, wie Mißwachs, Dürre, Seuchen, Kriegen entspringen” [Hilferding 1909/68:327]. Het kenmerkende van deze evenwichtsstoringen is dat zij uit een gebrek van de reproductie voortkomen en niet uit een of andere overproductie. Volgens Hilferding is dit vanzelfsprekend omdat deze productie altijd nog primair productie voor eigen behoeften is, dat productie en consumptie als middel en doel met elkaar verbonden zijn, en dat de warencirculatie een verhoudingsgewijs kleine rol speelt.

Tenslotte behandelt ook Heinz Jung de eenvoudige warenproductie in eerste instantie als een historische, voorkapitalistische fase [Jung 1973:33]. In het kapitalisme kunnen de productieverhoudingen van de kleine warenproductie niet (meer) als autonome klassenverhouding worden gezien, omdat deze in toenemende mate in het reproductieproces van het kapitaal zijn geïntegreerd en door de progressie van de accumulatie worden gepolariseerd [idem:163].

Eigensoortige karakter van kleine warenproductie
Hoewel de kleine warenproductie slechts door weinig marxistische auteurs werd opgevat als een zelfstandige productiewijze, wordt meestal wel het eigensoortige karakter van deze productievorm benadrukt.

Zo merkt Karl Kautsky [1899:60] op dat de eenvoudige warenproductie in tegenstelling tot de kapitalistische warenproductie niet de heersende vorm van productie is en dat de prijzen niet door de productiekosten worden bepaald. Bij de eenvoudige warenproductie wordt ook een meerproduct voortgebracht, dat de vorm van waren aanneemt en een waarde heeft. Deze waarde moet volgens Kautsky geen meerwaarde worden genoemd, omdat de menselijke arbeidskracht in dit stadium wel waarden schept maar zelf nog geen waarde heeft, omdat zij nog geen waar is. Lenin is van mening dat na de intrede van de kapitalistische warenproductie de boer alleen nog formeel als eenvoudige warenproducent kan worden opgevat. Hij gaat er dus ook vanuit dat de eenvoudige warenproductie een zelfstandige inhoud heeft. Zolang de boer eenvoudige warenproducent blijft, kan hij zich tevreden stellen met het loonniveau van een arbeider; hij kan afzien van winst en grondrente en kan voor een grondstuk een hogere prijs betalen dan een kapitalistische ondernemer. De eenvoudige warenproductie wordt echter verdrongen door de kapitalistische productie. Wanneer bijvoorbeeld de boer zijn grondstuk met hypotheek heeft belast, moet hij hiervoor ook de rente opbrengen. Op dit ontwikkelingsniveau zou men daarom de boer slechts formeel als eenvoudige warenproducent kunnen beschouwen [Lenin LW 4:115].

Scheringer/Sprenger stellen eenvoudige warenproductie gelijk met een op behoeftebevrediging gerichte maatschappijvorm. Zij leiden dit af uit een vergelijking tussen de maatschappelijke positie van de kapitalist als uitbuiter met die van de eenvoudige warenproducent, die eveneens ook productiemiddelen bezit maar geen vreemde arbeidskrachten uitbuit. “Der einfache Warenproduzent erzeugt und verkauft seine Ware mit dem Ziel, sie in eine andere Ware zu verwandeln, die der Befriedigung seiner Bedürfnisse dient” [Scheringer/Sprenger 1970:33].

Poppinga [1975:9] heeft laten welke problemen ontstaan als men ‘eigen wetmatigheden’ toeschrijft aan de kleine warenproductie. Het eerste probleem is dat de eenvoudige warenproductie in zeer uiteenlopende productiewijzen voorkomt en daarin telkens weer een andere specifieke inhoud heeft. In een kapitalistisch milieu kunnen agrarische kleine warenproducenten bijvoorbeeld helemaal niet afzien van winst en grondrente, moeten zij zich in een harde concurrentiestrijd zien te handhaven en zijn zij gedwongen te accumuleren. Wanneer men de kleine warenproductie opvat als een periode met eigen wetmatigheden impliceert dit bovendien dat de kapitalistische warenproductie zich alleen maar zou kunnen doorzetten wanneer de kleine warenproductie wordt verdrongen en in haar plaats komt.

Index7. Economisme in de klassenanalyse

De ‘kritiek van de politieke economie’ —in de marxistische traditie meestal opgevat als de rationele grondslag van de analyse van kapitalistische klassenverhoudingen— is geen strikte economische theorie. In de marxistische traditie werd voor de klassenanalyse van het kapitalisme altijd de cruciale betekenis benadrukt van de ‘vormbepalingen’ van de maatschappelijke arbeid [zie in plaats van velen: Bischoff 1973; PKA 1973 en Ritsert 1987].

In zijn ‘kritiek van de politieke economie’ analyseerde Marx op systematische wijze de kapitalistische arbeids- en klassenverhoudingen. Kenmerkend voor zijn manier van klassenanalyse is enerzijds dat daarin telkens wordt gerefereerd aan algemene waardetheoretische bepalingen. Deze systematische referentie aan de arbeidswaarde- en kapitaaltheorie gaat ook in zijn empirische van de details van de klassenstructuur niet verloren. Anderzijds beperkt hij de reikwijdte van de kritiek van de politieke economie niet tot de maatschappelijke arbeids- en toeëigeningsverhoudingen, maar gaat hij ook in op het geheel van sociale klassenverhoudingen en bewustzijnsvormen. Hij verzet zich daarmee tegen de reductie van de kapitalisme-analyse tot louter ‘vakeconomie’. Zijn centrale kritiek op de politieke economen is dat zij geen besef hebben van het specifieke maatschappelijke karakter van hun object. Hij behandelt de ‘economische vormbepalingen’ als indicatoren van sociale relaties en bewustzijnsvormen van de individuen in de burgerlijke maatschappij.

Het programma van Marx was er op gericht de samenhang van 'de economie' met alle andere maatschappelijke verhoudingen te analyseren (met name de staats-, rechts- en ideologische verhoudingen, waarin de mystificaties van het alledaagse economische leven een gepotentieerde uitdrukking krijgen). De ‘kritiek van de politieke economie’ is qua intentie dus geen (kritische) vakeconomie die met een kritische maatschappijtheorie (‘kritische sociologie’) en een theorie van het subject (‘kritische psychologie’) moet worden aangevuld.

In de door Althusser en Poulantzas gepopulariseerde instantieleer blijft erg onduidelijk om wat voor type indeling het eigenlijk gaat. De termen economie-politiek-ideologie kunnen immers zowel worden opgevat (a) als basisfuncties van specifieke maatschappelijke verhoudingen, (b) als analytische aspecten van alle arbeidsverhoudingen, (c) als functioneel gedifferentieerde activiteits-verhoudingen of (d) als empirische indeling van instanties, d.w.z. van empirisch afgebakende handelingssystemen of velden. De overwegende suggestie is dat het gaat om een indeling van empirisch gedifferentieerde handelingssystemen.
Zie voor een uitvoeriger kritiek op het reductionisme van een dergelijke instantieleer: Bader/Benschop [1988:125 e.v.]. Zie voor een kritiek vanuit antropologische optiek: Raatgever [1988:30,58,72].
Wie zich tegen ‘economisme’ wil wapenen, doet er verstandig aan enerzijds te opereren met een duidelijk afgebakend begrip van ‘productiewijze’ of ‘arbeidswijze’ dat toegesneden is op de specifieke maatschappelijke vorm van de arbeidsverhoudingen, en anderzijds afstand te houden van de problematische trinitaire instantieleer: ‘economie-politiek-ideologie’.

Dit laatste is van belang omdat het denkmodel van deze heilige drie-eenheid meestal gepaard gaat met de vooronderstelling dat in ‘politieke’ en ‘ideologische’ instanties of subsystemen zelf (whatever that may be) geen exploitatie kan bestaan en dus ook geen klassenverhoudingen kunnen worden gegenereerd.

  1. ‘Politieke instanties’
    Wanneer men echter ‘politiek’ opvat als het geheel van soevereine verbanden waarin ‘definitieve’ beslissingen tot stand komen, dan moet er theoretisch met twee factoren rekening worden gehouden. Ten eerste kunnen ook definitieve beslissingsverhoudingen als arbeidsverhoudingen worden georganiseerd (en historisch was dit ook het geval!). Ten tweede bieden beslissingsverhoudingen zodra zij als arbeidsverhoudingen zijn georganiseerd mogelijkheden voor systematische en duurzame toeëigening van meerarbeid en dus ook voor het ontstaan van klassenposities. Vanaf de oude roofzuchtige stadsstaten in de klassieke oudheid, de tribuutstaten, de koloniale en imperialistische staten tot aan de moderne belastingstaten is dit historisch het geval geweest.

    Incidentele vormen van roof en afpersing vallen buiten het kritische begrip van uitbuiting (dat in het volgende hoofdstuk wordt uitgewerkt). Van uitbuiting is pas sprake wanneer roof en afpersing een meer duurzaam en systematisch karakter aanneemt. Dit veronderstelt echter dat roof- en afpersingspraktijken als arbeidsverhoudingen georganiseerd moeten worden. Men kan dit verschijnsel bestuderen aan de hand van de oude roofzuchtige staten die systematische rooftochten organiseerden (en waartegen de boeren zich trachtten te weren door geheime graanschuren aan te leggen). Men kan het ook bestuderen bij de moderne georganiseerde afpersingspraktijken van maffiose ‘staten in staten’.

      Afpersing ≠ Uitbuiting
      In de discussies over de vraag of er uitbuiting en maatschappelijke klassen bestaan in voorkapitalistische maatschappijformaties worden de begrippen afpersing en uitbuiting vaak door elkaar gebruikt. Het bestaan van maatschappelijke klassen in deze formaties wordt dan afgemeten aan de aanwezigheid en hevigheid van de afpersing en de compensaties die hiervoor ‘in ruil’ aan de afgepersten werden geboden.

      Deze vermenging van het uitbuitings- en het afpersingsbegrip werd o.a. bekritiseerd door de Franse antropoloog Pierre-Philippe Rey. Zijn basisstelling is mijns inziens correct: of zij nu gematigd is of niet, gecompenseerd wordt of niet, afpersing is geen uitbuiting [Rey 1979/83:587]. Maar dat geldt niet voor wijze waarop Rey deze stelling onderbouwt en uitwerkt.

        “Klassen en een specifieke productiewijze worden alleen door afpersing gedetermineerd als deze de arbeidsprocessen en de coöperatieverhoudingen tussen de producenten structureert, ofwel als zij … met een reële onderschikking van de producenten correspondeert: dan en dan alleen kan afpersing als een productieverhouding worden beschouwd. … De vraag waar het op aan komt, is niet of de afpersing gematigd is of niet, of zij gecompenseerd wordt of niet, maar of zij steunt op een zodanig geheel van maatschappelijke verhoudingen dat de productie zonder haar niet voortgezet kan worden” [idem].
      Een dergelijke redenatie is alleen steekhoudend als men bereid is daarbij ook de twee ingebakken reducties op de koop toe te nemen. De eerste reductie ligt besloten in Rey’s vooronderstelling dat uitbuiting alleen in arbeidsprocessen zelf mogelijk is, resp. wanneer de uitbuiting de arbeidsprocessen en coöperatieverhoudingen tussen de producenten structureert. De tweede reductie is dat de uitbuiting die zich in arbeidsprocessen voltrekt een aanwijsbaar effect moet hebben op de reële onderschikking van de producenten. Systematische toeëigeningen van het meerproduct in distributieverhoudingen (op basis van geweld of door ongelijke ruil) en in arbeidsverhoudingen waarin de producenten slechts formeel ondergeschikt zijn, kunnen in Rey’s benadering niet meer als uitbuitingspraktijken worden getypeerd.

  2. ‘Ideologische instanties’
    Voor de zogenaamde ‘ideologische’ verhoudingen of instanties gelden vergelijkbare overwegingen. De oude kerkelijke of hiërocratische exploitatie is hiervan het sprekend voorbeeld. Afdrachten aan kerken of sekten zijn niet per definitie uitbuiting, maar “control over the means of salvation may give Churches an ability to exploit believers” [Wright 1985:96]. De beschikkingsmacht over de ‘verlossingsmiddelen’ of de ‘middelen van het zielenheil’ biedt mogelijkheden tot twee vormen van religieuze of kerkelijke exploitatie:

    • in kerkelijk georganiseerde arbeidsverhoudingen kunnen de lagere delen van de clerus —de gewone priesters, monniken en nonnen— worden uitgebuit;
    • de gelovigen kunnen door hun eigen kerk worden uitgebuit.

    De eerste vorm is slechts een bijzonder geval van directe uitbuiting in arbeidsprocessen. In de sterk hiërarchisch gestructureerde en door de kerk bureaucratisch georganiseerde arbeidsprocessen kan meerarbeid van werkplichtige priesters, monniken en nonnen worden toegeëigend (‘tempeleconomie’ en ‘tempelslaven’).

    De tweede vorm is een bijzonder geval van indirecte uitbuiting in distributieprocessen op basis van geweld (de naar oud-testamentisch voorbeeld gemodelleerde heffing van tienden onder dreiging van superieur kerkelijk geweld), van schuldverhoudingen of van ongelijke ruilverhoudingen. Bij afdrachten van tienden onder dreiging van kerkelijk superieur geweld is deze kerkelijke uitbuiting relatief gemakkelijk als zodanig te herkennen en is ook de identificatie van de profiteurs niet zeer ingewikkeld.

    Ook bij kerkelijke exploitatie in de vorm van schuldrelaties is historisch gezien duidelijk dat achter de religieuze legitimatie van deze overdrachten van meerarbeid een zeer profane beschikkingsmacht over land, arbeids- en geweldsmiddelen schuilt. Dit was in ieder geval geen geheim voor de zogenaamde Bokkerijders die bij de planning van hun roofovervallen een grote voorkeur aan de dag legden voor de enorme bezittingen die door de abdijen in de Maasvallei waren verzameld [Blok 1991:25,70].

    Bij de overdracht van meerarbeid in de vorm van ongelijke ruil is het exploitatieve karakter en zijn de profiteurs en ‘loosers’ vaak veel moeilijker te identificeren. Dit geldt met name voor de ongelijksoortige ruil tussen de prijs van een kerkelijke aflaat en het vermeende voorrangsrecht bij Petrus’ hemelpoort [zie excursie: Aflaten en Exploitatie]. Maar het geldt ook voor de moderne contributies en schenkingen die gelovigen overwegend vrijwillig overmaken op de bankrekeningen van fundamentalistische televisiepredikanten, die hen in ruil hiervoor niet alleen verzekeren dat de eigen zaligheid wordt bevorderd, maar ook dat hierdoor de blijde boodschap via de ether verspreid zal worden. Bij al deze variaties van kerkelijke exploitatie van gelovigen zou telkens een afweging moeten worden gemaakt tussen de waarde van het zieleheil en die van de overgedragen arbeidsproducten of de geleverde diensten [Bader/Benschop[1988:358].

Aflaten en Exploitatie
De hiërocratische vormen van exploitatie werden plastisch onder woorden gebracht door Friedrich Engels in zijn analyse van de Duitse boerenoorlog.
    “De feodale geestelijke hiërarchie vormde de aristocratische klasse, de bisschoppen en aartsbisschoppen, de abten, priors en andere prelaten. Deze kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders waren of zelf rijksvorsten, òf zij heersten als feodale grondbezitters onder de opperheerschappij van andere vorsten over grote stukken grondgebied met talrijke lijfeigenen en horigen. Zij buitten hun onderdanen niet alleen even onbarmhartig uit als de adel en de vorsten, maar gingen nog veel schaamtelozer te werk. Behalve bruut geweld, gebruikten zij alle kerkelijke chicanes, behalve over de verschrikkingen van de pijnbank beschikten zij over de banvloek, het weigeren van de absolutie en de intriges van de biechtstoel om de mensen hun laatste penning te ontnemen of het erfdeel van de kerk te vergroten. Het vervalsen van oorkonden was een bij deze waardige mannen veel voorkomend en geliefd middel om aan geld te komen. Maar ofschoon zij naast de gebruikelijke feodale belastingen en pachten ook nog tienden inden, waren al deze inkomsten nog niet toereikend. Om het volk tot nog meer offers te bewegen namen zij hun toevlucht tot het vervaardigen van wonderdoende heiligenbeelden en relikwieën, tot het organiseren van zaligmakende bedeplaatsen en het gesjacher met aflaten, hetgeen heel lang met veel succes plaatsvond” [Engels, Boerenoorlog:40].

De kiem van de aflaatpraktijken ligt in de oude kerkelijke boetepraktijk ter verzachting en kwijtschelding van canonieke straffen. De aflaten stammen uit de 11e eeuw. Als ‘plaatsbekleedster van God’ kon de kerk straffen opleggen, met als doel ‘een voor God geldende uitboeting der zonde’; door de kwijtschelding van die straffen verleende de kerk ‘een voor God geldende verzoening’ [Katholieke Encyclopedie, p. 586]. Als ‘de bezitster van de sleutelmacht’ kon de kerk zonden vergeven; zij eiste daarvoor niet alleen berouw en belijdenis, maar ook satisfactie door werken.

De aflaatpraktijk werd theologisch verdedigd door de leer van ‘de schat van verdiensten van Christus en de overtollige verdiensten van de heiligen’, waarover uitsluitend de kerk zou beschikken en waaruit zij kon uitdelen. Wat de gelovige aan berouw tekort kwam, kon door geld worden goedgemaakt; vergeving van zonden kon dus voor geld worden bemachtigd. Een aflaat is de kwijtschelding van tijdelijke straffen (die op aarde en in het vagevuur gedragen moesten worden), nog uit te boeten na reeds vergeven zonden.

In de 16e eeuw ontwikkelde de katholieke kerk een uiterst gedifferentieerd stelsel van aflaten. Er waren kortstondige en zeer langdurig werkzame aflaten (soms voor meer dan 100 jaar), plaatselijk gebonden en meer algemeen geldige aflaten, persoonlijke en zakelijke aflaten, gedeeltelijke aflaten door een deel der straffen en volle aflaten voor de kwijtschelding van alle schulden, aflaten voor levenden en voor overledenen (om hun verblijf in het vagevuur te verkorten).

Door de geldhonger van de paus en de geestelijkheid verscherpten zich de aflaatpraktijken. De ‘aflaathandel’ leverde grote sommen geld op en werd een internationaal bedrijf. Door de schraapzucht van vele predikers werd het geldelijk element van de aflaatpredikers ook bij menig gelovige in diskrediet gebracht. De misbruiken namen zodanige proporties aan dat ook steeds meer gelovigen hierover slechts beschaamd het hoofd konden schudden.


Johann Tetzel [1465-1519]
Op zijn aflaatpraktijken werd een liedje gemaakt: “Zodra de munt in het kastje klinkt, is er een ziel uit het vagevuur springt”. Zolang je maar genoeg geld betaalde, hoefde je je geen zorgen te maken over je zonden.
Berucht is de —door paus Julius II in 1506 uitgeschreven en door Leo X opnieuw afgekondigde— aflaat van 1515, waarvan de opbrengst nominaal voor de bouw van de St.-Pieterskerk in Rome bestemd was. Hieraan is onverbrekelijk de naam van de aflaatprediker Johann Tetzel verbonden. Zijn aflaatpreken waren toonbeelden van onbeschaamde reclame- en verkooptechniek, waarbij hij niet verzuimde mee te delen dat hij ook als inquisiteur was aangesteld. De helft van de inkomsten uit de aflaat van 1515 werd gebruikt voor de bouw van de St.-Pieterskerk, de andere helft verdween in de zak van de drievoudige bisschop Albrecht van Brandenburg — in wiens dienst Tetzel opereerde — die daarmee zijn schuld aan het bankiershuis der Fuggers betaalde voor de enorme hoeveelheid kerkelijke ambten die hem door deze bank waren voorgeschoten. In een spotvers uit die tijd werd Tetzel’s leer pregnant samengevat: “Sobald das Geld im Kasten klingt, die Seele aus dem Fegfeuer springt.” Iedereen verwachtte na zijn dood een bepaalde tijd in het vagevuur te moeten smeulen een aflaat leek te garanderen een verkorting van deze tijd. Een aflaat verschafte een gelovige dus verlichting van zijn toekomstig lot.

Tegen deze weinig verheffende, demagogisch legitimeerde exploitatiepraktijken spijkerde Maarten Luther op 31 oktober 1517 zijn beroemde 95 stellingen op de deur van de slotkerk van Wittenburg (vooral in stelling 1 en 36). Luther werd geconfronteerd met mensen die hun zonden kwamen opbiechten en daarna hun aflaten lieten zien, zodat Luther hen geen boetedoening kon opleggen. Ware boete kon volgens Luther nooit door een geldelijke transactie worden vervangen. Iemand die geen werkelijke berouw over zijn zonde voelde, zou volgens Luther nooit aan vagevuur of hel ontsnappen. Bovendien lagt het volgens Luther ook niet in de macht van de kerk om al dan niet zonden te vergeven. God laat zich niet manipuleren door offer of aflaat, bedevaart noch schietgebed. Alleen God zelf kon uit barmhartigheid de zondaar vergeven.

Een ander bekend voorbeeld is de zogenaamde dijkaflaat die in de jaren 1513-1518 in de Nederlanden werd afgekondigd. Een derde van de opbrengt van deze aflaat verdween in de zakken van de Curie en twee derde moest aan Karel V worden afgedragen. Op deze wijze werd wel hun schatkist gevuld, maar aan de dijken werd verder geen aandacht besteed.

Index8. Productieve arbeid in de kapitalistische arbeidswijze

8·1 Productieve arbeid als meerwaarde scheppende arbeid
De begrippen productieve en onproductieve arbeid spelen in marxistisch geïnspireerde klassenanalyses een belangrijke, maar ook een omstreden rol. Ik beperkt me hier tot een aanduiding van de ratio van het begrip productieve arbeid binnen het productie- en reproductieproces van het kapitaal. De problemen rond het begrip ‘onproductieve arbeid’ worden besproken in hft. X, § 4·3·2.

Het onderscheid tussen productieve en onproductieve arbeid heeft betrekking op de specifieke maatschappelijke vorm van de arbeid en correspondeert met het onderscheid tussen kapitalistische en niet-kapitalistische arbeidswijze. Wat productieve arbeid binnen de kapitalistische arbeidswijze is, kan worden gespecificeerd door een nadere omschrijving van het specifieke resultaat van deze arbeidswijze. Het directe doel en het eigenlijke product van het kapitalistische arbeidsproces is de meerwaarde.

Meerwaarde is de specifieke vorm waarin de meerarbeid van de directe producenten in het kapitalistische arbeidsproces wordt toegeëigend. Productieve arbeid in de kapitalistische arbeidswijze is de arbeid die direct meerwaarde produceert, welke dient als middel van de zelfexpansie van het kapitaal. Als kapitaalproducerende arbeid is productieve arbeid loonarbeid in de strikt economische betekenis van het woord. Om productief te werken moet men loonarbeider zijn en in een kapitalistisch georganiseerd arbeidsproces waren produceren of diensten verlenen.

Ook de kapitalistisch georganiseerde dienstverlening kan dus als productieve arbeid worden beschouwd. De orthodoxe opvatting over deze kwesties is dat diensten onproductieve arbeid zijn, omdat zij niet tot de ‘materiële’ productie behoren. Alleen wat uit de ‘materiële productie’ voortkomt, kan tot waar worden. Dat is niet zozeer de ‘marxistische’ alswel een grof materialistische en dogmatische benadering. Deze dogmatische opvatting wordt bijvoorbeeld verdedigd door Poulantzas.

Verkopen van arbeidskracht
Al in de Klassieke Oudheid werden loonarbeiders (misthõtes) door Plato omschreven als diegenen die volledig ongeschikt zijn om zich op intellectueel niveau met burgers te associëren, maar die voldoende fysieke kracht hadden om te werken. Hij noemt ze: “zij die hun arbeidskracht verkopen.” Of letterlijk ‘zij die het gebruik van hun kracht verkopen’ [Plato, Republiek II:371]. In de zeventiende eeuw formuleerde Thomas Hobbes het uitgangspunt van de waardetheorie dat later door Marx theoretisch werd onderbouwd: “The value, or worth of a man, is as of other things, his price; that is to say, so much as would be given for the use of its power” [Thomas Hobbes, Leviathan I,x]
In het kapitalisme is de arbeidskracht alleen productief wanneer het rechtstreeks tegen kapitaal wordt geruild en waarvan de gebruikswaarde voor de kapitalisten niet in haar concrete nuttigheid bestaat, maar in het verschil tussen de waarde van de arbeidskracht en de waarde van het arbeidsproduct. Productieve arbeid wordt gedefinieerd door de eigenschappen van het kapitaal in het directe arbeidsproces. Productieve arbeid is dus in eerste instantie een functionele bepaling in het productieproces van het kapitaal. In tweede instantie moet het begrip productieve arbeid worden geconcretiseerd binnen het totale reproductieproces van het zich accumulerende kapitaal.

Het productieve karakter van de arbeid is geen inhoudelijke, maar een functionele bepaling: productieve en onproductieve arbeid onderscheiden zich van elkaar doordat zij op verschillende doelen zijn betrokken. Daarom moet het begrip productieve arbeid voor elke arbeidswijze afzonderlijk worden gespecificeerd.

Overigens is ook het algemene begrip van productieve arbeid een functionele bepaling: vanuit het eenvoudige arbeidsproces bezien, is productieve arbeid de arbeid die zich in een nuttig product realiseert (dat onafhankelijk van dit arbeidsproces en van haar potentiële consumenten als waar kan circuleren) of waarvan het nuttige effect in de arbeidshandeling zelf is geïmpliceerd (zodat er geen arbeidsproduct ontstaat dat onafhankelijk van het arbeid en van het consumptieproces kan circuleren). ‘Productieve arbeid in het algemeen’ is gedefinieerd als gebruikswaarde scheppende arbeid en is dus functioneel betrokken op menselijke behoeftebevrediging.

Index


8·2 Productieve arbeid in reproductieproces van het kapitaal
We hebben gezien dat het begrip productieve arbeid in eerste instantie gedefinieerd wordt als een functionele bepaling binnen het productieproces van het kapitaal. Om de betekenis van het begrip ‘indirect productieve arbeid’ te preciseren, is het nodig het begrip van productieve arbeid te concretiseren binnen het totale reproductieproces van het zich accumulerende kapitaal.

Het totale reproductieproces van het kapitaal omvat zowel het productieproces (waarin de waarde wordt geproduceerd) als het circulatieproces (waarin de geproduceerde waarde wordt gerealiseerd). Het kapitaal moet deze twee processen in op elkaar volgende tijdsperiodes doorlopen. De circulatie is een etappe van het kapitaalsproces welke voor de hernieuwing van de productie noodzakelijk is, maar waarin geen waarde en dus ook geen meerwaarde wordt gecreëerd.

De totale omslagtijd van het kapitaal is samengesteld uit de productietijd en de omloop- of circulatietijd. Gedurende de tijd dat het kapitaal zich in de circulatie bevindt, kan het zich niet in het productieproces bevinden en kan het zich dus niet vermeerderen. De tijd waarin het industriële kapitaal de sfeer van de circulatie moet doorlopen, is daarom een negatieve barrière voor de meerwaardevorming van het kapitaal [Marx, MEW 24:127]. De waardeschepping en de kapitaalrealisatie worden door de circulatietijd dus op negatieve wijze beïnvloed: door de versnelling of verlangzaming van de circulatie wordt de tijd verkort of verlengd, waarin het kapitaal geen productieve arbeid kan aanwenden (en zich dus niet kan vermeerderen). Circulatie is “that purely social movement, the transfer of property titles, which is necessitated only by the fact that products assume the form of commodities” [Cottrell 1984:63; vgl. Marx, MEW 24:132].

Activiteiten van circulatiearbeiders zijn meestal verbonden met de calculatie van waarde (boekhouding), met de realisatie van waarde (productverkoop), of met de transformatie van het gerealiseerde geld in productiemiddelen (aankoop van grondstoffen en arbeidsmiddelen) en arbeidskrachten (salarisadministratie). De overige circulatieactiviteiten hangen samen met het lenen en verlenen van geld.

Tijdens de circulatie voltrekt zich een vormverandering van de waren. Voor deze metamorfose is arbeid vereist en veroorzaakt dus kosten. De circulatiekosten die gemaakt moeten worden om de vormverandering van de waar tot stand te brengen, voegen geen nieuwe waarde aan de waar toe. Circulatiekosten zijn kosten om de waarde te realiseren of kosten om de waar uit haar ene vorm te transformeren in een andere — zij zijn louter onkosten van de kapitalistische warenproductie. Omdat zij betaald worden uit het meerproduct of de meerwaarde vormen zij voor de kapitalistenklasse als geheel een vermindering van meerproduct of meerwaarde. De eigenlijke circulatiekosten leiden dus nooit tot waardevermeerdering en kunnen daarom worden aangemerkt als onkosten voor productieve arbeid.

De circulatiefuncties kunnen worden uitgevoerd door loonarbeiders die zelf van de verhuur van hun arbeidskracht leven. Door deze arbeidsdeling hoeft slechts een geringer deel van de arbeidskracht en van de arbeidstijd voor deze noodzakelijke, maar niet direct productieve functies te worden ingezet. Voor de kapitalist kunnen de circulatiekosten worden verminderd omdat ook commerciële loonarbeiders niet de volledige waarde van hun arbeid, maar slechts die van hun arbeidskracht ontvangen: de meerarbeid van de gewone commerciële loonarbeiders van het kapitaal wordt niet betaald. Voor de afzonderlijke commerciële kapitalist is dit een positieve winst.

Omdat de arbeid in de circulatiesfeer geen meerwaarde schept, fungeert hij niet direct als productieve arbeid, maar omdat hij voor de kapitalist de circulatiekosten door meerarbeid en versnelling van het circulatieproces vermindert, fungeert hij toch als indirect productieve arbeid [Marx, MEW 25:293; Beckenbach 1973:97; Berthoud 1974:93].

Tussen de directe productieve arbeiders en de onproductieve arbeiders bestaat dus nog een derde categorie van indirect productieve arbeiders. Commerciële loonarbeiders van het kapitaal zijn niet indirect productief omdat zij diensten verrichten, maar omdat zij diensten in de circulatiesfeer verrichten. Hun arbeidskracht wordt geruild tegen handels- of bankkapitaal en zij zijn onderworpen aan de algemene dwang tot meerarbeid. Voor hun ondernemers vervullen zij noodzakelijke en nuttige functies en leveren voor hen een winst op, maar geen waarde of meerwaarde.

Loonarbeiders die eenmalige gebruikswaarden (quasi-waren) produceren en wier arbeidtijd niet kan worden genormeerd, worden door Krätke [1984:134] als ‘niet-productieve loonarbeiders’ aangeduid. Hij tekent daarbij bezwaar aan tegen het gebruik van de term ‘indirect productieve loonarbeiders’ omdat de meeste loonarbeiders, dus ook de ‘echte’ onproductieve loonarbeiders, invloed uitoefenen op de waardeschepping en meerwaardeproductie [idem:274]. Dat klopt, maar toch is er een essentieel verschil tussen de invloed van onproductieve arbeid op het meerwaardevormingsproces en de invloed van de indirect productieve arbeid. De onproductieve loonarbeiders staan immers buiten de verhouding van loonarbeid en kapitaal; zij beïnvloeden het waardevormingsproces niet als loonarbeiders van het kapitaal, maar bijvoorbeeld als loonarbeiders van de staat.

Ritsert [1987:17] maakt in dit verband een onderscheid tussen waarderelevante en waardebemiddelende activiteiten. Waarderelevante activiteiten van commerciële loonarbeiders van het kapitaal leiden weliswaar niet direct tot waardevorming, maar stellen wel de voorwaarden van de meerwaardevorming veilig; zij hebben met name effect op de massa van de meerwaarde. Waardebemiddelende activiteiten van onproductieve loonarbeiders (bedienden in particuliere huishoudens; loonarbeiders van de staat) fungeren niet als zodanig en direct binnen het reproductieproces van het kapitaal, maar kunnen dit proces wel extern beïnvloeden (dus remmen of stimuleren).

De functies van waarderealisatie zijn in het systeem van de reproductie van het kapitaal niet alleen noodzakelijk, maar het werk van de commerciële arbeiders is in alle takken van de circulatiesfeer tevens waarderelevant. Commerciële loonarbeid is in vier opzichten waarderelevant.

  1. Voor zover de circulatiearbeid bijdraagt aan de verkorting van de circulatietijd, kan hij indirect de door industriële kapitalisten geproduceerde meerwaarde helpen vermeerderen. Het werk van circulatiearbeiders heeft een directe invloed op de meerwaardemassa. Door een verhoging van de efficiëntie van de functies van de circulatiearbeiders wordt de omslagtijd van het kapitaal verkort. Dit gebeurt met name door de inzet van nieuwe vormen van constant kapitaal in de vorm van automatische kantoorsystemen. De circulatie beïnvloedt de snelheid waarmee het waardescheppende productieproces zich kan herhalen, en daarmee tot op zekere hoogte de hoeveelheid waarde [Marx, Grundrisse:436]. Hoe korter de circulatietijd, des te groter de meerwaardemassa.

  2. Het commerciële kapitaal kan bijdragen aan de uitbreiding van de markt en bemiddelt de arbeidsdeling tussen kapitalen. Hierdoor is het kapitaal in staat op grote schaal te opereren en wordt de productiviteit van het industriële kapitaal en zijn accumulatie gestimuleerd.

  3. Wanneer het commerciële kapitaal de omlooptijd verkort, neemt het aandeel meerwaarde t.en opzichte van het voorgeschoten kapitaal toe, en wordt dus ook de winstvoet groter.

  4. Wanneer het commerciële kapitaal een geringer deel van het kapitaal als handels- of geldkapitaal in de circulatiesfeer bindt, wordt het deel van het kapitaal dat direct in de waren en waardeproductie wordt aangewend groter. Het commerciële kapitaal en zijn loonarbeiders kunnen er dus toe bijdragen dat de relatieve omvang van het productieve kapitaal wordt versterkt [Marx, MEW 25:291].

Index


8·3 Weg met de waardetheorie?
De problemen die kleven aan het onderscheid tussen productieve, indirect productieve en onproductieve arbeid zijn onlosmakelijk (of in ieder geval zeer nauw) verbonden aan de marxistische arbeidswaardetheorie. Binnen het referentiekader van de arbeidswaardetheorie wordt nog steeds geworsteld met problemen zoals de reductie van gekwalificeerde arbeid tot eenvoudige of maatschappelijk gemiddelde arbeid [zie hft. VII, § 2·1], de verklaring van effectieve prijzen, de kwantitatieve berekening van meerwaardevoeten. Men zou natuurlijk ook kunnen proberen deze problemen helemaal te omzeilen.

Volgens sommige auteurs is dit mogelijk wanneer men de hele waarde- en meerwaardetheorie (of kernbestanddelen daarvan) overboord gooit en genoegen neemt met de gedachte dat uitbuiting in het kapitalisme betekent “the appropriation of the fruits of labour of one class by another (which is equivalent to a transfer of the surplus from one class to another)” [Wright1985:74]. Met deze aan Cohen [1981] ontleende gedachte wil Wright “the central thrust of the traditional Marxist concept of exploitation” [Wright 1985:74] overeind houden. Omdat de arbeidswaardetheorie wordt losgelaten kan de omvang (dat wil zeggen de ‘waarde’) van dit ‘surplus product’ niet meer onafhankelijk van de prijzen worden gedefinieerd. Het eigenlijke probleem van de analyse en meetbaarheid van uitbuitingsgraden wordt hiermee echter niet opgelost, maar verschoven naar de vraag hoe de omvang van dit ‘surplus product’ kan worden gemeten. Wright is zich hiervan overigens wel degelijk bewust. Zodra men de arbeidswaardetheorie verlaat is ‘surplus’ — in de zin van ‘surplus product’ — volgens hem “notoriously hard to define rigourously” [Wright 1985:100 - noot 18]. Daar staat tegenover dat men vanuit de arbeidswaardetheorie weliswaar een nauwkeuriger theoretische definitie van ‘meerwaarde’ kan geven, maar dat de concretisering en operationalisering van deze abstracte conceptie telkens weer op grote —nog onopgeloste en misschien ook wel onoplosbare— problemen stuit. Omdat de basisgedachte ‘dat arbeid waarde schept’ wordt losgelaten, kunnen een aantal problemen die een waardetheoretische benadering met zich meebrengt van de agenda worden gehaald.

Men kan ook —zoals Roemer [1977,1985]— zijn toevlucht nemen tot een speltheorie waarin het probleem van de vergelijkbaarheid van de waarde van de verschillende soorten arbeid (en van de hierdoor geproduceerde goederen en diensten) eenvoudig wordt ontkend. In Wright’s benadering is het overbodig (en mijns inziens ook onmogelijk) om een kapitalisme-specifiek begrip van uitbuiting te formuleren. Daarom heeft hij geen boodschap aan de vraag of de arbeid van professionals en experts direct bijdraagt aan de meerwaardevorming en of hun credentierente wordt betaald uit het fonds dat zij zelf produceren. Volgens Wright zijn dergelijke vragen niet relevant voor zijn analyse van de ‘skill exploitation’. Want zelfs als men de arbeidswaardetheorie en het daarmee gepaard gaande begrip van onproductieve arbeid accepteert “the issues raised here would still apply for credentialed productive labor” [Wright 1989:308].

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 13 September, 2013