| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
Albert Benschop
II. Klassenanalyse als politiek probleem
|
|
| Noten | Literatuur |
|---|---|
| 1. Politieke en normatieve referentiepunten |
|---|
Men kan echter om heel verschillende normatieve redenen geïnteresseerd zijn in de ontstaans- en ontwikkelingsvoorwaarden van handelingscollectieven op klassenbasis en in de reproducerende of transformerende effecten die zij op klassenstructuren uitoefenen.[1]
In deze studie wordt aangesloten bij het laatst genoemde perspectief: klassematig gestructureerde sociale ongelijkheden worden gethematiseerd in het perspectief van de mogelijke overwinning van klassentegenstellingen door collectief politiek handelen.
Het normatieve uitgangspunt dat hier verder niet uitvoerig behandeld zal worden kan als volgt worden samengevat: alle individuen dienen over gelijke vrijheden te beschikken om hun telkens verschillende menselijke vermogens of capaciteiten optimaal te kunnen ontwikkelen, zonder dat hieruit privileges ontstaan. Een van de meest fundamentele barrières die de realisering van deze gelijke vrijheden van alle individuen blokkeren, is het feitelijke bestaan en de effectiviteit van exploitatieve klassenverhoudingen. Klassenverhoudingen worden in dit perspectief behandeld als een historisch vergankelijk en te overwinnen maatschappelijk verschijnsel. Het gaat om de opheffing van de klassenspecifieke belemmeringen die de gelijke vrijheden van alle individuen in de weg staan om hun individueel verschillende vermogens optimaal te kunnen ontplooien en/of te gebruiken.[2]
Het politieke referentiepunt zijn de maatschappelijke emancipatiebewegingen en in het bijzonder de arbeidersbeweging die zich richten op de afschaffing van de (voorwaarden van) klassenongelijkheden.
|
Egalitarisme of ruwe gelijkmakerij in de socialistische traditie Tegenover dit in anti-socialistische propaganda gestileerde afschrikwekkende beeld van een gelijkgeschakelde maatschappij wordt hier juist een gelijkheidsbeginsel benadrukt waarin het gaat om het slechten van maatschappelijke barrières waardoor een werkelijke individualisering aan gene zijde van klassedwang mogelijk wordt. Het gaat er dus enerzijds om gelijke kansen tot stand te brengen om verschillende vermogens van individuen optimaal te kunnen ontwikkelen (dus zover mogelijk, zonder afbreuk te doen aan gelijke rechten en gelijke kansen van anderen). Anderzijds gaat het om de realisering van distributieve rechtvaardigheid in de zin van een beloningsstructuur die zich primair oriënteert op de individueel en collectief gedifferentieerde behoeften.
Meritocratisme of principe van kansengelijkheid in de liberale traditie In de liberale traditie werd en wordt dit uitgangspunt echter vaak zodanig aangepast, dat het wel verenigbaar is met burgerlijke eigendoms- en klassenverhoudingen en de hierin verankerde kansenongelijkheid in kapitalistische maatschappijen. Het normatieve uitgangspunt dat hier geformuleerd wordt, verzet zich tegen een dergelijke burgerlijke halvering van het meritocratische principe en neemt de eis van de feitelijke (dus niet alleen juridische) gelijkheid van kansen normatief en programmatisch serieus [Bader/Benschop 1988:41-4]. Tenslotte nog een kanttekening bij de heersende prestatie-ideologie. De meritocratische ideologie geldt als maatstaf en garantie van de legitimiteit van sociale ongelijkheden in de moderne burgerlijke maatschappijen. Deze ideologie is samengesteld uit twee op elkaar betrokken principes: (1) het prestatieprincipe en (2) het principe van de kansengelijkheid. De logica van het meritocratische rechtvaardigheidsmodel is, dat de ongelijke verdeling van beloningen gelegitimeerd wordt door
Binnen dit normatieve kader wordt de mate van beloningsverschillen niet gelegitimeerd. De meritocratische ideologie leeft van de pretentie dat met de postulaten van kansengelijkheid en prestatierechtvaardigheid het hele complex van sociale ongelijkheden kan worden gerechtvaardigd. De sterk verspreide (gematigde) egalitaire houding stelt op normatief vlak grenzen aan de geldigheid van meritocratische principes. Het legitimiteitstekort heeft in eerste instantie betrekking op de mate van beloningsongelijkheid. |
Volgens Max Horkheimer is het enige wat de kritische theoreticus interesseert, het bevorderen van een ontwikkeling die moet leiden tot een maatschappij zonder uitbuiting [Horkheimer 1937:274; vgl. 1970]. Het bij Marx aansluitende programma van klassenanalyse is niet affirmatief, maar stelt de bestaande klassenverhoudingen radivaal ter discussie. In deze onderzoekstraditie is klassenanalyse nooit onpartijdig, als onschuldige academische activiteit bedreven: de historische mogelijkheid en normatieve wenselijkheid van een maatschappij zonder uitbuiting en klassen wordt principieel meegedacht.[3]
Daarbij werd altijd grote nadruk gelegd op de verbinding van het theoretische werk met het politieke streven naar een toestand zonder uitbuiting en klassenheerschappij, dat wil zeggen met een politiek project van transformatie van maatschappelijke verhoudingen in de richting van een socialisme/communisme. Maar daarbij liepen en lopen de meningen niet alleen uiteen over de aard en de mate van de verbinding tussen theorievorming en het praktisch politieke streven naar socialisme/communisme [4], maar ook over de aard van het socialistische project zelf en over de definities van socialisme respectievelijk communisme.
In de marxistische traditie werd de klassentheorie ingezet om een asymptotische eenheid met een populaire of volksbeweging tot stand te brengen, gericht op transformatie van de heersende machtsverhoudingen. In deze optiek is klassenanalyse niet zozeer een beschrijving en verklaring van de maatschappelijke structuur, en ook niet alleen kritiek op de heersende opvattingen en verhoudingen, maar een aanleiding tot en leidraad voor praktisch politiek handelen [Van Dijk 1984:145,352]. De maatschappelijke relevantie en politieke implicatie van klassenanalyse werd meestal aan drie functies gedemonstreerd. (Uit de volgende paragrafen zal blijken dat het hierbij minder gaat om feitelijk gerealiseerde functies dan om nogal pretentieuze politieke claims). Wetenschappelijk onderzoek van klassenverhoudingen zou het mogelijk moeten maken uitspraken te doen over:
Na de sterk theoretisch-methodische discussie in de jaren zeventig werd de klassenanalyse in de jaren tachtig meer als actueel politiek probleem besproken. Opnieuw laaiden discussies op over het socialistische perspectief en over de feitelijke dan wel potentiële dragers van sociale emancipatie en de actoren van de politieke strategie.
Nieuwe protestpotentiëlen die zich manifesteerden in democratische, feministische, ecologische en vredesbewegingen leken de arbeidersklasse als maatschappijveranderende kracht te verdringen. De oude randgroepentheorie werd vervangen door een lof op de nieuwe sociale bewegingen en er werden voorbereidingen getroffen om het afscheid van het proletariaat te vieren.[6]
Aan de klassenmatige kenmerken van het ideologisch/utopisch programma en de politieke strategie, en aan de sociale basis van de movimento werd daarbij in de regel voorbijgegaan. De vraag naar de rol en betekenis van klassenkrachten in politieke emancipatiebewegingen werd vervangen door een verwijzing naar de veelvoudigheid en onherleidbare complexiteit van de conflictvelden. Het zou voldoende zijn de verschillende conflictvelden niet meer tegenover elkaar te stellen of een bepaald conflictveld te verabsoluteren; de relatieve autonomie en de eigensoortige politieke dynamiek en effectiviteit van diverse strijdterreinen en -bewegingen moesten worden erkend.
De discussies spitsten zich steeds meer toe op de vraag naar de mogelijkheden om in kwalitatief onderscheiden maatschappelijke conflictvelden (loonarbeid en kapitaal, verhoudingen tussen de seksen, oorlog en vrede enzovoort) een politieke synthese tot stand te brengen tussen de protestpotentiëlen die op deze velden ontstaan (arbeiders-, vrouwen-, vredesbeweging enzovoort) en tussen hun respectievelijke politieke programmas, collectieve identiteiten en ideologieën (socialisme, feminisme, pacifisme, ecologisme enzovoort).
Wanneer de utopische oasen uitdrogen zal zich een woestenij van banaliteit en radeloosheid verbreiden. Ik blijf bij mijn these dat het zelfbewustzijn van de moderne tijd, net als voorheen, aangespoord wordt door een bewustzijn van de actualiteit waarin het historisch en het utopisch denken met elkaar zijn versmolten [Habermas 1985/9:53].
Men kan er aan twijfelen of dit, zoals Habermas stelt, wijst op een verandering van het moderne tijdsbewustzijn in het algemeen, omdat de utopische krachten uitgeput zouden zijn en de utopische energie zich zou hebben teruggetrokken van het historische denken.[7] Maar in ontwikkelde kapitalistische maatschappijen met een parlementair-democratische staat is de idee van socialisme of communisme als een alternatieve vorm van civilisatie steeds meer verdrongen door of in de schaduw geraakt van andere themas en toekomstperspectieven.
Een klasseloze maatschappij (of: de emancipatie van heteronoom bepaalde arbeid) lijkt meer en meer een utopische illusie. Voor grote delen van de werkende klassen in het Westen is de notie socialisme-communisme geen wenkend perspectief, maar zwaar belaste geschiedenis en een actualiteit met een hoge hypotheek. In belangrijke zones van Oost-Europa is de idee van socialisme als een toekomstige maatschappij gediscrediteerd door jarenlange onderdrukking in naam van het socialisme.[8]
Voor velen was dit reden genoeg om verder af te zien van de identiteit als socialist of communist zij zijn ontnuchterd en als realisten besteden zij verder geen aandacht meer aan discussies over wereldlijke paradijzen.[9] Juist daarom vinden sommige socialistisch georiënteerde auteurs het des te meer noodzakelijk opnieuw nadruk te leggen op socialisme/communisme als toekomstige klasseloze maatschappij.[10]
Socialisten van diverse pluimage lijken het tegenwoordig over een ding wel eens te zijn: een attractief of ideaal socialisme/communisme bestaat in de wereld van vandaag nergens. De reëel bestaande (staats)socialismen waren hiervan ondanks perestroika en economische hervormingen, afbraak van eenpartijstelsels en alle andere initiatieven richting democratische rechtsstaat nog lichtjaren van verwijderd.
Bij de profilering van socialistische toekomsten is het van belang een duidelijk onderscheid te maken tussen normatieve en institutionele problemen. In normatief opzicht is een duidelijke afbakening gewenst ten opzichte van geëxalteerde utopistische opvattingen, waarin morele wensen geïmmuniseerd worden tegen elke wereldlijke of mondaine calculatie, omdat de bouwkosten bij luchtkastelen geen rol spelen [Bloch GA 8:92].[11] Escapistische simplificaties van de bestaande wereld leiden immers slechts tot overgemoraliseerde en ondercomplexe utopieën. In institutioneel opzicht is er een meer exacte behoefte aan een realiseerbare institutionele specificatie van een socialistische toekomst.[12]
De marxistische traditie werd altijd van twee kanten tegelijk aangevallen: het werd door utopisten bekritiseerd omdat het door haar passie voor politieke problemen utilitaristisch beperkt zou zijn, en het werd van utopisme beschuldigd vanwege de onpraktische vaagheid van haar voorstellen voor maatschappelijke verandering.[13]
Het klassieke marxisme stond in het algemeen zeer sceptisch ten opzichte van blauwdrukken voor een socialistische of communistische toekomst. Voor Marx was socialisme per sé geen ideaal dat door deze of gene wereldverbeteraar was uitgevonden en ook geen geanticipeerde toestand die slechts gerealiseerd hoefde te worden. Hoewel het begrip klasseloze maatschappij een centrale, zo niet dé centrale rol vervulde in zijn voorstelling van een alternatieve maatschappij[14], ging Marx hier nooit uitvoerig op in en liet hij belangrijke problemen buiten beschouwing. Hij kritiseerde de utopisch socialisten van de 19e eeuw (St. Simon, Fourier en Owen), die het formuleren van tegenmodellen voor de bestaande maatschappij als centrale praktische en theoretische opdracht beschouwden.[15]
Marx stelde daarentegen de analyse van de bestaande maatschappelijke tegenstellingen in hun ontwikkeling centraal en was uitermate voorzichtig met prognoses.[16] De alternatieve klasseloze maatschappij behandelde hij zeer summier. Wanneer hij zich hierover uitliet, ging hij eerder in op de voorwaarden[17] en belemmeringen dan op de (positieve) kenmerken van een klasseloze maatschappij.[18] Zijn definitie van communisme als eindpunt van socialistische transformatie is dus primair negatief van aard: zij wordt gekenmerkt door afwezigheid van klassen, afschaffing van de onderschikking van het individu aan de arbeidsdeling, afsterving van de staat en verdwijning van warenverhoudingen [Ludes 1980; Cottrell 1984:24].
Vooral in de marxistisch geïnspireerde socialistische traditie heeft men zich lange tijd overwegend rigoreus afgegrensd van het utopische denken: alle utopische concepties zouden immers slechts bedoeld of onbedoeld uitmonden in de afwijzing van het socialisme als wetenschap.[19] De ruimte die door deze utopie-abstinentie werd geschapen, zou door niet-getransformeerde restanten uit de utopisch socialistische traditie worden opgevuld.
|
|
De erfenis van het marxistisch denken over institutionele vraagstukken zoals de verhouding tussen producenten- en consumentendemocratie, sociale en politieke democratie, directe en vertegenwoordigende democratie, interne en externe democratische controles is daarom nogal onontwikkeld gebleven, ook na meer dan tachtig jaar ervaring in staatssocialistische landen.[21]
Zonder serieus onderzoek naar institutionele vraagstukken zal elke politieke toekomst aan gene zijde van een parlementair kapitalisme geblokkeerd blijven. Het socialisme verkeert allang niet meer in een staat van onbevlekte ontvangenis.
Dit werd nog eens onderstreept door het economische, politieke en morele bankroet van de staatssocialistische stelsels van de voormalige Sovjet-Unie en haar satellieten. Men kan zich ergeren aan het triomfalisme van ideologen die deze dramatische en voor velen traumatische ervaringen hebben omgemund in een lofzang op de superioriteit van de kapitalistische stelsels. En men kan zich ook vermaken met de lyrische bewoordingen waarin voor de x-ste keer hét socialisme of hét communisme ten grave wordt gedragen.
Wie vandaag de dag als socialist, communist of utopist nog serieus genomen wil worden, moet zich niet meer beperken tot een abstract betoog over normatieve uitgangspunten en globale politieke doelstellingen. Als men een wenkend socialistisch perspectief in leven wil houden dan zal men veel concreter moeten aangeven welk type economische ordening, welke vormen van politieke en sociale democratie en welk soort culturele vernieuwing nastrevenswaardig zijn. Een socialisme dat incognito blijft, zal met weinig aanhangers tevreden moeten zijn.
|
De politieke inzet van de klassenanalyse was daarbij niet zozeer om bepaalde groeperingen aan te klagen of hen buiten het revolutionaire subject te definiëren, maar om inzicht te krijgen in de strategische handelingsmogelijkheden van de onderscheiden klassen, klassenfracties en sociale lagen. De marxistische traditie staat haaks op de oude sectarische opvatting van Lassalle, volgens welke in verhouding tot de arbeidersklasse alle andere klassen slechts een reactionaire massa vormen. Zoals bekend had Marx voor deze en vergelijkbare opvattingen in zijn Kritiek op het program van Gotha slechts één woord over: onzin [Marx Gotha: 26].[26]
Ook moderne onderzoekers in de marxistische traditie stellen klassenanalyse in het licht van het zoeken naar feitelijke en potentiële actoren die op basis van hun feitelijke maatschappelijke positie in staat zijn de krachtsverhoudingen tussen de klassen zodanig te wijzigen, dat er weg(en) naar een socialisme geopend kan/kunnen worden.[27] In de regel wordt daarbij op de een of andere manier vastgehouden aan het primaat van de arbeidersklasse. Nu is het benadrukken van de politiek-strategische centraliteit van de arbeidersklasse nog iets anders dan het toekennen van exclusiviteit.
Toch staat socialistische politiek, en meer in het bijzonder marxistisch geïnspireerde socialistische en communistische politiek steeds sterker onder de verdenking dat zij uitgaat van politieke exclusiviteit, dat wil zeggen van een soort normatief primaat, een voorkeursbehandeling van de arbeidersklasse en -beweging. De specifieke rol en betekenis van bijvoorbeeld vrouwenbevrijdingsstrijd, ecologische en vredesbewegingen zou hieraan ondergeschikt worden gemaakt. Daarom wordt in deze kritieken juist de nadruk gelegd op de enorme diversiteit van conflictvelden, de verscheidenheid van protestpotentiëlen en politieke handelingscollectieven, en op de politieke eis dat deze pluriformiteit van democratiserings-, emancipatie- en bevrijdingsbewegingen gerespecteerd en niet gelijkgeschakeld dient te worden.
Een van de intellectuele symptomen hiervan is dat het strategisch denken binnen links sterk onderontwikkeld is; er bestaat geen concreet of plausibel perspectief voor een transformatie naar een democratisch en libertair georganiseerde klasseloze maatschappij. Het zogenaamde Westerse marxisme lijkt daarom niet zozeer te lijden aan een poverty of theory (Thompson), dan wel aan een poverty of strategy (Anderson).[29]
De vernieuwing van het strategische debat over de manieren waarop klassenspecifieke barrières van kapitalistische maatschappijen overwonnen en een socialistisch project gerealiseerd kunnen worden, is enerzijds toegespitst op een klassenstrategische calculatie, anderzijds op de relatie tussen arbeidersbeweging en andere sociaal-politieke emancipatie- of bevrijdingsbewegingen.
1·4·1 Klassenstrategische calculatie?
Bij de strategische calculaties die gericht zijn op het openen van de weg(en) naar socialisme(n) kunnen drie hoofdthemas worden onderscheiden.
1·4·2 Klassenspecifieke en algemene emancipatiebewegingen
De traditionele coalitiepolitieke consequenties van een op de arbeidersklasse geconcentreerde klassentheorie zijn problematisch geworden. Een cruciale vraag hierbij is, wat de relatie is tussen socialisme (als een emancipatiebeweging, gericht op het realiseren van een klasseloze maatschappij) en het proces van menselijke emancipatie in het algemeen, dat wil zeggen een emancipatieproces dat zich keert tegen elke vorm van uitbuiting, onderdrukking, uitsluiting en discriminatie.
|
Naast de arbeidersbeweging en haar organisaties zijn er nieuwe sociale emancipatiebewegingen ontstaan en oude gereactiveerd. De integrale bevrijdingspretentie van het socialisme wordt dus in ieder geval niet (meer) geaccepteerd door belangrijke delen en representanten van de bewegingen die haar juist zouden moeten dragen, willen haar normatieve doelstellingen en strategieën van georganiseerd politiek handelen enige historische kracht ontwikkelen.
|
Het thema van de relatie tussen klassenspecifieke en algemeen menselijke emancipatie werd het meest direct en indringend op de politieke agenda gezet door de radicale en internationale beweging voor vrouwenbevrijding: welke relatie bestaat er tussen afschaffing van ongelijkheid tussen seksen en afschaffing van klasse-exploitatie? Kunnen socialistische en feministische perspectieven op een of andere manier worden gecombineerd of geïntegreerd?[33]
Vergelijkbare vragen werden door vertegenwoordigers van ecologische en vredesbewegingen op de politieke agenda geplaatst: is het überhaupt mogelijk of wenselijk om universele, de hele mensheid rakende ecologische en nucleaire themas te integreren in een socialistisch perspectief en politieke klassenstrategie? Gaat het hierbij niet veeleer om universele menselijke belangen die de strijd tussen kapitaal en arbeid veruit te boven gaan, omdat hierbij de overleving van de mensheid zelf op het spel staat?[33] Is het klassentheoretische perspectief niet veel te beperkt om de enorme gevaren waarmee de mensheid nu bedreigd wordt te analyseren?
1·4·3 Beyond the fragments?
Men kan met goede argumenten betwijfelen of een herstel van de utopische erfenis veel kan bijdragen aan de verduidelijking, laat staan aan de oplossing van de geschetste programmatische, strategische problemen van socialistische politiek. Ook als men hiervan geen enkel nut verwacht, kan toch niet zonder meer worden voorbijgaan aan de betekenis en ratio van dit utopisch getinte beroep op universele belangen, aan gene zijde van klasse en natie.
Het voorkomen van ecologische en thermonucleaire rampen is een voorwaarde voor het streven naar welke vorm van socialisme dan ook (en natuurlijk ook voor het behoud van elke vorm van kapitalisme). Voor elke bewoner van deze planeet staan hierbij vitale belangen op het spel, die uitgaan boven hun klassenspecifieke of nationale belangen. De voordelen van het voorkomen van ecologische en thermo-nucleaire rampen zijn dus universeel, ook al zijn de maatschappelijke krachten die bereid en in staat zijn om een voor de mensheid leefbaar milieu tot stand te brengen en een kernoorlog te voorkomen (ook klasse-)specifiek. Anders gezegd: hoewel de gevolgen van dergelijke rampen de tegenstellingen tussen klassen en naties overstijgen, lijken de oorzaken van deze dreigingen hiermee zeer nauw vervlochten te blijven.[35]
Voor bewegingen die zich tegen verschillende vormen van discriminatie en uitsluiting keren, geldt in zekere zin hetzelfde. Zij kunnen en mogen zich in hun acties beroepen op de universele rechten van de mens (ook al zijn deze proclamaties in de nationale rechtsordes nog zo zwak geïnstitutionaliseerd). Theoretisch gezien is het plausibel dat het afbreken van scherpe tegenstellingen tussen mannen en vrouwen, tussen etnisch-raciale groepen en tussen naties een voorwaarde is om een brede klassesolidariteit tot stand te brengen. Daarmee zijn dit echter nog geen klassenspecifieke themas. Men kan argumenteren dat de voordelen van vrouwenemancipatie en uitbanning van diverse apartheden universeler zijn, maar de maatschappelijke krachten die in staat zijn om deze emancipaties te realiseren zijn specifiek. De oorzaken en reproductiemechanismen van discriminatie en uitsluiting kunnen weliswaar niet worden gereduceerd tot specifiek kapitalistische klassenverhoudingen, maar zij zijn ingebed in en worden mede gevoed door de vigerende exploitatieverhoudingen. Dit hoeft gelukkig niet te betekenen dat vrouwenbevrijding of afbraak van aparheidssystemen geen kans van slagen hebben wanneer niet eerst (dit is de beroemde twee tijden-politiek) of tegelijkertijd de macht van het kapitaal gebroken wordt. In nuchtere strategische calculaties moet evenwel worden overwogen dat de kansen van deze emancipatiebewegingen uiteindelijk groter kunnen zijn als zij op de een of andere wijze worden verbonden met optreden tegen klassenspecifieke uitbuitingsmechanismen.
Klassenspecifieke en algemene emancipatiebewegingen doorkruisen en overlappen elkaar op veelvoudige wijze en kunnen zeer uiteenlopende combinaties en coalities met elkaar aangaan. Zij kunnen elkaar echter ook voor de voeten lopen als zij er niet voldoende in slagen hun perspectieven, programmas en strategieën op elkaar af te stemmen. Met een abstract appèl op de universele betekenis van ecologische, vredes-, anti-discriminatie en feministische bewegingen en met het bezingen van de lof op de verscheidenheid komt men niet veel verder. Het draagt in ieder geval weinig bij aan de ontwikkeling van aansprekende (wenkende) en omvattende perspectieven noch aan concrete, verenigende handelingsstrategieën voor emancipatiebewegingen beyond the fragments.[36]
De vraag blijft, of en zo ja in welke mate klassenanalyse een kader kan bieden om dergelijke samenbundelende perspectieven en handelingsstrategieën te formuleren, zo niet voor politieke eenheid dan wel voor politieke coöperaties en coalities tussen emancipatie-, democratiserings- en vredesbewegingen.
2. Klassenanalyse en politiek |
|---|
2·1 Klassenanalyse als voorwaarde van politiek handelen
Zonder een precieze inschatting van de krachtsverhoudingen tussen de klassen is de politiek van een socialistische beweging blind. In deze optiek is klassenanalyse dus voorwaarde voor een succesvolle politiek. Deze stelling uit het ABC van de marxistisch traditie werd sterk benadrukt door Lenin: zonder wetenschappelijke klassenanalyse geen socialistische klassenpolitiek. Het onderzoek van de sociale structuur van een maatschappij beschouwde hij daarom als een van de eerste taken: de politiek van een revolutionaire partij moet steunen op een nuchtere, strikt objectieve beoordeling van álle klassenkrachten van de betreffende staat [Lenin LW 31:49]. Anders zou zij niet in staat zijn die maatschappelijke krachten te onderkennen en te stimuleren, die in staat en bereid zijn een socialistische transformatie te realiseren.[37] Zonder kennis van de sociale klassenstructuur en van de veranderingen die zich hierin voordoen, zou zelfs geen enkele stap voorwaarts gedaan kunnen worden op geen enkel maatschappelijk terrein [Lenin LW 17:127].[38]
In de georganiseerde arbeidersbeweging werd traditioneel veel waarde gehecht aan de wetenschappelijke onderbouwing van hun politieke strategieën en programmas. Vooral in de communistische delen van de arbeidersbeweging domineerde lange tijd de opvatting dat de politiek van een partij niet alleen diende te steunen op wetenschappelijke analyses, maar dat zij hieruit rechtstreeks afgeleid zou kunnen worden.
Deze overschatting van de politieke betekenis en potentie van wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op drie dubieuze vooronderstellingen.
Het spiegelbeeld van de sciëntistische opvatting van politiek is overpolitisering van wetenschappelijke klassenanalyse. Klassenanalyse mag bedreven worden in het licht van de praktijk en van de politiek-strategische problemen van onze tijd. Zij moet echter niet instrumenteel in dienst worden gesteld van deze of gene conjuncturele lijn van praktische politiek.
Zodra klassenanalyse ondergeschikt wordt gemaakt aan een gegeven partijpolitieke koers, verliest zij haar betekenis als kritisch element, verschrompelt zij tot dogma dat een inventieve en flexibele ontwikkeling van de praktische politiek blokkeert en draagt zij bij aan regressie.[41]
Tussen de theoreticus en de organisaties van de klassen waarop zijn of haar denken is georiënteerd, bestaat altijd een zeker spanningsveld waaruit conflicten kunnen resulteren (met name wanneer het een kritische theorie en een revolutionaire organisatie betreft).[42]
Theoretische kritiek moet in ieder geval nooit alleen agressief zijn ten opzichte van bewuste apologeten van de bestaande orde, maar evenzeer ten opzichte van afleidende, conformistische of utopische tendensen in eigen gelederen [Horkheimer 1937/70:35].
Er is een onmiskenbare relatie tussen de politieke problemen waarvoor de arbeidersbeweging zich historisch gesteld zag en de verschuivingen in vraagstellingen en themas van het klassenanalytische onderzoek. De verbinding van theorie en onderzoekspraktijk met de maatschappelijke beweging waar zij zich oriënteert, is echter geen mechanisch eenrichtingsverkeer: klassentheorie is immers tot op zekere hoogte ook een onderdeel geworden van het zelfbewustzijn van een naar emancipatie van uitbuiting strevende klasse.
Sociaalwetenschappelijke klassenmodellen blijven niet helemaal zonder gevolgen voor de zelfdefinities van de betrokkenen en voor de zelfbeschrijving van maatschappijen, noch voor hun interne afgrenzingscriteria en klassificatieregels. Juist hierdoor is klassenanalyse nooit alleen resultaat en moment, maar zelf ook altijd terrein en inzet van politieke en ideologische (klassen)strijd geweest. Het is een terrein waarop klassenstrijd in theoretisch-ideologische vormen wordt uitgevochten, waar rivaliserende benaderingen en theoretische posities op elkaar botsen, én waar intellectuelen hun eigen politiek-economische en ijdelheidsbelangen trachten te realiseren.[44]
Klassenanalyse en systemen van sociale klassificatie zijn dus zelf een zeer belangrijke inzet van de ideologische strijd tussen de organisch met klassen verbonden intellectuelen; en vooral daarom vormen zij ook een van de voornaamste principes van verdeeldheid in het sociaal-wetenschappelijke veld.[45]
Klassentheorie komt dus niet alleen in strijd tot stand (door kritiek op dominante burgerlijke ideologieën), maar is zelf ook inzet van politieke strijd en intellectuele rivaliteit.[46] Sinds haar ontstaan is klassentheorie het object geweest van onverbiddelijke kritiek en furieuze aanvallen, maar ook van hardnekkige en vaak dogmatische verdedigingen. Tussen onvoorwaardelijke erkenning en even onvoorwaardelijke afwijzing van dé marxistische klassentheorie leek nauwelijks een tussenweg te zijn.[47] Discussies over verschillende klassentheorieën fungeerden daarbij vaak als academische substituten voor een werkelijk conflict over politieke oriëntaties [Lipset/Bendix 1951:150], ze volgden de logica van de partijdigheid waarin niet zozeer logische beoordelingen met elkaar worden geconfronteerd en aan criteria van consistentie worden getoetst, maar beschuldigingen en verdedigingen. Het klassenbegrip zelf figureerde daarin niet zozeer als instrument van sociaal-wetenschappelijke analyse, maar als strijdbegrip, als parool en distinctief symbool. De gedachtenloze wetenschappelijke reproductie van politieke controverses over klassemacht en -strategieën zou bestreden kunnen worden door de strijd om de klassedefinities en classificaties zelf tot sociaalwetenschappelijk onderwerp te maken: Als sociologen meer van de sociale wetenschap willen maken dan het voortzetten van de politiek met andere middelen, dan moeten zij als kenobject de neiging nemen om anderen in klassen onder te brengen om ze aldus te vertellen wie ze zijn en moeten zijn [Bourdieu 1989:159].
2·3 Aan gene zijde van de fronten
De critici van de marxistische klassentheorie opereerden in het algemeen langs twee lijnen. Enerzijds werd geprobeerd de marxistische klassentheorie onschadelijk te maken door haar te integreren, te incorporeren of van binnenuit te reviseren. Anderzijds werd het vulgaire marxisme het hof gemaakt doordat critici zich concentreerden op de meest achterlijke varianten van alledaags marxisme, die vervolgens als representatief voor het geheel werden uitgegeven.[48] Van het standaardrepertoire aan geritualiseerde kritieken, dat hieruit is voortgevloeid zou een omvangrijke, maar nogal saaie bloemlezing kunnen worden samengesteld.
|
Marxisten hebben zich op hun beurt vaak in een starre verdedigingspositie laten drijven, waarbij de klassentheorie dogmatisch werd geïmmuniseerd tegen elke aanval van buiten of revisie van binnen. Eenmaal tot theoretisch icoon verheven, kon de revolutionaire of proletarische klassentheorie krachtig worden geprofileerd ten opzichte van de burgerlijke sociologie met haar stratificatietheorieën. In deze koude ideologische oorlog reproduceerde zich het denken in rivaliserende kampen, in een mechanisch tegenover elkaar stellen van marxistische en burgerlijke wetenschap.
Zowel in de politieke strijd als in het spel van intellectuele distinctie kunnen er rivaliteiten ontstaan, die door beide partijen worden gekoesterd: door hun onderlinge tegenstellingen bakenen zij immers het terrein van legitieme argumentatie af, waardoor elke poging om onvoorziene posities in te nemen wordt uitgesloten [Bourdieu 1981:282]. Niet alleen voor het ongelijkheidsonderzoek, maar ook voor klassentheorieën geldt dat veel controverses tussen schijnbaar onverenigbare benaderingen het resultaat zijn van gebrekkige reflectie over de normatieve en politieke bindingen, zowel binnen als buiten het wetenschapssysteem. Deze grotendeels onbewuste politisering van wetenschappelijk onderzoek verhindert relationele cognitieve autonomie [Bader/Benschop 1988:11].
Het tijdperk van het denken in starre kampen en van het uitdiepen van loopgraven (tot zon diepte dat men de vermeende tegenstander nauwelijks meer in het vizier krijgt) ligt gelukkig grotendeels achter ons [Berger/Hradil 1990:4]. Het hele repertoire van ingeroeste wederzijdse vooroordelen is weliswaar niet volledig uit het sociaal-wetenschappelijke theater verbannen, maar het wordt niet meer zo prominent opgevoerd.[52]
Aan gene zijde van het kampdenken zijn nieuwe ruimtes ontstaan. Politieke ruimtes, die gebruikt kunnen worden om de eigen normatieve en politieke referentiepunten te expliciteren. Ruimtes voor intellectuele rivaliteit, die gebruikt kunnen worden om pseudo-controveres te overwinnen, om hierdoor beter zicht te krijgen op werkelijk concurrende theorieën, en om inzichten van verschillende theoretische benaderingen te integreren. Ruimtes voor relationele cognitieve autonomie, die gebruikt kunnen worden voor verdere ontwikkeling en precisering van de klassentheorie en voor vruchtbaar empirisch en historisch onderzoek.
Noten |
|---|
1 Bader/Benschop [1988:41].
2 Ik zinspeel hier op het even simpele als zinnige motto van Macpherson [1973/7:57]: We must start from the hindrances.
3 In der analysierenden wie anklagenden Sprache von Ausbeutung und Klassenkampf ist implizit immer auch ein utopisch-transzendierendes Moment enthalten. Werdern gesellschaftliche Verhältnisse als Ausbeutung charakterisiert, so ist darin stets auch als regulative Idee und als ein durch politische Praxis anzustrebendes Ziel, die Möglichkeit einer Welt ohne Ausbeutung und Klassen mitgedacht [Teschner 1989:3].
4 Het feitelijk afgesneden zijn van de georganiseerde politieke praktijk betekent op zichzelf nog niets. In een burgerlijke maatschappij lijkt het veeleer beslissend of een wetenschappelijk onderzoeker in staat is zijn/haar denkproces te betrekken op de feitelijke ontwikkelingen in de arbeidersklasse, hij/zij in de hierdoor bepaalde perspectieven denkt of schrijft, of deze relatie uit het denken heeft geschrapt of verdrongen. Praktische betrokkenheid blijkt ... uit de productiewijze van de theoreticus en niet in eerste plaats uit een lidmaatschapskaart hoewel dit ook belangrijk kan zijn [Haug 1978:501].
5 Deze discussie staat ook bekend als de Krahl-Schmierer discussie: Krahl [1969], Schmierer [1970]. Zie hierover: Bischoff e.a. [1970], Altvater/Huisken [1970], Kijne [1978: 127-56]. Het begrippenpaar productieve en onproductieve arbeid werd destijds vaak gebruikt voor de constructie van zeer scholastische indelingsschemas. De begrippen werden uit hun specifieke analytische context gerukt en instrumenteel ingezet als classificatiecriteria en strijdbegrippen.
6 Exemplarisch hiervoor is André Gorz uiteenzetting in Adieux au proletariat. Vgl. ook de kritieken van Benschop [1983], Therborn [1985], Meiksins Wood [1986].
7 De horizon van de toekomst is samengetrokken en heeft zowel de tijdgeest als de politiek diepgaand veranderd. De toekomst is negatief gekleurd; op de drempel naar de eenentwintigste eeuw tekent zich een schrikwekkend panorama af van een wereldwijde bedreiging van algemene levensbelangen: de spiraal van de wapenwedloop, de ongecontroleerde verspreiding van kernwapens, de structurele verarming van de ontwikkelingslanden, werkloosheid en groeiende sociale ongelijkheid in de westerse landen, milieuproblemen en grootschalige, met catastrofale risicos werkende technologieën vormen de trefwoorden die via de massamedia tot het openbaar bewustzijn zijn doorgedrongen. De antwoorden van de intellectuelen weerspiegelen, in niet geringere mate dan die van de politici, radeloosheid [Habermas 1985/9:33 e.v.].
8 Vgl. in plaats van velen: Kuron [1981], Mischnik [1977/81,1981,1991].
9 Voor linkse intellectuelen ging dit afscheid van de utopie vaak gepaard met een afscheid van het marxisme. Volgens Ernst Bloch is het afscheid van het marxisme (en met name van de daarin belichaamde concrete utopie) een ideologische formule is voor een afscheid van elke serieuze sociale beweging [Bloch 1974/89:79]. Zijn protest tegen het afscheid van de utopie (dat eigenlijk alleen voor slakken geschikt is omdat deze nooit een utopie hadden of zullen hebben) eindigt met de oproep: Darum nie genug konkrete Utopie [idem:82].
Aan het begin van de 21e eeuw lijkt er geen levensvatbaar alternatief voor het kapitalisme meer te bestaan. De teloorgang van de repressieve vormen van bureaucratisch collectivisme in de voormalige landen van het Sovjet-blok heeft bij velen het idee bevestigd dat socialisme in welke vorm dan ook geen serieus alternatief is voor het kapitalisme. Sterker nog: de ineenstorting van het Oost-Europese socialisme met het totalitaire gezicht heeft er veeleer toe geleid dat de legitimiteit van de kapitalistische klassenverhoudingen werd versterkt. Ook sommige kritische sociale wetenschappers hebben zich er inmiddels van laten overtuigen dat men beter kan accepteren that class relations will remain a feature of society [Scase 1992:85] en dat het daarom contraproductief is om politieke programmas te ontwerpen of te steunen waarin afschaffing van exploitatieverhoudingen wordt bepleit. Ook voor de intellectuelen is afschaffing van klassen weer een negatief gewaardeerde utopie geworden. Class and capitalism are likely to remain long-term, altmost permanent, features of industrial societies and, hence, the debate should no longer be about the abolition of social class but about other important factors [idem:88]. Voor Richard Scase ligt de toekomst besloten in de terugkeer naar de meer bescheiden idealen van het Fabianisme.
10 Dit is bijvoorbeeld zeer pregnant in het werk van Thompson [1955/76] en Williams [1980]. Zie voor een feministisch pleidooi voor een herwaardering van de Owenistische utopische traditie: Barbara Taylor [1985]. Zie voor een herwaardering van de betekenis van het utopische denken in de marxistische traditie: Jung [1985], Deppe [1985], Heubrock [1989]. Een overzicht van de stand van het utopie-onderzoek geeft Voβkamp [1985].
11 Ik sluit hier aan bij het kritische utopiebegrip van Bloch en Mannheim. Zij hebben getracht de utopie te reinigen van de bijsmaak van utopisme en rehabiliteerden de utopie als onverdacht medium voor het ontwerpen van alternatieve levensmogelijkheden, die in het historisch proces zelf in aanleg aanwezig moeten zijn [Habermas 1983/89:33]. Het politiek werkzame historische bewustzijn is altijd met een utopisch perspectief uitgerust. Bader heeft dit meer systematisch uitgewerkt in zijn pro-theorie van collectief handelen. Hij maakt een onderscheid tussen politieke talen die ongelijkheden cognitief en normatief versluieren, stabiliseren en versterken (ideologieën) en talen die ongelijkheden onthullen, aanvallen en gericht zijn op hun minimalisering (utopieën). Onder politieke ideologieën verstaan wij alle (aspecten van) politieke talen die bestaande sociale ongelijkheden stabiliseren of door nieuwe (scherpere of andere) ongelijkheden willen vervangen. Onder politieke utopieën verstaan wij alle (aspecten van) politieke talen die sociale ongelijkheden willen veranderen door ze te verkleinen of te overwinnen [Bader 1991:189]. Vgl. Bloch [1968/89:69]: Utopie unterscheidet sich von der Ideologie in dem einfachsten Sinn darin, daβ die Ideologien keinen utopischen Zuschuβ haben, daβ Ideologien Gruppen von Vorstelllungen sind, die die vorhandene Gesellschaft spiegeln und rechtfertigen. Utopien dagegen sind, oder sollen es sein und sind es meistens, Vorstellungen von Gruppen, die die bestehende Gesellschaft unterminieren und sprengen oder eine Sprengung vorbereiten mit dem Traum von einer schöneren Welt, einer besseren Gesellschaft. Vgl. ook Mannheim [1936:52, 173].
12 Anderson [1983] bepleit een open en inventief marxisme dat probeert tussen normatieve en institutionele aspecten een flexibele balans te vinden. Anarchisme en fabianisme beschouwt hij als logische consequentie van overaccentuering van een van beide polen. Unger [1987] heeft een poging gedaan een normatief sympathiek én institutioneel gespecificeerd utopisch programma te ontwerpen voor een empowered democracy.
13 If your proposals depart widely from the immediate social reality, people dismiss them as utopian. If the proposals come closer to what exits, or if they distinguish several stages of improvement, they are denounced as apologetic and uninspiring [Unger 1987 Introduction:39].
14 Het grote doel van de klassenstrijd is de emancipatie van de arbeidersklasse. De strijd voor de emancipatie van de arbeidersklasse is volgens Marx geen strijd voor klassenvoorrechten en monopolies ... maar voor gelijke rechten en plichten en voor de vernietiging van alle klassenheerschappij [Marx, MEW 17:440 Algemene statuten en het bestuursreglement van de Internationale Arbeidersassociatie]. Het ware geheim van de proletarische beweging is dus niet de gelijkmakerij van de klassen dat is logische onzin die onmogelijk gerealiseerd kan worden maar veeleer de afschaffing van de klassen [MEW 16:349].
15 Marx en vooral Engels spraken overigens vaak met groot respect over de oude utopisten. Engels beschouwde hen als eerzame voorlopers van het wetenschappelijk socialisme [in: Van utopie tot wetenschap]. Het kritisch-utopische socialisme en communisme van Saint Simon, Fourier en Owen werd in Het communistisch manifest als volgt gesitueerd: De fantastische schildering van de toekomstige maatschappij ontstaat in een tijd dat het proletariaat nog hoogst onontwikkeld is, dus zelf zijn eigen positie nog fantastisch opvat, ontstaat uit zijn eerste drang vol voorgevoel naar een algehele omvorming van de maatschappij. ... De betekenis van het kritisch-utopische socialisme en communisme staat in omgekeerde verhouding tot de historische ontwikkeling. Naarmate de klassenstrijd zich ontwikkelt en vormt, verliest dit fantastische daarboven verheven zijn, deze fantastische bestrijding daarvan, alle praktische waarde, iedere theoretische grond [Marx, Manifest:77]. Vgl. verder: Schröder [1975].
16 Marx beschouwde de conflictuele toespitsing van de tegenstellingen in het kapitalisme als de belangrijkste voorwaarde voor het ontstaan van een klasseloze maatschappij. Daarom noemde hij volgens Bloch [1974:724] zijn theoretische hoofdwerk Het Kapitaal en niet oproep voor het socialisme. Marx principiële weigering om een concreet toekomstbeeld te schetsen, komt pregnant tot uiting in zijn briefwisseling met Domela Nieuwenhuis. Deze had die aan Marx de vraag had voorgelegd, wat er in Nederland zou moeten gebeuren als hier de revolutie zou uitbreken. Marx antwoordt dat hij deze vraag niet kan beantwoorden omdat het Nederland nog zeer ver van de revolutie is verwijderd. Wat men op een bepaald moment in de verre toekomst zal moeten doen, zal op dat moment zelf uitgemaakt moeten worden. Het kan niet worden geanticipeerd omdat het nog verborgen ligt in het nevelland van de toekomst. Kortom: we kunnen van de toekomst nooit meer weten dan datgene wat zich in het heden als mogelijke toekomst aftekent. De rest is pure speculatie [MEW 35:159-60 22 febr. 1881]
17 Bij de voorwaarden wordt met name de materiële basis benadrukt: De organisatie van de revolutionaire elementen als klasse veronderstelt het kant-en-klare bestaan van alle productiekrachten, die zich überhaupt in de schoot van de oude maatschappij konden ontplooien [Marx, MEW 4:181 Elend der Philosophie]. Zowel de overwinning van de oude arbeidsdeling als een drastische verkorting van de arbeidsdag (rijk der noodzakelijkheid) veronderstellen in deze visie een bepaald ontwikkelingsniveau van de technische, kwalificatorische en coöperatieve productiekrachten.
18 Peter Ludes geeft een uitgebreid en statistisch gepreciseerd overzicht van alle passages waarin Marx zich op de een of andere manier uitlaat over communisme als klasseloze maatschappij [Ludes 1979:229-35]. Uit dit overzicht blijkt dat Marx inderdaad vaker verwijst naar directe voorwaarden (210-215 keer) en belemmeringen (meer dan 50 maal), dan naar kenmerken van een klasseloze maatschappij (ongeveer 150 maal).
19 Dit impliceerde niet alleen een miskenning en onderschatting van de politieke kracht van utopieën, maar ook een analytische blinde vlek ten aanzien van grondslagen en werking van utopische bewustzijnsvormen. Hiermee zijn natuurlijk lang niet alle mogelijke consequenties van deze rigoureuze afwijzing van het utopische denken geschetst. Deze worden uitvoeriger behandeld in hft. XV.
20 Zie ook hiervoor verder hft. XV.
21 In het post-klassieke Westerse marxisme zijn filosofische pogingen gedaan een aantal utopische themas te herwaarderen. De vertegenwoordigers van de Frankfurter Schule en daarmee verwante auteurs als Marcuse en Bloch hebben de utopie als uiting van onvrede serieus genomen en formuleerden versies van een moreel-esthetisch utopia (bij Adorno vindt men meer zijdelingse elementen). Deze projecties waren speculatief getint en niet verbonden met specifieke sociaal-politieke bewegingen. Aan de actualisering van een tastbare, althans herkenbare socialistische toekomst hebben deze filosofische tractaten weinig bijgedragen. Dat geldt tot nu toe ook voor Habermas theorie van communicatief handelen. Roberto Ungers programma voor social reconstruction en emancipation from false necessity onderscheidt zich hiervan op verfrissende wijze: niet alleen door de manier waarop hij zijn kritiek op the institutional and imaginative structure of society verbindt met programmatische alternatieven, niet alleen door de combinatie van normatieve en institutionele aspecten, maar vooral ook door zijn duidelijke referenties aan activiteiten that enables people to fight back, individually or collectivily, against the established settings of their lives to resist these settings and even to remake them [Unger 1987 Introduction:11. Vgl. p. 29].
22 Een aantal van deze discussiepunten worden besproken door: Poulantzas [1978], Cottrell [1984:99], Anders/Benschop [1980 Komma 1], Anderson [1983:99 e.v.], Unger [1987].
23 Bijv.: staatseigendom van financiële instellingen en van industrieën waarin basale productiegoederen worden geproduceerd; zelfbestuurde gesocialiseerde ondernemingen op lokale schaal; coöperatieven die onder bepaalde randvoorwaarden hun eigendommen controleren; kleine particuliere ondernemingen met een vastgelegd kapitaalplafond; een groot aandeel van gekwalificeerd zelf-management. In principe kunnen alle eigendomsvormen worden gebruikt wanneer de kredietverlening onder democratische controle staat en de controlerechten van producenten/dienstverleners worden gegarandeerd.
24 Een aantal van deze problemen worden o.a. geanalyseerd door: Brus [1975,1979], Nove [1983], Kornai [1980,1982], Brus/Laski [1989]. Een stimulerende poging tot reconstructie van een onorthodox programma voor radicale democratisering van de economie is gedaan door Unger [1987:480-508].
25 Met behulp van een klassenanalyse zijn revolutionaire partijen beter in staat om de maatschappelijke krachten en drijfkrachten te onderkennen en te bevorderen, die historisch geroepen en subjectief bereid en in staat zijn het nieuwe door te zetten en de toekomst te bepalen [Lenin LW 21:132]. Vgl. ook: Meiksins Wood [1984:106; 1986:14 e.v.], Wright/Levine/Sober [1992:29 e.v., 39 e.v.], Jungnickel [1993]. Zie voor een historisch-filosofische visie op het socialisme concept van Marx: Goldschmidt [1994].
26 Kautsky, de belangrijkste theoreticus van de Tweede Internationale, reageerde op de lassalleaanse stelling met een retorische vraag: wanneer alle andere klassen slechts een reactionaire massa zouden zijn, waarom zouden we dan nog de verschillen tussen de diverse klassen bestuderen? [Kautsky 1896/7:595].
27 Vgl. Bischoff e.a. [1976,1982], Poulantzas [1976], Wright [1985,1989].
28 In 1985 constateerde Therborn dat de arbeidersbeweging en socialistisch links feitelijk overal ideologisch in de verdediging zitten. Aan de hand van gegevens over mobilisatie en organisatie demonstreert hij dat rond 1983 de tweede historische groeiperiode van de arbeidersbeweging omslaat in een teruggang. Geen enkele van de linkse projecten van de jaren zestig en zeventig werd voltooid [Therborn 1985:154].
29 Het topische gebrek aan strategische planning wordt vergezeld door een geografisch deficiet: de ineenstorting van het zelfvertrouwen en van de linkse, socialistisch-communistische moraal binnen de zone van de latijnse cultuur (met name in Frankrijk en Italië), waar het westerse marxisme het sterkst was in de periode na de tweede wereldoorlog [Anderson 1983:23].
30 Ik gebruik hier bewust de uitdrukking niet direct of eenduidig. Er zijn immers ook auteurs die juist proberen de nieuwe sociale bewegingen te interpreteren als politiek-culturele uitdrukking van het ontstaan van een nieuwe klasse. Volgens deze theorie is er inmiddels een nieuwe klasse van knowledge workers ontstaan, die strijdt voor macht en status tegen een nog steeds dominante oude klasse van kapitalisten en managers/ technocraten [Gouldner 1979; Brint 1984; McAdam 1987; Za;d 1987]. Hans-Peter Kriesi [1989: 1078] heeft een poging gedaan om vanuit een bepaalde variant van deze new classtheorie de empirische gegevens te interpreteren over klassekenmerken en mobilisatiepotentieel van nieuwe sociale bewegingen in Nederland. Hij vertrekt vanuit Wrights klassenconstructie, waarin de nieuwe middenklasse wordt gedefinieerd als de klasse die enige mate van effectieve controle heeft over organisationele of kwalificatorische bronnen. Binnen deze nieuwe middenklasse maakt hij enerzijds een onderscheid tussen degenen die over organisationele bronnen beschikken (managers) en zij die dat niet doen (professional rank and file). Anderzijds maakt hij een onderscheid tussen vijf beroepssegmenten: sociaal-culturele specialisten (inclusief semiprofessionals en professionals in medische diensten, onderwijs, maatschappelijke dienstverlening, journalistiek en kunst), administratief en commercieel personeel (zowel in particuliere als in overheidsorganisaties), technische specialisten, ambachtelijke specialisten (hooggekwalificeerde ambachtslieden, technisch getrainde handarbeiders), beschermende diensten (politieagenten, brandweermannen, beroepsmilitairen). Zijn stelling is dat de nieuwe klasse gevormd wordt door de specialisten en dat de tegenstelling tussen technocraten en specialisten de structurele basis is voor de formatie van deze nieuwe klasse. In het empirisch deel onderzoekt hij de klassensamenstelling en het mobilisatiepotentieel van vijf nieuwe sociale bewegingen (vredesbeweging, anti-kernenergie beweging, ecologiebeweging, vrouwenbeweging en kraakbeweging).
31 ...voorzover er hier en daar in linkse kring nog sprake is van een positieve kijk op de toekomst, is die bijna zonder mankeren verbonden met de schimmige nieuwe sociale bewegingen, nieuwe politieke subjecten, of nieuwe subjectiviteit. Het is niet helemaal onterecht om te zeggen dat die nieuwheid daarvan eerder berust op de waarneming van oude dingen dan van het naar voren komen van nieuwe dragers van maatschappelijke verandering [Therborn 1985:135]. Aan het begin van de jaren negentig blijkt het voor sociale wetenschappers nog steeds moeilijk om het nieuwe van de nieuwe sociale bewegingen op een eenduidige wijze te formuleren. Zie voor een kritische bespreking van deze discussie: Bader [1992].
32 Vgl. voor deze en aanverwante vragen: Benschop [1983], Weyers [1986:13], Bader/Benschop [1988:27 e.v.], Bader [1991:252,464-5].
33 Deze algemene vraag zou natuurlijk ook geconcretiseerd moeten worden voor de specifieke onderdelen van deze bewegingen. Dé socialistisch beweging is een even grote abstractie als dé vrouwenbeweging. Net als de socialistische beweging heeft ook de vrouwenbeweging veeleer een paraplu-karakter, het is een soort brede kerk waarin verschillende feministische stromingen een thuis vinden. Ook de moderne vrouwenbeweging heeft de fase van het naïeve geloof in de gemeenschappelijkheid van vrouwenbelangen en -ervaringen achter zich gelaten. De vrouwenbeweging is in werkelijkheid sterk gefragmenteerd, maar het feminisme overleeft als denkwijze en als inspiratiebron voor zowel vrouwen als mannen. De politieke kracht van de vrouwenbeweging is beperkt, voor zover zij er niet in geslaagd is zich als nationale beweging te organiseren. Zie voor een schets van de vrouwenbeweging in Nederland: Van Rossum [1992].
34 Vgl. de oproepen voor een herstel van de utopische erfenis door Edward Thompson [1982:1-34 en 329-49] en Rudolf Bahro [1977].
35 Diverse onderzoekers hebben erop gewezen dat de zgn. postmaterialistische doelen van de nieuwe middenklassen vaak een universalistisch karakter hebben, waarvan de realisatie niet aan een specifieke groep of klasse ten goede komt. Kriesi [1986] heeft ervoor gepleit dit universalisme als een onderscheidend element van nieuwe sociale bewegingen te behandelen. Volgens Koopmans/Duyvendak [1992:18] zou dit echter leiden tot het verwaarlozen van de meer identiteitsgerichte bewegingen waarin het eigen belang juist een belangrijke rol speelt.
36 Vanuit socialistisch-feministische optiek gaan Rowbotham/Segal/Wainwright [1980] in op de vraag: waarom zouden we de fragmenten bijeen willen brengen? Bredere politieke organisaties zouden immers de kracht van autonome bewegingen kunnen verzwakken, en iedere bewegingen zou ook kunnen proberen zijn eigen kracht direct aan te wenden. Daar zou best iets van een logica inzitten als alle vormen van ongelijkheid en de oorsprongen van uitbuiting en onderdrukking waartegen de vrouwenbeweging, de vakbeweging, zwartenbeweging enz. zich keren, los van elkaar zouden staan, geen relaties met elkaar zouden hebben. Als arbeiders alleen maar de bazen tegenover zich zouden hebben, vrouwen alleen de arbeidsdeling op grond van sekse en de seksistische cultuur, zwarten alleen racisme en discriminatie, zonder dat er een duidelijk verband zou bestaan tussen die vormen van onderdrukking, en als er geen staatsmacht was die de betrokken instituties met elkaar verbindt en controleert, dan zouden sterke, onafhankelijke bewegingen voldoende zijn. Maar juist de verbindingen tussen die bronnen van onderdrukking, zowel in de staat als in de organisatie van de productie en van de cultuur, maken zulke deeloplossingen onmogelijk[idem:13]. Het probleem is dus de constructie van een gezamenlijk programma É voor politieke en maatschappelijke veranderingen dat tegemoet komt aan de verlangens van alle onderdrukte groepen en dat verdedigd moet worden in iedere groep afzonderlijk. Dat vereist enerzijds een strategie die gebaseerd is op de ideeën en ervaringen van iedere beweging afzonderlijk en die lering trekt uit de lessen van de strijd in het verleden en uit internationale ervaringen. Anderzijds vereist het het behoud van de autonomie van elke beweging en van de greep op de eigen organisatie [idem:14/5].
In haar nawoord bij de Nederlandse uitgave heeft Saskia Grotenhuis een aantal kritiekpunten geformuleerd op dit boek. Zij plaatst terecht vraagtekens bij de fundamentele vooronderstelling van het boek, namelijk dat er een vanzelfsprekende noodzakelijkheid bestaat voor het leggen van een relatie tussen feminisme en socialisme [idem:219]. En zij stelt ook een vraagteken bij de kern van het integrale socialisme, namelijk dat de socialistische strijd alle terreinen van het maatschappelijk leven zou moeten omvatten [idem:220]. De grote zwakte van het boek van Rowbotham c.s. is inderdaad dat de auteurs geen inhoudelijke verheldering geven van de relatie tussen feminisme en socialisme. De begripsmatige choreografie van hun uiteenzetting maakt dit mijns inziens ook onmogelijk: alle vormen van asymmetrische machtsverhoudingen (uitbuiting, onderdrukking, selectieve associatie, uitsluiting, discriminatie) worden zonder meer in het paraplubegrip onderdrukking gevat.
Enerzijds meent Grotenhuis dat de meest logische consequentie van de kritiek op het democratisch centralisme is, dat men dat idee van de totaalstrategie loslaat. Anderzijds vraagt zij zich ook af of je daarmee niet op volstrekt irreële strategieën uitkomt: dat iedereen zijn/haar eigen specifieke gevechtje levert in de marge die er voor je wordt overgelaten [idem:220]. Zij gaat echter niet in op de ook door Rowbotham c.s. aangestipte argumenten voor de noodzaak/wenselijkheid van politieke synthese. En daarom blijft zij heen en weer pendelen tussen een totaalstrategie uit de traditie van het integrale socialisme en een ongecoördineerde, gefragmenteerde veelvoud van guerillatactieken.
37 Vgl. Lenin [LW 21:132].
38 Lenins opvattingen en praktijken met betrekking tot de relatie tussen klassenanalyse en politieke strategie worden o.a. besproken door Harmsen [1970:70 e.v.], PKA [1972b:51-134 en 161-230], Rabehl [1973], Liebmann [1973], Dutschke [1974].
39 Politiek is en blijft een combinatie van wetenschap en kunst. Vgl. Gramsci [1971].
40 Vgl. Benschop [1984].
41 In het werk van Lenin vindt men nog duidelijke waarschuwingen tegen overpolitisering van de klassenanalyse. Kenmerkend voor de stalinistische klassenstrategie is haar specifieke combinatie van een sciëntistisch-objectivisme (hectarenfetisjisme) en een overgepolitiseerd subjectivisme (leidersvoluntarisme). Zie hiervoor de studies van Werner Hofmann [1967:78], Henri Lefebvre [1965:89 ev, pp. 116-22] en Arnold Koper [1984].
42 Dit betekent echter niet dat de relatie tussen wetenschap en (revolutionaire) politiek per definitie alleen maar antithetisch is, zoals bijvoorbeeld Wright [1989:69] suggereerde. Ik kom hierop in het laatste hoofdstuk nog terug.
43 Net zoals in klassentheorieën noties van vroeg-burgerlijke historici en economen de levens- en conflictervaringen van de opkomende bourgeoisie tot uitdrukking werden gebracht.
44 Dit laatste, en zeker niet het minst doorslaggevende, aspect van intellectuele rivaliteit staat centraal in het scherpzinnige en vermakelijke wetenschapssociologische opstel van Bourdieu [1976/89:179-212]. Hij analyseert het wetenschappelijke veld als een systeem van objectieve relaties tussen posities die bereikt zijn in eerdere conflicten, en waarin een (ongelijke) concurrentiestrijd plaatsvindt om de verwerving van wetenschappelijk gezag prestige, erkenning, faam. Zie ook Pels [1987:201-20] en de kritiek van Bader [1988]. Dick Pels sluit aan bij de vroege opvattingen van Mannheim [1928/52] die de constitutieve betekenis van intellectuele concurrentie voor processen van kennisvorming benadrukt. Pels vat hem als volgt samen: Men kan niet zover gaan te stellen dat culturele scheppingen niets anders zijn dan bijproducten van het sociale concurrentieproces; maar wel dat hun vorm en inhoud er in belangrijke mate mede door wordt bepaald. Theoretische conflicten zijn niet zonder meer weerspiegelingen van sociale conflicten, maar het is wel zo dat denkinhouden voor een belangrijk deel in termen van hun existentiële determinatie kunnen worden verklaard. Effecten van rivaliteit dringen diep door in de structuur en betekenisinhoud van tradities, en van afzonderlijke theorieën en begrippen; hetgeen tegelijkertijd inhoudt dat gezichtspunten en perspectieven zijn onderworpen aan ... existentiële rivaliteit. Cultuurproductie houdt nu eenmaal in dat verschillende groepen van producenten rivaliseren om eenzelfde doel: het bezit van de juiste maatschappelijke diagnose, of althans het prestige dat het bezit hiervan voor de bezitters meebrengt. Uit sociaalwetenschappelijk oogpunt bezien is elke vorm van historische, ideologische of sociologische kennis ... onmiskenbaar geworteld in en wordt gedragen door de zucht naar macht en erkenning van bepaalde sociale groepen die hun interpretatie van de wereld tot de officiële willen maken (Mannheim). De openbare interpretatie van de werkelijkheid is telkens inzet van strijd: een strijd die niet zozeer wordt gericht door de zuivere contemplatieve dorst naar kennis maar eerder door vitale functies en machtsmotieven. Interpretaties van de wereld corresponderen in hoge mate met de specifieke posities die de verschillende groepen innemen in hun strijd om de macht [Pels 1987:202-3].
Bij Althusser [1974] ontbreekt dit kennissociologische inzicht volledig. Als men zijn opstel over De voorwaarden voor de wetenschappelijke ontdekking van Marx toespitst op de klassentheorie, dan opereert hij met drie stellingen: (1) Klassentheorie werd ontwikkeld binnen de ideologische praktijken van de arbeidersbeweging en is nooit definitief buiten het veld van de ideologie geïnstalleerd. (2) Klassentheorie komt in strijd tot stand, door kritiek op dominante burgerlijke ideologieën. (3) Klassenanalyse is een permanente, collectieve, intellectuele en politieke taak van de arbeidersbeweging, in het bijzonder van de met de arbeidersbeweging verbonden intellectuelen. De specifieke invloed van de kennispolitiek van de intellectuelen die in meer of mindere mate met (delen van) de arbeidersbeweging (of juist met andere bewegingen) verbonden zijn, blijft bij Althusser buiten beschouwing.
45 Zie voor het eerste Bourdieu/Boltanski [1975], zie voor het tweede Bourdieu [1973 - Classes et classement; 1989:204 e.v.].
46 Klasse is een begrip dat zich in de strijd en in de ontwikkeling vormt [Lenin, LW 30:505]. Vgl. Herrnstadt [1965], Calvert [1982:209 e.v.], Luhmann [1985:124 e.v.].
47 Vgl. Dahrendorf [1953:286], Herrnstadt [1965:5], Bourdieu [1979:543-64].
48 Vgl. het kritisch commentaar van Bentham v.d. Berg [De Gids 4/5, 1977:273].
49 Vgl. ook Geiger [1939:17;1955a:196].
50 Dit type kwalificaties komt men ook na het officiële einde van de koude oorlog nog tegen. Zelfs Schuyt schrijft anno 1991: Marx stelde dat maatschappelijke ongelijkheid eendimensionaal is en dat alle verdelingen van schaarse goederen zijn te beschouwen als afhankelijke correlaten van de positie in de klassenstructuur [Schuyt 1991:39]. Marx concentreerde zijn analyses weliswaar op klassematige ongelijkheidsverhoudingen, maar keerde zich regelmatig en furieus tegen de opvatting dat alle sociale ongelijkheden als vormen van klassenongelijkheid geïnterpreteerd kunnen worden en tegen de daarmee corresponderende visie dat met de afschaffing van de klassenverschillen automatisch alle sociale en politieke ongelijkheden zouden verdwijnen. De tamelijk nuchtere stelling van Marx was dat met de afschaffing van de klassenverschillen vanzelf alle daaruit voortkomende sociale en politieke ongelijkheid verdwijnt [Marx Gotha:31]. Deze stelling bevat geen klassereductionisme. Er wordt immers niet beweerd dat met de afschaffing van de klassenverschillen álle sociale en politieke ongelijkheden zullen verdwijnen, maar slechts de ongelijkheden die door deze klassenverschillen zelf worden gegenereerd. Men zou wel vraagtekens moeten stellen bij het woordje vanzelf, voor zover daarmee een (al te simpel) automatisme wordt gesuggereerd.
51 Of nog simpeler: Voor het Marxisme was de drijvende kracht de productie-techniek [Van Heek 1973:264]. Zie ook: Van Doorn/Lammers [1969:203] maar niet meer in de herziene druk van 1976.
52 Frank Parkin is een van die verlate mohikanen die in zijn frontale bourgois critique op de marxistische klassentheorie nog een poging doet het kampdenken nieuw leven in te blazen. Marx(isme) en Weber(ianisme) worden hier opnieuw uiterlijk tegenover elkaar gesteld. Maar ook Parkin moet erkennen dat het door de verscheidenheid van interpretaties moeilijker geworden is om over de marxistische klassentheorie te spreken en dat het simpele contrast tussen marxistische en burgerlijke sociologie aan het vervagen is [Parkin 1979:23]. Zodra echter één marxistisch gekleurd auteur het waagt de rol van gezag bij het afbakenen van de klassegrenzen te behandelen, wordt hij in dit geval moet Carchedi het ontgelden door de kamprechter onmiddellijk op de vingers getikt. Zon benadering is namelijk per Parkin-definitie een stilzwijgende erkenning van een embarrassing affinity with Dahrendorfs position, waardoor ze niet meer te onderscheiden is van the approach of modern bourgeois social theory [idem, p. 24]. De etiketten die op auteurs en benaderingen worden geplakt, moeten telkens geloofwaardig worden gemaakt: als marxisten niet dogmatisch, ongeïnformeerd of dom zijn, dan zijn het in Parkins redenatie halve weberianen die met een been in de bourgeois sociology staan. Inside every neo-Marxist there seems to be a Weberian struggling to get out [idem, p. 25]. Vgl. hiertegenover zeer nuchter: Wright [1989:318 e.v.].
  |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]()
dr. Albert Benschop |