Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 1 Inleidende schermutselingen

II. Klassenanalyse als politiek probleem

  1. Politieke en normatieve referentiepunten
    1.1 Kennisbelangen
    1.2 Perspectief van een klasseloze maatschappij 1.3 Revolutionair subject
    1.4 Politieke strategie
  2. Klassenanalyse en politiek
    2.1 Klassenanalyse als voorwaarde van politiek handelen?
    2.2 Klassenanalyse als inzet van strijd
    2.3 Aan gene zijde van de fronten
Literatuur
© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Politieke en normatieve referentiepunten

1·1 Kennisbelangen
Men kan om meerdere redenen geïnteresseerd zijn in de klassenproblematiek. Klassen zijn in het algemeen van belang in het perspectief van hun ontstaan, reproductie en transformatie door collectief klassenhandelen. In dit perspectief gaat het om de analyse van de verschillende klassen en klassenfracties in diverse maatschappijformaties en historische tijdperken, de voorwaarden en vormen van klassenstrijd, en de mechanismen van klassenformatie en van het ontstaan van handelingscollectieven op klassenbasis (klasse-organisatie).

Men kan echter om heel verschillende normatieve redenen geïnteresseerd zijn in de ontstaans- en ontwikkelingsvoorwaarden van handelingscollectieven op klassenbasis en in de reproducerende of transformerende effecten die zij op klassenstructuren uitoefenen [Bader/Benschop 1988:41].

  1. Men kan ‘functionele maatschappelijke vereisten’ aanvoeren als bewijs voor het universele, tijdloze, zo niet natuurnoodzakelijke dan toch wel maatschappij-constituerende karakter van klassendelingen. Men kan zich zelfs beroepen op het altijd en eeuwige verschil in ‘functionele importantie’ van maatschappelijke posities om de lof te zingen op zegeningen die ons ten beurt vallen wanneer wij door klassenspecifieke allocatiemechanismen uiteindelijk toch allen terecht komen in de positie die wij verdienen. Deze optiek is dominant in de functionalistische traditie die aansluit bij Davis/Moore.

  2. Men kan klassenconflicten benaderen als een noodzakelijke voorwaarde voor de gewenste maatschappelijke dynamiek en als een medicijn tegen de verstarrende gevolgen van sociale nivellering. Deze optiek is dominant in de liberale conflictsociologische traditie in aansluiting bij Dahrendorf.

  3. Men kan klassen benaderen als een —weliswaar nooit helemaal oorzakelijk te elimineren, maar in zijn effecten wel sociaal te beteugelen— factor die verantwoordelijk is voor de ongelijke verdeling van ‘kennis, macht en inkomen’. Deze optiek domineert in de moderne sociaaldemocratische traditie.

  4. Tenslotte kan men zowel de klassenstructuren zelf als de programma’s en praktijken van handelingscollectieven die zich op deze basis organiseren beoordelen vanuit de normatieve doelstellingen van een libertair, democratisch socialisme of communisme. Deze optiek speelt een belangrijke rol in de marxistische traditie, ook al is zij daarin net zo min dominant als in de traditie van de oude sociaaldemocratie en in de links-socialistische en communistische bewegingen.

In deze studie wordt aangesloten bij het laatst genoemde perspectief: klassematig gestructureerde sociale ongelijkheden worden gethematiseerd in het perspectief van de mogelijke overwinning van klassentegenstellingen door collectief politiek handelen.

Het normatieve uitgangspunt —dat hier verder niet uitvoerig behandeld zal worden— kan als volgt worden samengevat: alle individuen dienen over gelijke vrijheden te beschikken om hun telkens verschillende menselijke vermogens of capaciteiten optimaal te kunnen ontwikkelen, zonder dat hieruit privileges ontstaan.

Een van de meest fundamentele barrières die de realisering van deze gelijke vrijheden van alle individuen blokkeren, is het feitelijke bestaan en de effectiviteit van exploitatieve klassenverhoudingen. Klassenverhoudingen worden in dit perspectief behandeld als een historisch vergankelijk en te overwinnen maatschappelijk verschijnsel. Het gaat om de opheffing van de klassenspecifieke belemmeringen die de gelijke vrijheden van alle individuen in de weg staan om hun individueel verschillende vermogens optimaal te kunnen ontplooien en/of te gebruiken.

Het politieke referentiepunt zijn de maatschappelijke emancipatiebewegingen en in het bijzonder de arbeidersbeweging die zich richten op de afschaffing van de (voorwaarden van) klassenongelijkheden.

Normatieve afbakeningen
Ik heb mijn normatieve uitgangspunt hier zeer algemeen geformuleerd. Om dit uitgangspunt duidelijker te profileren zal ik dit kort afbakenen ten opzichte van rivaliserende normatieve opties.

Egalitarisme of ‘ruwe gelijkmakerij’ in de socialistische traditie
Het in de socialistische traditie centrale normatieve principe van ‘sociale gelijkheid’ werd vaak niet duidelijk genoeg afgebakend van of verwisseld met een egalitaire nivellering in de zin van een streven naar een toestand waarin alle maatschappelijke bronnen en alle beloningen gelijk verdeeld zouden zijn.

Tegenover dit —in anti-socialistische propaganda gestileerde— afschrikwekkende beeld van een ‘gelijkgeschakelde maatschappij’ wordt hier juist een gelijkheidsbeginsel benadrukt waarin het gaat om het slechten van maatschappelijke barrières waardoor een werkelijke individualisering aan gene zijde van klassedwang mogelijk wordt. Ik zinspeel hier op het even simpele als zinnige motto van Macpherson [1973/7:57]: “We must start from the hindrances”.

Het gaat er dus enerzijds om gelijke kansen tot stand te brengen om verschillende vermogens van individuen optimaal te kunnen ontwikkelen (dus zover mogelijk, zonder afbreuk te doen aan gelijke rechten en gelijke kansen van anderen). Anderzijds gaat het om de realisering van distributieve rechtvaardigheid in de zin van een beloningsstructuur die zich primair oriënteert op de individueel en collectief gedifferentieerde behoeften.

Meritocratisme of principe van kansengelijkheid in de liberale traditie
In de liberale traditie stond en staat het meritocratische verdelingsprincipe centraal. Volgens het prestatieprincipe dient iedereen naar individuele prestaties te worden beloond; daarbij wordt ‘gelijkheid van sociale, juridische en politieke toegangskansen’ verondersteld. Indien consequent aan dit principe wordt vastgehouden, is dit niet alleen onverenigbaar met familiale erfelijke overdracht van beschikkingsmacht, maar ook met exploitatieverhoudingen.

In de liberale traditie werd en wordt dit uitgangspunt echter vaak zodanig ‘aangepast’, dat het wel verenigbaar is met burgerlijke eigendoms- en klassenverhoudingen en de hierin verankerde kansenongelijkheid in kapitalistische maatschappijen. Het normatieve uitgangspunt dat hier geformuleerd wordt, verzet zich tegen een dergelijke ‘burgerlijke halvering’ van het meritocratische principe en neemt de eis van de feitelijke (dus niet alleen juridische) gelijkheid van kansen normatief en programmatisch serieus [Bader/Benschop 1988:41-4].

Tenslotte nog een kanttekening bij de heersende prestatie-ideologie. De meritocratische ideologie geldt als maatstaf en garantie van de legitimiteit van sociale ongelijkheden in de moderne burgerlijke maatschappijen. Deze ideologie is samengesteld uit twee op elkaar betrokken principes: (1) het prestatieprincipe en (2) het principe van de kansengelijkheid.

De logica van het meritocratische rechtvaardigheidsmodel is, dat de ongelijke verdeling van beloningen gelegitimeerd wordt door

  • een verwijzing naar verschillen in de prestatievereisten van de verschillende posities en
  • het postulaat van de rechtvaardige —immers universalistische criteria volgende— regeling van de toegang tot ongelijke status.

Binnen dit normatieve kader wordt de mate van beloningsverschillen niet gelegitimeerd. De meritocratische ideologie leeft van de pretentie dat met de postulaten van kansengelijkheid en prestatierechtvaardigheid het hele complex van sociale ongelijkheden kan worden gerechtvaardigd. De sterk verspreide (gematigde) egalitaire houding stelt op normatief vlak grenzen aan de geldigheid van meritocratische principes. Het legitimiteitstekort heeft in eerste instantie betrekking op de mate van beloningsongelijkheid.

Volgens Max Horkheimer is het enige wat de kritische theoreticus interesseert, “het bevorderen van een ontwikkeling die moet leiden tot een maatschappij zonder uitbuiting” [Horkheimer 1937:274; vgl. 1970]. Het bij Marx aansluitende programma van klassenanalyse is niet affirmatief, maar stelt de bestaande klassenverhoudingen radicaal ter discussie. In deze onderzoekstraditie is klassenanalyse nooit ‘onpartijdig’, als onschuldige academische activiteit bedreven: de historische mogelijkheid en normatieve wenselijkheid van een maatschappij zonder uitbuiting en klassen wordt principieel meegedacht.

Daarbij werd altijd grote nadruk gelegd op de verbinding van het theoretische werk met het politieke streven naar een toestand zonder uitbuiting en klassenheerschappij, dat wil zeggen met een politiek project van transformatie van maatschappelijke verhoudingen in de richting van een socialisme/communisme. Maar daarbij liepen en lopen de meningen niet alleen uiteen over de aard en de mate van de verbinding tussen theorievorming en het praktisch politieke streven naar socialisme/communisme, maar ook over de aard van het socialistische project zelf en over de definities van ‘socialisme’ respectievelijk ‘communisme’.

In de marxistische traditie werd de klassentheorie ingezet om een ‘asymptotische eenheid’ met een populaire of volksbeweging tot stand te brengen, gericht op transformatie van de heersende machtsverhoudingen. In deze optiek is klassenanalyse niet zozeer een beschrijving en verklaring van de maatschappelijke structuur, en ook niet alleen kritiek op de heersende opvattingen en verhoudingen, maar een aanleiding tot en leidraad voor praktisch politiek handelen [Van Dijk 1984:145,352].

De maatschappelijke relevantie en politieke implicatie van klassenanalyse werd meestal aan drie functies gedemonstreerd. Wetenschappelijk onderzoek van klassenverhoudingen zou het mogelijk moeten maken uitspraken te doen over:

Uit de volgende paragrafen zal blijken dat het hierbij minder gaat om feitelijk gerealiseerde functies dan om —nogal pretentieuze— politieke claims. Op alle drie de punten wordt klassenanalyse ook in socialistische kringen steeds meer als een politiek probleem ervaren.

In de discussies die in links-socialistische kringen vanaf eind jaren zestig tot eind jaren zeventig over het klassenvraagstuk werden gevoerd, kwamen deze problemen nog niet erg scherp aan de orde. De renaissance van de klassentheorie richtte zich in eerste instantie tegen de miskenning en ideologische verdringing van klassentegenstellingen in burgerlijke maatschappijen. Deze kritiek werd gestimuleerd door onvrede met de traditioneel liberale en conservatieve verklaringen van sociale ongelijkheden, en in het bijzonder met de functionalistische en consensustheoretische sociologieën. Daarbij werden tevens scherpe theoretische en empirische kritieken geformuleerd op vereenvoudigde opvattingen van de ‘tegenstelling tussen loonarbeid en kapitaal’. Door een nauwkeuriger receptie en interpretatie van de kritiek van de politieke economie van Marx werd het mogelijk een meer gedifferentieerde analyse te geven van de klassenstructuren van het moderne kapitalisme.

Toch leek klassenanalyse soms een louter theoretische aangelegenheid van Marx-specialisten die debatteerden over vaak zeer abstracte analytische en methodologische strategieën waarmee klassenstructuren het beste ontrafeld konden worden. Een ook in Nederland bekend voorbeeld hiervan is de langdurige controverse over de betekenis van ’productieve en onproductieve arbeid’ als categorieën van klassenanalyse.

Hoewel de basisbegrippen waarmee klassenverhoudingen werden benaderd sterk uiteenliepen, leek er toch een grote mate van overeenstemming over de politieke idee dat de historische rol van het revolutionaire subject toekwam aan de arbeidersklasse.

Na de sterk theoretisch-methodische discussie in de jaren zeventig werd de klassenanalyse in de jaren tachtig meer als actueel politiek probleem besproken. Opnieuw laaiden discussies op over het socialistische perspectief en over de feitelijke dan wel potentiële dragers van sociale emancipatie en de actoren van de politieke strategie.

Nieuwe protestpotentiëlen die zich manifesteerden in democratische, feministische, ecologische en vredesbewegingen leken de arbeidersklasse als maatschappijveranderende kracht te verdringen. De oude randgroepentheorie werd vervangen door een lof op de ‘nieuwe sociale bewegingen’ en er werden voorbereidingen getroffen om het ‘afscheid van het proletariaat’ te vieren.

Daarbij werd in de regel voorbij gegaan aan de klassespecieke kenmerken van het utopisch programma en de politieke strategie, en aan de sociale basis van de ‘movimento’. De vraag naar de rol en betekenis van klassenkrachten in politieke emancipatiebewegingen werd vervangen door een verwijzing naar de veelvoudigheid en onherleidbare complexiteit van de conflictvelden. Het zou voldoende zijn de verschillende conflictvelden niet meer tegenover elkaar te stellen of een bepaald conflictveld te verabsoluteren; de relatieve autonomie en de eigensoortige politieke dynamiek en effectiviteit van diverse strijdterreinen en -bewegingen moesten worden erkend.

De discussies spitsten toe op de vraag of en zo ja hoe het mogelijk was in diverse maatschappelijke conflictvelden (loonarbeid en kapitaal, verhoudingen tussen de seksen, oorlog en vrede enzovoort) een politieke synthese tot stand te brengen tussen de protestpotentiëlen die op deze velden ontstaan (arbeiders-, vrouwen-, vredesbeweging enzovoort). En iets concreter: of er een synthese mogelijk zou zijn tussen hun heterogene politieke programma’s, collectieve identiteiten en utopieën: socialisme, feminisme, pacifisme, ecologisme enzovoort.

Index


1·2 Perspectief van een klasseloze maatschappij
1·2·1 Uitputting van utopische krachten?
Utopie als ’droom van het goede, zonder middelen tot uitvoering daarvan’ (Fourier) wordt ook vandaag de dag vaak afgedaan als leeg gezwets, als iets dat in een heel verre toekomst ligt, maar dat toch nooit gerealiseerd kan worden. Het belachelijk maken van einddoelen die ook maar iets verder gaan dan de stappen die vandaag en morgen genomen kunnen worden, tot gemeenplaats van postmodernistische intellectuelen geworden.

Men betwijfelen of dit wijst op een “verandering van het moderne tijdsbewustzijn in het algemeen” [Habermas) omdat de utopische krachten uitgeput zouden zijn en de utopische energie zich zou hebben teruggetrokken van het historische denken.* Maar in ontwikkelde kapitalistische maatschappijen met een parlementair-democratische staat is de idee van socialisme of communisme als een alternatieve vorm van civilisatie steeds meer verdrongen door of in de schaduw geraakt van andere thema’s en toekomstperspectieven.

Een klasseloze maatschappij (of: de emancipatie van heteronoom bepaalde arbeid) lijkt meer en meer een utopische illusie. Voor grote delen van de werkende klassen in het Westen is de notie socialisme-communisme geen wenkend perspectief, maar zwaar belaste geschiedenis en een actualiteit met een hoge hypotheek. In belangrijke zones van Oost-Europa is de idee van socialisme als een toekomstige maatschappij gediscrediteerd door jarenlange onderdrukking in naam van het socialisme [in plaats van velen: Kuron 1981; Mischnik 1977/81,1981,1991].

Voor velen was dit reden genoeg om verder af te zien van de identiteit als ‘socialist’ of ‘communist’ — zij zijn ontnuchterd en als ‘realisten’ besteden zij verder geen aandacht meer aan discussies over ‘wereldlijke paradijzen’.

Afscheid van de utopie?
Voor linkse intellectuelen ging dit ‘afscheid van de utopie’ vaak gepaard met een ‘afscheid van het marxisme’. Volgens Ernst Bloch was het ‘afscheid van het marxisme’ —en met name van de daarin belichaamde ‘concrete utopie’— een ideologische formule is voor een afscheid van elke serieuze sociale beweging [Bloch 1974/89:79]. Zijn protest tegen het afscheid van de utopie (dat eigenlijk alleen voor slakken geschikt is omdat deze nooit een utopie hadden of zullen hebben) eindigde met de oproep: “Darum nie genug konkrete Utopie” [idem:82].

Aan het begin van de 21e eeuw lijkt er geen levensvatbaar alternatief voor het kapitalisme meer te bestaan. De teloorgang van de repressieve vormen van bureaucratisch collectivisme in de voormalige landen van het Sovjet-blok heeft bij velen het idee bevestigd dat socialisme —in welke vorm dan ook— geen serieus alternatief is voor het kapitalisme. Sterker nog: de ineenstorting van het Oost-Europese ‘socialisme met het totalitaire gezicht’ heeft er veeleer toe geleid dat de legitimiteit van de kapitalistische klassenverhoudingen werd versterkt.

Ook sommige kritische sociale wetenschappers hebben zich er inmiddels van laten overtuigen dat men beter kan accepteren “that class relations will remain a feature of society” [Scase 1992:85] en dat het daarom contraproductief is om politieke programma’s te ontwerpen of te steunen waarin afschaffing van exploitatieverhoudingen wordt bepleit. Ook voor de intellectuelen is ‘afschaffing van klassen’ weer een negatief gewaardeerde utopie geworden. “Class and capitalism are likely to remain long-term, altmost permanent, features of industrial societies and, hence, the debate should no longer be about the abolition of social class but about other important factors” [idem:88]. Voor Richard Scase ligt de toekomst besloten in de terugkeer naar de meer bescheiden idealen van het Fabianisme.

Juist daarom vinden sommige socialistisch georiënteerde auteurs het des te meer noodzakelijk opnieuw nadruk te leggen op socialisme/communisme als toekomstige klasseloze maatschappij.

Socialisten van diverse pluimage lijken het tegenwoordig over een ding wel eens te zijn: een attractief of ‘ideaal’ socialisme/communisme bestaat in de wereld van vandaag nergens. De reëel bestaande (staats)socialismen waren hiervan —ondanks perestroika en economische hervormingen, afbraak van eenpartijstelsels en alle andere initiatieven richting democratische rechtsstaat— nog lichtjaren van verwijderd.

Bij de profilering van socialistische toekomsten is het van belang een duidelijk onderscheid te maken tussen normatieve en institutionele problemen. In normatief opzicht is een duidelijke afbakening gewenst ten opzichte van geëxalteerde utopistische opvattingen, waarin morele wensen geïmmuniseerd worden tegen elke wereldlijke of mondaine calculatie, “omdat de bouwkosten bij luchtkastelen geen rol spelen” [Bloch GA 8:92]. Escapistische simplificaties van de bestaande wereld leiden immers slechts tot overgemoraliseerde en ondercomplexe utopieën. In institutioneel opzicht is er een meer exacte behoefte aan een realiseerbare institutionele specificatie van een socialistische toekomst.

Normatieve en institutionele aspecten van utopie
Ik sluit hier aan bij het kritische utopiebegrip van Bloch en Mannheim. Zij hebben getracht de utopie te reinigen van de bijsmaak van ‘utopisme’ en rehabiliteerden de utopie “als onverdacht medium voor het ontwerpen van alternatieve levensmogelijkheden, die in het historisch proces zelf in aanleg aanwezig moeten zijn” [Habermas 1983/89:33].

Het politiek werkzame historische bewustzijn is altijd met een utopisch perspectief uitgerust. Ideologieën zijn politieke talen die ongelijkheden cognitief en normatief versluieren, stabiliseren en versterken. Utopieën zijn politieke talen die ongelijkheden onthullen, aanvallen en gericht zijn op hun minimalisering.

    “Onder politieke ideologieën verstaan wij alle (aspecten van) politieke talen die bestaande sociale ongelijkheden stabiliseren of door nieuwe (scherpere of andere) ongelijkheden willen vervangen. Onder politieke utopieën verstaan wij alle (aspecten van) politieke talen die sociale ongelijkheden willen veranderen door ze te verkleinen of te overwinnen” [Bader 1991:189].
Dit sluit direct aan bij de klassieke formulering van Ernst Bloch:
    “Utopie unterscheidet sich von der Ideologie in dem einfachsten Sinn darin, daβ die Ideologien keinen utopischen Zuschuβ haben, daβ Ideologien Gruppen von Vorstelllungen sind, die die vorhandene Gesellschaft spiegeln und rechtfertigen. Utopien dagegen sind, oder sollen es sein und sind es meistens, Vorstellungen von Gruppen, die die bestehende Gesellschaft unterminieren und sprengen oder eine Sprengung vorbereiten mit dem Traum von einer schöneren Welt, einer besseren Gesellschaft” ;Bloch 1968/89:69]. Vgl. ook Mannheim [1936:52, 173].

Perry Anderson [1983] bepleit een open en inventief marxisme dat probeert tussen normatieve en institutionele aspecten een flexibele balans te vinden. Anarchisme en fabianisme beschouwt hij als logische consequentie van overaccentuering van een van beide polen. Unger [1987] heeft een poging gedaan een normatief sympathiek én institutioneel gespecificeerd utopisch programma te ontwerpen voor een ‘empowered democracy’.

De marxistische traditie werd altijd van twee kanten tegelijk aangevallen: het werd door utopisten bekritiseerd omdat het door haar passie voor politieke problemen utilitaristisch beperkt zou zijn, en het werd van utopisme beschuldigd vanwege de onpraktische vaagheid van haar voorstellen voor maatschappelijke verandering. “If your proposals depart widely from the immediate social reality, people dismiss them as utopian. If the proposals come closer to what exits, or if they distinguish several stages of improvement, they are denounced as apologetic and uninspiring” [Unger 1987 — Introduction:39]. Ik kom hier in hoofdstuk XVI, § 4

1·2·2 Marx als utopist
Het klassieke marxisme stond in het algemeen zeer sceptisch ten opzichte van blauwdrukken voor een socialistische of communistische toekomst. Voor Marx was socialisme per sé geen ideaal dat door deze of gene wereldverbeteraar was uitgevonden en ook geen geanticipeerde toestand die slechts gerealiseerd hoefde te worden. Hoewel het begrip ‘klasseloze maatschappij’ een centrale, zo niet dé centrale rol vervulde in zijn voorstelling van een alternatieve maatschappij, ging Marx hier nooit uitvoerig op in en liet hij belangrijke problemen buiten beschouwing. Hij kritiseerde de utopisch socialisten van de 19e eeuw (St. Simon, Fourier en Owen), die het formuleren van ‘tegenmodellen’ voor de bestaande maatschappij als centrale praktische en theoretische opdracht beschouwden.

Marx stelde daarentegen de analyse van de bestaande maatschappelijke tegenstellingen in hun ontwikkeling centraal en was uitermate voorzichtig met prognoses. De alternatieve klasseloze maatschappij behandelde hij zeer summier. Wanneer hij zich hierover uitliet, ging hij eerder in op de voorwaarden en belemmeringen dan op de positieve kenmerken van een klasseloze maatschappij.

Geen oproep voor het socialisme
Marx beschouwde de conflictuele toespitsing van de tegenstellingen in het kapitalisme als de belangrijkste voorwaarde voor het ontstaan van een klasseloze maatschappij. Daarom noemde hij volgens Bloch [1974:724] zijn theoretische hoofdwerk Het Kapitaal en niet ‘oproep voor het socialisme’.

Marx’ principiële weigering om een concreet toekomstbeeld te schetsen, komt pregnant tot uiting in zijn briefwisseling met Domela Nieuwenhuis. Deze had die aan Marx de vraag had voorgelegd, wat er in Nederland zou moeten gebeuren als daar de revolutie zou uitbreken. Marx stelt dat hij deze vraag niet kan beantwoorden omdat Nederland nog zeer ver van de revolutie is verwijderd. Wat men op een bepaald moment in de verre toekomst zal moeten doen, zal op dat moment zelf uitgemaakt moeten worden. Het kan niet worden geanticipeerd omdat het nog verborgen ligt in ‘het nevelland van de toekomst’. Kortom: we kunnen van de toekomst nooit meer weten dan datgene wat zich in het heden als mogelijke toekomst aftekent. De rest is pure speculatie [MEW 35:159-60 — 22 febr. 1881]

Bij de voorwaarden wordt met name de materiële basis benadrukt:

    “De organisatie van de revolutionaire elementen als klasse veronderstelt het kant-en-klare bestaan van alle productiekrachten, die zich überhaupt in de schoot van de oude maatschappij konden ontplooien” [Marx, MEW 4:181 — Elend der Philosophie].

    “Als we in de maatschappij zoals deze is niet verhuld de materiële productievoorwaarden en de daarmee corresponderende ruilverhoudigen zouden aantreffen die noodzakelijk zijn voor een klassenloze maatschappij, dan zouden alle pogingen om haar te laten ontploffen donquichotachtig zijn” [Marx, Grundrisse:77].

Zowel de overwinning van de ‘oude’ arbeidsdeling als een drastische verkorting van de arbeidsdag (‘rijk der noodzakelijkheid’) veronderstellen in deze visie een bepaald ontwikkelingsniveau van de technische, kwalificatorische en coöperatieve productiekrachten.

Peter Ludes [1979:229-35] geeft een uitgebreid en statistisch gepreciseerd overzicht van alle passages waarin Marx zich op de een of andere manier uitlaat over ‘communisme als klasseloze maatschappij’. Uit dit overzicht blijkt dat Marx inderdaad vaker verwijst naar directe voorwaarden (210-215 keer) en belemmeringen (meer dan 50 maal), dan naar kenmerken van een klasseloze maatschappij (ongeveer 150 maal).

Marx’ definitie van communisme als eindpunt van socialistische transformatie is dus primair negatief van aard: zij wordt gekenmerkt door afwezigheid van klassen, afschaffing van de onderschikking van het individu aan de arbeidsdeling, afsterving van de staat en verdwijning van warenverhoudingen [Ludes 1980, 2012; Cottrell 1984:24].

In de marxistisch geïnspireerde socialistische traditie heeft men zich lange tijd overwegend rigoreus afgegrensd van het utopische denken: alle utopische concepties zouden immers slechts bedoeld of onbedoeld uitmonden in de afwijzing van het ‘socialisme als wetenschap’. Dit impliceerde niet alleen een miskenning en onderschatting van de politieke kracht van utopieën, maar ook een analytische blinde vlek ten aanzien van grondslagen en werking van utopische bewustzijnsvormen. De consequenties van deze rigoureuze afwijzing van het utopische denken worden uitvoeriger behandeld in hoofdstuk XV.

De ruimte die door deze utopie-abstinentie werd geschapen, zou door niet-getransformeerde restanten uit de utopisch socialistische traditie worden opgevuld.

Schone eenvoud
Utopische denkbeelden en projecties over een toekomstige ‘ideale’ samenleving worden vaak beheerst door een grote eenvoud en door harmonie. In veel gevallen ontlenen de utopisten de maatstaven waaraan ze zich oriënteren aan voorbeelden uit andere — voorkapitalistische of arcadische — tijdperken. Vanuit een moderne, complexe maatschappij proberen zij het ‘ware’ socialisme terug te vinden in de geborgenheid van een voorkapitalistische maatschappijvorm en de vervreemding op te hebben door het herstel van een organische eenheid van arbeid en leven.
Ook in het socialisme dat wetenschappelijk wilde zijn, leidden thema’s zoals ‘vervanging van de regering over mensen door het beheer van dingen’ (geleend van Saint-Simon) en ‘afschaffing van de arbeidsdeling‘ (Fourier) een hardnekkig bestaan. Dergelijke vereenvoudigingen waren zeker geen stimulans om meer gedifferentieerde concepten uit te werken voor socialistisch beheer en besturing van economie en staat. En dit werd zeker niet bevorderd door de verwachting dat staatszaken in socialistisch-communistische maatschappijen zo simpel worden dat elke kokkin het staatsbestuur kan controleren (zoals Lenin nog in Staat en Revolutie betoogde).

1·2·3 Institionele aspecten van utopie
De erfenis van het marxistisch denken over institutionele vraagstukken —zoals de verhouding tussen producenten- en consumentendemocratie, sociale en politieke democratie, directe en vertegenwoordigende democratie, interne en externe democratische controles— is daarom nogal onontwikkeld gebleven, ook na meer dan tachtig jaar ervaring in staatssocialistische landen.

Filosofische noodverbanden
In het post-klassieke Westerse marxisme werden filosofische pogingen ondernomen om een aantal utopische thema’s te herwaarderen. De vertegenwoordigers van de Frankfurter Schule en daarmee verwante auteurs als Herbert Marcuse en Ernst Bloch hebben de utopie als uiting van onvrede serieus genomen en formuleerden versies van een moreel-esthetisch utopia (bij Adorno vindt men meer zijdelingse elementen). Deze projecties waren speculatief getint en niet verbonden met specifieke sociaal-politieke bewegingen.

Aan de actualisering van een tastbare, althans herkenbare socialistische toekomst hebben deze filosofische tractaten weinig bijgedragen. Dat geldt tot nu toe ook voor Habermas’ theorie van communicatief handelen.

Roberto Unger’s programma voor ‘social reconstruction’ en ‘emancipation from false necessity’ onderscheidt zich hiervan op verfrissende wijze. Hij verbindt zijn kritiek op ‘the institutional and imaginative structure of society’ met programmatische alternatieven. Normatieve en institutionele aspecten worden met elkaar gecombineerd. Het verfrissende is vooral gelegen in zijn duidelijke referenties aan activiteiten “that enables people to fight back, individually or collectivily, against the established settings of their lives — to resist these settings and even to remake them” [Unger 1987 — Introduction:11. Vgl. p. 29].

Zonder serieus onderzoek naar institutionele vraagstukken zal elke politieke toekomst aan gene zijde van een parlementair kapitalisme geblokkeerd blijven. Het socialisme verkeert allang niet meer in een staat van onbevlekte ontvangenis.

Dit werd nog eens onderstreept door het economische, politieke en morele bankroet van de staatssocialistische stelsels van de voormalige Sovjet-Unie en haar satellieten. Men kan zich ergeren aan het triomfalisme van ideologen die deze dramatische en voor velen traumatische ervaringen hebben omgemund in een lofzang op de superioriteit van de kapitalistische stelsels. En men kan zich ook vermaken met de lyrische bewoordingen waarin voor de x-ste keer ‘hét socialisme’ of ‘hét communisme’ ten grave wordt gedragen.

Wie vandaag de dag als socialist, communist of utopist nog serieus genomen wil worden, moet zich niet meer beperken tot een abstract betoog over normatieve uitgangspunten en globale politieke doelstellingen. Als men een ‘wenkend’ socialistisch perspectief in leven wil houden dan zal men veel concreter moeten aangeven welk type economische ordening, welke vormen van politieke en sociale democratie en welk soort culturele vernieuwing nastrevenswaardig zijn. Een socialisme dat incognito blijft, zal met weinig aanhangers tevreden moeten zijn.

1·2·4 Lastige vragen over de toekomst
In de discussies over socialisme/communisme als toekomstige maatschappij zijn een groot aantal terreinen problematisch. De combinatie van moreel-normatieve oriëntaties met praktisch-institutionele dimensies staat hierbij centraal. De discussies spitsen zich vooral toe op de volgende vier thematische complexen.

  1. Structurering van politieke en sociale democratie
    Wat zouden de precieze vormen moeten zijn van mandaten, periodiciteit, kiesrecht en constituties in een politiek systeem waarin politieke en sociale democratie worden geïnstitutionaliseerd? In welke concrete samenhang kunnen de verschillende niveaus (directe en representatieve democratie) en terreinen (politieke en sociale democratie) van institutionalisering van democratie verder worden ontwikkeld? Hoe kunnen professioneel-administratieve apparaten extern en intern worden gecontroleerd? Op welke manier kan de scheiding van de wetgevende, rechtsprekende en controlerende machten worden gecodificeerd? Hoe kunnen de beslissingsmachten tussen nationale, regionale en lokale overheidsinstanties worden verdeeld? Welke nieuwe vormen van differentiatie, delegatie en limitatie van politieke beschikkingsmachten zijn denkbaar/wenselijk? Hoe kan de beschikkingsmacht over communicatiemiddelen optimaal worden gedesaggregeerd?

  2. Institutionele patronen van socialistische arbeidsverhoudingen
    Wat zijn adequate institutionele patronen van een socialistische economie onder democratische controle? Welke conclusies kunnen er getrokken worden uit de ervaringen met en de studies over het functioneren van gecentraliseerde, gebureaucratiseerde planning in Oosteuropese staatssocialismen van weleer?

    In een economische systeem van rationele calculatie en democratische planning kan de ‘vrije markt’ geen allesoverheersende rol. Maar de markt kan nooit helemaal worden vervangen door bewuste planning van centrale of lokale overheidsorganen. Markt en geld blijven noodzakelijk om micro-economische keuzen voor een hele reeks goederen en diensten efficiënt te bemiddelen. Een algemene, centrale kaderplanning hoeft hierdoor niet te worden ondergraven, wanneer deze markt doelmatig is opgebouwd en de randvoorwaarden democratisch worden gecontroleerd.

    De ervaring leert dat er altijd tegenstellingen ontstaan tussen de verschillende niveaus van centrale planning en besluitvorming, dat er een grote verscheidenheid van typen maatschappelijk en ondernemingseigendom mogelijk en wenselijk is, en dat arbeidsdeling nooit helemaal kan verdwijnen ten gunste van een algehele uitwisselbaarheid van arbeidsfuncties en -competenties.

    Zelfs in een volledig ontwikkelde producentendemocratie —waarin planalternatieven op democratische wijze tot stand komen— blijven er een aantal moeilijke problemen bestaan.

    • Welke reeks van maatschappelijke eigendomsvormen zouden naast elkaar ontwikkeld moeten worden?
        Bijvoorbeeld: staatseigendom van financiële instellingen en van industrieën waarin basale productiegoederen worden geproduceerd; zelfbestuurde gesocialiseerde ondernemingen op lokale schaal; coöperatieven die onder bepaalde randvoorwaarden hun eigendommen controleren; kleine particuliere ondernemingen met een vastgelegd kapitaalplafond; een groot aandeel van gekwalificeerd zelf-management. In principe kunnen alle eigendomsvormen worden gebruikt wanneer de kredietverlening onder democratische controle staat en de controlerechten van producenten/dienstverleners worden gegarandeerd.
    • Hoe groot zou de rol van de markt moeten zijn en op welke wijze kunnen de randvoorwaarden van vrije markten democratisch worden gecontroleerd?
    • Hoe kan planning anticiperen of inspelen op nieuwe maatschappelijke behoeften?
    • Hoe kunnen prijsmechanismen hiermee op een adequate wijze worden gecombineerd?
    • Op welke wijze kunnen consumenten- en producentendemocratie institutioneel en procedureel worden gecombineerd?
    • Hoe kunnen in de dienstensector de rechten van consumenten, patiënten, cliënten en gebruikers worden verbonden met die van de dienstverleners?
    • Kan de omvang van de productkeuze worden vergroot of moet deze (op onderdelen) juist worden verkleind?
    • Welke technologische ontwikkelingspatronen zijn vanuit een mens- en milieuvriendelijke optiek gewenst en hoe kan een drastische verkorting van de arbeidsdag worden doorgevoerd?
    • Volgens welke principes moeten de verschillende arbeidsfuncties en -taken worden beloond?

    Al deze problemen kunnen hier zelfs niet bij benadering worden behandeld.

      Sommige van deze problemen werden geanalyseerd door: Brus [1975,1979], Nove [1983], Kornai [1980,1982], Horvat [1983], Brus/Laski [1989], Unger [1987:480-508].

  3. Sociaal-culturele patronen van een ‘libertaire nivellering’
    De rationele kern van socialisme is ‘re-appropriatie van de productiemiddelen’ door de directe producenten. Uitbanning van exploitatieverhoudingen betekent echter niet dat alle hieruit voortvloeiende ongelijkheden tussen klassen automatisch verdwijnen. Dit vereist specifieke maatregelen en instrumenten op het gebied van onderwijs, cultuur, politieke informatie en communicatie enzovoort.

    Slechting van klassenverhoudingen impliceert bovendien zeker niet dat daarmee alle andere mechanismen die sociale ongelijkheid en afhankelijkheid genereren buiten werking worden gesteld.

    • Welke maatregelen zouden genomen kunnen worden om een pluraliteit van levensstijlen mogelijk te maken en vormen van juridische en maatschappelijke marginalisering, discriminatie en sociale inferioriteit van bepaalde bevolkingsgroepen te elimineren?
    • Welke veranderingen van arbeidsdeling en onderwijsstelsel zijn het meest effectief om elke sociaal geërfde of opgelegde —dat wil zeggen niet democratisch te legitimeren— ongelijkheid van levenskansen te vermijden?
    • Hoe kan daarbij tegelijkertijd de individuele differentiatie en ontwikkeling van talenten worden uitgebreid?

  4. Depolarisatie van internationale verhoudingen
    De ongelijke ontwikkeling tussen landen van ‘de eerste, tweede en derde wereld’ is en blijft vooralsnog een van de allergrootste problemen voor elke socialistische politiek.
    • Welke nieuwe strategieën kunnen worden beproefd om de enorme verschillen tussen rijke en arme naties te overbruggen? Welke handels- en investeringsmaatregelen zijn noodzakelijk om de Noord-Zuid kloof te verkleinen en wat zijn hierbij adequate vormen van herverdeling van bronnen en inkomsten?
    • Welke technologische ruil en verspreiding draagt het meeste bij aan de depolarisatie van de internationale economische verhoudingen, die het kapitalisme / imperialisme / kolonialisme ons nalaat?
    • Is een ‘gelijke ontwikkeling’ historisch gezien überhaupt voorstelbaar — zo ja, wat betekent dit?

Index


1·3 Revolutionair subject
In de marxistische traditie wordt ervan uitgegaan dat de ontwikkeling van kapitalistische klassenstructuren niet alleen de objectieve grondslagen schept voor het socialisme doordat het progressieve impulsen geeft in de richting van het socialistisch project, maar tevens de sociale actoren voortbrengt die in staat zijn dit project te realiseren.

De politieke inzet van de klassenanalyse was daarbij niet zozeer om bepaalde groeperingen aan te klagen of hen buiten het revolutionaire subject te definiëren, maar om inzicht te krijgen in de strategische handelingsmogelijkheden van de onderscheiden klassen, klassenfracties en sociale lagen. De marxistische traditie staat haaks op de oude sectarische opvatting van Lassalle, volgens welke in verhouding tot de arbeidersklasse ‘alle andere klassen slechts een reactionaire massa’ vormen. Zoals bekend had Marx voor deze en vergelijkbare opvattingen in zijn Kritiek op het program van Gotha slechts één woord over: ‘onzin’ [Marx, Gotha:26].

Ook moderne onderzoekers in de marxistische traditie stellen klassenanalyse in het licht van het zoeken naar feitelijke en potentiële actoren die op basis van hun feitelijke maatschappelijke positie in staat zijn de krachtsverhoudingen tussen de klassen zodanig te wijzigen, dat de weg(en) naar een socialisme geopend kan/kunnen worden [Bischoff e.a. 1976,1982; Poulantzas 1976; Wright 1985,1989; Blackledge 2011]. In de regel wordt daarbij op de een of andere manier vastgehouden aan het ‘primaat van de arbeidersklasse’. Nu is het benadrukken van de politiek-strategische centraliteit van de arbeidersklasse nog iets anders dan het toekennen van exclusiviteit.

Toch staat socialistische politiek, en meer in het bijzonder marxistisch geïnspireerde socialistische en communistische politiek steeds sterker onder de verdenking dat zij uitgaat van politieke exclusiviteit, dat wil zeggen van een soort ‘normatief primaat’, een ‘voorkeursbehandeling’ van de arbeidersklasse en -beweging. De specifieke rol en betekenis van bijvoorbeeld vrouwenbevrijdingsstrijd, ecologische en vredesbewegingen zou hieraan ondergeschikt worden gemaakt. In deze kritieken wordt sterk de nadruk gelegd op de enorme diversiteit van conflictvelden, de verscheidenheid van protestpotentiëlen en politieke handelingscollectieven, en op de politieke eis dat deze ‘pluriformiteit’ van democratiserings-, emancipatie- en bevrijdingsbewegingen gerespecteerd en niet ‘gelijkgeschakeld’ dient te worden.

Index


1·4 Politieke strategie
De toegenomen strijdbaarheid van de arbeidersbeweging en het militante activisme van de studentenbeweging aan het eind van de jaren zestig deden in bepaalde linkse kringen de hoop ontstaan, dat uit de her-/vereniging van een gereconstrueerde klassentheorie met progressieve maatschappelijke (volks)bewegingen een nieuw soort revolutionaire strategie zou voortvloeien.

Die hoop zou relatief snel vervliegen. In 1985 moest Göran Therborn constateren dat in Europa de arbeidersbeweging en socialistisch links feitelijk overal ideologisch in de verdediging zat. Aan de hand van gegevens over mobilisatie en organisatie demonstreert hij dat rond 1983 de tweede historische groeiperiode van de arbeidersbeweging omslaat in een teruggang. “Geen enkele van de ‘linkse projecten’ van de jaren zestig en zeventig werd voltooid” [Therborn 1985:154]. Sindsdien is in landen van het ontwikkelde kapitalistische wereldsysteem niet of nauwelijks sprake van een organische verbinding van klassentheorie en -praktijk in een revolutionaire massabeweging.

Een van de intellectuele symptomen hiervan is dat het strategisch denken binnen links sterk onderontwikkeld is; er bestaat geen concreet of plausibel perspectief voor een transformatie naar een democratisch en libertair georganiseerde klassenloze maatschappij. Het zogenaamde Westerse marxisme lijkt daarom niet zozeer te lijden aan een ‘poverty of theory’ (Thompson), dan wel aan een ‘poverty of strategy’ (Anderson). Het topische gebrek aan strategische planning gaat vergezeld met een geografisch deficiet: de ineenstorting van het zelfvertrouwen en van de linkse, socialistisch-communistische moraal binnen de zone van de latijnse cultuur (met name in Frankrijk en Italië), waar het westerse marxisme het sterkst was in de periode na de tweede wereldoorlog [Anderson 1983:23].

De vernieuwing van het strategische debat over de manieren waarop klassenspecifieke barrières van kapitalistische samenlevingen overwonnen en socialistisch projecten gerealiseerd kunnen worden, is enerzijds toegespitst op een klassenstrategische calculatie, anderzijds op de relatie tussen arbeidersbeweging en andere sociaal-politieke emancipatie- of bevrijdingsbewegingen.

1·4·1 Klassenstrategische calculatie?
Klassenstrategische calculaties zijn op maatschappijanalyse gebaseerde inschattingen van politieke krachtsverhoudingen gericht op het openen van de weg(en) naar socialisme(n). Daarbij kunnen drie hoofdthema’s worden onderscheiden.

  1. Het eerste —volgens de meeste auteurs altijd beslissende— probleem van (socialistische) klassenstrategieën is dat van de eenheidspolitiek van de arbeidersklasse: hoe kan de politieke eenheid van de verschillende fracties en lagen van de arbeidersklasse worden bevorderd? Hoe kunnen verschillen en tegenstellingen tussen werkenden en werklozen, jongeren en ouderen, autochtonen en allochtonen, mannen en vrouwen enzovoort politiek worden bemiddeld in vakorganisaties, politieke partijen en andere organisaties van de arbeidersbeweging?

  2. Welke nieuwe mogelijkheden doen zich voor in de bondgenotenpolitiek met andere politieke klassenkrachten? Welke accenten kunnen hierbij worden gelegd? En met name: wat is de aard van de coalities met moderne, loonafhankelijke middenklassen? Op welke wijze heeft de ontwikkeling van de verzorgingsstaat de parameters van de klassenpolitiek veranderd?

  3. Wat is de politiek-strategische verhouding tussen klassenspecifieke bewegingen (politieke handelingscollectieven op min of meer eenduidige klassenbasis) en de niet direct of eenduidig aan bijzondere klassenposities verbonden zogenaamde nieuwe sociale bewegingen? Wat is de sociale basis en wat is het politieke potentieel van de nieuwe sociale bewegingen? In hoeverre zijn het eigenlijk ‘nieuwe’ sociale bewegingen? Kan men eigenlijk wel spreken van dé nieuwe sociale bewegingen, en zo ja waaruit bestaat dan hun mogelijke eenheid? Wat zijn de mogelijkheden tot politieke coalities tussen nieuwe sociale bewegingen en de arbeidersbeweging?
De meningen over deze hoofvragen zijn sterk verdeeld. De discussies splitsen zich toe op twee netelige kwesties: (a) de rol van de zgn. nieuwe middenklasse(n), en (b) het emancipatiepotentieel van de zgn. nieuwe sociale bewegingen.
  1. Nieuwe middenklasse?
    Ik heb hierboven met opzet geschreven over sociale bewegingen die ‘niet direct of eenduidig’ aan bijzondere klassenposties verbonden zijn. Er zijn immers ook auteurs die juist proberen de nieuwe sociale bewegingen te interpreteren als politiek-culturele uitdrukking van het ontstaan van een ‘nieuwe klasse’. Volgens deze theorie is er inmiddels een nieuwe klasse van ‘kenniswerkers’ (knowledge workers) ontstaan, die strijdt voor macht en status tegen een nog steeds dominante ‘oude klasse’ van kapitalisten en managers/technocraten [Gouldner 1979; Brint 1984; McAdam 1987; Zald 1987].

    Hans-Peter Kriesi [1989:1078] heeft een poging gedaan om vanuit een bepaalde variant van deze ‘new class theory’ de empirische gegevens te interpreteren over klassenkenmerken en mobilisatiepotentieel van nieuwe sociale bewegingen in Nederland. Hij vertrekt vanuit Wright’s klassenmodl, waarin de ‘nieuwe middenklasse’ wordt gedefinieerd als de klasse die enige mate van effectieve controle heeft over organisationele of kwalificatorische bronnen. Binnen deze nieuwe middenklasse wordt enerzijds een onderscheid gemaakt tussen degenen die over organisationele bronnen beschikken (‘managers’) en zij die dat niet doen (‘professional rank and file’). Anderzijds maakt Kriesi een onderscheid tussen vijf beroepssegmenten: sociaal-culturele specialisten (inclusief semiprofessionals en professionals in medische diensten, onderwijs, maatschappelijke dienstverlening, journalistiek en kunst), administratief en commercieel personeel (zowel in particuliere als in overheidsorganisaties), technische specialisten, ambachtelijke specialisten (hooggekwalificeerde ambachtslieden, technisch getrainde handarbeiders), beschermende diensten (politieagenten, brandweermannen, beroepsmilitairen). Zijn stelling is dat de ‘nieuwe klasse’ gevormd wordt door de ‘specialisten’ en dat de tegenstelling tussen technocraten en specialisten de structurele basis is voor de formatie van deze ‘nieuwe klasse’. In het empirisch deel onderzoekt hij de klassensamenstelling en het mobilisatiepotentieel van vijf nieuwe sociale bewegingen (vredesbeweging, anti-kernenergie beweging, ecologiebeweging, vrouwenbeweging en kraakbeweging).

    Of deze nieuwe middenklasse daadwerklijk de doorslaggevende drager is van de nieuwe sociale bewegingen valt te bezien. Bovendien blijft de vraag of en zo ja op welke wijze deze specialisten of kenniswerkers als nieuwe (midden)klasse kan worden opgevat. In hoofdstuk VII (professionals en credentiële exploitatie) VIII (managers en organisationele exploitatie) ga ik uitvoerig in op de onderliggende analyse van de zgn. nieuwe middenklassen.

  2. Nieuwe sociale bewegingen?
    De relatie tussen de arbeidersbeweging en andere sociaal-politieke emancipatie- of bevrijdingsbewegingen is op zichzelf natuurlijk geen nieuw probleem van democratisch socialistische politiek. Maar door de opleving van een aantal nieuwe of vernieuwende emancipatiebewegingen in de laatste decennia is dit probleem wel duidelijker in de politieke agenda geschreven.

    Maar wat is nu eigenlijk het ‘nieuwe’ van deze sociale bewegingen? Zijn er daadwerkelijke nieuwe sociale ongelijkheden ontstaan? Of zijn het in werkelijkheid oude en bekende splitsingslijnen die door deze sociale bewegingen opnieuw op de politieke agenda zijn gezet? [Benschop 1983; Weyers 1986:13; Bader/Benschop 1988 - hft. I, § 2.5; Bader 1991:252,464-5; Bader 1992; Kriesi e.a. 1995].

      “…voorzover er hier en daar in linkse kring nog sprake is van een positieve kijk op de toekomst, is die bijna zonder mankeren verbonden met de schimmige ‘nieuwe sociale bewegingen’, ‘nieuwe politieke subjecten’, of ‘nieuwe subjectiviteit’. Het is niet helemaal onterecht om te zeggen dat die ‘nieuwheid’ daarvan eerder berust op de waarneming van oude dingen dan van het naar voren komen van nieuwe dragers van maatschappelijke verandering” [Therborn 1985:135].
    Aan het begin van de 21e eeuw lijkt het voor sociale wetenschappers nog steeds moeilijk om het ‘nieuwe’ van de nieuwe sociale bewegingen op een eenduidige wijze te formuleren. Niet in de laatste plaats omdat zich met de opkomst van het internet een geheel nieuwe vorm van collectief politiek handelen heeft ontwikkeld: netactivisme [Benschop 1996/2017 - Activisme & Sociale bewegingen; Castells 2004 - The Power of Identity; Van Laer/Van Aelst 2010; Walgrave e.a. 2010; Vliegenthart 2010; Benschop 2011 - Facebook Revolutie].

    1·4·2 Klassenspecifieke en ‘algemene’ emancipatiebewegingen
    De traditionele coalitiepolitieke consequenties van een op de arbeidersklasse geconcentreerde klassentheorie zijn problematisch geworden. Een cruciale vraag hierbij is, wat de relatie is tussen ‘socialisme’ (als een emancipatiebeweging, gericht op het realiseren van een klasseloze maatschappij) en het proces van menselijke emancipatie in het algemeen, dat wil zeggen een emancipatieproces dat zich keert tegen elke vorm van uitbuiting, onderdrukking, uitsluiting en discriminatie.

    Integrale bevrijding?
    “Onder invloed van de marxistische traditie werd in de klassieke socialistische en communistische arbeidersbeweging een concept geformuleerd van omvattende of ‘integrale’ bevrijding van al degenen die worden uitgebuit, onderdrukt en gediscrimineerd. Haar pretentie was om op deze grondslag alle emancipatorische bewegingen te kunnen bundelen en te leiden. Nu was deze pretentie historisch nooit onomstreden. Zij lijkt echter tegenwoordig haar legitimiteit en organiserende kracht verloren te hebben.

    Naast de arbeidersbeweging en haar organisaties zijn er ‘nieuwe’ sociale emancipatiebewegingen ontstaan en ‘oude’ gereactiveerd. De integrale bevrijdingspretentie van het socialisme wordt dus in ieder geval niet (meer) geaccepteerd door belangrijke delen en representanten van de bewegingen die haar juist zouden moeten dragen, willen haar normatieve doelstellingen en strategieën van georganiseerd politiek handelen enige historische kracht ontwikkelen.

    • Vanuit de ecologiebeweging wordt de arbeidersbeweging voor de voeten geworpen dat zij star vasthoudt aan het geloof in de progressiviteit van ontwikkeling van de productiekrachten en voorbijgaat aan de toenemende bedreiging van de natuurlijke grondslagen en kringlopen van de reproductie.

    • Vanuit de rijk geschakeerde ‘alternatieve’ bewegingen, waarin nieuwe leef- en samenlevingsvormen, identiteiten en zelfverwerkelijking worden beproefd, wordt de arbeidersbeweging voorgehouden dat ze het heersende ‘prestatiedenken’ reproduceert, dat ze ‘macht’ organiseert in plaats van het ‘machtsdenken’ te ontmaskeren, dat ze het emotioneel onderdrukkende patriarchale of ‘burgerlijke’ kerngezin in stand houdt en verdedigt, enzovoort.

    • Vanuit de diverse bewegingen van ascriptief gediscrimineerde groepen (de vrouwen-, jongeren-, bejaardenbewegingen, de regionale en taalbewegingen, de bewegingen van culturele, etnisch-nationale en religieuze ‘minderheden’, de bewegingen tegen racisme, nationalisme, kolonialisme en imperialisme) wordt de arbeidersbeweging voor de voeten geworpen, dat ze uitsluitend of hoofdzakelijk bezig is de belangen te behartigen van specifiek geprivilegieerde (mannelijke, blanke, enz.) delen van de arbeidersklasse in internationaal onderdrukkende en uitbuitende staten.

    Wat ‘socialisme’ ook verder nog moge betekenen, in het politieke discours en in de politieke praktijk van deze bewegingen betekent het niet meer —en al helemaal niet automatisch— de ‘bevrijding van de vrouw’, het einde van alle ascriptieve onderdrukking en discriminatie, of een voor de mensheid levenswaardig milieu” [Bader/Benschop 1988:27-8].

    Het thema van de relatie tussen klassenspecifieke en algemeen menselijke emancipatie werd het meest direct en indringend op de politieke agenda gezet door de radicale en internationale beweging voor vrouwenbevrijding: welke relatie bestaat er tussen afschaffing van ongelijkheid tussen seksen en afschaffing van klasse-exploitatie? Kunnen socialistische en feministische perspectieven op een of andere manier worden gecombineerd of geïntegreerd?

      Deze algemene vraag zou natuurlijk ook geconcretiseerd moeten worden voor de specifieke onderdelen van deze bewegingen. Dé socialistisch beweging is een even grote abstractie als dé vrouwenbeweging. Net als de socialistische beweging heeft ook de vrouwenbeweging veeleer een paraplu-karakter, het is een soort ‘brede kerk’ waarin verschillende feministische stromingen een ‘thuis’ vinden. Ook de moderne vrouwenbeweging heeft de fase van het naïeve geloof in de gemeenschappelijkheid van vrouwenbelangen en -ervaringen achter zich gelaten. De vrouwenbeweging is in werkelijkheid sterk gefragmenteerd, maar het feminisme overleeft als denkwijze en als inspiratiebron voor zowel vrouwen als mannen. De politieke kracht van de vrouwenbeweging is beperkt, voor zover zij er niet in geslaagd is zich als nationale beweging te organiseren. Zie voor een schets van de vrouwenbeweging in Nederland: Van Rossum [1992].

    Vergelijkbare vragen werden door vertegenwoordigers van ecologische en vredesbewegingen op de politieke agenda geplaatst: is het überhaupt mogelijk of wenselijk om ‘universele’, de hele mensheid rakende ecologische en nucleaire thema’s te integreren in een ‘socialistisch’ perspectief en politieke klassenstrategie? Gaat het hierbij niet veeleer om ‘universele menselijke belangen’ die de strijd tussen kapitaal en arbeid veruit te boven gaan, omdat hierbij de overleving van de mensheid zelf op het spel staat? [zie de oproepen voor een herstel van de utopische erfenis door Edward Thompson 1982:1-34 en 329-49 en Rudolf Bahro 1977]. Is het klassentheoretische perspectief niet veel te beperkt om de enorme gevaren waarmee de mensheid nu bedreigd wordt te analyseren?

    1·4·3 Beyond the fragments?
    Men kan met goede argumenten betwijfelen of een herstel van de utopische erfenis veel kan bijdragen aan de verduidelijking, laat staan aan de oplossing van de geschetste programmatische, strategische problemen van socialistische politiek. Ook als men hiervan geen enkel nut verwacht, kan toch niet zonder meer worden voorbijgaan aan de betekenis en ratio van dit utopisch getinte beroep op ‘universele belangen’, aan gene zijde van klasse en natie.

    Het voorkomen van ecologische en thermonucleaire rampen is een voorwaarde voor het streven naar welke vorm van socialisme dan ook (en natuurlijk ook voor het behoud van elke vorm van kapitalisme). Voor elke bewoner van deze planeet staan hierbij vitale belangen op het spel, die uitgaan boven hun klassenspecifieke of nationale belangen. De voordelen van het voorkomen van ecologische en thermo-nucleaire rampen zijn dus universeel, ook al zijn de maatschappelijke krachten die bereid en in staat zijn om een voor de mensheid leefbaar milieu tot stand te brengen en een kernoorlog te voorkomen (ook klasse-)specifiek. Anders gezegd: hoewel de gevolgen van dergelijke rampen de tegenstellingen tussen klassen en naties overstijgen, lijken de oorzaken van deze dreigingen hiermee zeer nauw vervlochten te blijven.

      Diverse onderzoekers hebben erop gewezen dat de zgn. postmaterialistische doelen van de nieuwe middenklassen vaak een universalistisch karakter hebben, waarvan de realisatie niet aan een specifieke groep of klasse ten goede komt. Kriesi [1986] heeft ervoor gepleit dit universalisme als een onderscheidend element van nieuwe sociale bewegingen te behandelen. Volgens Koopmans/Duyvendak [1992:18] zou dit echter leiden tot “het verwaarlozen van de meer identiteitsgerichte bewegingen waarin het eigen belang juist een belangrijke rol speelt.”

    Voor bewegingen die zich tegen verschillende vormen van discriminatie en uitsluiting keren, geldt in zekere zin hetzelfde. Zij kunnen en mogen zich in hun acties beroepen op de ‘universele rechten van de mens’ (ook al zijn deze proclamaties in de nationale rechtsordes nog zo zwak geïnstitutionaliseerd). Theoretisch gezien is het plausibel dat het afbreken van scherpe tegenstellingen tussen mannen en vrouwen, tussen etnisch-raciale groepen en tussen naties een voorwaarde is om een brede klassesolidariteit tot stand te brengen. Daarmee zijn dit echter nog geen klassenspecifieke thema’s. Men kan argumenteren dat de voordelen van vrouwenemancipatie en uitbanning van diverse ‘apartheden’ universeler zijn, maar de maatschappelijke krachten die in staat zijn om deze emancipaties te realiseren zijn specifiek. De oorzaken en reproductiemechanismen van discriminatie en uitsluiting kunnen weliswaar niet worden gereduceerd tot specifiek kapitalistische klassenverhoudingen, maar zij zijn ingebed in en worden mede gevoed door de vigerende exploitatieverhoudingen. Dit hoeft —gelukkig— niet te betekenen dat vrouwenbevrijding of afbraak van aparheidssystemen geen kans van slagen hebben wanneer niet eerst (dit is de beroemde ‘twee tijden-politiek’) of tegelijkertijd de macht van het kapitaal gebroken wordt. In nuchtere strategische calculaties moet evenwel worden overwogen dat de kansen van deze emancipatiebewegingen uiteindelijk groter kunnen zijn als zij op de een of andere wijze worden verbonden met optreden tegen klassenspecifieke uitbuitingsmechanismen.

    Klassenspecifieke en ‘algemene’ emancipatiebewegingen doorkruisen en overlappen elkaar op veelvoudige wijze en kunnen zeer uiteenlopende combinaties en coalities met elkaar aangaan. Zij kunnen elkaar echter ook ‘voor de voeten lopen’ als zij er niet voldoende in slagen hun perspectieven, programma’s en strategieën op elkaar af te stemmen. Met een abstract appèl op de universele betekenis van ecologische, vredes-, anti-discriminatie en feministische bewegingen en met het bezingen van de ‘lof op de verscheidenheid’ komt men niet veel verder. Het draagt in ieder geval weinig bij aan de ontwikkeling van aansprekende (‘wenkende’) en omvattende perspectieven noch aan concrete, verenigende handelingsstrategieën voor emancipatiebewegingen — ‘beyond the fragments’

    Aan gene zijde van de fragmenten
    Vanuit socialistisch-feministische optiek stelden Rowbotham/Segal/Wainwright [1980] de vraag: waarom zouden we de fragmenten bijeen willen brengen? Bredere politieke organisaties zouden immers de kracht van autonome bewegingen kunnen verzwakken, en iedere beweging zou ook kunnen proberen zijn eigen kracht direct aan te wenden.
      “Daar zou best iets van een logica inzitten als alle vormen van ongelijkheid en de oorsprongen van uitbuiting en onderdrukking waartegen de vrouwenbeweging, de vakbeweging, zwartenbeweging enz. zich keren, los van elkaar zouden staan, geen relaties met elkaar zouden hebben. Als arbeiders alleen maar de bazen tegenover zich zouden hebben, vrouwen alleen de arbeidsdeling op grond van sekse en de seksistische cultuur, zwarten alleen racisme en discriminatie, zonder dat er een duidelijk verband zou bestaan tussen die vormen van onderdrukking, en als er geen staatsmacht was die de betrokken instituties met elkaar verbindt en controleert, dan zouden sterke, onafhankelijke bewegingen voldoende zijn. Maar juist de verbindingen tussen die bronnen van onderdrukking, zowel in de staat als in de organisatie van de productie en van de cultuur, maken zulke deeloplossingen onmogelijk”[idem:13].

    Het probleem is dus de constructie van “een gezamenlijk programma én voor politieke en maatschappelijke veranderingen dat tegemoet komt aan de verlangens van alle onderdrukte groepen en dat verdedigd moet worden in iedere groep afzonderlijk.” Dat vereist enerzijds “een strategie die gebaseerd is op de ideeën en ervaringen van iedere beweging afzonderlijk en die lering trekt uit de lessen van de strijd in het verleden en uit internationale ervaringen”. Anderzijds vereist het “het behoud van de autonomie van elke beweging en van de greep op de eigen organisatie” [idem:14/5].

    In haar nawoord bij de Nederlandse uitgave heeft Saskia Grotenhuis een aantal kritiekpunten geformuleerd op dit boek. Zij plaatst terecht vraagtekens bij de fundamentele vooronderstelling van het boek, namelijk “dat er een vanzelfsprekende noodzakelijkheid bestaat voor het leggen van een relatie tussen feminisme en socialisme” [idem:219]. En zij stelt ook een vraagteken bij de kern van het integrale socialisme, namelijk “dat de socialistische strijd alle terreinen van het maatschappelijk leven zou moeten omvatten” [idem:220]. De grote zwakte van het boek van Rowbotham c.s. is inderdaad dat de auteurs geen inhoudelijke verheldering geven van de relatie tussen feminisme en socialisme. De begripsmatige choreografie van hun uiteenzetting maakt dit ook onmogelijk: alle vormen van asymmetrische machtsverhoudingen (uitbuiting, onderdrukking, selectieve associatie, uitsluiting, discriminatie) worden zonder meer in het paraplubegrip ‘onderdrukking’ gevat.

    Enerzijds meent Grotenhuis dat “de meest logische consequentie van de kritiek op het democratisch centralisme” is, dat men “dat idee van de totaalstrategie” loslaat. Anderzijds vraagt zij zich ook af “of je daarmee niet op volstrekt irreële strategieën uitkomt: dat iedereen zijn/haar eigen specifieke gevechtje levert in de marge die er voor je wordt overgelaten” [idem:220]. Zij gaat echter niet in op de —ook door Rowbotham c.s. aangestipte— argumenten voor de noodzaak/wenselijkheid van politieke synthese. En daarom blijft zij heen en weer pendelen tussen een ‘totaalstrategie’ uit de traditie van het integrale socialisme en een ongecoördineerde, gefragmenteerde veelvoud van guerillatactieken.

    De vraag blijft, of en zo ja in welke mate klassenanalyse een kader kan bieden om dergelijke samenbundelende perspectieven en handelingsstrategieën te formuleren, zo niet voor politieke eenheid dan wel voor politieke coöperaties en coalities tussen emancipatie-, democratiserings- en vredesbewegingen.

    Index2. Klassenanalyse en politiek

    2·1 Klassenanalyse als voorwaarde van politiek handelen
    ‘Zonder een precieze inschatting van de krachtsverhoudingen tussen de klassen is de politiek van een socialistische beweging blind’. In deze optiek is klassenanalyse dus voorwaarde voor een succesvolle politiek. Deze stelling uit het ABC van de marxistisch traditie werd sterk benadrukt door Lenin: ‘zonder wetenschappelijke klassenanalyse geen socialistische klassenpolitiek’. Het onderzoek van de sociale structuur van een maatschappij beschouwde hij daarom als een van de eerste taken: de politiek van een revolutionaire partij moet steunen “op een nuchtere, strikt objectieve beoordeling van álle klassenkrachten van de betreffende staat” [Lenin, LW 31:49]. Anders zou zij niet in staat zijn die maatschappelijke krachten te onderkennen en te stimuleren, die in staat en bereid zijn een socialistische transformatie te realiseren [Lenin, LW 21:132]. Zonder kennis van de sociale klassenstructuur en van de veranderingen die zich hierin voordoen, zou zelfs “geen enkele stap voorwaarts gedaan kunnen worden op geen enkel maatschappelijk terrein” [Lenin, LW 17:127].

      Lenin’s opvattingen en praktijken met betrekking tot de relatie tussen klassenanalyse en politieke strategie worden o.a. besproken door Harmsen [1970:70 e.v.], PKA [1972b:51-134 en 161-230], Rabehl [1973], Liebmann [1973], Dutschke [1974].

    In de georganiseerde arbeidersbeweging werd traditioneel veel waarde gehecht aan de wetenschappelijke onderbouwing van hun politieke strategieën en programma’s. Vooral in de communistische delen van de arbeidersbeweging domineerde lange tijd de opvatting dat de politiek van een partij niet alleen diende te steunen op wetenschappelijke analyses, maar dat zij hieruit rechtstreeks afgeleid zou kunnen worden.

    Deze overschatting van de politieke betekenis en potentie van wetenschappelijk onderzoek is gebaseerd op drie dubieuze vooronderstellingen.

    • Een sciëntistische opvatting van politiek gaat voorbij aan de relatief zelfstandige betekenis die normatieve oriëntaties en uitgangspunten vervullen in politieke beslissingsprocessen. Stellingnames tegen uitbuiting of voor democratie kunnen niet wetenschappelijk bewezen worden, ze kunnen wel op goede normatieve gronden —een universalistische democratische ethiek— worden gerechtvaardigd.

    • Het veronderstelt voor de sociale wetenschappen een veel te hoog prognostisch vermogen. Politiek is en blijft een combinatie van ‘wetenschap en kunst’, zoals Gramsci [1971] al wist.

    • Een sciëntistische opvatting van politiek kan —zoals bepaalde perioden uit de geschiedenis van communistische partijen zeer duidelijk laten zien— gemakkelijk worden misbruikt ter legitimatie van ondemocratische, autoritaire politieke praktijken. Op wat voor recht van spreken zouden ‘gewone’ partijleden immers nog aanspraak kunnen maken als zij kritiek willen uitoefenen op een politiek die door marxistische hogepriesters wetenschappelijk is onderbouwd? [Benschop 1984]

    Het spiegelbeeld van de sciëntistische opvatting van politiek is overpolitisering van wetenschappelijke klassenanalyse. Klassenanalyse mag bedreven worden in het licht van de praktijk en van de politiek-strategische problemen van onze tijd. Zij moet echter niet instrumenteel in dienst worden gesteld van deze of gene conjuncturele lijn van praktische politiek.

    Zodra klassenanalyse ondergeschikt wordt gemaakt aan een gegeven partijpolitieke koers, verliest zij haar betekenis als kritisch element, verschrompelt zij tot dogma dat een inventieve en flexibele ontwikkeling van de praktische politiek blokkeert en draagt zij bij aan regressie.

      Ook —of misschien wel juist— in het werk van Lenin vindt men duidelijke waarschuwingen tegen overpolitisering van de klassenanalyse. Kenmerkend voor de stalinistische klassenstrategie is haar specifieke combinatie van een sciëntistisch-objectivisme (’hectarenfetisjisme’) en een overgepolitiseerd subjectivisme (’leidersvoluntarisme’). Zie hiervoor de studies van Werner Hofmann [1967:78], Henri Lefebvre [1965:89 ev, pp. 116-22] en Arnold Koper [1984].

    Tussen de theoreticus en de organisaties van de klassen waarop zijn of haar denken is georiënteerd, bestaat altijd een zeker spanningsveld waaruit conflicten kunnen resulteren (met name wanneer het een kritische theorie en een revolutionaire organisatie betreft). Dit betekent echter niet dat de relatie tussen wetenschap en (revolutionaire) politiek per definitie alleen maar antithetisch is, zoals bijvoorbeeld Wright [1989:69] suggereerde. Ik kom hier in het laatste hoofdstuk XVII nog op terug.

    Theoretische kritiek moet in ieder geval nooit alleen ‘agressief’ zijn ten opzichte van bewuste apologeten van de bestaande orde, maar evenzeer ten opzichte van “afleidende, conformistische of utopische tendensen in eigen gelederen” [Horkheimer 1937/70:35].

    Index


    2·2 Klassenanalyse als inzet van strijd
    Klassenanalyse is niet alleen een voorwaarde voor een bewuste klassenpolitiek, maar ook als het resultaat en moment van de feitelijke klassenbeweging en -strijd. Het historisch ontstaan van de marxistische klassentheorie is nauw verbonden met de opkomst van de georganiseerde arbeidersbeweging. In deze theorie zijn sociale levenservaringen van de arbeidersklasse en politieke ervaringen van de georganiseerde arbeidersbeweging verwerkt. Net zoals in klassentheorieën van vroeg-burgerlijke historici en economen de levens- en conflictervaringen van de opkomende bourgeoisie tot uitdrukking werden gebracht.

    Er is een onmiskenbare relatie tussen de politieke problemen waarvoor de arbeidersbeweging zich historisch gesteld zag en de verschuivingen in vraagstellingen en thema’s van het klassenanalytische onderzoek. De verbinding van theorie en onderzoekspraktijk met de maatschappelijke beweging waar zij zich oriënteert, is echter geen mechanisch eenrichtingsverkeer: klassentheorie is immers tot op zekere hoogte ook een onderdeel geworden van het zelfbewustzijn van een naar emancipatie van uitbuiting strevende klasse.

    Sociaalwetenschappelijke klassenmodellen blijven niet helemaal zonder gevolgen voor de zelfdefinities van de betrokkenen en voor de zelfbeschrijving van maatschappijen, noch voor hun interne afgrenzingscriteria en klassificatieregels. Juist hierdoor is klassenanalyse nooit alleen resultaat en moment, maar zelf ook altijd terrein en inzet van politieke en ideologische (klassen)strijd geweest. Het is een terrein waarop klassenstrijd in theoretisch-ideologische vormen wordt uitgevochten, waar rivaliserende benaderingen en theoretische posities op elkaar botsen, én waar intellectuelen hun eigen politiek-economische en ijdelheidsbelangen trachten te realiseren.

    Wetenschappelijke rivaliteit en het smachten naar erkenning
    Dit laatste, en zeker niet het minst doorslaggevende, aspect van intellectuele rivaliteit staat centraal in het —scherpzinnige en vermakelijke— wetenschapssociologische opstel van Bourdieu [1976/89:179-212]. Hij analyseert het wetenschappelijke veld als een systeem van objectieve relaties tussen posities die bereikt zijn in eerdere conflicten, en waarin een (ongelijke) concurrentiestrijd plaatsvindt om de verwerving van wetenschappelijk gezag — prestige, erkenning, faam. Zie Pels [1987:201-20] en de kritiek van Bader [1988].

    Dick Pels sluit aan bij de vroege opvattingen van Mannheim [1928/52] die de constitutieve betekenis van intellectuele concurrentie voor processen van kennisvorming benadrukt. Pels vat hem als volgt samen: “Men kan niet zover gaan te stellen dat culturele scheppingen niets anders zijn dan bijproducten van het sociale concurrentieproces; maar wel dat hun vorm en inhoud er in belangrijke mate mede door wordt bepaald. Theoretische conflicten zijn niet zonder meer weerspiegelingen van sociale conflicten, maar het is wel zo dat denkinhouden voor een belangrijk deel in termen van hun ‘existentiële’ determinatie kunnen worden verklaard. Effecten van rivaliteit dringen diep door in de structuur en betekenisinhoud van tradities, en van afzonderlijke theorieën en begrippen; hetgeen tegelijkertijd inhoudt dat gezichtspunten en perspectieven zijn onderworpen aan … ‘existentiële rivaliteit’. Cultuurproductie houdt nu eenmaal in dat verschillende groepen van producenten rivaliseren om eenzelfde doel: het bezit van de juiste maatschappelijke diagnose, of althans het prestige dat het bezit hiervan voor de bezitters meebrengt. Uit sociaalwetenschappelijk oogpunt bezien is ‘elke vorm van historische, ideologische of sociologische kennis … onmiskenbaar geworteld in en wordt gedragen door de zucht naar macht en erkenning van bepaalde sociale groepen die hun interpretatie van de wereld tot de officiële willen maken’ (Mannheim). De openbare interpretatie van de werkelijkheid is telkens inzet van strijd: een strijd die niet zozeer wordt gericht door de ‘zuivere contemplatieve dorst naar kennis’ maar eerder door vitale functies en machtsmotieven. Interpretaties van de wereld corresponderen in hoge mate met de specifieke posities die de verschillende groepen innemen in hun strijd om de macht” [Pels 1987:202-3].

    Bij Althusser [1974] ontbreekt dit kennissociologische inzicht volledig. Als men zijn opstel over De voorwaarden voor de wetenschappelijke ontdekking van Marx toespitst op de klassentheorie, dan opereert hij met drie stellingen: (1) Klassentheorie werd ontwikkeld binnen de ideologische praktijken van de arbeidersbeweging en is nooit definitief buiten ’het veld van de ideologie’ geïnstalleerd. (2) Klassentheorie komt in strijd tot stand, door kritiek op dominante burgerlijke ideologieën. (3) Klassenanalyse is een permanente, collectieve, intellectuele en politieke taak van de arbeidersbeweging, in het bijzonder van de met de arbeidersbeweging verbonden intellectuelen. De specifieke invloed van de ‘kennispolitiek’ van de intellectuelen die in meer of mindere mate met (delen van) de arbeidersbeweging (of juist met andere bewegingen) verbonden zijn, blijft bij Althusser buiten beschouwing.

    Klassenanalyse en systemen van sociale klassificatie zijn dus zelf een zeer belangrijke inzet van de ideologische strijd tussen de organisch met klassen verbonden intellectuelen; en vooral daarom vormen zij ook een van de voornaamste principes van verdeeldheid in het sociaalwetenschappelijke veld. Zie voor het eerste Bourdieu/Boltanski [1975], zie voor het tweede Bourdieu [1973 - Classes et classement; 1989:204 e.v.].

    Klassentheorie komt dus niet alleen in ‘strijd’ tot stand (door kritiek op dominante burgerlijke ideologieën), maar is zelf ook inzet van politieke strijd en intellectuele rivaliteit. “Klasse is een begrip dat zich in de strijd en in de ontwikkeling vormt” [Lenin, LW 30:505. Vgl. Herrnstadt 1965; Calvert 1982:209 e.v.; Luhmann 1985:124 e.v.].

    Sinds haar ontstaan is klassentheorie het object geweest van onverbiddelijke kritiek en furieuze aanvallen, maar ook van hardnekkige en vaak dogmatische verdedigingen. Tussen onvoorwaardelijke erkenning en even onvoorwaardelijke afwijzing van dé marxistische klassentheorie leek nauwelijks een tussenweg te zijn [Dahrendorf 1953:286; Herrnstadt 1965:5; Bourdieu 1979:543-64].

    Discussies over verschillende klassentheorieën fungeerden daarbij vaak als “academische substituten voor een werkelijk conflict over politieke oriëntaties” [Lipset/Bendix 1951:150], ze volgden de ‘logica van de partijdigheid’ waarin niet zozeer logische beoordelingen met elkaar worden geconfronteerd en aan criteria van consistentie worden getoetst, maar beschuldigingen en verdedigingen.

    Het klassenbegrip zelf figureerde daarin niet zozeer als instrument van sociaal-wetenschappelijke analyse, maar als strijdbegrip, als parool en distinctief symbool. De gedachtenloze ‘wetenschappelijke’ reproductie van politieke controverses over klassemacht en -strategieën zou bestreden kunnen worden door de strijd om de klassedefinities en classificaties zelf tot sociaalwetenschappelijk onderwerp te maken: “Als sociologen meer van de sociale wetenschap willen maken dan het voortzetten van de politiek met andere middelen, dan moeten zij als kenobject de neiging nemen om anderen in klassen onder te brengen om ze aldus te vertellen wie ze zijn en moeten zijn” [Bourdieu 1989:159].

    2·3 Aan gene zijde van de fronten
    De critici van de marxistische klassentheorie opereerden in het algemeen langs twee lijnen. Enerzijds werd geprobeerd de marxistische klassentheorie onschadelijk te maken door haar te integreren, te incorporeren of van binnenuit te reviseren. Anderzijds werd het vulgaire marxisme het hof gemaakt doordat critici zich concentreerden op de meest achterlijke varianten van ‘alledaags marxisme’, die vervolgens als representatief voor het geheel werden uitgegeven [Bentham v.d. Berg, De Gids 4/5, 1977:273]. Van het standaardrepertoire aan geritualiseerde kritieken, dat hieruit is voortgevloeid zou een omvangrijke, maar nogal saaie bloemlezing kunnen worden samengesteld.

    In plaats van een bloemlezing
    Zo’n bloemlezing valt buiten het kader van dit onderzoek. De meeste kritiekpunten kunnen tot twee hoofdbezwaren worden teruggevoerd.
    1. Klassenreductionisme
      De marxistische klassentheorie is ‘eenzijdig’ of ‘eendimensionaal’ omdat daarin de veelvoudige gelaagdheid en complexiteit van de maatschappelijke verhoudingen en sociale ongelijkheden slechts wordt geanalyseerd vanuit één factor of dimensie, namelijk vanuit de economische klassendimensie. Het is echter evident ”dat sociale stratificatie multidimensionaal is”, en dat sociologen die deze basisassumptie ter discussie stellen dit doen “omdat zij om ideologische redenen de term ‘klasse’ willen refereren aan een enkelvoudige, simpele en allesverklarende notie” [Barber 1968:292; vgl. Geiger 1939:17; Geiger 1955a:196].

      De klassentheorie van Marx is dus slechts “eenzijdig, een vereenvoudigd schema” [Bouman 1946:10], “een product van filosofische deductie, een axiomatisch denkschema” [Haveman 1952:174], een “economisch monisme” [Goddijn 1968:55]. Dit type diskwalificaties komt men ook na het officiële einde van de koude oorlog nog tegen.

      Zelfs Kees Schuyt schrijft anno 1991: “Marx stelde dat maatschappelijke ongelijkheid eendimensionaal is en dat alle verdelingen van schaarse goederen zijn te beschouwen als afhankelijke correlaten van de positie in de klassenstructuur” [Schuyt 1991:39].

      Marx concentreerde zijn analyses weliswaar op klassematige ongelijkheidsverhoudingen, maar keerde zich regelmatig —en furieus— tegen de opvatting dat alle sociale ongelijkheden als vormen van klassenongelijkheid geïnterpreteerd kunnen worden en tegen de daarmee corresponderende visie dat met de afschaffing van de klassenverschillen automatisch alle sociale en politieke ongelijkheden zouden verdwijnen.

      De tamelijk nuchtere stelling van Marx was “dat met de afschaffing van de klassenverschillen vanzelf alle daaruit voortkomende sociale en politieke ongelijkheid verdwijnt” [Marx Gotha:31]. Deze stelling bevat geen klassereductionisme. Er wordt immers niet beweerd dat met de afschaffing van de klassenverschillen álle sociale en politieke ongelijkheden zullen verdwijnen, maar slechts de ongelijkheden die door deze klassenverschillen zelf worden gegenereerd. Men zou wel vraagtekens moeten stellen bij het woordje ‘vanzelf’, voor zover daarmee een (al te simpel) automatisme wordt gesuggereerd.

    2. Economisme
      Het marxistische klassenbegrip zelf is eenzijdig en reductionistisch omdat klassen louter ‘economisch’ worden geanalyseerd; daarom is men eenvoudig niet in staat om andere niet-economische verschijnselen ook maar enige eigen betekenis toe te kennen. Marx’ conceptie van de economische bepaling van de klassensituatie was “too reductionist to be successful” en zou derhalve verbreed moeten worden [Bendix 1974:152]. Of nog banaler: “Voor het Marxisme was de drijvende kracht de productie-techniek” [Van Heek 1973:264]. Zie ook: Van Doorn/Lammers [1969:203] — maar niet meer in de herziene druk van 1976.

    Zoals bekend is het aanzienlijk moeilijker om uitgeputte of ondeugdelijke theoretische noties uit de literatuur te houden dan om productieve nieuwe theorieën erin te krijgen. Daarom is een meer dan evenredig deel van de theoretische discussies eerder kritisch dan constructief en zijn er hele academische carrières gebouwd op het herbegraven van reeds lang verstorven opvattingen. Zoals verouderde, uitgeputte theorieën en theorietjes telkens weer opnieuw in reprise gaan, zo worden ook verouderde kritieken tot in de treurigheid herhaald.

    Marxisten hebben zich op hun beurt vaak in een starre verdedigingspositie laten drijven, waarbij de klassentheorie dogmatisch werd geïmmuniseerd tegen elke ’aanval van buiten’ of ‘revisie van binnen’. Eenmaal tot theoretisch icoon verheven, kon de ‘revolutionaire’ of ‘proletarische’ klassentheorie krachtig worden geprofileerd ten opzichte van de ‘burgerlijke sociologie’ met haar stratificatietheorieën. In deze koude ideologische oorlog reproduceerde zich het denken in rivaliserende ‘kampen’, in een mechanisch tegenover elkaar stellen van ‘marxistische’ en ‘burgerlijke wetenschap’.

    Zowel in de politieke strijd als in het spel van intellectuele distinctie kunnen er rivaliteiten ontstaan, die door beide partijen worden gekoesterd: door hun onderlinge tegenstellingen bakenen zij immers het terrein van legitieme argumentatie af, waardoor elke poging om onvoorziene posities in te nemen wordt uitgesloten [Bourdieu 1981:282]. Niet alleen voor het ongelijkheidsonderzoek, maar ook voor klassentheorieën geldt dat veel controverses tussen schijnbaar onverenigbare benaderingen het resultaat zijn van “gebrekkige reflectie over de normatieve en politieke bindingen, zowel binnen als buiten het wetenschapssysteem. Deze grotendeels onbewuste politisering van wetenschappelijk onderzoek verhindert relationele cognitieve autonomie” [Bader/Benschop 1988:11].

    Het tijdperk van het denken in starre kampen en van het uitdiepen van loopgraven (tot zo’n diepte dat men de vermeende tegenstander nauwelijks meer in het vizier krijgt) ligt gelukkig grotendeels achter ons [Berger/Hradil 1990:4]. Het hele repertoire van ingeroeste wederzijdse vooroordelen is weliswaar niet volledig uit het sociaalwetenschappelijke theater verbannen, maar het wordt niet meer zo prominent opgevoerd.

    De laatste der Mohikanen
    Frank Parkin was een van die verlate mohikanen die in zijn frontale ‘bourgois critique’ op ‘de marxistische klassentheorie’ nog een poging doet het kampdenken nieuw leven in te blazen. Marx(isme) en Weber(ianisme) worden opnieuw recht tegenover elkaar gesteld.

    Toch moet ook Parkin erkennen dat het door de verscheidenheid van interpretaties moeilijker geworden is om over ‘de’ marxistische klassentheorie te spreken en dat het simpele contrast tussen ‘marxistische’ en ‘burgerlijke sociologie’ aan het vervagen is [Parkin 1979:23].

    Zodra echter één ‘marxistisch’ gekleurd auteur het waagt de rol van ‘gezag’ bij het afbakenen van de klassegrenzen te behandelen, wordt hij — in dit geval moet Carchedi het ontgelden — door de kamprechter onmiddellijk op de vingers getikt. Zo’n benadering is namelijk per Parkin-definitie een stilzwijgende erkenning van een “embarrassing affinity with Dahrendorf’s position”, waardoor ze niet meer te onderscheiden is van “the approach of modern bourgeois social theory” [idem, p. 24].

    De etiketten die op auteurs en benaderingen worden geplakt, moeten telkens geloofwaardig worden gemaakt: als ‘marxisten’ niet dogmatisch, ongeïnformeerd of dom zijn, dan zijn het in Parkin’s redenatie halve ‘weberianen’ die met een been in de ‘bourgeois sociology’ staan. “Inside every neo-Marxist there seems to be a Weberian struggling to get out” [idem, p. 25]. Vgl. hiertegenover zeer nuchter: Wright [1989:318 e.v.].

    Aan gene zijde van het kampdenken zijn nieuwe ruimtes ontstaan. Politieke ruimtes, die gebruikt kunnen worden om de eigen normatieve en politieke referentiepunten te expliciteren. Ruimtes voor intellectuele rivaliteit, die gebruikt kunnen worden om pseudo-controveres te overwinnen, om hierdoor beter zicht te krijgen op werkelijk concurrende theorieën, en om inzichten van verschillende theoretische benaderingen te integreren. Ruimtes voor relationele cognitieve autonomie, die gebruikt kunnen worden voor verdere ontwikkeling en precisering van de klassentheorie en voor vruchtbaar empirisch en historisch onderzoek.

    Index

    Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


    dr. Albert Benschop
    Sociale en Gedragswetenschappen
    Sociologie & Antropologie
    Universiteit van Amsterdam
    Gepubliceerd: Januari 1993
    Laatst gewijzigd: 03 January, 2017