Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact
Klassen
Ontwerp van een transformationele klassenanalyse
dr. Albert Benschop

Deel 1 Inleidende schermutselingen

I. Klassenanalyse als wetenschappelijk probleem

  1. Een verboden gedachte en omstreden begrip
    1.1 Opeenstapeling van sociale ongelijkheden
    1.2 Klasse als stigmatiserend en verwarrend concept
  2. Klassen in het alledaagse bewustzijn
    2.1 Leven we in een klassenmaatschappij?
    2.2 Klassen-notie als onderdeel van maatschappelijk denken
    2.3 Criteria van klassenidentificatie 2.4 Sociale positie en klassenidentificatie
    2.5 Klassenidentiteit en klassenhandelen
    2.6 Klassenbewustzijn in soorten en met mate
  3. Klassenbegrip in de sociale wetenschappen
    3.1 Klassen in het wetenschappelijk taalgebruik
    3.2 Van classificatie naar klassen 3.3 Sociaalwetenschappelijke klassenbegrippen
    3.4 Typologie van klassendefinities
  4. Theoretische referentiepunten
    4.1 Marx’ klassentheorie is geen voltooid systeem
    4.2 Dé marxistische klassentheorie bestaat niet
    4.3 Controverses binnen de marxistische onderzoekstraditie
    4.4 Wat is klassenanalyse?

Figuren
1_1 Maatschappijbeelden
1_2 Typologie van klassedefinities

Literatuur

© 1993-2017 • Universiteit van Amsterdam

1. Een verboden gedachte en omstreden begrip

1·1 Opeenstapeling van sociale ongelijkheden
De sociale structuur van de maatschappij waarin de kapitalistische arbeidswijze domineert, doet zich aan ons voor als een kolossale opeenstapeling van sociale ongelijkheden. Klassenongelijkheid is hiervan een elementaire vorm.

Er zijn weinig aspecten van het maatschappelijke leven die niet beroerd worden door klassenverschillen. De klassenpositie die iemand inneemt, werkt niet alleen door in de arbeids-, inkomens- en consumptieverhoudingen—, maar ook in levensstijl, maatschappelijk bewustzijn, cultuur, politiek, en zelfs in zulke ultieme en intieme kwesties als levensverwachtingen, seksuele relaties, huwelijk, religie, kansen op geluk en geestelijke gezondheid [Szymanski 1983:1,79,297; Reid 1989:395; Scase 1992:81; Aronowitz 2003; Bouffartigue 2004].

De klassenpositie heeft een sterke invloed op machtsposities die binnen allerlei organisaties ingenomen kunnen worden en structureert tevens de sociale interactiekansen, dat wil zeggen de selectiviteit van partnerkeuze, vrienden, buren en bekenden. En last but not least: klassenposities genereren niet alleen ongelijkheid van sociale levenskansen, maar zijn ook in sterke mate bepalend voor politieke handelingskansen.

Mensen uit de arbeidersklasse of uit de ‘laagste’ of ‘onderklasse’ behoren niet alleen tot degenen met de lagere inkomens, grotere werkloosheids- en gezondheidsrisico’s, slechtere kansen op woningmarkt, onderwijs enzovoort. Zij vertonen ook een gemiddeld lager geboortegewicht, een hoger percentage kindersterfte, zijn op volwassen leeftijd kleiner, sterven op vroegere leeftijd dan mensen in ‘hogere’, burgerlijke klassen.

“The world’s most ruthless killer and the greatest cause of suffering on earth is extreme poverty. Poverty is the main reason why babies are not vaccinated, clean water and sanitation are not provided, and curative drugs and oter treatments are unavailable and why mothers die in childbirth. Poverty is de main cause of reduced life expectancy, of handicap and disability, and of starvation. Poverty is a major contributor to mental illness, stress, suicide, family disintegration and substance abuse. Poverty wields its destructive influence at every stage of human life from the moment of cenception to the grave. It conspires with the most deadly and painful diseases to bring a wretche existence to all who suffer from it” [World Health Organization 1995 - Bridging the Gaps].
Hoe armer men is, des te lager is de levensverwachting en des te groter de waarschijnlijkheid op vroegere leeftijd te sterven: ‘Wenn du arm bist muß du früher sterben’. Dit is het gecombineerde effect van (i) de klassenselectieve beschikbaarheid van medische behandeling, (ii) de voeding en lichamelijke training, en (iii) de kans op ongelukken en ziektes die verbonden zijn met beroep, woningsituatie en sanitaire voorzieningen, vatbaarheid voor gewelddadige misdaden en vooral ook van grotere emotionele spanningen

De aanzienlijk hogere mortaliteitsratio’s onder arme mensen en leden van de arbeidersklasse manifesteren zich in specifieke doodsoorzaken, zoals tuberculose, kanker, hartziekte en suikerziekte. Ook kindersterfte (waarschijnlijk de beste indicatie voor de gezondheid van een sociale groep) komt bij gezinnen met een laag inkomen veel vaker voor dan bij hogere inkomensgroepen.

De kans om in een oorlog gedood te worden, wordt voor een belangrijk deel bepaald door de klassenpositie. Dat geldt ook voor de kans om slachtoffer te worden van geweldsmisdrijven.

Sneuvelkans
Kinderen van arme gezinnen —die minder uitzicht hebben op een goede baan— komen eerder in militaire dienst (resp. hebben minder kans zich hieraan te onttrekken) en worden als ze eenmaal in het leger zijn eerder gewone soldaten. Uit gegevens over Amerikaanse soldaten die in Vietnam gesneuveld zijn, blijkt dat soldaten uit arme gezinnen 1.8 keer zoveel kans hadden om gedood te worden als het gemiddelde [Zeitlin/Lutterman/Russel 1973; Zeitlin 1989:165-80; Fanfossen 1979:4]. Op basis van het aantal gesneuvelden uit Detroit tijdens de Koreaanse oorlog toonden Mayer/Hoult [1955] al eerder aan dat er differentiële sterfteratio’s bestaan voor verschillende sociale lagen. Diverse waarnemers kwalificeerden de Koreaanse oorlog als “a poor man’s war”. Zelfs de toenmalige onderminister van defensie John Hannah maakte zich daarover zorgen: “There is too much validity in the statement often made that the son of the well-to-do family goes to college and the sons of some of the rest go to Korea…” [United States News, 34:18-20, 1951]. Zie voor sociale, demografische en etnische differentiatie van sneuvelkansen van de Amerikaanse troepen in Irak: Mark [2007], Curtis/Payne [2010].

Suïcide
Bij suïcide is dit verband minder eenduidig, omdat zowel degenen die het ‘hoogst’ als het ‘laagst’ in de klassenstructuur staan zichzelf het vaakst doden. Niet alleen ongeschoolde arbeiders, maar ook professionals en managers plegen aanzienlijk vaker zelfmoord dan kantoorarbeiders, bankbedienden en geschoolde handarbeiders.

Aan de hand van zelfmoordcijfers in centraal Europa in het laatste deel van de 19e eeuw heeft Emile Durkheim [1897/1951] al laten zien dat de zelfmoordfrequentie in bepaalde sociale categoriën hoger is dan bij anderen. De mate van sociale integratie —hoe sterk imand door sociale connecties met anderen verbonden is— heeft een significantie invloed op de patronen van de zelfmoordratio.
De hoge zelfmoordratio onder professionals en managers wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het feit dat hun levenstijlen meer geïndividualiseerd zijn: hun sociale integratie in de lokale gemeenschap en de uitgebreide familie is zwakker en de sociale sancties op zelfmoordpogingen zijn kleiner. De stress die voor de laagste niveaus van de arbeidersklasse kenmerkend is, drijft deze groep naar zelfmoord, hoewel hierbij ook de zwakkere betrokkenheid in het gemeenschapsleven een rol kan spelen [Symanski 1983].

De hogere sterfteratio onder de arbeidende en lagere klassen wordt vooral veroorzaakt door de grotere emotionele spanningen die inherent zijn aan hun arbeids- en levenspositie. Mensen uit de arbeidersklasse en uit de lagere inkomensklassen staan zowel in hun werk-, woon- als thuissituatie in het algemeen bloot aan aanzienlijk grotere emotionele spanningen. Ziektes die hiervan het gevolg kunnen zijn, doen zich bij deze klassen daarom meer voor dan in de midden- of hogere klassen. De zwaarste vormen van somatische en psychische ziekten komen aanzienlijk meer voor op ‘lagere’ niveaus van de klassenstructuur dan aan de top. Mensen die aan chronische angst en depressie lijden hebben bijvoorbeeld een veel grotere kans om het slachtoffer van kanker te worden [Conrad/Kern 1981:458; Mackenbach 2004].

Mensen in de arbeiders- en onderklasse ervaren bovendien meer trauma’s: zij scheiden vaker van hun (huwelijks)partner, zij hebben vaker te maken met het overlijden van familieleden of vrienden, zijn vaker slachtoffer van geweldsmisdrijven (moord, roofovervallen, dreiging met geweld, verkrachting), verliezen eerder hun baan en hun huis (door brand, of na inkomensreductie door uitzetting). Emotionele spanningen impliceren een grotere kans om betrokken te raken bij ongelukken en verzwakken de weerstand tegen ziektes (en leiden hierdoor tot een verhoogd overlijdensrisico). Mensen die onder spanning staan roken, drinken en eten meer en gebruiken meer slaappillen, soft- en harddrugs. Daarbij komen nog de risico’s die direct aan de arbeidssituatie gebonden zijn: beroepsgebonden ziektes en bedrijfsongevallen. Mensen sterven meer aan beroepsgebonden ziektes dan aan ongevallen tijdens het werk. De bekende voorbeelden hiervan zijn: longziekte (silicone), veroorzaakt door kolendamp in de mijnen, radioactieve straling bij uraniumarbeiders, kanker als gevolg van het werken met asbest.

Verschillen in mortaliteit en chronische ziektes worden mede veroorzaakt door klassedrempels in de toegang tot de medische zorg en therapeutische behandelingen. Dit is vooral duidelijk in landen waar de medische zorg grotendeels in particuliere handen is. Arme mensen krijgen aanzienlijk minder medische zorg en als zij die krijgen via voorzieningen die door de staat worden gefinancierd, dan krijgen zij meestal de slechtste, in ieder geval een slechtere medische behandeling. In landen waar de ziekteverzekering en ziekenzorg overwegend door de staat is overgenomen, bestaat in de regel nog een zeer gedifferentieerd stelsel van particuliere ziekteverzekering en ziekenzorg voor degenen die geld hebben. Arbeiders en arme mensen die een aanzienlijk groter ziekte- en overlijdensrisico hebben, besteden en ontvangen echter ook in dit geval aanzienlijk minder aan medische voorzieningen dan de beter gesitueerde groepen die het gezondst zijn. Dit verschijnsel wordt ook wel als ‘the inverse care law’ (Hart) aangeduid [Hart 1971; Le Grand 1982; Watt 2002].

Bij de mentale gezondheid ligt dit niet veel anders. Zoals gezegd zijn spanning en onzekerheid in het leven van de subalterne klassen aanzienlijk groter dan in de midden- en hogere klassen. Als zij al toegang krijgen tot therapeutische voorzieningen dan worden zij gediagnosticeerd en getherapeutiseerd met behulp van criteria die op de hogere middenklassen zijn georiënteerd.

Leden van de werkende en ‘lagere’ klassen bezwijken eerder onder druk. Dit is het gecombineerde effect van minstens drie factoren: tijdens economische recessies en massawerkloosheid is er in het algemeen een sterke stijging in het aantal gehospitaliseerden met diagnoses als ‘neurose’ en ‘psychosen’; de arbeid die zij verrichten is repetitiever, inhoudslozer en geestdodender en door hun relatief lage kwalificatieniveau hebben zij grotere problemen om zich aan te passen aan technologische veranderingen; mensen uit de lagere en arbeidersklasse worden eerder psychotisch dan mensen uit de midden- en hogere klassen. Dit lijkt voor alle psychoses te gelden, dus niet alleen voor affectieve, schizofrene en seniele psychoses, maar ook voor psychoses als gevolg van alcoholisme en druggebruik.

Schizofrenie en verborgen neurosen
Schizofrenie is de mentale ziekte die het meest significant gerelateerd is aan klassenachtergrond (=klassenpositie van ouders). Mensen uit de arbeidersklasse hebben vijf keer meer kans om met schizofrenie gediagnosticeerd te worden dan andere groepen. Tegen de tijd dat zij contact hebben met een psychiatrisch hulpverlener, zijn de patiënten vaak al naar een lagere sociale klasse gedegradeerd. De correlatie tussen klassenpositie en schizofrenie is dus mede een gevolg van het feit dat schizofrene slachtoffers op de maatschappelijke ladder dalen.

Sociologen zijn nog steeds verdeeld over de vraag of mensen arm worden omdat zij mentaal ziek zijn en dus niet in staat om te functioneren (sociale selectie), of dat zij mentaal ziek worden omdat zij arm zijn (sociale causatie). Veel, waarschijnlijk de meeste, mensen met een psychotische aandoening krijgen overigens nooit een behandeling [Goldberg/Morisson 1963; Rossidies 1976:198; Wiersma/Giel/De Jong 1983; Reid 1989:137 e.v.; Warner 1995; Mulvany et al 2001].

Neuroses lijken daarentegen meer voor te komen in de hogere klassen. Hiervoor zijn een aantal redenen.

  • Mensen uit de arbeidersklasse zoeken minder snel een behandeling voor neurosen. Neurotisch gedrag wordt hier veeleer geïnterpreteerd in termen van: ‘last van zenuwen’, ‘nervositeit’ of als ‘gewoon gek’, zodat er geen hulp gezocht wordt bij hulpverleners of psychiaters. Daarentegen zijn mensen uit de middenklasse vaker trots om naar ‘mijn therapeut’ te gaan en praten zij vaker over hun psychotherapie. Therapeutische hulp is iets waarvoor men zich in de arbeidersklasse vaker schaamt, terwijl het door de loonafhankelijke middenklassen vaker als normaal wordt gezien. In beter gesitueerde kringen is men meestal meer vertrouwd met medisch-therapeutische specialisten en is men vaak toleranter ten opzichte van neurotische storingen. Waar die tolerantie ontbreekt, neemt de kans toe dat deviant gedrag wordt toegeschreven aan psychische ziektes, in plaats van opgevat als iets ‘vreemds’, ‘afwijkends’ dat bestraft moet worden.

  • Het definiëren van iemand als neurotisch is tamelijk arbitrair, zowel van de kant van de familie en vrienden van de mensen die het betreft als van de kant van de gezagsdragers. In geval van psychotisch gedrag lijkt er minder ruimte te zijn voor sociaal flexibele definities van mentale devianties. Uitingen van psychotisch gedrag worden door buitenstaanders (familieleden en vrienden, onderwijzers en autoriteiten) minder snel over het hoofd gezien, ook al worden zij nog zo verschillend geïnterpreteerd en benoemd. Bovendien is het voor psychotische individuen zeer moeilijk om een of andere vorm van behandeling of hospitalisering te voorkomen. Daarom suggereren veel onderzoekers dat de statistieken over psychosen een meer accurate weergave zijn van de werkelijke sociale verdeling van ‘nervous breakdowns’. De cijfers over neuroses reflecteren in veel sterkere mate de variabele sociale definities die in verschillende sociale klassen dominant zijn.
Zie hiervoor de studies van: Hollingshead/Redlich [1958], Zola [1973], Kosa/Zola [1975], Nijhof [1979], Brinkgreve e.a. [1979], Szymanski [1983:314 e.v.], Waitzkin/Waterman 1974], Waitzkin [1983], Oppolzer [1986], De Swaan [1990], Busfield [2000, 2011], Rogers/Pilgrim [2003], Murali/Oyebode[2004].

Deze schets van uiteenlopende klassenspecifieke en -selectieve verschijnselen zou men nog even kunnen voortzetten. Men kan immers moeilijk zwijgen over de klassengebondenheid van

De klassengebondenheid van al deze verschijnselen is in talloze onderzoekingen aangetoond. Wat daarbij vooral in het oog springt en veel onderzoekers heeft verrast, is dat ondanks de vele maatschappelijke veranderingen en ondanks alle sociaal-politieke herverdelingsinitiatieven de klassenongelijkheden zo’n extreem grote stabiliteit vertonen. Zelfs op gebieden waar de retoriek van gelijkheid het sterkst is —zoals onderwijs en gezondheidszorg— zijn er aanwijzingen dat de relatieve klassenverschillen groter, resp. stabieler zijn geworden. Tegelijkertijd kan er in een aantal gevallen verandering naar grotere gelijkheid worden geconstateerd. Dit verandert echter niets aan “het algemene beeld van de stabiliteit van relatieve klassenverschillen binnen de context van algemene verandering in de maatschappij” [Reid 1989:396].

De paradox van moderne kapitalistische maatschappijen is dat zij zowel stabiele en relatief constante sociaalstructurele klassenverhoudingen vertonen als flexibiliteit, differentiatie en beweging. Naast continuïteit, consistentie en structurele consolidering van klassenverhoudingen en -reproductiemechanismen doen zich ook nieuwe differentiatietendenzen voor die leiden tot een heterogenisering van klassenposities, pluralisering van klassenspecifieke levensstijlen, erosie van gedragsbepalende klassenspecifieke sociaal-morele milieus, en individualisering van levensverhoudingen en -wegen. Deze structurele meerduidigheid van moderne klassenverhoudingen is de bron van vele controverse analyses van sociale wetenschappers, die meestal één van deze ‘gezichten’ op de voorgrond stellen. Deze controverses kunnen slechts met de grootste moeite (en polemische overdrijving) onder de hoed worden gebracht van een consistentieparadigma versus een differentiatieparadigma [Berger 1990:319; Berger/Sopp 1991].

De ongelijkheid van levenskansen vloeit voort uit de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over zeer uiteenlopende maatschappelijke bronnen en beloningen. Klassenongelijkheid is een fundamentele structuurvorm van sociale ongelijkheid. Zij resulteert uit de ongelijke beschikkingsmacht over directe bronnen die de mogelijkheid bieden dat de ene —uitbuitende— klasse zich de meerarbeid van de andere —uitgebuite— klasse toeëigent.

Index


1Á2. Klasse als stigmatiserend en verwarrend concept
‘Klasse’ is een stigmatiserend woord en ‘klassenstrijd’ is een gestigmatiseerd thema. Wie het woord klasse of klassenstrijd in de mond neemt of uit zijn pen laat vloeien is verdacht, of minstens politiek geplaatst. Hij of zij staat al snel onder de verdenking zo’n ‘achterhaald’ trefwoord met zeer specifieke politieke bedoelingen te hanteren: Wie zich toch wil bezighouden met maatschappelijke klassen, moet dus rekening houden met de opmerking die Richard Tawney zo’n halve eeuw geleden maakte in zijn ‘analyse van de ravages van de ziekte van ongelijkheid’:

Degenen die toch dat stereotype woord gebruiken, plaatsen zichzelf daarmee buiten de grenzen van de dominante cultuur. Vooral in de Verenigde Staten werd dit lange tijd opgevat als een indicatie dat zij loyaal waren met een vreemde, vijandige doctrine. “In the US the word ‘class’ is symbolic of stereotype conceptions, and is apt to convey the impression that the person who speaks of ‘class’ is moving outside the bounderies of American culture or indicating an allegiance to the ‘foreign’ doctrine of Marxism” [Page 1940:xi].

In Nederland was dit niet veel anders, hoewel daar natuurlijk vooral gefulmineerd werd tegen het onchristelijke karakter van het denken in klassentermen:

Het idee van klasse is in de ontwikkelde kapitalistische metropolen een soort ‘verboden gedachte’ [Blumberg 1980] geworden. Toch zijn er altijd mensen geweest die zich van een dergelijk verbod niets hebben aangetrokken. Zij meenden dat het onmogelijk is om over klassen en klassenstrijd te zwijgen, zolang de maatschappelijke structuren en sociale levensverhoudingen van de ontwikkelde kapitalistische staten nog steeds door uitbuitingsverhoudingen gekenmerkt worden. Zolang dit het geval is, zal het probleem van klasse en klassenconflict een kernthema blijven van zowel sociaalwetenschappelijke als politiek-culturele discussies.

Geladen begrip
“Door wat er met het begrip klasse in de alledaagse politiek gebeurt is, kan het gebruik in het alledaagse taal niet onbevangen zijn. Het trekt nog steeds een scheidslijn in de politieke wereld” [Krysmanski 1989:149]. Zie ook: Giddens [1973:9], P. Berger [1987:74], Kreckel [1990:52].
In deze debatten heeft bijna elk woord een geladen en omstreden betekenis. Het is zelfs roekeloos om over dit onderwerp te schrijven — men raakt onvermijdelijk betrokken in grote controverses. ‘Klasse’ is een politiek en ideologisch verdrongen gedachte, maar het is ook wetenschappelijk gezien een uitermate omstreden begrip.

Overladen begrip
“Als begrip heeft klasse zoveel betekenis opgezogen dat het te lijvig is geworden om te gebruiken. Omdat het zo vaak gebruikt wordt zonder duidelijk gespecificeerde definitie, worden discussies over klasse vaak conversaties waarin mensen langs elkaar heen praten omdat zij over verschillende dimensies van klasse spreken” [Katznelson 1986:14]. Zie ook: Fussel [1983], Scase [1992:1], Beynon [1992:249].
Hoewel het woord klasse relatief vaak gebruikt wordt, kan eigenlijk niemand precies zeggen wat het betekent, omdat bijna iedereen er een andere betekenis aan hecht. Zowel in het alledaagse als wetenschappelijke taalgebruik wordt de term klasse op zeer uiteenlopende manieren gebruikt.

Laten we beginnen een antwoord te geven op de schijnbaar meest eenvoudige vraag: Wat zijn klassen? Klassen zijn misschien wel een te belangrijk onderwerp om aan sociale wetenschappers over te laten. Voordat we ons laten informeren door de theoretische uiteenzettingen en standpunten van sociale wetenschappers zouden we daarom eerst te rade kunnen gaan bij de ‘spontane sociologie’ (Bourdieu). “The starting point of social science is to be found in ordinary social live” [Alfred Schütz 1932/72:140].

Index2. Klassen in het alledaagse bewustzijn

Als mensen over maatschappelijke problemen spreken of hierover worden ondervraagd, maken zij relatief weinig gebruik van het woord klasse. Maar als mensen zich uitlaten over thema’s zoals rijkdom en armoede, ongelijkheid of succes refereren zij in alledaagse of omgangstaal vaak direct aan ‘maatschappij’, ‘stratificatie’ en ook ‘klasse’ [Willener 1957:214; Townsend 1979; Herkommer 1979; Bourdieu 1979; Marshall 1983:272,288; Marshall e.a. 1988].

De vraag wat klasse in het dagelijkse taalgebruik betekent, is niet eenvoudig te beantwoorden. We moeten daarbij vertrouwen op de indicaties die middels empirische studies zijn verkregen. Omdat deze indicaties schaars en niet altijd even eenduidig zijn, laten zij meerdere interpretaties toe. Bovendien bestaan er ten aanzien van de klassenvocabulaire aanzienlijk verschillen in culturele tradities tussen diverse naties en staten.

Index


2·1 Leven we in een klassenmaatschappij?
De eerste vraag is, óf mensen de maatschappij waarin zij leven als een klassenmaatschappij ervaren en wát zij onder een klassenmaatschappij verstaan.

In onze ‘modern-industriële, informatie-, vrijetijds-, consumptie-, welvaartsmaatschappij’ met zijn democratische rechts- en verzorgingsstaat is de voorstelling van een klassenmaatschappij niet erg verspreid. Ook loonarbeiders hanteren niet vaak de term klassenmaatschappij als zij spreken over hun eigen westerse samenleving. De teneur van de uitlatingen is meestal dat het begrip achterhaald is. Soms wordt dit verbonden met de overweging dat dit begrip te veel aan klassenstrijd herinnerd en dat deze oude, 19e eeuwse tijden immers allang voorbij zijn.

Een aanzienlijk deel van degenen die zichzelf tot de arbeidersklasse rekenen, gebruikt echter zelf regelmatig het begrip klassenmaatschappij. Zij verrassen hun interviewers niet zelden met een zekere trotse reactie in de geest van: ‘jazeker, we leven nu eenmaal nog steeds in een klassenmaatschappij’ [Kudera e.a. 1979:352].

De frequentie waarmee de term klassenmaatschappij wordt gebruikt, varieert niet alleen met de specifieke sociale positie van de sprekers, maar is ook sterk afhankelijk van de mate waarin socialistische (denk- en taal)tradities intact zijn gebleven, dan wel onderdrukt werden door een massieve en langdurige fascistische repressie, een fanatiek anticommunisme in de Koude Oorlogsperiode en/of door het meer hybride, maar uiterst effectieve mengsel van ideologieën van de genivelleerde, technocratische, pluralistische, geïndividualiseerde welvaarts-, consumptie- of informatiemaatschappij. Ook het woordgebruik behoort tot de culturele tradities die verdrongen en vernietigd kunnen worden.

Woorden die men niet mag gebruiken
Hoe het gebruik van bepaalde verdrongen en vernietigd kan worden, kan het beste worden geïllustreerd aan de vernietiging van de socialistische tradities door het nationaal-socialisme in Duitsland [Negt 1975; 1976:367-79].

In Engeland zijn de klassenspecifieke culturen en taaltradities van de arbeidersbeweging veel meer intact gebleven. Daar vormt de klassenterminologie een veel vanzelfsprekender onderdeel van het alledaagse en politieke taalgebruik en is het gebruikelijker om sociale klassencategorieën en politieke krachten met elkaar in verband te brengen:

    “Er worden gemakkelijker vergelijkingen gemaakt tussen sociale en politieke krachten om in het algemeen gedacht wordt dat een groot deel van de Engelse politieke geschiedenis samenvalt met klassenverbindingen en op het niveau van de alledaagse taal is een van de eigenaardigheden van Engeland de alomtegenwoordigheid van het gebruik van diverse vormen van klassenvocabulaire” [Stedman-Jones 1983:2].

Anders dan in Duitsland ondervonden de klassentalen in Engeland nooit enige serieuze concurrentie van oudere standstalen.

Zie voor historische analyses van de klassentalen in de Engelse areidersbeweging: Briggs [1967/83] voor de 19e eeuw en Stedman-Jones [1983] voor de periode 1832 tot 1982. Zie voor een historische analyse van de betekenis van de politieke klassentaal in Frankrijk: Sewell [1986]. En voor een vergelijking tussen egalitaire bewegingen en klassenradicalisme in Frankrijk en Engeland: Gallie [1983].

De reacties op de vraag of we in een klassenmaatschappij leven, zijn nogal ambivalent. Ook al wordt het bestaan van een klassenmaatschappij ontkend, toch komt in de reacties op de vraag toch vaak impliciet en in verschillende varianten het element van belangenantagonisme naar voren. De overgrote meerderheid van de bevolking lijkt zich wel degelijk bewust te zijn van de distributieve ongelijkheid. Overheersend is de opvatting dat uit de bestaande verdelingsongelijkheid spanningen en conflicten voortvloeien [Sandberger 1983:186; Marshall e.a. 1988:153]. Anderzijds stemt men overwegend in met de opvatting dat het inkomen zich in eerste instantie richt naar de prestatie, dat iedereen de kans heeft om ‘hogerop’ te komen en dat het zoeken naar individuele stijgingsmogelijkheden voor de leden van de onderste sociale lagen betere kansen biedt dan solidariteit en collectief handelen.

Bij de evaluatieve oordelen over de stratificatie-orde hebben kritische stellingnames duidelijk de overhand, met name ten aanzien van de onrechtvaardigheid van zeer hoge inkomens en grote politieke invloed. In het algemeen lijkt een gematigd egalitaire houding overheersend [Wijngaarden/Hermkens/Knippers 1988; Szirmai 1986; Berting 1986; Berting e.a. 1987]. Deze nivelleringsethos is echter zeer ambivalent: enerzijds een duidelijk bewustzijn van bestaande verdelingsongelijkheid en brede kritiek op de stratificatie-ordening, anderzijds een affirmatief-legitimerende zienswijze van de kansenstructuur en een afwijzende houding tegenover protestacties (‘lsociaal-pacifistisch’).

De afwezigheid van directe referenties aan maatschappelijke klassen —in interviewsituaties— wil dus niet zeggen dat belangentegenstellingen worden ontkend. Degenen die moeite hebben om het klassenbegrip te hanteren of die haar validiteit in het algemeen ontkennen, hebben in de regel toch een zeer duidelijke opvatting over sociale ongelijkheden in een meer algemene zin. Belangentegenstellingen komen daarbij niet zozeer naar voren in de vorm van offensieve klassenstrijd, maar in de dimensie van de altijd en overal aanwezige belangenconflicten tussen arbeiders (‘werknemers’) en ondernemers (‘werkgevers’).

In diverse empirisch studies werd gedetailleerd nagegaan hoe deze conflicten voor loonafhankelijke arbeiders ‘neerslaan’ in de dagelijkse ervaringen van dwang, van het zich moeten verweren tegen verslechteringen, van het moeten werken onder onzekere en restrictieve voorwaarden, zonder daarmee veel meer te bereiken dan in —‘lang niet altijd even slecht, maar toch nooit echt aangenaam’— leven te blijven. De fundamentele aspecten van geleefde ervaring van de arbeidersklasse die zijn afgeleid van haar positie in de maatschappelijke arbeids- en klassenverhoudingen worden geanalyseerd door Wright [1989:289,337].

De ervaringen van maatschappelijke ongelijkheid en afhankelijkheid, maar ook van individuele mogelijkheden, vrijheid en eigendom concentreren zich in een voorstelling van een bepaalde structuur van de maatschappij, in een maatschappijbeeld.

Onderzoek naar maatschappijbeelden
Een maatschappijbeeld is een door de leden van een maatschappij ontwikkelde voorstelling over de opbouw van hun samenleving, met behulp waarvan de individuele situatie in relatie tot die van anderen gedefinieerd kan worden. Daarbij wordt altijd een bepaald soort differentiatie van de samenleving verondersteld op basis van een of meerdere dimensies die voor individuen relevant zijn.

De eerste pogingen om maatschappijbeelden empirisch in kaart te brengen werden gedaan door Geiger [1949], Centers [1949 — al is het alleen maar vanwege de hoeveelheid kritiek die zijn sociaal-psychologische studie wist aan te trekken], Willener [1957], Popitz e.a. [1957], Andrieux/Lignon [1960]. Vergelijk verder: Bahrdt [1985], Golthorpe e.a. [1968-1969], Herkommer [1969], Deppe [1971], Golthorpe [1974], Scase [1974], Bierbaum e.a. [1977], Kudera e.a. [1979], Davis [1979], Coxon e.a. [1986], Marshall e.a. [1988], Kreckel [1992], Dietmaier [2005]. Vgl. voor Nederland: Hermkens [1985], Szirmai [1986], Berting e.a. [1987].

Het model van een dichotomie doet zich op vele terreinen gelden [Schwartz 1981:161; Coser 1973:442; Herkommer/Bischoff e.a. 1979; Erbslöh 1989]. De grondslag of het prototype daarvan is de meestal duidelijk te identificeren belangentegenstelling tussen loonafhankelijke arbeiders en ondernemers. Maatschappijbeelden zijn telkens verschillende interpretaties van dit belangenantagonisme. De kern van dit dichotome maatschappijbeeld is enerzijds een zeer pregnant bewustzijn van de eigen sociale situatie, anderzijds de ervaring van afhankelijkheid van deze situatie van de belangentegenstelling tussen arbeiders en ondernemers. Deze belangentegenstelling biedt het centrale perspectief voor de beoordeling van maatschappelijke en politieke kwesties. Zij vormt de ‘vluchtheuvel’ voor bijna elke argumentatie:

In de ogen van de arbeiders is deze belangentegenstelling bepalend voor hun maatschappelijke situatie; de ervaring van deze situatie als benadeelde situatie is uitgangspunt voor opvattingen over de opbouw van de maatschappij.

Hierin drukt zich de dwang tot loonarbeid uit, waaraan men zich moet onderwerpen als men het eigen bestaan wil veiligstellen. Het bewustzijn van deze afhankelijkheid is zo sterk dat de vooronderstelling daarvan, het systeem van loonarbeid, ondanks alle kritiek op onderdelen vaak niet fundamenteel ter discussie wordt gesteld.

Opvattingen die uitgaan boven het articuleren van de opgelegde situatie en die de opbouw van de maatschappij als geheel articuleren zijn weinig aanwezig. Als ze al bestaan en expliciet worden geuit, dan hebben ze meestal het karakter van “laconieke statements, waarvan de kortheid een twijfelloze zekerheid bevat, dat het is zoals het is” [Kudera e.a. 1979:354].

De voorstellingen worden niet gearticuleerd in een coherente ideologische vorm, maar fragmentarisch, incoherent of onzeker [Converse 1964; Bulmer 1975:5; Mann 1975; J. C. Scott 1985; Bader 1991, hft. VI].

Tegenstrijdige bewustzijnsvormen
Een maatschappijbeeld is niet per se —en in de regel zelfs hoogst uitzonderlijk— eenduidig, logisch consistent of systematisch geordend. In zijn studie over klassenverhoudingen op het platteland in Engeland trekt Howard Newby de volgende conclusie:
    “Het patroon van de sociale relaties van de meeste individuen is zodanig dat zij zijn uitgerust zijn met verschillende, conflicterende en vaak tegenstrijdige meningen over de aard van de maatschappij als geheel en hun eigen positie daarbinnen. Hieruit wordt er geen enkel ondubbelzinnig maatschappijbeeld opgebouwd. … Gezien de mengeling van werk- en gemeenschapssituaties die de meesta landarbeiders ervaren is een dergelijke ambivalentie geen erg opmerkelijke of onverwachte uitkomst” [Newby 1979:402 e.v.].

Deze conclusie is zeker niet beperkt tot landarbeiders, maar geldt voor alle onderdelen van arbeidersklasse. Met sociologische surveys krijgt men geen greep op deze tegenstrijdige bewustzijnsvormen van de arbeidersklasse.

    “In enquêtes worden de paradoxen in het bewustijn over het hoofd gezien omdat zij de antwoorden van de respondenten gefixeerd en statisch vastleggen. Het sluit ook een collectieve dynamiek in klassenbewustzijn uit door te veronderstellen dat collectief bewustzijn kan worden afgeleid van de som van afzonderlijke individuele houdingen. De optelsom van de opinies van individuele respondenten die op een bepaald tijdstip kan volledig verschillen van het ‘bewustzijn’ dat door dezelfde ‘respondenten’ wordt uitgedrukt in het heetst van collectieve acties en interacties” [Fantasia 1988:6].
Middels enquêtes is het bijna uitgesloten om zicht te krijgen op de tegenstrijdige gedachtenlijnen en op de wijze waarop individuen deze contradicties synthetiseren.

De concentratie op de verhoudingen waaraan men onderworpen is en waarmee men hoe dan ook moet ‘leren leven’, biedt weinig ruimte voor reflectie over dingen die daar boven uitgaan. Wanneer dergelijke voorstellingen worden geuit, worden ze door onderzoekers meestal ‘bleek’ en ‘eentonig’ genoemd.

Index


2·2 Klasse-notie als onderdeel van het maatschappelijk denken
De manier waarop de vraag naar de klassenidentificatie gesteld wordt is natuurlijk —zoals ook uit de geformuleerde vraag blijkt— allesbehalve neutraal. De kiene reactie van respondenten op dit soort gekleurde vragen is: ‘You asks your question and you gets your answer’. Onderzoekers die hiervoor het meest sensibel zijn, weten dat dit zeer moeilijk oplosbare methodologische problemen met zich meebrengt. Een overzicht van de problemen van klassenidentificatie en -identiteit geven Jackson/Jackson [1983].
De vraag in hoeverre de notie van klasse überhaupt onderdeel is van het maatschappelijke denken van mensen kan bij benadering worden beantwoord door na te gaan hoe mensen reageren op de vraag: ‘Denkt u dat u zelf tot een bepaalde klasse behoort?’ De resultaten van het empirische onderzoek lopen op dit punt nogal uiteen.

Studies over klassenidentificatie
Veel sociologen gaan uit van de vooronderstelling dat de subjectieve klassenidentificatie de laatste decennia sterk is afgezwakt of zelfs geheel verdwenen zou zijn. Vooral de loonafhankelijke arbeiders zouden daarbij in toenemende mate hun specifiek ‘proletarische’ klassenidentiteit verliezen [Golthorpe e.a. 1969:1-29;1976; Arts 1973; MacKenzie 1974; Masey 1975; Dalia/Guest 1975; Mahnkopf 1985; Van Snippenburg/Felling 1989:81; De Witte 1991a; Van Snippenburg 1989:8-30].

Ik ga hier niet uitvoerig in op de (legende van de) ‘verburgerlijking’ van de arbeidersklasse, en beperk me tot een aanduiding van een paar algemene onderzoeksresultaten.

In een van de eerste naoorlogse studies over klassenidentificatie ondervroeg Richard Centers een representatief deel van de mannelijke beroepsbevolking van de VS. Hij kwam daarbij tot de conclusie dat 98% van de geënquêteerden zich met een sociale klasse identificeerde [Centers 1949; 1965:326-39]. Volgens het oudere Franse onderzoek van Willener [1957] rekenden 88% van de ondervraagden zichzelf tot een bepaalde sociale klasse.

Voor een voorzichtige vergelijking kunnen we het beste kijken naar de uitkomsten van een aantal Engelse studies. Volgens het eerste bekende onderzoek van Martin identificeert 96% van de onderzochte populatie zichzelf met een of andere sociale klasse [Martin 1954]. In het begin van de jaren zestig kwam Runciman [1966] tot het resultaat dat 83% van de respondenten zichzelf in een specifieke klasse plaatst en na een vervolgvraag waarin respondenten gedwongen werden zich bij midden- dan wel arbeidersklasse in te delen zelfs 99%. Het extreem hoge percentage bij Runciman werd waarschijnlijk vooral bereikt door de sturende vraagstelling: ‘What social class would you say you belonged to?’ en de vervolgvraag: ‘If you had to say middle or working class, which one would you say?’ In diezelfde periode komen andere onderzoekers —met sturende vragen— tot vergelijkbaar hoge percentages: 93 % bij Rosser/Harris [1965] en 96% bij Kahan/Butler/Stokes [1966].

Butler en Stokes deden tweemaal onderzoek met dezelfde vraag: ‘Do you ever think of yourself as belonging to a particular class?’ In 1964 antwoordde 50% van de ondervraagden hierop bevestigend, terwijl dit in 1970 was gedaald tot 43% [Butler/Stokes 1974].

Het onderzoeksteam van Townsend in 1968-1969 formuleerde de vraag iets anders en kwam tot de conclusie dat 80% van de ondervraagden zich ‘spontaan’ bij een bepaalde sociale klasse indelen [Townsend 1979]. In de jaren zeventig werden een aantal studies uitgevoerd met de rechtstreekse vraag: “Do you think there are social classes in Britain today”. Hieruit komen eveneens zeer hoge percentages naar voren: NOP [1972] – 91%, Roberts e.a. [1977] – 96% en Reid [1978/89] – 97%.

Ook in de jaren tachtig blijft het percentage dat zichzelf als lid van een bepaalde klasse identificeert zeer hoog: 96% volgens Airey [1984] en 96% volgens Abbott/Sapsford [1987]. Volgens het onderzoek van Marshall e.a. [1988:144] rekent 60% van de onderzochte populatie zichzelf bij een bepaalde sociale klasse; 90% kan zichzelf bij een specifieke klassencategorie indelen. Dit laatste project is onderdeel van het internationale survey onderzoek dat sinds 1980 op initiatief van Eric Olin Wright wordt uitgevoerd. Hierin werd een meer open vraag gehanteerd: ‘Do you think of yourself as belonging to any particular social class?’ Ook de vervolgvraag is open geformuleerd: ‘Suppose you were asked to say which class you belonged to, which would you say?’

Uit een Australisch onderzoek van Chamberlain [1983] komen vergelijkbare resultaten naar voren. Rond de 80% van de respondenten zijn van mening dat er sociale klassen bestaan, en meer dan 90% identificeert zichzelf in klassentermen.

Het is moeilijk te beoordelen of de verschillende uitkomsten van deze empirische onderzoekingen een bewijs of indicatie zijn van het verval van klassenidentiteiten, of louter een artefact van de verschillende vragen die werden gesteld. Dergelijke studies tonen in ieder geval aan dat de ondervraagden voorstellingen over de klassenstructuur hebben die min of meer spontaan naar voren komen, dat wil zeggen zonder dat onderzoekers zelf een bepaalde klassennotie suggereren of een bepaalde lijst van klassen op tafel leggen. Bovendien blijkt dat degenen die in klassentermen denken zichzelf meestal definiëren als behorend tot de ‘arbeidersklasse’ of tot de ‘middenklasse’ [Martin 1954; Runciman 1966; Kahan/Butler/Stokes 1966; Marshall e.a. 1988:144; Reid 1989:34].

Men kan ook meer sturende vragen stellen door de respondenten een standaardlijst met klassen voor te leggen en te verzoeken om zichzelf daarin te plaatsen. Dan blijkt uit al het onderzoek dat de overweldigende meerderheid zichzelf plaatst in de midden- of arbeidersklasse of in een van de onderdelen hiervan. Over de precieze kwantificering kan men twijfels behouden, maar volgens diverse auteurs is de twee-klassen conceptie (arbeiders-middenklasse) zeer diep in het maatschappelijke bewustzijn verankerd [Ossowski 1962; Bulmer 1975:8. En voor het aantal klassen dat wordt onderscheiden: Kahl 1957:19; Lewis 1963/74:170-3; Britten 1984].

Index


2·3. Criteria van klassenidentificatie
Klasse lijkt nog steeds een zeer belangrijke bron van sociale identiteit; ze is natuurlijk niet de enige grond op basis waarvan mensen bepalen wie ‘we’ zijn, maar misschien wel een van de meest algemene. Dit betekent echter niet dat iedereen er hetzelfde klassenbeeld op na houdt, of dat mensen gelijkluidende opvattingen hebben over de factoren die het klassenverschijnsel constitueren. Integendeel, de visies die mensen hebben over klassen lopen zo sterk uiteen dat men zich soms afvraagt of zij het wel over dezelfde maatschappij hebben. In een aantal opzichten is dit inderdaad niet het geval. Iedereen baseert zijn ideeën over klasse immer op zijn eigen ervaringen. Daarom is het nauwelijks verrassend dat iedereen een verschillend beeld van de klassenstructuur als geheel heeft.

We kunnen bij benadering aangeven wat de basis is van klassenidentificaties, dat wil zeggen op grond van welke criteria mensen zichzelf of anderen bij deze of gene klasse indelen. Het beschikbare onderzoek laat zien dat de respondenten hierover nogal globaal, om niet te zeggen vaag zijn.

  1. De meeste respondenten zien klasse als een functie van het beroep of van het soort werk(gelegenheid). Dit geldt met name voor degenen die zichzelf bij de arbeiders- of middenklasse indelen. Zij definiëren klassen dus in termen van mensen die in specifieke industrieën of banen werken, professionals, geschoolde arbeiders. De arbeidersklasse wordt in dit verband geïdentificeerd met handarbeiders en ongeschoolde arbeiders; de middenklasse met professionals, managers, zakenlieden en employés.

  2. De ‘hogere’ en ‘hoogste’ klasse worden echter overwegend gedefinieerd in termen van status en levensstijl; dit wordt direct aangevuld met inkomensniveau en marktpositie.

  3. Tenslotte is natuurlijk ook het inkomen als zodanig een vaak gebruikt klassencriterium alsmede de verhouding tot het markt- en productiesysteem. Daarbij worden de hogere en middenklassen vaak beschreven als ‘grondbezitters’ of ‘bedrijfseigenaars’ terwijl de arbeidersklasse wordt opgevat als ‘zij die voor hun loon moeten werken’, of ‘zij die voor iemand anders moeten werken’.

Inconsistentie van indelingscriteria
Er zijn diverse studies gedaan naar de criteria op grond waarvan mensen zichzelf of anderen bij een bepaalde klasse indelen [Martin 1954; Bott 1957/71; Kahan/Butler/Stokes 1966; K.U. Mayer 1975:82; Bolte/Hradil 1984; Abbot/Sapsford 1987; Knudson 1988; Marshall e.a. 1988:145]. De verschillen in resultaten van dit type onderzoekingen zijn sterk afhankelijk van de vragenlijsten die worden gebruikt, het verschil in onderzoekspopulaties en met name ook van de concrete situaties waarin mensen worden ondervraagd en door wié zij worden ondervraagd.

Sociologen die de tegenstrijdigheden van hun respondenten als argument gebruiken om het bestaan van klassen te ontkennen, onthullen hiermee volgens Bourdieu [1979:551] slechts dat zij niets begrijpen van de wijze waarop de ‘sens pratique de l’espace social’ werkt of van de kunstmatige situatie waarin zij deze laten werken.

Het praktische gevoel voor sociale ruimte komt tot uiting in de wijze waarop mensen zichzelf in de sociale klassenverhoudingen situeren en aan anderen een plaats toekennen. Het refereert altijd aan de specifieke situatie waarin dit gevoel praktijken oriënteert. Daarom zijn er bijvoorbeeld altijd duidelijke verschillen tussen onderzoeksresultaten die betrekking hebben op de beelden van lokale klassenverhoudingen (zoals deze in gemeenschapsstudies worden gedaan) en van nationale klassenverhoudingen [zie ook al Lenski 1952 en Bott 1957/71]. De respondenten variëren daarbij niet alleen in het aantal verdelingen dat zij binnen een groep maken en in de grenzen die zij tussen klassen en sociale lagen aanbrengen, maar ook in de criteria die zij gebruiken om deze grenzen te definiëren. Dit is niet louter het gevolg van de ‘vaagheid’ of ‘inconsistentie’ die inherent is aan alle praktische logica’s (zoals in de intellectualistische en logocentrische traditie wordt beweerd).

Deze inconsistenties zijn het gecombineerde effect van minstens drie factoren.

  • Het beeld dat mensen hebben van de classificatie is een functie van de positie die zij daarbinnen innemen. Individuen gebruiken hun zeer uiteenlopende en heterogene persoonlijke ervaringen met exploitatie, macht en prestige als grondstof voor de constructie van hun beeld van de klassenstructuur.

  • De classificaties en indelingscriteria die mensen hanteren, refereren altijd aan praktische, specifieke belangenconstellaties en -situaties. De door henzelf geconstrueerde classificaties en indelingscriteria worden in uiteenlopende contexten gebruikt om vergelijkingen te maken en waarderingen te geven. In dagelijkse conversaties gebruiken mensen nooit alle criteria die zij voor hun beeld van de klassenstructuur gebruiken. Het gebruik van deze criteria varieert naar de directe sociale situatie en naar het specifieke doel van de vergelijkingen en evaluaties.

  • De specifieke onderzoekssetting (plaats, tijdstip, prestige van de onderzoeker enzovoort) vormt een essentieel onderdeel van de concrete situatie die bepalend is voor de feitelijke articulatie van alledaagse oordelen over klassen en klassenindelingen. De antwoorden van een respondent worden in sterke mate beïnvloed door zijn directe sociale situatie, en met name door zijn relatie met de vragensteller.

Hieruit kan in de eerste plaats worden geconcludeerd dat klassen voornamelijk worden gezien als beroeps-, inkomens- of statusgroepen, of als categorieën met een specifieke verhouding tot markt of productie (en in veel mindere mate als educationele of politieke klasse). In de tweede plaats wordt klasse op brede schaal als een complex verschijnsel beschouwd met vele facetten en gezichten.

Voor de omschrijvingen van klassen worden meerdere criteria gebruikt. Bovendien is er een aanzienlijke variatie in de manier waarop de afzonderlijke klassen worden beschreven. Deze grote variatie in de waardering van klassencriteria maakt eens te meer duidelijk dat er geen sprake is van een enkelvoudige, laat staan van een door iedereen gedeelde waardemaatstaf. Als men de kritieken op het traditionele beroepsprestige-onderzoek op dit punt ter harte neemt, kan men weten dat geen evaluatieve noch een cognitieve consensus verondersteld mag worden ten aanzien van klassencriteria, het aantal klassen en de relatieve afstand tussen de klassen [Kahl 1957:237; Nelson/Lasswell 1960; Reiss e.a. 1961:107; Shils 1968/75; Coxon/Davies 1986:70 e.v.; Bader/Benschop 1988:154-7].

Sommige groepen hechten een bijzonder grote betekenis aan specifieke criteria van sociale ongelijkheid. Zo leggen ongeschoolde en geoefende arbeiders meestal iets meer de nadruk op morele waarderingen (zoals hardwerkend-lui). Vakarbeiders benadrukken eerder economische of monetaire gezichtspunten (arm-rijk), terwijl de middelbare employés, ambtenaren en kleine zelfstandigen het prestigeaspect accentueren; ambtenaren leggen in het algemeen vaker de nadruk op het opleidingsniveau.

Deze verschillen zijn niet zo pregnant dat andere waarderingscriteria volledig verdwijnen, maar mensen zijn kennelijk toch geneigd om vooral aspecten van sociale ongelijkheid naar voren te halen die een positieve zelfwaardering mogelijk maken.

Door deze klassencosmetica zou men bijvoorbeeld kunnen verklaren waarom laaggekwalificeerde handarbeiders iets sneller teruggrijpen op morele criteria van ‘hard werken’, ‘discipline’ en dergelijke. In tegenstelling tot inkomen, onderwijsniveau en maatschappelijk aanzien is dit immers een aspect waardoor zij in hun eigen visie in vergelijking met andere klassen/groepen niet bij voorbaat gedegradeerd zijn.

Groepsindelingen en classificaties als inzet van klassenstrijd
Groepsindelingen en classificaties functioneren niet alleen binnen het kader van de maatschappelijke strijd tussen sociale groeperingen, maar geven zelf ook mede vorm aan dit kader: zij leggen de grenzen tussen sociale categorieën vast, definiëren daarmee wie tot de eigen groep, de ‘insiders’ behoort (inclusie) en wie tot de ‘tegenstanders’, de ‘outsiders’ (exclusie).

Door dit gelijktijdige proces van classificerende in- en uitsluiting kan zich überhaupt pas een collectieve of groepsidentiteit ontwikkelen. De in- en uitsluitingscriteria die hierbij worden gehanteerd, zijn per ‘socio-logische’ definitie positief-waarderend voor de eigen groep, en negatief-discriminerend voor de andere groepen.

Refererend aan de logica van het stigma merkt Bourdieu [1979:554] terecht op dat sociale identiteit de inzet is van een strijd, waarin gestigmatiseerde individuen of groepen zich slechts op een manier kunnen verzetten tegen de partiële perceptie die hen tot een van hun eigenschappen beperkt: in hun zelfdefinitie moeten zij hun beste eigenschappen overbelichten. Meer in het algemeen moeten zij opkomen voor de taxonomie die voor hun kenmerken het meest gunstig is, of in ieder geval aan de dominante taxonomie een inhoud geven die het meest flatterend is voor wat zij wel hebben en wat zij zijn.

Zie voor een sociaal-psychologische uitwerking van dit mechanisme: Tajfel/Wilkes [1963], Billing/Tajfel [1973]. Zie voor een sociologisch analyse van stigmatisering: Goffman [1963b] en van sociale uitsluiting: Weber [WG], Benschop [1987/2017: II, § 4]. Zie voor een sociaal-politieke uitwerking van het ontstaan van positieve en negatieve collectieve identiteiten: Bader [1991:109 e.v.].

De alledaagse opvatting van ‘klasse’ omvat dus geen stringente of uitgewerkte definitie van het fenomeen. In de veelvoud van de gehanteerde criteria zijn echter wel een paar typische patronen te onderkennen die hun coherentie ontlenen aan de gevolgde interpretatie- of duidingsmodellen. Deze modellen zijn gestructureerd door de primaire oorzaken die men aanwijst van sociale ongelijkheden.

Er zijn vier oorzaken of oorzakenbundels die hoofdzakelijk verantwoordelijk worden gehouden voor sociale en in het bijzonder klassenongelijkheid:

Hiermee corresponderen vier voorstellingen over de maatschappij als geheel:

  1. de maatschappij als klassenmaatschappij: eigendomsmodel;
  2. de maatschappij als wereld van armen en rijken: geldmodel;
  3. de maatschappij als dichotomie van boven en onder: machtsmodel;
  4. de maatschappij als functionele hiërarchie: prestigemodel.
Deze vier maatschappijbeelden worden hierna uitvoeriger geanalyseerd. Voor het onderzoek naar klassenbewustzijn maak ik gebruik van de methode van reconstructie van maatschappijbeelden, in de traditie van Willener, Popitz/Bahrdt, Lockwood. Bij de reputationelemethode worden mensen gevraagd in welke klasse zij andere mensen zouden plaatsen — de traditie van W.L. Warner/P. Lunt. Bij de subjectieve methode worden mensen gevraagd zichzelf bij een klasse in te delen — de traditie van Centers.

Hoewel ik ook gebruik maak van onderzoeksresultaten die bereikt zijn met de reputationele en subjectieve methode, concentreer ik mij hier op de resultaten van de eerste methodiek. Het onderzoek naar maatschappijbeelden geeft meer directe informatie over hoé mensen denken over aard en oorzaken van sociale ongelijkheid. Het blijft overigens lastig om het belang van de verschillende referentiekaders voor het dagelijkse leven empirisch te meten.

2·3·1 De maatschappij als klassenmaatschappij
Het criterium voor deze maatschappijopvatting is de tegengesteldheid van de verschillende inkomensbronnen kapitaal en arbeid als grondslag voor maatschappelijke ongelijkheid. Hieruit vloeien twee varianten van een ‘maatschappijbeeld’ voort al naar gelang men affirmatief of kritisch staat ten opzichte van de tegengesteldheid van de beide inkomensbronnen.

Het feit dat de verschillende productiefactoren ter wille van de productie moeten samenwerken, leidt bij de affirmatieve variant tot een op z’n minst oppervlakkig harmonische duiding, waarin de tegenstelling in een gemeenschappelijk doel wordt opgeheven. De opsplitsing van de maatschappij in klassen wordt wel waargenomen, maar wordt vergoelijkt in een onbetekenende ‘zekere distantie’. De dwangverhouding waardoor arbeid en kapitaal aan elkaar zijn gekoppeld, wordt uitgedrukt in de metafoor dat beide ‘in hetzelfde schuitje’ zitten.

De klassentegenstelling wordt geneutraliseerd door de idee dat iedereen nu eenmaal tot een klasse moet behoren. De noodzakelijke samenhang van de productiefactoren uit zich in eenzijdige afhankelijkheid van de arbeiders van de ondernemers. Deze afhankelijkheid wordt omgeduid in termen van ‘verantwoordelijkheid van de ondernemer’. De ondernemer draagt niet alleen verantwoordelijkheid voor een mogelijk gunstige positie in de concurrentie (wat zich uitdrukt in hoge winsten en lage lonen), maar ook voor de zekerheid van arbeidsplaatsen. Het gaat dus niet om een gelijkwaardige samenwerking van de beide productiefactoren. De aanspraak op gelijkwaardigheid van de inkomensbronnen wordt opgeheven ten gunste van de primair/prioritair gestelde belangen van ondernemers. Vanuit de ervaring van de afhankelijkheid wordt het eigen noodlot vrijwillig in handen van de ondernemers gelegd.

De maatschappij verschijnt hier dus als een opgelegde samenhang van verschillende soorten inkomensbronnen. Uit de specifieke kwaliteit van de ene inkomensbron, loonarbeid te zijn, vloeit de opvatting van eenzijdige afhankelijkheid van de andere voort. Voor degenen die alleen beschikken over arbeidskracht als reproductiemiddel vloeit daaruit de noodzaak tot vrijwillige resignatie voort: Amor Fati - liefde voor het (nood)lot, voor situaties die je toch niet kunt vermijden of ontlopen. Wat overblijft, is de hoop, niet zozeer op een gepaste beloning, maar op het kunnen werken als zodanig. In deze opgelegde maatschappelijke samenhang is het noodlot van de loonarbeiders, te leven om te werken — tegen welke prijs dit moet gebeuren, wordt aan de ondernemers overgelaten.

In de kritische variant van dit maatschappijbeeld wordt het feit dat de verschillende productiefactoren noodzakelijk bij elkaar moeten komen, opgevat als teken van principiële gelijkwaardigheid. De ervaring dat deze veronderstelde gelijkwaardigheid permanent wordt geschonden en dat degenen die over productie- of arbeidsmiddelen beschikken tegelijkertijd de zeggenschap hebben over degenen die alleen hun arbeidskracht als reproductiemiddel bezitten en kunnen verhuren, leidt tot de constatering van een fundamentele belangentegenstelling; een belangentegenstelling die zich manifesteert in de splitsing van de maatschappij in twee klassen met tegengestelde belangen.

De klassen worden geïdentificeerd via de specifieke kwaliteit van de inkomensbron: ‘de ondernemer heeft kapitaal achter zich staan, ik moet het allemaal maar met mijn eigen handen of hoofd verdienen’. Omdat de ene inkomensbron is aangewezen op de andere, maar daaraan tegelijkertijd ook grenzen stelt, hebben beide klassen een verschillende belangensituatie: ‘natuurlijk hebben de ondernemers andere belangen dan wij’. Deze verschillende belangen kunnen worden geïnterpreteerd als te overbruggen of als een onverzoenlijke belangentegenstelling.

Het specifieke van dit dichotome maatschappijbeeld is dat “de tweepolige asymmetrische relatie wordt veralgemeend tot de hele maatschappij, waarbij de ene kant op kosten van de andere is geprivilegieerd. De maatschappij valt in deze conceptie uiteen in twee correlatieve klassen, die zodanig tegenover elkaar staan, dat elk van hen gekarakteriseerd wordt door de verhouding van elk van haar leden tot de leden van de tegengestelde klasse” [Ossowski 1962:47].

2·3·2 De maatschappij als wereld van armen en rijken
Het centrale criterium bij deze —vaak nogal vage— voorstelling van de maatschappij is niet het verschil in de aard van de inkomensbronnen, maar de verschillende hoogtes van de inkomens zelf. Vanuit de ervaring van de beperktheid van de eigen reproductiemogelijkheden wordt de wereld ingedeeld in degenen die veel geld hebben en die met —veel— minder tevreden moeten zijn. Uit de waargenomen tegenstelling van rijk en arm vloeit niet zozeer een eenduidig maatschappijbeeld voort, maar wel de ervaring dat men zelf z’n hele leven moet ploeteren en toch een ’armoedzaaier’ blijft. De rijken worden ten tonele gevoerd om de eigen situatie plastisch naar voren te laten komen — waarom zij rijk zijn, blijft meestal in het duister. De clichés die worden gebruikt om de rijken aan te duiden, maken duidelijk dat de rijkdom van de anderen eigenlijk alleen maar als fata morgana wordt geciteerd. Vaak komt niet meer naar voren dan de stereotype schets van een wereld die in de pulppers wordt afgeschilderd als het paradijs van playboys. Deze opvattingen worden preciezer wanneer de hoogte van het eigen loon wordt vergeleken met de hoogte van de winsten van ondernemers. Hoewel de belangentegenstelling tussen ondernemers en loonarbeiders dan weer op de voorgrond komt te staan, wordt deze niet uitgebreid tot een voorstelling van de maatschappij als geheel. Dit belangenconflict wordt geïnterpreteerd in termen van een onrechtvaardige verdeling.

Alleen als de ongelijke inkomensverdeling strikt op ondernemers en arbeiders wordt betrokken, duikt de voorstelling op van een maatschappij van klassen, waarvan het verschil wordt vastgemaakt aan de contrasterende consumptiemogelijkheden. De in het oog springende inkomensverschillen worden door de arbeiders zeker wel geregistreerd en overwegend als onrechtvaardig gezien, maar deze waarnemingen verdichten zich pas tot een meer precies maatschappijbeeld wanneer ze direct op de belangentegenstelling tussen ondernemers en arbeiders worden betrokken.

Dit ‘pecuniary model of society’ wordt in de sociologische literatuur meestal toegeschreven aan instrumentalistisch georiënteerde arbeiders, die streven naar een meer of minder rationele maximalisatie van geldelijk inkomen voor zichzelf. Zij proberen niet zozeer om zichzelf persoonlijk in en door de betaalde beroepsarbeid te realiseren, maar zijn eerder georiënteerd op het behalen van materiële, in het bijzonder monetaire voordelen. De praktijk van het volledig exploiteren van de eigen marktpositie impliceert dat men uit elke strategisch of tactisch gunstige situatie zoveel mogelijk voordelen probeert te behalen en dat men organisatiemacht gebruikt om een zwakke positie te verbeteren of te versterken en een sterke positie tracht te behouden. De sociaalstructurele achtergrond van deze instrumentele houding is evident: het dictaat van de moderne markteconomie zorgt ervoor dat arbeiders in hun loonzakje zijn geïnteresseerd. Zij articuleren hun ambities en sores meestal in termen van geld. In kapitalistische maatschappijen is geld het veralgemeende ruilmedium, mensen worden als het ware gedwongen in monetaire termen te denken. In looneisen is daarom eigenlijk altijd meer vervat dan louter monetaire aanspraken op een groter deel van ‘de koek’. Voor de arbeiders zelf hebben zij veelal ook een morele of politieke betekenis [Beynon 1980; Marshall 1988:113; Marshall e.a. 1988:153,189 e.v.].

Pecuniair maatschappijmodel
“De sociale omgeving van de geprivatiseerde arbeider is conductief voor de ontwikkeling van wat een ‘pecuniair’ maatschappijmodel zou kunnen noemen. Het essentiële kenmerk van deze ideologie is dat klassendelingen primair gezien worden in termen van verschillen in inkomen en materiële bezittingen. … In wezen is het pecuniaire maatschappijmodel een ideologische reflectie van werkbindingen die instrumenteel zijn en van gemeenschapsrelaties die geprivatiseerd zijn. Het is een model dat alleen mogelijk is wanneer maatschappelijke verhoudingen die prototypische ervaringen zouden kunnen genereren voor de constructie van ideeën over conclicterende machtsklassen, of van hiërarchisch onafhankelijke statusgroepen, of afwezig zijn of van hun betekenis verstoken zijn” [Lockwood 1975:21-2].

In de jaren ’80 constateert Lukes [1984] een reactieve groei —gestimuleerd door een combinatie van recessie en inflatie— van instrumentele, pecuniaire, egoïstische, kortom kapitalistische waarden en houdingen. Dit leidde tot een desintegratie van verschillende morele referentiekaders, waarbinnen deze waarden een ondergeschikte plaats innamen en concurreerden met tegengestelde vormen van betrokkenheid, loyaliteit en discipline, die gebaseerd waren op syndicalisme, lokale of klassenbinding [Kudera e.a. 1979; Schumann e.a. 1981; Hobsbawm 1981].

2·3·3 De maatschappij als dichotomie van boven en onder
Het referentiepunt van dit maatschappijbeeld is de afgeslotenheid van de eigen sociale positie. Hierdoor verschijnt de maatschappij als een gespleten gemeenschap van twee sterk gescheiden categorieën mensen die onder en boven elkaar staan, van twee in zichzelf gesloten maatschappijen: een kleine bovenlaag die onder elkaar willen blijven en de kleine lieden ‘van onder’ die onder elkaar moeten blijven.

In dit maatschappijbeeld wordt de samenhang tussen beide categorieën niet gethematiseerd, waardoor het contrast in levenskansen wordt ervaren als iets dat zonder meer ‘gegeven’ is en dat geaccepteerd moet worden — ‘men kan niet over zijn eigen schaduw heen springen’. De tweedeling tussen ‘zij daar boven’ en ‘wij hier beneden’ wordt daarbij zeer vaak abstract-metafysisch geuniversaliseerd (‘altijd en overal’) en derhalve fatalistisch opgevat.

Het is dus geen ‘fatalism of the naive’, maar een ‘informed fatalism’, dat wil zeggen een fatalisme dat geïnformeerd is door een bewustzijn van distributieve ongelijkheden en sociale onrechtvaardigheid [Marshall e.a. 1988:165]. Het is een existentieel of pragmatisch fatalisme en dus geen ethisch fatalisme. Voedingsbodems van ethisch fatalisme zijn maatschappelijke ordeningen waarvan de reproductie primair wordt gegarandeerd door geloof. Het ethisch fatalisme dat verankerd is in een specifiek fatalistische ideologie (zoals de soteriologie van het hindoeïsme) resulteert in een ethische verbondenheid [Marshall e.a. 1988:165].

De klassenspecifieke habitus wordt uitvoeriger geanalyseerd in hoofdstuk XII. Het verschil tussen existentieel en ethisch fatalisme wordt behandeld in hoofdstuk XVI, § 3·5·4.

2·3·4 De maatschappij als functionele hiërarchie
In het prestigemodel worden de opvattingen over de maatschappij verdicht in een beeld van de maatschappij als een functionele samenhang, waarin iedereen al naar gelang zijn of haar specifieke taak of beroep zijn vaste plaats heeft en van daaruit bijdraagt aan het functioneren van het geheel. De taken en beroepen van iedereen worden als zinvol en nuttig gekwalificeerd; de positie die iemand in de maatschappij inneemt, wordt in dit beeld beoordeeld naar de specifieke bijdrage voor de instandhouding en reproductie van het geheel: ‘ieder draagt —van hoog tot laag— zijn eigen steentje bij’. Vaak wordt de bedrijfshiërarchie hierbij als voorbeeld genomen: de maatschappij wordt geïnterpreteerd naar het harmonische model van een industriële arbeidsorganisatie die zuiver naar vakcompetenties is gestructureerd. Soms klinken er echter ook nog restanten door van het traditionele beeld van een standenmaatschappij. Het is voldoende dat men zijn eigen plaats heeft, voldoet aan de taken en zich voegt naar de eisen die dit met zich meebrengt; dan bestaat de terechte hoop dat men van het functioneren van het geheel zelf ook profiteert.

Figuur 1_1: Maatschappijbeelden
KlassenmaatschappijEigendomsmodelTwee klassen: producenten en toeëigenaar (productie en toeëigening); uitgebuitenen en uitbuiters; werknemers en werkgevers.
Arm en rijk Geldmodel Een grote centrale klasse plus een of meer residuale of eliteklassen, gedifferentieerd in termen van ongelijke verdeling van rijkdom, inkomen en consumptiestandaarden.
Onder en boven Machtsmodel Twee hoofdklassen, gedifferentieerd in termen van bezit en niet-bezit van macht en gezag: onderdrukkers en onderdrukten.
Functionele hiërarchie Prestigemodel Drie of meer klassen, gedifferentieerd in termen van aspecten van sociale achtergrond, beroep (hoofd/hand), levensstijl.

Een exacte aanduiding van de empirische verdeling van dergelijke maatschappijbeelden is moeilijk te geven. De empirische studies op dit gebied zijn niet of nauwelijks vergelijkbaar. Zij gebruiken verschillende indellingen van maatschappijbeelden. Bovendien zijn de empirische gegevens verzameld in verschillende landen en in zeer uiteenlopende perioden.

De modelconstructie die hier is geschetst, houdt het midden tussen een begripsmatig-typologische en een beschrijvend-taxonomische indeling.

De vruchtbaarheid van dit model zou men kunnen testen door te onderzoeken welke rol het affirmatieve beeld van de klassenmaatschappij heeft speelt in sociaal-christelijke, katholiek-corporatieve, of modern sociaal-democratische tradities en stromingen in de arbeidersbeweging.

Het historisch en empirisch sociologisch onderzoek naar deze tradities en stromingen maakt al duidelijk dat daarin telkens meerdere voorstellingen over de maatschappij als geheel gelijktijdig een rol spelen, in telkens wisselende dominantieverhoudingen. Iedereen opereert met een model van de klassenstructuur, maar deze modellen zijn variabel, lopen in elkaar over en worden in verschillende sociale contexten telkens weer anders gebruikt. “Deze vloeibaarheid verklaart waarom men zulke uiteenlopende resultaten krijgt over klassenideologie wanneer men verschillende onderzoeksmethoden hanteert” [Bott 1957/71:169].

Tussen Scylla en Charybdis
Het alledaagse bewustzijn is een zeer complex fenomeen. Het omvat een ingewikkeld complex van bepalende factoren. Deze complexiteit vloeit niet alleen voort uit de specifieke structuur van de burgerlijke maatschappij en de positie van loonafhankelijken in het reproductieproces van het kapitaal, maar ook uit de telkens specifieke en tegenstrijdige relatie tussen maatschappelijke afhankelijkheid en speelruimte van individualiteit. Daarop werken bovendien een hele reeks bijzondere factoren in: specifieke omstandigheden van het arbeidsleven, aard en omvang van het bedrijf, organisatiegraad van de vakbond, stedelijke of landelijke woon- en werkomgeving, specifieke kenmerken van socialisatie en gezinsverhoudingen enz.

Gezien de hoge complexiteit van het alledaagse bewustzijn kan men zich afvragen of het überhaupt wel mogelijk is hiervan een omvattende typologie te construeren. Herkommer/Bischoff [1979:165] betwijfelen dat. Zij zien geen heil in pogingen om een omvattende typologie van het alledaagse bewustzijn te construeren, wel in de ontcijfering van de meest wezenlijke factoren die het alledaagse bewustzijn bepalen.

Om zowel het Scylla van al te gespierde vereenvouding als het Charybdis van een onoverzichtelijke en onhanteerbare complexiteit te vermijden heb ik gekozen voor een gulden middenweg van een gemengde —typologische én taxonomische— indeling.

Index


2·4 Sociale positie en klassenidentificatie
“Sociale identiteiten wordt op brede schaal en gemakkelijk geconstruceerd in klassentermen” [Marshall e.a. 1988:143]. Maar daaruit kan men niet zomaar de conclusie trekken dat klasse de grootste ‘existentiële impact’ heeft op maatschappelijke bewustzijnsvormen, identiteiten of subjectiviteiten [Wright 1983a: 23]. In hft. XIII wordt uitvoerig ingegaan op de vraag onder welke condities het bestaan en de erkenning van klassen handelingsrelevant is of kan worden.
We hebben gezien (a) dat kapitalistische maatschappijen door hun bevolking gepercipieerd worden als klassegestructureerde systemen; (b) dat klasse nog steeds een zeer algemeen referentiepunt van collectieve identiteit is en waarschijnlijk relevant blijft; (c) dat klassen voornamelijk worden gezien als beroeps-, inkomens- of statusgroeperingen of als categorieën die een gelijksoortige positie innemen in markt- of productieverhoudingen, en (d) dat klasse vooral als een ‘sociale erfenis’ wordt gezien, die we van onze geboorte af meekrijgen en veel minder als iets dat door ‘hard werken’, ‘een goede opleiding’ enzovoort —dat wil zeggen op meritocratische gronden— wordt bereikt.

In hoeverre bestaat er een samenhang tussen de zelfplaatsing in een klasse (klassenidentificatie) en de ‘objectieve’ verschijnselen van de economische en sociale positie? Welke relaties bestaan er tussen de feitelijke sociale levenssituatie van individuen en hun eigen waarneming van die situatie? We hebben hiervoor al gezien dat vooral mensen die zichzelf tot de arbeiders- en middenklasse rekenen, klasse beschouwen als een functie van beroep of aard van de werkgelegenheid. Daarom is het niet verwonderlijk dat bedrijf en beroepsgroep een belangrijke bron van collectieve identiteit zijn.

Vaak wordt aangenomen dat de functionele beroepsverdeling de primaire inhoud of ‘ruggengraat’ (Parkin) van het klassensysteem vormen. Deze hypothese is echter niet zo eenvoudig te bewijzen. Het onderzoek naar deze hypothese stuit op het methodologische probleem dat de schema’s die worden voorgesteld voor de classificatie van beroepen niet onafhankelijk zijn van het verschijnsel dat verklaard moet worden. Alle varianten van beroepsclassificaties impliceren een bepaald soort rangordening door ‘prestige’ of ‘aanzien in de maatschappij’. Het zijn eerder systematiseringen van alledaagse ideologieën, en dus van de dominantieverhoudingen hierin, dan objectieve schalen die gebruikt zouden kunnen worden om het maatschappelijk bewustzijn, de ‘populaire ideologie’ te verklaren. De hele procedure van rangordening van beroepen is een soort mix van “presupposition and the partial representation of social perception” [Townsend 1979:371].

Juist daarom is het zo opvallend dat er toch een hoge mate van niet-correspondentie is tussen ‘objectieve’ beroepsclassificaties en ‘subjectieve’ zelfplaatsing in maatschappelijke klassen. De ‘beroepsstatus’ is kennelijk niet de enige factor waar individuen rekening mee houden als zij zichzelf in een bepaalde maatschappelijke klasse plaatsen [Cottrell [1984:210]. Er is een continuüm van de top naar het laagste punt van de beroepsschaal: hoe ‘lager’ men op de beroepsschaal staat, des te kleiner is het aandeel dat zich met de ‘middenklasse’ identificeert en des te groter is het aandeel dat zich met de ‘arbeidersklasse’ identificeert. Er is echter een breuk in het continuüm: wanneer we de beroepscategorieën van ‘handarbeiders’ bereiken, neemt het aandeel dat zich met de ‘arbeidersklasse’ identificeert sterk toe.

Het is bekend dat er grote problemen zijn met het geven van een rigoureuze theoretische definitie van het verschil tussen hand- en hoofdarbeid [Price/Brain 1972; Parkin 1974,1979; Cottrell 1984; Wright 1985:153,155]. Als een sociaal geconstrueerd verdelingsprincipe heeft deze indeling toch een zekere validiteit, zeker waar het mannelijke handarbeiders betreft. Hoewel hun arbeidssituaties en -omstandigheden zeer uiteenlopen, hebben ‘handarbeiders’ meestal minder werkzekerheid en minder toegang tot de diverse voorzieningen op bedrijfs- en maatschappelijk niveau. Een niet onaanzienlijk deel van de mensen met een ‘handarbeidend’ beroep rekent zich desalniettemin tot de middenklasse. Omgekeerd plaatst een deel van degenen die ‘hoofdarbeid’ verrichten zichzelf in de arbeidersklasse.

In conventionele benaderingen wordt het onderscheid tussen hoofd- en handarbeid meestal gelijkgesteld met het onderscheid tussen blue collar en white collar beroepen, zoals gedefinieerd in het alledaagse discours — d.w.z door referentie aan de ideologische status van de beroepscategorieën. Het gevolg hiervan is dat beroepen die in werkelijkheid minder ‘hoofdarbeid’ impliceren dan veel geschoolde vakarbeid (zoals bijvoorbeeld datatypisten/s in grote geautomatiseerde kantoren) bij de ’middenklasse’ worden ingedeeld.

Mensen construeren hun collectieve identiteit vanuit een complexe mozaïek van sociale ervaringen [Bott 1957/61:166 e.v.; Pahl/Wallace 1988; J.C. Scott 1985:43; Bader 1991:hft. V]. Uit deze ervaringen construeren mensen hun eigen opvattingen over klassen. Zij ervaren hun objectieve klassenpositie meestal niet als een enkelvoudige en duidelijk afgebakende status. Mensen ervaren hun lidmaatschap van een sociale klasse niet direct (behalve in uitzonderlijke gevallen waarin sociale klassen als geassocieerde groepen opereren), maar zij hebben in hun arbeids- en woonsituaties, in hun relaties met vrienden en buren wel directe ervaringen met verschillen in rijkdom, macht en prestige. Deze primaire ervaringen zijn de ingrediënten waaruit mensen hun beeld van de maatschappij construeren en van hun eigen positie daarin. Wanneer iemand zichzelf in een bredere maatschappelijke context met andere mensen vergelijkt, hanteert hij hierbij een uit de eigen ervaringen geconstrueerd maatschappijbeeld en opereert hij met specifieke referentiegroepen.

De meeste mensen zijn zich niet of nauwelijks bewust van deze sociale conceptualisering. De referentiegroepen die mensen gebruiken om vergelijkingen en waarderingen in de bredere maatschappelijke context te maken omvatten niet alleen de groep waarmee iemand zichzelf vergelijkt (of waarmee hij zichzelf identificeert), maar ook de groep waarmee hij door anderen wordt geïdentificeerd. Het gebruik van deze referentiegroepen varieert zowel naar de concrete maatschappelijke situatie als naar het specifieke doel van de vergelijkingen en evaluaties. Daarom is het strikt genomen onmogelijk om te achterhalen hoe mensen werkelijk over klasse denken.

Klasse als referentiegroep
De persoonlijke ervaringen waaruit een maatschappijbeeld wordt geconstrueerd worden niet zozeer gedifferentieerd en aan elkaar verbonden, “zij worden in elkaar geschoven en in een algemeen concept gecondenseerd . … Veel individuen lijken zich nauwelijks bewust van het feit dat zij hun eigen ervaring gebruiken als grondslag voor hun model van de klassenstructuur. Het individu voert de telescoperende procedure zowel op andere mensen als op zichzelf, hij voelt waarschijnlijk dat zij dezelfde algemene positie hebben en tot zijn eigen klasse behoren. Als zij buitenstaanders zijn, zal zijn kennis van hen indirect en onvolledig zijn dat er voldoende ruimte is voor projectie en vertekening” [Bott 1957/71:163-4]

In haar onderzoek naar de samenhang tussen gezin, sociale netwerken en klassen geeft Elizabeth Bott een sensibele en nog steeds boeiende analyse van de wijze waarop mensen hun eigen opvattingen over de klassenmaatschappij construeren. In aansluiting op Centers e.a. laat zij zien hoe individuen klassen als referentiegroepen hanteren. Onder een referentiegroep verstaat zij “elke reëele of fictieve groep waarvan een individu denkt dat deze werkelijk bestaat en door hem wordt gebruikt om zijn positie te vergelijken en waarderen met die van anderen, en om zijn handelingen te rechtvaardigen of te verklaren” [idem:166].

Een uitgebreid onderzoek naar de factoren die een rol spelen bij de klassenidentificatie zou in ieder geval rekening moeten houden met: positie in of ten opzichte van het reproductieproces van het kapitaal, specifieke verhouding tussen maatschappelijke afhankelijkheid en speelruimte van individualiteit, aard en omvang van de arbeidsorganisatie, inkomen, woningbezit, opleiding, consumptiestijl, sociale afkomst, gezin en lokale bindingen. Sommige groepen handarbeiders identificeren zichzelf met een ‘middenklasse’, omdat zij een relatief hoog inkomen hebben en een bijbehorende consumptiestijl [Bourdieu 1971].Voor subjectieve identificatie met een klasse is het inkomensniveau vooral van belang voor de geschoolde handarbeiders, de lagere niet-handarbeiders (employés) en de geschoolde of leidinggevende niet-handarbeiders.

De factoren die een rol spelen bij de klassenidentificatie zijn niet geheel van elkaar onafhankelijke variabelen. De correlaties tussen beroepsstatus, inkomen, opleidingsmogelijkheden en prestatie zijn zeer duidelijk [Westergaard 1975; Bulmer 1975; Handl e.a. 1977; Szymanski 1983]. De duurzaamheid en hardheid van deze systematische connecties ontkrachten de idee dat klassenongelijkheden aan het verdwijnen zouden zijn. Individuen in de ‘hogere’ beroepsgroepen hebben in de regel meer inkomen en meer kans om een eigen huis te bezitten dan mensen in ‘lagere’ beroepsgroepen; kinderen van een ‘hogere’ sociale categorie ouders hebben veel betere kansen op ‘hoger’ onderwijs en op kwalificatie voor ‘hogere’ beroepen.

Al deze verbindingen zijn echter niet zo strikt dat men de subjectieve klassenidentificatie kan aflezen van de plaats in de hiërarchische classificatie van beroepen, in welke variant dan ook. Want de inkomens van hand- en hoofdarbeiders overlappen elkaar gedeeltelijk, sommige handarbeiders hebben ‘eigen’ (met geleend geld gekochte) huizen en veel mensen die ‘hogere’ beroepen uitoefenen hebben een manuele achtergrond. Het cruciale punt is dus dat ‘klassenidentiteit’, ‘klassensolidariteit’ en ‘klassencultuur’ niet gereduceerd kan worden tot of verklaard kan worden uit de sociologische conceptie van ‘beroepsklasse’. Als predictoren voor attitudes of handelingsoriëntatie hebben beroepsprestige en beroepsklasse bijzonder weinig verklaringskracht [Kraaykamp/Snippenburg/Ultee 1989:58].

Op het eerste gezicht verschilt zij echter ook nogal van de marxistische conceptie, waarin klassen primair worden opgevat als posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen, die zich van elkaar onderscheiden in het proces van toeëigening en onteigening van meerarbeid.

Index


2·5 Klasse-identiteit en klassenhandelen
Het gaat hier alleen nog om de vraag of er op basis van de geconstateerde identificatie met een sociale klasse uitspraken kunnen worden gedaan over de waarschijnlijkheid van individueel en collectief klassenhandelen. De discussie over de handelingsrelevantie van klassenidentificaties moet niet worden verward met de vraag of (en zo ja op welke wijze) homogene klassenposities kunnen worden afgebakend.
We hebben gezien dat er een relatief hoge mate van bewustheid of sensitiviteit is van het bestaan van sociale klassen. Maar wat betekent dit voor het dagelijkse leven van mensen? Heeft dit klassenbesef daadwerkelijk implicaties voor hun sociale en politieke handelen? En kunnen er op deze basis uitspraken worden gedaan over de waarschijnlijkheid van individueel en collectief handelen van de leden van een sociale klasse?

Ik wil hier slechts een aantal thema’s aanroeren die later nog uitgebreid aan de orde zullen komen.

  1. Sociale klasse is een belangrijke, zo niet de belangrijkste determinant van iemands visie op de realiteit, c.q. van iemands waardenoriëntatie. Klasse kan misschien als meest algemene, maar zeker niet als enige referentiepunt van sociale identiteit worden beschouwd. Daarnaast identificeren mensen zich immers ook met beroep of bedrijf, religieuze groep, etnische of raciale categorieën, levensstijlgroep (en in minder sterke mate —maar zeker niet irrelevant— met politieke partij of pressiegroep, geslacht, leeftijdsgroep enzovoort). In hoofdstuk XIII wordt uitvoeriger ingegaan op de samenhang tussen persoonlijke en sociale identiteit en de verschuivingen die zich hierin hebben voorgedaan.

    Verschuivende waardenoriëntaties
    Volgens Marshall e.a. [1988:267] worden de verschillen in gedeelde overtuigingen “duidelijk meer gestructureerd door klasse dan door andere bronnen van sociale splitsing” Daarentegen legt Robert Inglehart [1990] de nadruk op de verschuivingen die zich voltrekken in de fundamentele waardenoriëntaties: van ‘materialistische’ waarden (met nadruk op economische en fysieke zekerheid) naar ‘postmodernistische’ prioriteiten (met nadruk op zelfexpressie en de kwaliteit van het leven). Deze verschuivingen resulteren onder andere in de erosie van institutionele autoriteit: “een alomtegenwoordige tendens van verlies van vertrouwen in alle gevestigde instituties”. Inglehart’s meest uitdagende en omstreden stelling luidt: “De oude politieke tegenstelling gebaseerd op strijd tussen de sociale klassen heeft grotendeels plaatsgemaakt voor een nieuw type polarisatie gebaseerd op culturele conflicten en belangen met betrekking tot de kwaliteit van het leven” [Inglehart 1991:21]. We zullen later zien hoe beide stellingen ook gecombineerd kunnen worden.

  2. Dát de maatschappij als klassengestructureerd wordt gezien en dát klasse een cruciaal referentiepunt of aspect van sociale identiteit van veel mensen is, betekent echter niet dat dit maatschappijen van ‘klassenstrijders’ zijn die, gewapend met een gemeenschappelijke visie over een alternatieve maatschappij, resolute machtsstrijd voeren om hun specifieke klassendoelen te bereiken. Klassenidenteit is immers niet noodzakelijk verbonden met een antagonistische visie op de belangenverschillen tussen de sociale klassen. Klassenconflicten worden primair gepercipieerd als een distributieve strijd om het nationaal inkomen.

  3. Individuen identificeren zich wel met een bepaalde klasse, maar deze perceptie wordt niet automatisch verbonden met solidariteit of collectivisme, dat tot het stellen van eisen leidt om levenskansen te verbeteren van andere leden van de sociale klasse waarmee zij zich identificeren. Klassenidentificatie of klassenbewustheid leidt dus niet noodzakelijk tot klasse-solidariteit of klassenbewustzijn in de strikte zin van het woord [zie excursie], en ook niet zonder meer tot bewust, collectief en georganiseerd klassenhandelen.
Het beschikbare empirische onderzoek laat niet alleen zien dat de structurering van het maatschappelijk bewustzijn (klassenidentiteit en klassenbewustzijn) door klassenposities duidelijk aanwezig is. Het laat ook zien dat de klassenbepaaldheid van maatschappelijk bewustzijn een uitermate complex, door vele processen en factoren gemedieerd en door en door tegenstrijdig fenomeen is. Het laat bovendien zien dat er geen noodzakelijk verband en rechtstreekse overgang is tussen klassenidentiteit en (politiek) klassenbewustzijn, en ook dat de relevantie van klassenidentiteit en -bewustzijn voor collectief handelen allerminst eenduidig of lineair is.

Index


2·6 Klassenbewustzijn in soorten en met mate
Het is allesbehalve duidelijk wat er verstaan moet worden onder ‘klassenbewustzijn’. De enige consensus die hierover lijkt te bestaan, is negatief: ‘klassenidentiteit’ of ‘klassenbewustheid’ is nog geen ‘klassenbewustzijn’. In het onderzoek naar klassenbewustzijn vindt men uiteenlopende combinaties van de volgende vijf kenmerken of elementen.
  1. Klassenidentiteit: een meer of minder scherp bewustzijn van het feit dat men in een gelijke situatie met anderen verkeert en dat men gemeenschappelijke belangen heeft; een dergelijke ‘positieve klassenidentificatie’ met de eigen klassegemeenschap berust niet alleen op als gemeenschappelijk ervaren objectieve belangen, maar ook op verwantschap van habitus en levensstijlen, klassenspecifieke zeden, solidariteiten en waarden.

  2. Klassentegenstelling: het delen van een definitie van die belangen die in conflict zijn met de belangen van een andere klasse (‘negatieve klassenidentiteit’ of ‘negatief collectief conflictbewustzijn’).

  3. Klassentotaliteit: een perceptie van klassenconflicten die in alle maatschappelijke verhoudingen doordringen; het analyseren van de eigen situatie en van de maatschappij als geheel in klassentermen.

  4. Conceptie van een alternatieve maatschappij: een voorstelling van de contouren van andere maatschappelijke verhoudingen die de kiemen van een toekomstige maatschappij in zich dragen (‘horizon van historische mogelijkheden’).

  5. Organisatorisch kader of context: het inzicht in de noodzakelijke ontwikkeling van een organisatorisch kader of context voor de effectieve expressie van de eigen belangen en het bevorderen van die toekomst [Mann 1975:13 e.v.].

Voor een helder begrip van klassenbewustzijn moeten de relaties tussen strategische, traditionele, affectieve en normatieve aspecten worden verduidelijkt.

  1. Strategische oriëntatie op particuliere doelen in tegenstelling tot de doelen van andere klassen; mate van inzicht in klassenongelijkheden en klassenstructurering van de maatschappij.

  2. Traditionele oriëntatie: klassenspecifieke zeden en gewoonten.

  3. Affectieve oriëntatie en solidaire binding: gevoel van lotsverbondenheid en solidariteit met vakgenoten, bedrijfsgenoten, klassegenoten (kameraadschap).

  4. Normatieve oriëntatie: morele afkeuring van klassenongelijkheden, onrechtvaardigheid van distributie van inkomen en rijkdom (‘distributieve rechtvaardigheid’); deze normatieve oriëntatie wordt geconstitueerd door waarderende instemming en handelingen die in overeenstemming zijn met deze (ethisch gemotiveerde) normen.
Klassenidentiteit wordt zeer vaak ten onrechte uitsluitend geassocieerd met affectieve handelingsoriëntaties. Klassenidentiteit is echter geen specifiek type handelingsoriëntatie, maar veeleer een empirische mengvorm waarin alle vier (analytisch onderscheiden) handelingsoriëntaties zijn gecombineerd.

In hoofdstuk XIII wordt uitvoeriger ingegaan op deze handelingsoriëntaties, de daarmee ideaaltypisch corresponderende handelingstypen en de mechanismen van (reproductieve en transformatieve) handelingscoördinatie. Daarbij zal ik ook verder ingaan op de mate van rationalisering van deze handelingsoriëntaties en -typen.

Index3 Klassenbegrip in de sociale wetenschappen

3·1 Klasse in het wetenschappelijk taalgebruik

Ook in het wetenschappelijke taalgebruik wordt de term klasse op zeer uiteenlopende manieren gebruikt. ‘Klasse’ behoort tot de familie van de fundamenteel omstreden begrippen: het is niet alleen een sterk omstreden begrip maar het gebruik ervan sticht ook verwarring.

De definities van het klassenbegrip zijn zo divers dat men zich heeft afgevraagd of er dan helemaal geen ‘juist’ klassenbegrip bestaat, of dat er tenminste geen ‘verkeerde’ klassenbegrippen kunnen worden aangewezen. In het begin van de jaren dertig van de vorige eeuw gaf de Duitse socioloog Theodor Geiger hierop het volgende antwoord:

Toch moet het begrip ‘klasse’ scherp worden afgebakend om hem bruikbaar te maken voor sociaalwetenschappelijke analyses. Dat is niet zo eenvoudig. De geschiedenis van het klassenbegrip is immers “een van de meest extreme illustraties van het onvermogen van sociologen om zelfs maar een minimale consensus te bereiken over zelfs de meest bescheiden kwestie van terminologische beslissingen” [Dahrendorf 1959:74. Vgl. Dahrendorf 1954].

Schandaal in de sociologie
Klachten over het gebrek aan minimale consensus in de sociale wetenschappen over de definitie van het begrip klasse zijn niet van gisteren. Al in 1928 wees Pitirim Sorokin op “the lack of a generally accepted definite conception of social class in contemporary sociology. Those who have tried to define it have given different definitions. In my System of Sociology [Vol II:283-306] I give thirty-two of the principal forms of these definitions. Evidently such an anarchy cannot be continued. It is high time to end it” [Sorokin 1928:543].

Veertig jaar later leek de zaak er nog niet veel beter voor te staan. De Britse historisch-socioloog Garry Runciman vatte de toestand als volgt samen

    “Academic sociologists have remained surprisingly inconsistent in their vocabulary … the literature is unnecessarily obscured by a welter of definitions and counter-definitions, discrepancies and tautologies which make it impossible to tell precisely one theory from another, or even whether a given theory is a theory at all” [Runciman 1969:136].

Peter Furbank vatte de toestand rond het klassenbegrip krachtig samen:

    “The definition of ‘class’ … becomes a scandal in sociology” [Furbank 1985:63].
Hoe dit schandaal er tegenwoordig uitziet heb ik gedemonstreerd in een overzicht van meer dan veertig definities van klassen. In deze babylonische verwarring rond het klassebegrip lijkt er maar over één ding consensus te bestaan, namelijk dat het een warboel is: Gross [1949:412], Schumpeter [1951:105], Lenski [1952:139], Dahrendorf [1954], Finley [1973/85:49], Giddens [1973:10], Wright [1979:4; 2003], Calvert [1982:210,214], Luhmann [1985:119], Bader/Benschop [1988:32], Holton/Turner [1989] e.v.a.

Deze verwarring is ingeschreven in de geboorteakte van de klassentheorieën. Sommige auteurs —zoals Calvert [1982:203]— spelen nog met de gedachte dat er misschien eens en ergens een klassendefinitie geformuleerd kan worden die stabiel genoeg is en waarover de meerderheid van de bewoners van het een land of continent het eens zouden kunnen worden. Het is echter uiterst onwaarschijnlijk zo’n definitie ooit ‘geopenbaard’ zal worden. Daarvoor zijn niet alleen de politieke kennisbelangen en normatieve doelstellingen van sociale wetenschappers veel te divers, maar is ook het probleemveld zelf veel te complex [Benschop 1986:9 e.v.; Bader/Benschop 1988:44 e.v.].

Klasse is een vaak gebruikt begrip. Er zijn duizenden boeken en artikelen verschenen waarin aspecten van het klassenverschijnsel worden behandeld en er worden telkens weer studies op stapel gezet om tot een beter begrip van haar huidige vormen te komen [een klein overzicht staat in Klassedefinities bij de vleet]. Toch wordt er tegenwoordig betrekkelijk weinig academische aandacht besteed aan het gebruik van het concept als zodanig. Om de term klasse als sociaalwetenschappelijk begrip af te bakenen, moeten eerst een paar globale onderscheidingen worden geïntroduceerd.

In de meest algemene, formeel-logische of technische zin van het woord betekent klasse niets anders dan dat een groep verschijnselen wordt samengevat die zich in een of ander relevant opzicht onderscheidt van andere verschijnselen en dus bepaalde gemeenschappelijke kenmerken heeft. Met een dergelijk formeel klassenbegrip kan in principe alles worden geclassificeerd — getallen en stenen, fietsbellen en olifanten, mensen en ideeën kunnen in klassen worden ingedeeld. In deze technisch-classificerende zin is het begrip klasse echter volledig inhoudsloos [Mombert 1923:237; Ritsert 1988:14 e.v.].

Als formeel-logische categorie wordt klasse niet alleen in de natuurwetenschappen gebruikt. Ook in de sociale wetenschappen kan het klassenbegrip op een louter technisch-classificerende wijze, namelijk als een beschrijvende categorie worden gebruikt. In dat geval refereert het aan gemeenschappelijkheden in uiterlijk waarneembare eigenschappen van individuen of van relaties tussen individuen. Klassen zijn dan een andere naam voor groepen die gedifferentieerd worden naar de mate waarin zij de kenmerken vertonen door een bepaald indelingscriterium zijn gedefinieerd, zoals de hoogte van het inkomen, type van beroep of levensstijl. Ossowski [1957/72:182,59] gebruikt hiervoor de term ‘ordenende verhoudingen’ in onderscheid van ‘afhankelijkheidsverhoudingen’. Het onderscheid tussen graduele en relationele klassenbegrippen sluit hier direct bij aan.

Klasse is echter ook en vooral een analytisch begrip dat refereert aan de sociale structuur van een maatschappij [van Mombert 1935:532 tot Wright 1979:6 e.v.a.]. Middels een korte excursie door de prehistorie van het klassenbegrip hopen we enkele parameters te vinden voor de bepaling van de theoretische status en reikwijdte van het klassenbegrip.

Index


3·2 Van classificatie naar klassen
* De uitdrukking “v. Chr.” wordt hier niet gebruikt om aanhankelijkheid aan het beperkte perspectief van de Christelijke jaartelling te demonstreren, maar omdat de neutralere uitdrukking “voor onze tijdsrekening” zich in ons land nog niet heeft ingeburgerd.
Het woord klasse is afgeleid van het Latijnse woord classis (meerv.: classes). In de 6 eeuw v. Chr.* werd de Romeinse bevolking, die de troepeneenheden moest onderhouden, overeenkomstig hun vermogen ingedeeld en proportioneel belast om de troepencontingenten te financieren.

In Athene verdeelde Solon in 594 v. Chr. de burgers in vier vermogensklassen die zuiver werden gedefinieerd in termen van het bezit van landbouwgrond. Drie ‘klassen’ behielden hun traditionele namen: de hippeis = de cavalerie, de mannen zich een paard konden veroorloven en wier eigendom 300 schepel graan per jaar opbracht; de zeugitai = de boeren die over een paar ossen beschikten te ploegen en wier land 200 schepel graan per jaar opleverde, en de thètes = de arbeiders, die geschat werden op minder dan 199 schepels graan per jaar. Maar de leden van de vierde en hoogste categorie werden pentakosiomedimnoi genoemd: mensen wier grondbezit minstens 500 schepel graan of een hiermee overeenkomende opbrengst leverde. Alleen zij werden geschikt geacht voor de allerhoogste functies. Bij deze indeling van bevolkingsgroepen speelde niet zozeer de afkomst, maar het bezit de doorslaggevende rol.

Bij de hervormingen van de Romeinse koning Servius Tullius (578-534 v. Chr.) werden de burgers in zes vermogensklassen ingedeeld overeenkomstig de omvang van hun geld- of landbezit. De eerste vijf klassen werd gevormd door de burgers, de assidui (belasingbetalers en dienstplichten). De eerste klasse waren de classici. Zij beschikten over meer dan 100.000 asses (een bronzen en later koperen munt) en tegelijkertijd over de absolute meerderheid van stemmen. De laagste klasse werd gevormd door de proletarii, wier enige rijkdom bestond in het aantal nakomelingen — proles = kinderen. Deze indeling in vermogensklassen werd niet alleen de grondslag voor deelname aan de militaire dienst, maar tevens voor een aristocratische verdeling van politieke rechten. Wie het meest betaalde kreeg ook het recht op de meeste politieke invloed.

Van classis naar classicus
Door de wetgeving van Servius Tullius werden eigendomsklassen in Rome eerder gevestigd dan dat hun bestaan erkend werd. De bewuste intentie was om de structuur van de clans waarin de burgerij daarvoor exclusief waren verdeeld af te breken (hoewel de clans de hervorming wel overleefden).

Tegelijkertijd werden de burgers ook voor militaire doeleinden verdeeld in centuries of regimenten. De Romeinen die als classis of classicus werden aangeduid, behoorden tot de prima classis — tenzij zij expliciet beschreven werden als een ‘zesde klasse’ proletariër.

Sinds Aulus Gellius [125-180] wordt het adjectief classicus gebruikt om de ‘eersteklas’ kunstenaars en kunstwerken aan te duiden. “Deze betekenis leeft voort in ons woord ‘klassiek’ en werd uiteindelijk gerelateerd aan de auteurs van de term zelf en aan hun tijd: zij leefden in de ‘Klassieke’ Oudheid” [Dahrendorf 1959:3-4]. Zie ook: Ossowski [1956:60], Conze/Walther [1990:218].

Toch is het gebruik van het begrip klasse ter classificatie van de bevolking historisch gezien relatief recent. In de gesproken talen van de middeleeuwen komt het begrip niet voor. De feodale ordes of standen werden voornamelijk ingedeeld naar een drievoudig schema: zij die bidden, zij die vechten en zij die werken. Deze drievoudige ordening werd beschouwd als een door God gegeven indeling. In de woorden van de 11de-eeuwse Franse bisschop Adalbero van Laon:

De standendmaatschappij bestond uit de geestelijke stand, de ridderstand en de boerenstand. Dergelijke indelingen suggereren niet alleen volledigheid (voor kooplui. ambachtslieden en stedelijke burgers was in dit schema geen plaats), maar ook dat de maatschappij in harmonie is — haar functioneel onderscheiden elementen werken onafscheidelijk samen voor het welzijn der mensheid of voor de eer van God. Het geeft een beeld van een geordende samenleving waarin iedereen zijn vaste plaats kent. Jan en Annie Romein citeren een niet nader genoemde wereldlijke schrijver, die zich minder geroepen voelde de eenheid-voor-God te onderstrepen:

Het is een functionele triade: magisch en juridisch oppergezag + militaire kracht + productieve arbeid. In de middeleeuwen werd dit schema op zeer uiteenlopende manieren toegepast. Maar het is ook een basispatroon van het Indo-Europese en Indo-Iranese denken, dat ook teruggevonden kan worden in de Scandinavische mythologie, in de legenden over de stichting van Rome, en in het hindoeïstische kastensysteem [Duby 1978; Dumázil 1968; Conze/Walther 1990:156-217].

Ook bij Maarten Luther wordt het woord klasse nog niet gebruikt. Maarten Luther is een typisch conservatieve standsdenker. Standen zijn voor hem een door God gegeven, eeuwig verschijnsel.
“Wo Gott diese Stände nicht selbst hätte gestiftet und täglich, als sein Werk, erhielte, da könnte kein Funke des Rechts für einen Augenblick erhalten bleiben; sondern jeglicher Knecht wollte Herr sein, Magd wollte Herrin sein, Bauer wollte Fürst sein, Sohn wollte über Vater und Mutter sein. Summa: Es würde unter den Menschen ärger zugehen als unter den wilden Thieren, wo immer eines das andere frisst; denn unter ihnen hat Gott solche Stände nicht gestift.” [Luther, WA 31:I, 410] “Als God deze standen niet zelf zou hebben gesticht en dagelijks als zijn eigen werk zou hebben onderhouden, dan zou er geen jota van het recht overeind blijven. Want elke knecht zou dan heer willen zijn, dienstmaagd zou meesteres willen zijn, boer zou vorst willen zijn, zoon zou boven vader en moder willen zijn. Kortom: het zou er onder de mensen nog slechter aan toegaan dan bij de wilde dieren, waar de een altijd de ander opvreet. Want onder de wilde dieren heeft God dergelijke standen niet gesticht.”
Hij concludeert:
“Denn dass es nicht ohne Unterlass Aufruhr und Unfriede gibt, komt daher, das diese Stände Gottes Werk und Stiftung sind, an denen er festhält. Zwar lässt er sei Werk und seine Stiftung wohl anfechten mit Aufruhr und Ungehorgsam, aber [er lässt es] nicht stürzen oder umkehren. … Diese Stände Gottes gehen und bleiben durch alle Königreiche, so weit die Welt ist, und bis an der Welt Ende.” “Dat er niet permanent oproer en ontevredenheid bestaat, komt omdat deze standen God’s werk en instelling zijn waaraan hij vasthoudt. Weliswaar laat hij zijn werk en instelling aanvechten met oproer en ongehoorzaamheid, maar hij laat het niet omvallen of omkeren. … Deze standen van God blijven in alle koninkrijken bestaan, zolang de wereld bestaat, en tot aan het einde van de wereld.”
Luther weet ook precies waarom God de standen tot het einde der tijden in stand wil houden: het is “God’s wil dat wij door dergelijke standsverschillen in het wereldlijke rijk een stil en rustig leven kunnen leiden.” Wie Luther in dit verband met ‘wij’ bedoelt, zegt hij niet, maar het is zeker niet het “arme nooddruftige volck” dat hij uit eigen ervaring kende [Herrnstadt 1965:26-41,106].

In Frankrijk stamt de vroegste aanduiding van het woord klasse uit 1530 toen het gebruikt werd als aanduiding van scheepstypen. In Engeland werden door het Edict van Nancy uit 1673 de dienstplichtige zeelieden in drie klassen ingedeeld.

De vroegste vindplaats in Engeland is vermoedelijk het vierde Engelse woordenboek uit 1656. De auteur, Thomas Blount (1618-1679), geeft de volgende definitie:

Omstreeks 1824 wordt het woord klasse steeds meer als een sociale aanduiding gebruikt. Tien jaar later merkt John Stuart Mill op: In Nederland is Benedictus de Spinoza [1632/1979:154] een der eersten die de term klasse in de zin van maatschappelijke klasse gebruikt [in Ethica, derde deel, stelling 46. Zie Ossowski 1957/62154, Burke 1974; 1992:7].

3·2·1 Klassen als natuurwetenschappelijke ordeningscategorie
Tegen het einde van de 17e eeuw begint het begrip klasse door te dringen in de natuurwetenschappen. Om het overzicht te behouden op de vele nieuwe dier- en plantensoorten die ontdekt waren, moesten zij op een of andere wijze worden gegroepeerd en gesystematiseerd.

De Engelse natuuronderzoeker John Ray (1628-1705) deed een eerste poging in deze richting. In 1693 ontwikkelde hij een classificatie van de verschillende diersoorten. Als bijzonder kenmerk van de groepen dieren nam hij vooral de tanden en klauwen. De classificatie van Ray hield geen stand, maar zijn methode van indeling en onderverdeling werd door Linnaeus verder ontwikkeld.

Linnaeus (1707-1778) wordt beschouwd als de grondlegger van de taxonomie, dat wil zeggen de methode van de systematische classificatie. In Systema Naturae [1735] en Classes Plantarum [1738] maakt hij een onderscheid tussen ‘species’ en ‘genus’ en vatte deze samen in families en klassen. De klassen zijn een van de hoogste groepen waarin het dieren- en plantenrijk werd verdeeld. Linnaeus kon hierdoor een classificatie construeren die begint met de grote groepen en stapsgewijs steeds verder wordt gedifferentieerd. Deze benadering botste met het middeleeuwse wereldbeeld waarin elke soort zijn eigen goddelijke scheppingsdaad representeerde. De classificatie van Linnaeus indiceert een evolutieproces van de natuur.

3·2·2 Van natuurwetenschappelijk naar sociaalwetenschappelijk klassenbegrip
In de Encyclopédie van Diderot en D’Alembert (1751-80) komt het woord klasse nog voor als een natuurwetenschappelijk indelingsbegrip, maar worden tevens de eerste pogingen gedaan om menselijke sociale groepen te classificeren [Diderot/D’Alembert - tome 3 (1753):505 e.v.; tome 6 (1756):20,26; tome 8 (1779):219].

Pas bij de fysiocraten wordt de term klasse helemaal overgedragen en toegepast op de menselijke populatie. In 1758 spreekt François Quesnay in zijn Analyse du Tableau Economique van de drie klassen van burgers: de productieve klasse, de klasse van de grondeigenaars en de steriele klassen.

De productieve en steriele klassen
Onder ’productieve klasse’ verstaat Quesnay al degenen die door bebouwing van de grond de jaarlijkse rijkdom van het land vernieuwen, die het bedrijfskapitaal voorschieten en de grondeigenaars jaarlijks hun revenuen betalen. Kapitalistische pachters in de landbouw vormen een productieve klasse omdat hun kapitaal de meerwaarde voortbrengt (het is niet helemaal duidelijk of hij de landarbeiders die bij de pachters werken ook tot de productieve klasse rekent; de massa van de armen en afhankelijken blijft volledig buiten het klassenschema). Het belangrijkste deel van die meerwaarde vloeit —terecht volgens Quesnay— als inkomen toe aan de grondeigenaars. Grondrente is voor hem dus de enige vorm van meerwaarde (hij ziet niet dat ook elders meerwaarde wordt voortgebracht).

De tweede klasse bestaat uit grondeigenaren: de koning, grondbezitters en de clerus die tienden heft. Deze klasse leeft van het nettoproduct van de landbouw die de productieve klasse jaarlijks betaalt.

De ‘steriele klasse’ tenslotte bestaat uit alle burgers die zich bezighouden met andere diensten en andere soorten arbeid dan die in de landbouw. Daaronder rekent hij niet alleen de kapitalisten, maar ook de loonarbeiders. Juist omdat zij niets van doen hebben met de agrarische productie zijn zij ‘steriel’.

Het vermogen van mensen om door arbeid meer te produceren dan noodzakelijk is voor eigen levensonderhoud, d.w.z. ‘meerwaarde’ te genereren, beschouwt hij als een ‘gave van de natuur’, als ‘productiekracht van de natuur’ [Quesnay 1758/1969:305-28]. Quesnay begreep het principe van de ‘meerwaarde’ zonder precisering van het waardebegrip.

Marx verklaarde dit als volgt. “In de landbouw toont zij [de meerwaarde] zich direct in het overschot van de geproduceerde gebruikswaarden boven de door de arbeider geconsumeerde gebruikswaarden. Dit kan dus helemaal zonder analyse van de waarde, zonder duidelijk begrip van de aard van de waarde worden begrepen. … In de manufactuur ziet men echter helemaal niet direct dat de arbeider bezig is zijn eigen bestaansmiddelen, noch het overschot boven zijn bestaansmiddelen te produceren” [Marx, MEW 26.1:15].

Zie voor studies over de fysiocraten: Meek [1962], Herrnstadt [1965:113-23], Higgs [1968], Calvert [1982:19], Clouatre [1984:233-44], Conze/Walther [1990: 224 e.v.].

Het begrip maatschappelijke klasse is een product van de industriële revolutie en van de sociale veranderingen in de late 18e en vroege 19e eeuw [Dubois 1962; Briggs 1967/83:3; Hernnstadt 1965:123-34; Luhmann 1985:128; Katznelson 1986:14; Conze/Walther 1990:222 e.v.].

Oorspronkelijk was het begrip klasse helemaal niet toegesneden op maatschappelijke verhoudingen en de indeling in sociale groeperingen. De wetenschappen die zich met de opkomst van de burgerlijke maatschappij ontwikkelden, zagen zichzelf in de eerste plaats voor de taak gesteld de wereld zo voor te stellen als ze waargenomen kon worden, onafhankelijk van de heersende religieuze interpretaties.

De wereld van de natuurlijke verschijnselen —de mineralen, planten, dieren, planeten en dergelijke— moesten systematisch worden ingedeeld, geclassificeerd. Het begrip klasse ontstond in de moderne tijd dus allereerst als natuurwetenschappelijke ordeningscategorie. Bepalend voor dit natuurwetenschappelijke klassenbegrip was het inzicht dat men bij de classificatie van verschijnselen niet zozeer moet afgaan op de uiterlijk waarneembare overeenkomsten, maar op de gelijksoortigheid van de innerlijke structuren die pas ‘zichtbaar’ worden door analytische operaties. Classificatie moet zich dus oriënteren op de anatomie.

Bij de toepassing van het natuurwetenschappelijke klassenbegrip op de maatschappij werd vastgehouden aan het inzicht dat een classificatie zich moet oriënteren op de innerlijke structuren of de anatomie van de verschijnselen. Hoe kon de natuurwetenschappelijke ordeningscategorie klasse vruchtbaar worden gemaakt voor het indelen van mensen in hun maatschappelijke verhoudingen?

Uit biologische of genotypische verschillen kunnen geen aanwijzingen worden afgeleid met betrekking tot oorzaken of structurering van de maatschappelijke klassendeling. Ook indelingen naar uiterlijke kenmerken (zoals beroep, inkomen, religie) die laten zien hoe de maatschappij in rangen, standen en sociale lagen is gestratificeerd, leveren niet meer dan vingerwijzingen. Om aan de anatomische pretenties van het klassenbegrip te voldoen, moest een ander onderscheidingscriterium worden gevonden.

Dit criterium werd gezocht in de ‘anatomie van de maatschappij’ waarin de mensen leven. De maatschappij werd opgevat als het lichaam waarvan de individuen deel uitmaken en waarvan zij samen de structuur vormen, doordat ze —behorend tot verschillende grote groepen, dat wil zeggen klassen— verschillende maatschappelijke functies verrichten. Het anatomische beeld dat gebruikt werd om het klassenbegrip toe te passen op de maatschappelijke verhoudingen, was echter niet meer georiënteerd op de morfologische anatomie van het beenderenstelsel, maar op de fysiologische anatomie van de bloedsomloop.

De maatschappij werd opgevat als een organisme. De functionele samenhang daarvan werd onderzocht met behulp van het model van de bloedsomloop. De leidende vraag was: hoe houdt de maatschappij zich in leven, hoe reproduceert zij haar bestaan en hoe breidt zij zich uit? Deze vraag werd beantwoord vanuit de analyse van haar economische processen. Het op het biologische organisme georiënteerde begrip van de fysiologische anatomie krijgt daarom, zodra het op de maatschappij wordt toegepast, een andere naam: die van de economie.

Pogingen om de economische bloedsomloop van de maatschappij te analyseren leidden van begin af aan —we zien dit al bij de fysiocraten in de tweede helft van de 18e eeuw— bijna vanzelfsprekend tot het gebruik van het klassenbegrip. Maar hierdoor veranderde tegelijkertijd de betekenis van het klassenbegrip.

In de natuurwetenschappelijke opvatting was het klassenbegrip een descriptieve categorie ter bepaling van de structuur. In het kader van de economische anatomie van de burgerlijke maatschappij ging het om de bepaling van een functie, het klassenbegrip moest analytische taken verrichten.

De indeling van mensen in maatschappelijke klassen kon immers in deze nieuwe optiek alleen plaatsvinden op basis van de specifieke economische functies die mensen in het productie- en distributiesysteem vervulden. Van begin af aan werd de indeling in maatschappelijke klassen betrokken op ‘economische’ verhoudingen: eigendoms- en productieverhoudingen, arbeidsdeling en beroepsdifferentiaties.

Uit de belangstelling voor de economische kringloop van de maatschappij ontwikkelde zich een nieuwe wetenschap die in de tweede helft van de 18e en tot aan het midden van de 19e eeuw in Frankrijk en vooral in Engeland haar bloeitijd beleefde. De naam die aan deze nieuwe wetenschap werd gegeven, de politieke economie, geeft aan dat het productiegebeuren werd gezien als de bepalende grondslag van de structuur en het functioneren van de maatschappij, als de reële basis van het gehele maatschappelijke levensproces. Dit geheel van het maatschappelijke levensproces werd aangeduid met de term politiek.

De nieuwe generatie intellectuelen, die in meer of mindere sterke mate sympathiseerde met de opkomende en naar staatsmacht strevende burgerlijke klassen, streefde naar een omvattende maatschappijwetenschap en probeerden de klassendeling van de maatschappij af te leiden uit de kringloop van haar economie.

Deze inspanningen werden niet alleen geïnspireerd door wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Een belangrijke drijfveer was dat het privilegestelsel van de late feodale maatschappij vernietigd moest worden. De politieke economie werd een wapen in handen van een rebellerende en zelfs revolutionaire bourgeoisie. De opkomende burgerij werd in haar economische ontplooiingsmogelijkheden beperkt. Door traditionele voorrechten en drukkende feodale lasten werd de burgerij belemmerd in haar belangrijkste streven: de vermeerdering van de eigen rijkdom. Het ging er dus vooral om de onrechtmatigheid van de feodale orde te bewijzen: het klassenbegrip fungeerde als een kritisch begrip, als politiek strijdbegrip.

Los van alle standsverschillen bestond er een kloof tussen de grote meerderheid van het volk dat productief deelnam aan de voortbrenging van bestaansmiddelen voor iedereen en een kleine minderheid die grote delen van de geproduceerde goederen zonder eigen prestatie konden toeëigenen. In de ogen van de opkomende bourgeoisie moest nu een onderscheid worden gemaakt tussen de werkenden en de profiteurs, de producerende en de parasitaire groepen van de maatschappij [Ossowski 1957/62:42]. In deze termen maakte zij een onderscheid tussen economische klassen.

De eerste politieke economen proberen aan te tonen dat de bourgeoisie, die het kapitaal accumuleert en de industrie en handel ontwikkelt, een progressieve klasse is, terwijl de feodale klasse en de met haar verbonden lagen op onproductieve wijze een deel van het maatschappelijke arbeidsproduct consumeren.

De eerste vertegenwoordiger van de klassieke politieke economie, William Petty (1623-1687) karakteriseerde de klasse van de feodale heren en de hiermee verbonden sociale lagen als mensen die “niets anders doen dan eten, drinken, zingen, spelen, dansen en metafysica bedrijven” [Petty 1690 - Political Arithmetick, chap. II].

Het was echter vooral Adam Smith (1723-1790) die in zijn Inquiry into the nature and causes of the wealth of nations tegen de resten van de oude feodale maatschappij ageerde. Alle sociale lagen die niet direct aan de productie van de maatschappelijke rijkdom, dat wil zeggen aan de meerwaardeproductie deelnamen, werden tot de onproductieve klassen gerekend [Smith 1776:141. Vgl. Marx, MEW 26 I:145,120,273; Lehmann 1977].

De burgerij had echter slechts belang bij en belangstelling voor een klassenanalytische benadering van de maatschappelijke verhoudingen zolang zij zonder tegenspraak zélf kon worden opgevat als deel van de werkende of productieve klassen. De nieuwe productiewijze die de burgerij voortbracht elimineerde de klassendeling echter niet, maar bracht een nieuwe voort.

Vroege socialistische critici wierpen de ondernemende bourgeoisie voor de voeten dat zij geen werkelijk ‘producerende klasse’ was, maar een nieuwe economisch ‘uitbuitende’ en ‘sociaal heersende klasse’. Toen de door de bourgeoisie geëploiteerde klassen begonnen hun eigen belangen te articuleren, verdween de burgerlijke belangstelling voor klassenanalyse.

Rechtvaardiging van de kapitalistische orde
Zodra de bourgeoisie de maatschappij en de staat hadden veroverd en/of nadat zij een historisch compromis hadden gesloten met de restanten van de feodale standen, zodra zij de oude ideologische standen ‘als vlees van hun vlees’ hadden erkend, veranderde de inhoud en stootrichting van de klassenanalytische begrippen.

    “Maar zodra de kritiek op de prekapitalistische maatschappij zijn urgentie verloor, en de economische agende werd gedomineerd door de taak van het rationaliseren en rechtvaardigen van de zegevierende kapitalistische orde, werd de loutere vraag naar de productiviteit of essentialiteit van enigerlei type activiteit dat in de kapitalistische maatschappij plaatsvond buiten de deur gezet [Baran 1968:25].

Nadat de bougeoisie de macht van het kapitaal gevestigd had, stond zij niet meer als ‘representant van de productieve arbeid’ tegenover de feodale reactie. Zij had zich verder ontwikkeld en wilde nu zelf ook ‘ontwikkeld’ consumeren en ongestoord genieten van haar nieuw verworven privileges. Daarom nam zij nu zelf ‘geestelijke arbeiders’ in dienst die haar kersverse klasseheerschappij ideologisch moesten legitimeren. De bourgeoisie keerde zich af van haar oude revolutionaire principes waarmee zij de feodale beknellingen en knechtingen had bestreden. De latere ‘vulgair economen’ proberen zelfs de ‘productieve nuttigheid’ te bewijzen van geestelijken, magistraten, rechters enz. [Marx, MEW 23:19 e.v].

Karl Marx meende dat de politieke economie niet meer bedreven kon worden als ‘revolutionaire’ wetenschap die in overeenstemming was met ‘het algemene maatschappelijke belang’. De politieke economie werd steeds nadrukkelijker in dienst gesteld van bijzondere belangen, namelijk van het burgerlijke klassenbelang. Op z’n laatst sinds het midden van de 19e eeuw werd duidelijk dat de politieke economie geen toekomst meer kon hebben.

Marx ging zelf op zoek naar een wetenschap “van de voorwaarden en vormen waaronder de verschillende menselijke maatschappijen hebben geproduceerd en geruild, en waaronder zij derhalve steeds de producten hebben verdeeld” [Marx, MEW 20:139 e.v.]. Een dergelijke wetenschap van de totale samenhang van de maatschappij, van haar economische structuren en de daarin gefundeerde klassensplitsing kon alleen maar in het belang zijn van de sociaal beheersten, niet van de heersende klassen. De klassentheorie zou zich alleen als kritische, zo niet als ‘revolutionaire’ wetenschap verder kunnen ontplooien. Ter rechtvaardiging van uitbuitings- en klassenverhoudingen werd zij ondeugdelijk.

De vraagstelling en het kennisbelang van de politieke economie werd in toenemende mate een zaak van de arbeidersklasse en de daaraan verbonden delen van de intelligentsia. Het bijzondere belang van de arbeidersklasse bij de opheffing van haar onderdrukking en uitbuiting, zou volgens Marx —de eerste grote intellectuele vertegenwoordiger van de nieuwe klassentheoretische traditie— samenvallen met het ‘algemeen menselijke belang’ bij de opheffing van onderdrukking en uitbuiting in de maatschappelijke verhoudingen überhaupt.

Hiermee kan dit exposé over de (voor)geschiedenis van het klassenbegrip voorlopig worden afsloten. Na Marx is het klassenbegrip in ieder geval zo ver ontwikkeld dat het als analytische categorie bruikbaar is voor kritische maatschappijwetenschap.

Lacunes in geschiedenis van klassenbegrip
Een geschiedenis van het klassenbegrip bestaat niet of nauwelijks. Rudolf Herrnstadt [1965] heeft in Die Entdeckung der Klassen als eerste geprobeerd deze lacune te vullen. Daarnaast zijn er slechts een beperkt aantal deelstudies, zoals die van Briggs [1967/83] en Calvert [1982], waarin overigens de bijdragen van Franse historici als Thierry en Guizot zelfs niet genoemd worden. Zie verder de korte verhandelingen van Heberle [1976], Hegner [1976], H. Lehmann [1977], Conze/Walthau [1990].

In De klassentheorie van Marx [1990/2017] wordt een uitvoeriger schets gegeven van de geschiedenis van het klassenbegrip, waarbij vooral aandacht wordt besteed aan Saint-Simon, de grote burgerlijke historici (Guizot, Thierry, Mignet) en aan de econoom David Ricardo.

Index


3·3 Sociaalwetenschappelijke klassenbegrippen
Er zijn meerdere conceptualiseringen en definities van klasse mogelijk, afhankelijk van het specifieke kennisdoel. De definities en omschrijvingen van het klassenbegrip die in de sociologische literatuur circuleren, verschillen van elkaar op drie hoofdpunten:
  1. De sociaal-historische reikwijdte van de klassenbegrippen lopen sterk uiteen. Enerzijds zijn er formuleringen waarin het klassenbegrip zo sterk geuniversaliseerd wordt dat het meerdere zo niet alle maatschappijformaties omvat. Anderzijds zijn er formuleringen waarin de geldigheid van het klassenbegrip historisch specifiek beperkt wordt tot één —meestal de burgerlijke— maatschappijformatie.

  2. Het is niet altijd even duidelijk wat er nu precies wordt gedefinieerd. In sommige definities wordt meer of minder expliciet geprobeerd om in structurele termen een afbakening te geven van klassenposities, terwijl in andere juist de nadruk ligt op sociale klassen als handelingscollectieven.

  3. De belangrijkste verschillen draaien om de vraag, wat de constitutieve kenmerken zijn voor (posities van) klassen, en meer in het bijzonder
    • in welke specifieke maatschappelijke verhouding(en) de klassen worden gelokaliseerd, respectievelijk welke specifieke oorzakelijke componenten van het bestaan en de reproductie van maatschappelijke klassen worden gethematiseerd, en
    • op welk niveau van handelingsintegratie het klassenbegrip wordt gesitueerd: op maatschappelijk, organisationeel, of interactioneel niveaus

Het is niet eenvoudig om een helder zicht te krijgen op de diverse connotaties van het klassenbegrip. En daarom is het ook zeer moeilijk om een niet-triviaal indelingsprincipe te formuleren. Er zijn vele pogingen gedaan om de verschillende klassenbegrippen te ordenen.

De volgende indelingscriteria werden —geïsoleerd of in wisselende combinaties— gebruikt:

formeel-logisch (technisch) v

e

r

s

u

s

sociaalwetenschappelijk Geiger [1932]
nominalistisch realistisch Dahrendorf [1959], Lenski [1952, 1966],
Giddens [1979], Strasser [1987], Kreckel [1990]
beschrijvend-statistisch analytisch-dynamisch Dahrendorf [1953]
structureel historisch Poulantzas [1968]
universeel-historisch maatschappijformatie-specifiek Geiger [1932]
eendimensionaal multidimensionaal/integraal Lipset [1968]
objectivistisch subjectivistisch In plaats van velen: Mombert
structuralistisch constructivistisch* Bourdieu [1987]
gradueel relationeel Ossowski [1957/62], Wright [1979]
economisch politiek-ideologisch In plaats van velen: Poulantzas
productie distributie/markt Wright, Therborn, Herkommer, Kuttler/Lozek
heerschappij uitbuiting Dahrendorf, Wright, Roemer e.v.a

Dergelijke indelingen zijn te simpel; zij reproduceren en demonstreren hoofdzakelijk de inhoudelijke en terminologische ambiguïteit van het klassenbegrip, welke samenhangt met de diversiteit van de theoretische perspectieven waarin gewerkt wordt.

Het ideaal van elke wetenschappelijke theorie is heldere begripsvorming en terminologische precisie. Dit vereist dat er voor elk onderscheiden perspectief dat met een begrip verbonden is, één —en niet meer dan één— corresponderende term is.

John Coleman [1965:339 - tabel I] stelde voor een onderscheid te maken tussen zes verschillende analytische perspectieven en daarmee corresponderende analyse-eenheden:

  1. vanuit het prestige-perspectief kunnen klassen worden geanalyseerd als prestigegroepen,
  2. vanuit symbolisch-normatief perspectief als culturele lagen;
  3. vanuit interactioneel perspectief als geassocieerde cliques;
  4. vanuit belangen- en conflictperspectief als sociale klassen;
  5. vanuit demografisch perspectief als demografische categorieën, en
  6. vanuit sociaal-psychologisch perspectief als referentiegroepen.

Hoewel dit nog geen theoretisch ‘paradigma voor de bestudering van sociale strata’ is —zoals Coleman meende—, biedt het toch een eerste referentiekader om de klassenbegrippen systematischer in te delen. In aansluiting bij Coleman en Bader/Benschop [1988] maak ik een onderscheid tussen definities waarin klassen refereren aan:

Index


3·4 Typologie van klassendefinities
Om een meer systematische typologie van klassedefinities te ontwerpen, moeten de dimensies op basis waarvan dit kan gebeuren worden geëxpliciteerd. Een mogelijkheid om klassenbegrippen te ordenen, is door Erik Olin Wright uitgewerkt en zal hier geamendeerd worden gerefereerd. In hft. III zal ik op basis van nauwkeuriger inhoudelijke en methodische onderscheidingen een eigen typologie uitwerken.

Wright stelt voor om de klassedefinities te ordenen met behulp van drie op elkaar aansluitende theoretische dimensies.

  1. Worden klassen fundamenteel opgevat in graduele of in relationele termen?

  2. Wanneer klasse wordt opgevat in relationele termen: wordt de primaire structurering van klassenverhoudingen gelokaliseerd in arbeids- of productieverhoudingen dan wel in markt- of distributieprocessen?

  3. Wanneer klassenverhoudingen primair binnen de arbeid/productie worden gelokaliseerd: wordt arbeid/productie vooral geanalyseerd in termen van technische arbeidsdeling, (gezags- of) autoriteitsrelaties of exploitatie?
Op basis van deze drie theoretische dimensies kan een typologie worden geconstrueerd, waarin vijf basistypen van klassendefinities zijn verwerkt.

Figuur 1_2: Typologie van klassendefinities

3·4·1 Graduele klassendefinities
In graduele benaderingen worden klassen gekenmerkt door het feit dat zij ‘boven’ of ‘onder’ andere klassen staan. Omdat volgens deze maatstaf de groepen in een systeem van hogere en lagere klassen staan, betekent klassenstructuur hier zoveel als ‘klassenstratificatie’.

Dit kwantitatieve, ruimtelijke beeld klinkt door in de naamgeving van de verschillende klassen: hogere klasse, middenklasse, lagere klasse, of uitvoeriger: upper class, upper middle class, middle class, lower middle class, lower class (en recentelijk aangevuld met ‘under class’). Binnen deze benadering spitsen de discussies zich toe op de vraag of deze indelingen zuiver conventioneel of reëel zijn en wat het verband is tussen continue en discontinue gradaties binnen het stratificatiesysteem [Giddens 1973; Bourdieu 1987:2 e.v.; Fantasia 1988:13].

In de moderne sociologieën kunnen twee hoofdvarianten van graduele klassendefinities worden onderscheiden. In de eerste variant worden klassengradaties primair gedefinieerd in termen van inkomen, ‘monetaire rijkdom’, terwijl zij in de tweede variant primair worden gedefinieerd in termen van ‘sociale status’ of ‘prestige’.

Graduele inkomensklassen: arm en rijk
De meest gangbare graduele definitie van klassen is: de arme mensen zijn de lagere klassen, de mensen met middeninkomens zijn de middenklassen en de rijken vormen de bovenklassen. Deze sociale hiërarchie is uitsluitend of primair gebaseerd op verschillen in monetaire rijkdom en inkomen.

Op deze wijze wordt de klassenstructuur praktisch identiek met de inkomensverdeling. De impliciete premisse van dergelijke benaderingen is meestal dat de inkomensverhoudingen in de kapitalistische landen steeds verder nivelleren en de klassenverhoudingen evolueren naar een meer of minder homogene middenklassenmaatschappij, waarbij de pyramide-vorm steeds meer in een diamant-vorm verandert.

Graduele status- of prestigeklassen
In de tweede variant wordt er van uitgegaan dat klassendelingen uitdrukking zijn van gemeenschappelijke posities binnen een —alles omvattende, of minstens relatief coherente dominante— prestigehiërarchie. Deze benadering steunt op twee —zeer omstreden— vooronderstellingen:

De meest klassieke en invloedrijke formulering van deze benadering gaf Talcott Parsons. Hij definieerde klasse als “an aggregate of such units, individual and/or collective, that in their own estimation and those of others in the society occupy positions of approximately equal status” [Parsons 1970:24]. Deze en vergelijkbare formuleringen klinken met name door in de traditie van de zogenaamde gemeenschapsstudies [Warner, Lunt, Holingshead, Stacey].

Nog meer status: met Parsons en vele anderen
Vergelijk ook eerdere formuleringen van Parsons:
  • “It is proposed to define a social class here as consisting of the group of persons who are member of effective kinship units which, as units, are approximately equally valued. According to this definition, the class structure of social systems may differ both in the composition or structure of the effective kinship unit or units which are units of class structure and in the criteria by which such units are differentiated from one another. The class status of an individual is that rank in the system of stratification which can be ascribed to him by virtue of those of his kinship ties which bind him to a unit in the class structure” [Parsons 1940:77].
  • “A class may then be difined as a plurality of kinship units which, in those respects where status in a hierarchical context is shared by their members, have approximately equal status” [idem 1949:328]. Vgl. ook 1953:427.

En vergelijk ook de hierop aansluitende volgende definities.

  • “We shall then mean by a social class any portion of a community which is marked off from the rest, not by limitations arising out of language, locality, or specialization, but primarily by social status” [MacIver 1937:167].
  • “By class is meant two or more orders of people who are believed to be, and are accordingly ranked by the members of the community, in socially superior and inferior positions” [Warner/Lunt 1941:82].
  • “Class, as distinguished from stratum, can well be regarded as a psychological phenomenon in the fullest sense of the term. That is, a man’s class is part of his ego, a feeling on his part of belonginess to something, an identification with something larger than himself” [Centers 1949:27].
  • “We shall use the term ‘social class’ to refer to an agregate of individuals who occupy a broadly similar position in the scale of prestige” [Williams 1960: 98].

In de prestige- of statusschalen worden beroepsgroepen bij elkaar gezet die zeer uiteenlopende plaatsen hebben binnen arbeidsmarkten, productie-eenheden en economische sectoren. In werkelijkheid hebben deze groeperingen echter totaal uitlopende trajecten van groei en verval [Erikson/Goldthorpe 1992: ch. 6]. Toch werd zeer vaak de prestige- of statushiërarchie als begripsmatige context voor de analyse van klassenmobiliteit genomen. Hierdoor werd de volledige omvang van de effecten die resulteren uit structurele veranderingen in de economie verdraaid [Goldthorpe/Marshall 1992:395].

3·4·2 Relationele klassendefinities
Tegenover deze graduele klassendefinities staan relationele concep;ten waarin klassen worden gedefinieerd door hun structurele verhouding tot andere klassen. In relationele definities worden klassen niet simpel ‘relatief’ gedefinieerd ten opzichte van andere klassen, maar in een maatschappelijke verhouding tot andere klassen [Wright 1979:6; Parkin 1979:11 e.v.; Bourdieu 1987].

Hoewel klassen empirisch van elkaar verschillen in een grote variëteit van kwantitatieve dimensies, zijn de klassencriteria gebaseerd op kwalitatieve dimensies. Binnen het relationele klasseperspectief reflecteren alleen al de namen de onderliggende definitie. Klassen worden niet benoemd volgens een continuüm van lager naar hoger, maar dragen namen zoals: uitbuitersklasse — uitgebuite klasse; heersende klasse — onderdrukte klasse; bezittende — bezitloze klasse; slavenhouders — slaven; kapitalistenklasse — arbeidersklasse.

In de graduele optiek worden de lagere klassen gedefinieerd als klassen die ‘minder’ hebben van datgene waar de hogere klassen ‘meer’ van hebben (inkomen, vermogen, educatie, status, macht enzovoort). Het gaat dus steeds om meer of minder van hetzelfde. Binnen de relationele optiek wordt bijvoorbeeld de arbeidersklasse gedefinieerd door kwalitatieve eigenschappen van de plaats binnen een maatschappelijke arbeidsverhouding, die tegelijk de kapitalistenklasse definieert. In zowel de marxistische als weberiaanse traditie wordt de arbeidersklasse opgevat als klasse van bezitloze verkopers/verhuurders van arbeidskracht en de kapitalisten als kopers/huurders van arbeidskracht. Het kenmerkende verschil is daarbij niet zozeer dat loonarbeiders ‘iets minder’ hebben dan kapitalisten, maar dat zij een specifieke, kwalitatief andere positie innemen binnen een maatschappelijke verhouding, die zowel de loonarbeider als de kapitalist definieert: namelijk binnen de ruilverhouding op de arbeidsmarkt (in andere benaderingen: de machts- of heerschappijverhouding in de arbeidsorganisatie of de exploitatieverhouding in productie- of distributieprocessen).

Impliciet relationeel
Ook in graduele benaderingen van sociale ongelijkheden wordt dus —in ieder geval impliciet— uitgegaan van een maatschappij-beeld. Als men bijvoorbeeld zegt dat iemand een ‘hogere’ sociale status of prestige heeft dan een ander, dan veronderstelt dit “that both people agree on the relative rankings of status positions, and this implies that the two people exist within a social relation: the person in the lower status acknowledges the person in het higher status as having greater status, and vice versa” [Wright 1979:7]. Hetzelfde geldt voor de graduele maat bij uitstek: het persoonlijke of huishoudelijke inkomen. Het inkomen van de ene persoon of categorie is immers altijd lager of hoger in relatie tot het inkomen van andere personen of groepen.
Nu bevat elke benadering van sociale ongelijkheden per definitie bepaalde aspecten van relatieve posities — ook al zijn deze relationele aspecten nog zo impliciet. De cruciale vraag is echter “of de operationele criteria voor klassen gebaseerd zijn op de kwalitatieve maatschappelijke verhoudingen die als zodanig relatieve posities definiëren, of op de kwantitatieve dimensies die door dergelijke posities worden gegenereerd” [Wright 1979:7]. In graduele benaderingen zijn alle definities geconcentreerd op de kwantitatieve dimensies. In relationele visies wordt daarentegen geprobeerd om de maatschappelijke verhoudingen zelf direct ‘in kaart’ te brengen.

Het verschil tussen graduele en relationele klassendefinities lijkt soms —en wordt vaak afgedaan als— een zuiver semantische strijd over de vraag hoe het woord ‘klasse’ gebruikt moet/kan/mag worden.

In alle relationele klassendefinities —ongeacht of zij deze verhoudingen in aansluiting bij Marx, Weber of Dahrendorf opvatten— worden klassenstructuren gethematiseerd als een potentiële basis voor collectief handelen. De analyse van klassenstructuren wordt dus verbonden met een dynamische theorie van klassenhandelen en klassenstrijd. Graduele klassendefinities zijn hiervoor principieel niet —of in ieder geval veel minder— bruikbaar.

Er zijn verschillende klassentheorieën die uitgaan van een relationeel begrip van sociale ongelijkheid. De meningen lopen uiteen over de vraag hoe deze relationele basis, die de klassen structureert, moet worden opgevat. Welke specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen zijn bepalend voor de structurering van de klassen of klassenposities? Hoe kunnen de specifieke oorzakelijke componenten van het bestaan en de reproductie van maatschappelijke klassen het beste worden geanalyseerd?

3·4·3 Relationele productie- en marktklassen
In de theoretische discussies over relationele klassendefinities wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen benaderingen die georiënteerd zijn op of vertrekken vanuit ‘productieverhoudingen’ en benaderingen die zich concentreren op ‘distributieverhoudingen’. Productie en distributie worden daarbij opgevat als twee sferen van maatschappelijke activiteitsverhoudingen die constituerend zijn voor klassenverhoudingen. Daarbij worden marktverhoudingen gedefinieerd door de ruilrelaties tussen kopers en verkopers van verschillende soorten goederen of waren; productieverhoudingen worden opgevat als relaties tussen actoren binnen het productie- of arbeidsproces zelf. Weber wordt in dit verband —ten onrechte— opgevoerd als grondlegger van de distributieve of marktbenadering van klasse.

(Neo)Weberiaans marktmodel?
Bij de auteurs die Weber een distributief of marktgebonden klassenbegrip toedichten behoren in ieder geval: Kramer [1968:175], Cassano [1971:25 e.v.], Herkommer [1975:125], Therborn [1976:140 e.v.], Johnson [1976:62], Korpi [1978:10 e.v.], Crompton/Gubbay [1978:16], Wright [1979:8; en iets voorzichtiger in 1985:107], Kuttler/Lozek [1985: 274], Burris [1987:68,8206]. Zie voor een uitvoerige kritiek op deze Weber-interpretatie: Benschop [1987a/ 2017: hfst. 6; 1987b:101-9].

Als voorbeeld van een neo-weberiaans ‘marktmodel’ van klassenanalyse wordt vaak verwezen naar het werk van Anthony Giddens: Class Structure of Advanced Industrial Societies [1973]. Maar Giddens accepteert Weber’s begrip van klasse en klassenpositie niet als basis voor een theorie van de klassenstructuur [Giddens 1977:205]. Hij wijst de identificatie van klasse met marktpositie af en kritiseert de algemene stelling dat klassendelingen en -conflicten verschijnselen zijn van marktrelaties. In zijn gereconstrueerde theorie van klassen en klassenstrijd handhaaft hij de ‘marxistische’ stelling dat klassendelingen verankerd zijn in het productiesysteem en in het bijzonder in de extractie van meerwaarde [Giddens 1973:109; 1977:206].

Een typische vertegenwoordiger van het neo-weberiaanse marktmodel van klassenanalyse is Norbert Wiley [1967]. In zijn analyse worden klassen in de Amerikaanse maatschappij gedetermineerd door drie verschillende, elkaar overlappende markten: arbeidsmarkt, kredietmarkt en warenmarkt. Deze drie markten constitueren zes klassen: ondernemers (kapitalisten) en arbeiders, crediteuren en schuldenaren, verkopers en consumenten. Naarmate deze drie dimensies van klassen (deze ruilrelaties) elkaar overlappen, is de intensiteit van het klassenconflict intenser.

Tegenover deze zogenaamde weberiaanse of neo-weberiaanse opvatting van klassen in termen van marktverhoudingen staat het ‘marxistische’ argument, “dat het hart van een klassenanalyse gelokaliseerd moet zijn binnen de sfeer van de productie” [Wright 1979: 10].* Over de vraag hoe deze productieverhoudingen zelf geanalyseerd moeten worden, bestaat geen overeenstemming. Er is hoogstens consensus over het feit, (a) dat de relationele basis van maatschappelijke klassen in de productie en niet zozeer in de structuur van de ruil gezocht moet worden, en (b) dat de posities die in de productie worden ingenomen, beslissend zijn voor de mate van beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen en beloningen (dus bepalend voor sociale levens- en politieke handelingskansen).

Marktverhoudingen zijn binnen dergelijke ‘production-level theories’ wel degelijk van belang, maar hun betekenis is afgeleid van de relatie tussen markten en productie. Marktverhoudingen zijn in hoge mate bepalend voor de wijze waarop individuen over arbeidsposities worden verdeeld. Ook als men klassen structureel definieert in termen van posities in de productie, moet rekening worden gehouden met het feit dat het allocatieproces op de markt van invloed is op de wijze waarop klassen collectief worden georganiseerd. Tevens zijn markten belangrijke arena’s waarin klassen en klassenfracties met elkaar in conflict komen, concurreren. Loonarbeiders figureren als verkopers of verhuurder van hun specifieke waar arbeidskracht en ondernemers als huurder/kopers van deze arbeidskrachten. Omdat kapitalisten proberen de arbeidskrachten zo goedkoop mogelijk in te huren, en arbeidsloon de enige, althans meest doorslaggevende inkomensvorm van de loonarbeiders is, zijn conflicten over lonen een intrinsiek verschijnsel van het kapitalisme. Dat deze conflicten binnen marktverhoudingen worden uitgevochten, betekent echter nog niet dat de actoren in deze strijd/concurrentie fundamenteel worden gestructureerd door marktrelaties als zodanig. In ‘production-level theories’ wordt verondersteld dat dergelijke conflicten over loon- en arbeidsvoorwaarde uiteindelijk gestempeld worden door de structuur van klassenverhoudingen binnen de productie.

3·4·4 Relationele beroepsklassen
De meest gangbare sociologische klassendefinities zijn geformuleerd in termen van beroepscategorieën. Meestal worden daarbij de handarbeidersberoepen (‘blue collar workers’) gedefinieerd als arbeidersklasse, de kantooremployés als middenklasse, en professionele en leidinggevende beroepen als ‘uppermiddle’ of ‘upperclasses’ of soms als zelfstandige ‘professionele klasse’.

De precieze theoretische status van deze beroepstypologie van klassen is niet erg duidelijk:

Functionalisme all the way
Het directe verband tussen technische of functionele arbeidsdeling en klassenposities is theoretisch zeer slecht onderbouwd. Een van de meest invloedrijke bijdragen in deze traditie is die van Davis/Moore [1945]. Hoewel zij geen expliciet klassenbegrip formuleerden, gingen zij er van uit dat sociale ongelijkheden teruggevoerd kunnen worden tot het differentiële ‘functionele belang’ van de posities binnen de technische arbeidsdeling. De veronderstelde logica is dat ongelijke beloningen nodig zijn om mensen te stimuleren de functioneel meest belangrijke posities te vervullen en dat het functionele belang van posities is afgeleid van de technische imperatieven van het productiesysteem. Sociale (en dus ook klasse)ongelijkheden zouden dus uiteindelijk louter zijn gebaseerd op de functionele imperatieven van de technische organisaties van de productie.

Recentere versies van de technisch-functionele klassendefinitie zijn theorieën over de ‘postindustriële maatschappij’. Zo argumenteerde Daniel Bell [1973/4] dat er in geavanceerde stadia van de industriële ontwikkeling verschillende soorten professionals (wetenschappers, ingenieurs, bepaalde categorieën technici) naar voren komen, die een nieuwe dominante klasse gaan vormen. Op basis van hun positie in de technische arbeidsverhoudingen zouden zij een monopolie op wetenschappelijke kennis verwerven, die hen in staat zou stellen de sleutelinstituties van de postindustriële maatschappij te controleren. De professionele klasse is voor Bell de belangrijkste klasse van de opkomende nieuwe maatschappij [Bell 1973/74:137].

Hoewel Alain Touraine [1969] in zijn klassedefinitie meer nadruk legt op de betekenis van bureaucratische heerschappij redeneert hij op analoge wijze. Hij baseert zijn definitie van klassen in postindustriële maatschappijen op de rol van de experts en de technocraten binnen de technische arbeidsdeling. In tegenstelling tot Bell —‘advanced capitalism’s most persuasive advertising man’ (Giddens)— gaat Touraine er niet van uit dat het klassenconflict in postindustriële maatschappijen zal verdwijnen. Hij verwacht veeleer een verschuiving van het centrum van de klassenstrijd: van strijd om toeëigening van economische rijkdom naar strijd om de vervreemdende effecten van onderschikking aan technocratische beslissingen.

Zie voor kritieken op het technologisch determinisme van Touraine: Deppe/Lange/Peter [1971:605], Deppe [1971:43], Giddens [1973:255 e.v.].

3·4·5 Relationele heerschappijklassen
In de conflict- en machtssociologische traditie worden klassen gethematiseerd in termen van heerschappij- of gezagsverhoudingen. De meest invloedrijke vertegenwoordiger hiervan was —tot 1979— Ralf Dahrendorf.

Binnen dergelijke bevelsmatig georganiseerde associaties zijn er altijd slechts twee polaire klassen: degenen die de heerschappij uitoefenen en degenen die worden gedomineerd, overheerst. Omdat mensen echter meestal bij meer dan een verband behoren, kunnen zij in de ene organisatie commandoposities innemen en in een andere organisatie gehoorzaamheidsposities.

De klassenstructuur wordt dus voorgesteld als een netwerk van elkaar doorkruisende splitsingen die gebaseerd zijn op overlappende structuren van heerschappijverhoudingen in uiteenlopende organisaties. Klassen worden daarbij opgevat als actieve maatschappelijke eenheden die met elkaar strijden om de heerschappij binnen de betreffende organisaties.

Het formalisme van Ralf Dahrendorf
Een van de hoofdbezwaren tegen Dahrendorf’s benadering richt zich op het volstrekt formele karakter van zijn klassendefinitie. Het doel en de inzet van heerschappij of gezag blijft volledig in het duister. Erik Olin Wright formuleerde dit als volgt:
    “Because of this formal character of the conception of class, authority definitions generally do not provide a sustained account of why social conflict should be structured around authority relations” [Wright 1979:14].
Het lijkt er overigens op dat Wright het nog niet erg met zichzelf eens was. Hij merkt immers tegelijkertijd op dat “in authority definitions of class, the social content of class relations returns to the center of the stage” [Wright 1979:13].

In datzelfde jaar publiceerde Dahrendorf de resultaten van zijn herontdekking van de (sociaal gestructureerde) ‘levenskansen’, waarin hij het formalistische karakter van zijn eigen klassendefinitie uit 1959/61 kritiseert:

    “The most obvious gap is that in Class and Class Conflict, where the analysis of conflict remains highly formal and little is said about either the substance of conflict or the direction of change” [Dahrendorf 1979:61].
Formeel gezien gaan sociale conflicten altijd over de handhaving of verovering van macht en “in this formal sense, power is the key category for the analysis of both social structures and social processes”/48/. Sociale stratificatie is gebaseerd op macht — evenals het gehele systeem van sociale normen welke deze begeleidt. Maar dit laat een cruciale vraag onbeantwoord: “what is human society and its history about?”/49/.

Dahrendorf kritiseert zijn eerdere definities van machts- en gezagsverhoudingen omdat daaraan een “substantive definition”/44/ ontbrak. “It is not power as such, but what one can do with it that seems desirable”/49/. Het ‘amendement’ dat hij op zijn eigen fragmentarische theorie wil aanbrengen, is dat hierin “the most important if the most complex dimension” werd vergeten: “that of the direction of change and of the substance of conflict” /57/.

Dahrendorf’s benadering is verwant aan die van Gerhard Lenski. Maar Lenski neemt ook andere dimensies dan heerschappij op in zijn klassedefinitie. Hij definieert klassen als “an aggregation of persons in society who stand in a similar position with respect to some form of power, privilege, or prestige” [Lenski 1966:75]. Om een antwoord te krijgen op de klassieke vraag: ‘who gets what and why?’, moet men zich volgens hem vooral bezighouden met de ‘power classes’, die gedefinieerd worden als “an aggregation of persons in a society who stand in a similar position with respect to force or some specific form of institutionalized power”.

3·4·6 Relationele exploitatieklassen
De transformationele klassenanalyse speelt het exploitatieve karakter van klassenverhoudingen een cruciale rol. Het meest kritische begrip is uitbuiting. Het is ook het meest normatief en politiek geladen, en daarom zeer omstreden begrip.

Onder uitbuiting wordt hier zeer algemeen verstaan: de toeëigening/onteigening van meerarbeid — in productvorm als meerproduct, of in waardevorm als meerwaarde. Toeëigening van meerarbeid veronderstelt een meer of minder drastische asymmetrische verdeling van beschikkingsmacht over essentiële (‘productieve’) bronnen. Het vermogen van uitbuitende klassen om onder deze voorwaarde meerarbeid toe te eigenen, maakt het voor deze klassen mogelijk te consumeren zonder te produceren — of minstens: veel meer maatschappelijke rijkdom toe te eigenen dan zij produceren. Het exploitatieve karakter van klassenverhoudingen is dus een cruciale factor voor de verdeling van inkomens over de verschillende klassen. Het feit dat een uitbuitende of heersende klasse een superieure beschikkingsmacht heeft over de productieve bronnen van een maatschappij is echter niet alleen van ‘economische’ betekenis, maar heeft ook vergaande consequenties voor de verdeling van sociaalculturele levens- en politieke handelingskansen. Wie in staat is het meerproduct toe te eigenen, beschikt tevens over het machtspotentieel om de richting van maatschappelijke veranderingen en ontwikkelingen op doorslaggevende wijze te beïnvloeden [zie uitvoeriger hft. VII.2).

In het marxistisch perspectief wordt benadrukt dat de verschillende klassensystemen zijn verankerd in kwalitatief verschillende mechanismen van exploitatie. Als men klasse wil opvatten in termen van uitbuitingsverhoudingen dan moet elke klassenanalyse beginnen met het thematiseren van de maatschappelijke mechanismen via welke meerarbeid wordt toegeëigend. Het ‘masterconcept’ [Parkin 1979:5] dat hiervoor in de regel wordt gebruikt, is dat van de ‘productiewijze’: productiewijzen worden van elkaar afgebakend door de kwalitatief verschillende mechanismen waardoor en vormen waarin heersende klassen de meerarbeid van uitgebuite klassen toeëigenen. De historische ontwikkeling en transformatie van klassenverhoudingen wordt opgevat als een afwisseling van ’maatschappijformaties’ of tijdperken waarin telkens een verschillende productiewijze domineert.

Index4. Theoretische referentiepunten

4·1 Marx’ klassentheorie is geen voltooid systeem
Deze studie is gericht op de constructie van een transformationele klassentheorie. De vraag is vanuit welke theoretische optiek men hierbij het beste zou kunnen vertrekken. Er zijn immers meerdere, elkaar beconcurrerende theorieën en onderzoekstradities waarbij men kan aanknopen of waaruit men een keuze kan maken. De meest ontwikkelde klassenanalyses vinden we in de marxistische traditie, maar daarnaast zijn er andere denominaties (zoals de ‘neoweberianen’) waar veel van te leren valt.

Ter verduidelijking van mijn theoretisch referentiepunt zou ik daarom kunnen opteren voor een ‘marxistische’ invalshoek. Maar zo’n keuze schept nog niet veel duidelijkheid en kan zelfs misleidend zijn. De klassentheorie van Marx is immers allesbehalve een afgerond geheel en er bestaat ook geen unieke marxistische orthodoxie waaraan men —met enig vertrouwen of wantrouwen— kan refereren.

  1. De klassentheorie van Marx is geen systeem dat op een filosofisch fundament gebaseerd is. Wat Marx heeft nagelaten, kan nog het beste worden getypeerd als een onvoltooide systematische aanzet voor een klassentheorie [Benschop 1990/2017].

    De ‘klassentheorie van Marx’ heeft een programmatisch karakter: het is een wetenschappelijk onderzoeksprogramma dat zich binnen de marxistische onderzoekstraditie verder heeft ontwikkeld. Bij Marx zijn een aantal hoekstenen van een klassentheorie te vinden die naar verschillende kanten verder kunnen worden uitgewerkt. Als wetenschappelijk onderzoeksprogramma is de ‘theorie van Marx’ principieel onafgesloten [Lenin Werke Bd.2:205; Balibar 1974:45; Therborn 1980; Van Dijk 1984:301].

    Onderzoeksprogramma en onderzoekstraditie
    De term onderzoeksprogramma —welke door Lakatos wetenschapstheoretisch werd onderbouwd— veronderstelt weliswaar net als de term paradigma van Kuhn een bepaalde interne samenhang en coherentie, maar laat meer ruimte voor pluralisme. Ik gebruik de term marxistische onderzoekstraditie hier in dezelfde betekenis als de term historische onderzoekstraditie van Lakatos [1977].

    Klassentheorie is ‘een zich ontwikkelend onderzoeksprogramma’ (Lakatos) binnen een specifiek historische —overwegend marxistische— onderzoekstraditie. Zo’n onderzoekstraditie wordt gekenmerkt door (i) een object of problematiek met favoriete onderwerpen en een serie theorieën; (ii) een methode die gebaseerd is op een sociale of filosofische ontologie en een kennistheorie en bestaat uit een methodologie, een methode in de engere zin en specifieke onderzoeksvormen, methoden en technieken; en (iii) een praktijk als reeks exemplarische onderzoeken die de zichtbare werking en de resultaten van de traditie vormen.

  2. Het werk van Marx is open voor verschillende interpretaties en reconstructies. Er is niet één marxisme, maar we hebben te maken met een verscheidenheid van theoretische stromingen. De periode van de vermeende eenduidigheid —de mythe van het zogenaamde marxisme-leninisme— ligt inmiddels ver achter ons. Daarmee is tevens afscheid genomen van de bekende abstracte afgrenzingen ten opzichte van ‘de burgerlijke sociologie’. Dé klassentheorie bestaat niet en de marxistische klassentheorie kent geen oorspronkelijke zuiverheid. Er bestaat geen ‘zuivere’ klassentheorie die alleen nog maar ‘toegeëigend’, ‘gekend’ en ‘toegepast’ hoeft te worden. De (marxistische) klassentheorie biedt geen kant en klare antwoorden en oplossingen: zij is niet ‘evident’, maar stelt en onderzoekt problemen. Klassenanalyse is een theoretisch en politiek probleem.
Wie zicht wil krijgen op de klassentheoretische aanzet van Marx moet ingaan op haar problemen en lacunes en op de mogelijkheden om deze aanzet verder te ontwikkelen. Met een ‘verdediging van het marxisme’ of een louter ‘tekstuele exegese’ komt men niet verder. Een (re)constructie van de klassentheorie vereist precieze doordenking van bestaande concepten en benaderingen — ook als men een aantal ‘klassieke’ stellingen en posities wil handhaven, is het nodig deze op tal van punten opnieuw te doordenken en te onderbouwen.

Index


4·2 Dé marxistische klassentheorie bestaat niet
In de marxistische onderzoekstraditie wordt het bestaan van en de tegenstelling tussen de maatschappelijke klassen gezien als de belangrijkste verklaringsgrond voor maatschappelijke verandering in het algemeen en voor sociale ongelijkheden en conflicten in het bijzonder. Deze ‘harde kern’ van het klassenanalytisch onderzoeksprogramma wordt door marxisten of marxistisch geïnspireerde sociale wetenschappers verdedigd en vanuit andere sociaalwetenschappelijke onderzoekstradities bestreden.

In de marxistische onderzoekstraditie staat het begrip van de antagonistische maatschappelijke klassenverhoudingen centraal. De constitutieve betekenis van het klassenantagonisme werd echter niet altijd even duidelijk geaccentueerd en de klassentheorie zelf werd lange tijd niet verder uitgewerkt.

De klassentheorie van Marx en de oudere interpretaties en uitwerkingen van marxisten als Kautsky, Bucharin, Lenin en Lukacs tonen aan dat het tegelijkertijd gaat om “een belangrijke sociologische ontdekking en dat deze ontdekking nooit voldoende is gepreciseerd; noch in zijn inhoud, noch in zijn basis, noch in zijn grenzen of reikwijdte” [Gurvitch 1966:97]. Het is niet té overdreven om deze stelling na bijna een halve eeuw nog eens te herhalen.

Het marxisme claimt niet alleen een kritische theorie van de geschiedenis van klassenmaatschappijen te zijn, maar ook en vooral van hun verandering en uiteindelijke ontbinding. Het claimt niet alleen een theorie van de geschiedenis te leveren, maar tegelijkertijd een geschiedenis van de theorie te zijn.

Zelfreflexieve klassentheorie
Deze metatheoretische optie (’marxisme van het marxisme’) is ingeschreven in het geboortestatuut van de klassentheorie. Marx en Engels gingen zelf regelmatig in op de historisch-maatschappelijke en theorie-historische voorwaarden van hun eigen wetenschappelijke ontdekkingen. Volgens Antonio Gramsci zou van een aanhanger van de ‘filosofie van de praktijk’ niet alleen worden verwacht dat deze de maatschappelijke tegenstellingen begrijpt, “maar ook zichzelf als element van die tegenstellingen begrijpt” [Gramsci 1971:405; vert. p. 75]. Deze zelf-reflexieve intentie werd door Perry Anderson als volgt geformuleerd:
    “Marxisme onderscheidt zich van alle andere varianten van kritische theorie door haar vermogen —of ten minste haar ambitie— om een zelfkritische theorie samen te stellen die in staat is om haar eigen ontstaan en metamorfoses te verklaren” [Anderson 1983:12].
In de reflexieve sociologie van Bourdieu [1984:48 - Homo Academicus] wordt de objectiverende blik ‘naar buiten’ (socio-analyse) telkens aagevuld met en verdiept door een ‘wending naar binnen’ (auto-analyse). Door deze poging tot objectivering van al datgene wat onderzoekers verbindt met en bindt aan hun eigen objecten —“tenter d’objectiver tot ce qui le lie à son objet”— wordt de sociologische analyse stelselmatig verdubbeld [Dick Pels, in: Bourdieu 1989:8]. Daarom moet volgens Bourdieu [1988/89:59 -Vive la crise!] de sociale geschiedenis van de wetenschap een ondermisbaar onderdeel zijn van de intellectuele gereedschapskist van alle sociale wetenschappers.

Hier wordt geen poging gedaan om de geschiedenis van de klassentheorie te schrijven. Ik wil slechts het tweeledige karakter onderstrepen van een theorie-historische reconstructie onderstrepen.

De klassentheorie en het empirisch-historisch onderzoek naar de klassenverhoudingen ontwikkelen zich niet lineair, maar in opeenvolgende cycli. Telkens treden er theoretische breukvlakken op, zowel met betrekking tot de vragen die gesteld worden als met betrekking tot de theoretische constructies die hierbij worden gehanteerd [Blom 1983; Blom/Kivinen 1989].

Zo ontwikkelde zich aan het einde van de jaren zestig in het kielzog van de radicaal-democratische studentenbeweging en de opbloei van het arbeidersverzet een hernieuwde belangstelling voor de marxistische klassentheorie. Deze renaissance van de marxistische onderzoekstraditie leidde tot een formidabele productiviteit van het ‘westerse marxisme’ in de jaren zeventig en tachtig. Zij werd door sommigen als een ‘crisis van het marxisme’ beschreven en door anderen geïnterpreteerd als een ‘productieve evenwichtsverstoring’. In ieder geval werden de vermeende eenduidigheid en geslotenheid van de dominante marxistisch-leninistische interpretaties doorbroken. Voor de reconstructie van de klassentheorie werd enerzijds direct teruggegrepen op bijdragen van Marx, anderzijds werden pogingen in het werk gesteld om een meer productieve verhouding tot stand te brengen met —voorheen als ‘burgerlijke sociologie’ gediscrediteerde— contemporaine sociaalwetenschappelijke theorieën.

De methodische voorwaarden en methodiek van klassenanalyse werden opnieuw ter discussie gesteld en er werden nieuwe aanzetten geformuleerd voor een systematische reconstructie en verdere ontwikkeling van de klassentheorie. Er werden pogingen gedaan om vaak al langer bekende theoretische lacunes weg te werken, met name op het vlak van moderne loonafhankelijke middenklassen, de bewustzijnstheorie en de ‘politieke’ klassentheorie. Er werden tevens pogingen gedaan de vernieuwde theoretische inzichten te combineren met empirisch onderzoek. Het klassenanalytisch onderzoek verwierf in sommige academische instituties een eigen plaats, er ontstonden netwerken waarin het onderzoekswerk werd gecoördineerd. En er ontstond een zekere mate van internationalisering van het debat en onderzoek.

Wie de resultaten overziet van de heropleving van marxistisch georiënteerd onderzoek naar de klassenverhoudingen sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, zal zich moeilijk aan de indruk kunnen onttrekken dat deze reconstructie nog niet is afgesloten. Op tal van punten is zeker sprake van theoretische en empirische progressie, maar er bestaat geen uitgewerkte, ontwikkelde klassentheorie [Johnson 1979:207; Lockwood 1981:475; Wright 1989; Thien 2010].

Index


4·3 Controverses binnen de marxistische onderzoekstraditie
Ook onder marxistisch georiënteerde auteurs is de klassenanalyse controversieel. Zij verschillen niet alleen fundamenteel van mening over theoretische en methodologische thema’s, maar ook over de operationalisering van theoretische basisbegrippen, over de onderzoekstrategieën en -methodieken, en over de politieke, handelingsstrategische consequenties van klassenanalyse.

Op de vraag ‘wat is een klasse?’ worden binnen de marxistische onderzoekstraditie zeer uiteenlopende antwoorden gegeven. De theoretische onderbouwingen van klassencriteria zijn controversieel omdat er verschillende visies zijn over de volgende methodologische en thematische problemen.

Omdat de benadering van deze fundamentele problemen sterk uiteenloopt, is het niet verwonderlijk dat er over meer concrete punten van de klassenstructuur nauwelijks overeenstemming bestaat. Men hoeft alleen maar de vraag te stellen: ‘Wat moeten we vandaag de dag onder arbeidersklasse verstaan?’ om er zeker van te zijn een hele reeks elkaar tegensprekende antwoorden te krijgen. Dat wordt zeker niet anders als men meer ingewikkelde problemen aan de orde stelt met betrekking tot interne differentiatieprocessen (zoals de relatie tussen klasse-, fractie- en laagcriteria), operationele klassencriteria, empirische ontwikkelingstendensen van klassenstructuren, verschuivingen in omvang en samenstelling van de diverse klassen en de politiek-strategische handelingsconsequenties.

Een minimum aan consensus kan niet worden bereikt zonder een eenduidig theoretisch georiënteerde structurering van de problemen die bij een analyse van de klassenverhoudingen aan de orde zijn en zonder een nauwkeurige, gemotiveerde afbakening van de gehanteerde basisbegrippen.

Index


4·4 Wat is klassenanalyse?

4·4·1 Kennisobject van de klassentheorie
Het kennisobject van de klassentheorie zijn de maatschappelijke verhoudingen tussen en binnen de klassen en hun onderlinge strijd. Klassenanalyse betreft dus zowel de klassenmatige structurering van sociale levensposities in specifieke maatschappijformaties als de wijze waarop hieruit politieke handelingscollectieven (‘klasseformaties’) ontstaan.

Meer in het bijzonder gaat het om de analyse van:

Klassentheorie is enerzijds een ‘regionale’ theorie die zich concentreert op bepaalde aspecten van de sociale structuren in antagonistische, door uitbuitingsverhoudingen gekenmerkte maatschappelijke formaties. Anderzijds is de klassentheorie echter ook een ‘algemene’ theorie die refereert aan de klassenmatige structurering in álle maatschappelijke activiteitsverhoudingen.

Klassentheorie is dus geen specifiek disciplinaire (bijvoorbeeld ‘economische’) theorie, maar zij is ook geen supertheorie die alle structuurvormen van sociale ongelijkheid omvat. Klassentheorie moet niet gereduceerd worden tot ‘politieke economie’. Niet zozeer omdat anders de handelingsstructurerende kracht van politieke verhoudingen, historische tradities en ideologische discoursen buiten beschouwing zou blijven —zoals Boccara e.a [1971], Poulantzas [1976] en Jung [1972] nog meenden—, maar omdat de klassentheorie de centrale verbindingsschakel vormt tussen een politiek-economische analyse van maatschappelijke ontwikkelingen en de politieke theorie, de theorie van het collectieve handelen van maatschappelijke actoren.

Het kennisobject of -belang van de klassentheorie is dus de identificatie van historisch relevante handelingscollectieven en verklaring van collectief politiek klassenhandelen.
Marx gebruikte het klassenbegrip primair om een verklaring te kunnen geven van “the incidence and the forms of collective action” [Elster 1985:318]. Het klassenbegrip fungeert sindsdien nadrukkelijk in het kader van een meer algemene theorie van sociale conflicten. Ook al heeft Marx noch het bestaan van klassen in de burgerlijke maatschappij en noch hun onderlinge strijd als eerste ontdekt [Benschop 1990/2017: II, § 1·4].
Een klassentheorie moet in staat zijn zowel de alledaagse als politiek georganiseerde vormen van klassenhandelen te verklaren. Ondanks de sterk uiteenlopende theoretische benaderingen en normatief-politieke perspectieven is dit niet alleen de intentie van de klassentheorie in de marxistische traditie, maar van álle klassentheorieën.

4·4·2 Reikwijdte van klassenanalyse
Klassenanalyse omvat zowel theorievorming als empirisch-historisch onderzoek naar de structuur en dynamiek van de klassenverhoudingen in een specifieke samenleving. De reikwijdte van de klassenanalyse kan door de drie volgende elementen worden omlijnd.

Klassenanalyse is dus een omvattend onderzoeksprogramma. Het is theoretisch gefundeerd onderzoek van de empirisch-historische tegenstellingen tussen de klassen en klassenfracties, dat als grondslag kan dienen voor het evalueren respectievelijk het ontwerpen van politieke handelingsstrategieën van uitgebuite, overheerste, arbeidende klassen tegenover exploiterende, heersende klassen (inclusief de met deze fundamentele of hoofdklassen verbonden tussen- of restklassen en intermediaire sociale lagen). Politieke en normatieve oriëntaties spelen hierbij uiteraard een belangrijke rol. Deze worden in het volgende hoofdstuk besproken.

Index

Eigenaardigheden Onderwerpen Samenleven Zoek Over ons Contact


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1993
Laatst gewijzigd: 06 January, 2017