| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
| 1. Een verboden gedachte en omstreden begrip |
|---|
Class is the most important explanatory category in social science. Class structures virtually all aspects of society, social conflict, and historical development [Szymanski 1983:1].
1·1 Opeenstapeling van sociale ongelijkheden
De sociale structuur van de maatschappij waarin we leven, waarin de kapitalistische arbeidswijze domineert, doet zich aan ons voor als een kolossale opeenstapeling van sociale ongelijkheden. klassenongelijkheid is hiervan een elementaire vorm.
Er zijn weinig aspecten van het maatschappelijke leven die niet beroerd worden door klassenverschillen. De klassenpositie die iemand inneemt, werkt niet alleen door in de arbeids-, inkomens- en consumptieverhoudingen, maar ook in levensstijl, maatschappelijk bewustzijn, cultuur, politiek, en zelfs in zulke ultieme en intieme kwesties als levensverwachtingen, seksuele relaties, huwelijk, religie, kansen op geluk en geestelijke gezondheid [Szymanski 1983:1,79,297; Reid 1989:395; Scase 1992:81].
De klassenpositie heeft een sterke invloed op machtsposities die binnen allerlei organisaties ingenomen kunnen worden en structureert tevens de sociale interactiekansen, dat wil zeggen de selectiviteit van partnerkeuze, vrienden, buren en bekenden. En last but not least: klassenposities genereren niet alleen ongelijkheid van sociale levenskansen, maar zijn ook in sterke mate bepalend voor politieke handelingskansen.
Mensen uit de arbeidersklasse of uit de laagste of onderklasse behoren niet alleen tot degenen met de lagere inkomens, grotere werkloosheids- en gezondheidsrisicos, slechtere kansen op woningmarkt, onderwijs enzovoort. Zij vertonen ook een gemiddeld lager geboortegewicht, een hoger percentage kindersterfte, zijn op volwassen leeftijd kleiner, sterven op vroegere leeftijd dan mensen in hogere, burgerlijke klassen.
| The worlds most ruthless killer and the greatest cause of suffering on earth is extreme poverty [World Health Organization 1995 - Bridging the Gaps]. |
De aanzienlijk hogere mortaliteitsratios onder arme mensen en leden van de arbeidersklasse manifesteren zich in specifieke doodsoorzaken, zoals tuberculose, kanker, hartziekte en suikerziekte. Ook kindersterfte (waarschijnlijk de beste indicatie voor de gezondheid van een sociale groep) komt bij gezinnen met een laag inkomen veel vaker voor dan bij hogere inkomensgroepen.
De kans om in een oorlog gedood te worden, wordt voor een belangrijk deel bepaald door de klassenpositie. Dat geldt ook voor de kans om slachtoffer te worden van geweldsmisdrijven.
|
Bij suïcide is dit verband minder eenduidig, omdat zowel degenen die het hoogst als het laagst in de klassenstructuur staan zichzelf het vaakst doden. Niet alleen ongeschoolde arbeiders, maar ook professionals en managers plegen aanzienlijk vaker zelfmoord dan kantoorarbeiders, bankbedienden en geschoolde handarbeiders.
|
De hogere sterfteratio onder de arbeidende en lagere klassen wordt vooral veroorzaakt door de grotere emotionele spanningen die inherent zijn aan hun arbeids- en levenspositie. Mensen uit de arbeidersklasse en uit de lagere inkomensklassen staan zowel in hun werk-, woon- als thuissituatie in het algemeen bloot aan aanzienlijk grotere emotionele spanningen. Ziektes die hiervan het gevolg kunnen zijn, doen zich bij deze klassen daarom meer voor dan in de midden- of hogere klassen. De zwaarste vormen van somatische en psychische ziekten komen aanzienlijk meer voor op lagere niveaus van de klassenstructuur dan aan de top. Mensen die aan chronische angst en depressie lijden hebben bijvoorbeeld een veel grotere kans om het slachtoffer van kanker te worden [Conrad/Kern 1981:458; Mackenbach 2004].
Mensen in de arbeiders- en onderklasse ervaren bovendien meer traumas: zij scheiden vaker van hun (huwelijks)partner, zij hebben vaker te maken met het overlijden van familieleden of vrienden, zijn vaker slachtoffer van geweldsmisdrijven (moord, roofovervallen, dreiging met geweld, verkrachting), verliezen eerder hun baan en hun huis (door brand, of na inkomensreductie door uitzetting). Emotionele spanningen impliceren een grotere kans om betrokken te raken bij ongelukken en verzwakken de weerstand tegen ziektes (en leiden hierdoor tot een verhoogd overlijdensrisico). Mensen die onder spanning staan roken, drinken en eten meer en gebruiken meer slaappillen, soft- en harddrugs. Daarbij komen nog de risicos die direct aan de arbeidssituatie gebonden zijn: beroepsgebonden ziektes en bedrijfsongevallen. Mensen sterven meer aan beroepsgebonden ziektes dan aan ongevallen tijdens het werk. De bekende voorbeelden hiervan zijn: longziekte (silicone), veroorzaakt door kolendamp in de mijnen, radioactieve straling bij uraniumarbeiders, kanker als gevolg van het werken met asbest.
Verschillen in mortaliteit en chronische ziektes worden mede veroorzaakt door klassedrempels in de toegang tot de medische zorg en therapeutische behandelingen. Dit is vooral duidelijk in landen waar de medische zorg grotendeels in particuliere handen is. Arme mensen krijgen aanzienlijk minder medische zorg en als zij die krijgen via voorzieningen die door de staat worden gefinancierd, dan krijgen zij meestal de slechtste, in ieder geval een slechtere medische behandeling. In landen waar de ziekteverzekering en ziekenzorg overwegend door de staat is overgenomen, bestaat in de regel nog een zeer gedifferentieerd stelsel van particuliere ziekteverzekering en ziekenzorg voor degenen die geld hebben. Arbeiders en arme mensen die een aanzienlijk groter ziekte- en overlijdensrisico hebben, besteden en ontvangen echter ook in dit geval aanzienlijk minder aan medische voorzieningen dan de beter gesitueerde groepen die het gezondst zijn. Dit verschijnsel wordt ook wel als the inverse care law (Hart) aangeduid [Le Grand 1982].
Bij de mentale gezondheid ligt dit niet veel anders. Zoals gezegd zijn spanning en onzekerheid in het leven van de subalterne klassen aanzienlijk groter dan in de midden- en hogere klassen. Als zij al toegang krijgen tot therapeutische voorzieningen dan worden zij gediagnosticeerd en getherapeutiseerd met behulp van criteria die op de hogere middenklassen zijn georiënteerd.
Leden van de werkende en lagere klassen bezwijken eerder onder druk. Dit is het gecombineerde effect van minstens drie factoren: tijdens economische recessies en massawerkloosheid is er in het algemeen een sterke stijging in het aantal gehospitaliseerden met diagnoses als neurose en psychosen; de arbeid die zij verrichten is repetitiever, inhoudslozer en geestdodender en door hun relatief lage kwalificatieniveau hebben zij grotere problemen om zich aan te passen aan technologische veranderingen; mensen uit de lagere en arbeidersklasse worden eerder psychotisch dan mensen uit de midden- en hogere klassen. Dit lijkt voor alle psychoses te gelden, dus niet alleen voor affectieve, schizofrene en seniele psychoses, maar ook voor psychoses als gevolg van alcoholisme en druggebruik.
|
Neuroses lijken daarentegen meer voor te komen in de hogere klassen. Hiervoor zijn een aantal redenen.
|
Deze schets van uiteenlopende klassenspecifieke en -selectieve verschijnselen zou men nog even kunnen voortzetten. Men kan immers moeilijk zwijgen over de klassengebondenheid van
De klassengebondenheid van al deze verschijnselen is in talloze onderzoekingen aangetoond. Wat daarbij vooral in het oog springt en veel onderzoekers heeft verrast, is dat ondanks de vele maatschappelijke veranderingen en ondanks alle sociaal-politieke herverdelingsinitiatieven de klassenongelijkheden zon extreem grote stabiliteit vertonen. Zelfs op gebieden waar de retoriek van gelijkheid het sterkst is zoals onderwijs en gezondheidszorg zijn er aanwijzingen dat de relatieve klassenverschillen groter, resp. stabieler zijn geworden. Tegelijkertijd kan er in een aantal gevallen verandering naar grotere gelijkheid worden geconstateerd. Dit verandert echter niets aan het algemene beeld van de stabiliteit van relatieve klassenverschillen binnen de context van algemene verandering in de maatschappij [Reid 1989:396].
De paradox van moderne klassenmaatschappijen is dat zij zowel stabiele en relatief constante sociaalstructurele klassenverhoudingen vertonen als flexibiliteit, differentiatie en beweging. Naast continuïteit, consistentie en structurele consolidering van klassenverhoudingen en -reproductiemechanismen doen zich ook nieuwe differentiatietendenzen voor die leiden tot een heterogenisering van klassenposities, pluralisering van klassenspecifieke levensstijlen, erosie van gedragsbepalende klassenspecifieke sociaal-morele milieus, en individualisering van levensverhoudingen en -wegen. Deze structurele meerduidigheid van moderne klassenverhoudingen is de bron van vele controverse analyses van sociale wetenschappers, die meestal één van deze gezichten op de voorgrond stellen. Deze controverses kunnen slechts met de grootste moeite (en polemische overdrijving) onder de hoed worden gebracht van een consistentieparadigma versus een differentiatieparadigma [Berger 1990:319; Berger/Sopp 1991].
De ongelijkheid van levenskansen vloeit voort uit de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over zeer uiteenlopende maatschappelijke bronnen en beloningen. Klassenongelijkheid is een fundamentele structuurvorm van sociale ongelijkheid. Zij resulteert uit de ongelijke beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen die de mogelijkheid bieden dat de ene uitbuitende klasse zich de meerarbeid van de andere uitgebuite klasse toeëigent.
Class as a concept is ceasing to do any useful work for sociology [Pahl 1989:710].
Klasse is an increasingly redundant issue [Holton/Turner 1989:194].
Class is an increasingly outmoded concept [Clark/Lipset 1991:397].
Degenen die toch dat stereotype woord gebruiken, plaatsen zichzelf daarmee buiten de grenzen van de dominante cultuur. Vooral in de Verenigde Staten werd dit lange tijd opgevat als een indicatie dat zij loyaal waren met een vreemde, vijandige doctrine. In the US the word class is symbolic of stereotype conceptions, and is apt to convey the impression that the person who speaks of class is moving outside the bounderies of American culture or indicating an allegiance to the foreign doctrine of Marxism [Page 1940:xi].
In Nederland was dit niet veel anders, hoewel daar natuurlijk vooral gefulmineerd werd tegen het onchristelijke karakter van het denken in klassentermen:
Het idee van klasse is in de ontwikkelde kapitalistische metropolen een soort verboden gedachte [Blumberg 1980] geworden. Toch zijn er altijd mensen geweest die zich van een dergelijk verbod niets hebben aangetrokken. Zij meenden dat het onmogelijk is om over klassen en klassenstrijd te zwijgen, zolang de maatschappelijke structuren en sociale levensverhoudingen van de ontwikkelde kapitalistische staten nog steeds door uitbuitingsverhoudingen gekenmerkt worden. Zolang dit het geval is, zal het probleem van klasse en klassenconflict een kernthema blijven van zowel sociaalwetenschappelijke als politiek-culturele discussies.
|
|
|
|
Laten we beginnen een antwoord te geven op de schijnbaar meest eenvoudige vraag: Wat zijn klassen? Klassen zijn misschien wel een te belangrijk onderwerp om aan sociale wetenschappers over te laten. Voordat we ons laten informeren door de theoretische uiteenzettingen en standpunten van sociale wetenschappers zouden we daarom eerst te rade kunnen gaan bij de spontane sociologie (Bourdieu). The starting point of social science is to be found in ordinary social live [Alfred Schütz 1932/72:140].
2. Klassen in het alledaagse bewustzijn |
|---|
Als mensen over maatschappelijke problemen spreken of hierover worden ondervraagd, maken zij relatief weinig gebruik van het woord klasse. Maar als mensen zich uitlaten over themas zoals rijkdom en armoede, ongelijkheid of succes refereren zij in alledaagse of omgangstaal vaak direct aan maatschappij, stratificatie en ook klasse [Willener 1957:214; Townsend 1979; Herkommer 1979; Bourdieu 1979; Marshall 1983:272,288; Marshall e.a. 1988].
De vraag wat klasse in het dagelijkse taalgebruik betekent, is niet eenvoudig te beantwoorden. We moeten daarbij vertrouwen op de indicaties die middels empirische studies zijn verkregen. Omdat deze indicaties schaars en niet altijd even eenduidig zijn, laten zij meerdere interpretaties toe. Bovendien bestaan er ten aanzien van de klassenvocabulaire aanzienlijk verschillen in culturele tradities tussen diverse naties en staten.
In onze modern-industriële, informatie-, vrijetijds-, consumptie-, welvaartsmaatschappij met zijn democratische rechts- en verzorgingsstaat is de voorstelling van een klassenmaatschappij niet erg verspreid. Ook loonarbeiders hanteren niet vaak de term klassenmaatschappij als zij spreken over hun eigen westerse samenleving. De teneur van de uitlatingen is meestal dat het begrip achterhaald is. Soms wordt dit verbonden met de overweging dat dit begrip te veel aan klassenstrijd herinnerd en dat deze oude, 19e eeuwse tijden immers allang voorbij zijn.
Een aanzienlijk deel van degenen die zichzelf tot de arbeidersklasse rekenen, gebruikt echter zelf regelmatig het begrip klassenmaatschappij. Zij verrassen hun interviewers niet zelden met een zekere trotse reactie in de geest van: jazeker, we leven nu eenmaal nog steeds in een klassenmaatschappij [Kudera e.a. 1979:352].
De frequentie waarmee de term klassenmaatschappij wordt gebruikt, varieert niet alleen met de specifieke sociale positie van de sprekers, maar is ook sterk afhankelijk van de mate waarin socialistische (denk- en taal)tradities intact zijn gebleven, dan wel onderdrukt werden door een massieve en langdurige fascistische repressie, een fanatiek anticommunisme in de Koude Oorlogsperiode en/of door het meer hybride, maar uiterst effectieve mengsel van ideologieën van de genivelleerde, technocratische, pluralistische, geïndividualiseerde welvaarts-, consumptie- of informatiemaatschappij. Ook het woordgebruik behoort tot de culturele tradities die verdrongen en vernietigd kunnen worden.
|
In Engeland zijn de klassenspecifieke culturen en taaltradities van de arbeidersbeweging veel meer intact gebleven. Daar vormt de klassenterminologie een veel vanzelfsprekender onderdeel van het alledaagse en politieke taalgebruik en is het gebruikelijker om sociale klassencategorieën en politieke krachten met elkaar in verband te brengen:
Anders dan in Duitsland ondervonden de klassentalen in Engeland nooit enige serieuze concurrentie van oudere standstalen. Zie voor historische analyses van de klassentalen in de Engelse areidersbeweging: Briggs [1967/83] voor de 19e eeuw en Stedman-Jones [1983] voor de periode 1832 tot 1982. Zie voor een historische analyse van de betekenis van de politieke klassentaal in Frankrijk: Sewell [1986]. En voor een vergelijking tussen egalitaire bewegingen en klassenradicalisme in Frankrijk en Engeland: Gallie [1983]. |
De reacties op de vraag of we in een klassenmaatschappij leven, zijn nogal ambivalent. Ook al wordt het bestaan van een klassenmaatschappij ontkend, toch komt in de reacties op de vraag toch vaak impliciet en in verschillende varianten het element van belangenantagonisme naar voren. De overgrote meerderheid van de bevolking lijkt zich wel degelijk bewust te zijn van de distributieve ongelijkheid. Overheersend is de opvatting dat uit de bestaande verdelingsongelijkheid spanningen en conflicten voortvloeien [Sandberger 1983:186; Marshall e.a. 1988:153]. Anderzijds stemt men overwegend in met de opvatting dat het inkomen zich in eerste instantie richt naar de prestatie, dat iedereen de kans heeft om hogerop te komen en dat het zoeken naar individuele stijgingsmogelijkheden voor de leden van de onderste sociale lagen betere kansen biedt dan solidariteit en collectief handelen.
Bij de evaluatieve oordelen over de stratificatie-orde hebben kritische stellingnames duidelijk de overhand, met name ten aanzien van de onrechtvaardigheid van zeer hoge inkomens en grote politieke invloed. In het algemeen lijkt een gematigd egalitaire houding overheersend [Wijngaarden/Hermkens/Knippers 1988; Szirmai 1986; Berting 1986; Berting e.a. 1987]. Deze nivelleringsethos is echter zeer ambivalent: enerzijds een duidelijk bewustzijn van bestaande verdelingsongelijkheid en brede kritiek op de stratificatie-ordening, anderzijds een affirmatief-legitimerende zienswijze van de kansenstructuur en een afwijzende houding tegenover protestacties (lsociaal-pacifistisch).
De afwezigheid van directe referenties aan maatschappelijke klassen in interviewsituaties wil dus niet zeggen dat belangentegenstellingen worden ontkend. Degenen die moeite hebben om het klassenbegrip te hanteren of die haar validiteit in het algemeen ontkennen, hebben in de regel toch een zeer duidelijke opvatting over sociale ongelijkheden in een meer algemene zin. Belangentegenstellingen komen daarbij niet zozeer naar voren in de vorm van offensieve klassenstrijd, maar in de dimensie van de altijd en overal aanwezige belangenconflicten tussen arbeiders (werknemers) en ondernemers (werkgevers).
In diverse empirisch studies werd gedetailleerd nagegaan hoe deze conflicten voor loonafhankelijke arbeiders neerslaan in de dagelijkse ervaringen van dwang, van het zich moeten verweren tegen verslechteringen, van het moeten werken onder onzekere en restrictieve voorwaarden, zonder daarmee veel meer te bereiken dan in lang niet altijd even slecht, maar toch nooit echt aangenaam leven te blijven. De fundamentele aspecten van geleefde ervaring van de arbeidersklasse die zijn afgeleid van haar positie in de maatschappelijke arbeids- en klassenverhoudingen worden geanalyseerd door Wright [1989:289,337].
De ervaringen van maatschappelijke ongelijkheid en afhankelijkheid, maar ook van individuele mogelijkheden, vrijheid en eigendom concentreren zich in een voorstelling van een bepaalde structuur van de maatschappij, in een maatschappijbeeld.
Het model van een dichotomie doet zich op vele terreinen gelden [Schwartz 1981:161; Coser 1973:442; Herkommer/Bischoff e.a. 1979; Erbslöh 1989]. De grondslag of het prototype daarvan is de meestal duidelijk te identificeren belangentegenstelling tussen loonafhankelijke arbeiders en ondernemers. Maatschappijbeelden zijn telkens verschillende interpretaties van dit belangenantagonisme. De kern van dit dichotome maatschappijbeeld is enerzijds een zeer pregnant bewustzijn van de eigen sociale situatie, anderzijds de ervaring van afhankelijkheid van deze situatie van de belangentegenstelling tussen arbeiders en ondernemers. Deze belangentegenstelling biedt het centrale perspectief voor de beoordeling van maatschappelijke en politieke kwesties. Zij vormt de vluchtheuvel voor bijna elke argumentatie:
In de ogen van de arbeiders is deze belangentegenstelling bepalend voor hun maatschappelijke situatie; de ervaring van deze situatie als benadeelde situatie is uitgangspunt voor opvattingen over de opbouw van de maatschappij.
Hierin drukt zich de dwang tot loonarbeid uit, waaraan men zich moet onderwerpen als men het eigen bestaan wil veiligstellen. Het bewustzijn van deze afhankelijkheid is zo sterk dat de vooronderstelling daarvan, het systeem van loonarbeid, ondanks alle kritiek op onderdelen vaak niet fundamenteel ter discussie wordt gesteld.
Opvattingen die uitgaan boven het articuleren van de opgelegde situatie en die de opbouw van de maatschappij als geheel articuleren zijn weinig aanwezig. Als ze al bestaan en expliciet worden geuit, dan hebben ze meestal het karakter van laconieke statements, waarvan de kortheid een twijfelloze zekerheid bevat, dat het is zoals het is [Kudera e.a. 1979:354].
De voorstellingen worden niet gearticuleerd in een coherente ideologische vorm, maar fragmentarisch, incoherent of onzeker [Converse 1964; Bulmer 1975:5; Mann 1975; J. C. Scott 1985; Bader 1991, hft. VI].
Deze conclusie is zeker niet beperkt tot landarbeiders, maar geldt voor alle onderdelen van arbeidersklasse. Met sociologische surveys krijgt men geen greep op deze tegenstrijdige bewustzijnsvormen van de arbeidersklasse.
|
De concentratie op de verhoudingen waaraan men onderworpen is en waarmee men hoe dan ook moet leren leven, biedt weinig ruimte voor reflectie over dingen die daar boven uitgaan. Wanneer dergelijke voorstellingen worden geuit, worden ze door onderzoekers meestal bleek en eentonig genoemd.
| De manier waarop de vraag naar de klassenidentificatie gesteld wordt is natuurlijk zoals ook uit de geformuleerde vraag blijkt allesbehalve neutraal. De kiene reactie van respondenten op dit soort gekleurde vragen is: You asks your question and you gets your answer. Juist onderzoekers die voor dit feit het meest sensibel zijn, weten dat dit zeer moeilijk oplosbare methodologische problemen met zich meebrengt. Een overzicht van de problemen van klassenidentificatie en -identiteit geven Jackson/Jackson [1983]. |
|
Ik zal hier niet uitvoerig ingaan op de (legende van de) verburgerlijking van de arbeidersklasse, en beperk me tot een aanduiding van een paar algemene onderzoeksresultaten. In een van de eerste naoorlogse studies over klassenidentificatie ondervroeg Richard Centers een representatief deel van de mannelijke beroepsbevolking van de VS. Hij kwam daarbij tot de conclusie dat 98% van de geënquêteerden zich met een sociale klasse identificeerde [Centers 1949; 1965:326-39]. Volgens het oudere Franse onderzoek van Willener [1957] rekenden 88% van de ondervraagden zichzelf tot een bepaalde sociale klasse. Voor een voorzichtige vergelijking kunnen we het beste kijken naar de uitkomsten van een aantal Engelse studies. Volgens het eerste bekende onderzoek van Martin identificeert 96% van de onderzochte populatie zichzelf met een of andere sociale klasse [Martin 1954]. In het begin van de jaren zestig kwam Runciman [1966] tot het resultaat dat 83% van de respondenten zichzelf in een specifieke klasse plaatst en na een vervolgvraag waarin respondenten gedwongen werden zich bij midden- dan wel arbeidersklasse in te delen zelfs 99%. Het extreem hoge percentage bij Runciman werd waarschijnlijk vooral bereikt door de sturende vraagstelling: What social class would you say you belonged to? en de vervolgvraag: If you had to say middle or working class, which one would you say? In diezelfde periode komen andere onderzoekers met sturende vragen tot vergelijkbaar hoge percentages: 93 % bij Rosser/Harris [1965] en 96% bij Kahan/Butler/Stokes [1966]. Butler en Stokes deden tweemaal onderzoek met dezelfde vraag: Do you ever think of yourself as belonging to a particular class? In 1964 antwoordde 50% van de ondervraagden hierop bevestigend, terwijl dit in 1970 was gedaald tot 43% [Butler/Stokes 1974]. Het onderzoeksteam van Townsend in 1968-1969 formuleerde de vraag iets anders en kwam tot de conclusie dat 80% van de ondervraagden zich spontaan bij een bepaalde sociale klasse indelen [Townsend 1979]. In de jaren zeventig werden een aantal studies uitgevoerd met de rechtstreekse vraag: Do you think there are social classes in Britain today. Hieruit komen eveneens zeer hoge percentages naar voren: NOP [1972] 91%, Roberts e.a. [1977] 96% en Reid [1978/89] 97%. Ook in de jaren tachtig blijft het percentage dat zichzelf als lid van een bepaalde klasse identificeert zeer hoog: 96% volgens Airey [1984] en 96% volgens Abbott/Sapsford [1987]. Volgens het onderzoek van Marshall e.a. [1988:144] rekent 60% van de onderzochte populatie zichzelf bij een bepaalde sociale klasse; 90% kan zichzelf bij een specifieke klassencategorie indelen. Dit laatste project is onderdeel van het internationale survey onderzoek dat sinds 1980 op initiatief van Eric Olin Wright wordt uitgevoerd. Hierin werd een meer open vraag gehanteerd: Do you think of yourself as belonging to any particular social class? Ook de vervolgvraag is open geformuleerd: Suppose you were asked to say which class you belonged to, which would you say? Uit een Australisch onderzoek van Chamberlain [1983] komen vergelijkbare resultaten naar voren. Rond de 80% van de respondenten zijn van mening dat er sociale klassen bestaan, en meer dan 90% identificeert zichzelf in klassentermen. |
Het is moeilijk te beoordelen of de verschillende uitkomsten van deze empirische onderzoekingen een bewijs of indicatie zijn van het verval van klassenidentiteiten, of louter een artefact van de verschillende vragen die werden gesteld. Dergelijke studies tonen in ieder geval aan dat de ondervraagden voorstellingen over de klassenstructuur hebben die min of meer spontaan naar voren komen, dat wil zeggen zonder dat onderzoekers zelf een bepaalde klassennotie suggereren of een bepaalde lijst van klassen op tafel leggen. Bovendien blijkt dat degenen die in klassentermen denken zichzelf meestal definiëren als behorend tot de arbeidersklasse of tot de middenklasse [Martin 1954; Runciman 1966; Kahan/Butler/Stokes 1966; Marshall e.a. 1988:144; Reid 1989:34].
Men kan ook meer sturende vragen stellen door de respondenten een standaardlijst met klassen voor te leggen en te verzoeken om zichzelf daarin te plaatsen. Dan blijkt uit al het onderzoek dat de overweldigende meerderheid zichzelf plaatst in de midden- of arbeidersklasse of in een van de onderdelen hiervan. Over de precieze kwantificering kan men twijfels behouden, maar volgens diverse auteurs is de twee-klassen conceptie (arbeiders-middenklasse) zeer diep in het maatschappelijke bewustzijn verankerd [Ossowski 1962; Bulmer 1975:8. En voor het aantal klassen dat wordt onderscheiden: Kahl 1957:19; Lewis 1963/74:170-3; Britten 1984].
Opvallend is de sterke verspreiding van het beeld dat de klassenstructuren eigenlijk niet wezenlijk veranderen. Marshall e.a. [1988:143 e.v.] nodigden hun respondenten uit het niet eens te zijn met het extreme oordeel, dat er tegenwoordig net als vroeger een dominante klasse is die het economische en politieke systeem overwegend controleert, en een lagere klasse die geen controle heeft over economische en politieke zaken. De helft van hun populatie stemde in met deze stelling. Als factoren welke veranderingen teweeg hebben gebracht, worden genoemd: uitbreiding van democratie (60%), eerlijker verdeling van welvaart (25%), invloed van werknemers via vakbonden (20%), sociale mobiliteit (15%), en veel minder: uitbreiding van welvaartsstaat en loonstijging i.h.a. Zie voor Duitsland: Sandberger [1977:15].
We kunnen bij benadering aangeven wat de basis is van klassenidentificaties, dat wil zeggen op grond van welke criteria mensen zichzelf of anderen bij deze of gene klasse indelen. Het beschikbare onderzoek laat zien dat de respondenten hierover nogal globaal, om niet te zeggen vaag zijn.
|
Sociologen die de tegenstrijdigheden van hun respondenten als argument gebruiken om het bestaan van klassen te ontkennen, onthullen hiermee volgens Bourdieu [1979:551] slechts dat zij niets begrijpen van de wijze waarop de sens pratique de lespace social werkt of van de kunstmatige situatie waarin zij deze laten werken. Het praktische gevoel voor sociale ruimte komt tot uiting in de wijze waarop mensen zichzelf in de sociale klassenverhoudingen situeren en aan anderen een plaats toekennen. Het refereert altijd aan de specifieke situatie waarin dit gevoel praktijken oriënteert. Daarom zijn er bijvoorbeeld altijd duidelijke verschillen tussen onderzoeksresultaten die betrekking hebben op de beelden van lokale klassenverhoudingen (zoals deze in gemeenschapsstudies worden gedaan) en van nationale klassenverhoudingen [zie ook al Lenski 1952 en Bott 1957/71]. De respondenten variëren daarbij niet alleen in het aantal verdelingen dat zij binnen een groep maken en in de grenzen die zij tussen klassen en sociale lagen aanbrengen, maar ook in de criteria die zij gebruiken om deze grenzen te definiëren. Dit is niet louter het gevolg van de vaagheid of inconsistentie die inherent is aan alle praktische logicas (zoals in de intellectualistische en logocentrische traditie wordt beweerd). Deze inconsistenties zijn het gecombineerde effect van minstens drie factoren.
|
Hieruit kan in de eerste plaats worden geconcludeerd dat klassen voornamelijk worden gezien als beroeps-, inkomens- of statusgroepen, of als categorieën met een specifieke verhouding tot markt of productie (en in veel mindere mate als educationele of politieke klasse). In de tweede plaats wordt klasse op brede schaal als een complex verschijnsel beschouwd met vele facetten en gezichten.
Voor de omschrijvingen van klassen worden meerdere criteria gebruikt. Bovendien is er een aanzienlijke variatie in de manier waarop de afzonderlijke klassen worden beschreven. Deze grote variatie in de waardering van klassencriteria maakt eens te meer duidelijk dat er geen sprake is van een enkelvoudige, laat staan van een door iedereen gedeelde waardemaatstaf. Als men de kritieken op het traditionele beroepsprestige-onderzoek op dit punt ter harte neemt, kan men weten dat geen evaluatieve noch een cognitieve consensus verondersteld mag worden ten aanzien van klassencriteria, het aantal klassen en de relatieve afstand tussen de klassen [Kahl 1957:237; Nelson/Lasswell 1960; Reiss e.a. 1961:107; Shils 1968/75; Coxon/Davies 1986:70 e.v.; Bader/Benschop 1988:154-7].
Sommige groepen hechten een bijzonder grote betekenis aan specifieke criteria van sociale ongelijkheid. Zo leggen ongeschoolde en geoefende arbeiders meestal iets meer de nadruk op morele waarderingen (zoals hardwerkend-lui). Vakarbeiders benadrukken eerder economische of monetaire gezichtspunten (arm-rijk), terwijl de middelbare employés, ambtenaren en kleine zelfstandigen het prestigeaspect accentueren; ambtenaren leggen in het algemeen vaker de nadruk op het opleidingsniveau.
Deze verschillen zijn niet zo pregnant dat andere waarderingscriteria volledig verdwijnen, maar mensen zijn kennelijk toch geneigd om vooral aspecten van sociale ongelijkheid naar voren te halen die een positieve zelfwaardering mogelijk maken.
Door deze klassencosmetica zou men bijvoorbeeld kunnen verklaren waarom laaggekwalificeerde handarbeiders iets sneller teruggrijpen op morele criteria van hard werken, discipline en dergelijke. In tegenstelling tot inkomen, onderwijsniveau en maatschappelijk aanzien is dit immers een aspect waardoor zij in hun eigen visie in vergelijking met andere klassen/groepen niet bij voorbaat gedegradeerd zijn.
|
Door dit gelijktijdige proces van classificerende in- en uitsluiting kan zich überhaupt pas een collectieve of groepsidentiteit ontwikkelen. De in- en uitsluitingscriteria die hierbij worden gehanteerd, zijn per socio-logische definitie positief-waarderend voor de eigen groep, en negatief-discriminerend voor de andere groepen. Refererend aan de logica van het stigma merkt Bourdieu [1979:554] terecht op dat sociale identiteit de inzet is van een strijd, waarin gestigmatiseerde individuen of groepen zich slechts op een manier kunnen verzetten tegen de partiële perceptie die hen tot een van hun eigenschappen beperkt: in hun zelfdefinitie moeten zij hun beste eigenschappen overbelichten. Meer in het algemeen moeten zij opkomen voor de taxonomie die voor hun kenmerken het meest gunstig is, of in ieder geval aan de dominante taxonomie een inhoud geven die het meest flatterend is voor wat zij wel hebben en wat zij zijn. Zie voor een sociaal-psychologische uitwerking van dit mechanisme: Tajfel/Wilkes [1963], Billing/Tajfel [1973]. Zie voor een sociologisch analyse van stigmatisering: Goffman [1963b] en van sociale uitsluiting: Weber [WG], Benschop [1987/2012: II, § 4]. Zie voor een sociaal-politieke uitwerking van het ontstaan van positieve en negatieve collectieve identiteiten: Bader [1991:109 e.v.]. |
De alledaagse opvatting van klasse omvat dus geen stringente of uitgewerkte definitie van het fenomeen. In de veelvoud van de gehanteerde criteria zijn echter wel een paar typische patronen te onderkennen die hun coherentie ontlenen aan de gevolgde interpretatie- of duidingsmodellen. Deze modellen zijn gestructureerd door de primaire oorzaken die men aanwijst van sociale ongelijkheden.
Er zijn vier oorzaken of oorzakenbundels die hoofdzakelijk verantwoordelijk worden gehouden voor sociale en in het bijzonder klassenongelijkheid:
Men zou dus kunnen overwegen om in de classificatie van maatschappijbeelden nog een vijfde categorie toe te voegen waarin de maatschapij wordt voorgesteld als een door geboorte bepaald samenstel van klassenongelijkheden. Ik behandel het thema klassenlidmaatschap door geboorte hier echter als een affirmatieve resp. resignatieve variant van de andere maatschappijmodellen.
Hiermee corresponderen vier voorstellingen over de maatschappij als geheel:
Hoewel ik ook gebruik maak van onderzoeksresultaten die bereikt zijn met de reputationele en subjectieve methode, concentreer ik mij hier op de resultaten van de eerste methodiek. Het onderzoek naar maatschappijbeelden geeft meer directe informatie over hoé mensen denken over aard en oorzaken van sociale ongelijkheid. Het blijft overigens lastig om het belang van de verschillende referentiekaders voor het dagelijkse leven empirisch te meten.
2·3·1 De maatschappij als klassenmaatschappij
Het criterium voor deze maatschappijopvatting is de tegengesteldheid van de verschillende inkomensbronnen kapitaal en arbeid als grondslag voor maatschappelijke ongelijkheid. Hieruit vloeien twee varianten van een maatschappijbeeld voort al naar gelang men affirmatief of kritisch staat ten opzichte van de tegengesteldheid van de beide inkomensbronnen.
Het feit dat de verschillende productiefactoren ter wille van de productie moeten samenwerken, leidt bij de affirmatieve variant tot een op zn minst oppervlakkig harmonische duiding, waarin de tegenstelling in een gemeenschappelijk doel wordt opgeheven. De opsplitsing van de maatschappij in klassen wordt wel waargenomen, maar wordt vergoelijkt in een onbetekenende zekere distantie. De dwangverhouding waardoor arbeid en kapitaal aan elkaar zijn gekoppeld, wordt uitgedrukt in de metafoor dat beide in hetzelfde schuitje zitten.
De klassentegenstelling wordt geneutraliseerd door de idee dat iedereen nu eenmaal tot een klasse moet behoren. De noodzakelijke samenhang van de productiefactoren uit zich in eenzijdige afhankelijkheid van de arbeiders van de ondernemers. Deze afhankelijkheid wordt omgeduid in termen van verantwoordelijkheid van de ondernemer. De ondernemer draagt niet alleen verantwoordelijkheid voor een mogelijk gunstige positie in de concurrentie (wat zich uitdrukt in hoge winsten en lage lonen), maar ook voor de zekerheid van arbeidsplaatsen. Het gaat dus niet om een gelijkwaardige samenwerking van de beide productiefactoren. De aanspraak op gelijkwaardigheid van de inkomensbronnen wordt opgeheven ten gunste van de primair/prioritair gestelde belangen van ondernemers. Vanuit de ervaring van de afhankelijkheid wordt het eigen noodlot vrijwillig in handen van de ondernemers gelegd.
De maatschappij verschijnt hier dus als een opgelegde samenhang van verschillende soorten inkomensbronnen. Uit de specifieke kwaliteit van de ene inkomensbron, loonarbeid te zijn, vloeit de opvatting van eenzijdige afhankelijkheid van de andere voort. Voor degenen die alleen beschikken over arbeidskracht als reproductiemiddel vloeit daaruit de noodzaak tot vrijwillige resignatie voort: Amor Fati - liefde voor het (nood)lot, voor situaties die je toch niet kunt vermijden of ontlopen. Wat overblijft, is de hoop, niet zozeer op een gepaste beloning, maar op het kunnen werken als zodanig. In deze opgelegde maatschappelijke samenhang is het noodlot van de loonarbeiders, te leven om te werken tegen welke prijs dit moet gebeuren, wordt aan de ondernemers overgelaten.
In de kritische variant van dit maatschappijbeeld wordt het feit dat de verschillende productiefactoren noodzakelijk bij elkaar moeten komen, opgevat als teken van principiële gelijkwaardigheid. De ervaring dat deze veronderstelde gelijkwaardigheid permanent wordt geschonden en dat degenen die over productie- of arbeidsmiddelen beschikken tegelijkertijd de zeggenschap hebben over degenen die alleen hun arbeidskracht als reproductiemiddel bezitten en kunnen verhuren, leidt tot de constatering van een fundamentele belangentegenstelling; een belangentegenstelling die zich manifesteert in de splitsing van de maatschappij in twee klassen met tegengestelde belangen.
De klassen worden geïdentificeerd via de specifieke kwaliteit van de inkomensbron: de ondernemer heeft kapitaal achter zich staan, ik moet het allemaal maar met mijn eigen handen of hoofd verdienen. Omdat de ene inkomensbron is aangewezen op de andere, maar daaraan tegelijkertijd ook grenzen stelt, hebben beide klassen een verschillende belangensituatie: natuurlijk hebben de ondernemers andere belangen dan wij. Deze verschillende belangen kunnen worden geïnterpreteerd als te overbruggen of als een onverzoenlijke belangentegenstelling.
Het specifieke van dit dichotome maatschappijbeeld is dat de tweepolige asymmetrische relatie wordt veralgemeend tot de hele maatschappij, waarbij de ene kant op kosten van de andere is geprivilegieerd. De maatschappij valt in deze conceptie uiteen in twee correlatieve klassen, die zodanig tegenover elkaar staan, dat elk van hen gekarakteriseerd wordt door de verhouding van elk van haar leden tot de leden van de tegengestelde klasse [Ossowski 1962:47].
2·3·2 De maatschappij als wereld van armen en rijken
Het centrale criterium bij deze vaak nogal vage voorstelling van de maatschappij is niet het verschil in de aard van de inkomensbronnen, maar de verschillende hoogtes van de inkomens zelf. Vanuit de ervaring van de beperktheid van de eigen reproductiemogelijkheden wordt de wereld ingedeeld in degenen die veel geld hebben en die met veel minder tevreden moeten zijn. Uit de waargenomen tegenstelling van rijk en arm vloeit niet zozeer een eenduidig maatschappijbeeld voort, maar wel de ervaring dat men zelf zn hele leven moet ploeteren en toch een armoedzaaier blijft. De rijken worden ten tonele gevoerd om de eigen situatie plastisch naar voren te laten komen waarom zij rijk zijn, blijft meestal in het duister. De clichés die worden gebruikt om de rijken aan te duiden, maken duidelijk dat de rijkdom van de anderen eigenlijk alleen maar als fata morgana wordt geciteerd. Vaak komt niet meer naar voren dan de stereotype schets van een wereld die in de pulppers wordt afgeschilderd als het paradijs van playboys. Deze opvattingen worden preciezer wanneer de hoogte van het eigen loon wordt vergeleken met de hoogte van de winsten van ondernemers. Hoewel de belangentegenstelling tussen ondernemers en loonarbeiders dan weer op de voorgrond komt te staan, wordt deze niet uitgebreid tot een voorstelling van de maatschappij als geheel. Dit belangenconflict wordt geïnterpreteerd in termen van een onrechtvaardige verdeling.
Alleen als de ongelijke inkomensverdeling strikt op ondernemers en arbeiders wordt betrokken, duikt de voorstelling op van een maatschappij van klassen, waarvan het verschil wordt vastgemaakt aan de contrasterende consumptiemogelijkheden. De in het oog springende inkomensverschillen worden door de arbeiders zeker wel geregistreerd en overwegend als onrechtvaardig gezien, maar deze waarnemingen verdichten zich pas tot een meer precies maatschappijbeeld wanneer ze direct op de belangentegenstelling tussen ondernemers en arbeiders worden betrokken.
Dit pecuniary model of society wordt in de sociologische literatuur meestal toegeschreven aan instrumentalistisch georiënteerde arbeiders, die streven naar een meer of minder rationele maximalisatie van geldelijk inkomen voor zichzelf. Zij proberen niet zozeer om zichzelf persoonlijk in en door de betaalde beroepsarbeid te realiseren, maar zijn eerder georiënteerd op het behalen van materiële, in het bijzonder monetaire voordelen. De praktijk van het volledig exploiteren van de eigen marktpositie impliceert dat men uit elke strategisch of tactisch gunstige situatie zoveel mogelijk voordelen probeert te behalen en dat men organisatiemacht gebruikt om een zwakke positie te verbeteren of te versterken en een sterke positie tracht te behouden. De sociaalstructurele achtergrond van deze instrumentele houding is evident: het dictaat van de moderne markteconomie zorgt ervoor dat arbeiders in hun loonzakje zijn geïnteresseerd. Zij articuleren hun ambities en sores meestal in termen van geld. In kapitalistische maatschappijen is geld het veralgemeende ruilmedium, mensen worden als het ware gedwongen in monetaire termen te denken. In looneisen is daarom eigenlijk altijd meer vervat dan louter monetaire aanspraken op een groter deel van de koek. Voor de arbeiders zelf hebben zij veelal ook een morele of politieke betekenis [Beynon 1980; Marshall 1988:113; Marshall e.a. 1988:153,189 e.v.].
|
In de jaren 80 constateert Lukes [1984] een reactieve groei gestimuleerd door een combinatie van recessie en inflatie van instrumentele, pecuniaire, egoïstische, kortom kapitalistische waarden en houdingen. Dit leidde tot een desintegratie van verschillende morele referentiekaders, waarbinnen deze waarden een ondergeschikte plaats innamen en concurreerden met tegengestelde vormen van betrokkenheid, loyaliteit en discipline, die gebaseerd waren op syndicalisme, lokale of klassenbinding [Kudera e.a. 1979; Schumann e.a. 1981; Hobsbawm 1981]. |
2·3·3 De maatschappij als dichotomie van boven en onder
Het referentiepunt van dit maatschappijbeeld is de afgeslotenheid van de eigen sociale positie. Hierdoor verschijnt de maatschappij als een gespleten gemeenschap van twee sterk gescheiden categorieën mensen die onder en boven elkaar staan, van twee in zichzelf gesloten maatschappijen: een kleine bovenlaag die onder elkaar willen blijven en de kleine lieden van onder die onder elkaar moeten blijven.
In dit maatschappijbeeld wordt de samenhang tussen beide categorieën niet gethematiseerd, waardoor het contrast in levenskansen wordt ervaren als iets dat zonder meer gegeven is en dat geaccepteerd moet worden men kan niet over zijn eigen schaduw heen springen. De tweedeling tussen zij daar boven en wij hier beneden wordt daarbij zeer vaak abstract-metafysisch geuniversaliseerd (altijd en overal) en derhalve fatalistisch opgevat.
De klassenspecifieke habitus wordt uitvoeriger geanalyseerd in hoofdstuk XII. Het verschil tussen existentieel en ethisch fatalisme wordt behandeld in hoofdstuk XVI, § 3·5·4.
2·3·4 De maatschappij als functionele hiërarchie
In het prestigemodel worden de opvattingen over de maatschappij verdicht in een beeld van de maatschappij als een functionele samenhang, waarin iedereen al naar gelang zijn of haar specifieke taak of beroep zijn vaste plaats heeft en van daaruit bijdraagt aan het functioneren van het geheel. De taken en beroepen van iedereen worden als zinvol en nuttig gekwalificeerd; de positie die iemand in de maatschappij inneemt, wordt in dit beeld beoordeeld naar de specifieke bijdrage voor de instandhouding en reproductie van het geheel: ieder draagt van hoog tot laag zijn eigen steentje bij. Vaak wordt de bedrijfshiërarchie hierbij als voorbeeld genomen: de maatschappij wordt geïnterpreteerd naar het harmonische model van een industriële arbeidsorganisatie die zuiver naar vakcompetenties is gestructureerd. Soms klinken er echter ook nog restanten door van het traditionele beeld van een standenmaatschappij. Het is voldoende dat men zijn eigen plaats heeft, voldoet aan de taken en zich voegt naar de eisen die dit met zich meebrengt; dan bestaat de terechte hoop dat men van het functioneren van het geheel zelf ook profiteert.
| Figuur 1_1: Maatschappijbeelden | ||
| Klassenmaatschappij | Eigendomsmodel | Twee klassen: producenten en toeëigenaar (productie en toeëigening); uitgebuitenen en uitbuiters; werknemers en werkgevers. |
| Arm en rijk | Geldmodel | Een grote centrale klasse plus een of meer residuale of eliteklassen, gedifferentieerd in termen van ongelijke verdeling van rijkdom, inkomen en consumptiestandaarden. |
| Onder en boven | Machtsmodel | Twee hoofdklassen, gedifferentieerd in termen van bezit en niet-bezit van macht en gezag: onderdrukkers en onderdrukten. |
| Functionele hiërarchie | Prestigemodel | Drie of meer klassen, gedifferentieerd in termen van aspecten van sociale achtergrond, beroep (hoofd/hand), levensstijl. |
Een exacte aanduiding van de empirische verdeling van dergelijke maatschappijbeelden is moeilijk te geven. De empirische studies op dit gebied zijn niet of nauwelijks vergelijkbaar. Zij gebruiken verschillende indellingen van maatschappijbeelden. Bovendien zijn de empirische gegevens verzameld in verschillende landen en in zeer uiteenlopende perioden.
De modelconstructie die hier is geschetst, houdt het midden tussen een begripsmatig-typologische en een beschrijvend-taxonomische indeling.
Het historisch en empirisch sociologisch onderzoek naar deze tradities en stromingen maakt al duidelijk dat daarin telkens meerdere voorstellingen over de maatschappij als geheel gelijktijdig een rol spelen, in telkens wisselende dominantieverhoudingen. Iedereen opereert met een model van de klassenstructuur, maar deze modellen zijn variabel, lopen in elkaar over en worden in verschillende sociale contexten telkens weer anders gebruikt. Deze vloeibaarheid verklaart waarom men zulke uiteenlopende resultaten krijgt over klassenideologie wanneer men verschillende onderzoeksmethoden hanteert [Bott 1957/71:169].
|
Gezien de hoge complexiteit van het alledaagse bewustzijn kan men zich afvragen of het überhaupt wel mogelijk is hiervan een omvattende typologie te construeren. Herkommer/Bischoff [1979:165] betwijfelen dat. Zij zien geen heil in pogingen om een omvattende typologie van het alledaagse bewustzijn te construeren, wel in de ontcijfering van de meest wezenlijke factoren die het alledaagse bewustzijn bepalen. Om zowel het Scylla van al te gespierde vereenvouding als het Charybdis van een onoverzichtelijke en onhanteerbare complexiteit te vermijden heb ik gekozen voor een gulden middenweg van een gemengde typologische én taxonomische indeling. |
| Sociale identiteiten wordt op brede schaal en gemakkelijk geconstruceerd in klassentermen [Marshall e.a. 1988:143]. Maar daaruit kan men niet zomaar de conclusie trekken dat klasse de grootste existentiële impact heeft op maatschappelijke bewustzijnsvormen, identiteiten of subjectiviteiten [Wright 1983a: 23]. In hft. XIII wordt uitvoerig ingegaan op de vraag onder welke condities het bestaan en de erkenning van klassen handelingsrelevant is of kan worden. |
In hoeverre bestaat er een samenhang tussen de zelfplaatsing in een klasse (klassenidentificatie) en de objectieve verschijnselen van de economische en sociale positie? Welke relaties bestaan er tussen de feitelijke sociale levenssituatie van individuen en hun eigen waarneming van die situatie? We hebben hiervoor al gezien dat vooral mensen die zichzelf tot de arbeiders- en middenklasse rekenen, klasse beschouwen als een functie van beroep of aard van de werkgelegenheid. Daarom is het niet verwonderlijk dat bedrijf en beroepsgroep een belangrijke bron van collectieve identiteit zijn.
Vaak wordt aangenomen dat de functionele beroepsverdeling de primaire inhoud of ruggengraat (Parkin) van het klassensysteem vormen. Deze hypothese is echter niet zo eenvoudig te bewijzen. Het onderzoek naar deze hypothese stuit op het methodologische probleem dat de schemas die worden voorgesteld voor de classificatie van beroepen niet onafhankelijk zijn van het verschijnsel dat verklaard moet worden. Alle varianten van beroepsclassificaties impliceren een bepaald soort rangordening door prestige of aanzien in de maatschappij. Het zijn eerder systematiseringen van alledaagse ideologieën, en dus van de dominantieverhoudingen hierin, dan objectieve schalen die gebruikt zouden kunnen worden om het maatschappelijk bewustzijn, de populaire ideologie te verklaren. De hele procedure van rangordening van beroepen is een soort mix van presupposition and the partial representation of social perception [Townsend 1979:371].
Bourdieu benadrukt de ideologische legitimatiefunctie van beroepsclassificaties. Het compendium der beroepen van het INSEE (Franse bureau voor statistiek) beschouwt hij als de gematerialiseerde vorm van het proces van sociaal neutraliseren, dat de verschillen in de sociale ruimte tegen elkaar laat wegvallen door alle posities op gelijke voet als beroepen te behandelen [Bourdieu 1989:318]. Dit gebeurt door telkens het definitorisch gezichtspunt te verschuiven: kwalificaties, aard van de arbeidstaken, functionele positie in de hiërarchie van de arbeidsorganisatie, educatieve titel enz. De officiële taxonomieën worden door staatsinstellingen met een semi-wetenschappelijk gezag geproduceerd. Zij bekrachtigen slechts de bestaande hiërarchieën; en via naamgeving van vakken en beroepen essentieel onderdeel van de sociale identiteit bevestigen zij de bestaande machtsverhoudingen [idem:156]. Zo geeft bijvoorbeeld een beroepstitel geeft enkele indicatie van kapitaal- of vermogensbezit. In de sociale klassen van de officiële statistiek verdwijnen de kapitaalbezitters daarom volledig uit het gezichtsveld.
Zie voor Nederland de U&S-prestigeschaal van Sixma/Ultee [1983]. Deze prestigeladder is geconstrueerd door respondenten 116 beroepen naar aanzien te laten rangschikken. Deze beroepen zijn zo gekozen dat uit elke beroepsgroep van de CBS-beroepenclassificatie [CBS 1971] minstens één beroep is vertegenwoordigd. Middels een omcodeerprocedure krijgen alle beroepen met een CBS-code een prestigescore op de U&S-schaal. Het resultaat hiervan is een beroepsprestigeladder die als intervalschaal gebruikt kan worden, en een bereik heeft van 13 tot 87. Zie voor het ontstaan van de officiële beroepsclassificatie in Engeland: Szreter [1984] en voor recente ontwikkelingen: Thomas/Elias [1989].
Ivan Reid neemt in deze discussie een voorzichtige tussenpositie in. Social class is a group of people into categories on the basis of occupation. This is not to suggest that social class is simply or only based on occupation, or for that matter any other single criterion such as income or education. In any case occupational classification of class involve fairly elaborate consideration of a number of associated factors [Reid 1989:6]. Zowel sociologen als het algemene publiek delen the basic idea that occupation is a factor in social class, but not the only one. They are therefore equally likely to be unhappy with the use of occupation as the sole criterion of social class, social standing or status in society. But neither party, apparently, can put forward any simple or complex alternative definition, and both are likely to resort to occupation as the best, the only or the most convenient shorthand reference-point in terms of which to pin down this extensively used, though hazy, concept [idem:52].
Juist daarom is het zo opvallend dat er toch een hoge mate van niet-correspondentie is tussen objectieve beroepsclassificaties en subjectieve zelfplaatsing in maatschappelijke klassen. De beroepsstatus is kennelijk niet de enige factor waar individuen rekening mee houden als zij zichzelf in een bepaalde maatschappelijke klasse plaatsen [Cottrell [1984:210]. Er is een continuüm van de top naar het laagste punt van de beroepsschaal: hoe lager men op de beroepsschaal staat, des te kleiner is het aandeel dat zich met de middenklasse identificeert en des te groter is het aandeel dat zich met de arbeidersklasse identificeert. Er is echter een breuk in het continuüm: wanneer we de beroepscategorieën van handarbeiders bereiken, neemt het aandeel dat zich met de arbeidersklasse identificeert sterk toe.
Het is bekend dat er grote problemen zijn met het geven van een rigoureuze theoretische definitie van het verschil tussen hand- en hoofdarbeid [Price/Brain 1972; Parkin 1974,1979; Cottrell 1984; Wright 1985:153,155]. Als een sociaal geconstrueerd verdelingsprincipe heeft deze indeling toch een zekere validiteit, zeker waar het mannelijke handarbeiders betreft. Hoewel hun arbeidssituaties en -omstandigheden zeer uiteenlopen, hebben handarbeiders meestal minder werkzekerheid en minder toegang tot de diverse voorzieningen op bedrijfs- en maatschappelijk niveau. Een niet onaanzienlijk deel van de mensen met een handarbeidend beroep rekent zich desalniettemin tot de middenklasse. Omgekeerd plaatst een deel van degenen die hoofdarbeid verrichten zichzelf in de arbeidersklasse.
| In conventionele benaderingen wordt het onderscheid tussen hoofd- en handarbeid meestal gelijkgesteld met het onderscheid tussen blue collar en white collar beroepen, zoals gedefinieerd in het alledaagse discours d.w.z door referentie aan de ideologische status van de beroepscategorieën. Het gevolg hiervan is dat beroepen die in werkelijkheid minder hoofdarbeid impliceren dan veel geschoolde vakarbeid (zoals bijvoorbeeld datatypisten/s in grote geautomatiseerde kantoren) bij de middenklasse worden ingedeeld. |
Mensen construeren hun collectieve identiteit vanuit een complexe mozaïek van sociale ervaringen [Bott 1957/61:166 e.v.; Pahl/Wallace 1988; J.C. Scott 1985:43; Bader 1991:hft. V]. Uit deze ervaringen construeren mensen hun eigen opvattingen over klassen. Zij ervaren hun objectieve klassenpositie meestal niet als een enkelvoudige en duidelijk afgebakende status. Mensen ervaren hun lidmaatschap van een sociale klasse niet direct (behalve in uitzonderlijke gevallen waarin sociale klassen als geassocieerde groepen opereren), maar zij hebben in hun arbeids- en woonsituaties, in hun relaties met vrienden en buren wel directe ervaringen met verschillen in rijkdom, macht en prestige. Deze primaire ervaringen zijn de ingrediënten waaruit mensen hun beeld van de maatschappij construeren en van hun eigen positie daarin. Wanneer iemand zichzelf in een bredere maatschappelijke context met andere mensen vergelijkt, hanteert hij hierbij een uit de eigen ervaringen geconstrueerd maatschappijbeeld en opereert hij met specifieke referentiegroepen.
|
In haar onderzoek naar de samenhang tussen gezin, sociale netwerken en klassen geeft Elizabeth Bott een sensibele en nog steeds boeiende analyse van de wijze waarop mensen hun eigen opvattingen over de klassenmaatschappij construeren. In aansluiting op Centers e.a. laat zij zien hoe individuen klassen als referentiegroepen hanteren. Onder een referentiegroep verstaat zij elke reëele of fictieve groep waarvan een individu denkt dat deze werkelijk bestaat en door hem wordt gebruikt om zijn positie te vergelijken en waarderen met die van anderen, en om zijn handelingen te rechtvaardigen of te verklaren [idem:166]. |
Een uitgebreid onderzoek naar de factoren die een rol spelen bij de klassenidentificatie zou in ieder geval rekening moeten houden met: positie in of ten opzichte van het reproductieproces van het kapitaal, specifieke verhouding tussen maatschappelijke afhankelijkheid en speelruimte van individualiteit, aard en omvang van de arbeidsorganisatie, inkomen, woningbezit, opleiding, consumptiestijl, sociale afkomst, gezin en lokale bindingen. Sommige groepen handarbeiders identificeren zichzelf met een middenklasse, omdat zij een relatief hoog inkomen hebben en een bijbehorende consumptiestijl [Bourdieu 1971].Voor subjectieve identificatie met een klasse is het inkomensniveau vooral van belang voor de geschoolde handarbeiders, de lagere niet-handarbeiders (employés) en de geschoolde of leidinggevende niet-handarbeiders.
De factoren die een rol spelen bij de klassenidentificatie zijn niet geheel van elkaar onafhankelijke variabelen. De correlaties tussen beroepsstatus, inkomen, opleidingsmogelijkheden en prestatie zijn zeer duidelijk [Westergaard 1975; Bulmer 1975; Handl e.a. 1977; Szymanski 1983]. De duurzaamheid en hardheid van deze systematische connecties ontkrachten de idee dat klassenongelijkheden aan het verdwijnen zouden zijn. Individuen in de hogere beroepsgroepen hebben in de regel meer inkomen en meer kans om een eigen huis te bezitten dan mensen in lagere beroepsgroepen; kinderen van een hogere sociale categorie ouders hebben veel betere kansen op hoger onderwijs en op kwalificatie voor hogere beroepen.
Al deze verbindingen zijn echter niet zo strikt dat men de subjectieve klassenidentificatie kan aflezen van de plaats in de hiërarchische classificatie van beroepen, in welke variant dan ook. Want de inkomens van hand- en hoofdarbeiders overlappen elkaar gedeeltelijk, sommige handarbeiders hebben eigen (met geleend geld gekochte) huizen en veel mensen die hogere beroepen uitoefenen hebben een manuele achtergrond. Het cruciale punt is dus dat klassenidentiteit, klassensolidariteit en klassencultuur niet gereduceerd kan worden tot of verklaard kan worden uit de sociologische conceptie van beroepsklasse. Als predictoren voor attitudes of handelingsoriëntatie hebben beroepsprestige en beroepsklasse bijzonder weinig verklaringskracht [Kraaykamp/Snippenburg/Ultee 1989:58].
Op het eerste gezicht verschilt zij echter ook nogal van de marxistische conceptie, waarin klassen primair worden opgevat als posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen, die zich van elkaar onderscheiden in het proces van toeëigening en onteigening van meerarbeid.
| Het gaat hier alleen nog om de vraag of er op basis van de geconstateerde identificatie met een sociale klasse uitspraken kunnen worden gedaan over de waarschijnlijkheid van individueel en collectief klassenhandelen. De discussie over de handelingsrelevantie van klassenidentificaties moet niet worden verward met de vraag of (en zo ja op welke wijze) homogene klassenposities kunnen worden afgebakend. |
Ik wil hier slechts een aantal themas aanroeren die later nog uitgebreid aan de orde zullen komen.
|
|
Voor een helder begrip van klassenbewustzijn moeten de relaties tussen strategische, traditionele, affectieve en normatieve aspecten worden verduidelijkt.
In hoofdstuk XIII wordt uitvoeriger ingegaan op deze handelingsoriëntaties, de daarmee ideaaltypisch corresponderende handelingstypen en de mechanismen van (reproductieve en transformatieve) handelingscoördinatie. Daarbij zal ik ook verder ingaan op de mate van rationalisering van deze handelingsoriëntaties en -typen.
3 Klassenbegrip in de sociale wetenschappen |
|---|
3·1 Klasse in het wetenschappelijk taalgebruik
|
|
Deze verwarring is ingeschreven in de geboorteakte van de klassentheorieën. Sommige auteurs zoals Calvert [1982:203] spelen nog met de gedachte dat er misschien eens en ergens een klassendefinitie geformuleerd kan worden die stabiel genoeg is en waarover de meerderheid van de bewoners van het een land of continent het eens zouden kunnen worden. Het is echter uiterst onwaarschijnlijk zon definitie ooit geopenbaard zal worden. Daarvoor zijn niet alleen de politieke kennisbelangen en normatieve doelstellingen van sociale wetenschappers veel te divers, maar is ook het probleemveld zelf veel te complex [Benschop 1986:9 e.v.; Bader/Benschop [1988:44 e.v.].
Klasse is een vaak gebruikt begrip. Er zijn duizenden boeken en artikelen verschenen waarin aspecten van het klassenverschijnsel worden behandeld en er worden telkens weer studies op stapel gezet om tot een beter begrip van haar huidige vormen te komen [een klein overzicht staat in Klassedefinities bij de vleet]. Toch wordt er tegenwoordig betrekkelijk weinig academische aandacht besteed aan het gebruik van het concept als zodanig. Om de term klasse als sociaalwetenschappelijk begrip af te bakenen, moeten eerst een paar globale onderscheidingen worden geïntroduceerd.
In de meest algemene, formeel-logische of technische zin van het woord betekent klasse niets anders dan dat een groep verschijnselen wordt samengevat die zich in een of ander relevant opzicht onderscheidt van andere verschijnselen en dus bepaalde gemeenschappelijke kenmerken heeft. Met een dergelijk formeel klassenbegrip kan in principe alles worden geclassificeerd getallen en stenen, fietsbellen en olifanten, mensen en ideeën kunnen in klassen worden ingedeeld. In deze technisch-classificerende zin is het begrip klasse echter volledig inhoudsloos [Mombert 1923:237; Ritsert 1988:14 e.v.].
Als formeel-logische categorie wordt klasse niet alleen in de natuurwetenschappen gebruikt. Ook in de sociale wetenschappen kan het klassenbegrip op een louter technisch-classificerende wijze, namelijk als een beschrijvende categorie worden gebruikt. In dat geval refereert het aan gemeenschappelijkheden in uiterlijk waarneembare eigenschappen van individuen of van relaties tussen individuen. Klassen zijn dan een andere naam voor groepen die gedifferentieerd worden naar de mate waarin zij de kenmerken vertonen door een bepaald indelingscriterium zijn gedefinieerd, zoals de hoogte van het inkomen, type van beroep of levensstijl. Ossowski [1957/72:182,59] gebruikt hiervoor de term ordenende verhoudingen in onderscheid van afhankelijkheidsverhoudingen. Het onderscheid tussen graduele en relationele klassenbegrippen sluit hier direct bij aan.
Klasse is echter ook en vooral een analytisch begrip dat refereert aan de sociale structuur van een maatschappij [van Mombert 1935:532 tot Wright 1979:6 e.v.a.]. Middels een korte excursie door de prehistorie van het klassenbegrip hopen we enkele parameters te vinden voor de bepaling van de theoretische status en reikwijdte van het klassenbegrip.
| * De uitdrukking v. Chr. wordt hier niet gebruikt om aanhankelijkheid aan het beperkte perspectief van de Christelijke jaartelling te demonstreren, maar omdat de neutralere uitdrukking voor onze tijdsrekening zich in ons land nog niet heeft ingeburgerd. |
In Athene verdeelde Solon in 594 v. Chr. de burgers in vier rijkdom-klassen die zuiver werden gedefinieerdin termen van het bezit landbouwgrond. Drie klassen behielden hun traditionele namen: de hippeis = cavalerie, de mannen die streden om het het bezit van paarden, de zeugnitai = boeren, en de thètes = arbeiders. Maar de leden van de vierde en hoogste categorie werden pentakosiomedimnoi genoemd: mensen wier grondbezit minstens vijfhonderd schepel graan of een hiermee overeenkomende opbrengst leverde. Bij deze indeling van bevolkingsgroepen gold niet zozeer de afkomst, maar het bezit de doorslaggevende rol.
Bij de hervormingen van de Romeinse koning Servius Tullius (578-534 v. Chr.) werden de burgers in zes vermogensklassen ingedeeld overeenkomstig de omvang van hun geld- of landbezit. De eerste klasse werd gevormd door de burgers, de assidui. Zij beschikten over meer dan 100.00 as en tegelijkertijd over de absolute meerderheid van stemmen. De laagste klasse werd gevormd door de proletarii, wier enige eigendom bestond in het aantal nakomelingen proles. Deze indeling in vermogensklassen werd niet alleen de grondslag voor deelname aan de militaire dienst, maar tevens voor een aristocratische verdeling van politieke rechten.
Tegelijkertijd werden de burgers ook voor militaire doeleinden verdeeld in centuries of regimenten. De Romeinen die als classis of classicus werden aangeduid, behoorden tot de prima classis tenzij zij expliciet beschreven werden als een vijfde klasse proletariër.
Sinds Gellius [125-180 v. Chr.] wordt het adjectief classicus gebruikt om de eersteklas kunstenaars en kunstwerken aan te duiden. Deze betekenis leeft voort in ons woord klassiek en werd uiteindelijk gerelateerd aan de auteurs van de term zelf en aan hun tijd: zij leefden in de Klassieke Oudheid [Dahrendorf 1959:3-4]. Zie ook: Ossowski [1956:60], Conze/Walther [1990:218].
Toch is het gebruik van het begrip klasse ter classificatie van de bevolking historisch gezien relatief recent. In de gesproken talen van de middeleeuwen komt het begrip niet voor. De feodale ordes of standen werden voornamelijk ingedeeld naar een drievoudig schema: zij die bidden, zij die vechten en zij die werken. In de woorden van een 12de-eeuwse bisschop: Gods huis is drievoudig: sommigen vechten, sommigen bidden, weer anderen werken.
Dergelijke indelingen suggereren niet alleen volledigheid, maar ook dat de maatschappij in harmonie is haar functioneel onderscheiden elementen werken onafscheidelijk samen voor het welzijn der mensheid of voor de eer van God. Jan en Annie Romein citeren een niet nader genoemde wereldlijke schrijver, die zich minder geroepen voelde de eenheid-voor-God te onderstrepen:
Ook bij Maarten Luther wordt het woord klasse nog niet gebruikt. Maarten Luther is een typisch conservatieve standsdenker. Standen zijn voor hem een door God gegeven, eeuwig verschijnsel.
In Frankrijk stamt de vroegste aanduiding van het woord klasse uit 1530 toen het gebruikt werd als aanduiding van scheepstypen. In Engeland werden door het Edict van Nancy uit 1673 de dienstplichtige zeelieden in drie klassen ingedeeld.
De vroegste vindplaats in Engeland is vermoedelijk het vierde Engelse woordenboek uit 1656. De auteur, Thomas Blount (1618-1679), geeft de volgende definitie:
3·2·1 Klassen als natuurwetenschappelijke ordeningscategorie
Tegen het einde van de 17e eeuw begint het begrip klasse door te dringen in de natuurwetenschappen. Om het overzicht te behouden op de vele nieuwe dier- en plantensoorten die ontdekt waren, moesten zij op een of andere wijze worden gegroepeerd en gesystematiseerd.
De Engelse natuuronderzoeker John Ray (1628-1705) deed een eerste poging in deze richting. In 1693 ontwikkelde hij een classificatie van de verschillende diersoorten. Als bijzonder kenmerk van de groepen dieren nam hij vooral de tanden en klauwen. De classificatie van Ray hield geen stand, maar zijn methode van indeling en onderverdeling werd door Linnaeus verder ontwikkeld.
Linnaeus (1707-1778) wordt beschouwd als de grondlegger van de taxonomie, dat wil zeggen de methode van de systematische classificatie. In Systema Naturae [1735] en Classes Plantarum [1738] maakt hij een onderscheid tussen species en genus en vatte deze samen in families en klassen. De klassen zijn een van de hoogste groepen waarin het dieren- en plantenrijk werd verdeeld. Linnaeus kon hierdoor een classificatie construeren die begint met de grote groepen en stapsgewijs steeds verder wordt gedifferentieerd. Deze benadering botste met het middeleeuwse wereldbeeld waarin elke soort zijn eigen goddelijke scheppingsdaad representeerde. De classificatie van Linnaeus indiceert een evolutieproces van de natuur.
3·2·2 Van natuurwetenschappelijk naar sociaalwetenschappelijk klassenbegrip
In de Encyclopédie van Diderot en DAlembert (1751-80) komt het woord klasse nog voor als een natuurwetenschappelijk indelingsbegrip, maar worden tevens de eerste pogingen gedaan om menselijke sociale groepen te classificeren [Diderot/DAlembert - tome 3 (1753):505 e.v.; tome 6 (1756):20,26; tome 8 (1779):219].
Pas bij de fysiocraten wordt de term klasse helemaal overgedragen en toegepast op de menselijke populatie. In 1758 spreekt François Quesnay in zijn Analyse du Tableau Economique van de drie klassen van burgers: de productieve klasse, de klasse van de grondeigenaars en de steriele klassen.
|
De tweede klasse bestaat uit grondeigenaren: de koning, grondbezitters en de clerus die tienden heft. Deze klasse leeft van het nettoproduct van de landbouw die de productieve klasse jaarlijks betaalt. De steriele klasse tenslotte bestaat uit alle burgers die zich bezighouden met andere diensten en andere soorten arbeid dan die in de landbouw. Daaronder rekent hij niet alleen de kapitalisten, maar ook de loonarbeiders. Juist omdat zij niets van doen hebben met de agrarische productie zijn zij steriel. Het vermogen van mensen om door arbeid meer te produceren dan noodzakelijk is voor eigen levensonderhoud, d.w.z. meerwaarde te genereren, beschouwt hij als een gave van de natuur, als productiekracht van de natuur [Quesnay 1758/1969:305-28]. Quesnay begreep het principe van de meerwaarde zonder precisering van het waardebegrip. Marx verklaarde dit als volgt. In de landbouw toont zij [de meerwaarde] zich direct in het overschot van de geproduceerde gebruikswaarden boven de door de arbeider geconsumeerde gebruikswaarden. Dit kan dus helemaal zonder analyse van de waarde, zonder duidelijk begrip van de aard van de waarde worden begrepen. In de manufactuur ziet men echter helemaal niet direct dat de arbeider bezig is zijn eigen bestaansmiddelen, noch het overschot boven zijn bestaansmiddelen te produceren [Marx, MEW 26.1:15]. Zie voor studies over de fysiocraten: Meek [1962], Herrnstadt [1965:113-23], Higgs [1968], Calvert [1982:19], Clouatre [1984:233-44], Conze/Walther [1990: 224 e.v.]. |
Het begrip maatschappelijke klasse is een product van de industriële revolutie en van de sociale veranderingen in de late 18e en vroege 19e eeuw [Dubois 1962; Briggs 1967/83:3; Hernnstadt 1965:123-34; Luhmann 1985:128; Katznelson 1986:14; Conze/Walther 1990:222 e.v.].
Oorspronkelijk was het begrip klasse helemaal niet toegesneden op maatschappelijke verhoudingen en de indeling in sociale groeperingen. De wetenschappen die zich met de opkomst van de burgerlijke maatschappij ontwikkelden, zagen zichzelf in de eerste plaats voor de taak gesteld de wereld zo voor te stellen als ze waargenomen kon worden, onafhankelijk van de heersende religieuze interpretaties.
De wereld van de natuurlijke verschijnselen de mineralen, planten, dieren, planeten en dergelijke moesten systematisch worden ingedeeld, geclassificeerd. Het begrip klasse ontstond in de moderne tijd dus allereerst als natuurwetenschappelijke ordeningscategorie. Bepalend voor dit natuurwetenschappelijke klassenbegrip was het inzicht dat men bij de classificatie van verschijnselen niet zozeer moet afgaan op de uiterlijk waarneembare overeenkomsten, maar op de gelijksoortigheid van de innerlijke structuren die pas zichtbaar worden door analytische operaties. Classificatie moet zich dus oriënteren op de anatomie.
Bij de toepassing van het natuurwetenschappelijke klassenbegrip op de maatschappij werd vastgehouden aan het inzicht dat een classificatie zich moet oriënteren op de innerlijke structuren of de anatomie van de verschijnselen. Hoe kon de natuurwetenschappelijke ordeningscategorie klasse vruchtbaar worden gemaakt voor het indelen van mensen in hun maatschappelijke verhoudingen?
Uit biologische of genotypische verschillen kunnen geen aanwijzingen worden afgeleid met betrekking tot oorzaken of structurering van de maatschappelijke klassendeling. Ook indelingen naar uiterlijke kenmerken (zoals beroep, inkomen, religie) die laten zien hoe de maatschappij in rangen, standen en sociale lagen is gestratificeerd, leveren niet meer dan vingerwijzingen. Om aan de anatomische pretenties van het klassenbegrip te voldoen, moest een ander onderscheidingscriterium worden gevonden.
Dit criterium werd gezocht in de anatomie van de maatschappij waarin de mensen leven. De maatschappij werd opgevat als het lichaam waarvan de individuen deel uitmaken en waarvan zij samen de structuur vormen, doordat ze behorend tot verschillende grote groepen, dat wil zeggen klassen verschillende maatschappelijke functies verrichten. Het anatomische beeld dat gebruikt werd om het klassenbegrip toe te passen op de maatschappelijke verhoudingen, was echter niet meer georiënteerd op de morfologische anatomie van het beenderenstelsel, maar op de fysiologische anatomie van de bloedsomloop.
De maatschappij werd opgevat als een organisme. De functionele samenhang daarvan werd onderzocht met behulp van het model van de bloedsomloop. De leidende vraag was: hoe houdt de maatschappij zich in leven, hoe reproduceert zij haar bestaan en hoe breidt zij zich uit? Deze vraag werd beantwoord vanuit de analyse van haar economische processen. Het op het biologische organisme georiënteerde begrip van de fysiologische anatomie krijgt daarom, zodra het op de maatschappij wordt toegepast, een andere naam: die van de economie.
Pogingen om de economische bloedsomloop van de maatschappij te analyseren leidden van begin af aan we zien dit al bij de fysiocraten in de tweede helft van de 18e eeuw bijna vanzelfsprekend tot het gebruik van het klassenbegrip. Maar hierdoor veranderde tegelijkertijd de betekenis van het klassenbegrip.
In de natuurwetenschappelijke opvatting was het klassenbegrip een descriptieve categorie ter bepaling van de structuur. In het kader van de economische anatomie van de burgerlijke maatschappij ging het om de bepaling van een functie, het klassenbegrip moest analytische taken verrichten.
De indeling van mensen in maatschappelijke klassen kon immers in deze nieuwe optiek alleen plaatsvinden op basis van de specifieke economische functies die mensen in het productie- en distributiesysteem vervulden. Van begin af aan werd de indeling in maatschappelijke klassen betrokken op economische verhoudingen: eigendoms- en productieverhoudingen, arbeidsdeling en beroepsdifferentiaties.
Uit de belangstelling voor de economische kringloop van de maatschappij ontwikkelde zich een nieuwe wetenschap die in de tweede helft van de 18e en tot aan het midden van de 19e eeuw in Frankrijk en vooral in Engeland haar bloeitijd beleefde. De naam die aan deze nieuwe wetenschap werd gegeven, de politieke economie, geeft aan dat het productiegebeuren werd gezien als de bepalende grondslag van de structuur en het functioneren van de maatschappij, als de reële basis van het gehele maatschappelijke levensproces. Dit geheel van het maatschappelijke levensproces werd aangeduid met de term politiek.
De nieuwe generatie intellectuelen, die in meer of mindere sterke mate sympathiseerde met de opkomende en naar staatsmacht strevende burgerlijke klassen, streefde naar een omvattende maatschappijwetenschap en probeerden de klassendeling van de maatschappij af te leiden uit de kringloop van haar economie.
Deze inspanningen werden niet alleen geïnspireerd door wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Een belangrijke drijfveer was dat het privilegestelsel van de late feodale maatschappij vernietigd moest worden. De politieke economie werd een wapen in handen van een rebellerende en zelfs revolutionaire bourgeoisie. De opkomende burgerij werd in haar economische ontplooiingsmogelijkheden beperkt. Door traditionele voorrechten en drukkende feodale lasten werd de burgerij belemmerd in haar belangrijkste streven: de vermeerdering van de eigen rijkdom. Het ging er dus vooral om de onrechtmatigheid van de feodale orde te bewijzen: het klassenbegrip fungeerde als een kritisch begrip, als politiek strijdbegrip.
Los van alle standsverschillen bestond er een kloof tussen de grote meerderheid van het volk dat productief deelnam aan de voortbrenging van bestaansmiddelen voor iedereen en een kleine minderheid die grote delen van de geproduceerde goederen zonder eigen prestatie konden toeëigenen. In de ogen van de opkomende bourgeoisie moest nu een onderscheid worden gemaakt tussen de werkenden en de profiteurs, de producerende en de parasitaire groepen van de maatschappij [Ossowski 1957/62:42]. In deze termen maakte zij een onderscheid tussen economische klassen.
De eerste politieke economen proberen aan te tonen dat de bourgeoisie, die het kapitaal accumuleert en de industrie en handel ontwikkelt, een progressieve klasse is, terwijl de feodale klasse en de met haar verbonden lagen op onproductieve wijze een deel van het maatschappelijke arbeidsproduct consumeren.
De eerste vertegenwoordiger van de klassieke politieke economie, William Petty (1623-1687) karakteriseerde de klasse van de feodale heren en de hiermee verbonden sociale lagen als mensen die niets anders doen dan eten, drinken, zingen, spelen, dansen en metafysica bedrijven. [geciteerd bij Marx, MEW 13:39].
Het was echter vooral Adam Smith (1723-1790) die in zijn Inquiry into the nature and causes of the wealth of nations tegen de resten van de oude feodale maatschappij ageerde. Alle sociale lagen die niet direct aan de productie van de maatschappelijke rijkdom, dat wil zeggen aan de meerwaardeproductie deelnamen, werden tot de onproductieve klassen gerekend [Smith 1776:141. Vgl. Marx, MEW 26 I:145,120,273; Lehmann 1977].
Aan de ene kant impliceerde midden een hiërarchie en daarom ook een lagere klasse: niet alleen theoretisch, maar in herhaalde praktijk. Aan de ander kant impliceert werken een productieve of nuttige activiteit, waardoor allen die niet tot de werkende klasse behoorden onproductief en nutteloos werden (makkelijk genoeg voor een aristocratie, maar nauwelijks geaccepteerd door een productieve middenklasse). Deze verwarring klinkt door tot op de dag van vandaag [Williams 1976].
De burgerij had echter slechts belang bij en belangstelling voor een klassenanalytische benadering van de maatschappelijke verhoudingen zolang zij zonder tegenspraak zélf kon worden opgevat als deel van de werkende of productieve klassen. De nieuwe productiewijze die de burgerij voortbracht elimineerde de klassendeling echter niet, maar bracht een nieuwe voort.
Vroege socialistische critici wierpen de ondernemende bourgeoisie voor de voeten dat zij geen werkelijk producerende klasse was, maar een nieuwe economisch uitbuitende en sociaal heersende klasse. Toen de door de bourgeoisie geëploiteerde klassen begonnen hun eigen belangen te articuleren, verdween de burgerlijke belangstelling voor klassenanalyse.
|
Nadat de bougeoisie de macht van het kapitaal gevestigd had, stond zij niet meer als representant van de productieve arbeid tegenover de feodale reactie. Zij had zich verder ontwikkeld en wilde nu zelf ook ontwikkeld consumeren en ongestoord genieten van haar nieuw verworven privileges. Daarom nam zij nu zelf geestelijke arbeiders in dienst die haar kersverse klasseheerschappij ideologisch moesten legitimeren. De bourgeoisie keerde zich af van haar oude revolutionaire principes waarmee zij de feodale beknellingen en knechtingen had bestreden. De latere vulgair economen proberen zelfs de productieve nuttigheid te bewijzen van geestelijken, magistraten, rechters enz. [Marx, MEW 23:19 e.v]. |
Karl Marx meende dat de politieke economie niet meer bedreven kon worden als revolutionaire wetenschap die in overeenstemming was met het algemene maatschappelijke belang. De politieke economie werd steeds nadrukkelijker in dienst gesteld van bijzondere belangen, namelijk van het burgerlijke klassenbelang. Op zn laatst sinds het midden van de 19e eeuw werd duidelijk dat de politieke economie geen toekomst meer kon hebben.
Marx ging zelf op zoek naar een wetenschap van de voorwaarden en vormen waaronder de verschillende menselijke maatschappijen hebben geproduceerd en geruild, en waaronder zij derhalve steeds de producten hebben verdeeld [Marx, MEW 20:139 e.v.]. Een dergelijke wetenschap van de totale samenhang van de maatschappij, van haar economische structuren en de daarin gefundeerde klassensplitsing kon alleen maar in het belang zijn van de sociaal beheersten, niet van de heersende klassen. De klassentheorie zou zich alleen als kritische, zo niet als revolutionaire wetenschap verder kunnen ontplooien. Ter rechtvaardiging van uitbuitings- en klassenverhoudingen werd zij ondeugdelijk.
De vraagstelling en het kennisbelang van de politieke economie werd in toenemende mate een zaak van de arbeidersklasse en de daaraan verbonden delen van de intelligentsia. Het bijzondere belang van de arbeidersklasse bij de opheffing van haar onderdrukking en uitbuiting, zou volgens Marx de eerste grote intellectuele vertegenwoordiger van de nieuwe klassentheoretische traditie samenvallen met het algemeen menselijke belang bij de opheffing van onderdrukking en uitbuiting in de maatschappelijke verhoudingen überhaupt.
Hiermee kan dit exposé over de (voor)geschiedenis van het klassenbegrip voorlopig worden afsloten. Na Marx is het klassenbegrip in ieder geval zo ver ontwikkeld dat het als analytische categorie bruikbaar is voor kritische maatschappijwetenschap.
Het is niet eenvoudig om een helder zicht te krijgen op de diverse connotaties van het klassenbegrip. En daarom is het ook zeer moeilijk om een niet-triviaal indelingsprincipe te formuleren. Er zijn vele pogingen gedaan om de verschillende klassenbegrippen te ordenen.
De volgende indelingscriteria werden geïsoleerd of in wisselende combinaties gebruikt:
| formeel-logisch (technisch) | v e r s u s |
sociaalwetenschappelijk | Geiger [1932] |
| nominalistisch | realistisch | Dahrendorf [1959], Lenski [1952, 1966], Giddens [1979], Strasser [1987], Kreckel [1990] |
|
| beschrijvend-statistisch | analytisch-dynamisch | Dahrendorf [1953] | |
| structureel | historisch | Poulantzas [1968] | |
| universeel-historisch | maatschappijformatie-specifiek | Geiger [1932] | |
| eendimensionaal | multidimensionaal/integraal | Lipset [1968] | |
| objectivistisch | subjectivistisch | In plaats van velen: Mombert | |
| structuralistisch | constructivistisch* | Bourdieu [1987] | |
| gradueel | relationeel | Ossowski [1957/62], Wright [1979] | |
| economisch | politiek-ideologisch | In plaats van velen: Poulantzas | |
| productie | distributie/markt | Wright, Therborn, Herkommer, Kuttler/Lozek | |
| heerschappij | uitbuiting | Dahrendorf, Wright, Roemer e.v.a |
Dergelijke indelingen zijn te simpel; zij reproduceren en demonstreren hoofdzakelijk de inhoudelijke en terminologische ambiguïteit van het klassenbegrip, welke samenhangt met de diversiteit van de theoretische perspectieven waarin gewerkt wordt.
Het ideaal van elke wetenschappelijke theorie is heldere begripsvorming en terminologische precisie. Dit vereist dat er voor elk onderscheiden perspectief dat met een begrip verbonden is, één en niet meer dan één corresponderende term is.
John Coleman [1965:339 - tabel I] stelde voor een onderscheid te maken tussen zes verschillende analytische perspectieven en daarmee corresponderende analyse-eenheden:
Hoewel dit nog geen theoretisch paradigma voor de bestudering van sociale strata is zoals Coleman meende, biedt het toch een eerste referentiekader om de klassenbegrippen systematischer in te delen. In aansluiting bij Coleman en Bader/Benschop [1988] maak ik een onderscheid tussen definities waarin klassen refereren aan:
Wright stelt voor om de klassedefinities te ordenen met behulp van drie op elkaar aansluitende theoretische dimensies.
Figuur 1_2: Typologie van klassendefinities
|
3·4·1 Graduele klassendefinities
In graduele benaderingen worden klassen gekenmerkt door het feit dat zij boven of onder andere klassen staan. Omdat volgens deze maatstaf de groepen in een systeem van hogere en lagere klassen staan, betekent klassenstructuur hier zoveel als klassenstratificatie.
Dit kwantitatieve, ruimtelijke beeld klinkt door in de naamgeving van de verschillende klassen: hogere klasse, middenklasse, lagere klasse, of uitvoeriger: upper class, upper middle class, middle class, lower middle class, lower class (en recentelijk aangevuld met under class). Binnen deze benadering spitsen de discussies zich toe op de vraag of deze indelingen zuiver conventioneel of reëel zijn en wat het verband is tussen continue en discontinue gradaties binnen het stratificatiesysteem [Giddens 1973; Bourdieu 1987:2 e.v.; Fantasia 1988:13].
In de moderne sociologieën kunnen twee hoofdvarianten van graduele klassendefinities worden onderscheiden. In de eerste variant worden klassengradaties primair gedefinieerd in termen van inkomen, monetaire rijkdom, terwijl zij in de tweede variant primair worden gedefinieerd in termen van sociale status of prestige.
Graduele inkomensklassen: arm en rijk
De meest gangbare graduele definitie van klassen is: de arme mensen zijn de lagere klassen, de mensen met middeninkomens zijn de middenklassen en de rijken vormen de bovenklassen. Deze sociale hiërarchie is uitsluitend of primair gebaseerd op verschillen in monetaire rijkdom en inkomen.
Op deze wijze wordt de klassenstructuur praktisch identiek met de inkomensverdeling. De impliciete premisse van dergelijke benaderingen is meestal dat de inkomensverhoudingen in de kapitalistische landen steeds verder nivelleren en de klassenverhoudingen evolueren naar een meer of minder homogene middenklassenmaatschappij, waarbij de pyramide-vorm steeds meer in een diamant-vorm verandert.
Graduele status- of prestigeklassen
In de tweede variant wordt er van uitgegaan dat klassendelingen uitdrukking zijn van gemeenschappelijke posities binnen een alles omvattende, of minstens relatief coherente dominante prestigehiërarchie. Deze benadering steunt op twee zeer omstreden vooronderstellingen:
En vergelijk ook de volgende definities.
In de prestige- of statusschalen worden beroepsgroepen bij elkaar gezet die zeer uiteenlopende plaatsen hebben binnen arbeidsmarkten, productie-eenheden en economische sectoren. In werkelijkheid hebben deze groeperingen echter totaal uitlopende trajecten van groei en verval [Erikson/Goldthorpe 1992: ch. 6]. Toch werd zeer vaak de prestige- of statushiërarchie als begripsmatige context voor de analyse van klassenmobiliteit genomen. Hierdoor werd de volledige omvang van de effecten die resulteren uit structurele veranderingen in de economie verdraaid [Goldthorpe/Marshall 1992:395].
3·4·2 Relationele klassendefinities
Tegenover deze graduele klassendefinities staan relationele concep;ten waarin klassen worden gedefinieerd door hun structurele verhouding tot andere klassen. In relationele definities worden klassen niet simpel relatief gedefinieerd ten opzichte van andere klassen, maar in een maatschappelijke verhouding tot andere klassen [Wright 1979:6; Parkin 1979:11 e.v.; Bourdieu 1987].
Hoewel klassen empirisch van elkaar verschillen in een grote variëteit van kwantitatieve dimensies, zijn de klassencriteria gebaseerd op kwalitatieve dimensies. Binnen het relationele klasseperspectief reflecteren alleen al de namen de onderliggende definitie. Klassen worden niet benoemd volgens een continuüm van lager naar hoger, maar dragen namen zoals: uitbuitersklasse uitgebuite klasse; heersende klasse onderdrukte klasse; bezittende bezitloze klasse; slavenhouders slaven; kapitalistenklasse arbeidersklasse.
In de graduele optiek worden de lagere klassen gedefinieerd als klassen die minder hebben van datgene waar de hogere klassen meer van hebben (inkomen, vermogen, educatie, status, macht enzovoort). Het gaat dus steeds om meer of minder van hetzelfde. Binnen de relationele optiek wordt bijvoorbeeld de arbeidersklasse gedefinieerd door kwalitatieve eigenschappen van de plaats binnen een maatschappelijke arbeidsverhouding, die tegelijk de kapitalistenklasse definieert. In zowel de marxistische als weberiaanse traditie wordt de arbeidersklasse opgevat als klasse van bezitloze verkopers/verhuurders van arbeidskracht en de kapitalisten als kopers/huurders van arbeidskracht. Het kenmerkende verschil is daarbij niet zozeer dat loonarbeiders iets minder hebben dan kapitalisten, maar dat zij een specifieke, kwalitatief andere positie innemen binnen een maatschappelijke verhouding, die zowel de loonarbeider als de kapitalist definieert: namelijk binnen de ruilverhouding op de arbeidsmarkt (in andere concepties: de machts- of heerschappijverhouding in de arbeidsorganisatie of de exploitatieverhouding in productie- of distributieprocessen).
|
|
Het verschil tussen graduele en relationele klassendefinities lijkt soms en wordt vaak afgedaan als een zuiver semantische strijd over de vraag hoe het woord klasse gebruikt moet/kan/mag worden.
Er zijn verschillende klassentheorieën die uitgaan van een relationeel begrip van sociale ongelijkheid. De meningen lopen uiteen over de vraag hoe deze relationele basis, die de klassen structureert, moet worden opgevat. Welke specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen zijn bepalend voor de structurering van de klassen of klassenposities? Hoe kunnen de specifieke oorzakelijke componenten van het bestaan en de reproductie van maatschappelijke klassen het beste worden geanalyseerd?
3·4·3 Relationele productie- en marktklassen
In de theoretische discussies over relationele klassendefinities wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen benaderingen die georiënteerd zijn op of vertrekken vanuit productieverhoudingen en benaderingen die zich concentreren op distributieverhoudingen. Productie en distributie worden daarbij opgevat als twee sferen van maatschappelijke activiteitsverhoudingen die constituerend zijn voor klassenverhoudingen. In het algemeen worden daarbij marktverhoudingen gedefinieerd door de ruilrelaties tussen kopers en verkopers van verschillende soorten goederen of waren; productieverhoudingen worden opgevat als relaties tussen actoren binnen het productie- of arbeidsproces zelf. Weber wordt in dit verband ten onrechte opgevoerd als grondlegger van de distributieve of marktconceptie van klasse.
Bij de auteurs die Weber een distributief of marktgebonden klassenbegrip toedichten behoren in ieder geval: Kramer [1968:175], Cassano [1971:25 e.v.], Herkommer [1975:125], Therborn [1976:140 e.v.], Johnson [1976:62], Korpi [1978:10 e.v.], Crompton/Gubbay [1978:16], Wright [1979:8; en iets voorzichtiger in 1985:107], Kuttler/Lozek [1985: 274], Burris [1987:68,8206]. Zie voor een uitvoerige kritiek op deze Weber-interpretatie: Benschop [1987a/ 2012: hfst. 6; 1987b:101-9].
Als voorbeeld van een neo-weberiaans marktmodel van klassenanalyse wordt vaak verwezen naar het werk van Anthony Giddens: Class Structure of Advanced Industrial Societies [1973]. Maar Giddens accepteert Webers begrip van klasse en klassenpositie niet als basis voor een theorie van de klassenstructuur [Giddens 1977:205]. Hij wijst de identificatie van klasse met marktpositie af en kritiseert de algemene stelling dat klassendelingen en -conflicten verschijnselen zijn van marktrelaties. In zijn gereconstrueerde theorie van klassen en klassenstrijd handhaaft hij de marxistische stelling dat klassendelingen verankerd zijn in het productiesysteem en in het bijzonder in de extractie van meerwaarde [Giddens 1973:109; 1977:206].
Een typische vertegenwoordiger van het neo-weberiaanse marktmodel van klassenanalyse is Norbert Wiley [1967]. In zijn analyse worden klassen in de Amerikaanse maatschappij gedetermineerd door drie verschillende, elkaar overlappende markten: arbeidsmarkt, kredietmarkt en warenmarkt. Deze drie markten constitueren zes klassen: ondernemers (kapitalisten) en arbeiders, crediteuren en schuldenaren, verkopers en consumenten. Naarmate deze drie dimensies van klassen (deze ruilrelaties) elkaar overlappen, is de intensiteit van het klassenconflict intenser.
Tegenover deze zogenaamde weberiaanse of neo-weberiaanse opvatting van klassen in termen van marktverhoudingen staat het marxistische argument, dat het hart van een klassenanalyse gelokaliseerd moet zijn binnen de sfeer van de productie [Wright 1979: 10].* Over de vraag hoe deze productieverhoudingen zelf geanalyseerd moeten worden, bestaat geen overeenstemming. Er is hoogstens consensus over het feit, (a) dat de relationele basis van maatschappelijke klassen in de productie en niet zozeer in de structuur van de ruil gezocht moet worden, en (b) dat de posities die in de productie worden ingenomen, beslissend zijn voor de mate van beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen en beloningen (dus bepalend voor sociale levens- en politieke handelingskansen).
Marktverhoudingen zijn binnen dergelijke production-level theories wel degelijk van belang, maar hun betekenis is afgeleid van de relatie tussen markten en productie. Marktverhoudingen zijn in hoge mate bepalend voor de wijze waarop individuen worden over arbeidsposities worden verdeeld. Ook als men klassen structureel definieert in termen van posities in de productie, moet rekening worden gehouden met het feit dat het allocatieproces op de markt van invloed is op de wijze waarop klassen collectief worden georganiseerd. Tevens zijn markten belangrijke arenas waarin klassen en klassenfracties met elkaar in strijd komen, concurreren. Loonarbeiders als verkopers of verhuurder van hun specifieke waar arbeidskracht en ondernemers als huurder/kopers van deze arbeidskrachten. Omdat kapitalisten proberen de arbeidskrachten zo goedkoop mogelijk in te huren, en arbeidsloon de enige, althans meest doorslaggevende inkomensvorm van de loonarbeiders is, zijn conflicten over lonen een intrinsiek verschijnsel van het kapitalisme. Dat deze conflicten binnen marktverhoudingen worden uitgevochten, betekent echter nog niet dat de actoren in deze strijd/concurrentie fundamenteel worden gestructureerd door marktrelaties als zodanig. In production-level theories wordt verondersteld dat dergelijke conflicten over loon- en arbeidsvoorwaarde uiteindelijk gestempeld worden door de structuur van klassenverhoudingen binnen de productie.
3·4·4 Relationele beroepsklassen
De meest gangbare sociologische klassendefinities zijn geformuleerd in termen van beroepscategorieën. Meestal worden daarbij de handarbeidersberoepen (blue collar workers) gedefinieerd als arbeidersklasse, de kantooremployés als middenklasse, en professionele en leidinggevende beroepen als uppermiddle of upperclasses of soms als zelfstandige professionele klasse.
De precieze theoretische status van deze beroepstypologie van klassen is niet erg duidelijk:
| Beroep refereert primair aan een serie arbeidstaken, d.w.z. aan posities binnen de technische arbeidsdeling. Het begrip klasse refereert primair aan de maatschappelijke arbeids-verhoudingen, d.w.z. aan posities binnen de maatschappelijke arbeidsverdeling. |
|
Recentere versies van de technisch-functionele klassendefinitie vinden we in de verschillende theorieën over de postindustriële maatschappij. Zo argumenteerde Daniel Bell [1973/4] dat er in geavanceerde stadia van de industriële ontwikkeling verschillende soorten professionals (wetenschappers, ingenieurs, bepaalde categorieën technici) naar voren komen, die een nieuwe dominante klasse gaan vormen. Op basis van hun positie in de technische arbeidsverhoudingen zouden zij een monopolie op wetenschappelijke kennis verwerven, die hen in staat zou stellen de sleutelinstituties van de postindustriële maatschappij te controleren. De professionele klasse is voor Bell de belangrijkste klasse van de opkomende nieuwe maatschappij [Bell 1973/74:137]. Hoewel Alain Touraine [1969] in zijn klassedefinitie meer nadruk legt op de betekenis van bureaucratische heerschappij redeneert hij op analoge wijze. Hij baseert zijn definitie van klassen in de postindustriële maatschappijen op de rol van de experts en de technocraten binnen de technische arbeidsdeling. In tegenstelling tot Bell advanced capitalisms most persuasive advertising man (Giddens) gaat Touraine er niet van uit dat het klassenconflict in postindustriële maatschappijen zal verdwijnen. Hij verwacht veeleer een verschuiving van het centrum van de klassenstrijd: van strijd om toeëigening van economische rijkdom naar strijd om de vervreemdende effecten van onderschikking aan technocratische beslissingen. Zie voor kritieken op het technologisch determinisme van Touraine: Deppe/Lange/Peter [1971: 605], Deppe [1971:43], Giddens [1973:255 e.v.]. |
3·4·5 Relationele heerschappijklassen
In de conflict- en machtssociologische traditie worden klassen gethematiseerd in termen van heerschappij- of gezagsverhoudingen. De meest invloedrijke vertegenwoordiger hiervan was tot 1979 Ralf Dahrendorf.
De klassenstructuur wordt dus voorgesteld als een netwerk van elkaar doorkruisende splitsingen die gebaseerd zijn op overlappende structuren van heerschappijverhoudingen in uiteenlopende organisaties. Klassen worden daarbij opgevat als actieve maatschappelijke eenheden die met elkaar strijden om de heerschappij binnen de betreffende organisaties.
In datzelfde jaar publiceerde Dahrendorf de resultaten van zijn herontdekking van de (sociaal gestructureerde) levenskansen, waarin hij het formalistische karakter van zijn eigen klassendefinitie uit 1959/61 kritiseert:
Dahrendorf kritiseert zijn eerdere definities van machts- en gezagsverhoudingen omdat daaraan een substantive definition/44/ ontbrak. It is not power as such, but what one can do with it that seems desirable/49/. Het amendement dat hij op zijn eigen fragmentarische theorie wil aanbrengen, is dat hierin the most important if the most complex dimension werd vergeten: that of the direction of change and of the substance of conflict /57/. Dahrendorfs benadering is verwant aan die van Gerhard Lenski. Maar Lenski neemt ook andere dimensies dan heerschappij op in zijn klassedefinitie. Hij definieert klassen als an aggregation of persons in society who stand in a similar position with respect to some form of power, privilege, or prestige [Lenski 1966:75]. Om een antwoord te krijgen op de klassieke vraag: who gets what and why?, moet men zich volgens hem vooral bezighouden met de power classes, die gedefinieerd worden als an aggregation of persons in a society who stand in a similar position with respect to force or some specific form of institutionalized power. |
3·4·6 Relationele exploitatieklassen
De de transformationele klassenanalyse speelt het exploitatieve karakter van klassenverhoudingen een cruciale rol. Het meest kritische begrip is uitbuiting. Het is ook het meest normatief en politiek geladen, en daarom zeer omstreden begrip.
Onder uitbuiting wordt hier zeer algemeen verstaan: de toeëigening/onteigening van meerarbeid in productvorm als meerproduct, of in waardevorm als meerwaarde. Toeëigening van meerarbeid veronderstelt een meer of minder drastische asymmetrische verdeling van beschikkingsmacht over essentiële (productieve) bronnen. Het vermogen van uitbuitende klassen om onder deze voorwaarde meerarbeid toe te eigenen, maakt het voor deze klassen mogelijk te consumeren zonder te produceren of minstens: veel meer maatschappelijke rijkdom toe te eigenen dan zij produceren. Het exploitatieve karakter van klassenverhoudingen is dus een cruciale factor voor de verdeling van inkomens over de verschillende klassen. Het feit dat een uitbuitende of heersende klasse een superieure beschikkingsmacht heeft over de productieve bronnen van een maatschappij is echter niet alleen van economische betekenis, maar heeft ook vergaande consequenties voor de verdeling van sociaalculturele levens- en politieke handelingskansen. Wie in staat is het meerproduct toe te eigenen, beschikt tevens over het machtspotentieel om de richting van maatschappelijke veranderingen en ontwikkelingen op doorslaggevende wijze te beïnvloeden [zie uitvoeriger hft. VII.2).
In het marxistisch perspectief wordt benadrukt dat de verschillende klassensystemen zijn verankerd in kwalitatief verschillende mechanismen van exploitatie. Als men klasse wil opvatten in termen van uitbuitingsverhoudingen dan moet elke klassenanalyse beginnen met het thematiseren van de maatschappelijke mechanismen via welke meerarbeid wordt toegeëigend. Het masterconcept [Parkin 1979:5] dat hiervoor in de regel wordt gebruikt, is dat van de productiewijze: productiewijzen worden van elkaar afgebakend door de kwalitatief verschillende mechanismen waardoor en vormen waarin heersende klassen de meerarbeid van uitgebuite klassen toeëigenen. De historische ontwikkeling en transformatie van klassenverhoudingen wordt opgevat als een afwisseling van maatschappijformaties of tijdperken waarin telkens een verschillende productiewijze domineert.
4. Theoretische referentiepunten |
|---|
4·1 Marx klassentheorie is geen voltooid systeem
Deze studie is gericht op de constructie van een transformationele klassentheorie. De vraag is vanuit welke theoretische optiek men hierbij het beste zou kunnen vertrekken. Er zijn immers meerdere, elkaar beconcurrerende theorieën en onderzoekstradities waarbij men kan aanknopen of waaruit men een keuze kan maken. De meest ontwikkelde klassenanalyses vinden we in de marxistische traditie, maar daarnaast zijn er andere denominaties (zoals de neoweberianen) waar veel van te leren valt.
Ter verduidelijking van mijn theoretisch referentiepunt zou ik daarom kunnen opteren voor een marxistische invalshoek. Maar zon keuze schept nog niet veel duidelijkheid en kan zelfs misleidend zijn. De klassentheorie van Marx is immers allesbehalve een afgerond geheel en er bestaat ook geen unieke marxistische orthodoxie waaraan men met enig vertrouwen of wantrouwen kan refereren.
De klassentheorie van Marx heeft een programmatisch karakter: het is een wetenschappelijk onderzoeksprogramma dat zich binnen de marxistische onderzoekstraditie verder heeft ontwikkeld. Bij Marx zijn een aantal hoekstenen van een klassentheorie te vinden die naar verschillende kanten verder kunnen worden uitgewerkt. Als wetenschappelijk onderzoeksprogramma is de theorie van Marx principieel onafgesloten [Lenin Werke Bd.2:205; Balibar 1974:45; Therborn 1980; Van Dijk 1984:301].
Klassentheorie is een zich ontwikkelend onderzoeksprogramma (Lakatos) binnen een specifiek historische (overwegend marxistische) onderzoekstraditie. Zon onderzoekstraditie wordt gekenmerkt door (i) een object of problematiek met favoriete onderwerpen en een serie theorieën; (ii) een methode die gebaseerd is op een (sociale of filosofische) ontologie en een kennistheorie en bestaat uit een methodologie, een methode in de engere zin en specifieke onderzoeksvormen, methoden en technieken; en (iii) een praktijk als reeks exemplarische onderzoeken die de zichtbare werking en de resultaten van de traditie vormen.
In de marxistische onderzoekstraditie staat het begrip van de antagonistische maatschappelijke klassenverhoudingen centraal. De constitutieve betekenis van het klassenantagonisme werd echter niet altijd even duidelijk geaccentueerd en de klassentheorie zelf werd lange tijd niet verder uitgewerkt.
De klassentheorie van Marx en de oudere interpretaties en uitwerkingen van marxisten als Kautsky, Bucharin, Lenin en Lukacs tonen aan dat het tegelijkertijd gaat om een belangrijke sociologische ontdekking en dat deze ontdekking nooit voldoende is gepreciseerd; noch in zijn inhoud, noch in zijn basis, noch in zijn grenzen of reikwijdte [Gurvitch 1966:97]. Het is niet té overdreven om deze stelling na bijna een halve eeuw nog eens te herhalen.
Het marxisme claimt niet alleen een kritische theorie van de geschiedenis van klassenmaatschappijen te zijn, maar ook en vooral van hun verandering en uiteindelijke ontbinding. Het claimt niet alleen een theorie van de geschiedenis te leveren, maar tegelijkertijd een geschiedenis van de theorie te zijn.
|
Hier wordt geen poging gedaan om de geschiedenis van de klassentheorie te schrijven. Ik wil slechts het tweeledige karakter onderstrepen van een theorie-historische reconstructie onderstrepen.
De interne geschiedenis van de klassentheorie is veeleer een geschiedenis van breuken met en transformaties van oude theoretische posities en problematieken, van interne epistemologische obstakels die de theorie blokkeren in haar poging om de specifieke verschijnselen van een tijdperk te ontcijferen, van terugval (verstarring, vervlakking en dogmatisering), van cognitieve blinde vlekken, maar ook van nieuwe inzichten.
Zo ontwikkelde zich aan het einde van de jaren zestig in het kielzog van de radicaal-democratische studentenbeweging en de opbloei van het arbeidersverzet een hernieuwde belangstelling voor de marxistische klassentheorie. Deze renaissance van de marxistische onderzoekstraditie leidde tot een formidabele productiviteit van het westerse marxisme in de jaren zeventig en tachtig. Deze renaissance werd door sommigen als een crisis van het marxisme beschreven en door anderen geïnterpreteerd als een productieve evenwichtsverstoring. In ieder geval werden de vermeende eenduidigheid en geslotenheid van de zogenaamde marxistisch-leninistische interpretaties doorbroken. Voor de reconstructie van de klassentheorie werd enerzijds direct teruggegrepen op bijdragen van Marx, anderzijds werden pogingen in het werk gesteld om een meer productieve verhouding tot stand te brengen met voorheen als burgerlijke sociologie gediscrediteerde contemporaine sociaalwetenschappelijke theorieën.
De methodische voorwaarden en methodiek van klassenanalyse werden opnieuw ter discussie gesteld en er werden nieuwe aanzetten geformuleerd voor een systematische reconstructie en verdere ontwikkeling van de klassentheorie. Er werden nieuwe pogingen gedaan om vaak al langer bekende theoretische lacunes weg te werken, met name op het vlak van moderne loonafhankelijke middenklassen, de bewustzijnstheorie en de politieke klassentheorie. Er werden pogingen gedaan vernieuwde theoretische inzichten systematisch te combineren met empirisch onderzoek. Het klassenanalytisch onderzoek verwierf in sommige academische instituties een eigen plaats, er ontstonden netwerken waarin het onderzoekswerk werd gecoördineerd. En er ontstond een zekere mate van internationalisering van het debat en onderzoek.
Wie de resultaten overziet van de heropleving van marxistisch georiënteerd onderzoek naar de klassenverhoudingen sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, zal zich moeilijk aan de conclusie kunnen onttrekken dat die reconstructie nog niet is afgesloten. Op tal van punten is zeker sprake van theoretische en empirische progressie, maar er bestaat geen uitgewerkte, ontwikkelde marxistische klassentheorie [Johnson 1979:207; Lockwood 1981:475; Wright 1989].
In de marxistische theorie is het een volledige chaos [Bischoff e.a. 1976:17], het is crisis in de klassenanalyse [Pahl/Wallace 1988:149].
Op de vraag wat is een klasse? worden binnen de marxistische onderzoekstraditie zeer uiteenlopende antwoorden gegeven. De theoretische onderbouwingen van klassencriteria zijn controversieel omdat er verschillende visies zijn over de volgende methodologische en thematische problemen.
Thematische problemen
Poulantzas definieert klassen bij voorbaat integraal. Hij wil de politieke en ideologische verhoudingen direct in de klassendefinitie betrekken. Zijn stelling is dat een maatschappelijke klasse wordt gedefinieerd door haar positie in het geheel van de maatschappelijke arbeidsdeling die ook de politieke en economische verhoudingen omvat [Poulantzas 1976:16 fr. p. 16]. Volgens Poulantzas vormt de economische basis dus alleen samen met de momenten van de bovenbouw een voldoende grondslag voor de klassengeleding. De integrale klassendefinitie van Poulantzas en Bourdieu wordt in hft. VI uitvoeriger besproken.
Een minimum aan consensus kan niet worden bereikt zonder een eenduidig theoretisch georiënteerde structurering van de problemen die bij een analyse van de klassenverhoudingen aan de orde zijn en zonder een nauwkeurige, gemotiveerde afbakening van de gehanteerde basisbegrippen.
4·4·1 Kennisobject van de klassentheorie Het kennisobject van de klassentheorie zijn de maatschappelijke verhoudingen tussen en binnen de klassen en hun onderlinge strijd. Klassenanalyse betreft dus zowel de klassenmatige structurering van sociale levensposities in specifieke maatschappijformaties als de wijze waarop hierdoor gestructureerde politieke handelingscollectieven (klasseformaties) tot stand komen.
Meer in het bijzonder gaat het om de analyse van:
Klassentheorie is enerzijds een regionale theorie die zich concentreert op bepaalde aspecten van de sociale structuren in antagonistische, door uitbuitingsverhoudingen gekenmerkte maatschappelijke formaties. Anderzijds is de klassentheorie echter ook een algemene theorie die refereert aan de klassenmatige structurering in álle maatschappelijke activiteitsverhoudingen.
Klassentheorie is dus geen specifiek disciplinaire (bijvoorbeeld economische) theorie, maar zij is ook geen supertheorie die alle structuurvormen van sociale ongelijkheid omvat. Klassentheorie moet niet gereduceerd worden tot politieke economie. Niet zozeer omdat anders de handelingsstructurerende kracht van politieke verhoudingen, historische tradities en ideologische discoursen buiten beschouwing zou blijven zoals Boccara e.a [1971], Poulantzas [1976] en Jung [1972] menen, maar omdat de klassentheorie de centrale verbindingsschakel vormt tussen een politiek-economische analyse van maatschappelijke ontwikkelingen en de politieke theorie, de theorie van het collectieve handelen van maatschappelijke actoren.
Het kennisobject of -belang van de klassentheorie is dus de identificatie van historisch relevante handelingscollectieven en verklaring van collectief politiek klassenhandelen.
| Marx gebruikte het klassenbegrip primair om een verklaring te kunnen geven van the incidence and the forms of collective action [Elster 1985:318]. Het klassenbegrip fungeert sindsdien nadrukkelijk in het kader van een meer algemene theorie van sociale conflicten. Ook al heeft Marx noch het bestaan van klassen in de burgerlijke maatschappij en noch hun onderlinge strijd als eerste ontdekt [Benschop 1990/2012: II, § 1·4]. |
4·4·2 Reikwijdte van klassenanalyse
Klassenanalyse omvat zowel theorievorming als empirisch-historisch onderzoek naar de structuur en dynamiek van de klassenverhoudingen in een specifieke samenleving. De reikwijdte van de klassenanalyse kan door de drie volgende elementen worden omlijnd.
Klassenanalyse is dus een omvattend onderzoeksprogramma. Het is theoretisch gefundeerd onderzoek van de empirisch-historische tegenstellingen tussen de klassen en klassenfracties, dat als grondslag kan dienen voor het evalueren respectievelijk het ontwerpen van politieke handelingsstrategieën van uitgebuite, overheerste, arbeidende klassen tegenover exploiterende, heersende klassen (inclusief de met deze fundamentele of hoofdklassen verbonden tussen- of restklassen en intermediaire sociale lagen). Politieke en normatieve oriëntaties spelen hierbij uiteraard een belangrijke rol. Deze worden in het volgende hoofdstuk besproken.
![]() |
|---|
| Eigenaardigheden | Onderwerpen | Samenleven | Zoek | Over ons | Contact |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam Gepubliceerd: Januari 1993 Laatst gewijzigd: 06 November, 2011 |