Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

WEBER Sociale ongelijkheid en klassen
Max Weber’s bijdrage aan de theorie
van sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
© 1987-2017

V. EEN BALANS

  1. Een vruchtbaar uitgangspunt

  2. Geen samenhangend alternatief voor de theorie van Marx

  3. Waarom men geen ‘marxist’ of ‘weberiaan’ moet zijn

    Literatuur


Een reconstructie van Weber’s begrip van sociale ongelijkheid en klassen is niet alleen van theorie-historisch en filologisch belang, maar biedt tegelijkertijd aanknopingspunten (i) om een vruchtbare theorie van sociale ongelijkheid te formuleren, (ii) om in de klassenanalyse het abstracte schematisme te overwinnen waardoor produktie- en distributie-aspecten worden verzelfstandigd, en (iii) om een rationele grondslag te scheppen voor het wetenschappelijk debat tussen onderzoekers uit de marxistische en weberiaanse theorietraditie.

1. Een vruchtbaar uitgangspunt

Wie geïnteresseerd is in de ontwikkeling van een algemene theorie van gestructureerde sociale ongelijkheid doet er goed aan kennis te nemen van Weber’s uitwerking van het sociale sluitingsthema. Weber presenteert geen algemene theorie van sociale ongelijkheid en hij pretendeert dit ook niet. Zijn analyses van processen van sociale sluiting bieden hiervoor echter wel een coherent en vruchtbaar uitgangspunt. De systematiek van zijn aanzet is echter zeker niet evident en moet dus worden gereconstrueerd. In de demonterende samenvatting die ik hier van Weber’s 'model' van sociale sluiting heb gegeven zijn een aantal punten naar voren gekomen die meer gepreciseerd en nader uitgewerkt zouden moeten worden.

In het centrum Weber’s benadering van sociale ongelijkheid staan de processen en structuren van toeëigening en uitoefening van beschikkingsmacht over objecten die bepalend zijn voor de verdeling van levenskansen in de maatschappij. Uit deze ongelijke verdeling van beschikkingsmachten vloeit de structurele ongelijkheid van levenssituaties voort. Onderzoeksstrategisch is het daarom van vitaal belang om de theoretische status van het concept sociale levenskansen te bepalen. Weber heeft niet geprobeerd om de objecten die werkelijk kunnen worden toegeëigend systematisch te differentiëren [zie hft. 2, § 2]. Ook in de bij Weber aansluitende theoretische traditie is hier tot nu toe volledig aan voorbijgegaan. Zolang een duidelijke structurering van toe te eigenen bronnen ontbreekt, is het m.i. niet goed mogelijk een meer systematisch inzicht te krijgen in de typen structurele ongelijkheid die daarvan het resultaat zijn.

Ook wat betreft de criteria van uitsluiting is nadere precisering gewenst. Weber houdt voldoende afstand van al te simpele indelingen van uitsluitingscriteria, maar hij presenteerde geen expliciete systematisering van de criteria die hij zelf noemt (het indelingsprincipe dat bij zo'n ordening gebruikt kan worden heb ik in hft. 2, § 5.4 omlijnd).

Een systematische constructie van sociale sluitingstheorie vereist tenslotte ook dat nader onderzoek wordt gedaan naar de samenhang tussen de criteria van uitsluiting, de uitsluitingspraktijken (d.w.z. basistypen of structuurvormen van sociale ongelijkheid) en de typische legitimatie-ideologieën [zie hft. 2, § 8.3].

Er bestaat geen algemene theorie van sociale ongelijkheid. Ik heb aannemelijk geprobeerd te maken dat we alleen maar beschikken over een paar deeltheorieën die specifieke vormen van gestructureerde ongelijkheid als object hebben en over theorieën waarvan de 'algemeenheid' voornamelijk tot stand komt door reductie van het object. Mijns inziens geldt dit ook voor de weberianiserende benadering van 'markt'-kansen. Maar het werk van Weber zelf bevat een aantal aanknopingspunten om deze eenzijdigheden en reducties te overwinnen.

Weber’s thematisering van sociale ongelijkheid is duidelijk afgebakend van (1e) benaderingen waarin eenzijdig aandacht wordt besteed aan de hiërarchisering van 'prestige', maar ook van (2e) benaderingen waarin voornamelijk of uitsluitend aandacht wordt besteed aan één type directe bronnen (bijv. aan de verdeling van beschikkingsmachten over materiële produktiemiddelen, of aan organisationele posities) en van (3e) benaderingen waarin de reproduktie/transformatie van feitelijke beschikkingsmachten alleen wordt vastgemaakt aan uiterlijk geweld en innerlijke overtuiging (legitimiteit).

Een systematisch-kritische reconstructie van zijn werk kan ertoe bijdragen een aantal barrières te overwinnen die de ontwikkeling van een theorie van sociale ongelijkheid in de weg staan. Zij kan met name dienen als tegengif tegen de uitholling van het sociale ongelijkheids- en klassebegrip in de functionalistische traditie. Het werk van Weber moet worden bevrijd uit de gijzeling waarin het sinds Parsons‘ theoretische assimilatie gevangen zit. Zijn invloedrijke interpretatie van Weber’s sociologie en de nadruk die hij legde op de categorie van het normatieve zijn van grote invloed geweest op de hoofdstromen van het stratificatieonderzoek. Een kritiek op de 'creatieve misinterpretaties' van het werk van Weber die in aansluiting bij Parsons heeft postgevat is een noodzakelijke voorwaarde voor een systematisch-kritische reconstructie van zijn bijdrage.

top


2. Geen samenhangend alternatief voor de theorie van Marx

Weber’s fragmentarische en voornamelijk typologische uiteenzetting over de klassen is geen alternatief voor de theorie van Marx en zeker geen “comprehensive alternativ” [Bottomore 1965). Gezien de - terecht - bescheiden pretenties die Weber zelf met zijn behandeling van het klassenvraagstuk heeft kan alleen maar met de grootste voorzichtigheid worden gesproken van een 'klassentheorie van Weber'. Bovendien zijn er in zijn bijdrage een aantal ambivalenties en inconsistenties die zich niet gemakkelijk laten wegpoetsen.

Ondanks alle punten van overeenstemming met de theoretische benadering van Marx hanteren beide auteurs niet dezelfde vooronderstellingen bij hun analyse van de kapitalistische klassenverhoudingen. De verschillen tussen beide klasseconcepten zijn te groot om over te gaan tot een verantwoorde synthese. Een snelle synthese tussen beide onderzoekstradities is niet alleen onmogelijk, maar ook ongewenst wanneer dit verdringing van reële verschillen impliceert. De pogingen om Weber’s bijdrage te presenteren als 'voltooiing' of 'verfijning' van de klassentheorie van Marx zijn niet erg geslaagd.

De reconstructie van Weber’s klassenanalytische bijdrage kan ertoe bijdragen de theoretische status en sociaal-historische reikwijdte van het klassebegrip te preciseren. Daarom is het enerzijds verstandig afstand te houden van benaderingen waarin het klassebegrip zodanig wordt verbreed dat het alle vormen van gestructureerde sociale ongelijkheid omvat. Want "voor de sociologische analyse levert de vermenging van meerdere precieze begrippen tot een onbepaald begrip nooit iets bruikbaars op" [GASS 461]. De analytische kracht van het klassebegrip kan worden vergroot door het verder te desaggregeren. Anderzijds is het verstandig afstand te houden van benaderingen waarin het klassenverschijnsel uitsluitend wordt verbonden aan produktie- dan wel marktverhoudingen. Een systematisch-kritische reconstructie van Weber’s aanzet kan bijdragen aan de overwinning van het abstracte en onvruchtbare polariteit van produktie versus distributie.

top


3. Waarom men geen ‘marxist’ of ‘weberiaan’ moet zijn

De theorievorming over klassenverhoudingen in het kapitalisme is altijd een sterk overgepolitiseerd wetenschappelijk terrein geweest. Tussen de concurrerende stromingen bestonden scherpe scheidslijnen waarbij de kampen elkaar over en weer fel bestreden. De wederzijdse aanval en zelfverdediging van ‘marxisten’ en ‘weberianen’ staat hiervoor model. De geschiedenis van de sociologie is niet arm aan nutteloze controversen en spiegelgevechten. De verstandhouding tussen marxistisch georiënteerde theoretici en het werk van Weber is wetenschappelijk gezien een onvruchtbaar en nogal deprimerend hoofdstuk in die geschiedenis (op enkele, maar weinig invloedrijke uitzonderingen na, zoals Alexander Nuesychin). De omvang en intensiteit van de Weber-receptie staat in een bijna groteske wanverhouding tot de scherpte en apodicticiteit waarmee zijn benadering wordt afgewezen dan wel aangeprezen [Weiß 1978:119; 1981].

Door de vergaande trivialisering van het werk van Weber ontstond een soort ‘vulgair Weberianisme’ [Cohen e.a. 1975), waarbij het ideologisch beroep op het werk van Weber gepaard gaat met een gespierde afwijzing en een sterk instrumentele receptie van het werk van Marx. Hierdoor werd de aard en mate van Weber’s kritiek op Marx en ‘het marxisme’ vaak verkeerd geïnterpreteerd; deze interpretaties gaan vooral mank waar Weber’s kritiek op het ‘vulgair marxisme’ van zijn tijd wordt omgemunt in een kritiek op Marx, of op hét marxisme in het algemeen. Deze dubbele wanverhouding tussen ‘kritiek’ en receptie heeft geleidt tot het spiegelgevecht tussen de vulgarisaties van het werk van Marx en Weber. Daarin is inmiddels gelukkig enige verandering opgetreden.

Binnen de marxistische onderzoekstraditie heeft een herbezinning plaats gevonden op grondslagen van de materialistische klassentheorie waarbij het 'klassereductionisme' en 'economisme' onder vuur werd genomen en nieuwe interpretaties van de kritiek van de politieke economie in het klassetheoretisch onderzoek werden geïntegreerd. Behalve een uitvoerige discussie over alternatieve theoriestrategiëen is er ook meer aandacht besteed aan operationaliseringsproblemen in empirisch en historisch onderzoek. Van eenstemmigheid over grondslagen van de materialistische klassentheorie is ook onder marxistisch georiënteerde sociale wetenschappers allang geen sprake meer. Mede hierdoor is er ook meer ruimte ontstaan voor een zakelijke receptie van en kritiek op de bijdrage van Weber.

Sinds het eind van de jaren zestig is de ontwikkeling van klassenstructuur, bewustzijn en -organisatie ook binnen de academische sociale wetenschappen weer op brede schaal onderwerp van studie en discussie geworden. Een groot deel van de academische gemeenschap hecht geen geloof meer aan ideologieën over de genivelleerde welvaartsmaatschappij waarin klassentegenstellingen werden ‘weggesmolten’, klasseconflicten waren '=‘uitgedoofd’, en de klassentheorie van Marx voor goed kon worden bijgezet in het museum waarin de postkoetsen allang hun laatste rustplaats hadden gevonden. De stelling dat de marxistische uitdaging eenvoudig kan worden afgeschreven als ‘vulgair economistisch determinisme’, ‘pre-occupatie met de sfeer van de produktie’ of ‘klassereductionisme’ concurreert slechts in ongeïnformeerdheid en naïeve partijdigheid met de idee dat men Weber’s argumenten kan afdoen als ‘burgerlijk idealisme‘, ‘fixatie op ruilprocessen‘ en andere diskwalificaties.

Voor onderzoekers op het gebied van sociale ongelijkheid en klassen blijft de intellectuele relatie tussen Marx en Weber onderwerp van debat. Voor de verdere ontwikkeling van theorie en empirisch onderzoek naar sociale ongelijkheid in klassenmaatschappijen is het raadzaam niet aan het werk van Weber voorbij te gaan. De actuele betekenis van zijn bijdrage zal verloren gaan als men zijn theoretische aanzetten tot een ‘weberiaans’ systeem reduceert.

Wie zijn blik wil verruimen moet op de schouders van ‘reuzen’ gaan staan, en niet in hun schaduw. Gelukkig nemen steeds meer sociale wetenschappers tegenwoordig wat afstand van het uiterlijk en dogmatisch tegenover elkaar stellen van Marx(isme) en Weber(ianisme). Hoewel niemand zit te wachten op een reprint van ingeslepen vooroordelen en geritualiseerde kritieken blijft het oude kampdenken een grote aantrekkingskracht behouden (bijv. op Parkin 1979). Wie zich inlaat met de wetenschappelijke analyse van kapitalistische uitbuitings- en klassenverhoudingen ervaart niet alleen dat het moeilijk is voorbij te gaan aan de fundamentele 'politieke belangen' die daarbij op het spel staan; in de behoefte aan een eigen 'systeem' dat duidelijk van andere '-ismen' is afgebakend spelen ook identiteitsbelangen van sociale wetenschappers een (niet geringe) rol.

In de theorievorming over sociale ongelijkheid en klassen hebben normatieve overwegingen en politiek-strategische perspectieven altijd een belangrijke rol gespeeld. Daartegen bestaat geen bezwaar (integendeel!) zolang men voldoende afstand houdt van modieuze overpolitisering van de begripsvorming. Wanneer en voorzover het er om gaat dat sociale wetenschappers een bijdrage leveren aan wetenschappelijke progressie moeten zij geen concessies doen aan politiek decisionisme. Op dit punt mag Weber het laatste woord hebben: “De politicus zal en moét compromissen sluiten. Maar ik ben van beroep: geleerde ... De geleerde mag geen compromissen sluiten en ‘onzin’ niet dekken.”

Plaatje

top


Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam