| Home | Sociologen | Samenleven | Onderwerpen | Zoek | Over dit project | Contact |
|---|
Sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
In het centrum Weber's benadering van sociale ongelijkheid staan de processen
en structuren van toeëigening en uitoefening van beschikkingsmacht over
objecten die bepalend zijn voor de verdeling van levenskansen in de
maatschappij. Uit deze ongelijke verdeling van beschikkingsmachten vloeit de
structurele ongelijkheid van levenssituaties voort. Onderzoeksstrategisch is
het daarom van vitaal belang om de theoretische status van het concept
sociale levenskansen te bepalen. Weber heeft niet geprobeerd om
de objecten die werkelijk kunnen worden toegeëigend systematisch te
differentiëren [zie hoofdstuk I, par. 2.4. en 2.5]. En ook in de
bij Weber aansluitende theoretische traditie is hier tot nu toe volledig aan
voorbijgegaan. Zolang een duidelijke structurering van toe te eigenen bronnen
ontbreekt, is het m.i. niet goed mogelijk een meer systematisch inzicht te
krijgen in de typen structurele ongelijkheid die daarvan het
resultaat zijn.
Ook wat betreft de criteria van uitsluiting is nadere precisering
gewenst. Weber houdt voldoende afstand van al te simpele indelingen van
uitsluitingscriteria, maar hij presenteerde geen expliciete systematisering van
de criteria die hij zelf noemt (het indelingsprincipe dat bij zo'n ordening
gebruikt kan worden heb ik in hft. I, par. 4.2 omlijnd).
Een systematische constructie van sociale sluitingstheorie vereist tenslotte
ook dat nader onderzoek wordt gedaan naar de samenhang tussen de criteria van
uitsluiting, de uitsluitingspraktijken (d.w.z. basistypen of structuurvormen
van sociale ongelijkheid) en de typische legitimatie-ideologieën [zie I,
[par. 4.4].
Er bestaat geen algemene theorie van sociale ongelijkheid. Ik heb aannemelijk
geprobeerd te maken dat we alleen maar beschikken over een paar
deeltheorieën die specifieke vormen van gestructureerde ongelijkheid als
object hebben en over theorieën waarvan de 'algemeenheid' voornamelijk tot
stand komt door reductie van het object. Mijns inziens geldt dit ook voor de
weberianiserende benadering van 'markt'-kansen. Maar het werk van Weber zelf
bevat een aantal aanknopingspunten om deze eenzijdigheden en reducties te
overwinnen.
Weber's thematisering van sociale ongelijkheid is duidelijk afgebakend van le)
benaderingen waarin eenzijdig aandacht wordt besteed aan de
hiërarchisering van 'prestige', maar ook van 2e) benaderingen waarin
voornamelijk of uitsluitend aandacht wordt besteed aan één type
directe bronnen (bijv. aan de verdeling van beschikkingsmachten over
materiële produktiemiddelen, of aan organisationele posities) en van 3e)
benaderingen waarin de reproduktie/transformatie van feitelijke
beschikkingsmachten alleen wordt vastgemaakt aan uiterlijk geweld en innerlijke
overtuiging (legitimiteit).
Een systematisch-kritische reconstructie van zijn werk kan ertoe bijdragen een
aantal barrières te overwinnen die de ontwikkeling van een theorie van
sociale ongelijkheid in de weg staan. Zij kan met name dienen als tegengif
tegen de uitholling van het sociale ongelijkheids- en klassebegrip in de
functionalistische traditie. Het werk van Weber moet worden bevrijd uit de
gijzeling waarin het sinds Parsons' theoretische assimilatie gevangen zit. Zijn
invloedrijke interpretatie van Weber's sociologie en de nadruk die hij legde op
de categorie van het normatieve zijn van grote invloed geweest op de
hoofdstromen van het stratificatieonderzoek. Een kritiek op de 'creatieve
misinterpretaties' van het werk van Weber die in aansluiting bij Parsons heeft
postgevat is een noodzakelijke voorwaarde voor een systematisch-kritische
reconstructie van zijn bijdrage.
Ondanks alle punten van overeenstemming met de theoretische benadering van Marx
hanteren beide auteurs niet dezelfde vooronderstellingen bij hun analyse van de
kapitalistische klassenverhoudingen. De verschillen tussen beide
klasseconcepten zijn te groot om over te gaan tot een verantwoorde synthese.
Een snelle synthese tussen beide onderzoekstradities is niet alleen onmogelijk,
maar ook ongewenst wanneer dit verdringing van reële verschillen
impliceert. De pogingen om Weber's bijdrage te presenteren als 'voltooiing' of
'verfijning' van de klassentheorie van Marx zijn niet erg geslaagd.
De reconstructie van Weber's klassenanalytische bijdrage kan ertoe bijdragen de
theoretische status en sociaal-historische reikwijdte van het klassebegrip te
preciseren. Daarom is het enerzijds verstandig afstand te houden van
benaderingen waarin het klassebegrip zodanig wordt verbreed dat het alle vormen
van gestructureerde sociale ongelijkheid omvat. Want "voor de sociologische
analyse levert de vermenging van meerdere precieze begrippen tot een onbepaald
begrip nooit iets bruikbaars op" [GASS 461]. De analytische kracht van het
klassebegrip kan worden vergroot door het verder te desaggregeren. Anderzijds
is het verstandig afstand te houden van benaderingen waarin het
klassenverschijnsel uitsluitend wordt verbonden aan produktie- dan wel
marktverhoudingen. Een systematisch-kritische reconstructie van Weber's aanzet
kan bijdragen aan de overwinning van het abstracte en onvruchtbare polariteit
van produktie versus distributie.
Door de vergaande trivialisering van het werk van Weber is een soort 'vulgair
Weberianisme' [Cohen e.a. 1975) ontstaan, waarbij het ideologisch beroep op het
werk van Weber gepaard gaat met een 'gespierde' afwijzing en een sterk
instrumentele receptie van het werk van Marx. Hierdoor werd de aard en mate van
Weber's kritiek op Marx en 'het marxisme' vaak verkeerd geïnterpreteerd;
deze interpretaties gaan vooral mank waar Weber's kritiek op het 'vulgair
marxisme' van zijn tijd wordt omgemunt in een kritiek op Marx, of op hét
marxisme in het algemeen. Deze dubbele wanverhouding tussen 'kritiek' en
receptie heeft geleidt tot het spiegelgevecht tussen de vulgarisaties van het
werk van Marx en Weber Daarin is de laatste jaren gelukkig enige verandering
opgetreden.
Binnen de marxistische onderzoekstraditie heeft een herbezinning plaats
gevonden op grondslagen van de materialistische klassentheorie waarbij het
'klassereductionisme' en 'economisme' onder vuur werd genomen en nieuwe
interpretaties van de kritiek van de politieke economie in het
klassetheoretisch onderzoek werden geïntegreerd. Behalve een uitvoerige
discussie over alternatieve theoriestrategiëen is er ook meer aandacht
besteed aan operationaliseringsproblemen in empirisch en historisch onderzoek.
Van eenstemmigheid over grondslagen van de materialistische klassentheorie is
ook onder marxistisch georiënteerde sociale wetenschappers allang geen
sprake meer. Mede hierdoor is er ook meer ruimte ontstaan voor een zakelijke
receptie van en kritiek op de bijdrage van Weber.
Sinds het eind van de jaren zestig is de ontwikkeling van klassenstructuur,
bewustzijn en -organisatie ook binnen de academische sociale wetenschappen weer
op brede schaal onderwerp van studie en discussie geworden. Een groot deel van
de academische gemeenschap hecht geen geloof meer aan ideologieën over de
genivelleerde welvaartsmaatschappij waarin klassentegenstellingen werden
'weggesmolten', klasseconflicten waren 'uitgedoofd', en de klassentheorie van
Marx voor goed kon worden bijgezet in het museum waarin de postkoetsen allang
hun laatste rustplaats hadden gevonden. De stelling dat de marxistische
uitdaging eenvoudig kan worden afgeschreven als 'vulgair economistisch
determinisme', 'pre-occupatie met de sfeer van de produktie' of
'klassereductionisme' concurreert slechts in ongeïnformeerdheid en
naïeve partijdigheid met de idee dat men Weber's argumenten kan afdoen als
'burgerlijk idealisme', 'fixatie op ruilprocessen' e.d.
Voor onderzoekers op het gebied van sociale ongelijkheid en klassen blijft de
intellectuele relatie tussen Marx en Weber onderwerp van debat. Voor de verdere
ontwikkeling van theorie en empirisch onderzoek naar sociale ongelijkheid in
klassenmaatschappijen is het raadzaam niet aan het werk van Weber voorbij te
gaan. De actuele betekenis van zijn bijdrage zal verloren gaan als men zijn
theoretische aanzetten tot een 'weberiaans' systeem reduceert.
Wie zijn blik wil verruimen moet op de schouders van 'reuzen' gaan staan, en
niet in hun schaduw. Gelukkig nemen steeds meer sociale wetenschappers
tegenwoordig wat afstand van het uiterlijk en dogmatisch tegenover elkaar
stellen van Marx(isme) en Weber(ianisme). Hoewel niemand zit te wachten op een
reprint van ingeslepen vooroordelen en geritualiseerde kritieken blijft het
oude kampdenken een grote aantrekkingskracht behouden (bijv. op Parkin 1979).
Wie zich inlaat met de wetenschappelijke analyse van kapitalistische
uitbuitings- en klassenverhoudingen ervaart niet alleen dat het moeilijk is
voorbij te gaan aan de fundamentele 'politieke belangen' die daarbij op het
spel staan; in de behoefte aan een eigen 'systeem' dat duidelijk van andere
'-ismen' is afgebakend spelen ook identiteitsbelangen van sociale
wetenschappers een (niet geringe) rol. In de theorievorming over sociale
ongelijkheid en klassen hebben normatieve overwegingen en politiek-strategische
perspectieven altijd een belangrijke rol gespeeld. Daartegen bestaat geen
bezwaar (integendeel !) zolang men voldoende afstand houdt van modieuze
overpolitisering van de begripsvorming. Wanneer en voorzover het er om gaat dat
sociale wetenschappers een bijdrage leveren aan wetenschappelijke progressie
moeten zij geen concessies doen aan politiek decisionisme. Op dit punt mag
Weber het laatste woord hebben: "De politicus zal en moét compromissen
sluiten. Maar ik ben van beroep: geleerde ... De geleerde mag geen compromissen
sluiten en 'onzin' niet dekken."
Naar Inhoudsopgave
Een reconstructie van Weber's begrip van sociale ongelijkheid en klassen is
niet alleen van theorie-historisch en filologisch belang, maar biedt
tegelijkertijd aanknopingspunten (i) om een vruchtbare theorie van sociale
ongelijkheid te formuleren, (ii) om in de klassenanalyse het abstracte
schematisme te overwinnen waardoor produktie- en distributie-aspecten worden
verzelfstandigd, en (iii) om een rationele grondslag te scheppen voor het
wetenschappelijk debat tussen onderzoekers uit de 'marxistische' en
'weberiaanse' theorietraditie.
1 Een vruchtbaar uitgangspunt
Wie geïnteresseerd is in de ontwikkeling van een algemene theorie van
gestructureerde sociale ongelijkheid doet er goed aan kennis te nemen van
Weber's uitwerking van het sociale sluitingsthema. Weber presenteert geen
algemene theorie van sociale ongelijkheid en hij pretendeert dit ook niet. Zijn
analyses van processen van sociale sluiting bieden hiervoor echter wel een
coherent en vruchtbaar uitgangspunt. De systematiek van zijn aanzet is echter
zeker niet evident en moet dus worden gereconstrueerd. In de demonterende
samenvatting die ik hier van Weber's 'model' van sociale sluiting heb gegeven
zijn een aantal punten naar voren gekomen die meer gepreciseerd en nader
uitgewerkt zouden moeten worden.
2
Geen samenhangend 'alternatief' voor de theorie van Marx
Weber's fragmentarische en voornamelijk typologische uiteenzetting over de
klassen is geen alternatief voor de theorie van Marx en zeker geen
'comprehensive alternative' [Bottomore 1965). Gezien de - terecht - bescheiden
pretenties die Weber zelf met zijn behandeling van het klassenvraagstuk heeft
kan alleen maar met de grootste voorzichtigheid worden gesproken van een
'klassentheorie van Weber'. Bovendien zijn er in zijn bijdrage een aantal
ambivalenties en inconsistenties die zich niet gemakkelijk laten wegpoetsen.
3
Waarom men geen 'marxist' of 'weberiaan' moet zijn
De theorievorming over klassenverhoudingen in het kapitalisme is altijd een
sterk overgepolitiseerd wetenschappelijk terrein geweest. Tussen de
concurrerende stromingen bestonden scherpe scheidslijnen waarbij de 'kampen'
elkaar over en weer fel bestreden. De wederzijdse aanval en zelfverdediging van
'marxisten' en 'weberianen' staat hiervoor model. De geschiedenis van de
sociologie is niet arm aan nutteloze controversen en spiegelgevechten. De
verstandhouding tussen marxistisch georiënteerde theoretici en het werk
van Weber is wetenschappelijk gezien een onvruchtbaar en nogal deprimerend
hoofdstuk in die geschiedenis (op enkele, maar weinig invloedrijke
uitzonderingen na, zoals Alexander Nuesychin). De omvang en intensiteit van de
Weber-receptie staat in een bijna groteske wanverhouding tot de scherpte en
apodicticiteit waarmee zijn benadering wordt afgewezen dan wel aangeprezen
[vgl. Weiß 1978:119; 1981].
Home
Sociologen
Samenleven
Onderwerpen
Zoek
Over dit project
Contact