| Home | Sociologen | Samenleven | Onderwerpen | Zoek | Over dit project | Contact |
|---|
Sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
a) Voor veel sociale wetenschappers is Weber een meer 'respectabele' intellectuele autoriteit dan Marx [Hyman 1933:19]. Een groot deel van de academische intelligentia heeft meer politiek-ideologische affiniteit met de 'burgerlijk liberaal' Weber dan met de 'proletarisch communist' Marx.[3] De klassenanalytische beschouwingen van Marx waren nauw verbonden met klasse-politieke oriëntaties en handelingsstrategieën van de socialistisch-communistische arbeidersbeweging. De ideologische weerstanden tegen deze politieke traditie onder sociale wetenschappers vormde een barrière tegen een zakelijke receptie van de theoretische bijdrage van Marx. De gedecideerd liberale optie van Weber correspondeert veel meer met de politieke en wereldbeschouwelijke standpunten van de academische intelligentia. Men zou verwachten dat de politiek-ideologische barrières voor een wetenschappelijke receptie van zijn werk daarom aanzienlijk lager zijn dan bij Marx.
b) Ook het karakter van de concepten die beide auteurs hanteerden speelt een rol. De concepten van Weber lijken dichter bij de moderne empirische onderzoekstechnieken te staan dan die van Marx; ze wekken op z'n minst die indruk.[4] De operationalisering van 'marxistische' klassecategorieën voor gebruik in kwantitatief empirisch onderzoek is onderontwikkeld - sommigen meenden dat dit onmogelijk of zelfs overbodig zou zijn. De abstracte klassenanalytische categorieën van Marx lijken moeilijker te verbinden met concrete onderzoeksagenda's dan de ideaal-typische constructies van Weber.[5] Het 'pluralistische' begripsrepertoire van Weber leek meer geschikt voor operationalisatie in afzonderlijke variabelen die het sociaal-statistisch onderzoek kunnen structureren. In empirische analyses speelt de ontcijfering van statistisch materiaal vanuit klassenanalytische gezichtspunten een belangrijke rol. Een klassentheorie die het mogelijk maakt om de sociale samenstelling van een bevolking te classificeren volgens meer of minder kunstmatig gecombineerde sociaal-statistische kenmerken, zal sterker in de gunst staan van empiristisch georiënteerde onderzoekers. De klassentheorie van Marx staat verder af van zo'n elementaristische en statistische benadering.[6]
c) Tenslotte speelt ook het verschil in publicatiewijze een rol. De manier waarop Weber en Marx hun opvattingen over het klassenvraagstuk presenteerden verschilt duidelijk in kwantitatief opzicht. Weber leek daarentegen zijn opvattingen over sociale ongelijkheid en klassen te hebben neergelegd in één enkel essay en in een kasuïstisch-typologisch overzicht van een aantal klassecategorieën. De begrippen klasse en klassenstrijd spelen bij Weber niet zo'n belangrijke rol als bij Marx. Bij Marx en Engels stond het klassenvraagstuk centraal, en het is slechts weinig overdreven te stellen dat men al hun teksten moet lezen om hun opvattingen te leren kennen.
Weber's politieke sociologie was echter niet primair een burgerlijke reactie op het marxisme.[9] Ook veel auteurs die Weber als een alternatief voor Marx zagen erkennen een nauwe verwantschap. Soms interpreteren zij Weber's bijdragen over het klassenvraagstuk als 'uitbreidingen' of 'verfijningen' van de visies van Marx. "Weber's approach thus resulted in a refinement of Marx's model" [Parkin 1971:18]. Een groot deel van werk van Weber zou kunnen worden opgevat als "an skilful application of Marx' historical method" en een deel zou gezien moeten worden als een "aanvulling" op het historisch materialisme van Marx met een "politiek en militair materialisme" [Gerth/Mills 1958:46; vgl. Zeitlin 1973].
Wat zijn nu de werkelijke verschillen en overeenkomsten tussen de klassenanalytische benaderingen van Marx en Weber? Op welke punten bestaan er verschillen, hoe groot zijn die verschillen en in welke mate sluiten beide benaderingen elkaar uit? Of zijn de overeenkomsten groot genoeg om tot een snelle synthese te besluiten? Om zicht te krijgen op de complexe relatie tussen het werk van Marx en Weber moet enerzijds een onderscheid worden gemaakt tussen Weber's beoordeling van Marx en zijn beoordeling van 'het marxisme' uit zijn tijd. Anderzijds moeten we er rekening mee houden dat er een - soms groot - verschil bestaat tussen Weber's eigen kritiek op Marx(isme) en de bezwaren die door zijn theoretische erfgenamen en epigonen naar voren is gebracht.[10]
l) Weber keert zich tegen de dogmatiek van het historisch materialisme als verabsoluteerde wereldbeschouwing. Net als Marx en Engels keer hij zich zeer gedecideerd tegen terugval in elke ontologiserende en (economisch) reductionistische geschiedenisfilosofie en kritiseert hij het primitivisme van de stelling dat ideologie geheel gedetermineerd is door onderliggende economische oorzaken.
2) Weber keert zich tegen klassereductionisme, d.w.z. tegen de opvatting volgens welke alle sociale tegenstellingen tot klassentegenstellingen, alle sociale ongelijkheid tot klasseongelijkheid en alle sociale strijd tot klassenstrijd kunnen worden teruggevoerd (resp. hieruit kunnen worden afgeleid). Weber gaat ervan uit dat de ongelijke verdeling van levenskansen in de maatschappij meervoudig is bepaald en dat het klasseconflict slechts één van de verschillende vormen is van de oneindige strijd om heerschappij.
3) Hoewel hij net als Marx en Engels het bezit en niet-bezit van de materiële produktievoorwaarden zag als basiscategorieën van alle klassenverhoudingen keert Weber zich tegen de enkelvoudige, dichotome voorstelling van de klassenstructuur.
4) Weber keert zich tegen de opvatting dat gemeenschappelijke klasseposities niet alleen noodzakelijke maar tegelijk voldoende voorwaarden zouden zijn voor het ontstaan van (revolutionair) klassebewustzijn en gemeenschappelijke en georganiseerde klasse-actie.
Het meest uitvoerig ging Weber in op het historisch materialisme in zijn opstel over De 'objectiviteit' van sociaal-wetenschappelijke en sociaal-politieke kennis uit 1904 [Keuze 1975:13-31]. Historisch materialisme is voor Weber een specifieke vorm van ideaaltypische constructie van het historisch proces:
De onuitroeibare hang naar een monistisch systeem is volgens Weber kenmerkend voor het onkritische denken. Bijna alle wetenschappen - van de filosofie tot aan de biologie - hebben zich wel eens opgeworpen als discipline die niet alleen specialistische kennis, maar ook 'wereldbeschouwingen' konden leveren. Dat is ook het geval geweest met de materialistische geschiedenisopvatting. Wetenschappelijk gezien is opvatting van het historisch materialisme, volgens welke "het 'economische' op de een of andere manier hoe dan ook het 'laatste' is in de oorzakenreeks", volledig uitgeput [GASS:456].
Voor zover 'marxisme' zich aandiende in de pseudo-wetenschappelijke gedaante van een 'wereldbeschouwing' dat zijn aanhangers niet alleen een geprivilegieerde toegang tot 'de waarheid' boodt, maar ook nog met wetenschappelijke zekerheid de uiteindelijke overwinning leek te garanderen, wees Weber dit zeer beslist van de hand [Fischoff 1968:354 e.v.; Mommsen 1974:151]. Weber accepteert het historisch materialisme als heuristisch principe
Theorievorming kon ideaaltypisch plaats vinden. De methode van het 'atomistisch isoleren' impliceert, dat elk complex verschijnsel in zijn componenten wordt uiteengerafeld. Elk van die componenten kan achtereenvolgens als onafhankelijke variabele in de analyse worden ingevoerd. Daarbij wordt steeds de werking nagegaan van deze variabele op de andere - afhankelijke - variabelen. Langs deze weg zou het uiteindelijk mogelijk zijn om de onderscheiden werkingsgraad, het 'soortelijk gewicht' te bepalen van elk van de componenten op het actuele historische verloop.
Tegen dit zgn. 'pluralistisch agnosticisme' (Fischoff) zijn drie bezwaren ingebracht. Ten eerste zou het een oneindige taak, en daarom een niet uitvoerbaar program zijn. Ten tweede zou deze richtlijn het onmogelijk maken om de onderlinge relaties tussen de factoren te bepalen (d.w.z. de beïnvloedingsgraad van de afzonderlijke factoren), noch van hun variatie in tijd. Tenslotte zouden Weber's voorstellen te veel ruimte laten voor persoonlijke, voorwetenschappelijke voorkeuren bij de keuze en de karakterisering van de beslissende historische feiten afzonderlijk [vgl. Fischoff 1968]. De aan Weber toegeschreven 'pluralistische interdependentie'-opvatting is echter een methodisch werkprincipe en ,geen 'theoretisch' dogma. Zijn uitgangspunt is, dat sociale verschijnselen en cultuurprocessen geanalyseerd dienen te (resp. kunnen) worden vanuit "het specifieke gezichtspunt van hun economische bepaaldheid en draagwijdte".[18] Weber was geen theoretische grondlegger van de zgn. 'sociologische factorentheorie', d.w.z. een eenvoudige of gecompliceerde wisselwerkingsopvatting waarin de verschillende aspecten of structurele ordeningsniveaus van het maatschappelijke leven principieel als autonoom en gelijkwaardig worden opgevat.
|
Plechanow, Labriola e.a. thematiseerden de sociologische factorentheorie als een - meer of minder gesystematiseerde - ideologische opvatting van de 'oppervlakte van de burgerlijke maatschappij'. De maatschappelijke samenhang manifesteert zich aan oppervlakte als een 'verdinglijkte' uiterlijke correlatie van de verschijningsvormen van de maatschappelijke verhoudingen [A. Labriola, Del materialismo storico, Hft. VI en VIII]. Kenmerkend voor burgerlijke ideologie is volgens deze auteurs dat zij begripsloos de oppervlaktestructuur van de burgerlijke maatschappij reproduceert. Burgerlijke ideologie (als noodzakelijk, verdraaide maatschappelijke bewustzijnsvorm) categoriseert en systematiseert de gemystificeerde oppervlaktevormen; zij is daarom niet in staat om de relaties met de 'innerlijke samenhang' resp. de 'kernstructuren' van de kapitalistische produktie- en klassenverhoudingen transparant te maken [Vonderach 1974:7]. Kernpunt van kritiek op pluralistische interdependentie of sociologische factorentheorieën is: a) dat zij de bepalende rol van de materiële maatschappelijke produktie- en reproduktieverhoudingen negeren en b) dat zij voorbijgaan aan de immanente samenhang tussen de verschillende momenten van het maatschappelijke leven in het algemeen. Het theorieprogram van het historisch materialisme [vgl. Eder 1973; Habermas 1976] lijkt zich te onderscheiden van een pluralistische interdependentietheorie door de volgende twee postulaten: (a) Een algemene theorie van de immanente samenhang van de maatschappelijke sferen. De veelvoud van relaties tussen de verschillende momenten van het maatschappelijk geheel moeten eerst worden ondervraagd op hun systematische plaats ('plaatswaarde', 'soortelijke gewicht') voordat zij als bepalende gronden van bijv. klassenstructurering kunnen worden opgenomen in een beschouwing van empirische klassenverhoudingen. (b) Een algemene theorie van de determinatie 'in laatste instantie' van dit geheel - niet door 'economische factoren', maar door de specifieke structuurkenmerken van de economische produktie- en reproduktie verhoudingen. Elementen zoals 'economische situatie', 'maatschappelijke positie', plaats in 'prestatiehiërarchieën' of verdelingen van politieke macht' hebben slechts een relatieve zelfstandigheid binnen en op grond van een specifieke produktiewijze, binnen het kader, en op basis waarvan ze functioneren en elkaar wederzijds doordringen en beïnvloeden. |
Laten we een voorlopige conclusie trekken. Weber nam het historisch materialisme als frase onder vuur en was zelf uiterst voorzichtig met het hanteren van 'leidraden' voor historisch onderzoek. Enerzijds kunnen de kritieken van Weber niet zomaar worden uitgespeeld tegen de postulaten van het historisch materialisme. Daarvoor had hij niet alleen te veel bewondering voor de historisch materialistische leidraad van Marx en Engels - hij paste de basispremissen van de materialistische geschiedenisopvatting zelf vaak vruchtbaar toe. Anderzijds moet men Weber geen 'pluralistische interdependentietheorie' in de schoenen schuiven. Zijn 'atomistische wijze van isoleren' en ideaaltypische begripsvorming was methodisch werkprincipe, geen substantiële theorie over algemeen maatschappelijke samenhangen [vgl. Kocka 1973].
|
"De multi-dimensionele benadering van stratificatie in zijn huidige vorm heeft
zijn oorsprong in het werk van de duitse socioloog Max Weber, die in een kort
essay dat postuum werd gepubliceerd in het begin van de jaren 20, met name twee
belangrijke overwegingen aanduidde: a) dat er verscheidene dimensies van
stratificatie zijn die analytisch uit elkaar moeten worden gehouden, en b) dat
de posities die iemand in deze separate dimensies inneemt niet noodzakelijk
identiek zijn en vaak disparaat" [Milton M. Gordon 1950/1963:13]. "Van Aristoteles via Marx tot Warner hebben de meeste sociaalfilosofen en sociale wetenschappers de vertikale structuur van menselijke groepen beschreven als een enkele hiërarchie, waarin elk lid een enkele positie inneemt. Onder de verschillende exponenten van dit traditionele schema bestond er weliswaar niet altijd overeenstemming over de specifieke kenmerken, ...maar toch deelden zij allen het concept van een eendimensionale structuur. Sinds de dagen van Max Weber is deze traditionele werkwijze door een toenemend aantal sociologen gekritiseerd, met het argument, dat de eendimensionale beschouwingswijze inadekwaat is voor de beschrijving van complexe groepsstructuren, dat de structuur van menselijke groepen normaler wijze de coëxistentie van een aantal parallel lopende vertikale hiërarchieën impliceert, die gewoonlijk slechts onvolkomen met elkaar correleren" [Gerhard Lenski 1954:405; vgl. 1966:413]. "Aan Weber moet worden toegeschreven dat hij een multidimensionale benadering voor stratificatie heeft geïntroduceerd, waarin hij een grotere nadruk dan Marx legt op niet-economische overwegingen. Weber vestigde de aandacht op drie dimensies, of hiërarchieën van stratificatie: klasse, status en macht, die hij verbond met de economische, de sociale en de juridisch-politieke aspecten van. de maatschappelijke structuur. Verder merkte Weber op dat elk van deze hiërarchieën collectieve referenties heeft, die hij klassen, statusgroepen en partijen noemde" [N. Abrahamson e.a. 1976:487]. |
Nu behoren twisten over auteursrechten op theorieën zoals bekend niet tot de meest verheven hoofdstukken uit de geschiedenis van de sociale wetenschappen. Ze behoren zeker niet tot de meest creatieve episodes, omdat ze voornamelijk ijdelheids- en geen wetenschappelijke belangen dienen. Het aan Weber toegeschreven ven auteurschap van de driedimensionale stratificatietheorie berust echter op een "apparant misreading of Max Weber" [Goldthorpe/Bevan 1977:280]. Het was niet Weber maar de auteurs die zich op Weber beriepen die 'macht' als een onderscheiden element of dimensie van sociale stratificatie hebben geïsoleerd. Ook al zijn Weber's formuleringen op dit punt niet altijd even helder [vgl. hoofdstuk III. par. 6), 'macht' werd door hem niet opgevat als een afzonderlijke dimensie van sociale stratificatie. 'Klasse', 'stand' en 'partij' zijn verschijnselen van machtsverdeling binnen de gemeenschap; het zijn drie typische, relatief onafhankelijke sociale arrangementen die als potentiële handelingscollectieven kunnen fungeren.[21]
Bedenkingen bij Weber's intellectuele vaderschap van de driedimensionale stratificatietheorie werden al in 1950 door Oliver C. Cox naar voren gebracht. Hij wees erop dat steeds wordt bezweerd dat Weber's zogenaamde bijdrage aan het multidimensionale stratificatieonderzoek van wezenlijke betekenis is, maar dat ze nooit wordt geciteerd. Als de Amerikaanse stratificatie-onderzoekers de 'bijdrage' van Weber gelezen zouden hebben, dan zouden zij volgens Cox deze beweringen moeilijk hebben kunnen volhouden [Cox 1950:223]. Aan deze bedenkingen werd lange tijd geen aandacht besteed.[22]
| economie | politiek | cultuur |
| rijkdom | macht | kennis |
| arbeid | heerschappij | taal |
| klasse | macht | status |
Het evalueren of verklaren van sociale ongelijkheden lijkt alleen mogelijk wanneer zij worden onderscheiden door te refereren aan een van deze separate dimensies [Runciman 1966:36]. Meestal wordt er daarbij van uitgegaan dat deze dimensies of kenmerken logisch van elkaar onafhankelijk zijn en wederzijds equivalent zijn [vgl. Hradil 1983:104].
In de vakliteratuur wordt vaak aan deze dimensies gerefereerd, maar dit staat in omgekeerd evenredige verhouding met de uitwerking van een overtuigende theoretische fundering hiervan [Kreckel 1976:341]. Opvallend weinig onderzoekers hebben zich ingespannen om een samenhangend theoretisch referentiekader te definiëren waarbinnen verschillende soorten sociale ongelijkheid geclassificeerd kunnen worden.[24]
Deze kritieken op de klassentheorie van Marx zijn deels louter uitingen van ideologische preoccupaties van hun auteurs en kunnen daarom moeilijk tekstkritisch worden getoetst. Ten dele zijn zij eenvoudig ongeïnformeerd en zouden zij gemakkelijk zijn te weerleggen door specifieke verwijzingen naar teksten van Marx. Deels raken zij echte problemen in de structuur van de theorie van Marx of van de marxistische onderzoekstraditie. Dit laatste type bezwaren is natuurlijk inhoudelijk gezien het meest interessant. In de afgrenzingen tegenover de marxistische benadering worden meestal twee verschillende bezwaren met elkaar vermengd: (a) bezwaren tegen een eendimensionale analyse van het gehele complex van sociale ongelijkheden ('klassereductionisme') en (b) bezwaren tegen het eendimensionale karakter van het klassebegrip zelf ('economisme'). Ik zal beide problemen hier afzonderlijk bespreken.
Sociale ongelijkheid is niet identiek met klasse-ongelijkheid en laat zich hiertoe ook niet reduceren; maatschappelijke tegenstellingen zijn niet identiek met klassentegenstellingen en laten zich hiervan ook niet totaal afleiden. En sociale/maatschappelijke strijd is ook een breder begrip dan klassenstrijd. Dit inzicht kan men echter moeilijk tégen Marx of de marxistische klassentheorie inbrengen. Dat niet alle vormen van sociale ongelijkheid tot klasseongelijkheid gereduceerd kunnen worden, was ook Marx bekend en hij verdedigde niet de positie dat alle sociale conflicten verklaard kunnen worden in termen van klassenantagonismen.[30]
Marx ging er van uit dat in empirisch-historische maatschappijen de klassenverhoudingen altijd gecombineerd zijn met en doorkruist worden door tal van andere maatschappelijke tegenstellingen en ongelijkheidsstructuren. Raciale, etnische, seksuele, nationale, religieuze e.a. splitsingslijnen overwoekeren en doorkruisen ook in burgerlijke maatschappijformatie de 'zuivere' tegenstellingen tussen de sociale klassen zoals die door de kapitalistische produktiewijze worden gegenereerd. De 'naakte' klassenstructuren komen daarom nooit zuiver aan de oppervlakte [Marx, MEW 25:799 en 892]. Een klassereductionistische miskenning van dit feit, treft men hooguit aan in extreem gevulgariseerde, mechanische 'marxismen'.[31]
De vraag is niet of het geheel van de maatschappelijke structuren en tegenstellingen herleid kan worden tot klassentegenstellingen resp. of het geheel van de sociale structuren 'zonder rest' kan worden afgeleid van klassenverhoudingen. Het probleem is in hoeverre de ongelijkheidsverhoudingen primair of dominant worden gestructureerd door klassentegenstellingen. Marx en Engels hebben nooit de these verdedigd dat alle structuren van sociale ongelijkheid en alle maatschappelijke conflicten die hieruit voortvloeien kunnen worden herleid tot (resp. afgeleid van) klassentegenstellingen.[32] Hun stelling was dat in antagonistische (d.w.z. op uitbuiting gebaseerde) maatschappelijke formaties de klassenverhoudingen het dominante structureringsprincipe (basispatroon) vormen van maatschappelijke tegenstellingen, maar dat de klassenongelijkheid die hieruit voortvloeit veelvoudig is bemiddeld door andere maatschappelijke tegenstellingen. Sociale structuuranalyse van het kapitalisme en andere klassenformaties moet daarom fundamenteel worden opgevat als klassenanalyse.
Dit betekent niet dat klassenanalyse identiek is met sociale structuuranalyse in het algemeen. Het betekent slechts (en voor sommigen is dat al te veel) dat de klassenmatige ongelijkheids- en afhankelijkheidsverhoudingen het archimedisch centrum zijn waardoor andere sociale ongelijkheidsverschijnselen zijn gestructureerd. Indien en voorzover maatschappijen zijn gemodelleerd volgens antagonistische klassenverhoudingen, moet analyse van de sociale structuur beginnen als klassenanalyse. Men hoeft er geen (primitieve of elegante) klassereductionistische opvattingen op na te houden wil men dit als zinvol uitgangspunt hanteren van een sociaal-wetenschappelijke onderzoeksstrategie.
De klassensplitsing is een specifieke structuurvorm van sociale ongelijkheid. Het is begripsmatig verwarrend om het klasse-begrip zo breed of integraal ('katholiek') op te vatten dat het alle gestructureerde sociale ongelijkheid omvat. De vermenging van meerdere precieze begrippen tot een onbepaald begrip heeft voor wetenschappelijke analyse zoals bekend nog nooit iets opgeleverd.
Poulantzas [1974], Bourdieu [1979], Parkin [1079] e.a. hanteren een een synthetische klassedefinitie, waarin tegelijkertijd 'economische', 'politieke' en 'ideologische' criteria zijn vervat. Het voordeel hiervan zou zijn, dat a) het gevaar van 'economisme' wordt vermeden, b) dat raciale, etnische, seksuele, religieuze e.a. maatschappelijke splitsingslijnen direkt in de klassenanalyse kunnen worden geïncorpereerd, en dat c) het hierdoor mogelijk wordt de theoretische kloof te overbruggen tussen 'structureel' gedefinieerde klassen en de feitelijke sociale en politieke krachten die actief zijn in een historische situatie. Door de introductie van 'politieke' en 'ideologische' criteria in de klassedefinitie wordt het klassebegrip echter zover opgeblazen dat het de primaire rol van de eigendomsverhoudingen in de determinatie van de klassenverhoudingen ondermijnt [Cottrell 1984].
De voorstanders van zo'n breed ('katholiek') klassebegrip en 'integrale' klassenanalyse gaan meestal impliciet uit van de vooronderstelling, dat klassenanalyse gelijk gesteld kan worden met de analyse van sociale ongelijkheid in het algemeen. Zij vermengen daarbij de vraag naar de structurering van klasseposities (wat zijn klassen ?) met de vraag van de klassenvorming of recrutering (welke individuen vormen op grond van welke kenmerken/criteria klassen resp. worden op grond van deze kenmerken van bepaalde klasseposities uitgesloten ?). Synthetisch totaliserende definities van maatschappelijke klassen dragen er evenmin toe bij, dat de 'kloof' tussen (structureel gedefinieerde) klasseposities en politieke handelingscollectieven theoretisch wordt overbrugd. Dat is ook überhaupt niet het probleem: het operationele vermogen van een klassentheorie in empirisch onderzoek is immers juist afhankelijk van de desaggregatie van het klassebegrip. Daarom is het van belang de theoretische status van het klassebegrip en de reikwijdte van een klassenanalyse zeer precies af te bakenen.
In feite gaat het daarbij steeds om twee samenhangende vragen:
Met Weber gaat Marx ervan uit dat een klasse wordt geconstitueerd door economische belangen. De centrale propositie van Marx's theorie is, dat de basis van de sociale klassen in een kapitalistische maatschappij primair is gelegen in de maatschappelijke organisatie van de produktie. In de marxistische onderzoekstraditie refereert het klassebegrip uitsluitend aan differentiële posities in de structuur van een historisch specifieke produktiewijze, d.w.z. van een specifieke organisatiewijze van de maatschappelijke arbeid. Klassendelingen zijn verankerd in de maatschappelijke organisatiewijze van het produktieproces. Klassenposities werden door Marx gethematiseerd als structurele posities in maatschappelijke arbeidsprocessen die gedefinieerd zijn door de feitelijke beschikkingsmacht over produktieve bronnen en welke gekenmerkt worden door uitbuitingsverhoudingen; klasseposities worden van elkaar onderscheiden door de differentiële functies van de produktie-actoren in het proces van produktie en toeëigening van het maatschappelijk meerprodukt. In alle antagonistische maatschappijformaties worden de hoofdklassen geconstitueerd in het proces van toeëigening van meerarbeid: de producenten van meerarbeid als uitgebuite klasse, de toeëigenaars van meerarbeid als uitbuitende klasse. In het onderzoek van de kapitalistische klassenstructuren wordt het klasseconstituerende proces van toeëigening van meerarbeid gespecificeerd door analyse van het meerwaardevormingsproces: klassenverhoudingen zijn produktieverhoudingen die geïmpliceerd zijn in het proces van meerwaarde-extractie.
Met grote nadruk stelt Marx dat een wetenschappelijke analyse van de sociale klassenverhoudingen alleen systematisch mogelijk is wanneer men vasthoudt aan dit analytisch vertrekpunt bij de 'vormbepalingen' van de maatschappelijke organisatie van de arbeid [Marx, Grundrisse: 914]. In dat opzicht is zijn klassentheorie 'eendimensionaal' - hoewel te vaak over het hoofd wordt gezien [bijv. door Elias 1971:159 e.v.] dat dit referentiepunt zelf al zeer complex is. Zelfs op dit abstracte analyseniveau in zijn de zaken nog niet zo simpel. In ieder geval niet zo simpel dat een klassenanalyse gereduceerd kan worden tot de vraag: bezit of niet-bezit van de produktiemiddelen. Voor alledaags taalgebruik en communicatie mag het dan misschien wel handig zijn om gebruik te maken van eenvoudige samenvattende definities ('bezit en niet-bezit van de produktiemiddelen', 'relatie tot de produktiemiddelen'), maar dit kan en heeft ook bijgedragen aan grove versimpelingen - ook binnen de marxistische traditie.
De 'eendimensionaliteit' van dit klassebegrip bestaat alleen op het hoogste abstractieniveau waarop deze theorie is geformuleerd, d.i. op het analytische niveau van de kapitalistische produktiewijze. Op dit hoogste abstractieniveau de theorie worden allen uitspraken gedaan over de algemene structuur en dynamiek van de 'zuivere' kapitalistische produktie- en klassenverhoudingen. Er worden stellingen en hypothesen geformuleerd over de wijze waarop de maatschappelijke organisatie van de produktie een structuur van 'lege plaatsen' in klassenverhoudingen bepaald. De economische vormbepalingen van loonarbeid en kapitaal en de daarin geïmpliceerde sociale klassenpersonificaties hebben - op dit analytische niveau - nog geen geslacht, geen leeftijd, geen huidskleuren geen geloof. In deze eerste fase van systematische analyse van de klassenverhoudingen doen daarom raciale, seksuele, nationale, religieuze e.a. splitsingen niet ter zake. Daarbij moet bovendien rekening worden gehouden met het feit, dat in de theorie altijd wordt verondersteld dat de wetten van de kapitalistische produktie zich zuiver ontwikkelen. "In werkelijkheid bestaat altijd slechts toenadering; maar deze toenadering is groter naarmate de kapitalistische produktiewijze is ontwikkeld en deste meer haar verontreiniging en verknoping met resten van vroegere toestanden is geëlimineerd" [MEW 25:184].
Bij Marx en Engels vinden we geen enkelvoudig dichotoom, maar een antagonistisch model van klassenanalyse. Alleen op het hoge abstractieniveau van een 'zuivere' produktiewijze is er sprake van twee (en niet meer dan twee) hoofdklassen. Uitgaande van de basistegenstellingen van de kapitalistische produktiewijze wordt de complexiteit van de klassenverhoudingen in de burgerlijke maatschappij geanalyseerd. Het theoretisch object van de analyse van een kapitalistische maatschappijformatie is complexer omdat daarbij in rekening gehouden moet worden met a) de verschillende ontwikkelingsstadia van een kapitalistische produktiewijze; b) het feit dat er in een dominant kapitalistische maatschappijformatie ook andere produktiewijzen bestaan (niet-kapitalistische warenproduktie en -circulatie; staatsproduktiewijze e.d.) die de grondslag vormen van de coëxistentie van meerdere klassen (kleinburgerij, loonafhankelijke middenklassen enz.); c) de interne differentiaties van de afzonderlijke klassen en de sociale lagen binnen de klassen.
Dit vormt het theoretisch referentiekader voor empirisch-historische analyses van de klassenverhoudingen van specifieke maatschappijen in een bepaalde periode. In empirisch onderzoek komen talloze problemen aan de orde die niet, en zeker niet volledig, theoretisch kunnen worden bepaald op de hogere abstractieniveaus: specifieke institutionele details, specifieke arbeidsmarktsegmentatie binnen arbeidersklasse of kredietrelaties tussen kleinburgerij en banken, maar ook contingente historische factoren (zoals bijv. geografische en klimatologische voorwaarden). Het concreet-conjuncturele onderzoek van de structuren en ontwikkelingstendenties van specifieke nationale en internationale klassenverhoudingen richt zich in het bijzonder op de complexe processen van 'klasseformatie' en 'klassenstrijd': de wijze waarop klasse-individuen zich organiseren in politieke handelingscollectieven, rol van klasseorganisaties (vakbonden, partijen enz.) in specifiek historische conjuncturen van klassenstrijd. Door Marx en Engels werd daarbij niet alleen het empirische feit erkend, dat het 'lidmaatschap' van een bepaalde klasse niet automatisch en vanzelfsprekend leidt tot (revolutionair) klassebewustzijn en gemeenschappelijk georganiseerde klasse-actie; zij probeerden hiervoor ook een meer algemeen theoretische verklaring te geven, door hun analyses van het verschijnsel van 'mystificatie' van maatschappelijke verhoudingen (kapitaalfetisj, loonfetisj enz.) en 'ideologische' bewustzijnsvormen.[34]
Zolang uiterlijke en mechanische confrontaties tussen de opvattingen van Marx en Weber het discussieklimaat bepalen zijn deze overeenkomsten belangrijk genoeg om ze te benadrukken. Deze punten van overeenstemming zijn echter onvoldoende om rechtstreeks over te gaan tot een theoretische convergentie of een verantwoorde synthese van beide benaderingen. Daarvoor zijn de verschillen te groot. Deze verschillen komen met name tot uiting in de wijze van begrips- en theorievorming [par. 5.2], in de betekenis die in het kader van de kapitalisme-analyse wordt gegeven aan het klassenfenomeen [par. 5.3], en in de uitwerking van de economische klassendeterminatie [par. 5.4].
Begrips- en theorievorming is dus geen eenvoudige samenvatting van hetgeen 'empirisch gegeven' is. Wetenschappelijke begripsvorming is een creatieve prestatie: de mentale toeëigening van de werkelijke maatschappelijke verhoudingen impliceert idealisering en modelvorming (waarin de kennisbelangen van de onderzoeker altijd een zekere rol spelen). Weber vat zijn ideaal-typen op als loutere gedachtenconstructies. Een ideaal-type is geen 'afbeelding', 'reflex' of veralgemening van de werkelijke verhoudingen, maar eerder een (historisch geïnformeerde) utopie die gekleurd is door de selectie en individuele waardering van details door afzonderlijke onderzoekers. Ideaal-typen ontstaan door stilering, het zijn ficties die ontworpen worden in overeenstemming met de kennisbelangen van het subject. "Dit mentale beeld brengt specifieke historische relaties en gebeurtenissen samen in een niet-tegenstrijdige cosmos van uitgedachte relaties. Inhoudelijk heeft dit mentale beeld een utopisch karakter, dat verkregen is door het mentaal overdrijven van specifieke elementen van de werkelijkheid" [WL 190].
Marx brengt zijn mentale abstracties directer in verband met 'werkelijke abstracties'. Hij benadrukt bijv. dat een begrip als 'ruilwaarde' pas wetenschappelijk worden geconstrueerd kan worden wanneer de marktsubjecten in het feitelijke sociale handelen verschillende gebruikswaarden praktisch aan elkaar gelijkstellen. Deze abstractie voltrekt zich niet eerst in de hoofden van de wetenschappers, maar moet praktisch bestaan (als 'real Abstraktion') wil ze theoretisch gedacht kunnen worden. Het concept van 'ruilwaarde' is echter geen eenvoudige directe reflex van 'werkelijke' verhoudingen; er is een creatieve prestatie van de onderzoeker nodig om dit begrip te vormen.
Weber neemt geen agnosticistisch standpunt in en ontkent zeker ook niet dat het mogelijk is uitspraken te doen over wetmatigheden in structuren en ontwikkelingen in de maatschappij. In zijn verhandeling over de klassen beperkt hij zich echter in hoofdzaak tot sociologische typologisering en ziet hij in eerste instantie bewust af van het geven van werkelijke theoretische verklaringen.[36] Weber heeft niet de pretentie de grote 'general theory' te schrijven. Zijn uiteenzetting kan misschien nog het beste worden gekarakteriseerd als een voorzichtige veralgemening op grond van typologieën.[37] Marx' kritiek van de politieke economie bevat daarentegen een ambitieus programma voor een systematische klassentheorie. Hoewel hij dit programma zelf niet meer heeft uitgewerkt, formuleerde hij wel de belangrijkste uitgangspunten en basisbegrippen. In 'Het Kapitaal' probeerde Marx deze basisbegrippen systematisch te bepalen ('afleiden').
In dit opzicht volgt Weber grotendeels Marx's analyses van de voorwaarden voor het ontstaan van de kapitalistische produktiewijze: het ontstaan van een nieuwe stedelijke ondernemersklasse en van een klasse van vrije (d.w.z. bezitloze) loonarbeiders die - onteigent van de objectieve produktievoorwaarden - hun arbeidskracht op de markt moesten verkopen om in hun levensonderhoud te voorzien.
Toch is de klassenstructuur voor Weber niet van centrale betekenis in de verklaring van de aard van de kapitalistische maatschappij; en klassenstrijd is niet de 'motor' van historische verandering. De specifieke klassenverhouding tussen loonarbeid en kapitaal is voor hem wel een belangrijke component in de formatie van het kapitalisme, maar zij is toch niet het meest fundamentele kenmerk waardoor de kapitalistische maatschappij zich van de traditionele orde onderscheid.[38] De spil van Weber's tijdsanalyse van de kapitalistische maatschappij is de expansie van de bureaucratisering.
Hoewel hij klassenconflicten beschouwt als een hoogst waarschijnlijk, zo niet onvermijdelijk gegeven, ziet hij als centrale conflictbron de toenemende bureaucratische rationaliteit. De formele rationaliteit van de moderne kapitalistische onderneming met z'n gesystematiseerde kostenrekening en de toepassing van rationaliteit in de organisatie van menselijk gedrag creëerden een gesystematiseerde en hiërarchische arbeidsdeling, welke niet direct afhankelijk is van de kapitalistische klassenstructuur. Enerzijds kan de bureaucratie kwa technische efficiëntie niet worden verbeterd, omdat het voor de doelrealisatie van complexe organisaties het meest efficiënte, formeel-rationele instrument is. Anderzijds dreigt het permanente gevaar dat de bureaucratische machine - en met name de staatsbureaucratie - buiten haar grenzen gaat en zich meester maakt van de politieke beslissingsstructuur (welke tot de competentie van democratisch gekozen leiders behoort).
Bureaucratie is voor Weber geen verschijnsel dat noodzakelijk voortvloeit uit een kapitalistische produktiewijze. Klassenconflicten zouden binnen het kapitalistische systeem tot op grote hoogte wel kunnen worden opgelost, maar niet door de eliminatie van het privé-bezit van de produktiemiddelen.[39] Wanneer de verschillende klassen hun enge streven naar economisch gewin zouden opgeven, zou een liberaal, goed georganiseerd kapitalistisch systeem in het belang van alle klassen kunnen functioneren. Zo'n systeem zou volgens Weber de kans op grote materiële welvaart combineren met vrijheid van het individu [vgl. Beetham 1974: 242] .
Op straffe van een totale ineenstorting van de maatschappij kan bureaucratie niet worden opgegeven. Socialisme is volgens Weber geen antwoord op het bureaucratisch probleem; het zou een gruwelijke en machtige bureaucratische structuur tot gevolg hebben die elke individualiteit vernietigt en waarin de individuele arbeiders nog machtelozer zouden zijn dan in het kapitalisme.[40]
Voor Marx is de aard van de verhoudingen tussen de klassen van centrale betekenis voor de verklaring van verleden en toekomstige ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij. Het fundamentele verschil tussen de burgerlijke maatschappij en de daaraan voorafgaande maatschappelijke formaties is bij hem gelegen in de specifieke aard van de in de produktiewijze verankerde klassenverhoudingen. De klassenverhouding tussen loonarbeid en kapitaal vormt het specifieke en dominerende kenmerk van de burgerlijke maatschappij.
Terwijl Marx het accent legt op het historisch specifieke (en dus veranderbare) uitbuitingskarakter van de verhouding tussen loonarbeid en kapitaal, legt Weber de nadruk op het formeel rationele en geroutiniseerde karakter van de economische activiteit binnen kapitalistische organisaties met een stabiele en gedisciplineerde arbeidsdeling.[41] Het moderne kapitalisme karakteriseert hij bovenal als een 'rationele' organisatie van bronnen gericht op de accumulatie van winst. Maar in zijn analyse wordt dit niet op systematische wijze verbonden met de spanningen die gecreëerd worden door een klassensysteem, dat een integraal moment is van de kapitalistische maatschappij.[42]
Volgens deze formule zouden de theoretische benaderingen van Marx en Weber zich van elkaar onderscheiden door een exclusieve keuze voor een van de twee soorten verhoudingen die het constituerend fundament van de klassenstructuur vormen. Marx en de neo-marxisten zouden als relationele basis van het bestaan van klassen en klassenstrijd uitsluitend de produktie nemen, d.w.z. de relaties tussen actoren in het produktieproces zelf. Weber en de neo-weberianen zouden daarentegen de structuur van de markt en de ruilprocessen tot uitgangspunt nemen, omdat zij er van uitgaan dat klassenverhoudingen verankerd zijn in marktverhoudingen, d.w.z. ruilrelaties tussen kopers en verkopers van specifieke soorten waren. Door de identificatie van klasse- met marktpositie zou de aanzet van Weber onderscheiden kunnen worden van die van Marx.[44]
Tegenover het gemak waarmee dergelijke formules kunnen worden opgeschreven en onthouden staat het nadeel van de simplificatie. De abstracte confrontatie tussen produktie- versus marktbenadering is als zodanig misleidend en onvruchtbaar; bovendien is de simpele toerekening van een produktie-niveau theorie aan Marx mijns inziens even onhoudbaar als de toerekening van een markt-niveau theorie aan Weber.
In de marxistische traditie is de kritiek op het zgn. distributieve klassebegrip van Weber even geritualiseerd als de kritiek op het zgn. produktivisme van Marx's klassebegrip is ingeslepen bij sociale wetenschappers die zich op Weber beroepen. De scherpte van deze wederzijdse kritieken staat in omgekeerd evenredige verhouding tot de intensiteit van de receptie [Weiß 1981]. Een belangrijk deel van de marxistische literatuur over klassen en stratificatie heeft zich zozeer bezig gehouden met 'fundamentele kritiek' op Weber dat geen gedetailleerde begripsverklaringen mogelijk waren. "Weber moest ontmaskerd worden en van hem zou niets produktiefs te leren zijn" [Bader 1983:19]. Weber werd voornamelijk als burgerlijke 'dode hond' behandeld. Dat verklaart ook het gemak waarmee Weber binnen de marxistische stroming werd opgehangen aan een 'preoccupatie met de markt', 'fixatie op ruilprocessen' en 'bevangenheid in de mystificatie van de warenvorm'.[45]
Dat klassen in de meeste ons bekende maatschappijen marktafhankelijk zijn en zich op de markt constitueren zou voor 'marxisten' geen vreemd inzicht mogen zijn. Een van de beslissende kenmerken van de levenssituatie van arbeidersklasse in het kapitalisme was immers al voor Marx, dat de arbeidskracht van de leden van deze klasse als 'waar' fungeert. Een analyse van marktverhoudingen dient echter ook altijd in te gaan op de verschillende hoedanigheden van de op de markt aangeboden waren én op aan de markt voorafgaande asymmetrie van belangen van de bezittende en niet-bezittende klassen [vgl. Haupt 1979:115 e.v.].
De conceptualisering van de asymmetrische creatie en reproduktie van levenskansen heeft iets gemeen met de latere redenatie van Weber [Crompton/Gubbay 1978:10]. In latere teksten over de aard van de kapitalistische produktie- en uitbuitingswijze stelt Marx, dat het nodig is om 'achter de rug' van het ruilproces te kijken..Het gaat er nu om de klassenverhoudingen te situeren in een kapitalistische markteconomie. Het kapitalistisch produktieproces wordt nu gethematiseerd als een door de markt bemiddelt en hierdoor tegelijkertijd verborgen uitbuitingsproces. In zijn kritiek op de politieke economie ontwikkelt Marx de theoretische status van de begrippen 'meerwaarde' en 'arbeidskracht'; dit leidt de radicale breuk met de klassieke politieke economie in. In de loop van de geschiedenis van deze 'grote ontdekking' (Wygodsky) wordt ook de eens zo soevereine markt theoretisch onttroond door het inzicht dat (a) niet de arbeid maar de arbeidskracht op de kapitalistische markt wordt verkocht/verhuurt, en dat (b) de waarde van deze arbeidskracht wel wordt gemedieerd door de wetten van vraag en aanbod maar niet bepaald (de waarde van de arbeidskracht wordt door de markt bemiddeld uitgedrukt in een prijs = arbeidsloon). Van alle andere waren op de kapitalistische markt onderscheid de arbeidskracht zich vooral door haar specifieke eigenschap als waarde-scheppende waar: de arbeidskracht is een bron van waarde, d.w.z. van meer waarde dan in haar is geïncorpereerd. Deze specifieke eigenschap van de waar arbeidskracht is voor Marx de sleutel voor het begrip van de uitbuitingsverhoudingen in de kapitalistische maatschappij.
Het gaat hier niet om gedetailleerde analyse van de ontwikkeling van de kritiek van de politieke economie. Van belang is hier slechts dat de (r)evolutie in het denken van Marx een beslissende wending ondergaat wanneer hij de markt zelf niet 'voor lief neemt' en de begrippen arbeidskracht en meerwaarde nader uitwerkt. Hij ontwikkelt een nieuwe opvatting van de kapitalistische markt als een dubbele ruilverhouding tussen loonarbeid en kapitaal. De 'ruil' tussen loonarbeid en kapitaal impliceert twee formeel en kwalitatief onderscheiden processen die strikt uit elkaar gehouden moeten worden.
a) Het eerste ruilproces is de koop en verkoop van het arbeidsvermogen waarin de arbeider zijn/haar waar arbeidskracht verkoopt (of beter: verhuurt) aan de kapitalistische ondernemer. Arbeidskracht heeft een specifieke gebruikswaarde (nml. haar specifieke kwalificatie), maar zij heeft ook een prijs. Ze heeft een ruilwaarde, en net als bij alle andere waren zal de koper - in dit geval de kapitalist - een bepaalde som geld moeten betalen indien hij over de gebruikswaarde wil beschikken. De bezitters van de waar arbeidskracht ontvangen arbeidsloon en de kapitalist verwerft het gebruiksrecht over de waar arbeidskracht. Dit proces speelt zich geheel af op de (arbeids)markt. Kapitalist en loonarbeider staan hier als warenbezitters tegenover elkaar. In de eenvoudige ruil treden de individuen elkaar tegemoet als bezitters van waren. Er vind een ruil van ekwivalenten plaats ('gelijkheid') op basis van de wederzijdse erkenning van de gelijkwaardigheid van de individuele warenbezitters ('vrijheid').
Omdat het werkelijke toeëigeningsproces niet in de circulatie verschijnt lijkt het door eigen arbeid verworven eigendom de voorwaarde te zijn voor de deelneming aan dit ruilproces en daarmee aan de maatschappelijk geproduceerde rijkdom. De economische vormen van de eenvoudige ruil op de markt vormen de grondslag van alle bij het burgerlijke tijdperk behorende opvattingen en ideologieën van eigendom, vrijheid en gelijkheid:
b) Het tweede proces is de consumptie van het arbeidsvermogen, ofwel het produktieproces zelf. In deze tweede 'ruil' tussen kapitaal en loonarbeid wordt arbeid direct in kapitaal omgezet. Door betaling van het arbeidsloon heeft de kapitalist de beschikking gekregen over de arbeidskracht als produktieve activiteit, als waarde-producerende kracht. De kapitalistische ondernemer verwerft op deze wijze de produktiekracht welke in staat is om niet alleen het geïnvesteerde kapitaal te handhaven, maar het ook uit te breiden. De kapitalist 'consumeert' zijn waar, de arbeidskracht. De geldbezitter consumeert de waar die hij gekocht heeft en eigent zich daarbij een bepaalde hoeveelheid onbetaalde arbeid toe. De arbeid wordt door het kapitaal toegeëigend. De specifieke eigenschap van de waar arbeidskracht is, dat zij een groter kwantum arbeid kan verrichten dan vervat is in haar eigen waarde. De toeëigening van de levende arbeid door het kapitaal berust op de bijzondere maatschappelijke vorm van de arbeid, nml dat het loonarbeid is. De kapitalist verwerft door de koop/huur van arbeidskracht de controle over die bijzondere aard van de arbeidskracht. Door de consumptie van de arbeidskracht (d.w.z. door haar aan het werk te zetten) schept zij een grotere waarde dan haar eigen ruilwaarde.
De meerwaarde die de arbeidskracht schept is de sleutel voor de aard van de uitbuiting in de kapitalistische maatschappij. Nadat van de ruilwaarde van een kant en klare produktmassa de waarde van de grondstoffen, gereedschappen, machines en de ruilwaarde van de arbeidskracht wordt afgetrokken, blijft er meer waarde over dan nodig was voor haar produktie. De meerwaarde die in een warenmassa is geïncorpereerd wordt door de ondernemer op de markt gerealiseerd. Op de markt verschijnt de meerwaarde als winst op het geïnvesteerde kapitaal. Na aftrek van belastingen e.d. vloeit deze winst deels in het consumptiefonds van de kapitalistenklasse, deels wordt zij ingezet om opnieuw in het produktieproces te fungeren.
De bezitter van kapitaal wordt geen kapitalist door de ruil, maar door het proces via welke geobjectiveerde arbeidstijd (= waarde) verkregen kan worden zonder ruil. De kapitalist eigent zich waarde toe waarvoor geen ekwivalent is gegeven. In het kapitalistische produktiestelsel zijn het produktie- en toeëigeningsproces gefuseerd. De meerarbeid wordt via de vrije ruil op de markt toegeëigend en daarom verschijnt de uitbuiting hier niet als een directe toeëigeningsverhouding. De ondernemer kan een 'rechtvaardig' marktloon betalen (nml. een ekwivalent voor de waarde van de arbeidskracht) en toch meerwaarde onttrekken en toeëigenen.
Marx analyseert ook hoe de specifieke kenmerken van deze sociale verhoudingen doorwerken in het bewustzijn van de actoren van de produktie. Alle subjectieve en objectieve momenten van het kapitaal verschijnen als haar bestaansvormen. Alle vormen van maatschappelijke arbeid manifesteren zich als produktiefactoren van het kapitaal. Dat geldt niet alleen voor de feitelijke uitoefening van de arbeid zelf en voor de machinerie, maar ook voor de combinatie van het arbeidscollectief met het systeem van produktiemiddelen, Deze omkering van de verhouding van subject en object is kenmerkend voor de kapitalistische produktiewijze. In de kapitalistische produktiewijze lijken alle stoffelijke momenten van het arbeidsproces door hun functie binnen dat proces vergroeit met haar kapitalistische vorm: de machinerie lijkt op zich al kapitaal te zijn. In het bewustzijn van de productie-actoren weerspiegelt deze omkering zich als de versmelting van de stoffelijke produktieverhoudingen met hun historisch-sociale bepaaldheid: de natuurlijke bepaaldheid van de arbeidsmiddelen wordt geïdentificeerd met de specifieke vorm die zij in de kapitalistische produktie aannemen. Voor de loonafhankelijke producenten manifesteert zich deze vreemdheid en verzelfstandiging van de arbeidsvoorwaarden echter niet alleen in de vreemdheid tegenover de eigen activiteit. In het produktieproces komt immers de tegelijkertijd de onbeperkte honger naar meerarbeid het meest onverhuld naar voren. In het bewustzijn van de loonafhankelijken komt dit tot uiting in de voorstelling dat zij als bron van meerarbeid onderworpen zijn aan de heerschappij van het kapitaal. De sociale verhoudingen waarin de directe producenten van de maatschappelijke rijkdom in het produktieproces zijn onderworpen vormen dus tevens de grondslag voor het inzicht in de 'ware aard' van de kapitalistische organisatiewijze van de arbeid.
Kenmerkend voor Marx's benadering is de nadruk die hij legt op de tegenstrijdige manier waarop de kapitalistische verhoudingen doorwerken in het maatschappelijk bewustzijn. Terwijl in het eerste proces (koop en verkoop van het arbeidsvermogen) met name de voorstellingen van eigendom, vrijheid en gelijkheid zijn verankerd, komt door de vormbepalingen van het tweede proces (toeëigening van de levende arbeid) naast de voorstelling van de identiteit van natuurlijke en sociale bepaaldheid van de arbeidsmiddelen, ook het bewustzijn naar voren van de heerschappij- en onderschikkingsverhoudingen die geïmpliceerd zijn in het karakter van de arbeid als loonarbeid.
Uitbuitings- en klassenverhoudingen ontstaan volgens Marx dus niet op de markt, maar worden daardoor wel gemedieerd. Marktrelaties zijn slechts een kant van de loonarbeid-kapitaalverhouding, zij vormen het 'oppervlakteproces' dat de 'kernstructuren' van de kapitalistische uitbuiting op specifieke wijze tegelijkertijd reflecteert en maskeert.

Marx gaat er dus van uit dat klassenverhoudingen zijn gestructureerd door produktie- en uitbuitingsverhoudingen en worden gemedieerd door de ruil- en marktverhoudingen. In tegenstelling tot Weber thematiseert hij echter de grondslag van de klassenstructuren expliciet en systematisch vanuit het proces van toeëigening van 'meerarbeid'. Hij onderscheid de historisch specifieke economische produktiewijzen en de daarin verankerde sociale klassenverhoudingen vanuit de vraag op welke wijze en in welke vormen de meerarbeid van directe producenten wordt toegeëigend [MEW 25:799]. Daarbij maakt Marx in zijn analyses veel duidelijker dan Weber een methodologisch onderscheid tussen (i) een algemeen historisch klassebegrip (ii) een theoretisch model van de klassenverhoudingen in een bijzondere (m.n. kapitalistische) produktiewijze en (iii) de historisch-empirische analyse van de klassenrelaties in specifieke maatschappijen in bepaalde perioden.
Voor Marx is klasseheerschappij onlosmakelijk verbonden met specifieke uitbuitingsrelaties waarvan de materiële basis een ongelijke verdeling van produktieve bronnen is. Het klassenanalytisch program van Marx is daarmee nog niet 'produktivistisch' - netzomin als de aanzet van Weber 'distributief' kan worden genoemd.
Weber lijkt op dit punt eerder de benadering van Marx als bekend te veronderstellen en accepteren. Tot op bepaalde hoogte interpreteert hij de klassentheorie van Marx met zijn eigen terminologie [Konrad/Szeleni 1978:72]. De aard en mate van beschikkingsmacht ('controle') over zakelijke produktievoorwaarden en prestatiekwalificaties determineren de kansen die de klassen op de arbeids- en goederenmarkten hebben. Ook bij Weber zijn de klassen "gestructureerd volgens de relaties tot de produktie en de verwerving van goederen" [WG 538].
Economische klassen berusten op ongelijke realisatiemogelijkheden van goederen en prestatiekwalificaties op markten. Weber vat de markt op als een reeks gestructureerde sociale verhoudingen die ver uitgaan boven de eenvoudige koop en verkoop van de waar arbeidskracht.[47] Markten zijn 'machts'-arena's waarin de bezitters van verschillende marktposities elkaar treffen, met elkaar concurreren of elkaar uitsluiten van deelname aan marktconcurrentie. Net als Marx gaat Weber er vanuit dat de markt een machtsstructuur is, waarin het bezit van bepaalde attributen sommige groepen privilegieert ten opzichte van andere. De markt is een systeem van economische ruilbetrekkingen dat gebaseerd is op de relatieve concurrentie- en onderhandelingskracht van verschillende groepen individuen. Daarbij legt Marx meer dan Weber het accent op de kwalitatieve verschillen tussen arbeidsmarkten en markten voor grondstoffen, goederen en kapitaal, tussen koopcontracten en arbeidscontracten. Kenmerkend voor de arbeidsmarkt in kapitalistische maatschappijen is immers niet alleen dat het de institutionele 'oplossing' vormt van het dubbele allocatieprobleem van de verzorging van het produktiesysteem met arbeidsprestaties en de verzorging van arbeidskrachten met middelen van bestaan, maar dat hierdoor tevens de voor de kapitalistische maatschappijen kenmerkende klassen- en heerschappijverhouding wordt geconstitueerd. Kopers en verkopers op arbeidsmarkten hebben in principe dezelfde marktstrategische opties om de concurrentie in het eigen kamp te beperken (d.m.v. coalitievorming resp. solidarisering en uitsluitingen resp. discriminering) en de concurrentie aan bij de markttegenstander relatief te vergroten. Maar het bijzondere karakter van de 'waar arbeidskracht' bewerkstelligt een structurele machtsasymmetrie op arbeidsmarkten en benadeelt daarom de verkopers van de waar arbeidskracht. Het bijzondere karakter van de 'waar arbeidskracht' is met name, dat ze niet wordt geproduceerd met het oog op de verkoop, dat ze slechts in beperkte mate kan worden bewaard en opgeslagen, en dat ze kwantitatief en kwalitatief inelastisch is tegenover de wisselingen in de vraag [Berger 1986:8].
Onder kapitalistische verhoudingen oefenen de klassen primair hun macht uit en eigenen zij waarde en arbeid toe, door marktprijzen te beïnvloeden {Murphy 1985:238]. Prijzen zijn de zichtbare tekens van de veel minder zichtbare macht van de deelnemers aan de marktstrijd. Weber beschouwd de prijzen (inclusief de prijs van de waar arbeidskracht) als resultaten van marktstrijd tussen economische eenheden die op de markt verschillende macht hebben. "Geldprijzen zijn produkten van strijd en compromis; zij vloeien dus voort uit machtsconstellaties. 'Geld' is geen loutere 'aanwijzing voor onbepaalde utiliteiten', die men zomaar kan veranderen zonder fundamentele uitschakeling van het karakter van de prijzen als een door de onderlinge strijd van mensen bepaald systeem. 'Geld' is primair een strijdmiddel en prijzen zijn uitdrukkingen van deze strijd; geld is alleen een calculatiemiddel in de vorm van een gekwantificeerde schatting van de relatieve kansen in deze belangenstrijd" [WG 58]. De relatieve krachtsverhouding tussen de maatschappelijke klassen, of - 'marxistisch' uitgedrukt - de verhouding tussen waarde van de arbeidskracht ('loon') en onbetaald toegeëigende meerwaarde ('winst') wordt dus gemedieerd door de machtsstrijd op de (arbeids- en goederen)markt.
De hoofdlijn van Weber's benadering kan daarom mijns inziens nog het beste als volgt worden samengevat: de klassentegenstellingen in maatschappelijke formaties zijn gestructureerd door de wijze waarop de beschikkingsmacht over het zakelijke bezit (resp. de produktievoorwaarden) is verdeeld en worden gemedieerd (resp. gereguleerd) door specifieke ruil- of marktverhoudingen.
|
Raymond Murphy interpreteert echter Weber's 'machtstheorie van winsten en prijzen' als een alternatief van de arbeidswaardetheorie van Marx. Weber zou zonder arbeidswaardeleer in staat zijn geweest om de toeëigening van arbeid en waarde en het accumulatieproces in de kapitalistische markt te verklaren. De stelling van Murphy is dat in het kapitalisme de waarde en prijzen van waren worden losgemaakt van hun 'arbeidsinhoud'. "De machtsstrijd op de marktplaats medieert de verhouding tussen arbeidsinhoud en waarde (prijs), zodat de waarde niet bepaald wordt door arbeidsinhoud, maar eerder door de machtsstrijd op de markt zelf. Waarde en prijs zijn niet gepredetermineerd door arbeid, maar worden maatschappelijk gedefinieerd door de machtsstrijd op de markt" [Murphy 1985:235]. Prijzen zijn een indicatie van 'a deeper phenomenon', niet van 'labour-determined value' zoals volgens hem de marxisten aannemen, maar van 'macht': "Prijzen van waren, inclusief de prijs van de arbeid (??), zijn gedetermineerd door de machtsstrijd op de markt, en prijzen determineren op hun beurt het surplus dat wordt toegeëigend, inclusief de toeëigening van arbeid" [Murphy 1985:228]. Prijzen gaan dus logisch vooraf aan en zijn bepalend voor de arbeidstijd die in waren is belichaamd. Dit staat rechtstreeks tegenover de assumptie van Marx dat de arbeidstijd die in waren is belichaamd logisch vooraf gaat aan en bepalend is voor hun prijzen. Als we afzien zijn evident foutieve formuleringen van de postulaten van de arbeidswaardetheorie van Marx (waarin het bijv. 'waarde' per sé niet wordt bepaald door 'arbeidsinhoud', en arbeidsloon per sé niet wordt gedefinieerd als 'prijs van de arbeid'), dan kleven er aan Murphy's benadering, minstens twee grote nadelen. Enerzijds gaat hij voorbij aan het feit dat 'arbeidswaarde' in de marxistische traditie juist niet als boven-historisch, ontologisch gegeven wordt opgevat maar als een veelvoudig maatschappelijk bepaalde maat (welke in en door 'klassenstrijd' wordt geconstitueerd). Anderzijds gaat hij volledig voorbij aan de bekende klassieke vraag: door welke parameters 'de machtsstrijd op de markt' zelf is bepaald ? In Murphy's logica zouden uiteindelijk alle problemen opgelost kunnen worden met het toverwoord van de 'macht'. Of en in hoeverre het inderdaad mogelijk (en zinvol) is om een klassentheorie te ontwikkelen waarin het 'exploitation perspective' centraal blijft staan zonder op een arbeidswaardetheorie terug te grijpen [zoals Roemer 1982 en Wright 1985 suggereren] zal ik hier niet verder bespreken. |
Parkin stuit vervolgens op het probleem dat eigen is een dergelijke 'neo-weberiaanse' benadering van sociale klassen: het groeperen van klassen overeenkomstig marktsituatie impliceert het trekken van demarkatielijnen binnen een continuum. Naarmate de kapitalistische produktiewijze dominant wordt en praktisch de gehele beroepsbevolking deelneemt aan de beroepsmarkt ontstaat er een erg brede reeks van marktsituaties. Dit resulteert in een continuum van klasseposities die het moeilijk maakt om theoretisch te rechtvaardigen discontinuïteiten te determineren. Volgens Parkin bestaat er echter een significante breuk in de beloningshiërarchie langs de scheiding hand- en niet-handarbeid. Deze breuk is voor hem sifnificant genoeg om de term 'sociale klasse' te rechtvaardigen. Niet-handarbeiders ontvangen betere materiële beloningen dan handarbeiders, zo niet in absolute geldtermen dan wel m.b.t voordelen op het vlak van promotiekansen, ziekteuitkering, arbeidstijden, vacanties, pensioenrechten e.d. [Parkin 1971:25 e.v; 1979: 13]. Dit patroon van gestructureerde ongelijkheid wordt versterkt door een reeks sociale en symbolische elementen welke de distributie van materiële beloningen onderbouwen (d.w.z. zij garanderen hun continuering en legitimiteit). De reden om de intermediaire en lagere witte-boordengroepen als constituerent element van de dominante klasse te behandelen is, dat deze groepen zich traditioneel eerder geïdentificeerd hebben met de belangen van van kapitaal en management dan met de belangen van de georganiseerde arbeidersbeweging.
In 1974 en 1979 erkent Parkin dat het hand- versus niet-handarbeid schema geen voldoende basis is om sociale klassen te differentiëren. (Overigens gaat dit zonder zelfkritische opmerkingen). De voortdurende attractiviteit van de marxistische klassentheorie verklaart hij gedeeltelijk uit het weinig inspirerende alternatief dat de academische sociologie te bieden heeft. Als er onder westerse sociale theoretici een stilzwijgende overeenstemming is over een klassenmodel, dan is dat het bekende onderscheid tussen hand en niet-handarbeid. Als criterium om klassengrenzen te identificeren heeft het de wielen van de empirische sociologie eindeloos in beweging gehouden. Parkin brengt nu drie punten van kritiek naar voren:
1) Alle dichotome schema's leiden aan problemen van wederzijds exclusiviteit en aan de daarmee verbonden moeilijkheid van classificatie van de middenlagen. Dichotome schema's vereisen dat men collectiviteiten behandelt als "either manual or non-manual, propertied or propertyless, subordinate or superordinate; it is not logically possible to be partially manual, partially propertyless, or partially subordinate" [1974:14].[49]
2) De beide categorieën hebben echter geen antagonistische eigenschappen. Handarbeiders en hoofdarbeiders (employés) zijn groepen die misschien sociaal van elkaar verschillen in termen van levenskansen, maar zij staan niet in een relatie van exploiter/exploited of dominance/subordination. Anders gezegd: "het huidige sociologische model voldoet zelfs niet aan de minimale Weberiaanse claim dat de relaties tussen klassen opgevat moeten worden als 'aspecten van de machtsverdeling'. In plaats van een theoretisch raamwerk dat georganiseerd is rond de centrale ideeën van wederzijds antagonisme en de onverenigbaarheid van belangen vinden we een raamwerk dat is georganiseerd rond de geregistreerde feiten van louter sociale differentiatie" [p.13].
3) De schijnwerper van klassenanalyse wordt bijna exclusief gericht op de ongelijkheden die voortvloeien uit de arbeidsdeling, zodat de rol van privé-eigendom verwezen wordt naar 'a theoretical limbo' [1975:14].[50]
In zijn gereconstrueerde theorie van klassen en klassenstrijd handhaaft hij de 'marxistische' stelling dat klassendelingen zijn verankerd in het produktiesysteem en i.h.b. in de extractie van meerwaarde [Giddens 1973:109; 1977:206]. Giddens hanteert echter een uiterst rekbaar begrip van uitbuiting. Omdat hij elke asymmetrische verdeling van levenskansen met uitbuiting identificeert is er ook geen ontwikkelde maatschappij denkbaar zonder uitbuitingsverhoudingen [1973:130].[51]
Klassen moeten volgens Giddens niet organisationeel worden opgevat (als een formele organisatie), niet in termen van graduele stratificatie (als sociale laag) en ook niet elitetheoretisch (als machtspolitieke elite). Net als Marx en Weber formuleert hij een relationeel klassebegrip, dat uitgaat van posities die individuen in maatschappelijke verhoudingen innemen. Met "structuration deriving from economic organization" [1973:112] zinspeelt hij op een economische bepaling van de klassesituatie die uitgaat van de structureel ongelijke verdeling van bronnen in de maatschappelijke produktie. In de kapitalistische maatschappij is 'klasse' een verschijnsel van de totaliteit, omdat het een systeem van 'exploitative domination' uitdrukt, "cohered in terms of a definite alignment of economy and polity, sanctioned by the state" [1977:207]. 'Private property' is de cruciale steun voor de klassendifferentiatie, omdat het de rechten garandeert op de mobilisatie van economische bronnen en de dominantie van de warenvorm veilig stelt. Als zodanig is privé-eigendom echter niet voldoende om klassenrelaties te analyseren als specifieke structurele vormen. Het generieke begrip 'klassenmaatschappij' bestrijkt volgens Giddens een reeks verschillende typen van klassenstructurering. De structurering van klassen kan volgens Giddens worden gethematiseerd in termen van vier aspecten van de produktieverhoudingen: (a) paratechnische verhoudingen, d.w.z. relaties in de operatie van de 'task division of labour' in een gegeven produktietechniek; (b) verhoudingen die geïmpliceerd zijn in de organisatie van de onderneming, inclusief de gezags- of machtsverhoudingen; (c) verhoudingen die geïmpliceerd zijn in de verbindingen tussen produktieve organisaties binnen de waren- en arbeidsmarkten; (d) verhoudingen die ontstaan door de connecties tussen produktie en distributie of de consumptie van goederen.
Met Marx en Weber gaat Giddens ervan uit dat marktmacht niet eenvoudig afhankelijk is van individuele eigenschappen van afzonderlijke personen, maar van de verdeling van bronnen waarover ze beschikken. re relatieve onderhandelingsmacht van de verschillende groepen is dus gestructureerd (en dus ook gelimiteerd) door een hieraan voorafgaande distributie van bronnen; deze is op haar beurt weer bepaald door de reproduktie en transformatie van die bronnen in het maatschappelijke produktieproces. Daaruit trok Marx de conclusie, dat de klassen moeten worden bepaald uitgaande van de positie in het directe produktieproces, waarbij hij zowel de differentiaties van het eigendom van de objectieve produktievoorwaarden als de differentiaties van de waar arbeidskracht behandelde als interne klassedifferentiaties. Giddens meent echter dat Marx niet in staat was om de potentiële betekenis te onderkennen van "differentiations of market capacities which do not derive directly from the factor of property ownership" [1973:103], en daarom slaat hij een andere weg in om de categorie van bezitlozen nader te differentiëren.
Fundamenteel voor klassenstructurering is de differentiële marktcapaciteit binnen de arbeidsmarkt, vooral wanneer deze verbonden is met 'sluiting' van de mobiliteitskansen in inter- en intragenerationeel opzicht. Marktcapaciteit definieert hij als "all forms of relevant attributes which individuals may bring to the bargaining encounter" op de markt: eigendom van de produktiemiddelen, bezit van educationele of technische kwalificaties en bezit van handarbeidskracht [Giddens 1973:103). De gevolgen van de differentiatie van marktcapaciteiten kunnen worden geconcentreerd dan wel gefragmenteerd door de invloed van meer 'proximate' bronnen van klassenstructurering [19073:108]: arbeidsdeling binnen de produktieve onderneming, gezagsrelaties binnen de onderneming, en de invloed van 'distributieve groeperingen' (i.h.b. communale of burensegregatie).
De mate waarin deze factoren van klassenstructurering elkaar overlappen is bepalend voor de mate van 'klassengestructureerdheid' van een maatschappij. Dit is volgens Giddens wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor het bestaan van een klasse als 'sociale werkelijkheid' voor de betrokkenen. Dat vereist immers niet alleen 'klassebewustheid' (met een klassentypische levenswijze verbonden gemeenschappelijke waarneming en erkenning van gelijksoortige houdingen en overtuigingen) en 'klassebewustzijn' (zelfreflexief bewustzijn van deze gemeenschappelijkheden als uitdrukking van klasselidmaatschap en als onderscheidingsteken tegenover andere klassen).
Om de differentiatie van de 'propertyless' te analyseren schakelt Giddens - in tegenstelling tot zijn eerdere uiteenzetting - nu ineens over marktcapaciteiten die 'individuen' op de markt brengen. Daardoor ondergraaft hij niet alleen zijn eerder geformuleerde uitgangspunt, maar raakt hij bovendien verstrikt in het probleem dat er een 'cumbersome plurality of classes' [1973:104) ontstaat. Om deze consequentie te vermijden poneert hij op zeer traditionele wijze een niet nader gemotiveerde grens aan de differentiatie van de 'bezitlozen': 'skilled labour' en 'manual labour power'. Het klassenmodel dat daaruit voortvloeit is een buitengewoon simpel 'basic three class system': 'upperclass' (eigendom), 'middle class' (skills) en 'lower class' (manual power).
Door deze combinatie van eenvoudig empirisme en grof decisionisme kan inderdaad het aantal klassen gemakkelijk worden gereduceerd. Het naïeve geloof dat de techniek de splitsing in hand- en hoofdarbeiders veroorzaakt, en dat dit niet alleen voor de beroeps- maar ook voor de klassenstructuur bepalend is, kan (om met Parkin te spreken) hoogstens de wielen van de empiristische sociologie in beweging houden. Met een theoretisch onderbouwde klassenanalyse heeft dit echter niet veel meer van doen.
Naar volgende hoofdstuk: VI Een balans
Naar Inhoudsopgave
[2] "Although many social scientists acknowledge Marx to be the father of social class analysis, the large majority of students of stratification the chief inspiration is Max Weber. The literature of American social class analysis has been completely dominated by the Weberian orientation, at least whenever there has been any attempt at theoretical construction. Weber has traditionally been considered more valid and more relevant than Marx" [ANDERSON 1974:116].
[3] Over zijn persoonlijke klasse-oriëntatie heeft Weber geen twijfel laten bestaan. In een brief aan Robert Michels omschreef Weber zichzelf als een 'lid van de burgerlijke klasse', als iemand die in de opvattingen en idealen van de burgerlijke klassen was opgevoed, als een 'klassebewuste bourgeois' [vgl. MOMMSEN 1974:116]. Natuurlijk waren dergelijke zelfbewuste uitlatingen koren op de molens van degenen die er bij voorbaat van uitgingen dat er van Weber niets te leren is en hem met hun 'fundamentele kritiek' slechts willen 'ontmaskeren' als typische burger. Zo'n overgepolitiseerde en reducerende 'kritiek' gaat voorbij aan het feit dat niet elke klassebewuste bourgeois zich kan meten met een zo gedecideerd liberale en hoogbegaafde intellectueel als Weber. WEIß [1981.28, 166 e.v.] geeft een kritisch exposé over de klassenmatige en politiek-ideologische bepaaldheid van Weber's wetenschappelijke werk.
[4] Vgl. HELLER [1969:9 & 19], ROTH [1968: XXVI], WEIß [1981:137].
[5] Vgl. WRIGHT [1977, 1978, 1979, 1985].
[6] Vgl. TJADEN-STEINHAUER & TJADEN [1973].
[7] GEIGER [1949], RENNER [1929/1~53], PARSONS [1940], RUNCIMAN [1963], DAHRENDORF [1963].
[8] Die protestantische Ethik was volgens Parsons "intended to be a refutation of the Marxian thesis in a particular historical case" [PARSONS 1929:40]. Albert Salomon suggereerde dat Weber "became a sociologist in a long en intense dialogue with the ghost of Karl Marx" en dat het hoofddoel van Wirtschaft und Gesellschaft was de re-examinatie van de "marxian sociological thesis" [SALOMAN 1945:596. Vgl. MILLAR 1963]. Marxistisch georiënteerde auteurs hebben de invloed van Marx's ideeën soms zo overschat, dat zij in Weber slechts de 'anti-Marx' zagen en Weber's gehele werk als een polemiek met Marx of met 'de geest van Marx' beschouwden. "Anti-marxist te zijn, dat was Weber's eigenlijke beroep" [BRAUNREUTHER 195S/9:116. Vgl. ZEITLIN [1963]. Ook GERTH en MILLS [1947] menen dat "Max Weber zijn hele leven lang in een vruchtbaar debat was gewikkeld met het historisch materialisme".
[9] Vgl. ROTH [1971:227] in: BENDIX/ROTH [1971].
[10] Weber's verhouding tot Marx en het marxisme worden uitvoerig behandeld door ROTH [1968,1971,1977], GIDDENS [1973], MAYER [1974] en ZANDER [1978].
[11] Vgl. ROTH [1968:432], GIDDENS [1971:191 e.v.], MOMMSEN [1974:147].
[12] Aan het eind van zijn leven moet Weber tegen een van zijn studenten gezegd hebben, dat men de redelijkheid van een geleerde kan meten aan de wijze waarop deze zich verhoudt tot Marx en Nietzsche. "Wie niet toegeeft dat hij de belangrijkste delen van zijn eigen werk niet had kunnen verrichten, zonder het werk dat deze beiden hebben gedaan, die bedriegt zichzelf en anderen. De wereld waarin we bestaan is in vergaande mate een door Marx en Nietzsche bepaalde wereld" [BAUMGARTEN 1964:554 e.v.]. Van Nietzsche leerde Weber het uitgesproken 'aristocratische' individualisme, dat echter steeds in bedwang werd gehouden door het aan Marx ontleende inzicht, dat het lot van individuen in vergaande mate is gedetermineerd door materiële en economische factoren en in zeer grote mate afhankelijk is van anonieme sociaal-economische factoren [MOMMSEN 1974].
[13] ROTH [1963; 1971:245] GIDDENS [1974] MOMMSEN [1974:147].
[14] De verschillen en overeenkomsten tussen de opvattingen van Marx en de interpretaties van zijn 'orthodoxe' en 'revisionistische' erfgenamen worden uitvoerig behandeld in de studies van: Erich MATTHIAS, Kautsky und der Kautskyanismus. Die Funktion der Ideologie in der deutschen SoziaIdemokratie vor dem ersten Weltkrieg, in: Marxismusstudien, Bd. 2, 1957; SANDKUHLER/DE LA VEGA (red.) Marxismus und Ethik - Texte zum neukantianischen Sozialismus. Frankfurt 1970; Lucio COLLETTI, Bernstein und der Marxismus der zweiten Internationale. Frankfurt l971; Bo GUSTAFFSON, Marxismus und Revisionismus Eduard Bernsteins Kritik des Marxismus und ihre historischen Voraussetzungen. Frankfurt 1972; Te Elfder Ure, Revisionisme/ Marxisme, 19e Jrg, nr.3 /4, 1972; Projekt Klassenanalyse, Karl Kautsky - Marxistische Vergangenheit der SPD ? Berlin 1971; M. SALVADORI, Karl Kautsky and the Socialist Revolution l880-1938. Londen 1979.
[15] ASHCRAFT [1972] KOCKA [1973], MOMMSEN [1974].
[16] Zie met name zijn brieven aan Conrad Schmidt (5.8.189Q/27.10.1890), J. Bloch (21.9.1890) en W. Borgius (25.1.1894). De Nederlandse vertalingen ervan vindt men in Marxisme en revisionisme, Te Elfder Ure, l9e Jrg, 3/4, 1972.
[17] In tal van uitlatingen neigt Weber ertoe de sociale werkelijkheid als een chaotische, niet-gestructureerde op te vatten [vgl. WL:177,130, 184, 213 ev.]. Vgl. hierover de uitstekende uiteenzetting van Jurgen KOCKA [1973].
[18] Vgl. de anti-kritieken bij Protestantse Ethiek.
[19] HEGEL, Enzyclopadie der Wissenschaften. par. 156, p. 346 e.v. Zie verder de 'klassieke' teksten van PLECHANOW [1894/1956:22].
[20] De hier geciteerde passages zijn exemplarisch. Vergelijkbare beoordelingen treft men aan in de vroegere studies van RUNCIMAN [1968] en GIDDENS [1971:163]. Zie voor de Neder landse sociologen bijv. BERTING [1965], De JAGER/MOK [1973:144], VUYSJE [1977:13/14].
[21] Vgl. PARKIN [l971:44 e.v.], KIRCHBERGER [1975:121], KRECKEL [1976; 1982:620].
[22] Een aantal auteurs hebben hun Weber-interpretatie in de loop der jaren gewijzigd. In 1971 noemt Anthony Giddens het de verdienste van Weber dat hij drie dimensies van stratificatie' onderscheidde die begripsmatig van elkaar gescheiden zijn, ook al beïnvloeden zij elkaar op empirisch niveau wederzijds causaal [GIDDENS 1971:163]. Twee jaar later corrigeerde hij (helaas ook op dit punt weer zonder zelfkritische noot) deze beoordeling. In Weber's analyse worden klasse en status niet behandeld als twee dimensies van stratificatie. "Klassen en statusgemeenschappen zijn twee mogelijke, en concurrerende, wijzen van groepsformatie in relatie met de verdeling van macht in de maatschappij" [GIDDENS 1973:44]. 'Macht' is nu ook geen 'derde dimensie' van stratificatie welke op de een of andere manier te vergelijken is met de eerste twee. Ook Runciman is er nu van overtuigd dat het "bijna zeker een vergissing (is) om te menen dat Weber klasse, status (in de zin van sociaal prestige) en macht behandelde als drie dimensies van stratificatie, want hij ziet alle competitie en conflict tussen sociale groepen als strijd om macht. Maar hij ziet ze niet als tot elkaar te reduceren" [RUNCIMAN 1978:6]. In eerdere publicaties droeg Runciman zelf bij aan de verspreiding van deze 'vergissing' [zie bijv. RUNCIMAN 1968].
[23] Vgl. KIRCHBERGER [1975:26 e.v.,28,120,129 e.v.].
[24] Runciman is hierop een uitzondering. Hij deedt een poging om - zonder op Weber's teksten te vertrouwen - de theoretische validiteit van de driedimensionale benadering van sociale stratificatie te beargumenteren [vgl. RUNCIMAN 1966:h.3; 1968:25-61]. In latere publicaties handhaaft Runciman zijn oorspronkelijke stellingname op een meer bescheiden wijze [RUNCIMAN 1970:246-8; 1974:55-101]. Hij vat de maatschappij op als een driedimensionaal geheel. 'Klasse' in de strikte economische betekenis, 'status' in de betekenis van sociaal prestige en 'macht' [RUNCIMAN 1970:246]. Het zijn logisch autonome concepten die onafhankelijk van elkaar gedefinieerd en onderzocht kunnen worden [RUNCIMAN 1968:28-37]. Aan een onbekend systeem van sociale stratificatie moet een socioloog volgens Runciman dan ook altijd drie vragen stellen: "le. Wie is meer en wie is minder voordelig geplaatst in het systeem van produktie, distributie en ruil ? 2e. Wie is meer en wie is minder hoog gewaardeerd door de andere leden van zijn maatschappij in termen van sociaal prestige? 3e. Wie is en wie is niet in een positie om andere leden van zijn maatschappij te dwingen of induceren om iets te doen wat zij anders niet zouden doen, zelfs wanneer zij het niet willen doen ?" [RUNCIMAN 1972:169].
[25] Vgl. LENDERS e.a. [1976: 133 e.v.], HRADIL [1983:102 e.v.].
[26] Vgl. DOREIAN/STOCKMAN [1969], TJADEN-STEINHAUER/TJADEN [1970:645]. "Maatschappijbeeld en methodisch-empirische werkwijze veronderstellen elkaar, maar wanneer theorie als verbinding tussen beide wegvalt en niet meer de maatschappelijke kwaliteit van het onderzochte wordt beoogt, dan beeldt in de empirische methode de sociologie nog slechts de vooronderstellingen van die methode af" [LENDERS e.a. 1976:121].
[27] Het verschil tussen graduele en relationele klassentheorieën wordt behandeld door: OSSOWKSI [1962], PARKIN [1979:11], WRIGHT [1979:5].
[28] Vgl. BALDUS [1975], LENDERS e.a. [1976:121,239], HRADIL [1933:106].
[29] "Het is fundamenteel dat sociale stratificatie multidimensionaal is", sociologen die deze basisassumptie ter discussie stellen doen dat omdat "zij om ideologische redenen de term 'klasse' willen refereren aan een enkelvoudig, simpel en allesverklarende notie" [BARBER 1968:292]. De klassentheorie van Marx is "eenzijdig een vereenvoudigd schema" [BOUMAN1946:10], "een produkt van filosofische deductie, een axiomatisch denkschema" [HAVEMAN 1952:174], een "economisch monisme" [GODDIJN 1968:55]. Van dit standaardrepetoire van bezwaren tegen 'het marxisme' zou men een omvangrijke bloemlezing kunnen samenstellen.
[30] Het feit dat Marx de sociale ongelijkheden in de burgerlijke maatschappijformatie voornamelijk thematiseert vanuit klassenanalytisch perspectief en dat hij klassentegenstellingen beschouwt als belangrijkste verklaringsgrond voor sociale ongelijkheid en verandering, wil nog niet zeggen dat hij klassentegenstellingen zag "als enige bron van sociale ongelijkheid" [BERTING 1982:62; 1981:342]. Ook KRECKEL [1982:620] houdt vol dat de klassentheorie van Marx 'eendimensionaal' is omdat voor Marx sociale ongelijkheid identiek zou zijn met klasseongelijkheid. Vgl. ook BENDIX [1974:152]. Uwe BECKER presenteert dezelfde opvatting zowel in een zeer gespierde [1986:26,33] als in een afgezwakte vorm [1986:17,28].
[31] Het geprivilegieerde object van de burgerlijke kritiek is het marxisme in vulgaire gedaante; zij maakt het vulgaire marxisme het hof. Het is gemakkelijker en politiek doeltreffender om de marxistische en op het werk van Marx voortbouwende sociale wetenschappers op een hoop te gooien, de meest dogmatisch geschriften te selecteren en deze vervolgens als representatief voor het geheel te beschouwen. A. de Swaan maakt het vulgair marxisme het hof om het vervolgens de wacht aan te zeggen [De SWAAN 1983: 11-4]. Kritische beschouwingen over dergelijke onzuivere polemieken vind men o.a. bij Kurt LENK [1972, m.n. hoofdstuk IV] en bij G. BENTHAM VAN DEN BERG [1976:273]. De antropoloog Marshall Sahlins beschouwt dergelijke polemieken tegen de marxistische uitdaging zelfs als een vorm van 'terrorisme', en stelt voor hier verder maar aan voorbij te gaan [SAHLINS 1976:3].
[32] Duidelijke uitspraken hierover kan men bijv. lezen in de Kritiek op het program van Gotha [1890-911/1972]. Daarin kritiseert Marx niet alleen de Lassalleaanse frasen van 'de arbeid als bron van alle rijkdom en van alle cultuur', 'de ijzeren loonwet' en 'de volksopvoeding door de staat', maar neemt hij tevens klassenreductionistische stellingen onder vuur. Zijn stelling "dat met de afschaffing van de klassenverschilIen vanzelf alle daaruit voortkomende social.e en politieke ongelijkheid verdwijnt" [1972:31] is juist gericht tegen de naïeve idee dat met de afschaffing van de klasseverschlllen vanzelf alIe sociale en politieke ongelijkheid verdwijnt. Hij keert zich tegen de frase van 'de afschaffing van iedere sociale en politieke ongelijkheid' en stelt voor het vraagstuk van sociale en politieke ongelijkheid toe te spitsen op de klasseverschillen en de sociaal-politieke ongelijkheden die daaruit voortvloeien. Zijn logisch consistente en historisch tamelijk plausibele stelling is: voorzover sociale en politieke ongelijkheid voortvloeit uit klasseverschillen, zullen deze verdwijnen naarmate de klasseverschillen zelf worden opgeheven.
[33] De 'alternatieven' die worden aangedragen voor de veronderstelde eendimensionaliteit van de marxistische klassentheorie gaan i.h.a. in twee richtingen: (a) het klassebegrip wordt helemaal prijsgegeven en het wordt vervangen door sociale laag of statusgroep, of (b) er worden een reeks 'aanvullende' bepalingen aan de economische klassenbepaling toegevoegd. In het laatste geval wordt niet alleen de positionaliteit in de historisch specifieke wijze van produktie en toeëigening van meerarbeid in de definitie van maatschappelijke klassen betrokken, maar (aanvullend of uitsluitend) ook bijv. technische arbeidsdeling, beroepenstructuur, verdeling van politieke en sociale macht levensgewoonten en -stijlen, mentaliteit van de bevolking e.d. Volgens Bendix e.a. zou het de verdienste van Weber zijn, dat hij Marx's concept van de economische determinatie van klasse-situaties verbreedde door de aanvulling van het criterium van het eigendom van de produktiemiddelen met dat van de marktsituatie.
[34] Reconstructies Marx's theoretische aanzet over het (klasse)bewustzijn zijn te vinden bij: BECKENBACH e.a. [1973: 103..e.v.] en BIERBAUM e.a. [1977]. Een bespreking van moderne marxistisch georiënteerde theorieën over klassebewustzijn geeft TJADEN-STEINHAUER [1975].
[35] Vgl. KOCKA [1966:328 e.v.], ASHCRAFT [1972], MOMMSEN [1974:147].
[36] Vgl. hoofdstuk. I, par. 1.1 en II, par. 1.
[37] Vgl. WL 161 e.v., 190 e.v., 226 e.v , 291 e.v.
[38] Vgl. GIDDENS [1973:9,43 e.v], CROMPTON/GUBBAY [1978:56], BARBALET [1980:409].
[39] Vgl. CACCIARI [I973], BEDESCHI [1979], LENHARDT [1980].
[40] WEBER [GASS:492 e.v.]; vgl. MOMMSEN [1974:156 e.v.], CROMPTON/GUBBAY [1978:56 e.v.].
[41] Vgl. HERKOMMER [I975:128], BADER e.a. [1976:261 e.v.].
[42] Vgl. GIDDENS [1977:204]. Weber gaat echter geenszins voorbij aan de 'materiële irrationaliteiten' die in de kapitalistische economische orde zijn ingebakken. Zo stelt hij bijvoorbeeld onomwonden, "dat de hoogste mate van formele rationaliteit van kapitaalrekening alleen mogelijk is bij onderwerping van de arbeiders onder de heerschappij van ondernemers" [WG 78]. Erik Olin Wright slaat dus volledig de plank mis met zijn stelling, dat Weber in tegenstelling tot Marx voorbij gaat aan het feit "dat arbeiders in het produktieproces zelf ondergeschikt zijn aan het kapitaal" [WRIGHT 1985:300].
[43] Vgl. KRAMER [1968:175], CASSANO [1971:25 e.v.], HERKOMMER [1975:125], THERBORN [1976:140 e.v.], JOHNSON [1976:62], GIDDENS [1977:205 e.v], KORPI [1978:10 e.v.], CROMPTON/GUBBAY [1978:16 e.v.], WRIGHT [1979:8], ELSTER [1985:69], KUTTLER/LOZEK [1985:274] en vele, zeer vele anderen.
[44] Erik Olin Wright heeft zijn oorspronkelijk kritiek inmiddels gecorrigeerd. Het werkelijke verschil tussen Marx en Weber is "more subtle" dan dat tussen klassedefinities op basis van markt/ruilverhoudingen versus produktieverhoudingen. Hij erkent nu dat zowel Marx als Weber 'production-based definitions' hanteren omdat zij klassen definiëren m.b.t. het effectieve eigendom van 'production assets'. Bij Weber zijn dat 'capital, raw labour power and skills', terwijl Marx 'capital and labour' als productieve bronnen beschouwt. "Het verschil tussen hen is, dat Weber produktie beschouwt vanuit de optiek van de markt-ruil waarin deze bronnen worden verhandeld, terwijl Marx produktie beziet vanuit de optiek van de uitbuiting die het genereert" [WRIGHT 1985:107]. Dit reflecteert volgens Wright zelfs het fundamentele verschil tussen een culturalistische en een materialistische theorie van de maatschappij.
[45] Deze en vergelijkbare formuleringen treft men bijvoorbeeld aan in het werk van: POLANTZAS [1968:64; 1974:29], CROMPTON/GUNNAY [1978:5], KUTTLER/LOZEK [1985:275 e.v.].
[46] Vgl. NICOLAUS [1972], ARMANSKI [1974].
[47] Zie voor Weber's marktbegrip: ALBERT [1967], KRELLE [1973], GIDDENS [1973:101 e.v.].
[48] PARKIN [1971] en niet PARKIN [1979]! Zie voor een uitgebreide kritiek op deze laatse studie: BADER/BENSCHOP [1984].
[49] Met deze bewering over wat logisch gezien mogelijk is in dichotome schema's legt Parkin zichzelf overigens onnodige beperkingen op. In de meeste dichotome analyses wordt de mogelijkheid en het empirisch bestaan erkend van 'middenlagen' die beide eigenschappen van de dichotomie partieel dekken.
[50] Aan deze argumenten kan nog worden toegevoegd dat de mate van overlapping tussen de materiële beloningen van hand- en niet-handarbeiders groter is aan Parkin in 1972 suggereerde. Recente technische ontwikkelingen maken het bovendien moeilijker dan ooit een onderscheid te maken tussen 'witteboorden' en handarbeiders. Vgl. BAIN/PRICE [1972].
[51] Giddens doet zelf geen poging een theorie van sociale ongelijkheid te formuleren. Hij blijft uitermate vaag over het concept levenskansen en over de relatie tussen 'bronnen' en 'beloningen' en over de relaties tussen klassenstructuur en andere maatschappelijke splitsingslijnen. Bij het definiëren van zijn uitbuitingsbegrip wordt hij bovendien gehandicapt door een buitengewoon onzorgvuldige uiteenzetting van de klassentheorie van Marx en een vaak eenvoudig ongeïnformeerde kritiek op Marx [Vgl. de passage over 'produktieve arbeid' op p. 94 e.v.]. Omdat hij Marx's kritische begrip van 'meerarbeid' volledig over het hoofd ziet kan hij (i) geen onderscheid meer maken tussen meerarbeid en produktieve (meerwaardevormende) arbeid in de kapitalistische produktiewijze, en (ii) koppelt hij meerwaarde-extractie aan het onderscheid tussen hoofd- en handarbeid [GIDDENS 1973: 96].
Naar volgende hoofdstuk: VI Een balans of naar Inhoudsopgave
| Home | Sociologen | Samenleven | Onderwerpen | Zoek | Over dit project | Contact |
|---|