Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

WEBER Sociale ongelijkheid en klassen
Max Weber’s bijdrage aan de theorie
van sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
© 1987-2017

IV Weber(ianisme) versus Marx(isme) ?

  1. Twee dominerende theoretische tradities
    1.1 De populariteit van Weber
    1.2 Weber als anti-Marx of als voltooier?
  2. Weber over Marx(isme)
    2.1 Marx en het marxisme van de II Internationale
    2.2 Kritiek op het (vulgair) marxisme
  3. Historisch materialisme
    3.1 Wereldbeschouwing of heuristisch principe
    3.2 Tegen de frase van het historisch materialisme
    3.3 Economisch determinisme
  4. Tegen klassenreductionisme en economisme
    4.1 Betwist auteursrecht
    4.2 Multidimensionaliteit van sociale ongelijkheid 4.3 Geritualiseerde bezwaren
    4.4 Sociale ongelijkheid en klassen: klassenreductionisme?
    4.5 Productie en klassen: economisme?
  5. De afstand tussen Marx en Weber
    5.1 Verschillen en overeenkomsten
    5.2 Ideaaltypische begripsvorming en begripsafleiding
    5.3 Klassen en bureaucratie
    5.4 Productie en markt
  6. Een neo-weberiaans marktmodel?
    6.1 Frank Parkin
    6.2 Anthony Giddens
Literatuur

1 Twee dominerende theoretische tradities

1.1 De populariteit van Weber
“Although many social scientists acknowledge Marx to be the father of social class analysis, the large majority of students of stratification the chief inspiration is Max Weber. The literature of American social class analysis has been completely dominated by the Weberian orientation, at least whenever there has been any attempt at theoretical construction. Weber has traditionally been considered more valid and more relevant than Marx” [Anderson 1974:116].
De analyses Marx en Weber zijn in de sociale wetenschappen van blijvende kracht; ze markeren twee tegengestelde basisposities in de huidige wetenschapstheoretische en wetenschapspolitieke confrontatie [Kocka 1973:54]. Vooral de theorievorming over sociale ongelijkheid en klassenrelaties ondergaat vandaag de dag nog steeds hun allesdoordringende invloed [Giddens 1973; 1982:33; Roth 1977:xiii; Parkin 1978]. In de academisch geïnstitutionaliseerde sociale wetenschappen en in het bijzonder in de sociologie is het legitimerend beroep op het werk van Weber zeker groter dan ten aanzien van Marx.

    Over zijn persoonlijke klassenoriëntatie heeft Weber geen twijfel laten bestaan. In een brief aan Robert Michels omschreef Weber zichzelf als een ‘lid van de burgerlijke klasse’, als iemand die in de opvattingen en idealen van de burgerlijke klassen was opgevoed, als een ‘klassenbewuste bourgeois’ [Mommsen 1974:116]. Natuurlijk waren dergelijke zelfbewuste uitlatingen koren op de molens van degenen die er bij voorbaat van uitgingen dat er van Weber niets te leren is en hem met hun ‘fundamentele kritiek’ slechts willen ontmaskeren als typische burger. Zo’n overgepolitiseerde en reducerende ‘kritiek’ gaat voorbij aan het feit dat niet elke klassenbewuste bourgeois zich kan meten met een zo gedecideerd liberale en hoogbegaafde intellectueel als Weber. Weiß [1981:28,166 e.v.] geeft een kritisch exposé over de klassenmatige en politiek-ideologische bepaaldheid van Weber’s wetenschappelijke werk.
  1. Voor veel sociale wetenschappers is Weber een meer respectabele intellectuele autoriteit dan Marx [Hyman 1933:19]. Een groot deel van de academische intelligentia heeft meer politiek-ideologische affiniteit met de ‘burgerlijk liberaal’ Weber dan met de ‘proletarisch communist’ Marx.

    De klassenanalytische beschouwingen van Marx waren nauw verbonden met klassenpolitieke oriëntaties en handelingsstrategieën van de socialistisch-communistische arbeidersbeweging. De ideologische weerstanden tegen deze politieke traditie onder sociale wetenschappers vormde een barrière tegen een zakelijke receptie van de theoretische bijdrage van Marx. De gedecideerd liberale optie van Weber correspondeert veel meer met de politieke en wereldbeschouwelijke standpunten van de academische intelligentia. Men zou verwachten dat de politiek-ideologische barrières voor een wetenschappelijke receptie van zijn werk daarom aanzienlijk lager zijn dan bij Marx.

  2. Ook het karakter van de begrippen die beide auteurs hanteerden speelt een rol. De begrippen van Weber lijken dichter bij de moderne empirische onderzoekstechnieken te staan dan die van Marx; ze wekken op z’n minst die indruk [Heller 1969:9,19; Roth 1968: xxvii; Weiß 1981:137]. De operationalisering van ‘marxistische’ klassencategorieën voor gebruik in kwantitatief empirisch onderzoek is onderontwikkeld — sommigen meenden dat dit onmogelijk of zelfs overbodig zou zijn. De abstracte klassenanalytische categorieën van Marx lijken moeilijker te verbinden met concrete onderzoeksagenda’s dan de ideaaltypische constructies van Weber [Wright 1977,1978,1979,1985]. Het ‘pluralistische’ begripsrepertoire van Weber leek meer geschikt voor operationalisatie in afzonderlijke variabelen die het sociaal-statistisch onderzoek kunnen structureren.

    In empirische analyses speelt de ontcijfering van statistisch materiaal vanuit klassenanalytische gezichtspunten een belangrijke rol. Een klassentheorie die het mogelijk maakt om de sociale samenstelling van een bevolking te classificeren volgens meer of minder kunstmatig gecombineerde sociaal-statistische kenmerken, zal sterker in de gunst staan van empiristisch georiënteerde onderzoekers. De klassentheorie van Marx staat verder af van zo’n elementaristische en statistische benadering [Tjaden-Steinhauer/Tjaden [973].

  3. Tenslotte speelt ook het verschil in publicatiewijze een rol. De manier waarop Weber en Marx hun opvattingen over het klassenvraagstuk presenteerden verschilt duidelijk in kwantitatief opzicht. Weber leek daarentegen zijn opvattingen over sociale ongelijkheid en klassen te hebben neergelegd in één enkel essay en in een casuïstisch-typologisch overzicht van een aantal klassencategorieën. De begrippen klasse en klassenstrijd spelen bij Weber niet zo’n belangrijke rol als bij Marx. Bij Marx en Engels stond het klassenvraagstuk centraal, en het is slechts weinig overdreven te stellen dat men al hun teksten moet lezen om hun opvattingen te leren kennen [Benschop 1990 I, § 5].

1.2 Weber als anti-Marx of als voltooier?
De intellectuele relatie tussen Marx en Weber is “a matter of some complexity” [Giddens 1977:203] en vooral “a matter of some dispute” [Runciman 1978:4]. Overheersend is nog steeds de opvatting dat Weber het intellectueel referentiepunt is om Marx te kritiseren en een niet-marxistische alternatieve klassentheorie te formuleren [Geiger 1949; Renner 1929/1953; Parsons 1940; Runciman 1963; Dahrendorf 1963]. Degenen die de hele 20e eeuwse sociologie opvatten als een ‘debat met de geest van Marx’, hebben in deze spookachtige geschiedenis aan Weber de rol van ‘anti-Marx’ of ‘burgerlijke Marx’ (Topitsch) toegeschreven. Op het gebied van het stratificatie- en klassenonderzoek figureert Weber nog steeds als grootste tegenvoeter van Marx.

Weber’s politieke sociologie was echter niet primair een burgerlijke reactie op het marxisme [Roth 1971:227]. Ook veel auteurs die Weber als een alternatief voor Marx zagen erkennen een nauwe verwantschap. Soms interpreteren zij Weber’s bijdragen over het klassenvraagstuk als ‘uitbreidingen’ of ‘verfijningen’ van de visies van Marx. “Weber’s approach thus resulted in a refinement of Marx’s model” [Parkin 1971:18]. Een groot deel van werk van Weber zou kunnen worden opgevat als “an skilful application of Marx’ historical method” en een deel zou gezien moeten worden als een “aanvulling” op het historisch materialisme van Marx met een “politiek en militair materialisme” [Gerth/Mills 1958:46; vgl. Zeitlin 1973].

Wat zijn nu de werkelijke verschillen en overeenkomsten tussen de klassenanalytische benaderingen van Marx en Weber? Op welke punten bestaan er verschillen, hoe groot zijn die verschillen en in welke mate sluiten beide benaderingen elkaar uit? Of zijn de overeenkomsten groot genoeg om tot een snelle synthese te besluiten? Om zicht te krijgen op de complexe relatie tussen het werk van Marx en Weber moet enerzijds een onderscheid worden gemaakt tussen Weber’s beoordeling van Marx en zijn beoordeling van ‘het marxisme’ uit zijn tijd. Anderzijds moeten we er rekening mee houden dat er een —soms groot— verschil bestaat tussen Weber’s eigen kritiek op Marx(isme) en de bezwaren die door zijn theoretische erfgenamen en epigonen naar voren is gebracht.

top


2 Weber over Marx(isme)

2.1 Marx en het marxisme van de II Internationale
Een vergelijking tussen Marx en Weber stuit o.a. op de moeilijkheid dat Weber zich nauwelijks expliciet uitlaat over Marx [Kocka 1973:55]. In het begin van zijn wetenschappelijke loopbaan heeft Weber zich nauwelijks beziggehouden met de oorspronkelijke teksten van Marx en Engels. In zijn opstellen tot 1906 hield hij zich bijna uitsluitend bezig met de toenmalige, meestal ‘vulgair’ marxistische interpretaties van de opvattingen van Marx [Roth 1968:432; Giddens 1971:191 e.v.; Mommsen 1974:147].

Ondanks zijn volledig andere politieke oriëntatie nam Weber het theoretische werk van Marx zeer serieus. Het propagandistische Communistische Manifest, waarvan hij de belangrijkste stellingen afwees, beschouwde hij zelfs als een “wetenschappelijke prestatie van de eerste rang” [GASS 504].

Tussen de theorie van Marx en de interpretatie van zijn theorie door een aantal ‘ortodoxe’ erfgenamen bestaan substantiële verschillen. Veel kritieken op historisch materialisme en klassentheorie van Marx nemen als belangrijkste aanvalsdoel het hoogdravende en verarmde vulgair-marxisme [Giddens 1973:42; 1977:203]. De polemische objecten van Weber waren meestal leidinggevende sociaaldemocraten van zijn tijd, wier marxisme mechanische en sociaal-darwinistische trekken vertoonde. Rond 1891 werd het marxisme de officiële leer van de Duitse sociaaldemocratische partij. Zijn polemische dialogen richtten zich op het vulgair-marxisme dat een belangrijke rol speelde in het sociale denken in Duitsland [Roth 1963 en 1971:245; Giddens 1974; Mommsen 1974:147].

Weber kende het marxisme tenminste van de partij-agitatoren. Zijn eigen belangstelling voor de condities van de arbeiders was politiek gericht op het probleem van het winnen van opwaarts mobiele groepen arbeiders voor een ‘patriottische arbeiderspartij’. De intellectuele emancipatie van de arbeidersklasse kon volgens hem niet door de sociaal-democratische partij plaats vinden, omdat deze “het gefragmenteerde systeem van Marx als een dogma in de hoofden van de massa’s hamert” [Weber, in: Die Hilfe, 6 dec. 1896].[14]

2.2 Kritiek op het (vulgair) marxisme
De kritiek die Weber op het (vulgair)marxisme van zijn tijd leverde komt in hoofdlijnen overeen met die van Marx en Engels. We kunnen deze kritiek samenvatten in een viertal bezwaren die in de volgende paragrafen nader worden onderzocht.

  1. Weber keert zich tegen de dogmatiek van het historisch materialisme als verabsoluteerde wereldbeschouwing. Net als Marx en Engels keer hij zich zeer gedecideerd tegen terugval in elke ontologiserende en (economisch) reductionistische geschiedenisfilosofie en kritiseert hij het primitivisme van de stelling dat ideologie geheel gedetermineerd is door onderliggende economische oorzaken.

  2. Weber keert zich tegen klassenreductionisme, d.w.z. tegen de opvatting volgens welke alle sociale tegenstellingen tot klassentegenstellingen, alle sociale ongelijkheid tot klassenongelijkheid en alle sociale strijd tot klassenstrijd kunnen worden teruggevoerd (resp. hieruit kunnen worden afgeleid). Weber gaat ervan uit dat de ongelijke verdeling van levenskansen in de maatschappij meervoudig is bepaald en dat het klassenconflict slechts één van de verschillende vormen is van de oneindige strijd om heerschappij.

  3. Hoewel hij net als Marx en Engels het bezit en niet-bezit van de materiële productievoorwaarden zag als basiscategorieën van alle klassenverhoudingen keert Weber zich tegen de enkelvoudige, dichotome voorstelling van de klassenstructuur.

  4. Weber keert zich tegen de opvatting dat gemeenschappelijke klassenposities niet alleen noodzakelijke maar tegelijk voldoende voorwaarden zouden zijn voor het ontstaan van (revolutionair) klassenbewustzijn en gemeenschappelijke en georganiseerde klassenactie.

top


3 Historisch materialisme

3.1 Wereldbeschouwing of heuristisch principe
Weber erkende de buitengewone vruchtbaarheid van de materialistische methode zoals deze door Marx was ontwikkeld. Het historisch materialisme zag hij als een nuttig heuristisch hulpmiddel, maar verzette zich tegen elke poging om het als enige methode van de sociale wetenschappen te hanteren of het te verabsoluteren tot wereldbeschouwing (‘Weltformelbedürfniss‘). Marx’ interpretatie van het historisch proces als een opeenvolging van verschillende productievormen en -prijzen beschouwde hij als een sociaalwetenschappelijke hypothese waarmee belangrijke inzichten verkregen konden worden. Het historisch materialisme was voor hem echter geen objectief geldige wetenschappelijke kennis.

Het meest uitvoerig ging Weber in op het historisch materialisme in zijn opstel over De ‘objectiviteit’ van sociaalwetenschappelijke en sociaalpolitieke kennis uit 1904 [Keuze 1975:13-31]. Historisch materialisme is voor Weber een specifieke vorm van ideaaltypische constructie van het historisch proces:

De invloed van de economische bepaaldheid doet zich overal gelden [idem:30], maar men moet hiervan geen principe maken “waaruit de normen voor de oplossing van de individuele praktische problemen dan ondubbelzinnig zouden kunnen worden afgeleid” [idem:20]. Zo’n primitieve vorm van materialistische geschiedenisopvatting beheerst volgens Weber alleen nog maar de geesten van dilettanten en leken. Zij zijn tevreden met de twijfelachtigste hypothesen en vaagste gemeenplaatsen. Wanneer voor hen is aangetoond dat economische oorzaken een zekere rol spelen bij de causale verklaring van historische verschijnselen, dan is er voldaan aan hun behoefte aan dogmatische zekerheid. Hun ‘behoefte aan wereldformules’ is bevredigd: “economische ‘krachten’ zijn dan weer de factoren die ‘eigenlijk’, ‘in waarheid’, ‘uiteindelijk altijd de doorslag geven’” [idem:34].

De onuitroeibare hang naar een monistisch systeem is volgens Weber kenmerkend voor het onkritische denken. Bijna alle wetenschappen —van de filosofie tot aan de biologie— hebben zich wel eens opgeworpen als discipline die niet alleen specialistische kennis, maar ook ‘wereldbeschouwingen’ konden leveren. Dat is ook het geval geweest met de materialistische geschiedenisopvatting. Wetenschappelijk gezien is opvatting van het historisch materialisme, volgens welke “het ‘economische’ op de een of andere manier hoe dan ook het ‘laatste’ is in de oorzakenreeks”, volledig uitgeput [GASS:456].

Voor zover ‘marxisme’ zich aandiende in de pseudo-wetenschappelijke gedaante van een wereldbeschouwing dat zijn aanhangers niet alleen een geprivilegieerde toegang tot ‘de waarheid’ biedt, maar ook nog met wetenschappelijke zekerheid de uiteindelijke overwinning lijkt te garanderen, wees Weber dit zeer beslist van de hand [Fischoff 1968:354 e.v.; Mommsen 1974:151]. Weber accepteert het historisch materialisme als heuristisch principe

3.2 Tegen de frase van het historisch materialisme
Wanneer men de kritiek van Weber op het historisch materialisme als wereldbeschouwing opvat als ‘Marx-kritiek’, dan is zijn uiteenzetting op z’n minst tamelijk ongedifferentieerd [Ashcraft 1972; Kocka 1973; Mommsen 1974]. Zijn opvatting komt in grote lijnen overeen met de bezwaren die Marx en in het bijzonder ook Engels naar voren brachten tegen tijdgenoten die van hun opvattingen een ‘marxisme’ construeerde waarin slechts een ‘frase van het historisch materialisme’ overbleef. Deze kritiek is onder andere verwoord in een aantal brieven van Friedrich Engels.

Samengevat is de stelling van Engels: onze geschiedenisopvatting is in de eerste plaats een leidraad bij het historisch onderzoek, geen hefboom waarmee men willekeurige constructies kan plegen; zij is geen voorwendsel om de geschiedenis niét te bestuderen. Meer dan de stelling dat de productie en reproductie van het werkelijke leven in de geschiedenis het moment is dat in laatste instantie bepalend is, hebben Marx noch ik ooit beweerd. Als men deze stelling zo verdraaid dat het economisch moment het enig bepalende is en dat men de wisselwerking van ongelijke krachten vergeet, dan maakt men van de materialistische geschiedenisopvatting een nietszeggende, abstracte, absurde frase. Deze frases worden met name gebruikt door ‘al te veel’ jonge studiosus, die hun eigen betrekkelijk gebrekkige historische kennis denken te compenseren door de constructie van ‘een systeem’. Hun opdringerigheid en zelfvoldaanheid is een teken van gebrekkige bestudering van oorspronkelijke bronnen, zij lezen alles uit de tweede hand. “Wat deze heren allen ontbreekt is, dialectiek ... Voor hen heeft Hegel nooit bestaan.”

3.3 Economisch determinisme
Kritiek op het historisch materialisme neemt in het werk van Weber geen dominante plaats in, zijn wetenschappelijke en politieke kritiek richt zich primair op de vulgarisaties ervan [Roth 1968:lxix]. Hij keert zich tegen de dominerende mechanisch-monocausale theoretische opvattingen van zijn tijd en meer in het bijzonder tegen de vulgair marxistische doctrine van het ‘economisch determinisme’.

Weber pleit niet voor een pluralistische interdependentietheorie. Volgens hem was het onmogelijk —en onredelijk— om verder te gaan dan het inductief construeren van ‘ideaaltypische modellen’. Met behulp van dergelijke modellen kan men bepaalde historische processen beschrijven en hun sociale werkingen en gevolgen analyseren. Methodologisch gezien was het volgens hem een fictie om het begrip van objectiviteit van het historisch proces te hanteren. Zijn principiële premisse was dat het historisch proces op zich genomen zinloos is. In tal van uitlatingen neigt Weber ertoe de sociale werkelijkheid als een chaotische, niet-gestructureerde situatie op te vatten [WL:177,130,184, 213 e.v.]. Jürgen Kocka [1973] geeft hierover een uitstekende uiteenzetting.

Theorievorming kon volgens Weber ideaaltypisch plaats vinden. Zijn methode van het ‘atomistisch isoleren’ impliceert dat elk complex verschijnsel in zijn componenten wordt uiteengerafeld. Elk van die componenten kan achtereenvolgens als onafhankelijke variabele in de analyse worden ingevoerd. Daarbij wordt steeds de werking nagegaan van deze variabele op de andere —afhankelijke— variabelen. Langs deze weg zou het uiteindelijk mogelijk zijn om de onderscheiden werkingsgraad, het ‘soortelijk gewicht’ te bepalen van elk van de componenten op het actuele historische verloop.

Tegen dit zgn. ‘pluralistisch agnosticisme’ (Fischoff) zijn drie bezwaren ingebracht. Ten eerste zou het een oneindige taak, en daarom een niet uitvoerbaar program zijn. Ten tweede zou deze richtlijn het onmogelijk maken om de onderlinge relaties tussen de factoren te bepalen (d.w.z. de beïnvloedingsgraad van de afzonderlijke factoren), noch van hun variatie in tijd. Tenslotte zouden Weber’s voorstellen te veel ruimte laten voor persoonlijke, voorwetenschappelijke voorkeuren bij de keuze en de karakterisering van de beslissende historische feiten afzonderlijk [Fischoff 1968].

De aan Weber toegeschreven ‘pluralistische interdependentie’-opvatting is echter een methodisch werkprincipe en geen theoretisch dogma. Zijn uitgangspunt is dat sociale verschijnselen en cultuurprocessen geanalyseerd dienen te (resp. kunnen) worden vanuit “het specifieke gezichtspunt van hun economische bepaaldheid en draagwijdte” [zie de anti-kritieken bij de Protestantse Ethiek]. Weber was geen theoretische grondlegger van de zgn. ‘sociologische factorentheorie’, d.w.z. een eenvoudige of gecompliceerde wisselwerkingsopvatting waarin de verschillende aspecten of structurele ordeningsniveaus van het maatschappelijke leven principieel als autonoom en gelijkwaardig worden opgevat.

Sociologische factorentheorie
De sociologische factorentheorie vormde het doelwit van een aantal marxistisch geïnspireerde kritieken. Volgens G.W. Plechanow bewijst de sociologische factorentheorie niets; ze scheidt op willekeurige wijze de verschillende kanten van het maatschappelijk leven van elkaar en hypostaseert ze. Dit leidt tot een geatomiseerd en verdinglijkt beeld van de maatschappelijke werkelijkheid. De sociaalhistorische factor is een abstractie.

De opvatting daarvan ontstaat langs de weg van abstraheren. Via het abstraheren nemen de verschillende kanten van het maatschappelijk geheel de vorm aan van geïsoleerde categorieën, en de verschillende uitingen en uitingsvormen van de maatschappelijke mens —moraal, recht, economische vormen enz.— worden in onze hoofden tot bijzondere krachten, die deze activiteit lijken voort te brengen en te bepalen, die verschijnen als hun laatste oorzaken [Plechanow 1958:11].

De synthese die uit deze geïsoleerde abstracties wordt vervaardigd, is slechts een uiterlijke synthese, waarin de wederkerige afhankelijkheid van de in abstractie geïsoleerde factoren formeel of mechanisch-causaal is [Kosik 1967]. Theoriehistorisch wordt in deze kritieken teruggegrepen op passages van Hegel, waarin deze zich keert tegen geleerden die zelfgenoegzame frases over de wisselwerking ten beste geven. Volgens Hegel staat de categorie van de wisselwerking “op de drempel van het begrip”, maar vormt niet het begrip van de zaak zelf [Hegel, Enzyclopadie der Wissenschaften, § 156:346 e.v. Zie verder de ‘klassieke’ teksten van Plechanow 1894/1956:22].

Plechanow, Labriola e.a. thematiseerden de sociologische factorentheorie als een —meer of minder gesystematiseerde— ideologische opvatting van de ‘oppervlakte van de burgerlijke maatschappij’. De maatschappelijke samenhang manifesteert zich aan oppervlakte als een ‘verdinglijkte’ uiterlijke correlatie van de verschijningsvormen van de maatschappelijke verhoudingen [A. Labriola, Del materialismo storico, Hft. vi en viii].

Kenmerkend voor burgerlijke ideologie is volgens deze auteurs dat zij begripsloos de oppervlaktestructuur van de burgerlijke maatschappij reproduceert. Burgerlijke ideologie (als noodzakelijk, verdraaide maatschappelijke bewustzijnsvorm) categoriseert en systematiseert de gemystificeerde oppervlaktevormen; zij is daarom niet in staat om de relaties met de ‘innerlijke samenhang’ resp. de ‘kernstructuren’ van de kapitalistische productie- en klassenverhoudingen transparant te maken [Vonderach 1974:7].

Kernpunt van kritiek op pluralistische interdependentie of sociologische factorentheorieën is: a) dat zij de bepalende rol van de materiële maatschappelijke productie- en reproductieverhoudingen negeren en b) dat zij voorbijgaan aan de immanente samenhang tussen de verschillende momenten van het maatschappelijke leven in het algemeen.

Het theorieprogram van het historisch materialisme [Eder 1973; Habermas 1976] lijkt zich te onderscheiden van een pluralistische interdependentietheorie door de volgende twee postulaten:

  1. Een algemene theorie van de immanente samenhang van de maatschappelijke sferen. De veelvoud van relaties tussen de verschillende momenten van het maatschappelijk geheel moeten eerst worden ondervraagd op hun systematische plaats (‘plaatswaarde’, ‘soortelijke gewicht’) voordat zij als bepalende gronden van bijvoorbeeld klassenstructurering kunnen worden gebruikt in een empirische analyse van de relaties tussen sociale klassen.
  2. Een algemene theorie van de determinatie ‘in laatste instantie’ van de samenleving als geheel — niet door ‘economische factoren’, maar door de historisch-specifieke structuurkenmerken van de economische productie- en reproductieverhoudingen. Elementen zoals ‘economische situatie’, ‘maatschappelijke positie’, plaats in ‘prestatiehiërarchieën’ of verdelingen van ‘politieke macht’ hebben slechts een relatieve zelfstandigheid binnen en op grond van een specifieke productiewijze, binnen het kader, en op basis waarvan ze functioneren en elkaar wederzijds doordringen en beïnvloeden.

Laten we een voorlopige conclusie trekken. Weber nam het historisch materialisme als frase onder vuur en was zelf uiterst voorzichtig met het hanteren van leidraden voor historisch onderzoek. Enerzijds kunnen de kritieken van Weber niet zomaar worden uitgespeeld tegen de postulaten van het historisch materialisme. Daarvoor had hij niet alleen te veel bewondering voor de historisch materialistische leidraad van Marx en Engels — hij paste de basispremissen van de materialistische geschiedenisopvatting zelf vaak vruchtbaar toe. Anderzijds moet men Weber geen pluralistische interdependentietheorie in de schoenen schuiven. Zijn atomistische wijze van isoleren en ideaaltypische begripsvorming was methodisch werkprincipe, geen substantiële theorie over algemeen maatschappelijke samenhangen [Kocka 1973].

top


4 Tegen klassenreductisme en economisme

4.1 Betwist auteursrecht
Weber wordt meestal beschouwd als architect van de driedimensionale stratificatieanalyse: klasse-status-macht. Aan hem wordt het auteursrecht toegeschreven op de gedachte dat er fundamenteel onderscheid bestaat tussen ‘economische’, ‘sociale’ en ‘politieke’ ongelijkheid als analytisch onafhankelijke dimensies van sociale stratificatie. Deze opvatting werd en wordt nog steeds herhaald in veel sociologische studies en leerboeken.

Herhalen doet geloven
“De multi-dimensionele benadering van stratificatie in zijn huidige vorm heeft zijn oorsprong in het werk van de duitse socioloog Max Weber, die in een kort essay dat postuum werd gepubliceerd in het begin van de jaren 20, met name twee belangrijke overwegingen aanduidde: a) dat er verscheidene dimensies van stratificatie zijn die analytisch uit elkaar moeten worden gehouden, en b) dat de posities die iemand in deze separate dimensies inneemt niet noodzakelijk identiek zijn en vaak disparaat” [Milton M. Gordon 1950/1963:13].

“Van Aristoteles via Marx tot Warner hebben de meeste sociaalfilosofen en sociale wetenschappers de vertikale structuur van menselijke groepen beschreven als een enkele hiërarchie, waarin elk lid een enkele positie inneemt. Onder de verschillende exponenten van dit traditionele schema bestond er weliswaar niet altijd overeenstemming over de specifieke kenmerken, ...maar toch deelden zij allen het concept van een eendimensionale structuur. Sinds de dagen van Max Weber is deze traditionele werkwijze door een toenemend aantal sociologen gekritiseerd, met het argument, dat de eendimensionale beschouwingswijze inadequaat is voor de beschrijving van complexe groepsstructuren, dat de structuur van menselijke groepen normaler wijze de coëxistentie van een aantal parallel lopende vertikale hiërarchieën impliceert, die gewoonlijk slechts onvolkomen met elkaar correleren” [Gerhard Lenski 1954:405; vgl. 1966:413].

“Aan Weber moet worden toegeschreven dat hij een multidimensionale benadering voor stratificatie heeft geïntroduceerd, waarin hij een grotere nadruk dan Marx legt op niet-economische overwegingen. Weber vestigde de aandacht op drie dimensies, of hiërarchieën van stratificatie: klasse, status en macht, die hij verbond met de economische, de sociale en de juridisch-politieke aspecten van. de maatschappelijke structuur. Verder merkte Weber op dat elk van deze hiërarchieën collectieve referenties heeft, die hij klassen, statusgroepen en partijen noemde” [Mark Abrahamson/Ephraim H. Mizruchi/Carlton A. Hornung 1976:487].

De hier geciteerde passages zijn exemplarisch. Vergelijkbare beoordelingen treft men aan in de vroegere studies van Runciman [1968] en Giddens [1971:163]. Zie voor de Nederlandse sociologen bijvoorbeeld Berting [1965], De Jager/Mok [1973:144], Vuysje [1977:13/14].

Nu behoren twisten over auteursrechten op theorieën zoals bekend niet tot de meest verheven hoofdstukken uit de geschiedenis van de sociale wetenschappen. Ze behoren zeker niet tot de meest creatieve episodes, omdat ze voornamelijk ijdelheids- en geen wetenschappelijke belangen dienen. Het aan Weber toegeschreven ven auteurschap van de driedimensionale stratificatietheorie berust echter op een “apparant misreading of Max Weber” [Goldthorpe/Bevan 1977:280].

Het was niet Weber maar de auteurs die zich op Weber beriepen die ‘macht’ als een onderscheiden element of dimensie van sociale stratificatie hebben geïsoleerd. Ook al zijn Weber’s formuleringen op dit punt niet altijd even helder en consistent [zie hoofdstuk III. § 6] — ‘macht’ wordt door Weber niet opgevat als een afzonderlijke dimensie van sociale stratificatie. ‘Klasse’, ‘stand’ en ‘partij’ zijn verschijnselen van machtsverdeling binnen de gemeenschap; het zijn drie typische, relatief onafhankelijke sociale arrangementen die als potentiële handelingscollectieven kunnen fungeren [Parkin l971:44 e.v.; Kirchberger 1975:121; Kreckel 1976; 1982:620; Breen 2005].

Bedenkingen bij Weber’s intellectuele vaderschap van de driedimensionale stratificatietheorie werden al in 1950 door Oliver C. Cox naar voren gebracht. Hij wees erop dat steeds wordt beweerd dat Weber’s zogenaamde bijdrage aan het multidimensionale stratificatieonderzoek van wezenlijke betekenis is, maar dat ze nooit wordt geciteerd. Als de Amerikaanse stratificatie-onderzoekers de ‘bijdrage’ van Weber gelezen zouden hebben, dan zouden zij volgens Cox deze beweringen moeilijk hebben kunnen volhouden [Cox 1950:223]. Aan deze bedenkingen werd lange tijd geen aandacht besteed.

4.2 Multidimensionaliteit van sociale ongelijkheid

4.2.1 De premisse
Ook al kunnen sociologische stratificatietheorieën moeilijk in een hoed worden gevangen, zij hebben waarschijnlijk toch één vooronderstelling gemeen. Hun programmatische premisse is dat men voor een definitie van sociale ongelijkheid niet één dimensie als grondslag kan hanteren, omdat er een veelvoud van kenmerken bestaat waardoor sociale ongelijkheid wordt geconstitueerd [Kirchberger 1975:26 e.v.,28,120,129 e.v.].

De ‘bronnen’ of ‘vormen’ van sociale ongelijkheid worden meestal behandeld onder de titel dimensies van sociale ongelijkheid. Of het nu is omdat spaarzaamheid in de omgang met categorieën bij een systematische analyse voordelig is, of omdat er uitgesproken voorkeuren bestaan voor begripsmatige driehoeksverhoudingen, in de meest theorieontwerpen worden drie hoofddimensies onderscheiden:

Heilige Drie-Eenheden
Economie Politiek Cultuur
Rijkdom Macht Kennis
Arbeid Heerschappij Taal
Klasse Macht Status

Het evalueren of verklaren van sociale ongelijkheden lijkt alleen mogelijk wanneer zij worden onderscheiden door te refereren aan een van deze separate dimensies [Runciman 1966:36]. Meestal wordt er daarbij van uitgegaan dat deze dimensies of kenmerken logisch van elkaar onafhankelijk zijn en wederzijds equivalent zijn [Hradil 1983:104].

In de vakliteratuur wordt vaak aan deze dimensies gerefereerd, maar dit staat in omgekeerd evenredige verhouding met de uitwerking van een overtuigende theoretische fundering hiervan [Kreckel 1976:341]. Opvallend weinig onderzoekers hebben zich ingespannen om een samenhangend theoretisch referentiekader te definiëren waarbinnen verschillende soorten sociale ongelijkheid geclassificeerd kunnen worden.

4.2.2 Kritiek op de multidimensionale benadering
De paradox van de multidimensionale stratificatiestudies is dat hun programmatische premisse niet of nauwelijks theoretisch wordt beargumenteerd of gefundeerd. Bezwaren tegen deze premisse worden meestal beantwoord met min of meer plausibele verwijzingen naar ‘de werkelijkheid‘: de werkelijkheid is nu eenmaal meerdimensionaal [Kirchberger 1975:129]. Wie daaraan waagt te twijfelen staat al snel onder de verdenking dat hij metafysica bedrijft of te simpel van geest is om de complexiteiten van de maatschappelijke levensverhoudingen te begrijpen.

Het voordeel van een multidimensionale benadering zou zijn dat dit de enige mogelijkheid is vat te krijgen op de veelvoud van oorzaken en verschijningsvormen van sociale ongelijkheden in gedifferentieerde maatschappijen, en om statusinconsistenties en empirische samenhangen tussen ongelijkheden te onderzoeken [Mayntz 1958; Geiger 1962:196]. Toch zijn er tegen deze multidimensionaliteitsthese een aantal serieuze bezwaren in te brengen.

  1. Logisch niet uitputtend
    Het driedimensionele stratificatiesysteem zeker niet logisch uitputtend. Vanuit de algemene vooronderstellingen van het stratificatieonderzoek is eigenlijk weinig in te brengen tegen het introduceren van een vierde of n-de dimensie van sociale ongelijkheid. Ook door Runciman werden hiertegen geen overtuigende argumenten aangevoerd [Runciman 1963:33]. Hierbij kan men denken aan de door Kaara Svalastoga geïntroduceerde dimensie van ‘informationele status’ [Svalastoga 1965:15-35] of aan de door Bader/Benschop [1988] nog veel verder gedifferentieerde analyse van positionele en allocatieve vormen van sociale ongelijkheid.

  2. Logisch onafhankelijk en wederzijds equivalent
    De multidimensionale stratificatieanalyse gaat er vanuit dat er verschillende dimensies van stratificatie zijn die analytisch gescheiden moeten worden en dat deze dimensies logisch van elkaar onafhankelijk zijn. Het gaat om ‘separate dimensies’ [Gordon 1950:13], ‘logisch autonome concepten’ [Runciman 1968:28], ‘parallel lopende verticale hiërarchieën’ [Lenski 1954:405].

    Bovendien zouden deze dimensies in principe wederzijds equivalent zijn. Dit impliceert dat het mogelijk zou zijn om één van deze drie (of meer) dimensies te selecteren en als een volkomen autonoom object van empirisch onderzoek te behandelen, zonder rekening te houden met de andere dimensies. De tendens om de optiek van het stratificatieonderzoek te beperken tot de prestigedimensie, vind hierin z’n methodologische legitimatie. Begripsmatig pluralisme is dus zeker geen voldoende theoretisch tegenwicht voor de unidimensionele modellen van stratificatie.

  3. Empirische willekeur en circulariteit.
    In het concept van het driedimensionele stratificatiesysteem worden geen begripsmatige verbindingen gelegd tussen ‘klasse’, ‘status’ en ‘macht’. Wanneer deze noodzakelijke verbindingen begripsmatig onzichtbaar blijven, wordt het echter ook onmogelijk om empirisch contingente connecties te leggen tussen deze drie dimensies [Ingham 1970:105-13]. De ruimte voor willekeur, terugval in voor-wetenschappelijke voorkeuren, terminologieën en de taal van afzonderlijke wetenschappers blijft zo onnodig groot [Doreian/Stockman 1969; Tjaden-Steinhauer-Tjaden 1970:645].
      “Maatschappijbeeld en methodisch-empirische werkwijze veronderstellen elkaar, maar wanneer theorie als verbinding tussen beide wegvalt en niet meer de maatschappelijke kwaliteit van het onderzochte wordt beoogt, dan beeldt in de empirische methode de sociologie nog slechts de vooronderstellingen van die methode af” [Lenders e.a. 1976:121].

  4. Fixatie op distributieve aspecten.
    Kenmerkend voor een belangrijk deel van de stratificatietheorieën is dat zij opereren met een gradueel en distributief begrip van sociale ongelijkheid. Sociale ongelijkheid wordt gereduceerd opgevat als ongelijke verdeling van afzonderlijke eigenschappen van (kunstmatig) gescheiden subjecten. Hierdoor verdwijnt het zich op sociale ongelijkheid als een structuur van asymmetrische sociale relaties, welke natuurlijk zelf weer als resultaat van ongelijke verdeling van bronnen kan worden opgevat [Ingham 1970:105 e.v.). Sociale ongelijkheid wordt dus voorgesteld als continuŁm, als een schaal van gradaties. Hierdoor komt sociale ongelijkheid slechts in het vizier als ‘ongelijke deelname aan hetzelfde’; de levenssituatie van individuen wordt bepaald door hun relatieve positie op hetzelfde rangskala. Hierdoor verdwijnt het zicht op mogelijke breukvlakken die zijn verankerd in antagonistische verhoudingen van gestructureerde sociale ongelijkheid [Baldus 1975; Lenders e.a. 1976:121,239; Hradil 1933:106]. En hierdoor wordt in het bijzonder het zicht ontnomen op vormen van sociale ongelijkheid die verankerd zijn in exploitatieve arbeidsverhoudingen (klassenongelijkheid).
      Het verschil tussen graduele en relationele klassentheorieŽn wordt behandeld door: Ossowski [1962], Parkin [1979:11], Wright [1979:5] en zeer uitvoerig door Benschop [1993: hft. I § 3.4].

4.3 Geritualiseerde bezwaren tegen de eendimensionale maatschappijopvatting
Een van de meest zwaarwegende en herhaalde bezwaren tegen de klassentheorie van Marx en de marxistische theoretische traditie in het algemeen is dat zij ‘eenzijdig’ of ‘eendimensionaal’ is. Alleen al het feit de vertegenwoordigers van deze stroming hun samenleving aanduiden als een klassenmaatschappij zou hiervoor een bewijs zijn. Zo’n karakterisering doet op geen enkele wijze recht aan de veelvoudige gelaagdheid en complexiteit van de moderne samenleving. Kenmerkend voor de marxistische klassentheorie zou zijn dat de sociale structuren slechts geanalyseerd worden vanuit één factor of dimensie, nml. de economische klassendimensie. Dit ‘pan-economistisch determinisme’ (Geiger) levert een ondercomplex en vertekent beeld op van de veelvormige sociale werkelijkheid. De complexe opbouw van het sociale leven laat zich immers niet adekwaat beschrijven vanuit die ene dimensie. Elke poging om eendimensionaal te werk te gaan leidt tot een gereduceerd en schematisch verwrongen beeld van de sociale werkelijkheid.

Dergelijke kritieken op de klassentheorie van Marx zijn deels louter uitingen van ideologische preoccupaties van hun auteurs en kunnen daarom moeilijk tekstkritisch worden getoetst. Ten dele zijn zij eenvoudig ongeïnformeerd en kunnen zij gemakkelijk worden weerlegd door specifieke verwijzingen naar teksten van Marx. Deels raken zij echte problemen in de structuur van de theorie van Marx of van de marxistische onderzoekstraditie. Dit laatste is natuurlijk inhoudelijk gezien het meest interessant. In de afgrenzingen tegenover de marxistische benadering worden meestal twee verschillende bezwaren met elkaar vermengd: (a) bezwaren tegen een eendimensionale analyse van het gehele complex van sociale ongelijkheden (klassenreductionisme) en (b) bezwaren tegen het eendimensionale karakter van het klassenbegrip zelf (economisme). Ik zal beide problemen hier afzonderlijk bespreken.

4.4 Sociale ongelijkheid en klassen: klassenreductionisme?
De structuren van sociale ongelijkheid zijn geen unidimensionaal gestratificeerd geheel. Eendimensionaal zijn benaderingen waarin sociale ongelijkheid wordt gereduceerd tot ongelijkheid van ‘materiële rijkdom’, tot ongelijkheid van ‘macht’, ‘prestige’, ‘posities in organisaties’ etc. Eendimensionaal zijn theorieën die sociale ongelijkheid uitsluitend gefundeerd zien in ‘productieverhoudingen’, in ‘politieke beslissingsverhoudingen’, in geformaliseerde ‘posities in organisaties’ etc. In deze formele zin is natuurlijk elke ook maar enigszins bruikbare theorie van gestructureerde sociale ongelijkheid ‘meerdimensionaal’.

Sociale ongelijkheid is niet identiek met klassenongelijkheid en laat zich hiertoe ook niet reduceren; maatschappelijke tegenstellingen zijn niet identiek met klassentegenstellingen en laten zich hiervan ook niet totaal afleiden; en maatschappelijke strijd is ook een breder begrip dan klassenstrijd. Dit inzicht kan men echter moeilijk tégen Marx of de marxistische klassentheorie inbrengen. Dat niet alle vormen van sociale ongelijkheid tot klassenongelijkheid gereduceerd kunnen worden, was ook Marx bekend en hij verdedigde niet de stelling dat alle sociale conflicten verklaard kunnen worden in termen van klassenantagonismen.

Marx ging er van uit dat in empirisch-historische maatschappijen de klassenverhoudingen altijd gecombineerd zijn met en doorkruist worden door tal van andere maatschappelijke tegenstellingen en ongelijkheidsstructuren. Raciale, etnische, seksuele, nationale, religieuze e.a. splitsingslijnen overwoekeren en doorkruisen ook in burgerlijke maatschappijformatie de ‘zuivere’ tegenstellingen tussen de sociale klassen zoals die door de kapitalistische productiewijze worden gegenereerd. De ‘naakte’ klassenstructuren komen daarom nooit zuiver aan de oppervlakte [Marx, MEW 25:799 en 892]. Een klassenreductionistische miskenning van dit feit, treft men hooguit aan in extreem gevulgariseerde, mechanische ‘marxismen’.

De vraag is niet of het geheel van de maatschappelijke structuren en tegenstellingen herleid kan worden tot klassentegenstellingen resp. of het geheel van de sociale structuren volledig kan worden afgeleid van klassenverhoudingen. Het probleem is in hoeverre de ongelijkheidsverhoudingen primair of dominant worden gestructureerd door klassentegenstellingen. Marx en Engels hebben nooit de stelling verdedigd dat alle structuren van sociale ongelijkheid en alle maatschappelijke conflicten die hieruit voortvloeien kunnen worden herleid tot (resp. afgeleid van) klassentegenstellingen. Hun stelling was dat in antagonistische (d.w.z. op uitbuiting gebaseerde) maatschappelijke formaties de klassenverhoudingen het dominante structureringsprincipe vormen van maatschappelijke tegenstellingen, maar dat de klassenongelijkheid die hieruit voortvloeit veelvoudig is bemiddeld door andere maatschappelijke tegenstellingen. Sociale structuuranalyse van het kapitalisme en andere klassenformaties moet daarom fundamenteel worden opgevat als klassenanalyse.

Dit betekent niet dat klassenanalyse identiek is met sociale structuuranalyse in het algemeen. Het betekent slechts —hoewel dat voor sommigen al te veel is— dat klassespecifieke ongelijkheids- en afhankelijkheidsverhoudingen het archimedisch centrum zijn waardoor andere sociale ongelijkheidsverschijnselen zijn gestructureerd. Indien en voor zover maatschappijen zijn gemodelleerd volgens antagonistische klassenverhoudingen, moet analyse van de sociale structuur beginnen als klassenanalyse. Men hoeft er geen (primitieve of elegante) klassenreductionistische opvattingen op na te houden wil men dit als zinvol uitgangspunt hanteren van een sociaalwetenschappelijke onderzoeksstrategie.

De klassensplitsing is een specifieke structuurvorm van sociale ongelijkheid. Het is begripsmatig verwarrend om het klassenbegrip zo breed of integraal (‘katholiek’) op te vatten dat het alle gestructureerde sociale ongelijkheid omvat. De vermenging van meerdere precieze begrippen tot een onbepaald allesomvattend begrip heeft voor wetenschappelijke analyse zoals bekend nog nooit iets opgeleverd.

Poulantzas [1974], Bourdieu [1979], Parkin [1079] e.a. hanteren een een synthetische klassedefinitie, waarin tegelijkertijd ‘economische’, ‘politieke’ en ‘ideologische’ criteria zijn vervat. Het voordeel hiervan zou zijn, (a) dat het gevaar van ‘economisme’ wordt vermeden, (b) dat raciale, etnische, seksuele, religieuze e.a. maatschappelijke splitsingslijnen direct in de klassenanalyse kunnen worden geïncorporeerd, en (c) dat het hierdoor mogelijk wordt de theoretische kloof te overbruggen tussen structureel gedefinieerde klassen en de feitelijke sociale en politieke krachten die in een specifieke samenleving actief zijn. Door de introductie van ‘politieke’ en ‘ideologische’ criteria in de klassedefinitie wordt het begrip echter zover opgeblazen dat het de primaire rol van de exploitatieverhoudingen in de analyse van de klassenverhoudingen ondermijnt [Cottrell 1984; Benschop 1993: hft. 6].

De voorstanders van zo‘n breed klassenbegrip en integrale klassenanalyse gaan —meestal impliciet— uit van de vooronderstelling dat klassenanalyse gelijk gesteld kan worden met de analyse van sociale ongelijkheid in het algemeen. Bovendien vermengen zij daarbij de vraag naar de structurering van klassenposities (wat zijn klassen?) met de vraag van de rekrutering van individuen op die klassenposities (welke individuen worden op grond van welke criteria uitgesloten of juist toegelaten tot specifieke klassenposities?). Tenslotte dragen synthetisch totaliserende definities van maatschappelijke klassen er evenmin toe bij dat de kloof tussen (structureel gedefinieerde) klassenposities en politieke handelingscollectieven theoretisch wordt overbrugd. Daarom is het van belang de theoretische status van het klassenbegrip en de reikwijdte van een klassenanalyse nauwkeuriger af te bakenen.

4.5 Productie en klassen: economisme?
De alternatieven die worden aangedragen voor de veronderstelde eendimensionaliteit van de marxistische klassentheorie bewegen zich meestal in twee richtingen: (a) het klassenbegrip wordt helemaal prijsgegeven en het wordt vervangen door sociale laag of statusgroep, of (b) er worden een reeks 'aanvullende' bepalingen aan de economische klassenbepaling toegevoegd. In het laatste geval wordt niet alleen de positionaliteit in de historisch specifieke wijze van productie en toeëigening van meerarbeid in de definitie van maatschappelijke klassen betrokken, maar (aanvullend of uitsluitend) ook bijvoorbeeld technische arbeidsdeling, beroepenstructuur, verdeling van politieke en sociale macht levensgewoonten en -stijlen, mentaliteit van de bevolking e.d.
Een tweede type bezwaar richt zich tegen het eendimensionale karakter van het marxistische klassenbegrip zelf: Marx’ concept van de ‘economische determinatie van de klassesituatie’ is “te reductionistische om succesvol te zijn” [Bendix 1974:152] en zou derhalve verbreed moeten worden.

In feite gaat het daarbij steeds om twee samenhangende vragen:

Met Weber gaat Marx ervan uit dat een klasse wordt geconstitueerd door economische belangen. De centrale vooronderstelling van Marx’ theorie is dat de basis van de sociale klassen in een kapitalistische maatschappij primair is gelegen in het exploitatieve karakter van maatschappelijke organisatie van de arbeid. In de marxistische onderzoekstraditie refereert het klassenbegrip dus primair aan differentiële posities in de structuur van een historisch specifieke productiewijze, d.w.z. in uitbuitingsprocessen.

Klassenposities worden door Marx gethematiseerd als structurele posities in maatschappelijke arbeidsprocessen die gedefinieerd zijn door de feitelijke beschikkingsmacht over productieve bronnen en welke gekenmerkt worden door uitbuitingsverhoudingen. Klassenposities worden van elkaar onderscheiden door de differentiële functies van de productie-actoren in het proces van productie en toeëigening van het maatschappelijk meerproduct. In alle antagonistische maatschappijformaties worden de hoofdklassen geconstitueerd in het proces van toeëigening van meerarbeid: de producenten van meerarbeid als uitgebuite klasse, de toeëigenaars van meerarbeid als uitbuitende klasse. In het onderzoek van de kapitalistische klassenstructuren wordt het klassenconstituerende proces van toeëigening van meerarbeid gespecificeerd door analyse van het meerwaardevormingsproces: klassenverhoudingen zijn productieverhoudingen die geïmpliceerd zijn in het proces van meerwaarde-extractie.

Met grote nadruk stelt Marx dat een wetenschappelijke analyse van de sociale klassenverhoudingen alleen systematisch mogelijk is wanneer men vasthoudt aan dit analytisch vertrekpunt bij de ‘vormbepalingen’ van de maatschappelijke organisatie van de arbeid [Marx, Grundrisse:914]. In dat opzicht is zijn klassentheorie ‘eendimensionaal’. Maar daarbij wordt veel te vaak —bijv. door Elias 1971:159 e.v.— over het hoofd gezien dat dit referentiepunt zelf al zeer complex is. Zelfs op dit abstracte analyseniveau zijn de zaken nog niet zo simpel. In ieder geval niet zo simpel dat een klassenanalyse gereduceerd kan worden tot de vraag: bezit of niet-bezit van de productiemiddelen. Voor alledaags taalgebruik en communicatie mag het dan misschien wel handig zijn om gebruik te maken van eenvoudige samenvattende definities (‘bezit en niet-bezit van de productiemiddelen’, ‘relatie tot de productiemiddelen’), maar dit kan en heeft ook bijgedragen aan grove versimpelingen - ook binnen de marxistische traditie.

De ‘eendimensionaliteit’ van dit klassenbegrip bestaat alleen op het hoogste abstractieniveau waarop deze theorie is geformuleerd, d.i. op het analytische niveau van de kapitalistische productiewijze. Op dit hoogste abstractieniveau worden alleen uitspraken gedaan over de algemene structuur en dynamiek van de ‘zuivere’ kapitalistische productie- en klassenverhoudingen. Er worden stellingen en hypothesen geformuleerd over de wijze waarop de maatschappelijke organisatie van de arbeid een structuur van ‘lege plaatsen’ in exploitatieverhoudingen (=klassenposities) bepaald. De verhouding tussen loonarbeid en kapitaal en de daarin geïmpliceerde sociale klassenpersonificaties hebben —op dit analytische niveau— nog geen geslacht, geen leeftijd, geen huidskleuren geen geloof. In deze eerste fase van systematische analyse van de klassenverhoudingen doen daarom raciale, seksuele, nationale, religieuze e.a. splitsingen nog niet ter zake. Bovendien wordt daarbij theoretisch verondersteld dat de wetten van de kapitalistische productie en accumulatie zich zuiver ontwikkelen. Marx wist heel goed dat kapitalistische klassenverhoudingen in werkelijkheid nooit zo zuiver, maar juist zeer complex en gedifferentieerd zijn. “In werkelijkheid bestaat altijd slechts toenadering; maar deze toenadering is groter naarmate de kapitalistische productiewijze is ontwikkeld en des te meer haar verontreiniging en verknoping met resten van vroegere toestanden is geëlimineerd” [MEW 25:184].

Bij Marx en Engels vinden we geen enkelvoudig dichotoom, maar een antagonistisch model van klassenanalyse. Alleen op het hoogste abstractieniveau van een ‘zuivere’ productiewijze is er sprake van twee (en niet meer dan twee) hoofdklassen. Uitgaande van de basistegenstellingen van de kapitalistische productiewijze wordt de complexiteit van de klassenverhoudingen in de burgerlijke maatschappij geanalyseerd. Het theoretisch object van de analyse van een kapitalistische maatschappijformatie is complexer omdat daarbij in ieder geval ook rekening gehouden moet worden (a) met het specifieke ontwikkelingsstadium van de kapitalistische productiewijze; (b) met het bestaan andere productiewijzen binnen een dominant kapitalistische maatschappijformatie (niet-kapitalistische warenproductie en -handel; staatsproductiewijze e.d.) die de grondslag vormen van de coëxistentie van meerdere klassen (zoals kleinburgerij, loonafhankelijke middenklassen en loonarbeiders van de staat); (c) met diverse interne differentiaties van de afzonderlijke klassen en dus met fracties en sociale lagen binnen de afzonderlijke klassen.

Dit vormt het theoretisch referentiekader voor empirisch-historische analyses van de klassenverhoudingen van specifieke maatschappijen in een bepaalde periode. In empirisch onderzoek komen talloze problemen aan de orde die niet, —en zeker niet volledig— theoretisch kunnen worden ontcijferd op de hogere abstractieniveaus. Daarbij moet men denken aan specifieke institutionele details, specifieke arbeidsmarktsegmentatie binnen arbeidersklasse of kredietrelaties tussen kleinburgerij en banken, maar ook aan contingente historische factoren, zoals bijvoorbeeld geografische en klimatologische voorwaarden en inbedding in de internationale economische gemeenschap. Het concreet-conjuncturele onderzoek van de structuren en ontwikkelingstendenties van specifieke nationale en internationale klassenverhoudingen richt zich in het bijzonder op de complexe processen van klassenformatie en klassenstrijd: de wijze waarop klassenindividuen zich organiseren in politieke handelingscollectieven, rol van klasseorganisaties (vakbonden, partijen enz.) in specifiek historische conjuncturen van klassenstrijd.

Marx en Engels wijzen daarbij niet alleen het empirische gegeven dat het ‘lidmaatschap’ van een bepaalde klasse niet automatisch en vanzelfsprekend leidt tot (hervormend of revolutionair) klassenbewustzijn en gemeenschappelijk georganiseerde klassenactie. Zij formuleren ook een theoretisch analysekader voor het verschijnsel van ‘mystificatie’ van maatschappelijke verhoudingen door de kapitaal- en loonfetisj, en van de daarop voortbouwende ‘ideologische’ bewustzijnsvormen [Beckenbach e.a. 1973:103 e.v.; Bierbaum e.a. 1977 en Benschop 1993: hft. 13 § 4 geven reconstructies van Marx’ theoretische aanzet over het (klasse)bewustzijn.]

top


5 De afstand tussen Marx en Weber

5.1 Verschillen en overeenkomsten
Het uitgangspunt van Weber’s analyse van het moderne kapitalisme is niet zover van dat van Marx verwijderd als Weber zelf soms had aangenomen. En de methodologische en inhoudelijke posities zijn zeker niet zo extreem verschillend als sommige neo-weberianen beweren [Kocka 1966:328 e.v.; Ashcraft 1972; Mommsen 1974:147]. De klassenanalytische benaderingen van Weber en Marx vertonen minstens de volgende punten van overeenstemming.
  1. Beiden zien het bezit en niet-bezit van de objectieve productievoorwaarden als basiscategorieën van alle klassenverhoudingen. De klassensplitsing en de afhankelijkheidsverhoudingen tussen de klassen worden primair gestructureerd door de wijze waarop de feitelijke beschikkingsmacht over de materiële productievoorwaarden is verdeeld. Bepalend voor de constructie van het klassenbegrip bij Marx en Weber is dat zij de in de maatschappelijke arbeidverhoudingen geïmpliceerde levenskansen (als bronnen en beloningen) tot uitgangspunt nemen van hun theoretische overwegingen.

  2. Beiden gaan ervan uit dat de klassenposities een hoge structurerende kracht hebben binnen het gestratificeerde systeem van ongelijkheids- en afhankelijkheidsverhoudingen die het kapitalisme met zich meebrengt. Beiden beschouwen het moderne kapitalisme als een ‘klassenmaatschappij’ in de zin (a) dat het kapitalistische systeem gebaseerd is op de relatie tussen de ‘vrije’ loonarbeid en het kapitaal en (b) dat de kapitalistische waren- en ruilbetrekkingen zich over een steeds groter deel van de maatschappelijke arbeid uitstrekken.

  3. Beiden gaan ervan uit dat de relatie tussen economische klassenpositie (‘an sich’) en gemeenschappelijk of georganiseerd klassenhandelen contingent en niet homogeen is.

Deze punten van overeenstemming zijn echter onvoldoende om rechtstreeks over te gaan tot een theoretische convergentie of een verantwoorde synthese van beide benaderingen. Daarvoor zijn de verschillen te groot. Deze verschillen komen met name tot uiting in de wijze van begrips- en theorievorming [§ 5.2], in de betekenis die in het kader van de kapitalisme-analyse wordt gegeven aan het klassenfenomeen [§ 5.3], en in de uitwerking van de economische bepaling van de klassen [§ 5.4].

5.2 Ideaaltypische begripsvorming en begripsafleiding
Weber’s algemene methodologische uitgangspunten werken door in zijn analyse van het kapitalisme en de daarin verankerde klassenstructuren. Net als Marx streeft Weber naar zeer exacte begripsvorming. Om misverstanden en verwarring te vermijden besteedt hij veel aandacht aan de wetenschappelijke validiteit van begrippen. Door het ontwerpen van nauwkeurig afgebakende begrippen moet voorkomen dat er verschillende en tegenstrijdige betekenissen aan een begrip worden gegeven.

Kennistheoretisch is de positie van Weber: “Teneinde werkelijke causale relaties te ontwarren moeten we onwerkelijke construeren” [WL 287]. Wetenschap is geen kopie of spiegel van de werkelijkheid en kan dit ook niet zijn. Want de werkelijkheid is oneindig, het is een onafgebroken stroom van eenmalig-individuele, niet-herhaalbare gebeurtenissen die niet rationeel te vatten zijn. Wetenschap is slechts een samenstel van begrippen dat geschraagd wordt door fragmentarische kennis van die werkelijkheid. In vergelijking met de oneindige diversiteit van de werkelijkheid is het geheel van begrippen altijd beperkt. Kennis van de werkelijkheid wordt bereikt door een conceptuele transformatie: gekende werkelijkheid is altijd een realiteit die —abstract— door begrippen wordt gereconstrueerd.

Het ideaaltype is een van de mentale constructies die sociale wetenschappers en historici gebruiken om de werkelijkheid zo rigoureus mogelijk te analyseren. Ideaaltypen zijn heuristische of zo men wil protheoretische instrumenten die gebruikt kunnen worden om empirisch onderzoek te verrichten: zij richten de aandacht op onderscheiden aspecten van het onderzochte probleem en vervullen tevens nuttige diensten bij het ordenen van het empirisch materiaal [Kuttler/Lozek 1985; Drysdale 1996; McKinney 1966; Hekman 1983; Lindbekk 1992; Zijderveld 2005].

Begrips- en theorievorming is dus geen eenvoudige samenvatting van hetgeen empirisch gegeven is. Wetenschappelijke begripsvorming is een creatieve prestatie: de mentale toeëigening van de werkelijke maatschappelijke verhoudingen impliceert idealisering en modelvorming (waarin de kennisbelangen van de onderzoeker altijd een zekere rol spelen en mogen spelen).

Weber vat zijn ideaaltypen op als loutere gedachtenconstructies. Een ideaaltype is geen afbeelding, reflex of veralgemening van de werkelijke verhoudingen, maar eerder een (historisch geïnformeerde en logisch geconstrueerde) utopie die gekleurd is door de selectie en individuele waardering van details door afzonderlijke onderzoekers. Ideaaltypen ontstaan door stilering, het zijn ficties die ontworpen worden in overeenstemming met de kennisbelangen van het subject. “Dit mentale beeld brengt specifieke historische relaties en gebeurtenissen samen in een niet-tegenstrijdige kosmos van uitgedachte relaties. Inhoudelijk heeft dit mentale beeld een utopisch karakter, dat verkregen is door het mentaal overdrijven van specifieke elementen van de werkelijkheid” [WL:190]. Weber benadrukt dat in de maatschappelijke werkelijkheid deze mentale constructies (in hun begripsmatige zuiverheid van ideaaltypen) nooit empirisch kunnen worden aangewezen.

Marx brengt zijn mentale abstracties directer in verband met ‘werkelijke abstracties’. Hij benadrukt bijvoorbeeld dat een begrip als ‘ruilwaarde’ pas wetenschappelijk kan worden geconstrueerd wanneer de marktsubjecten door hun feitelijke sociale handelen verschillende gebruikswaarden praktisch aan elkaar gelijkstellen. Deze abstractie voltrekt zich niet eerst in de hoofden van de wetenschappers, maar moet praktisch bestaan (als ‘real Abstraktion’) wil ze theoretisch gedacht kunnen worden. Het begrip ruilwaarde is echter geen eenvoudige directe reflex van werkelijke verhoudingen; er is een creatieve prestatie van de onderzoeker nodig om dit begrip te vormen.

Weber neemt geen agnosticistisch standpunt in en ontkent zeker ook niet dat het mogelijk is uitspraken te doen over wetmatigheden in structuren en ontwikkelingen in de maatschappij. In zijn verhandeling over de klassen beperkt hij zich echter in hoofdzaak tot sociologische typologisering en ziet hij in eerste instantie bewust af van het geven van werkelijke theoretische verklaringen [zie hoofdstuk I, § 1 en II, § 1].

Weber heeft niet de pretentie de grote ‘general theory’ te schrijven en probeert de lastige weg tussen nomothetische en idiosyncratische kennis te bewandelen. Zijn uiteenzetting kan misschien nog het beste worden gekarakteriseerd als een voorzichtige veralgemening op grond van typologieën [WL:161 e.v.,190 e.v.,226 e.v.,291 e.v.]. Marx’ kritiek van de politieke economie bevat daarentegen een ambitieus programma voor een systematische klassentheorie. Hoewel hij dit programma zelf niet meer heeft uitgewerkt, formuleerde hij wel de belangrijkste uitgangspunten en basisbegrippen. In Het Kapitaal probeerde Marx deze basisbegrippen systematisch af te bakenen (‘afleiden’).

5.3 Klassen en bureaucratie
Weber vat sociale klassen op als belangrijke constructies in de verklaring van maatschappelijke formaties en in het bijzonder van de kapitalistische samenleving. Hij duidt de algemene veranderingen aan in het karakter van de dominerende typen klassenrelaties en -conflicten in de Europese maatschappijen. En hij benoemt de uiteenlopende historische vormen waarin de basiscategorieën van alle klassensituaties (bezit en bezitloosheid) effectief worden.

In dit opzicht volgt Weber grotendeels Marx’ analyses van de voorwaarden voor het ontstaan van de kapitalistische productiewijze: het ontstaan van een nieuwe stedelijke ondernemersklasse en van een klasse van vrije, d.w.z. bezitloze loonarbeiders die —onteigent van de objectieve productievoorwaarden— hun arbeidskracht op de markt moeten verkopen om in hun levensonderhoud te voorzien.

Toch is de klassenstructuur voor Weber niet van centrale betekenis in de verklaring van de aard van de kapitalistische maatschappij; en klassenstrijd is niet de ‘motor’ van historische verandering en maatschappijtransformatie. De specifieke klassenverhouding tussen loonarbeid en kapitaal is voor hem wel een belangrijke component in de formatie van het kapitalisme, maar zij is toch niet het meest fundamentele kenmerk waardoor de kapitalistische maatschappij zich van de traditionele orde onderscheid [Giddens 1973:9,43 e.v; Crompton/Gubbay 1978:56; Barbalet 1980:409]. De spil van Weber’s tijdsanalyse van de kapitalistische maatschappij is de expansie van de bureaucratisering.

Hoewel hij klassenconflicten beschouwt als een hoogst waarschijnlijk, zo niet onvermijdelijk gegeven, ziet hij de toenemende bureaucratische rationaliteit als centrale conflictbron. De formele rationaliteit van de moderne kapitalistische onderneming —met z’n gesystematiseerde kostenrekening en de toepassing van rationaliteit in de organisatie van menselijk gedrag— creëerden een gesystematiseerde en hiërarchische arbeidsdeling die niet direct afhankelijk is van de kapitalistische klassenstructuur. Enerzijds kan de bureaucratie qua technische efficiëntie niet worden verbeterd, omdat het voor de doelrealisatie van complexe organisaties het meest efficiënte, formeel-rationele instrument is. Anderzijds dreigt het permanente gevaar dat de bureaucratische machine —en met name de staatsbureaucratie— buiten haar grenzen gaat en zich meester maakt van de politieke beslissingsstructuur (welke tot de competentie van democratisch gekozen leiders behoort).

Bureaucratie is voor Weber geen verschijnsel dat noodzakelijk voortvloeit uit een kapitalistische productiewijze. Klassenconflicten zouden binnen het kapitalistische systeem tot op grote hoogte wel kunnen worden opgelost, maar niet door de eliminatie van het privébezit van de productiemiddelen [Cacciari I973; Bedeschi 1979; Lenhardt 1980]. Wanneer de verschillende klassen hun enge streven naar economisch gewin zouden opgeven, zou een liberaal, goed georganiseerd kapitalistisch systeem in het belang van alle klassen kunnen functioneren. Zo’n systeem zou volgens Weber de kans op grote materiële welvaart combineren met vrijheid van het individu [Beetham 1974: 242].

Op straffe van een totale ineenstorting van de maatschappij kan bureaucratie niet worden opgeheven. Socialisme is volgens Weber daarom geen antwoord op het bureaucratisch probleem; het zou een gruwelijke en machtige bureaucratische structuur tot gevolg hebben die elke individualiteit vernietigt en waarin de individuele arbeiders nog machtelozer zouden zijn dan in het kapitalisme [Weber GASS:492 e.v.; vgl. Mommsen 1974:156 e.v.; Crompton/Gubbay 1978:56 e.v.].

Voor Marx is de aard van de verhoudingen tussen de klassen van centrale betekenis voor de verklaring van de historische, actuele en toekomstige ontwikkeling van de kapitalistische samenleving. Het fundamentele verschil tussen de burgerlijke maatschappij en de daaraan voorafgaande maatschappelijke formaties is bij hem gelegen in de specifieke aard van de klassenverhoudingen die in de productiewijze zijn verankerd. De klassenverhouding tussen loonarbeid en kapitaal vormt het specifieke en dominerende kenmerk van de burgerlijke maatschappij.

Terwijl Marx het accent legt op het historisch specifieke (en dus veranderbare) uitbuitingskarakter van de verhouding tussen loonarbeid en kapitaal, legt Weber de nadruk op het formeel rationele en geroutiniseerde karakter van de economische activiteit binnen kapitalistische organisaties met een stabiele en gedisciplineerde arbeidsdeling [Herkommer 1975:128; Bader e.a. 1976:261 e.v.]. Het moderne kapitalisme karakteriseert hij bovenal als een ‘rationele’ organisatie van bronnen gericht op de accumulatie van winst. Maar in zijn analyse wordt dit niet op systematische wijze verbonden met de spanningen die gecreëerd worden door een klassensysteem dat een integraal moment is van die kapitalistische maatschappij [Giddens 1977:204].

5.4 Productie en markt
De academische discussie over de relatie tussen de klassentheorie van Weber en Marx wordt vaak teruggevoerd tot de vraag of sociale ongelijkheid tussen klassen verklaard kan worden uit markt- dan wel uit productieverhoudingen. Kan de fundamentele asymmetrische verdeling van levenskansen tussen maatschappelijke klassen worden verklaard vanuit posities op de markt, of is de gelijke of gelijksoortige positie in de productie- of arbeidswijze beslissend voor de klassendeling?

5.4.1 Het nadeel van een simplificatie
Het twijfelachtige voordeel van een dergelijke vraagstelling is dat daarmee de twee belangrijkste theorietradities in de sociologie gemakkelijk geschematiseerd en gecatalogiseerd kunnen worden. De formule die het verschil in beide opties samenvat is dat sociologen in de weberiaanse traditie de klassen zien als groepen mensen met gemeenschappelijke economische levenskansen op de markt, terwijl de marxisten klassen primair definiëren in termen van gemeenschappelijke posities binnen de maatschappelijke organisatie van de productie resp. arbeid [Kramer 1968:175; Cassano 1971:25 e.v.; Herkommer 1975:125; Therborn 1976:140 e.v.; Johnson 1976:62; Giddens 1977:205 e.v.; Korpi 1978:10 e.v.; Crompton/Gubbay 1978:16 e.v.; Wright 1979:8; Elster 1985:69; Kuttler/Lozek 1985:274 en vele, zeer vele anderen].

Volgens deze formule kunnen de theoretische benaderingen van Marx en Weber van elkaar worden onderscheiden door een exclusieve keuze voor een van de twee soorten verhoudingen die het constituerend fundament van de klassenstructuur vormen. Marx en de neo-marxisten zouden als relationele basis van het bestaan van klassen en klassenstrijd uitsluitend de productie nemen, d.w.z. de relaties tussen actoren in het productie- en toeëigeningsproces zelf. Daarentegen zouden Weber en de neo-weberianen de structuur van de markt en de ruilprocessen tot uitgangspunt nemen omdat zij er van uitgaan dat klassenverhoudingen verankerd zijn in marktverhoudingen, d.w.z. ruilrelaties tussen kopers en verkopers van specifieke soorten waren. Door deze definitie van klassenpositie als marktpositie zou de aanzet van Weber onderscheiden kunnen worden van die van Marx.

Tegenover het gemak waarmee dergelijke formules kunnen worden opgeschreven en onthouden staat het nadeel van de simplificatie. De abstracte confrontatie tussen productie- versus marktbenadering is als zodanig misleidend en onvruchtbaar. Bovendien is de simpele toerekening van een productie-niveau theorie aan Marx mijns inziens even onhoudbaar als de toerekening van een markt-niveau theorie aan Weber.

In de marxistische traditie werd de kritiek op het zgn. distributieve klassenbegrip van Weber even geritualiseerd als de kritiek op het zgn. productivisme van Marx’ klassenbegrip is ingeslepen bij sociale wetenschappers die zich op Weber beroepen. De scherpte van deze wederzijdse kritieken staat in omgekeerd evenredige verhouding tot de intensiteit van de receptie [Weiß 1981]. Een belangrijk deel van de marxistische literatuur over klassen en stratificatie heeft zich zozeer bezig gehouden met ‘fundamentele kritiek’ op Weber dat geen gedetailleerde begripsverklaringen mogelijk waren. ‘Weber moest ontmaskerd worden en van hem zou niets productiefs te leren zijn’ [Bader 1983:19]. Weber werd voornamelijk als burgerlijke ‘dode hond’ behandeld. Dat verklaart ook het gemak waarmee Weber binnen de marxistische stroming werd opgehangen aan een ‘preoccupatie met de markt’, ‘fixatie op ruilprocessen’ en ‘bevangenheid in de mystificatie van de warenvorm’ [Deze en vergelijkbare formuleringen treft men bijvoorbeeld aan in het werk van: Poulantzas 1968:64; 1974:29; Crompton/Gunnay 1978:5 en Kuttler/ Lozek 1985:275 e.v.].

Dat klassen in de meeste ons bekende maatschappijen marktafhankelijk zijn en zich op de markt constitueren zou ook voor ‘marxisten’ geen vreemd inzicht mogen zijn. Een van de beslissende kenmerken van de levenssituatie van arbeidersklasse in het kapitalisme was immers al voor Marx, dat de arbeidskracht van de leden van deze klasse als waar fungeert. Een analyse van marktverhoudingen dient echter ook altijd in te gaan op de verschillende hoedanigheden van de op de markt aangeboden waren én op aan de markt voorafgaande asymmetrie van belangen van de bezittende en niet-bezittende klassen [Haupt 1979:115 e.v.].

5.4.2 Marx: exploitatie en klassenstructurering
Marx en Engels hielden zich in hun vroege geschriften al nadrukkelijk bezig met marktverschijnselen [Nicolaus 1972; Armanski 1974] In hun eerste analyses van de klassenverhoudingen wordt een model van sociale klassen gehanteerd dat gebaseerd is op de markt. De klassen die zij onderscheiden zijn de klassen in de kapitalistische markt- en concurrentieverhoudingen. Onder die verhoudingen worden alle menselijke waarden getransformeerd in ruilwaarden en wordt de hele burgerlijke maatschappij beheerst door de wetten van vraag en aanbod. De arbeid zelf wordt een waar net als alle andere waren (het kritische begrip ‘arbeidskracht’ was nog niet ontdekt). Vanuit een radicale humanistische verontwaardiging wordt een maatschappelijke orde aangeklaagd waarin met mensen net zo wordt omgesprongen als met balen katoen of eenheden ijzererts.

Deze conceptualisering van de asymmetrische creatie en reproductie van levenskansen heeft iets gemeen met de latere redenatie van Weber [Crompton/Gubbay 1978:10]. In zijn latere teksten over de aard van de kapitalistische productie- en uitbuitingswijze benadrukt Marx dat het nodig is om ‘achter de rug’ van het ruilproces te kijken. Het gaat er nu om de klassenverhoudingen te situeren in een kapitalistische markteconomie. Het kapitalistisch productieproces wordt nu gethematiseerd als een door de markt bemiddelt en hierdoor tegelijkertijd verborgen uitbuitingsproces. In zijn kritiek op de politieke economie definieert Marx de theoretische status van de begrippen ‘meerwaarde’ en ‘arbeidskracht’. Dit markeert een radicale breuk met de klassieke politieke economie. In de loop van de geschiedenis van deze ‘grote ontdekking’ (Wygodsky) wordt ook de eens zo soevereine markt theoretisch onttroond door het inzicht

  1. dat niet de arbeid maar de arbeidskracht op de kapitalistische markt wordt verkocht/verhuurt, en
  2. dat de waarde van deze arbeidskracht wel wordt gemedieerd door de wetten van vraag en aanbod, maar dat zij hierdoor niet wordt bepaald — de waarde van de arbeidskracht wordt door de markt bemiddeld uitgedrukt in een prijs = arbeidsloon.
Van alle andere waren op de kapitalistische markt onderscheid de arbeidskracht zich vooral door haar specifieke eigenschap als waarde-scheppende waar: de arbeidskracht is een bron van waarde, d.w.z. van meer waarde dan in haar is geïncorporeerd. Deze specifieke eigenschap van de waar arbeidskracht is voor Marx de sleutel voor het begrip van de uitbuitingsverhoudingen in de kapitalistische maatschappij.

Het gaat hier niet om gedetailleerde analyse van de ontwikkeling van de kritiek van de politieke economie. Van belang is hier slechts dat de (r)evolutie in het denken van Marx een beslissende wending ondergaat wanneer hij de markt zelf niet ‘voor lief neemt’ en de begrippen arbeidskracht en meerwaarde nader uitwerkt. Hij ontwikkelt een nieuwe opvatting van de kapitalistische markt als een dubbele ruilverhouding tussen loonarbeid en kapitaal. De ruil tussen loonarbeid en kapitaal impliceert twee formeel en kwalitatief onderscheiden processen die strikt uit elkaar gehouden moeten worden.

  1. Het eerste ruilproces is de koop en verkoop van het arbeidsvermogenwaarin de arbeider zijn/haar waar arbeidskracht verkoopt (of beter: verhuurt) aan de kapitalistische ondernemer. Arbeidskracht heeft een specifieke gebruikswaarde (nml. haar specifieke kwalificatie), maar zij heeft ook een prijs. Ze heeft een ruilwaarde, en net als bij alle andere waren zal de koper —in dit geval de kapitalistische ondernemer— een bepaalde som geld moeten betalen indien hij over de gebruikswaarde wil beschikken. De bezitters van de waar arbeidskracht ontvangen arbeidsloon en de kapitalist verwerft het gebruiksrecht over de waar arbeidskracht. Dit proces speelt zich geheel af op de (arbeids)markt. Kapitalist en loonarbeider staan hier als warenbezitters tegenover elkaar. In de eenvoudige ruil treden de individuen elkaar tegemoet als bezitters van waren. Er vind een ruil van equivalenten plaats (‘gelijkheid’) op basis van de wederzijdse erkenning van de gelijkwaardigheid van de individuele warenbezitters (‘vrijheid’).

    Omdat het werkelijke toeëigeningsproces niet in de circulatie verschijnt, lijkt het door eigen arbeid verworven eigendom de voorwaarde te zijn voor de deelneming aan dit ruilproces en daarmee aan de maatschappelijk geproduceerde rijkdom. De economische vormen van de eenvoudige ruil op de markt vormen de grondslag van alle bij het kapitalisme behorende opvattingen en ideologieën van eigendom, vrijheid en gelijkheid:

      “De sfeer van de circulatie of van de warenruil, waarbinnen koop en verkoop van de arbeidskracht tot stand komt, was inderdaad een echt paradijs van aangeboren mensenrechten. Hier heersen alleen vrijheid, gelijkheid, eigendom en Bentham. Vrijheid! Want de kopers en verkopers van een waar, bijv. de arbeidskracht, handelen slechts uit vrije wil. Als vrije personen, gelijk voor de wet, sluiten zij contracten. Het contract is het eindresultaat, waarin zij aan hun wil een gemeenschappelijke juridische uitdrukking geven. Gelijkheid! Want zij staan slechts als warenbezitters met elkaar in betrekking en zij ruilen equivalent tegen equivalent. Eigendom! Want een ieder beschikt slechts over het zijne. Bentham! Want elk van hen is het slechts om zichzelve te doen. De enige macht, die hen in een relatie samenbrengt, is die van hun eigenbaat, hun eigen voordeel, hun particuliere belangen” [Marx, MEW 23:189; Ned. vert.:115].
    Op deze verschijningsvorm, die de werkelijke verhouding onzichtbaar maakt en juist het tegendeel van die verhouding toont, berusten volgens Marx “alle rechtsvoorstellingen zowel van de arbeider als van de kapitalist, alle mystificaties van de kapitalistische productiewijze, al haar vrijheidsillusies, alle apologetische praatjes van de vulgair-economie” [MEW 23:562; Ned. vert.:413].

  2. Het tweede proces is de consumptie van het arbeidsvermogen, ofwel het productieproces zelf. In deze tweede ruil tussen kapitaal en loonarbeid wordt arbeid direct in kapitaal omgezet. Door betaling van het arbeidsloon heeft de kapitalist de beschikking gekregen over de arbeidskracht als productieve activiteit, als waardeproducerende kracht. De kapitalistische ondernemer verwerft op deze wijze de productiekracht welke in staat is om niet alleen het geïnvesteerde kapitaal te handhaven, maar het ook uit te breiden. De kapitalist ‘consumeert’ zijn waar, de arbeidskracht. De geldbezitter consumeert de waar die hij gekocht heeft en eigent zich daarbij een bepaalde hoeveelheid onbetaalde arbeid toe. De arbeid wordt door het kapitaal toegeëigend. De specifieke eigenschap van de waar arbeidskracht is, dat zij een groter kwantum arbeid kan verrichten dan vervat is in haar eigen waarde. De toeëigening van de levende arbeid door het kapitaal berust op de bijzondere maatschappelijke vorm van de arbeid, nml dat het loonarbeid is. De kapitalist verwerft door de koop/huur van arbeidskracht de controle over die bijzondere aard van de arbeidskracht. Door de consumptie van de arbeidskracht (d.w.z. door haar aan het werk te zetten) schept zij een grotere waarde dan haar eigen ruilwaarde.
De meerwaarde die de arbeidskracht schept is de sleutel voor de aard van de uitbuiting in de kapitalistische maatschappij. Nadat van de ruilwaarde van een kant en klare productmassa de waarde van de grondstoffen, gereedschappen, machines en de ruilwaarde van de arbeidskracht wordt afgetrokken, blijft er meer waarde over dan nodig was voor haar productie. De meerwaarde die in een warenmassa is geïncorporeerd wordt door de ondernemer op de markt gerealiseerd. Op de markt verschijnt de meerwaarde als winst op het geïnvesteerde kapitaal. Na aftrek van belastingen e.d. vloeit deze winst deels in het consumptiefonds van de kapitalistenklasse, deels wordt zij ingezet om opnieuw in het productieproces te fungeren.

De bezitter van kapitaal wordt geen kapitalist door de ruil, maar door het proces via welke geobjectiveerde arbeidstijd (= waarde) verkregen kan worden zonder ruil. De kapitalist eigent zich waarde toe waarvoor geen equivalent is gegeven. In het kapitalistische productiestelsel zijn het productie- en toeëigeningsproces gefuseerd. De meerarbeid wordt via de vrije ruil op de markt toegeëigend en daarom verschijnt de uitbuiting hier niet als een directe toeëigeningsverhouding. De ondernemer kan een ‘rechtvaardig’ marktloon betalen (nml. een equivalent voor de waarde van de arbeidskracht) en toch meerwaarde onttrekken en toeëigenen.

Marx analyseert ook hoe de specifieke kenmerken van deze sociale verhoudingen doorwerken in het bewustzijn van de actoren van de productie. Alle subjectieve en objectieve momenten van het kapitaal verschijnen als haar bestaansvormen. Alle vormen van maatschappelijke arbeid manifesteren zich als productiefactoren van het kapitaal. Dat geldt niet alleen voor de feitelijke uitoefening van de arbeid zelf en voor de machinerie, maar ook voor de combinatie van het arbeidscollectief met het systeem van productiemiddelen. Deze omkering van de verhouding van subject en object is kenmerkend voor de kapitalistische productiewijze.

In de kapitalistische productiewijze lijken alle stoffelijke momenten van het arbeidsproces door hun functie binnen dat proces vergroeit met haar kapitalistische vorm: de machinerie lijkt op zich al kapitaal te zijn. In het bewustzijn van de productie-actoren weerspiegelt deze omkering zich als de versmelting van de stoffelijke productieverhoudingen met hun historisch-sociale eigenaardigheid: het fysieke karakter van de arbeidsmiddelen wordt geïdentificeerd met de specifieke vorm die zij in de kapitalistische productie aannemen.

Voor de loonafhankelijke producenten manifesteert zich deze vreemdheid en verzelfstandiging van de arbeidsvoorwaarden echter niet alleen in de vreemdheid tegenover de eigen activiteit. In het productieproces komt immers de tegelijkertijd de onbeperkte honger naar meerarbeid het meest onverhuld naar voren. In het bewustzijn van de loonafhankelijken komt dit tot uiting in de voorstelling dat zij als bron van meerarbeid onderworpen zijn aan de heerschappij van het kapitaal. De sociale verhoudingen waarin de directe producenten van de maatschappelijke rijkdom in het productieproces zijn onderworpen vormen dus tevens de grondslag voor het inzicht in de ‘ware aard’ van de kapitalistische organisatiewijze van de arbeid.

Kenmerkend voor Marx’ benadering is de nadruk die hij legt op de tegenstrijdige manier waarop kapitalistische verhoudingen doorwerken in het maatschappelijk bewustzijn. Terwijl in het eerste proces (koop en verkoop van het arbeidsvermogen) met name de voorstellingen van eigendom, vrijheid en gelijkheid zijn verankerd, komt door de eigenaardigheden van het tweede proces (toeëigening van de levende arbeid) ook het bewustzijn naar voren van de heerschappij- en onderschikkingsverhoudingen die geïmpliceerd zijn in het karakter van de arbeid als loonarbeid.

Uitbuitings- en klassenverhoudingen ontstaan volgens Marx dus niet op de markt, maar worden daardoor wel gemedieerd. Marktrelaties zijn slechts een kant van de loonarbeid-kapitaalverhouding, zij vormen het ‘oppervlakteproces’ dat de ‘kernstructuren’ van de kapitalistische uitbuiting op specifieke wijze tegelijkertijd reflecteert en maskeert.

Marx gaat er dus van uit dat klassenverhoudingen zijn gestructureerd door productie- en uitbuitingsverhoudingen en worden gemedieerd door de ruil- en marktverhoudingen. In tegenstelling tot Weber thematiseert hij echter de grondslag van de klassenstructuren expliciet en systematisch vanuit het proces van toeëigening van meerarbeid. Hij onderscheid de historisch specifieke economische productiewijzen en de daarin verankerde sociale klassenverhoudingen vanuit de vraag op welke wijze en in welke vormen de meerarbeid van directe producenten wordt toegeëigend [MEW 25:799]. Daarbij maakt Marx in zijn analyses veel duidelijker dan Weber een methodologisch onderscheid tussen (i) een algemeen historisch klassenbegrip (ii) een theoretisch model van de klassenverhoudingen in een bijzondere (m.n. kapitalistische) productiewijze en (iii) de historisch-empirische analyse van de klassenrelaties in specifieke maatschappijen in bepaalde perioden.

Voor Marx is klassenheerschappij onlosmakelijk verbonden met specifieke uitbuitingsrelaties waarvan de materiële basis een ongelijke verdeling van productieve bronnen is. Het klassenanalytisch program van Marx is daarmee nog niet ‘productivistisch’ - netzomin als de aanzet van Weber ‘distributief’ kan worden genoemd.

5.4.3 Weber over klassenstructurering
Weber definieert klassen niet uitsluitend via marktverhoudingen en houdt wel degelijk rekening met de aan marktverhoudingen ‘voorafgaande’ productieverhoudingen. De ongelijke realisatiemogelijkheden van goederen of prestatiekwalificaties op de markt worden immers ook volgens Weber bepaald door de mate en wijze van beschikkingsmacht over die marktkwaliteiten én door de wijze waarop deze marktkwaliteiten binnen een specifieke economische orde gebruikt kunnen worden als bron van inkomens of inkomsten. Deze samenhang tussen productie- en marktverhoudingen worden door Weber niet uitvoerig behandeld, maar wel voldoende om interpretaties uit te sluiten waarin een op de markt gefixeerd of louter distributief klassenbegrip wordt gesuggereerd [WG: 59 e.v.].

Weber lijkt op dit punt eerder de benadering van Marx als bekend te veronderstellen en accepteren. Tot op bepaalde hoogte interpreteert hij de klassentheorie van Marx met zijn eigen terminologie [Konrad/Szeleni 1978:72]. De aard en mate van beschikkingsmacht (‘controle’) over zakelijke productievoorwaarden en prestatiekwalificaties determineren de kansen die de klassen op de arbeids- en goederenmarkten hebben. Ook bij Weber zijn de klassen “gestructureerd volgens de relaties tot de productie en de verwerving van goederen“ [WG: 538].

Economische klassen berusten op ongelijke realisatiemogelijkheden van goederen en prestatiekwalificaties op markten. Weber vat de markt op als een reeks gestructureerde sociale verhoudingen die ver uitgaan boven de eenvoudige koop en verkoop van de waar arbeidskracht [zie voor Weber’s marktbegrip: Albert 1967; Krelle 1973, Giddens 1973:101 e.v.]. Markten zijn machtsarena’s waarin de bezitters van verschillende marktposities elkaar treffen, met elkaar concurreren of elkaar uitsluiten van deelname aan marktconcurrentie. Net als Marx gaat Weber er vanuit dat de markt een machtsstructuur is waarin het bezit van bepaalde attributen sommige groepen privilegieert ten opzichte van andere. De markt is een systeem van economische ruilbetrekkingen dat gebaseerd is op de relatieve concurrentie- en onderhandelingskracht van verschillende groepen individuen.

Daarbij legt Marx meer dan Weber het accent op de kwalitatieve verschillen tussen arbeidsmarkten en markten voor grondstoffen, goederen en kapitaal, tussen koopcontracten en arbeidscontracten. Kenmerkend voor de arbeidsmarkt in kapitalistische maatschappijen is immers niet alleen (i) dat zij de institutionele oplossing vormt van het dubbele allocatieprobleem van de verzorging van het productiesysteem met arbeidsprestaties en de verzorging van arbeidskrachten met middelen van bestaan, maar (ii) dat hierdoor tevens de voor de kapitalistische maatschappijen kenmerkende klassen- en heerschappijverhouding wordt geconstitueerd. Kopers en verkopers op arbeidsmarkten hebben in principe dezelfde marktstrategische opties om de concurrentie in het eigen kamp te beperken (d.m.v. coalitievorming resp. solidarisering en uitsluitingen resp. discriminering) en de concurrentie aan bij de markttegenstander relatief te vergroten. Maar het bijzondere karakter van de ‘waar arbeidskracht’ bewerkstelligt een structurele machtsasymmetrie op arbeidsmarkten en benadeelt daarom de verkopers van de waar arbeidskracht. Het bijzondere karakter van de waar arbeidskracht is met name dat ze niet wordt geproduceerd met het oog op de verkoop, dat ze slechts in beperkte mate kan worden bewaard en opgeslagen, en dat ze kwantitatief en kwalitatief inelastisch is tegenover de wisselingen in de vraag [Berger 1986:8].

Onder kapitalistische verhoudingen oefenen de klassen primair hun macht uit en eigenen zij waarde en arbeid toe, door marktprijzen te beïnvloeden [Murphy 1985:238]. Prijzen zijn de zichtbare tekens van de veel minder zichtbare macht van de deelnemers aan de marktstrijd. Weber beschouwd de prijzen (inclusief de prijs van de waar arbeidskracht) als resultaten van marktstrijd tussen economische eenheden die op de markt verschillende macht hebben.

De relatieve krachtsverhouding tussen de maatschappelijke klassen, of —‘marxistisch’ uitgedrukt— de verhouding tussen waarde van de arbeidskracht (loon) en onbetaald toegeëigende meerwaarde (winst) wordt dus gemedieerd door de machtsstrijd op de (arbeids- en goederen)markt.

De hoofdlijn van Weber’s benadering kan daarom mijns inziens nog het beste als volgt worden samengevat: de klassentegenstellingen in maatschappelijke formaties zijn gestructureerd door de wijze waarop de beschikkingsmacht over het zakelijke bezit (resp. de productievoorwaarden) is verdeeld en worden gemedieerd (resp. gereguleerd) door specifieke ruil- of marktverhoudingen.

Geld en macht
Weber ging bewust voorbij aan het omstreden waardebegrip [WG:31]. Door de scheiding tussen economische theorie en sociologie meent hij dat het —tenminste ‘terminologisch'’— mogelijk is het waardeprobleem buiten de sociologie te houden.Hij bleef op kritische afstand van zowel de klassieke ‘objectieve’ arbeidswaardetheorie als van de in zijn tijd dominerende variant van de subjectieve waardeleer, de grensnuttheorie. Omdat het waardebegrip vooral betekenis heeft voor een geld- en prijstheorie, zijn de conclusies van Bader e.a. nog het meest plausibel: (a) omdat Weber geen geld- en prijstheorie wil ontwikkelen heeft hij het waardebegrip ook niet nodig, en (b) door voorbij te gaan aan het waardebegrip kan Weber ook aan alle problemen in de geld- en prijstheorie voorbij gaan [Bader e.a. 1976:210].

Raymond Murphy interpreteert echter Weber’s ‘machtstheorie van winsten en prijzen’ als een alternatief van de arbeidswaardetheorie van Marx. Weber zou zonder arbeidswaardeleer in staat zijn geweest om de toeëigening van arbeid en waarde en het accumulatieproces in de kapitalistische markt te verklaren. De stelling van Murphy is dat in het kapitalisme de waarde en prijzen van waren worden losgemaakt van hun ‘arbeidsinhoud’.

    “De machtsstrijd op de marktplaats medieert de verhouding tussen arbeidsinhoud en waarde (prijs), zodat de waarde niet bepaald wordt door arbeidsinhoud, maar eerder door de machtsstrijd op de markt zelf. Waarde en prijs zijn niet gepredetermineerd door arbeid, maar worden maatschappelijk gedefinieerd door de machtsstrijd op de markt” [Murphy 1985:235].
Prijzen zijn een indicatie van ‘a deeper phenomenon’, niet van ‘labour-determined value’ zoals volgens hem de marxisten aannemen, maar van macht:
    “Prijzen van waren, inclusief de prijs van de arbeid (??), zijn gedetermineerd door de machtsstrijd op de markt, en prijzen determineren op hun beurt het surplus dat wordt toegeëigend, inclusief de toeëigening van arbeid” [Murphy 1985:228].
Prijzen gaan dus logisch vooraf aan en zijn bepalend voor de arbeidstijd die in waren is belichaamd. Dit staat rechtstreeks tegenover de assumptie van Marx dat de arbeidstijd die in waren is belichaamd logisch vooraf gaat aan en bepalend is voor hun prijzen.

Als we afzien zijn evident foutieve formuleringen van de postulaten van de arbeidswaardetheorie van Marx (waarin bijv. ‘waarde’ per sé niet wordt bepaald door ‘arbeidsinhoud’, en arbeidsloon per sé niet wordt gedefinieerd als ‘prijs van de arbeid’), dan kleven er aan Murphy’s benadering, minstens twee grote nadelen. Enerzijds gaat hij voorbij aan het feit dat ‘arbeidswaarde’ in de marxistische traditie juist niet als boven-historisch, ontologisch gegeven wordt opgevat maar als een veelvoudig maatschappelijk bepaalde maat (welke in en door ‘klassenstrijd’ wordt geconstitueerd). Anderzijds gaat hij volledig voorbij aan de bekende klassieke vraag: door welke parameters ‘de machtsstrijd op de markt’ zelf wordt bepaald? In Murphy’s logica zouden uiteindelijk alle problemen opgelost kunnen worden met het toverwoord van de ‘macht’. Of en in hoeverre het inderdaad mogelijk (en zinvol) is om een klassentheorie te ontwikkelen waarin het ‘exploitation perspective’ centraal blijft staan zonder op een arbeidswaardetheorie terug te grijpen [zoals Roemer 1982 en Wright 1985 suggereren] zal ik hier niet verder bespreken.

top


6 Een ‘neo-weberiaans’ marktmodel?

In alle classificaties van stromingen in de moderne klassentheorie wordt een ‘neo-weberiaanse’ marktmodel geïdentificeerd, waarvan -ten onrechte- wordt aangenomen dat Weber hiervoor de ‘klassieke formulering’ gegeven zou hebben [in plaats van velen - Wright 1979:8].

Kenmerkend voor een distributieve klassenbenadering is mijns inziens: (1) dat klassen —exclusief— worden verbonden met het ontstaan en de uitbreiding van markten; (2) dat klassenbelangen uitsluitend refereren aan de distributie van belangen op competetieve arbeids- en goederenmarkten en (3) dat het accent wordt gelegd op de beloningen en privileges die op markten gemobiliseerd en verworven kunnen worden op basis van diverse markteigenschappen.

De voor- en nadelen van een ‘neo-weberiaanse’ benadering worden meestal gedemonstreerd aan het werk van Parkin en Giddens. Met een korte bespreking van hun bijdragen wil ik illustreren dat er van een enigszins coherent en uitgewerkt 'neo-weberiaans' marktmodel van sociale klassen geen sprake is.

6.1 Frank Parkin
Een expliciete vertegenwoordiger van een 'distributieve' benadering is Frank Parkin [Parkin 1971 en niet Parkin 1979!] Zie voor een uitgebreide kritiek op deze laatse studie: Bader/Benschop 1984]. In Class Inequality and Political order [1971] ging hij er van uit dat er niet zo'n groot verschil was tussen Weber’s conceptualisering van sociale klassen en die van Marx. Hij bepleit een marktmodel van klassen, waarvan hij veronderstelde —‘by association’—dat het dicht bij dat van Marx lag. De ‘ruggegraat van de klassenstructuur’ is volgens hem de beroepsstructuur: “marketable expertise is the most important single determinant of occupational reward” [p.26]. Het beeld van het beloningssysteem dat hieruit voortvloeit wordt gekenmerkt door een “hiërarchie van brede beroepscategorieën die elk een verschillende positie representeren in de schaal van materiële en niet-materiële voordelen” [p.24].

Parkin stuit vervolgens op het probleem dat eigen is een dergelijke neo-weberiaanse benadering van sociale klassen: het groeperen van klassen overeenkomstig marktsituatie impliceert het trekken van demarcatielijnen binnen een continuüm. Naarmate de kapitalistische productiewijze dominant wordt en praktisch de gehele beroepsbevolking deelneemt aan de beroepsmarkt ontstaat er een erg brede reeks van marktsituaties. Dit resulteert in een continuüm van klassenpositiesdie het moeilijk maakt om theoretisch te rechtvaardigen discontinuïteiten te determineren.

Parkin lost dit probleem op een verrassend eenvoudige, maar toch zeer banale en omstreden wijze op: er bestaat een significante breuk in de beloningshiërarchie langs de scheiding hand- en niet-handarbeid. Deze breuk is voor hem sifnificant genoeg om de term ‘sociale klasse’ te rechtvaardigen. Niet-handarbeiders ontvangen betere materiële beloningen dan handarbeiders, zo niet in absolute geldtermen dan wel m.b.t voordelen op het vlak van promotiekansen, ziekte-uitkering, arbeidstijden, vakanties, pensioenrechten e.d. [Parkin 1971:25 e.v.; 1979: 13]. Dit patroon van gestructureerde ongelijkheid wordt versterkt door een reeks sociale en symbolische elementen welke de distributie van materiële beloningen onderbouwen (d.w.z. zij garanderen hun continuering en legitimiteit). De reden om de intermediaire en lagere witte-boordengroepen als constituerend element van de dominante klasse te behandelen is, dat deze groepen zich traditioneel eerder geïdentificeerd hebben met de belangen van kapitaal en management dan met de belangen van de georganiseerde arbeidersbeweging.

In 1974 en 1979 erkent Parkin dat het hand- versus niet-handarbeid schema geen voldoende basis is om sociale klassen te differentiëren. (Overigens gaat dit zonder zelfkritische opmerkingen). De voortdurende attractiviteit van de marxistische klassentheorie verklaart hij gedeeltelijk uit het weinig inspirerende alternatief dat de academische sociologie te bieden heeft. Als er onder westerse sociale theoretici een stilzwijgende overeenstemming is over een klassenmodel, dan is dat het bekende onderscheid tussen hand en niet-handarbeid. Als criterium om klassengrenzen te identificeren heeft het de wielen van de empirische sociologie eindeloos in beweging gehouden. Parkin brengt nu drie punten van kritiek naar voren:

1) Alle dichotome schema’s leiden aan problemen van wederzijds exclusiviteit en aan de daarmee verbonden moeilijkheid van classificatie van de middenlagen. Dichotome schema’s vereisen dat men collectiviteiten behandelt als “either manual or non-manual, propertied or propertyless, subordinate or superordinate; it is not logically possible to be partially manual, partially propertyless, or partially subordinate” [1974:14].

2) De beide categorieën hebben echter geen antagonistische eigenschappen. Handarbeiders en hoofdarbeiders (employés) zijn groepen die misschien sociaal van elkaar verschillen in termen van levenskansen, maar zij staan niet in een relatie van exploiter/exploited of dominance/subordination. Anders gezegd: “het huidige sociologische model voldoet zelfs niet aan de minimale Weberiaanse claim dat de relaties tussen klassen opgevat moeten worden als ‘aspecten van de machtsverdeling’. In plaats van een theoretisch raamwerk dat georganiseerd is rond de centrale ideeën van wederzijds antagonisme en de onverenigbaarheid van belangen vinden we een raamwerk dat is georganiseerd rond de geregistreerde feiten van louter sociale differentiatie” [p.13].

3) De schijnwerper van klassenanalyse wordt bijna exclusief gericht op de ongelijkheden die voortvloeien uit de arbeidsdeling, zodat de rol van privé-eigendom verwezen wordt naar ‘a theoretical limbo’ [1975:14].

6.2 Anthony Giddens
Als voorbeeld van een neo-weberiaans marktmodel wordt ook vaak verwezen naar het werk van Anthony Giddens: Class Structure of Advanced Industrial Societies [1973]. Weber’s concept van klasse en klassesituatie wordt door Giddens echter niet geaccepteerd als een basis voor een theorie van de klassenstructuur [1977:205]. Hij wijst de identificatie van klasse met marktsituatie af en kritiseert de algemene stelling dat klassendelingen en -conflicten verschijnselen zijn van marktrelaties.

In zijn gereconstrueerde theorie van klassen en klassenstrijd handhaaft hij de ‘marxistische’ stelling dat klassendelingen zijn verankerd in het productiesysteem en i.h.b. in de extractie van meerwaarde [Giddens 1973:109; 1977:206]. Giddens hanteert echter een uiterst rekbaar begrip van uitbuiting. Omdat hij elke asymmetrische verdeling van levenskansen met uitbuiting identificeert is er ook geen ontwikkelde maatschappij denkbaar zonder uitbuitingsverhoudingen [1973:130].

Klassen moeten volgens Giddens niet organisationeel worden opgevat (als een formele organisatie), niet in termen van graduele stratificatie (als sociale laag) en ook niet elitetheoretisch (als machtspolitieke elite). Net als Marx en Weber formuleert hij een relationeel klassenbegrip, dat uitgaat van posities die individuen in maatschappelijke verhoudingen innemen. Met “structuration deriving from economic organization” [1973:112] zinspeelt hij op een economische bepaling van de klassesituatie die uitgaat van de structureel ongelijke verdeling van bronnen in de maatschappelijke productie. In de kapitalistische maatschappij is klasse een verschijnsel van de totaliteit, omdat het een systeem van ‘exploitative domination’ uitdrukt, “cohered in terms of a definite alignment of economy and polity, sanctioned by the state” [1977:207].

‘Private property’ is de cruciale steun voor de klassendifferentiatie, omdat het de rechten garandeert op de mobilisatie van economische bronnen en de dominantie van de warenvorm veilig stelt. Als zodanig is privé-eigendom echter niet voldoende om klassenrelaties te analyseren als specifieke structurele vormen.

Het generieke begrip ‘klassenmaatschappij’ bestrijkt volgens Giddens een reeks verschillende typen van klassenstructurering. De structurering van klassen kan volgens Giddens worden gethematiseerd in termen van vier aspecten van de productieverhoudingen: (a) paratechnische verhoudingen, d.w.z. relaties in de operatie van de ‘task division of labour’ in een gegeven productietechniek; (b) verhoudingen die geïmpliceerd zijn in de organisatie van de onderneming, inclusief de gezags- of machtsverhoudingen; (c) verhoudingen die geïmpliceerd zijn in de verbindingen tussen productieve organisaties binnen de waren- en arbeidsmarkten; (d) verhoudingen die ontstaan door de connecties tussen productie en distributie of de consumptie van goederen.

Met Marx en Weber gaat Giddens ervan uit dat marktmacht niet eenvoudig afhankelijk is van individuele eigenschappen van afzonderlijke personen, maar van de verdeling van bronnen waarover ze beschikken. De relatieve onderhandelingsmacht van de verschillende groepen is dus gestructureerd (en dus ook gelimiteerd) door een hieraan voorafgaande distributie van bronnen; deze is op haar beurt weer bepaald door de reproductie en transformatie van die bronnen in het maatschappelijke productieproces. Daaruit trok Marx de conclusie, dat de klassen moeten worden bepaald uitgaande van de positie in het directe productieproces, waarbij hij zowel de differentiaties van het eigendom van de objectieve productievoorwaarden als de differentiaties van de waar arbeidskracht behandelde als interne klassendifferentiaties. Giddens meent echter dat Marx niet in staat was om de potentiële betekenis te onderkennen van “differentiations of market capacities which do not derive directly from the factor of property ownership” [1973:103], en daarom slaat hij een andere weg in om de categorie van bezitlozen nader te differentiëren.

Fundamenteel voor klassenstructurering is de differentiële marktcapaciteit binnen de arbeidsmarkt, vooral wanneer deze verbonden is met ‘sluiting’ van de mobiliteitskansen in inter- en intragenerationeel opzicht. Marktcapaciteit definieert hij als “all forms of relevant attributes which individuals may bring to the bargaining encounter” op de markt: eigendom van de productiemiddelen, bezit van educationele of technische kwalificaties en bezit van handarbeidskracht [Giddens 1973:103). De gevolgen van de differentiatie van marktcapaciteiten kunnen worden geconcentreerd dan wel gefragmenteerd door de invloed van meer ‘proximate’ bronnen van klassenstructurering [1973:108]: arbeidsdeling binnen de productieve onderneming, gezagsrelaties binnen de onderneming, en de invloed van distributieve groeperingen (i.h.b. communale of burensegregatie).

De mate waarin deze factoren van klassenstructurering elkaar overlappen is bepalend voor de mate van ‘klassengestructureerdheid’ van een maatschappij. Dit is volgens Giddens wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor het bestaan van een klasse als ‘sociale werkelijkheid’ voor de betrokkenen. Dat vereist immers niet alleen ‘klassenbewustheid’ (met een klassentypische levenswijze verbonden gemeenschappelijke waarneming en erkenning van gelijksoortige houdingen en overtuigingen) en ‘klassenbewustzijn’ (zelfreflexief bewustzijn van deze gemeenschappelijkheden als uitdrukking van klasselidmaatschap en als onderscheidingsteken tegenover andere klassen).

Om de differentiatie van de ‘propertyless’ te analyseren schakelt Giddens —in tegenstelling tot zijn eerdere uiteenzetting— nu ineens over marktcapaciteiten die ‘individuen’ op de markt brengen. Daardoor ondergraaft hij niet alleen zijn eerder geformuleerde uitgangspunt, maar raakt hij bovendien verstrikt in het probleem dat er een ‘cumbersome plurality of classes’ [1973:104) ontstaat. Om deze consequentie te vermijden poneert hij op zeer traditionele wijze een niet nader gemotiveerde grens aan de differentiatie van de ‘bezitlozen’: ‘skilled labour’ en ‘manual labour power‘. Het klassenmodel dat daaruit voortvloeit is een buitengewoon simpel ‘basic three class system’: upperclass (eigendom), middle class (skills) en lower class (manual power).

Door deze combinatie van eenvoudig empirisme en grof decisionisme kan inderdaad het aantal klassen gemakkelijk worden gereduceerd. Het naïeve geloof dat de techniek de splitsing in hand- en hoofdarbeiders veroorzaakt, en dat dit niet alleen voor de beroeps- maar ook voor de klassenstructuur bepalend is, kan (om met Parkin te spreken) hoogstens de wielen van de empiristische sociologie in beweging houden. Met een theoretisch onderbouwde klassenanalyse heeft dit echter niet veel meer van doen.

Plaatje

top


Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam