| Home | Sociologen | Samenleven | Onderwerpen | Zoek | Over dit project | Contact |
|---|
Sociale ongelijkheid en klassen
Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
"De hier voorgestelde terminologie wil dus niet de oneindige verscheidenheid van het historische schematisch verkrachten, maar ze wil slechts bruikbare begripsmatige oriëntatiepunten scheppen, voor specifieke doeleinden" [RS I:273].
Weber lijkt ook hier in eerste instantie bewust af te zien van het geven van werkelijke theoretische 'verklaringen' en beperkt zich tot 'sociologische typologisering' [WG 63]. De 'economische feiten', welke volgens Weber het vlees en bloed van een werkelijke verklaring van het verloop van de sociologisch relevante ontwikkelingen zijn, ontbreken. Het gaat hem om "de sociologische kant van de verschijnselen ... de economische kant slechts voorzover deze in formeel sociologische categorieën worden uitgedrukt" [WG 63]. Voor Weber spreekt het ook vanzelf dat in zo'n 'schematische systematiek' van klassen de empirisch-historische en typisch-genetische opeenvolging van de afzonderlijke vormen niet tot hun recht komen. Het 'geraamte' dat hij biedt moet het mogelijk maken om met 'eenduidig bepaalde begrippen' te kunnen opereren. Strikt genomen ontwerpt Weber dus geen 'klassentheorie'.
In de volgende paragrafen worden de twee fragmenten waarin Weber's klassentheoretische bijdrage is vervat gedetailleerd besproken. De thema's die daarbij aan de orde komen, kunnen in de volgende vraagstellingen worden samengevat:
De basiscategorieën van alle klasseposities zijn echter 'bezit' en 'bezitloosheid', want de wijze waarop de beschikkingsmacht over zakelijke bezit is verdeeld is op zichzelf al voldoende om specifieke - klassenmatig gestructureerde - levenskansen te creëren. In eerste instantie doet het er voor Weber niet toe of deze tegenstelling effectief wordt in de prijs- of concurrentiestrijd op de krediet-, goederen- of arbeidsmarkt. Wanneer echter de tegenstelling tussen bezitters en niet-bezitters niet tot uiting komt in een of andere vorm van ruil op een markt, dan hebben we "in de technische zin van het woord" [WG 532] niet te maken met een 'klasse' maar met een 'stand'. Als voorbeeld noemt hij de slaven, omdat hun lot niet bepaald wordt door hun kansen om zelf goederen of arbeid op de markt rendabel te maken. "De feitelijke of op een of andere manier gegarandeerde mogelijkheid om over de eigen arbeidskracht te beschikken" ontbreekt hier [WG 34].
De klassen worden nader gedifferentieerd op grond van het criterium van de aard van de ruil die plaats vind tussen bezitters en niet-bezitters, d.w.z. al naar gelang de specifieke vorm van markt waardoor zich klassen constitueren en klassenstrijd plaats vind. Weber hanteert hierbij een zeer algemeen marktbegrip [WG 43-4] dat historisch wordt gespecificeerd door aan te geven welk type markt dominant was voor welk historisch tijdperk: de kredietmarkt dominant in de Oudheid)[3], de warenmarkt (dominant in de Middeleeuwen) en de arbeidsmarkt (dominant in de kapitalistische formatie). De klassentegenstelling tussen de bezitters en niet-bezitters komt dus altijd tot uitdrukking op een specifiek soort markt, en het type klassenrelaties waarmee we in een bepaalde maatschappij te maken hebben wordt bepaald door het dominante type marktrelaties.
De uitspraken in het eerste en tweede fragment zijn in zoverre tegenstrijdig dat de eerste omschrijving een markteconomische orde verondersteld, terwijl in de tweede definitie een dergelijke beperkende voorwaarde niet is gesteld. Deze tegenstrijdigheid poetst men niet weg met de suggestie, dat Weber net als Marx een zinvol methodisch onderscheid maakte tussen een algemeen historisch en kapitalisme specifiek klassebegrip. In het eerste fragment vormen marktbepaalde klassen of klasseposities geen "bijzonder geval" zoals Hans Ulrich Wehler meent; en Weber maakt ook geen duidelijk onderscheid tussen "een algemeen, geformaliseerd universeel historisch bruikbaar klassebegrip" en "een enger klassebegrip dat gebonden is aan de specifieke werkingen van de kapitalistische marktmechanismen" [Wehler 1979:12/13].
De ambivalenties in zijn formuleringen lost men evenmin op met de suggestie dat Weber een louter 'distributief' klassebegrip hanteert. Het is geen intrinsieke eigenschap van de markt als zodanig die voor Weber de klasse definieert; maar marktvoorwaarden drukken wel degelijk hun stempel op de formatie en aard van economische belangen. Voor een analyse van de klassenverhoudingen is het zeer verwarrend om een uiterlijk en mechanisch contrast te maken tussen 'produktie versus markt'. Mijns inziens is daarvan in het werk van Weber - noch in dat van Marx - enige sprake. Daarom is het ook net zo misleidend om Weber een louter 'distributief', als Marx een 'produktivistisch' klassebegrip in de schoenen te schuiven. In hoofdstuk IV, § 5.4 komt dit punt uitvoeriger aan de orde. Daarbij wil ik laten zien dat de benaderingen van Weber en Marx worden gekenmerkt door het gemeenschappelijke uitgangspunt, dat klassenverhoudingen zijn gestructureerd door de wijze waarop de beschikkingsmacht over het 'zakelijke bezit'/'objectieve produktievoorwaarden' is verdeeld en worden gemedieerd (gereguleerd) door specifieke ruil- of marktverhoudingen.
De sociaal-historische reikwijdte van het algemene klasseconcept wordt dus - terecht - verbreed. Ook in andere teksten opereert Weber met dit verbrede sociaal-historische klassebegrip. In Die Wirtschaftsethik der Weltreligionen [1915-19] merkt hij bijvoorbeeld op dat de klassenposities tegenwoordige primair door (arbeids- en goederen)markten bepaald zijn. Hij voegt hier echter onmiddellijk aan toe dat "dit niet absoluut noodzakelijk het geval is. De klasseposities van de landheer en kleine boer zijn slechts op een verwaarloosbare wijze afhankelijk van marktrelaties" [RS I:274].[6]
Binnen kaste- of standsformaties is sociale mobiliteit geheel of zo goed als geheel uitgesloten. Daarentegen beschouwt Weber de individuele en intergenerationele mobiliteit als een specifiek ('typisch') kenmerk voor sociale klassenformaties.[7]
Sociale klassen zijn geen substituut voor economische klassen en constitueren zich ook niet in een economisch klasse-vacuum. Sociale klassen worden opgevat als sociale formaties die op de grondslag van economisch onderscheiden klassecategorieën kunnen ontstaan. Met de term sociale klasse lijkt Weber het probleem van het - gemeenschappelijk of geassocieerd - klassehandelen vanuit een andere invalshoek te willen analyseren [zie § 4.2].
Het probleem is niet de erkenning van de diversiteit van relaties en conflicten die door de kapitalistische markten als zodanig worden gecreëerd. Het probleem is hoe in dergelijke relaties en conflicten de klassen theoretisch en empirisch als gestructureerde vormen geïdentificeerd kunnen worden. Weber geeft niet duidelijk aan "hoe de potentieel erg brede variëteit van verschillende 'klasseposities' gereduceerd kan worden tot een aantal klassen dat hanteerbaar is voor de verklaring van belangrijke componenten van sociale structuur en sociaal veranderingsproces" [Giddens 1973:101].
Het groeperen van klassen overeenkomstig marktposities lijkt te impliceren dat men slechts demarcatielijnen kan trekken binnen een continuum, nml. binnen een hiërarchie van bezits- en beroepscategorieën. Door de toenemende dominantie van de kapitalistische produktiewijze is praktisch de gehele bevolking betrokken in de arbeidsmarkt, waardoor een erg brede reeks van marktposities ontstaat. Met een theoretisch geconstrueerd continuum van klasseposities is het niet meer mogelijk om empirische discontinuïteiten, kwalitatieve breukvlakken en splitsingslijnen vast te stellen (met name de splitsingslijnen en belangenantagonismen die gebaseerd zijn op de uit het bijzondere karakter van de 'waar arbeidskracht' voortvloeiende structurele machtsasymmetrie op arbeidsmarkten waardoor de verkopers van die waar systematisch worden benadeeld). Voor dit probleem biedt het analysekader van Weber geen bevredigende oplossingen.
Natuurlijk kan men het economische klassebegrip van Weber tot in het absurde doorvoeren, tot dat uiteindelijk elk individu een enigszins verschillende combinatie van bezit of vaardigheden op de markt brengt en er dus evenveel klassen zouden bestaan als er individuen op de markt zijn. Dit bezwaar is echter moeilijk aan de hand van Weber's teksten zelf te onderbouwen. Ook de historische voorbeelden van klassen die Weber aanvoert bewijzen, dat het hem primair ging om geagglomereerde delen van de bevolking die m.b.t. hun kansen op de markt in een relatief 'gelijke' situatie staan omdat hun levenskansen een specifieke oorzakelijke component gemeen hebben [vgl. Müller 1977:24].
Daarmee zijn de moeilijkheden van Weber's klassentypologie echter nog geenszins opgelost. Het probleem is dat Weber de klassenrelaties tussen de vier basiscategorieën van positief en negatief geprivilegieerde bezits- en verwervingsklassen niet conceptualiseert (hij gaat alleen in op de relaties tussen hun elementen). Weber ontwikkeld geen duidelijk concept van structurering van klassenverhoudingen. Hij suggereert slechts een 'typologie van fragmenterende structurering', d.w.z. een structurering die in steeds kleinere categorieën wordt afgebroken [Barbalet 1980:409]. Met zijn typologie van klassencategorieën is het niet mogelijk de maatschappelijke structurering van klassesituaties ('klassenstructuren') te thematiseren; en daarom is zij maar minimaal bruikbaar voor historisch en sociologisch onderzoek. In het meest gunstige geval kan zijn typologie worden gehanteerd als beschrijvend classificatieschema.
a) Sociale klassen worden onderscheiden volgens het criterium van de mobiliteitskansen. Hoe dit criterium precies gehanteerd kan worden geeft Weber hier niet aan. Sommige formuleringen wekken de indruk dat hij sociale klassen differentieert naar het criterium van de 'sociale status'. Daarom hebben diverse auteurs Weber's sociale klassenindeling uitsluitend vastgemaakt aan het - vaak subjectief opgevatte - criterium van 'sociale status' [bv. Mommsen 1974:164]. Daarmee wordt de relatie tussen sociale klassendeling en standendifferentiatie (welke uitgaat van de maatstaf van sociale status of prestige) nog ondoorzichtiger dan ze bij Weber al is.
b) Weber geeft geen serieuze explicatie van zijn definitie van sociale klassengrenzen. De sociale klassenindeling die hij maakt is grof en theoretisch steriel. Het meest problematisch is de derde sociale klasse. De bezitloze intelligentia en het technisch gekwalificeerde personeel omvat bij Weber zowel de technisch als commercieel gespecialiseerde loonarbeiders in de private ondernemingen ('employés') als in overheidsdienst ('beambten'). Hoewel het ook allemaal 'loonslaven' zijn [GASS:509], beschouwt hij ze toch als een aparte sociale klasse.[10] Het zijn sociale lagen/klassen die boven de arbeiderslaag/klasse staan en die zich hiervan in toenemende mate proberen te onderscheiden. Daarom bestaat er volgens Weber verschil tussen de loonarbeiders die hij rekent tot de 'sociale arbeidersklasse' en de aparte klasse van de bezitsloze intelligentia en technisch gekwalificeerd personeel.
Waarom hij dit verschil niet analyseert in termen van 'sociale lagen' binnen een klasse blijft onduidelijk. In een latere tekst over Het Socialisme neigt hij er wel veelmeer toe deze groepen op te vatten als sociale lagen binnen de arbeidersklasse.[11]
Een van de wezenlijke effecten van sociale sluitingsprocessen is dat er een gemeenschap van belanghebbenden' [WG 201] ontstaat. Er ontstaat een categorie positief geprivilegieerde individuen die bepaalde sociale levenskansen hebben toegeëigend en natuurlijk de tegenpool hiervan, de negatief geprivilegieerde groepen die geen of slechts zeer beperkte toegang hebben tot die levenskansen. Niet elke gemeenschap van belanghebbenden is echter op zich - of zonder meer - altijd ook een belangengemeenschap of - associatie. Een cruciaal probleem in Weber's benadering betreft de vraag onder welke voorwaarden een gemeenschap van belanghebbenden zich transformeert tot een belangengemeenschap of -associatie.
De eerste vorm van sociaal handelen, het gemeenschappelijk handelen, is georiënteerd op het gevoel van de actoren dat zij bij elkaar horen. Een (belangen)gemeenschap berust op subjectief gevoelde saamhorigheid van de deelnemers. Die saamhorigheid kan affectief of traditioneel van aard zijn [WG 21]. Het vermaatschappelijkte of geassocieerde handelen is daarentegen georiënteerd op een doel- of waarderationeel gemotiveerde belangenovereenkomst. Wanneer het sociale handelen berust op een rationele gemotiveerde belangenverbinding, noemt Weber deze relatie een 'vermaatschappelijking' of associatie.[12]
Wat zijn nu de specifieke voorwaarden waaronder wel gemeenschappelijkt of vermaatschappelijkt klasse-handelen tot stand komt vanuit een gelijke klassepositie? Weber geeft hiervan geen uitvoerig typologisch, laat staan systematisch overzicht. Maar als we de opmerkingen uit beide fragmenten bijeen nemen, dan kunnen we de volgende hoofdlijnen van zijn benadering reconstrueren.
Aan de ene kant gaat Weber er net als Marx van uit dat de ontwikkeling van de moderne industrie zal leiden tot een tendentiële eenwording van het kwalificatieniveau van de produktiearbeiders, waardoor de oude splitsing in verschillende beroepen wordt teruggedrongen en de eenheid van de arbeidersklasse in de strijd tegen de klasse van bezitters wordt bevorderd. Weber wijst hierbij echter ook op een tegenwerkende tendens die de eenheid van de arbeidersklasse permanent ondergraaft. "Aan de andere kant neemt de beroepsspecialisatie en de eis van vakscholing toe bij alle lagen binnen de produktie die boven de arbeiderslaag staan ... en neemt tegelijk het relatieve aantal van de tot deze laag behorende personen toe" [GASS 509]. Zij zijn weliswaar ook 'loonslaven' maar laten zich weinig gelegen liggen aan de 'solidariteit met het proletariaat'. Er is dus geen sprake van een "eenduidige tendens tot proletarisering" [idem 510]. Van een uniforme, gehomogeniseerde klassepositie is volgens Weber alleen sprake bij volledig 'ongeschoolde bezitlozen die zijn aangewezen op de inkomsten van onregelmatige arbeid [WG 177].
Net als Marx gaat Weber er daarbij van uit dat de suprematie van een heersende klasse wordt versterkt door steeds nieuwe krachten voor zichzelf te rekruteren uit de subalterne lagen van de maatschappij. Voor de moderne arbeidersklasse illustreert Weber dit aan de poging van de industriële employés die zich van de arbeidersklasse proberen te onderscheiden door zich met de hogere klassen te assimileren [GASS: 509]. De politieke eenheid van een sociale klasse wordt dus negatief beïnvloed door het verschijnsel van 'assimilatie'. Wanneer de 'de beste hersens van het land' (Marx) in de heersende klassen of elites worden geïncorporeerd frustreert dit de mogelijkheden van negatief geprivilegieerde klassen om hun klasse-eenheid politieke vorm te geven. Sociale mobiliteit in de vorm van 'rekrutering van onder' kan dus dienen als stabiliserend, anti-revolutionair proces [vgl. Goldthorpe 1980].
Zoals gezegd doet Weber geen poging om de voorwaarden die de ontwikkeling van collectief klassebewustzijn en -handelen bepalen systematisch uit te werken; daarom moet men aan zijn uiteenzetting niet al te strikte theoretische eisen stellen. De factoren die hij noemt spelen ongetwijfeld een belangrijke rol. Maar een van de factoren die hij in dit verband niet noemt, en die zeker mag worden vergeten, is de mate van ascriptieve heterogeniteit/homogeniteit, d.w.z. de mate waarin de politieke eenheid van een klasse wordt doorbroken door splitsingen naar sekse, huidskleur, geloof, nationaliteit enz.
Op het eerste gezicht lijkt dit een simpele cirkelredenering. Terwijl gemeenschappelijke klasseposities slechts onder bepaalde voorwaarden leiden tot gemeenschappelijk/geassocieerd sociaal handelen, is een ander gemeenschapshandelen tegelijkertijd als vooronderstelling opgenomen in de bepaling van de klassepositie. In het eerste geval gaat het echter om sociaal handelen van de leden van eenzelfde klasse, en in het tweede geval om sociaal handelen tussen leden van verschillende klassen.
Aan het gemeenschappelijk handelen van de leden van dezelfde klasse gaat kennelijk een handelen tussen de leden van verschillende klassen vooraf. Wat verstaan moet worden onder het collectieve handelen tussen de leden van verschillende klassen verduidelijkt Weber aan de klasse-positie van de loonarbeider en de kapitalistische ondernemer.Hun klasse-positie wordt bepaald door arbeidsmarkt, goederenmarkt en kapitalistische onderneming. En achter deze drie collectieve handelingssamenhangen staat weer een andere vorm van handelen, nml. het gemeenschapshandelen dat het goederenbezit beschermt en in het bijzonder de vrije beschikkingsmacht van het individu over de produktiemiddelen. De klassepositie veronderstelt dus de kapitalistische onderneming en deze veronderstelt op haar beurt een bepaalde rechtsorde.
Sociaal-historisch is het standsbegrip een tegenbegrip van klasse. Maar omdat beide principes ook gelijktijdig kunnen voorkomen binnen een maatschappelijk verband krijgt de term stand een meer algemeen sociaal-historische betekenis.
Tussen stands- en klassenverschillen kunnen zeer uiteenlopende verbindingen bestaan [WG 535]. Ook in maatschappijen die dominant klassenmatig zijn gestructureerd, blijven er standsverschillen bestaan [vgl. RS I:274]. Al zijn de standen daarin niet het dominante type van institutionalisering van sociale ongelijkheid, zij kunnen onder bepaalde voorwaarden sterker op de voorgrond treden. In ontwikkelingshistorisch perspectief benoemt Weber de economische condities waaronder standenstructuren een dominerend regulatiemechanisme van sociale sluiting kunnen worden. De economische stabiliteit van de produktie en distributie bevordert volgens Weber een conventioneel-juridische wijze van monopolisering van levenskansen, d.w.z. standsvorming. In perioden van economisch-technologische omwentelingen zal daarentegen de naakte klasse-situatie een overwegende betekenis innemen [WG 539].[14]
Deze passage is een van de weinige plaatsen waarop Weber zich de luxe permitteerde van een speculatie over de lange termijn trends in patronen van sociale stratificatie. Zijn terloopse opmerkingen zijn wel geïnterpreteerd als een 'cyclische stratificatietheorie' [vgl. Crompton/Gubbay 1978:7). Volgens sommigen zou Weber hiermee zelfs de grondslag hebben gelegd van de functionalistische theorie van sociale verandering.[15]
In de academische sociologie is de prestige of statusdimensie in Weber's uiteenzetting nogal verabsoluteerd. Vooral in de Amerikaanse stratificatiesociologie bestond een sterke tendens het onderzoek naar sociaal ongelijkheid te te reduceren tot of af te leiden van de analyse van verschillen in sociaal prestige.[16] Een gangbare interpretatie werd, dat Weber klassen identificeerde overeenkomstig de 'objectieve structuur van de markt' en dat hij standen onderscheidde overeenkomstig "such essentially subjective criteria as prestige, social honour and so on, which are expressed in a particular 'stile of live'" [Crompton/Gubbay 1978:7]. Hoewel deze subjectiverende interpretatie van verschillende kanten is bekritiseerd leidt ze een hardnekkig bestaan. 'Het contrast tussen klasse en statusgroep, is echter niet zoals vaak aangenomen lijkt te worden, louter, of misschien zelfs primair, een onderscheid tussen subjectieve en objectieve aspecten van differentiatie" [Giddens 1973:43, vgl. 109].[17]
Een vergrijp tegen de conventie ('standszede') wordt vaak zwaarder gestraft dan via enigerlei juridische sanctie mogelijk zou zijn. Een sociale boycot door standsgenoten kan uitermate pijnlijk en zeer effectief zijn [WG 19 en 173 e.v]. Een standenstructuur gaat praktisch gezien overal gepaard met monopolisering van ideële en materiële goederen en kansen. Leden van positief geprivilegieerde standen kunnen daardoor in meer of mindere mate effectieve aanspraak maken op specifieke 'standseer' (welke altijd gebaseerd is op distantie en exclusiviteit), juridisch genormeerde 'standsprivileges' (zoals het recht op het dragen van bepaalde kleding, het eten van bepaald voedsel, het dragen van bepaalde wapens of het beoefenen van bepaalde kunsten) en tal van 'materiële monopolies'. De objecten waarover door standen materiële monopolies kunnen worden verworven zijn zeer divers: a) conventionele voorkeurskansen voor bepaalde aanstellingen kunnen zich ontwikkelen tot een juridisch monopolie over bepaalde ambtelijke posities voor bepaalde groepen (bijv. het 'corps diplomatique'); b) monopolisering van de controle op de hand van al dan niet geslachtsrijpe dochters als huwelijkspartners; c) specifieke goederen zoals de ridderlijke landgoederen; d) mensen, nml. het bezit van lijfeigenen en horigen; e) bepaalde beroepstakken, niet alleen door monopolistische toeëigening van geprivilegieerde verwervingsmogelijkheden [zie hoofdstuk II, § 8.3], maar ook door het strikt afwijzen van bepaalde verwervingskansen, met name van handarbeid [WG 537].
Waldo Burchard vergeleek 'status' als analytisch instrument in de sociologie met de schroefsleutel in de mechanica - "a powerful tool without question, but often used as a hammer, a pary bar, and in other applications for which it is nog designed, and so unstable when applied to a nut that it has earned for itself the reputation of 'finger skinner' - a frequently used colloquial designation for the monkey wrench" [Burchard 1960:417]. Hij suggereerde destijds dat de impasses rond het begrip status misschien nog het best overwonnen kunnen worden door het begrip status niet meer te gebruiken en in plaats daarvan andere begrippen te gebruiken. Om uit de terminologische verwarring te komen is dit misschien wel een zinvolle suggestie, maar in principe worden daarmee de inhoudelijke problemen alleen maar verschoven.
Het probleem is echter dat de term partij niet eenvoudig refereert aan de wijze van machtsvorming - netzomin als de term klasse eenduidig refereert aan de produktie, of stand aan levensstijl.
Weber heeft er zelf moeite mee deze analytische onderscheiding vol te houden. In het eerste fragment behandelt Weber de klassen, standen en partijen nog op een analytisch gelijkwaardig niveau. Het partijbegrip wil hij hier preciseren door in te gaan op de 'structuurvormen van sociale heerschappij in het algemeen' [WG:539]. In het nieuwere gedeelte van WG - waaruit het tweede fragment stamt - wordt hieruit de consequentie getrokken: de analyse van de partijen wordt geïncorpereerd in de bespreking van de typen van heerschappij, de klassen en standen worden hier samen behandeld - na de analyse van de typen van heerschappij (heerschappij-sociologie).
De reden hiervan is niet louter compositorisch, maar inhoudelijk van aard, want het partijbegrip ligt analytisch op een ander niveau dan de begrippen klasse en stand [Schluchter 1979:47]. Partijen zijn namelijk niet eenvoudig te definiëren in termen van de wijze van machtsverwerving. Partijen zijn in de eerste plaats doelgerichte organisaties die opereren in ordeningen op een ander - hoger - aggregatieniveau.
Volgens de formulering van het nieuwere deel van WG zijn partijen per definitie ('Begrifflich') alleen mogelijk "binnen een organisatie" waarvan ze de leiding willen beïnvloeden of veroveren [WG 167]. Door deze verandering corrigeert Weber zijn eerdere 'toerekeningen'. Terwijl klassen en standen behoren tot het niveau van levensordeningen, worden partijen nu expliciet betrokken op het niveau van de organisatie. Dit sluit overigens niet geheel uit dat klassen, standen en partijen vanuit eenzelfde gezichtspunt worden geanalyseerd .
In de eerste plaats blijft het mogelijk de vraag te stellen hoe de sociale levenssituaties zijn gestructureerd door klassen, standen en partijen. Ook vanuit het nieuwere deel van W& kan men Weber's overwegingen interpreteren vanuit de vraag, welke typische kansen van de uiterlijke levenspositie en het innerlijk levenslot met klassen, standen en partijen verbonden zijn. De 'klassepositie' wordt geconstitueerd door "de mate en aard van beschikkingsmacht over goederen of prestatiekwalificaties" [WG 177]; de 'standspositie' wordt geconstitueerd door een "effectieve aanspraak op positieve of negatieve privilegiëring in sociale waardering" [WG 179]. Deze definities onderscheiden de klasse- en standssituaties niet zozeer naar produktie en consumptie, maar naar de mate en wijze van beschikkingsmacht over 'bronnen'voor het tot stand brengen van uiterlijke in onderscheid van innerlijke goederen. Het criterium van differentiatie is dus de specifieke 'bron' van levenskansen waarover beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend. Deze differentiatie kan men ook uitbreiden tot de partijen, resp. organisaties waarin - op een ander aggregatieniveau - levenssituaties geïdentificeerd kunnen worden naar de aard en mate van beschikkingsmacht over organisatiemiddelen .
Vanuit deze argumentatie is het in de tweede plaats ook mogelijk de machtsverdeling binnen de gemeenschap te onderzoeken vanuit (a) het gezichtspunt van de ordeningen ten opzichte van elkaar en ook vanuit (b) verschillende aggregatie niveaus van de levenssituaties binnen deze ordeningen.
Weber maakte geen duidelijk analytisch onderscheid tussen de problemen van de ordenings- en handelingsintegratie op verschillende aggregatieniveaus. Bij zijn keuze van aggregatieniveaus en eenheden van analyse heeft Weber zich volgens Schluchter een grote mate aan 'vrijheid' toegestaan, waardoor de reconstructie van zijn materiële studies zeer moeilijk is [Schluchter 1979:49]. Te vaak en te weinig expliciet worden de eenheden en niveaus van analyse gewisseld. Dit geeft zijn werk in het algemeen een fragmentarisch karakter. De taak van een explicatie is daarom vooral, het systematisch classificeren van de problemen van de ordenings- en handelingsintegratie en hun onderlinge samenhang op verschillende niveaus van aggregatie. In aansluiting bij het systeemtheoretisch perspectief van Luhmann [1975:9 e.v.] maakt Schluchter [1979:51 e.v.] een onderscheid tussen drie aggregatieniveaus van maatschappelijke handelingssamenhangen: 1e) het maatschappelijk niveau: de structuur van maatschappelijke verhoudingen van activiteiten welke de mogelijkheid kennen van zinvolle communicatie; 2e) het organisatieniveau: de structuur van organisationele activiteiten welke gekenmerkt worden door lidmaatschap; 3e) het interactieniveau: de structuur van rolactiviteiten welke gekenmerkt wordt door directe aanwezigheid van de actoren.
Vanuit een dergelijke indeling laat zich het hiervoor gegeven interpretatieschema relatief gemakkelijk uitbreiden.
Weber ontwikkelde geen uitgewerkte theorie van sociale sluiting in het kader waarvan hij de klassenproblematiek behandelt. De uitwerking van het sociale sluitingsthema wordt weliswaar niet systematisch en expliciet verbonden met zijn benadering van klassen en standen, maar - anders dan Parkin [1979:44] suggereert - is de optiek van sociale sluiting daarin wel degelijk direct 'aanwezig' [vgl. Murphy 19,33:632 e.v.].
Klassen, standen en partijen worden door Weber gethematiseerd als verschillende 'structuurvormen' van sociale heerschappij. Hij onderzoekt de verschillende 'Strukturformen menschlicher Gemeinschaften' [WG 212] vanuit het analytisch perspectief van de verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen welke de ongelijke verdeling van levenskansen daarmee de sociale levenssituatie van individuen bepalen. Het analytische onderscheid tussen klassen en standen is gebaseerd op de steeds specifieke wijze waarop sociale categorieën beschikkingsmacht toeëigenen over maatschappelijke bronnen en monopolisering van levenskansen voor anderen af te sluiten of te beperken.
Bij de bespreking van het sociale sluitingsthema heb ik in aansluiting bij Weber een een methodisch-theoretisch onderscheid gemaakt tussen: 1e) de aard van de objecten waarover reële beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend waardoor de ongelijkheidsverhouding wordt gestructureerd; 2e) de criteria op grond waarvan individuen/collectiviteiten van bepaalde levenskansen worden uitgesloten; 3e) de mechanismen via welke sociale ongelijkheden worden gereproduceerd: de stabilisatie- en garantiemechanismen; 4e) de belangengemeenschappen die in en door sociale sluitingsprocessen worden geconstitueerd.
Al deze elementen voor een theorie van sociale ongelijkheid zijn wel in Weber's behandeling van klassen en standen geïmpliceerd, maar niet gesystematiseerd.
a) We hebben gezien dat Weber over klasse spreekt wanneer een groot aantal mensen levenskansen gemeenschappelijk hebben die te maken hebben met de economische belangen van goederenbezit en verwerving. De constitutie van klassen knoopt aan bij bezitsverschillen. Door het verwerven van beschikkingsmacht over goederen of prestatie-kwalificaties worden niet-bezitters uitgesloten van het meeconcurreren om hooggewaardeerde goederen. Bezitters worden hierdoor structureel bevoordeeld, want zij hebben het feitelijke monopolie op de verwerving van deze goederen. Door uitsluiting eigenen de positief geprivilegieerde klassen zich diverse monopolies toe: kansen op vermogens- en kapitaalvorming, kansen om te profiteren van de ruil, kansen op uitoefening van ondernemersfuncties [vgl. WG 70 e.v.]. Een klassepositie wordt door Weber geanalyseerd als een door bezits- of verwervingsverschillen gestructureerde levenssituatie, welke het effect is van door de markt bemiddelde sociale sluitingsprocessen.
b) Ook bij zijn behandeling van de stand keert het sluitingsthema terug. In tegenstelling tot de klassendeling knoopt de standspositie aan bij prestigeverschillen; zij wordt gestructureerd door een verschil in beschikkingsmacht over o.a. de waardering van 'eer'. De sociale sluitingsprocessen die aan de formatie van standen ten grondslag liggen worden niet zoals bij de klassen via het marktmechanisme bemiddeld (of gereguleerd), maar door de regels die de levensstijl bepalen, d.w.z. door conventies of wetten. Deze conventionele en/of juridische vorm van sociale sluiting drukt zich o.a. uit in beperkingen aan de sociale omgang, huwelijk e.d, maar ook en in de eerste plaats in tal van 'materiële monopolies'.
Klassen en standen zijn specifieke structuurvormen van sociale heerschappij; de daarin geïmpliceerde patronen van sociale ongelijkheid kunnen worden geanalyseerd vanuit de mechanismen via welke beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen wordt toegeëigend en sociale verhoudingen worden gesloten. Het belangrijkste differentiatiecriterium tussen klasse en stand is de specifieke 'bron' van levenskansen waarover beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend. Deze differentiatie kan niet alleen worden uitgebreid tot de partijen (aard en mate van beschikkingsmacht over organisatiemiddelen), maar kan evenzeer van toepassing zijn op de (niet hier, maar door Weber wel besproken) kasten. In de volgende tabel is deze interpretatie schematisch weergegeven.

Naar volgende hoofdstuk: IV WEBER(ianisme) versus MARX(isme)?
Naar Inhoudsopgave
[2] Weber gebruikt de term 'Klassenlage' (en ook 'Marktlage', 'Standslage', 'Interessenlage' enz). Dit kan zowel worden vertaald met 'klassesituatie' als met 'klassepositie'. Ik geef de voorkeur aan de laatste mogelijkheid, zonder hiermee een 'structurele' duiding te suggereren of een 'situationele' te verwerpen.
[3] Weber sluit hiermee aan bij de opvatting die Marx in het eerste deel van Das Kapital: "De klassenstrijd van de Oudheid bijvoorbeeld vond hoofdzakelijk plaats in de vorm van een strijd tussen schuldeisers en schuldenaren; deze strijd eindigt in Rome met de ondergang van de plebejische schuldenaars, die door slaven worden vervangen" [MEW 23.149 e..v.; Ned. vert.: p.81]. Weber werkte dit onderzoeksthema uit in Agrarverhältnisse im Altertum [1909].
[4] Weber gebruik de term Erwerbsklasse. Om het moderne kapitalisme te begrijpen probeerde hij een analytische ingang te vinden via een bepaald type economisch handelen dat voor dit moderne kapitalisme kenmerkend is. Dit specifieke type economisch handelen noemt hij Erwerben. Verwerven is een contrastbegrip van 'huishouden'. Met de twee handelingstypen 'huishouden' en 'verwerven' correleren twee economische typen: de behoeftenbevredigings- en de verwervingseconomie. Dit verschil speelt een centrale rol in de opbouw van de sociologische basiscategorieën van het economisch handelen; het is het hoogste classificatieprincipe volgens welke Weber economische verschijnselen ordent. Bij alle menselijke prestaties van economische aard moet men volgens hem de vraag stellen of het gaat om een huishoudelijk of verwervingsmatig gebruik [WG 63]. Men kan immers altijd vanuit twee verschillende gezichtspunten economisch actief zijn: voor de bevrediging van de eigen behoeften of voor de verwerving, d.w.z. het benutten van de schaarste van begeerde goederen om een eigen winst te halen uit de beschikking over deze goederen [WG 199]. Huishouden wil zeggen, het continu gebruiken of aanschaffen van goederen gericht op de eigen consumptie of op het aanschaffen van andere goederen voor eigen gebruik [WG 46].
Weber geeft geen eenduidige algemene afbakening van verwerven. Verwerven is een gedrag dat georiënteerd is op de kansen om nieuwe beschikkingsmacht over goederen te verkrijgen [WG 48; vgl 33,64]. Het begrip verwerven krijgt bij Weber een dubbele betekenis. Het omvat niet alleen het op 'winst' gerichte verwerven overeenkomstig kapitaalrekening, maar ook de zgn. arbeidsverwerving, d. i. de ruil van eigen arbeidsprestaties tegen geld [WG 53]. Bij Weber is de verwerving door kapitaalrekening georiënteerd op winst van centrale betekenis voor de analyse van de kapitalistische economische organisatie. De moeilijkheid is dus dat Weber tegelijkertijd werkt met een algemeen historisch begrip van verwerven en een verwervingsbegrip dat toegesneden is op de moderne, kapitalistische aspecten van verwerven [BADER e.a.1976: 211 e.v., 264 e.v.].
Als men deze dubbele betekenis van het begrip 'Erwerben' niet onopgemerkt wil laten verdwijnen achter in vertalingen ingebouwde (eenzijdige) interpretaties, dan is het beter om term te vertalen met 'verwerven'. Om deze redenen is het beter om de term 'Erwerbsklasse' zo letterlijk mogelijk te vertalen met 'verwervingsklasse', en niet met Nederlandse ekwivalenten van het Engelse 'income class' (Dahrendorf en Matthews) of 'commercial class' (Roth/Wittich en Giddens) of zelfs 'profit-making class'.
[5] De slavenhoudersmaatschappij van de Klassieke Oudheid behoort volgens Karl POLANYI eenduidig tot de 'pre-market' maatschappijen waarin de economische betrekkingen nog in het geheel van het sociale systeem ingebed zijn [vgl. FINLEY 1973; KIPPENBERG 1977]. Een interpretatie van de slavenhoudersmaatschappij als klassenformatie geeft o.a. SCHMIDT [1978]. Voor Weber's positie leze men Agrarverhältnisse im Altertum [1909].
[6] Deze verschuiving in Weber's klassebegrip is door veel auteurs over het hoofd gezien. Zo meent Erik Olin Wright dat Weber's behandeling van klassen beperkt is tot marktsystemen [WRIGHT 1985:107]. Voor Weber zouden de maatschappelijke structuren van pre-kapitalistische feodale maatschappijen niet gebaseerd zijn op klassentegenstellingen die verankerd zijn in een specifieke vorm van uitbuiting, maar meer op 'status order'. "Class is a central feature of social structure only in capitalism; other types of societies are structured by other kinds of social relations" [WRIGHT 1985:108]. Hoewel Wright de abstracte confrontatie tussen een produktie- en marktbepaald klassebegrip enigszins relativeert, construeert hij een analoog 'nieuw' contrast tussen "an essentially culturalist theory of society and history and a materialist theorie" [idem].
[7] De bewering van Walter Korpi, dat Weber sociale klassen definieert in termen van sociale verhoudingen die gekenmerkt worden door "a low degree of individual and intergenerational mobility" [KORPI 1978:11] is evident onjuist .
[8] Vgl. de kritieken van COX [l950:277], GIDDENS [1973:48, 78-80, 101, 104], HERKOMMER [1975], JOHNSON [1976:62], CROMPTON/GUBBAY [1978:8], Barbalet [1980:408].
[9] Dat is ook het oordeel van GIDDENS [1973:48,79,104] en HYMAN [1983:21].
[10] Met als de auteurs die de employéfunctie opvatten als 'gedelegeerde ondernemersfuncties' (Croner) analyseerde Weber de 'Angestelltenschaft' met behulp van het beambtenmodel. En zeer gedetailleerde kritiek op de Weber's overdracht van het bureaucratiemodel op de industriële sfeer geeft KOCKA [1969] Weber legt sterk de nadruk op de specifieke politiek-ideologische en culturele houdingen van de 'Privatangestellten', die zich het liefst willen assimileren met de gevestigde lagen van burgerlijke maatschappij en niets willen weten van solidariteit met het 'proletariaat', waarvan ze zich juist in toenemende mate proberen te onderscheiden. Het probleem is dat deze aan employés toegeschreven ideologische en gedragskenmerken als zodanig weinig verklaren, maar zelf verklaard moeten worden. De centrale vraag is echter volgens Kocka: (a) waarom de groep van employés - als deel van de arbeidersklasse - in vergelijking met de (hand)arbeiders sociaal-juridisch en politiek is gepriviIegieerd en (b) waarom en in hoeverre zij op grond van deze specifieke positionele kenmerken in 'mentaliteit', ideologie en politiek gedrag bepaalde bijzonderheden vertoont. Vgl. ook de kritiek van KADRITZKE [1975:19 e.v.].
[11] Het trekken van arbitraire scheidslijnen tussen de (hand)arbeidersklasse en de 'witte boorden employés' geniet binnen de sociale wetenschappen nog steeds een grote populariteit. Het theoretisch steriele onderscheid tussen tussen hoofd- en handarbeiders wordt in eerste instantie ook onkritisch en tamelijk grof overgenomen door Frank Parkin. "The fact that we do speak of a class system suggests that we can distinguish some significant 'break' in the reward hierarchy. In Western capitalist societies this line of cleavage falls between the manual and non-manual occupations" [PARKIN 1971:25]. In 1979 neemt hij hiervan afstand, o.a. met het argument dat dit simpele sociologische (differentiatie) model zelfs niet voldoet aan de minimale weberiaanse claim dat de verhoudingen tussen klassen opgevat moeten worden als 'aspects of the distribution of power' [PARKIN 1979:13]. In het hoofdstuk IV, § 6 komt de benadering van Parkin iets uitvoeriger aan de orde.
[12] Niet elke vorm van menselijk handelen of gedrag is sociaal handelen. Sociaal handelen is volgens Weber altijd georiënteerd op het gedrag van anderen. Dat kan zowel gedrag van anderen uit het verleden zijn als hun actueel gedrag, maar ook hun in de toekomst te verwachten, geanticipeerde gedragingen. Sociaal handelen is 'zinmatig' gedrag dat georiënteerd is op het gedrag van anderen. Het is dus niet identiek met gelijkmatighandelen van meerdere mensen. Wanneer een groot groot aantal mensen gelijktijdig een paraplu ontvouwen wanneer het begint te regenen is dit handelen van individuen normaal gesproken niet georiënteerd op het gedrag van anderen. Het gelijksoortig handelen van af die mensen is georiënteerd op de behoefte niet nat te worden.
Sociaal handelen kan ook niet eenvoudig worden gelijkgesteld met handelen dat beïnvloedbaar is door het gedrag van andere mensen. Het handelen van individuen wordt meestal sterk beïnvloed door het feit dat zij zich in een ruimtelijk opeengedrongen 'massa' bevinden Dit massa-bepaalde gedrag ('kuddegedrag) is volgens Weber geen sociaal handelen; het is wel een belangrijk thema voor de massa-psychologie. Hetzelfde geldt voor ruimtelijk verspreide massa s die een simultaan of successief massagedrag vertonen. Het zijn allemaal vormen van 'reageren' zonder dat hierbij een zinmatige relatie ontstaat. Natuurlijk weet ook Weber dat het onderscheid tussen massa-handelen en sociaal handelen uitermate vloeiend is, zodat het trekken van een grens tussen beide vaak nauwelijks mogelijk lijkt. Juist daarom moet men begripsmatig vasthouden aan het onderscheid. Op welke problemen men daarbij stuit zien we bijv. bij het verschijnsel van de imitatie, d.w.z. bij het na-apen van vreemd handelen Wanneer iemand alleen maar een gedragsvorm overneemt welke hij/zij bij anderen leerde kennen, dat is dat geen sociaal handelen, want dit geïmiteerde handelen is niet georiënteerd op het gedrag van die anderen. De actor heeft door waarneming van het gedrag van anderen bepaalde objectieve kansen leren kennen en oriënteert zich op deze kansen. Dit soort handelen is wel bepaald door vreemd handelen, maar het is causaal en niet zinmatig bepaald. Wanneer echter vreemd handelen wordt geïmiteerd omdat het 'mode' is, omdat het 'voornaam', 'hip', 'in' of 'punk' is, dan is dat wel sociaal handelen omdat er sprake is van zinbetrokkenheid [WG 11 e.v.].
[13] Vgl. LOUSSE [1937:66 e.v.] Hoewel men al in de 13 eeuw de eerste sporen aantreft van het standsbegrip, werd het Das vanaf de 14e eeuw een omstreden en door iedereen gebruikte term. Rudolf Herrnstadt - die de ontstaans- en ontbindingsgeschiedenis van het standsbegrip in kaart heeft gebracht - verklaart deze ontwikkeling als volgt: "Het maatschappelijke begrip stand kwam op toen de feodale orde in crisis geraakte. Zolang de de wereldlijke en geestelijke feodalen in wezen slechts tegenover de andere hoofdklasse van de feodale orde, de 'standenloze' boeren stonden, zolang dus hun heerschappijaanspraak nog niet in gevaar was, hoefden zij hun rol als enige 'heren van stand' niet te benadrukken. Maar hoe meer de steden groeiden, de handel tussen hen versterkte, de burgerij de macht in de steden bevocht en zich over de steden heen uitstrekte (14e en 15 eeuw), des te meer werd het begrip omstreden en inhoudsvol, des te meer begon het te gloeien. Want nu moesten de 'heren van stand' hun privileges verdedigen. Het was helemaal niet meer vanzelfsprekend ze te bezitten. Anderzijds was het voor de burgers in de steden een vraag van leven en dood, eveneens geprivilegieerd te zijn. Want hun materiële welvaart en hun perspectieven berustten op de deelname aan de privileges op het behoren tot de standen. En niet alleen dat. Het behoren bij de standen was voor hen de voorwaarde, om zich van de stedelijke onderlagen af te grenzen en te laten dragen, die blindelings aan hun kan stonden. Dit proces bereikte aan het eind van de 15e eeuw zijn hoogtepunt. Toen de burgerij zich met volle kracht in de feodale hiërarchie insloeg en ze opblies, begon de bloeitijd van het begrip stand" [Herrnstadt 1969:14].
[14] Vgl. WG 549 over de legitimiteitsproblemen "in tijden waarin de zuivere klassesituatie naakt en ondubbelzinnig, voor iedereen zichtbaar, als noodlotsbepalende macht naar voren komt".
[15] HECHTER [1975]. Vgl. de kritiek van WALLERSTEIN [1972:219] en PARKIN [1972:35]. Wat de functie is van niet-klassenmatige differentiatielijnen binnen en tussen klassen voor processen van klassenvorming is niet eenduidig. Enerzijds kan het relatief zwakker worden van niet-kIassenmatige resp. standsdifferentiaties binnen een klasse leiden tot klassevorming, d.w.z. tot het ontstaan van politieke handelingscollectieven op klassebasis. En omgekeerd: als deze differentiaties relatief sterker worden kan dit tot 'klasse-ontvorming' leiden. Anderzijds kan een duidelijker structurering van 'standsmatige' differentiaties tussen de klassen worden opgevat als een indicatie voor klassenvorming; hun ont-structurering zou duiden op 'devolutie' van klassen [vgl. KOCKA 1983a:23 e.v.; BERGER 1986:12]. Wanneer 'standsmatige' collectieven of sociale lagen samenvallen met klassengrenzen, dan bevordert dit de klassenstructurering van een maatschappij en stimuleert dit het ontstaan van politieke handelingscollectieven op klassebasis. Relicten van een feodale standenstructuur, zoals bijv. gilde-tradities, de 'morele economie van de onderlagen' (Thompson), normatieve aanspraken op 'menswaardige behandeling' die uit oudere maatschappijformaties stammen (Moore) en de daarmee vaak verbonden standsmatige vormen van associatie hebben de processen van klassenvorming vaak eerder bevorderd dan geremd [vgl. KOCKA 1983b:96; LIPSET 1981:20].
[16] Vgl. WARNER [1942]. BARBER [1957], BOLTE [1959].
[17] Helaas noemt Giddens op dit punt geen voorbeelden en kan dus ook voorbij aan het feit dat hij zelf een van degenen was die deze subjectiverende interpretatie verspreiden [vgl. GIDDENS 1971:166]. Het recht van wetenschappers om hun opvattingen te corrigeren en verder te ontwikkelen, zou niet helemaal losgemaakt moeten worden van de (morele) verplichting om aan te geven dat - en liefst ook waarom - men oude opvattingen reviseert. Hieraan zou men vooral auteurs moeten herinneren die, nadat zij impliciet afstand hebben genomen van eerder verdedigde stellingen, hun pijlen richten op niet met name genoemde personen, die dezelfde 'onzin' verkondigen als de criticus voorheen heeft laten afdrukken.
[18] Dit laatste wordt sterk benadrukt door KORPI [1978], GIDDENS e. a.
[19] De 'vertaling' die Parsons van Weber maakte heeft vooral in academische gemeenschap een sterke invloed gehad op de interpretatie van zijn werk. Hij vertaalde 'Stand' met 'status group'; de een na laatste alinea van het tweede fragment - waarin Weber de typologische tegenstelling tussen klassen-en standenmaatschappij in ontwikkelingshistorisch perspectief plaatst - paste zo slecht in zijn Weber-visie dat Parsons deze in zijn vertaling wegliet. De historische kwaliteit van Weber's begrip Stand zou waarschijnlijk nooit in twijfel zijn getrokken als het meer letterlijk met 'stand' (estate, état, stato'). vertaald was in plaats van met 'status of status groep'. Overigens is het zoals we hebben gezien niet volledig in tegenspraak met Weber's bedoeling om het begrip 'Stand' ook op te vatten als "een analytische taxonomie die toepasbaar is op alle maatschappijvormen" [KRECKEL 19,76:340]. Kenmerkend voor de meeste van Weber's ideaal-typische categorieën is juist dat zij een dubbele lading hebben: a) een structuur-theoretisch betekenis die geldig is voor meerdere maatschappelijke formaties en b) een ontwikkelingshistorische betekenis die gebonden is aan een specifieke maatschappelijk formatie.

Naar volgende hoofdstuk: IV WEBER(ianisme) versus MARX(isme)?
Naar Inhoudsopgave
| Home | Sociologen | Samenleven | Onderwerpen | Zoek | Over dit project | Contact |
|---|