Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

WEBER Sociale ongelijkheid en klassen
Max Weber’s bijdrage aan de theorie
van sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
© 1987-2017

III Klassen en Standen

“De hier voorgestelde terminologie wil dus niet de oneindige verscheidenheid van het historische schematisch verkrachten, maar ze wil slechts bruikbare begripsmatige oriëntatiepunten scheppen, voor specifieke doeleinden” [RS I:273].

  1. Geen klassentheorie maar sociologische typologisering
  2. Het economische klassenbegrip
    2.1 Eerste fragment: klasse en markt
    2.2 Het tweede fragment: economische en sociale klassen
    2.3 Verschuivingen en tegenstrijdigheden
  3. Van economisch naar sociaal klassenbegrip
    3.1 Pluraliteit van klassen?
    3.2 Sociale klassen als verenigend thema
  4. Het ontstaan van belangenassociaties
    4.1 Gemeenschappelijk en vermaatschappelijkt handelen
    4.2 Gemeenschappelijk of geassocieerd klassenhandelen 4.3 Sociaal handelen en klassenposities
  5. Standen
    5.1 De standenperiode
    5.2 Klasse versus stand
    5.3 Stand als prestigegroep
    5.4 Stand als levensstijlgroep
    5.5 Stand als distributieve groepering
    5.6 De status van status
  6. Klasse, stand, partij
    6.1 Levensordeningen en aggregatieniveaus van sociaal handelen
    6.2 Van sociale sluiting naar klasse en stand
 

1 Geen klassentheorie maar sociologische typologisering

Voordat men nieuwe pagina’s toevoegt aan de teksten die over ‘de klassentheorie van Weber’ zijn geschreven is het nuttig de bescheiden pretenties die hij in zijn uiteenzetting in WG zelf heeft te memoreren. In beide fragmenten presenteert Weber niet veel meer dan een ideaaltypische casuïstiek van klassen en standen en doet hij een aantal, vaak niet uitgewerkte uitspraken over structurele samenhangen en ontwikkelingstendensen. Zijn behandeling van het klassenvraagstuk is een soort introductie op de empirische problemen die hij in zijn historische teksten onderzocht [Giddens 1973:44].

Weber lijkt ook hier in eerste instantie bewust af te zien van het geven van werkelijke theoretische ‘verklaringen’ en beperkt zich tot ‘sociologische typologisering’ [WG:63]. De ‘economische feiten’, welke volgens Weber het vlees en bloed van een werkelijke verklaring van het verloop van de sociologisch relevante ontwikkelingen zijn, ontbreken. Het gaat hem om “de sociologische kant van de verschijnselen ... de economische kant slechts voor zover deze in formeel sociologische categorieën worden uitgedrukt” [WG:63]. Voor Weber spreekt het ook vanzelf dat in zo’n ‘schematische systematiek’ van klassen de empirisch-historische en typisch-genetische opeenvolging van de afzonderlijke vormen niet tot hun recht komen. Het ‘geraamte’ dat hij biedt moet het mogelijk maken om met ‘eenduidig bepaalde begrippen’ te kunnen opereren. Strikt genomen ontwerpt Weber dus geen ‘klassentheorie’.

In de volgende paragrafen worden de twee fragmenten waarin Weber’s klassentheoretische bijdrage is vervat gedetailleerd besproken. De thema’s die daarbij aan de orde komen, kunnen in de volgende vraagstellingen worden samengevat:

top


2 Het economische klassenbegrip

2.1 Eerste fragment: klasse en markt
In het eerste, oudere fragment gaat Weber onder de titel Machtsverdeling binnen de gemeenschap in op de relatie tussen de begrippen klasse, stand en partij. Hij stelt voor alleen over klassen te spreken wanneer groepen mensen gemeenschappelijke economische belangen hebben op grond van hun specifieke positie op de arbeids- of goederenmarkt [WG:531]. In laatste instantie stelt hij klasse- en marktpositie aan elkaar gelijk, omdat de aard van de kans op de markt de gemeenschappelijke factor is die het lot van leden van een klasse bepaalt. Het bestaan van klassen wordt ‘eenduidig’ verbonden aan het bestaan van een markt [WG:532].

De basiscategorieën van alle klassenposities zijn echter ‘bezit’ en ‘bezitloosheid’, want de wijze waarop de beschikkingsmacht over zakelijke bezit is verdeeld is op zichzelf al voldoende om specifieke —klassenmatig gestructureerde— levenskansen te creëren. In eerste instantie doet het er voor Weber niet toe of deze tegenstelling effectief wordt in de prijs- of concurrentiestrijd op de krediet-, goederen- of arbeidsmarkt. Wanneer echter de tegenstelling tussen bezitters en niet-bezitters niet tot uiting komt in een of andere vorm van ruil op een markt, dan hebben we “in de technische zin van het woord” [WG:532] niet te maken met een ‘klasse’ maar met een ‘stand’. Als voorbeeld noemt hij de slaven, omdat hun lot niet bepaald wordt door hun kansen om zelf goederen of arbeid op de markt rendabel te maken. “De feitelijke of op een of andere manier gegarandeerde mogelijkheid om over de eigen arbeidskracht te beschikken” ontbreekt hier [WG:34].

De klassen worden nader gedifferentieerd op grond van het criterium van de aard van de ruil die plaats vind tussen bezitters en niet-bezitters, d.w.z. al naar gelang de specifieke vorm van markt waardoor zich klassen constitueren en klassenstrijd plaats vind. Weber hanteert hierbij een zeer algemeen marktbegrip [WG:43-4] dat historisch wordt gespecificeerd door aan te geven welk type markt dominant was voor welk historisch tijdperk: de kredietmarkt dominant in de Oudheid)*, de warenmarkt (dominant in de Middeleeuwen) en de arbeidsmarkt (dominant in de kapitalistische formatie). De klassentegenstelling tussen de bezitters en niet-bezitters komt dus altijd tot uitdrukking op een specifiek soort markt, en het type klassenrelaties waarmee we in een bepaalde maatschappij te maken hebben wordt bepaald door het dominante type marktrelaties.

2.2 Het tweede fragment: economische en sociale klassen
In het tweede fragment geeft Weber een casuïstisch overzicht van drie onderscheiden klassencategorieën. Hij ontwerpt drie modellen door steeds een ander criterium toe te passen. Enerzijds maakt hij een typologisch onderscheid tussen twee economische klassencategorieën, de bezits- en de verwervingsklassen. Anderzijds maakt hij een onderscheid tussen economische en sociale klassencategorieën.

  1. Bezitsklassen worden onderscheiden volgens het criterium van de beschikking over materieel bezit. Typisch voor de positief geprivilegieerde bezitsklassen zijn de renteniers, die hun rente ontlenen aan hun specifieke eigendomsobjecten (mensen, land, arbeidsinstallaties, effecten e.d.). De slaven worden binnen deze typologie beschreven als een ‘negatief geprivilegieerde bezitsklasse’. Een maatschappij die primair is gestructureerd door verschillen in bezitsklassen is statisch, omdat de renteniers hoofdzakelijk geïnteresseerd zijn in de instandhouding van het bestaande systeem en niet in een snelle economische groei. De renteniers betrekken hun vaste rente uit hun privé-eigendom en zijn niet geïnteresseerd in sociale verandering. De negatief geprivilegieerde bezitsklassen zijn op hun beurt niet of nauwelijks in staat hun lot te veranderen. In dit ‘model’ van klassenstructurering zijn klassenstrijd en -revoluties eerder uitzondering dan regel. Dit model lijkt daarom minder geschikt om de klassenverhoudingen van ontwikkelde industriële maatschappijen te beschrijven [Mommsen 1974:161].

  2. Verwervingsklassen ontstaan wanneer en voor zover de klassensituatie wordt bepaald door de kansen om goederen of prestaties op de markt rendabel te maken. In de definitie van de bezitsklassen komt de bepaling ‘onder de voorwaarden van de markt’ niet voor. Zijn algemene klassendefinitie uit het eerste fragment valt nu in twee elementen uiteen: bezitsklasse volgens het criterium van de beschikking over materieel bezit, en verwervingsklasse volgens het criterium van de gelijksoortige kansen om goederen of arbeidsprestaties op de markt rendabel te maken, d.w.z. te benutten als bron van inkomsten of inkomens. Typisch voor de positief geprivilegieerde verwervingsklassen zijn de ondernemers. Zij hebben de leiding over de goederenvoorziening gemonopoliseerd en beschermen hun geprivilegieerde verwervingskansen door beïnvloeding van de economische politiek van diverse organisaties (politieke organisaties en in het bijzonder de staatsorganen). Verwervingsklassen worden dus niet gekenmerkt door de formele eigendoms- en bezitsverhoudingen, maar door de materiële controle en feitelijke beschikkingsmacht over de productie. Weber laat hierbij in het midden of en in hoeverre de effectieve monopolisering van de ‘leiding over de goederenvoorziening’ is verknoopt met het materiële bezit. De strekking van zijn onderscheid is echter duidelijk: formele eigendomsrechten kunnen de grondslag zijn van effectieve controle over de maatschappelijke productie, maar dit is niet noodzakelijkerwijze het geval. Ook arbeiders die een monopolie hebben op bepaalde prestatiekwalificaties kunnen behoren tot een positief geprivilegieerde verwervingsklasse.
      Verwerven
      Om het moderne kapitalisme te begrijpen probeerde hij een analytische ingang te vinden via een bepaald type economisch handelen dat voor dit moderne kapitalisme kenmerkend is. Dit specifieke type economisch handelen noemt hij Erwerben. Verwerven is een contrastbegrip van ‘huishouden’. Met de twee handelingstypen ‘huishouden’ en ‘verwerven’ correleren twee economische typen: de behoeftenbevredigings- en de verwervingseconomie. Dit verschil speelt een centrale rol in de opbouw van de sociologische basiscategorieën van het economisch handelen; het is het hoogste classificatieprincipe volgens welke Weber economische verschijnselen ordent. Bij alle menselijke prestaties van economische aard moet men volgens hem de vraag stellen of het gaat om een huishoudelijk of verwervingsmatig gebruik [WG:63]. Men kan immers altijd vanuit twee verschillende gezichtspunten economisch actief zijn: voor de bevrediging van de eigen behoeften of voor de verwerving, d.w.z. het benutten van de schaarste van begeerde goederen om een eigen winst te halen uit de beschikking over deze goederen [WG:199]. Huishouden wil zeggen, het continu gebruiken of aanschaffen van goederen gericht op de eigen consumptie of op het aanschaffen van andere goederen voor eigen gebruik [WG:46].

      Weber geeft geen eenduidige algemene afbakening van verwerven. Verwerven is een gedrag dat georiënteerd is op de kansen om nieuwe beschikkingsmacht over goederen te verkrijgen [WG:48; vgl. 33,64]. Het begrip verwerven krijgt bij Weber een dubbele betekenis. Het omvat niet alleen het op winst gerichte verwerven overeenkomstig kapitaalrekening, maar ook de zgn. arbeidsverwerving, d. i. de ruil van eigen arbeidsprestaties tegen geld [WG:53]. Bij Weber is de verwerving door kapitaalrekening georiënteerd op winst van centrale betekenis voor de analyse van de kapitalistische economische organisatie. De moeilijkheid is dus dat Weber tegelijkertijd werkt met een algemeen historisch begrip van verwerven en een verwervingsbegrip dat toegesneden is op de moderne, kapitalistische aspecten van verwerven [Bader e.a.1976: 211 e.v., 264 e.v.].

      Als men deze dubbele betekenis van het begrip ‘Erwerben’ niet onopgemerkt wil laten verdwijnen achter in vertalingen ingebouwde (eenzijdige) interpretaties, dan is het beter om term te vertalen met ‘verwerven’. Om deze redenen is het beter om de term ‘Erwerbsklasse’ zo letterlijk mogelijk te vertalen met ‘verwervingsklasse’, en niet met Nederlandse equivalenten van het Engelse ‘income class’ (Dahrendorf en Matthews) of ‘commercial class’ (Roth/Wittich en Giddens) of zelfs ‘profit-making class’.

  3. Sociale klassen zijn bij Weber de derde klassencategorie. Zij zijn gestructureerd volgens het criterium van de mobiliteitskansen van sociale groepen en lagen, d.w.z. naar de mogelijkheden om tussen de economische klassenposities te wisselen. Hij onderscheid vier sociale klassen: de arbeidersklasse, de kleinburgerij, de bezitsloze intelligentia en specialisten (hooggekwalificeerde specialisten en employés) en tenslotte de klasse van de bezitters en degenen die door educatie zijn geprivilegieerd.

2.3 Verschuivingen en tegenstrijdigheden
Wanneer we de beide fragmenten met elkaar vergelijken, kunnen een aantal verschuivingen en ambivalenties identificeren.

2.3.1 De theoretische status van het economische klassenbegrip
In het eerste fragment identificeert Weber een klassenpositie in laatste instantie met een marktpositie en wordt het bestaan van klassen gebonden aan het bestaan van markten. In het tweede fragment wordt de theoretische status van het economische klassenconcept in die zin inhoudelijk uitgebreid, dat het naast marktbepaalde klassen en klassenposities (verwervingsklassen) nu ook de louter aan bezitsverschillen verbonden klassen en klassenposities (bezitsklassen) omvat. Bezits- en verwervingsklassen zijn de twee typologisch onderscheiden vormen van economische klassen, hoezeer zij in de historische werkelijkheid ook in elkaar overlopen en wederzijds van elkaar afhankelijk zijn.

De uitspraken in het eerste en tweede fragment zijn in zoverre tegenstrijdig dat de eerste omschrijving een markteconomische orde verondersteld, terwijl in de tweede definitie een dergelijke beperkende voorwaarde niet is gesteld. Deze tegenstrijdigheid poetst men niet weg met de suggestie, dat Weber net als Marx een zinvol methodisch onderscheid maakte tussen een algemeen historisch en kapitalisme specifiek klassenbegrip. In het eerste fragment vormen marktbepaalde klassen of klassenposities geen “bijzonder geval” zoals Hans Ulrich Wehler meent; en Weber maakt ook geen duidelijk onderscheid tussen “een algemeen, geformaliseerd universeel historisch bruikbaar klassenbegrip” en “een enger klassenbegrip dat gebonden is aan de specifieke werkingen van de kapitalistische marktmechanismen” [Wehler 1979:12/13].

De ambivalenties in zijn formuleringen lost men evenmin op met de suggestie dat Weber een louter ‘distributief’ klassenbegrip hanteert. Het is geen intrinsieke eigenschap van de markt als zodanig die voor Weber de klasse definieert; maar marktvoorwaarden drukken wel degelijk hun stempel op de formatie en aard van economische belangen. Voor een analyse van de klassenverhoudingen is het zeer verwarrend om een uiterlijk en mechanisch contrast te maken tussen ‘productie versus markt’. Mijns inziens is daarvan in het werk van Weber —noch in dat van Marx— enige sprake. Daarom is het ook net zo misleidend om Weber een louter ‘distributief’, als Marx een ‘productivistisch’ klassenbegrip in de schoenen te schuiven. In hoofdstuk IV, § 5.4 komt dit punt uitvoeriger aan de orde. Daarbij wil ik laten zien dat de benaderingen van Weber en Marx worden gekenmerkt door het gemeenschappelijke uitgangspunt, dat klassenverhoudingen zijn gestructureerd door de wijze waarop de beschikkingsmacht over het ‘zakelijke bezit’/‘objectieve productievoorwaarden’ is verdeeld en worden gemedieerd (gereguleerd) door specifieke ruil- of marktverhoudingen.

2.3.2 Sociaal historische reikwijdte van het klassenbegrip
Zowel in het eerste als tweede fragment zijn ‘klasse’ en ‘klassenmaatschappij’ geen formatiespecifieke begrippen in de zin dat het gebruik ervan beperkt blijft tot één historisch specifieke maatschappelijke formatie. Het klassenbegrip wordt zeker niet gereserveerd voor de kapitalistische formatie. Maar in het eerste fragment is het ook geen universeel sociaalhistorisch begrip, omdat het daarin alleen geldigheid heeft voor maatschappelijke formaties die een markt kennen. In het tweede fragment wordt deze beperking losgelaten. Deze ‘universalisering’ van het klassenbegrip heeft, zoals we hebben gezien, onder andere tot gevolg dat de slaven nu ook ‘in de technische zin van het woord’ als klasse worden opgevat en de slavenhoudersmaatschappij als klassenmaatschappij.

De sociaalhistorische reikwijdte van het algemene klassenconcept wordt dus —terecht— verbreed. Ook in andere teksten opereert Weber met dit verbrede sociaalhistorische klassenbegrip. In Die Wirtschaftsethik der Weltreligionen [1915-19] merkt hij bijvoorbeeld op dat de klassenposities tegenwoordige primair door (arbeids- en goederen)markten bepaald zijn. Hij voegt hier echter onmiddellijk aan toe dat “dit niet absoluut noodzakelijk het geval is. De klassenposities van de landheer en kleine boer zijn slechts op een verwaarloosbare wijze afhankelijk van marktrelaties” [RS I:274].

2.3.3 De derde klassencategorie: sociale klasse
Zoals we hebben gezien voegt Weber aan zijn eerdere uiteenzetting nu een derde klassencategorie toe, de ‘sociale klasse’. De sociale klasseneenheid die op basis van economische klassenposities kan ontstaan wordt afhankelijk gemaakt van de mogelijkheden van de betreffende klassencategorie om naar een andere klassenpositie te ‘stijgen’ of ‘dalen’. Sociale klassen vloeien voort uit de structuren van mobiliteitskansen; zij ontstaan in klassenposities waartussen een relatief hoge intra- en intergenerationele mobiliteit plaats vind [WG:177].

Binnen kaste- of standsformaties is sociale mobiliteit geheel of zo goed als geheel uitgesloten. Daarentegen beschouwt Weber de individuele en intergenerationele mobiliteit als een specifiek (‘typisch’) kenmerk voor sociale klassenformaties.

Sociale klassen zijn geen substituut voor economische klassen en constitueren zich ook niet in een economisch klassenvacuum. Sociale klassen worden opgevat als sociale formaties die op de grondslag van economisch onderscheiden klassencategorieën kunnen ontstaan. Met de term sociale klasse lijkt Weber het probleem van het —gemeenschappelijk of geassocieerd— klassehandelen vanuit een andere invalshoek te willen analyseren [zie § 4.2].

top


3 Van economisch naar sociaal klassenbegrip

3.1 Pluraliteit van klassen ?
Omdat Weber de economische klassen differentieert naar gelang de aard van het bezit en de aard van de op de markt aangeboden prestatiekwalificaties, lijkt hij het bestaan van een oneindige veelvoud van klassen te erkennen [Cox 1950:277; Giddens 1973:48,78-80,101,104; Herkommer 1975; Johnson 1976:62; Crompton/Gubbay 1978:8; Barbalet 1980:408]. Wanneer men klasse zonder meer identificeert met gemeenschappelijke marktcapaciteit leidt dit inderdaad tot een zeer omslachtige pluraliteit van klassen. Dan zijn er immers net zoveel klassen en klassenconflicten als er marktposities zijn.

Het probleem is niet de erkenning van de diversiteit van relaties en conflicten die door de kapitalistische markten als zodanig worden gecreëerd. Het probleem is hoe in dergelijke relaties en conflicten de klassen theoretisch en empirisch als gestructureerde vormen geïdentificeerd kunnen worden. Weber geeft niet duidelijk aan “hoe de potentieel erg brede variëteit van verschillende ‘klassenposities’ gereduceerd kan worden tot een aantal klassen dat hanteerbaar is voor de verklaring van belangrijke componenten van sociale structuur en sociaal veranderingsproces” [Giddens 1973:101].

Het groeperen van klassen overeenkomstig marktposities lijkt te impliceren dat men slechts demarcatielijnen kan trekken binnen een continuum, nml. binnen een hiërarchie van bezits- en beroepscategorieën. Door de toenemende dominantie van de kapitalistische productiewijze is praktisch de gehele bevolking betrokken in de arbeidsmarkt, waardoor een erg brede reeks van marktposities ontstaat. Met een theoretisch geconstrueerd continuŁm van klassenposities is het niet meer mogelijk om empirische discontinuïteiten, kwalitatieve breukvlakken en splitsingslijnen vast te stellen (met name de splitsingslijnen en belangenantagonismen die gebaseerd zijn op de uit het bijzondere karakter van de ‘waar arbeidskracht’ voortvloeiende structurele machtsasymmetrie op arbeidsmarkten waardoor de verkopers van die waar systematisch worden benadeeld). Voor dit probleem biedt het analysekader van Weber geen bevredigende oplossingen.

Natuurlijk kan men het economische klassenbegrip van Weber tot in het absurde doorvoeren, tot dat uiteindelijk elk individu een enigszins verschillende combinatie van bezit of vaardigheden op de markt brengt en er dus evenveel klassen zouden bestaan als er individuen op de markt zijn. Dit bezwaar is echter moeilijk aan de hand van Weber’s teksten zelf te onderbouwen. Ook de historische voorbeelden van klassen die Weber aanvoert bewijzen, dat het hem primair ging om geagglomereerde delen van de bevolking die m.b.t. hun kansen op de markt in een relatief ‘gelijke’ situatie staan omdat hun levenskansen een specifieke oorzakelijke component gemeen hebben [vgl. Müller 1977:24].

Daarmee zijn de moeilijkheden van Weber’s klassentypologie echter nog geenszins opgelost. Het probleem is dat Weber de klassenrelaties tussen de vier basiscategorieën van positief en negatief geprivilegieerde bezits- en verwervingsklassen niet conceptualiseert (hij gaat alleen in op de relaties tussen hun elementen). Weber ontwikkeld geen duidelijk concept van structurering van klassenverhoudingen. Hij suggereert slechts een ‘typologie van fragmenterende structurering’, d.w.z. een structurering die in steeds kleinere categorieën wordt afgebroken [Barbalet 1980:409]. Met zijn typologie van klassencategorieën is het niet mogelijk de maatschappelijke structurering van klassensituaties (‘klassenstructuren’) te thematiseren; en daarom is zij maar minimaal bruikbaar voor historisch en sociologisch onderzoek. In het meest gunstige geval kan zijn typologie worden gehanteerd als beschrijvend classificatieschema.

3.2 Sociale klassen als verenigend thema
Weber lijkt een oplossing te zoeken door de notie ‘sociale klasse’ te introduceren als een ‘unifying theme’ dat het mogelijk moet maken om de veelvoud van klassenposities en economische klassen te reduceren tot een hanteerbaar aantal sociale klassen. Hoewel Weber’s analyse meestal wordt aangeprezen als verfijnd en ‘sophisticated’ is zijn behandeling van de sociale klassen wel zeer cursorisch. Het is een onontwikkeld en slecht gedefinieerd concept [Giddens 1973:48,79,104; Hyman 1983:21]. Zijn definitie van sociale klasse loopt dwars door zijn oorspronkelijke definitie als een aggregaat van gemeenschappelijke marktsituaties heen.

a) Sociale klassen worden onderscheiden volgens het criterium van de mobiliteitskansen. Hoe dit criterium precies gehanteerd kan worden geeft Weber hier niet aan. Sommige formuleringen wekken de indruk dat hij sociale klassen differentieert naar het criterium van de ‘sociale status’. Daarom hebben diverse auteurs Weber’s sociale klassenindeling uitsluitend vastgemaakt aan het —vaak subjectief opgevatte— criterium van ‘sociale status’ [bv. Mommsen 1974:164]. Daarmee wordt de relatie tussen sociale klassendeling en standendifferentiatie (welke uitgaat van de maatstaf van sociale status of prestige) nog ondoorzichtiger dan ze bij Weber al is.

b) Weber geeft geen serieuze explicatie van zijn definitie van sociale klassengrenzen. De sociale klassenindeling die hij maakt is grof en theoretisch steriel. Het meest problematisch is de derde sociale klasse. De bezitloze intelligentia en het technisch gekwalificeerde personeel omvat bij Weber zowel de technisch als commercieel gespecialiseerde loonarbeiders in de private ondernemingen (‘employés’) als in overheidsdienst (‘beambten’). Hoewel het ook allemaal ‘loonslaven’ zijn [GASS:509], beschouwt hij ze toch als een aparte sociale klasse. Het zijn sociale lagen/klassen die boven de arbeiderslaag/klasse staan en die zich hiervan in toenemende mate proberen te onderscheiden. Daarom bestaat er volgens Weber verschil tussen de loonarbeiders die hij rekent tot de ‘sociale arbeidersklasse’ en de aparte klasse van de bezitsloze intelligentia en technisch gekwalificeerd personeel.

Waarom hij dit verschil niet analyseert in termen van ‘sociale lagen’ binnen een klasse blijft onduidelijk. In een latere tekst over Het Socialisme neigt hij er wel veelmeer toe deze groepen op te vatten als sociale lagen binnen de arbeidersklasse.

top


4 Het ontstaan van belangenassociaties

4.1 Gemeenschappelijk en vermaatschappelijkt handelen
Een van de wezenlijke effecten van sociale sluitingsprocessen is dat er een ‘gemeenschap van belanghebbenden’ [WG:201] ontstaat. Er ontstaat een categorie positief geprivilegieerde individuen die bepaalde sociale levenskansen hebben toegeëigend en natuurlijk de tegenpool hiervan, de negatief geprivilegieerde groepen die geen of slechts zeer beperkte toegang hebben tot die levenskansen. Niet elke gemeenschap van belanghebbenden is echter op zich —of zonder meer— altijd ook een belangengemeenschap of -associatie. Een cruciaal probleem in Weber’s benadering betreft de vraag onder welke voorwaarden een gemeenschap van belanghebbenden zich transformeert tot een belangengemeenschap of -associatie.

De eerste vorm van sociaal handelen, het gemeenschappelijk handelen, is georiënteerd op het gevoel van de actoren dat zij bij elkaar horen. Een (belangen)gemeenschap berust op subjectief gevoelde saamhorigheid van de deelnemers. Die saamhorigheid kan affectief of traditioneel van aard zijn [WG:21]. Het vermaatschappelijkte of geassocieerde handelen is daarentegen georiënteerd op een doel- of waarderationeel gemotiveerde belangenovereenkomst. Wanneer sociaal handelen berust op een rationele gemotiveerde belangenverbinding, noemt Weber deze relatie een ‘vermaatschappelijking’ of associatie.

Sociaal handelen
Niet elke vorm van menselijk handelen of gedrag is sociaal handelen. Sociaal handelen is volgens Weber altijd georiënteerd op het gedrag van anderen. Dat kan zowel gedrag van anderen uit het verleden zijn als hun actueel gedrag, maar ook hun in de toekomst te verwachten, geanticipeerde gedragingen. Sociaal handelen is ‘zinmatig’ gedrag dat georiënteerd is op het gedrag van anderen. Het is dus niet identiek met gelijkmatig handelen van meerdere mensen. Wanneer een groot groot aantal mensen gelijktijdig een paraplu ontvouwen wanneer het begint te regenen is dit handelen van individuen normaal gesproken niet georiënteerd op het gedrag van anderen. Het gelijksoortig handelen van af die mensen is georiënteerd op de behoefte niet nat te worden.

Sociaal handelen kan ook niet eenvoudig worden gelijkgesteld met handelen dat beïnvloedbaar is door het gedrag van andere mensen. Het handelen van individuen wordt meestal sterk beïnvloed door het feit dat zij zich in een ruimtelijk opeengedrongen massa bevinden Dit massa-bepaalde gedrag (kuddegedrag) is volgens Weber geen sociaal handelen; het is wel een belangrijk thema voor de massapsychologie. Hetzelfde geldt voor ruimtelijk verspreide massa’s die een simultaan of successief massagedrag vertonen. Het zijn allemaal vormen van ‘reageren’ zonder dat hierbij een zinmatige relatie ontstaat.

Natuurlijk weet ook Weber dat het onderscheid tussen massa-handelen en sociaal handelen uitermate vloeiend is, zodat het trekken van een grens tussen beide vaak nauwelijks mogelijk lijkt. Juist daarom moet men begripsmatig vasthouden aan het onderscheid. Op welke problemen men daarbij stuit zien we bijv. bij het verschijnsel van de imitatie, d.w.z. bij het na-apen van vreemd handelen. Wanneer iemand alleen maar een gedragsvorm overneemt welke hij/zij bij anderen leerde kennen, dat is dat geen sociaal handelen, want dit geïmiteerde handelen is niet georiënteerd op het gedrag van die anderen. De actor heeft door waarneming van het gedrag van anderen bepaalde objectieve kansen leren kennen en oriënteert zich op deze kansen. Dit soort handelen is wel bepaald door vreemd handelen, maar het is causaal en niet zinmatig bepaald. Wanneer echter vreemd handelen wordt geïmiteerd omdat het mode is, omdat het ‘voornaam’, ‘hip’, ‘in’ of ‘punk’ is, dan is dat wel sociaal handelen omdat er sprake is van zinbetrokkenheid [WG:11 e.v.].

4.2 Gemeenschappelijk of geassocieerd klassenhandelen
De samenhang tussen klassenpositie en klassehandelen resp. -bewustzijn wordt door Weber in eerste instantie negatief bepaald: de gemeenschappelijkheid van klassenposities leidt niet noodzakelijk en vanzelfsprekend tot georganiseerde klassenactie en gemeenschappelijk klassenbewustzijn. De klassenpositie is bepalend voor het ‘klassenbelang’, maar de feitelijke richting waarin de leden van een klasse hun belangen nastreven wordt hierdoor niet volledig gedetermineerd. Het empirische begrip ‘klassenbelang’ refereert aan de feitelijke belangenrichting die “met een zekere waarschijnlijkheid volgt uit de klassenpositie voor een zeker ‘gemiddelde’ van mensen die aan die klassenpositie zijn onderworpen” [WG:532; vgl. WL:210].

Wat zijn nu de specifieke voorwaarden waaronder wel gemeenschappelijk of vermaatschappelijkt klassenhandelen tot stand komt vanuit een gelijke klassenpositie? Weber geeft hiervan geen uitvoerig typologisch, laat staan systematisch overzicht. Maar als we de opmerkingen uit beide fragmenten bijeen nemen, dan kunnen we de volgende hoofdlijnen van zijn benadering reconstrueren.

4.2.1 Transparantie van klassenverhoudingen
Ook al lopen de levenskansen van de mensen nog zo uiteen en zijn de contrasten tussen hun levenskansen nog zo sterk, wanneer de samenhang tussen de oorzaken en de gevolgen van de klassenpositie niet transparant is, dan zal er waarschijnlijk geen gemeenschappelijk of geassocieerd klassenhandelen ontstaan van de leden van een klasse. Wanneer de bepaaldheid door en de gevolgen van de klassenpositie niet duidelijk herkenbaar zijn, dan zal het contrast in levenskansen worden ervaren als iets dat zonder meer is ‘gegeven’ en dat geaccepteerd moet worden. Men ervaart het klassenlot niet als iets dat voortvloeit uit de bestaande bezitsverdeling of uit een specifieke economische orde. De mensen reageren dan op de klassenstructuur met incidentele daden en door irrationeel protest.

De werking of het effect van een gemeenschappelijke klassenpositie op het handelen van degenen die in die klassenpositie verkeren kan dus beperkt blijven tot het voortbrengen van een louter gelijksoortig reageren, d.w.z. van ‘massa-handelen’. En zelfs dit hoeft niet altijd het geval te zijn [WG:533]. Er zijn echter ook klassenposities van een ‘naakte en doorzichtige aard’. Dat was bijvoorbeeld het geval met de klassenposities in de stedelijke centra van de Klassieke Oudheid en in de Middeleeuwen, waar een manifeste ongelijke bezitsverdeling bestond; de grote vermogens van de positief geprivilegieerde bezitsklassen werden bij wijze van spreken demonstratief geëtaleerd. Onder de voorwaarden van transparante klassenverhoudingen is de kans op gemeenschappelijk en geassocieerd handelen van de leden van een klasse groter; tendentieel neemt dit de vorm aan van rationele en permanente associatie.

4.2.2 Homogeniteit van de objectieve levenspositie en massaliteit
Een tweede belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van collectief bewustzijn en handelen is de mate van homogeniteit van de objectieve levenspositie. Geassocieerd klassehandelen komt gemakkelijker tot stand wanneer een groot aantal mensen in dezelfde klassenpositie is geplaatst [WG:179]. Maar wanneer de klassenpositie en andere omstandigheden hetzelfde is kan de richting waarin de afzonderlijke arbeiders hun klassenbelang nastreven zeer variëren naar bijvoorbeeld verschillen in kwalificatie, inkomen, beroep, sociale zekerheid, positie in de organisatie hiërarchie [WG:179,533; GASS:208 e.v.]. De (politieke) eenheid van de sociale klasse varieert dus met de mate van homogeniteit/heterogeniteit van de objectieve levenssituaties binnen dezelfde of gelijksoortige klassenposities.

Aan de ene kant gaat Weber er net als Marx van uit dat de ontwikkeling van de moderne industrie zal leiden tot een tendentiële eenwording van het kwalificatieniveau van de productiearbeiders, waardoor de oude splitsing in verschillende beroepen wordt teruggedrongen en de eenheid van de arbeidersklasse in de strijd tegen de klasse van bezitters wordt bevorderd. Weber wijst hierbij echter ook op een tegenwerkende tendens die de eenheid van de arbeidersklasse permanent ondergraaft. “Aan de andere kant neemt de beroepsspecialisatie en de eis van vakscholing toe bij alle lagen binnen de productie die boven de arbeiderslaag staan ... en neemt tegelijk het relatieve aantal van de tot deze laag behorende personen toe” [GASS 509]. Zij zijn weliswaar ook ‘loonslaven’ maar laten zich weinig gelegen liggen aan de ‘solidariteit met het proletariaat’. Er is dus geen sprake van een “eenduidige tendens tot proletarisering” [idem 510]. Van een uniforme, gehomogeniseerde klassenpositie is volgens Weber alleen sprake bij volledig ongeschoolde bezitlozen die zijn aangewezen op de inkomsten van onregelmatige arbeid [WG:177].

4.2.3 Verzameling in ruimte en tijd
De eenheid van handelen onder mensen die in een gelijke klassenpositie leven is technisch gemakkelijker tot stand te brengen wanneer de leden van die klasse situationeel al zijn verzameld binnen en bepaald tijds- en ruimtelijke eenheid. Omdat de elementen van de kleinburgerlijke boerenklasse in hun klassenpositie zijn verspreid zijn zij technisch veel minder gemakkelijk tot eenheid van handelen te brengen dan de gemeenschap van arbeiders, die al in een specifieke ruimte (nml. de fabriek) is verzameld en gemassificeerd. De moderne loonarbeiders zijn al door het kapitaal verenigd, niet alleen in de grote productieorganisaties, maar ook door de ontwikkeling van proletarische woonwijken e.d. In een redevoering over het socialisme [1918] ging Weber opnieuw in op de stand en de mogelijke ontwikkelingsvormen van de klassenstrijd. De industriële, gemechaniseerde productie binnen de fabriek leidde tot een plaatselijke opeenhoping van arbeidskrachten binnen een en dezelfde ruimtelijkheid, gebondenheid aan de machine en gemeenschappelijke arbeidsdiscipline. “Uit deze levenssituatie, vanuit de fabrieksdiscipline is het moderne socialisme ontstaan. Overal en in alle tijden en in alle landen op aarde is er socialisme geweest van de meest uiteenlopende soort. Het moderne socialisme in zijn specifieke soort is slechts op deze basis mogelijk” [GASS:501].

4.2.4 Directe opponenten in de belangenstrijd
Klassentegenstellingen die door de marktpositie zijn bepaald zijn in de regel het meest scherp en verbitterd tussen degenen die als directe tegenstanders deelnemen aan de prijsstrijd. Binnen de kapitalistische formatie staan de arbeiders vooral direct tegenover de ondernemers, en niet tegenover de aandeelhouders — ook al zijn het volgens Weber bij uitstek de aandeelhouders die parasiteren op een arbeidsloos inkomen.

4.2.5 Sociale mobiliteit en assimilatie
De (politieke) eenheid van de ‘sociale’ klasse is in sterke mate afhankelijk van de mate van mobiliteit tussen klassenposities. We hebben al eerder gezien [§ 2.3 en § 3.2.] dat Weber sociale klassen definieert volgens het criterium van de mobiliteitskansen. Maatgevend voor de coherentie van een sociale klasse is de graad van inter- en intragenerationele mobiliteit. De eenheid van een sociale klasse wordt sterker naarmate de graad van mobiliteit tussen economische klassenposities kleiner wordt. Het ontstaan van georganiseerde klassenactie en collectief klassenbewustzijn wordt dus gestimuleerd wanneer de sociale stijgingskansen van een sociale klasse gering zijn.

Net als Marx gaat Weber er daarbij van uit dat de suprematie van een heersende klasse wordt versterkt door steeds nieuwe krachten voor zichzelf te rekruteren uit de subalterne lagen van de maatschappij. Voor de moderne arbeidersklasse illustreert Weber dit aan de poging van de industriële employés die zich van de arbeidersklasse proberen te onderscheiden door zich met de hogere klassen te assimileren [GASS: 509]. De politieke eenheid van een sociale klasse wordt dus negatief beïnvloed door het verschijnsel van ‘assimilatie’. Wanneer de ‘de beste hersens van het land’ (Marx) in de heersende klassen of elites worden geïncorporeerd frustreert dit de mogelijkheden van negatief geprivilegieerde klassen om hun klasseneenheid politieke vorm te geven. Sociale mobiliteit in de vorm van ‘rekrutering van onder’ kan dus dienen als stabiliserend, antirevolutionair proces [Goldthorpe 1980].

4.2.6 Politiek culturele leiding
De hiervoor genoemde sociaalstructurele en sociaaltechnische momenten zijn weliswaar noodzakelijke, maar nog lang geen voldoende voorwaarden voor het ontstaan van rationele klassenassociaties. Het ontstaan van geassocieerd klassehandelen en rationele klasseorganisaties wordt mede bevorderd door een aantal culturele voorwaarden, welke volgens Weber vooral van intellectuele aard zijn. Het handelen van een klasse moet immers worden geleid op doelen die voor een groot aantal leden van die klasse inzichtelijk zijn. Daarom is er zowel een intellectuele als politieke leiding nodig. De doelen van het klassehandelen en van de klasseorganisaties moeten permanent worden geïnterpreteerd, geformuleerd en gerectificeerd. Dat gebeurt volgens Weber in de regel door personen die geen lid zijn van de klasse, d.w.z. hiervoor zijn intellectuelen nodig. negatief geprivilegieerde klassen hebben er belang bij om oppositionele elites aan zich te binden.

Zoals gezegd doet Weber geen poging om de voorwaarden die de ontwikkeling van collectief klassenbewustzijn en -handelen bepalen systematisch uit te werken; daarom moet men aan zijn uiteenzetting niet al te strikte theoretische eisen stellen. De factoren die hij noemt spelen ongetwijfeld een belangrijke rol. Maar een van de factoren die hij in dit verband niet noemt, en die zeker mag worden vergeten, is de mate van ascriptieve heterogeniteit/homogeniteit, d.w.z. de mate waarin de politieke eenheid van een klasse wordt doorbroken door splitsingen naar sekse, huidskleur, geloof, nationaliteit enz.

4.3 Sociaal handelen en klassenposities
Mensen met gelijke klassenposities kunnen dragers zijn van zeer uiteenlopende vormen van gemeenschappelijk of vermaatschappelijkt klassehandelen. Dit is echter niet noodzakelijk het geval omdat klassen op zich geen gemeenschappen zijn. Anderzijds ontstaan klassenposities alleen in de context van politieke gemeenschappen: gemeenschappelijk handelen bepaalt de klassenpositie [WG:533].

Op het eerste gezicht lijkt dit een simpele cirkelredenering. Terwijl gemeenschappelijke klassenposities slechts onder bepaalde voorwaarden leiden tot gemeenschappelijk/geassocieerd sociaal handelen, is een ander gemeenschapshandelen tegelijkertijd als vooronderstelling opgenomen in de bepaling van de klassenpositie. In het eerste geval gaat het echter om sociaal handelen van de leden van eenzelfde klasse, en in het tweede geval om sociaal handelen tussen leden van verschillende klassen.

Aan het gemeenschappelijk handelen van de leden van dezelfde klasse gaat kennelijk een handelen tussen de leden van verschillende klassen vooraf. Wat verstaan moet worden onder het collectieve handelen tussen de leden van verschillende klassen verduidelijkt Weber aan de klassenpositie van de loonarbeider en de kapitalistische ondernemer. Hun klassenpositie wordt bepaald door arbeidsmarkt, goederenmarkt en kapitalistische onderneming. En achter deze drie collectieve handelingssamenhangen staat weer een andere vorm van handelen, nml. het gemeenschapshandelen dat het goederenbezit beschermt en in het bijzonder de vrije beschikkingsmacht van het individu over de productiemiddelen. De klassenpositie veronderstelt dus de kapitalistische onderneming en deze veronderstelt op haar beurt een bepaalde rechtsorde.

top


5 Standen

Volgens Talcott Parsons is het begrip Stand zoals die in WG voorkomt “the most troublesome single term in Weber’s text” [Henderson/Parsons 1947:347]. De reden hiervan is dat Weber het standsbegrip in beide fragmenten op uiteenlopende manieren gebruikt. De verschillende probleemniveaus van analyse worden niet duidelijk geïdentificeerd, waardoor de verschillende betekenissen van de term nogal door elkaar lopen. Bij Weber figureren standen: (l) als aanduiding voor een bepaald type maatschappij, (2) als contrastbegrip van klasse, (3) als dragers van eer of prestige, (4) als dragers van specifieke levensstijlen en (5) als distributieve groeperingen.

5.1 De standenperiode
Weber gebruikt het standsbegrip als sociaalhistorische categorie om een bepaald type maatschappij aan te duiden waarvan sociale ongelijkheid op specifieke wijze is gegarandeerd. Wanneer de feitelijke ongelijke verdeling van beschikkingsmachten in een bepaalde maatschappij in hoofdzaak direct conventioneel en juridisch-politiek wordt gereguleerd spreekt Weber van een ‘standenmaatschappij’. Hij heeft hierbij in de eerste plaats de feodale periode op het oog [WG:149,180). Weber noemt dit de ‘specifieke standenperiode’ [WG:538]. Door de opkomst van de bureaucratische heerschappij werd deze ‘standenheerschappij’ [WG:134] historisch ondergraven. Het omvattende proces van bureaucratisering heeft geleid tot ‘nivellering van de standen’ en omgekeerd heeft het proces van nivellering gunstige voorwaarden gecreëerd voor de ontwikkeling van bureaucratie, omdat het de beambten elimineert die heersen dank zij standsprivileges en toeëigening van bestuursmiddelen en -machten [WG:129 e.v.]. Weber sloot hiermee aan bij de gebruikelijke wijze waarop in de West-Europese historische literatuur het begrip stand werd gebruikt. Stand refereert aan de juridisch politieke vastlegging van de positie van groepen in de maatschappij [Lousse 1937:66 e.v.]

Heren van stand
Hoewel men al in de 13 eeuw de eerste sporen aantreft van het standsbegrip, werd het pas vanaf de 14e eeuw een omstreden en door iedereen gebruikte term. Rudolf Herrnstadt —die de ontstaans- en ontbindingsgeschiedenis van het standsbegrip in kaart heeft gebracht— verklaart deze ontwikkeling als volgt:

“Het maatschappelijke begrip stand kwam op toen de feodale orde in crisis geraakte. Zolang de wereldlijke en geestelijke feodalen in wezen slechts tegenover de andere hoofdklasse van de feodale orde, de ‘standenloze’ boeren stonden, zolang dus hun heerschappijaanspraak nog niet in gevaar was, hoefden zij hun rol als enige ‘heren van stand’ niet te benadrukken. Maar hoe meer de steden groeiden, de handel tussen hen versterkte, de burgerij de macht in de steden bevocht en zich over de steden heen uitstrekte (14e en 15 eeuw), des te meer werd het begrip omstreden en inhoudsvol, des te meer begon het te gloeien. Want nu moesten de ‘heren van stand’ hun privileges verdedigen. Het was helemaal niet meer vanzelfsprekend ze te bezitten. Anderzijds was het voor de burgers in de steden een kwestie van leven en dood om eveneens geprivilegieerd te zijn. Want hun materiële welvaart en hun perspectieven berustten op de deelname aan de privileges op het behoren tot de standen. En niet alleen dat. Het behoren bij de standen was voor hen de voorwaarde om zich af te grenzen van de stedelijke onderlagen en zich door hen te laten dragen. [...] Dit proces bereikte aan het eind van de 15e eeuw zijn hoogtepunt. Toen de burgerij zich met volle kracht in de feodale hiërarchie insloeg en ze opblies, begon de bloeitijd van het begrip stand” [Herrnstadt 1969:14].

5.2 Klasse versus stand
De sociaalhistorische reikwijdte van de term is bij Weber echter niet beperkt tot tot de standenperiode van het feodalisme. Weber gebruikte het standsbegrip steeds als constrastbegrip van klasse. Klasse en stand zijn twee contrasterende typen institutionalisering van sociale ongelijkheid: regulatie door de markt versus conventioneel-juridische garantie. De structurering van de maatschappij op basis van het standsprincipe staat in tegenstelling tot een machtsverdeling die uitsluitend wordt gereguleerd door de markt [WG:538]. Weber definieerde klasse en stand in wederzijds exclusieve termen [Bendix 1974:153].

Sociaalhistorisch is het standsbegrip een tegenbegrip van klasse. Maar omdat beide principes ook gelijktijdig kunnen voorkomen binnen een maatschappelijk verband krijgt de term stand een meer algemeen sociaalhistorische betekenis.

Tussen stands- en klassenverschillen kunnen zeer uiteenlopende verbindingen bestaan [WG:535]. Ook in maatschappijen die dominant klassenmatig zijn gestructureerd, blijven er standsverschillen bestaan [RS I:274]. Al zijn de standen daarin niet het dominante type van institutionalisering van sociale ongelijkheid, zij kunnen onder bepaalde voorwaarden sterker op de voorgrond treden. In ontwikkelingshistorisch perspectief benoemt Weber de economische condities waaronder standenstructuren een dominerend regulatiemechanisme van sociale sluiting kunnen worden. De economische stabiliteit van de productie en distributie bevordert volgens Weber een conventioneel-juridische wijze van monopolisering van levenskansen, d.w.z. standsvorming. In perioden van economisch-technologische omwentelingen zal daarentegen de naakte klassensituatie een overwegende betekenis innemen [WG:539]. Maar juist “in tijden waarin de zuivere klassensituatie naakt en ondubbelzinnig, voor iedereen zichtbaar, als noodlotsbepalende macht naar voren komt” [WG:549] ontstaan er grote legitimatieproblemen.

Deze passage is een van de weinige plaatsen waarop Weber zich de luxe permitteerde van een speculatie over de lange termijn trends in patronen van sociale stratificatie. Zijn terloopse opmerkingen zijn wel geïnterpreteerd als een ‘cyclische stratificatietheorie’ [Crompton/Gubbay 1978:7). Volgens sommigen zou Weber hiermee zelfs de grondslag hebben gelegd van de functionalistische theorie van sociale verandering [Hechter 1975. Zie de kritiek van Wallerstein 1972:219 en Parkin 1972:35].

5.3 Stand als prestigegroep
Een ander aspect van het contrast tussen klasse en stand is dat de klassensituatie zuiver economisch is bepaald door bezitsverschillen, terwijl de standssituatie bepaald is door prestigeverschillen. De klassenpositie refereert bij Weber aan de typische levenskansen die bepaald worden door de beschikkingsmacht over goederen of prestatiekwalificaties (onder marktvoorwaarden); de typische levenskansen van de standspositie worden bepaald door niet-economische factoren, nml. door “een specifieke, positieve of negatieve sociale waardering van de ‘eer’ ” [WG:534; vgl. RS I:274]. De klassen zijn gesitueerd binnen de ‘economische orde’ en de standen zijn thuis in “de ‘sociale orde’, d.w.z. in de sfeer van de verdeling van ‘eer’ ” [WG:539; vgl. WG:531].

In de academische sociologie is de prestige of statusdimensie in Weber’s uiteenzetting nogal verabsoluteerd. Vooral in de Amerikaanse stratificatiesociologie bestond een sterke tendens het onderzoek naar sociaal ongelijkheid te reduceren tot of af te leiden van de analyse van verschillen in sociaal prestige [Warner 1942, Barber 1957, Bolte 1959]. Een gangbare interpretatie werd, dat Weber klassen identificeerde overeenkomstig de ‘objectieve structuur van de markt’ en dat hij standen onderscheidde overeenkomstig “such essentially subjective criteria as prestige, social honour and so on, which are expressed in a particular ‘stile of live’ ” [Crompton/Gubbay 1978:7]. Hoewel deze subjectiverende interpretatie van verschillende kanten is bekritiseerd leidt ze een hardnekkig bestaan. “Het contrast tussen klasse en statusgroep, is echter niet zoals vaak aangenomen lijkt te worden, louter, of misschien zelfs primair, een onderscheid tussen subjectieve en objectieve aspecten van differentiatie” [Giddens 1973:43, vgl. 109].

5.4 Stand als levensstijlgroep
Het standsbegrip bij Weber wordt ook zo geïnterpreteerd dat het refereert aan een gemeenschap met een gemeenschappelijke levensstijl. De —positieve en negatieve— privilegiëring in sociale waardering kan volgens Weber o.a. worden opgeëist op basis van een bepaald soort levensstijl. En omgekeerd drukt het sociaal prestige van een stand zich in de regel inhoudelijk uit in het feit dat er van de actuele of potentiële leden van de stand een specifieke levensstijl wordt verwacht. Elke positief geprivilegieerde stand stelt conventionele eisen aan de levensstijl van zijn leden. De verwachtingen ten aanzien van de levensstijl impliceert beperkingen van de sociale omgang [WG:535]. De reglementering van alle sociale relaties die geen economische, commerciële of anderszins ‘zakelijke’ doelen dienen stelt met name grenzen aan het onderling huwen (connubium) en het samen eten, maar ook aan andere typen van sociale omgang zoals sporten. De subjectieve neerslag van sociale eer en conventionele eisen aan de levensstijl is het ‘gevoel van waardigheid’ [WG:536].

Een vergrijp tegen de conventie (‘standszede’) wordt vaak zwaarder gestraft dan via enigerlei juridische sanctie mogelijk zou zijn. Een sociale boycot door standsgenoten kan uitermate pijnlijk en zeer effectief zijn [WG:19 en 173 e.v]. Een standenstructuur gaat praktisch gezien overal gepaard met monopolisering van ideële en materiële goederen en kansen. Leden van positief geprivilegieerde standen kunnen daardoor in meer of mindere mate effectieve aanspraak maken op specifieke ‘standseer’ (welke altijd gebaseerd is op distantie en exclusiviteit), juridisch genormeerde ‘standsprivileges’ (zoals het recht op het dragen van bepaalde kleding, het eten van bepaald voedsel, het dragen van bepaalde wapens of het beoefenen van bepaalde kunsten) en tal van ‘materiële monopolies’. De objecten waarover door standen materiële monopolies kunnen worden verworven zijn zeer divers: a) conventionele voorkeurskansen voor bepaalde aanstellingen kunnen zich ontwikkelen tot een juridisch monopolie over bepaalde ambtelijke posities voor bepaalde groepen (bijv. het corps diplomatique); b) monopolisering van de controle op de hand van al dan niet geslachtsrijpe dochters als huwelijkspartners; c) specifieke goederen zoals de ridderlijke landgoederen; d) mensen, nml. het bezit van lijfeigenen en horigen; e) bepaalde beroepstakken, niet alleen door monopolistische toeëigening van geprivilegieerde verwervingsmogelijkheden [zie hoofdstuk II, § 8.3], maar ook door het strikt afwijzen van bepaalde verwervingskansen, met name van handarbeid [WG:537].

5.5 Stand als distributieve groepering
Volgens Weber kan men ook zeggen dat klassen gestructureerd zijn volgens de relaties tot de productie en verwerving van goederen, en dat standen gestructureerd zijn volgens de principes van de consumptie van goederen in de context van specifieke levensstijlen [WG:533]. Weber waarschuwt zelf voor dergelijke simplificaties en noemt deze benadering ‘iets te sterk vereenvoudigd’. De eenduidigheid van zijn standsbegrip wordt er echter zeker niet groter van. Wanneer klassen zijn gestructureerd door productieverhoudingen en standen door de consumptieverhoudingen, dan zou men standen ook kunnen interpreteren als distributieve groeperingen [zoals Korpi 1978, Giddens e.v.a. doen].

5.6 De status van status
Weber’s standsbegrip is dus tamelijk complex en vol van verschillende, elkaar overlappende en tegensprekende betekenissen. De door Weber gebruikte term ‘Stand’ heeft slechts een schijnbare eenduidigheid verkregen doordat het in de de engels sprekende en georiënteerde academische gemeenschap meestal werd vertaald met ‘status’ (status group etc).

De ‘vertaling’ die Parsons van Weber maakte heeft vooral in academische gemeenschap een sterke invloed gehad op de interpretatie van zijn werk. Parsons vertaalde ‘Stand’ met ‘status group’. De een na laatste alinea van het tweede fragment —waarin Weber de typologische tegenstelling tussen klassen-en standenmaatschappij in ontwikkelingshistorisch perspectief plaatst— paste zo slecht in zijn Weber-visie dat Parsons deze in zijn vertaling wegliet.

De historische kwaliteit van Weber’s begrip Stand zou waarschijnlijk nooit in twijfel zijn getrokken als het meer letterlijk met ‘stand’ (estate, état, stato). vertaald was in plaats van met ‘status’ of ‘status groep’.

Zoals we hebben gezien is het overigens niet volledig in tegenspraak met Weber’s bedoeling om het begrip ‘Stand’ ook op te vatten als “een analytische taxonomie die toepasbaar is op alle maatschappijvormen” [Kreckel 19,76:340]. Kenmerkend voor de meeste van Weber’s ideaaltypische categorieën is juist dat zij een dubbele lading hebben: (a) een structuurtheoretische betekenis die geldig is voor meerdere maatschappelijke formaties en (b) een ontwikkelingshistorische betekenis die gebonden is aan een specifieke maatschappelijk formatie.

De term ‘status’ is nog steeds een van de meest gebruikte begrippen in het lexicon van de hedendaagse sociologie. Van het begrip ‘status’ is wel beweerd dat dit tot een van de meest krachtige analytische instrumenten zou behoren dat sociologen ter beschikking staat [Bierstedt 1957:211]. Maar het begrip wordt vaak zonder enige poging tot systematische definitie gebruikt, het is omringd met de suggestie van helderheid. ‘Status’ is in de sociologie op zoveel uiteenlopende manieren gebruikt dat het als analytisch instrument niet stabiel is. Daarom ontstaat er bij de toepassing van dit concept eerder verwarring dan helderheid.

Waldo Burchard vergeleek ‘status’ als analytisch instrument in de sociologie met de schroefsleutel in de mechanica: “a powerful tool without question, but often used as a hammer, a pary bar, and in other applications for which it is not designed, and so unstable when applied to a nut that it has earned for itself the reputation of ‘finger skinner’ — a frequently used colloquial designation for the monkey wrench” [Burchard 1960:417]. Hij suggereerde destijds dat de impasses rond het begrip status misschien nog het best overwonnen kunnen worden door het begrip status niet meer te gebruiken en in plaats daarvan andere begrippen te gebruiken. Om uit de terminologische verwarring te komen is dit misschien wel een zinvolle suggestie, maar in principe worden daarmee de inhoudelijke problemen alleen maar verschoven.

top


6 Klasse, stand, partij

6.1 Levensordeningen en aggregatieniveaus van sociaal handelen
In het eerste fragment suggereert Weber een analytische gelijkwaardigheid tussen klassen, standen en partijen door ze te verbinden aan verschillende levensordeningen: de ‘economische orde’, de ‘sociale orde’ en de sfeer van de ‘macht’. De term klasse refereert hier aan de productie en de wijze van goederenverwerving, de term stand refereert aan de levensstijl en de wijze van goederenconsumptie.

Het probleem is echter dat de term partij niet eenvoudig refereert aan de wijze van machtsvorming — net zomin als de term klasse eenduidig refereert aan de productie, of stand aan levensstijl.

Weber heeft er zelf moeite mee deze analytische onderscheiding vol te houden. In het eerste fragment behandelt Weber de klassen, standen en partijen nog op een analytisch gelijkwaardig niveau. Het partijbegrip wil hij hier preciseren door in te gaan op de ‘structuurvormen van sociale heerschappij in het algemeen’ [WG:539]. In het nieuwere gedeelte van WG —waaruit het tweede fragment stamt— wordt hieruit de consequentie getrokken: de analyse van de partijen wordt geïncorporeerd in de bespreking van de typen van heerschappij, de klassen en standen worden hier samen behandeld — na de analyse van de typen van heerschappij (heerschappijsociologie).

De reden hiervan is niet louter compositorisch, maar inhoudelijk van aard, want het partijbegrip ligt analytisch op een ander niveau dan de begrippen klasse en stand [Schluchter 1979:47]. Partijen zijn namelijk niet eenvoudig te definiëren in termen van de wijze van machtsverwerving. Partijen zijn in de eerste plaats doelgerichte organisaties die opereren in ordeningen op een ander —hoger— aggregatieniveau.

Volgens de formulering van het nieuwere deel van WG zijn partijen per definitie (‘Begrifflich’) alleen mogelijk binnen een organisatie” waarvan ze de leiding willen beïnvloeden of veroveren [WG:167]. Door deze verandering corrigeert Weber zijn eerdere ‘toerekeningen’. Terwijl klassen en standen behoren tot het niveau van levensordeningen, worden partijen nu expliciet betrokken op het niveau van de organisatie. Dit sluit overigens niet geheel uit dat klassen, standen en partijen vanuit eenzelfde gezichtspunt worden geanalyseerd .

In de eerste plaats blijft het mogelijk de vraag te stellen hoe de sociale levenssituaties zijn gestructureerd door klassen, standen en partijen. Ook vanuit het nieuwere deel van W& kan men Weber’s overwegingen interpreteren vanuit de vraag, welke typische kansen van de uiterlijke levenspositie en het innerlijk levenslot met klassen, standen en partijen verbonden zijn. De ‘klassenpositie’ wordt geconstitueerd door “de mate en aard van beschikkingsmacht over goederen of prestatiekwalificaties” [WG:177]; de ‘standspositie’ wordt geconstitueerd door een “effectieve aanspraak op positieve of negatieve privilegiëring in sociale waardering” [WG:179]. Deze definities onderscheiden de klassen- en standssituaties niet zozeer naar productie en consumptie, maar naar de mate en wijze van beschikkingsmacht over ‘bronnen’voor het tot stand brengen van uiterlijke in onderscheid van innerlijke goederen. Het criterium van differentiatie is dus de specifieke ‘bron’ van levenskansen waarover beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend. Deze differentiatie kan men ook uitbreiden tot de partijen, resp. organisaties waarin —op een ander aggregatieniveau— levenssituaties geïdentificeerd kunnen worden naar de aard en mate van beschikkingsmacht over organisatiemiddelen .

Vanuit deze argumentatie is het in de tweede plaats ook mogelijk de machtsverdeling binnen de gemeenschap te onderzoeken vanuit (a) het gezichtspunt van de ordeningen ten opzichte van elkaar en ook vanuit (b) verschillende aggregatie niveaus van de levenssituaties binnen deze ordeningen.

Weber maakte geen duidelijk analytisch onderscheid tussen de problemen van de ordenings- en handelingsintegratie op verschillende aggregatieniveaus. Bij zijn keuze van aggregatieniveaus en eenheden van analyse heeft Weber zich volgens Schluchter een grote mate aan ‘vrijheid’ toegestaan, waardoor de reconstructie van zijn materiële studies zeer moeilijk is [Schluchter 1979:49]. Te vaak en te weinig expliciet worden de eenheden en niveaus van analyse gewisseld. Dit geeft zijn werk in het algemeen een fragmentarisch karakter. De taak van een explicatie is daarom vooral, het systematisch classificeren van de problemen van de ordenings- en handelingsintegratie en hun onderlinge samenhang op verschillende niveaus van aggregatie.

In aansluiting bij het systeemtheoretisch perspectief van Luhmann [1975:9 e.v.] maakt Schluchter [1979:51 e.v.] een onderscheid tussen drie aggregatieniveaus van maatschappelijke handelingssamenhangen: 1e) het maatschappelijk niveau: de structuur van maatschappelijke verhoudingen van activiteiten welke de mogelijkheid kennen van zinvolle communicatie; 2e) het organisatieniveau: de structuur van organisationele activiteiten welke gekenmerkt worden door lidmaatschap; 3e) het interactieniveau: de structuur van rolactiviteiten welke gekenmerkt wordt door directe aanwezigheid van de actoren.

Vanuit een dergelijke indeling laat zich het hiervoor gegeven interpretatieschema relatief gemakkelijk uitbreiden.

6.2 Van sociale sluiting naar klasse en stand
Welke relatie bestaat er nu tussen Weber’s aanzet voor een theorie van sociale sluiting en zijn behandeling van klassen, standen en partijen ? Is het mogelijk om klassen, standen en partijen vanuit eenzelfde analytisch gezichtspunt (nml. de sociale sluitingsproblematiek) te benaderen ?

Weber ontwikkelde geen uitgewerkte theorie van sociale sluiting in het kader waarvan hij de klassenproblematiek behandelt. De uitwerking van het sociale sluitingsthema wordt weliswaar niet systematisch en expliciet verbonden met zijn benadering van klassen en standen, maar —anders dan Parkin [1979:44] suggereert— is de optiek van sociale sluiting daarin wel degelijk direct ‘aanwezig’ [Murphy 19,33:632 e.v.].

Klassen, standen en partijen worden door Weber gethematiseerd als verschillende structuurvormen van sociale heerschappij. Hij onderzoekt de verschillende ‘Strukturformen menschlicher Gemeinschaften’ [WG:212] vanuit het analytisch perspectief van de verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen welke de ongelijke verdeling van levenskansen daarmee de sociale levenssituatie van individuen bepalen. Het analytische onderscheid tussen klassen en standen is gebaseerd op de steeds specifieke wijze waarop sociale categorieën beschikkingsmacht toeëigenen over maatschappelijke bronnen en monopolisering van levenskansen voor anderen af te sluiten of te beperken.

Bij de bespreking van het sociale sluitingsthema heb ik in aansluiting bij Weber een methodisch-theoretisch onderscheid gemaakt tussen: 1e) de aard van de objecten waarover reële beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend waardoor de ongelijkheidsverhouding wordt gestructureerd; 2e) de criteria op grond waarvan individuen/collectiviteiten van bepaalde levenskansen worden uitgesloten; 3e) de mechanismen via welke sociale ongelijkheden worden gereproduceerd: de stabilisatie- en garantiemechanismen; 4e) de belangengemeenschappen die in en door sociale sluitingsprocessen worden geconstitueerd.

Al deze elementen voor een theorie van sociale ongelijkheid zijn wel in Weber’s behandeling van klassen en standen geïmpliceerd, maar niet gesystematiseerd.

  1. We hebben gezien dat Weber over klasse spreekt wanneer een groot aantal mensen levenskansen gemeenschappelijk hebben die te maken hebben met de economische belangen van goederenbezit en verwerving. De constitutie van klassen knoopt aan bij bezitsverschillen. Door het verwerven van beschikkingsmacht over goederen of prestatiekwalificaties worden niet-bezitters uitgesloten van het meeconcurreren om hooggewaardeerde goederen. Bezitters worden hierdoor structureel bevoordeeld, want zij hebben het feitelijke monopolie op de verwerving van deze goederen. Door uitsluiting eigenen de positief geprivilegieerde klassen zich diverse monopolies toe: kansen op vermogens- en kapitaalvorming, kansen om te profiteren van de ruil, kansen op uitoefening van ondernemersfuncties [WG:70 e.v.]. Een klassenpositie wordt door Weber geanalyseerd als een door bezits- of verwervingsverschillen gestructureerde levenssituatie, welke het effect is van door de markt bemiddelde sociale sluitingsprocessen.

  2. Ook bij zijn behandeling van de stand keert het sluitingsthema terug. In tegenstelling tot de klassendeling knoopt de standspositie aan bij prestigeverschillen; zij wordt gestructureerd door een verschil in beschikkingsmacht over o.a. de waardering van ‘eer’. De sociale sluitingsprocessen die aan de formatie van standen ten grondslag liggen worden niet zoals bij de klassen via het marktmechanisme bemiddeld (of gereguleerd), maar door de regels die de levensstijl bepalen, d.w.z. door conventies of wetten. Deze conventionele en/of juridische vorm van sociale sluiting drukt zich o.a. uit in beperkingen aan de sociale omgang, huwelijk e.d., maar ook en in de eerste plaats in tal van ‘materiële monopolies’.

Klassen en standen zijn specifieke structuurvormen van sociale heerschappij; de daarin geïmpliceerde patronen van sociale ongelijkheid kunnen worden geanalyseerd vanuit de mechanismen via welke beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen wordt toegeëigend en sociale verhoudingen worden gesloten. Het belangrijkste differentiatiecriterium tussen klasse en stand is de specifieke ‘bron’ van levenskansen waarover beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend. Deze differentiatie kan niet alleen worden uitgebreid tot de partijen (aard en mate van beschikkingsmacht over organisatiemiddelen), maar kan evenzeer van toepassing zijn op de (niet hier, maar door Weber wel besproken) kasten. In de volgende tabel is deze interpretatie schematisch weergegeven.

Plaatje

top


Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam