Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

WEBER Sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

II Sociale Sluiting

(Tweede deel))

5 Subjecten van toeëigening en criteria van uitsluiting

5.1 Subjecten van toeëigening

De vraag wie feitelijke beschikkingsmacht kunnen uitoefenen of wat de subjecten kunnen zijn van sociale sluiting is weinig controversieel. Weber onderscheidt de mogelijke subjecten van sociale sluiting in samenhang met de verschillende manieren waarop toeëigening kan plaatsvinden.

Toeëigening kan ten eerste tot stand komen doordat men lid is van een bepaalde gemeenschap of maatschappij. Als lid van een bepaalde huisgemeenschap geniet men bijv. automatisch de voordelen van de door deze huisgemeenschap toegeëigende kansen. Hetzelfde geldt ook voor het behoren bij een bepaalde taalgemeenschap of - nog algemener - bij een bepaalde nationale staat die een andere staat koloniaal overheerst en uitbuit. Toeëigening kan ook individueel tot stand komen. Gemonopoliseerde levenskansen kunnen zuiver persoonlijk aan individuen ('natuurlijke personen') toevallen als gevolg van eigen prestaties of door verwantschap, erfelijke overdracht e.d. Wanneer een individuele toeëigening kan worden veruiterlijkt dan is er sprake van een 'overdraagbare appropriatie' [WG 23].

Weber werkte geen overzicht uit van alle mogelijke subjecten van toeëigening. Een kasuïstisch overzicht van mogelijke subjecten van toeëigening zou zich kunnen oriënteren op de volgende driedeling.

5.2 Een reeks sluitingscriteria

Sociale sluiting vindt plaats in situaties waarin zich strijd of concurrentie voordoet om het handhaven of veranderen van ongelijke beschikkingsmacht over de belangrijke bronnen en beloningen (of 'levenskansen'). In eerste instantie doet het er voor de algemene analyse van sluitingsprocessen niet veel toe op grond van welke criteria actuele of potentiële concurrenten van bepaalde levenskansen worden uitgesloten. Praktisch elk "uiterlijk identificeerbaar kenmerk" van anderen kan "als aanleiding worden genomen om hun uitsluiting van mededinging na te streven" [WG 201]. "De tendens om monopolistische afsluiting naar buiten kan aanknopen bij elk moment, ook als is het nog zo uiterlijk" [WG 236]. Het ontstaan van sociaal gesloten groepen en van van vijandschap tussen de positief en negatief geprivilegieerde categorieën mensen kan dus verbonden worden aan "de meest oppervlakkige verschijnselen van historisch toevallige verschillen" [idem]. In principe kan de tendens tot monopolisering van bepaalde -- in de regel economische -- kansen zich richten tegen elke groep met "een gemeenschappelijk positief of negatief kenmerk" [WG 202].[22]
Sociale sluitingsstrategieën kunnen dus aanknopen bij zeer uiteenlopende kenmerken van individuen of sociale categorieën. Zij kunnen aanknopen bij praktisch alle mogelijke soorten verschillen:

Al deze verschillen kunnen aanleiding zijn voor afstoting en verachting van 'andersgeaarden' en - als keerzijde - van ontwikkeling van bewustzijn van gemeenschappelijkheid van de 'gelijksoortigen' [WG 236]. Sociale sluitingspraktijken transformeren reëel naast elkaar bestaande, 'horizontaal' naast elkaar bestaande verschillen in 'verticaal' boven elkaar gestelde 'hiërarchieën'. Het horizontaal en onverbonden naast elkaar bestaan van verschillende groepen wordt door sociale sluiting getransformeerd in een "verticaal systeem van boven- en onderschikking" [WG 536]. Er ontstaan scherpe sociale grenzen door "bewuste monopolistische afsluiting, die aansloot bij kleine verschillen en deze vervolgens opzettelijk cultiveerde en verdiepte" [WG 236]. Deze 'kleine verschillen' kunnen hun grond hebben in aangeboren of erfelijk natuurlijke kenmerken van individuen, of in kwalificaties die met of zonder bijzondere individuele prestaties zijn verworven.

5.3 Ascription versus achievement

Weber heeft geen duidelijk uitgangspunt uitgewerkt waarmee de veelvoud van mogelijke uitsluitingscriteria kan worden geordend. Opvallend is echter wel dat hij niet de -- tegenwoordig zo gangbare -- simpele tweedeling hanteert tussen ascription en achievement (resp. tussen 'collectivistisch' toegeschreven of geërfde kwaliteiten versus 'individualistische' prestatiestandaarden). Het probleem met dit ideaaltypisch onderscheid is tweeledig.
  1. De toegang tot posities en de toekenning van beloningen op basis van prestatie is vaak afhankelijk van daaraan voorafgaande differentiële kansen die niet te maken kunnen hebben met individuele prestatie(verschillen). Ten eerste wordt de aard en het niveau van prestatiekwalificaties in hoge mate bepaald door opvoedings-, onderwijs- en arbeidskansen, die ook in 'modern' burgerlijke maatschappijen ongelijk verdeeld zijn. Ten tweede wordt ook in 'open' burgerlijke maatschappijen niet zozeer de prestatie als zodanig gewaardeerd en beloond, maar veeleer de beschikking over onderwijstitels.[23] Ten slotte zijn de prestatiecriteria die in een bepaalde maatschappij worden gehanteerd om het individuele succes of falen in het arbeids- of schoolsysteem te beoordelen natuurlijk zelf door en door cultureel gewaardeerd en dus allesbehalve objectief of neutraal [Bader/Benschop 1988: 236].
    Prestatiestandaarden en beloningen die daarvan zijn afgeleid, kunnen een eerdere allocatie van beloningen en kansen die gebaseerd zijn op 'ascription' verbergen en legitimeren. Het onderscheid tussen ascription en achievement kan gebruikt worden om de feitelijke mechanismen verduisteren die leiden tot differentiële beloning en plaatstoewijzing. Prestatiestandaarden ('selectie naar prestatiecompetentie' en 'beloning naar prestatie') functioneren in werkelijkheid vaak (1) als versluiering van de ongelijke kansen om competenties te verwerven en (2) legitimatielegende voor extra beloningen, dus als meritocratische ideologische bron van geprivilegieerde klassen, elites en professionele groepen.[24]
  2. Het onderscheid tussen ascription en achievement kan suggereren dat er slechts twee gronden zijn waarop de toegang tot posities wordt gereguleerd: (1) op grond van toegeschreven culturele identiteiten (die vaak natuurlijke of biologische kenmerke als referentiepunt nemen) of (2) op grond van het criterium hoe goed of slecht individuen iets doen. Beide elementen zijn cultureel gewaardeerde attributen. Wanneer het onderscheid op deze wijze wordt gehanteerd, gaat men voorbaat aan het feit dat individuen of groepen hun differentiële voordelen eenvoudig kunnen verworden op grond van wat zij hebben, hun bezittingen, hun bronnen en andere faciliteiten. Toegang tot levenskansen ('de goede dingen van het leven') is mogelijk of kan worden afgesloten op grond van cultureel gewaardeerde (en gestandaardiseerde) status of identiteit, op grond van geërfd eigendom en op grond van prestatie of verdienste.[25]

5.4 Structurering van uitsluitingscriteria

De reeks voorbeelden van mogelijke uitsluitingscriteria die Weber geeft zou overzichtelijker gemaakt kunnen worden door een aantal hoofdtypen van uitsluitingscriteria te onderscheiden op grond van de aard van de kenmerken resp. verschillen waarbij sociale sluitingsprocessen aanknopen. De diversiteit van sluitingscriteria kan in overzichtelijker worden gemaakt wanneer zij worden ingedeeld naar de volgende twee gezichtspunten: (1) gaat het om strikt individuele en verworven prestatiekwalificaties of om ascriptieve eigenschappen of kenmerken; (2) gaat het bij de ascriptieve kenmerken om verschillen die aanknopen bij biologisch-fysiologische of fenotypische eigenschappen van individuen of ok sociaal-historische eigenschappen [Bader/Benschop [1988:234]. Hieruit vloeit een indeling in drie hoofdtypen van sociale sluitingscriteria voort.

5.5 Uitsluitingscriteria, sluitingspraktijken en legitimatiepratronen

Hoewel het er in eerste instantie niet veel toe doet op grond van welke (combinatie van) kenmerken individuen of groepen worden uitgesloten, worden de uitsluitingscriteria nooit op geheel willekeurige wijze uit de lucht geplukt. Voor de algemene aanduiding van sociale processen is het enerzijds van belang dat er op voorhand geen bepaalde kenmerken zijn die niet als uitsluitingscriteria in aanmerking zouden kunnen komen -- of historisch waren. Anderzijds is het natuurlijk van groot belang te onderzoeken welke verschillen door wie worden waargenomen, hoe zij positief of negatief worden gewaardeerd en -- bewust of onbewust als uitsluitingscriteria worden gehanteerd.

Weber wijst er regelmatig op dat de criteria van uitsluiting in de empirisch-historische praktijken van uitbuiting, onderdrukking en discriminatie zelden 'zuiver' zijn geïnstitutionaliseerd. In afzonderlijke sluitingsprocessen is er meestal sprake van elkaar historisch overlappende clusters van - al dan niet ascriptieve - criteria van uitsluiting. In werkelijkheid worden groepen daarom meestal gediscrimineerd op basis van een combinatie van meerdere criteria. Dit syndroomkarakter van ascriptieve sluiting kan het beste worden benaderd met een sterk desaggregerende benadering. Het voordeel van een meer desaggegrerende onderzoeksstrategie is dat hierdoor de empirisch-historisch combinaties van uitsluitingscriteria transparant gemaakt kunnen worden. Bovendien wordt men hierdoor beter zicht op de verschuivingen die zich voordoen in de dominantieverhouding tussen primaire en secundaire criteria.
Vooral uit zijn behandeling van etnische gemeenschappen [WG 234 e.v.] blijkt dat Weber zich ook bewust is van het feit dat er tussen de criteria van uitsluiting, de feitelijke uitsluitingspraktijken en de verschillende legitimatie-legendes en ideologieën wel verbonden bestaan, maar dat deze niet altijd rechtstreeks en eenduidig zijn.[27] Racistische praktijken worden bijvoorbeeld lang niet altijd door specifiek racistische ('biologistische') legitimatielegendes gerechtvaardigd. Racistische uitbuitings-, onderdrukkings- en discriminatiepraktijken kunnen even goed - en waarschijnlijk minstens even effectief - worden gelegitimeerd door culturalistische of neo-nationalistische ideologieën: dus niet meer het oude thema van 'het van nature inferieure tegen het superieure ras', maar omwille van 'de bescherming van ons culturele erfgoed', of het 'wij Nederlanders versus zij buitenlanders, vreemden' enz. [vgl. § 8.2 voor etniciteit].
Voor een verder uitwerking van het sociale sluitingsthema is het van belang de samenhang te onderzoeken tussen de uitsluitingscriteria, de uitsluitingspraktijken en de typische legitimatie-ideologieën. In empirisch-historisch onderzoek moet telkens worden nagegaan (1) onder welke maatschappelijke voorwaarden welke kenmerken en verschillen door wie worden waargenomen en gecultiveerd, (2) op welke manier deze kenmerken en verschillen positief of negatief worden gewaardeerd en waarom bepaalde rivaliserende waarderingshiërarchiën maatschappelijk dominant worden, (3) hoe zij bewust of onbewust als criteria van sociale sluiting worden gehanteerd, en (4) hoe deze uitsluiting wordt gelegitimeerd. Ter stimulering van de fantasie: schema 9 van Bader/Benschop [1988:235].

6 Gesloten sociale verhoudingen

6.1 Openheid en geslotenheid van sociale verhoudingen

Monopolisering van levenskansen door sociale sluiting heeft tot algemeen resultaat dat er gesloten sociale verhoudingen ontstaan. Een sociale verhouding is 'open' wanneer en voorzover de participatie van iedereen die aan het wederzijdse sociale handelen deel kan en wil nemen, niet ontkend wordt door haar geldende 'ordeningen'. Een sociale verhouding is naar buiten toe gesloten wanneer en voorzover de participatie van bepaalde personen is uitgesloten, beperkt of aan voorwaarden is verbonden [WG 23]. De openheid of geslotenheid van sociale verhoudingen of gemeenschappen kan op verschillende manieren zijn bepaald:
Wanneer een sociale verhouding voor de deelnemers kansen opent op bevrediging van innerlijke of uiterlijke belangen vindt in de regel een rationele sluiting plaats. Zij hebben belang bij sluiting naar buiten wanneer de deelnemers van de monopolisering een verbetering van de eigen kansen verwachten; wanneer de deelnemers van het propageren van de sociale verhouding een verbetering van de eigen levenskansen verwachten hebben zij juist belang bij openheid [WG 23]. In werkelijkheid zien we vaak een 'afwisseling tussen propageren en sluiting'. Middeleeuwse gilden en democratische steden in de Oudheid streefden in bepaalde perioden naar uitbreiding van het aantal leden in het belang van de veiligheid van hun machtspositie; in andere perioden streefden zij echter naar beperking van het lidmaatschap omdat zij er belang bij hadden de waarde van hun monopolistische positie te handhaven. Hetzelfde verschijnsel kunnen we waarnemen bij monnikenordes en religieuze sekten, die in het belang van het hooghouden van de ethische standaard of van de bescherming van materiële belangen overschakelden van religieuze propaganda naar afsluiting. Op de economische markt staat uitbreiding in het belang van omzetvergroting op soortgelijke wijze naast monopolistische beperking van de markt. En tegenover de standsmatig gesloten geheimtaal van vroeger staat tegenwoordig de taalpropaganda als normaal gevolg van de belangen van uitgevers en schrijvers [WG 24].

6.2 Sluiting naar buiten

Sociale verhoudingen kunnen in meer of minder sterke mate naar buiten toe gesloten zijn. Niet alleen de mate van sluiting naar buiten is zeer variabel, ook de overgangen van openheid naar gereguleerdheid en geslotenheid zijn vloeiend [WG 24].
a) Soms worden er aan het participeren in een sociale relatie of gemeenschap voorwaarden gesteld waaraan relatief gemakkelijk kan worden voldaan. Zo kan men bijvoorbeeld tot de positief geprivilegieerde groep van een bepaald kerkgenootschap (toegang tot 'heilsgoederen') behoren door op de juiste plaatsen en momenten simpel ritueel gedrag te demonstreren, zoals knielen. Aan tal van andere gemeenschappen kan men deelnemen door te voldoen aan contributieverplichtingen (zoals bij partijen en vakbonden) of relatief lage entree-gelden te betalen (zoals een kaartje voor een voetbalwedstrijd of een concert). Van al deze sociale gemeenschappen kan men 'lid' worden door te voldoen aan geldelijke of handelingsvoorwaarden die in principe voor iedereen te realiseren zijn. We stuiten hier op de ondergrens van het sociale ongelijkheidsvraagstuk. De ongelijke verdeling van levenskansen begint immers aan gene zijde van de min of meer toevallige, incidentele vormen van sociale ongelijkheid.
b) De toelatingsprestaties en/of geldelijke voorwaarden voor bepaalde levenskansen kunnen ook zeer exclusief zijn, zoals zeer langdurige proefperiodes (noviciaten), moeilijk toegankelijke en uitgebreide opleidingen, hoge contributies voor deftige clubs, zware ballotage-eisen.
c) Sommige gemeenschappen of sociale betrekkingen zijn alleen open voor mensen die door geboorte aan bepaalde voorwaarden voldoen. De betreffende levenskansen zijn hierbij gesloten voor degenen die niet beschikken over specifieke aangeboren of overerfde kenmerken en eigenschappen: van adel zijn, man of vrouw zijn, door erving beschikken over grote kapitaalmassa's enz.
Er bestaat dus een brede variëteit van verschillende graden van sluiting en van condities van participatie. De mate waarin en de wijze waarop de toegang tot levenskansen is gereguleerd of gesloten is gedeeltelijk afhankelijk van de criteria op grond waarvan uitsluiting van potentiële of actuele mededingers plaatsvindt, deels ook van de aard van de betreffende levenskans zelf.

6.3 Sluiting naar binnen

Een sociale verhouding of gemeenschap kan ook naar binnen toe worden gesloten. De 'sluiting naar binnen' heeft betrekking of de deelnemers of leden zelf, d.w.z. op de onderlinge relaties tussen de deelnemers aan een gesloten sociale verhouding. Sluiting naar binnen kan eveneens zeer uiteenlopende vormen aannemen. a) De sluiting naar binnen kan op vrijwillige basis plaats vinden. De deelnemers/leden kunnen zich daarbij op elk moment naar vrije keuze aan de gesloten sociale betrekking onttrekken, zoals bij de meeste voetbalverenigingen, partijen, vakbonden en kerken.
b) De sluiting naar binnen kan ook op een bepaalde wijze zijn gereguleerd. In dat geval kunnen de leden slechts onder bepaalde voorwaarden de gesloten gemeenschap verlaten. Uittreding kan hierbij bijvoorbeeld verbonden worden aan een tijdsvoorwaarde of aan materiële of symbolische sancties (geldboete. zware morele denunciatie, lichamelijke bedreiging).
c) De sluiting naar binnen kan ook een zodanige vorm aannemen dat de betrokken individuen of groepen zich hieraan niet duurzaam of volledig kunnen onttrekken. Zo kan een specifieke geboortekaste bijvoorbeeld alleen imaginair worden verlaten (via geloof in reïncarnatie); en hoewel het proletarisch bestaan in kapitalistische maatschappijen strikt genomen geen 'geboorterecht' is, zijn alleen uitzonderingen in staat de fundamentele klassegrens te overbruggen [WG 202].

6.4 Stadia van appropriatie

Een naar buiten toe gesloten gemeenschap kan op verschillende manieren omgaan met de kansen die door deze gemeenschap zijn gemonopoliseerd. De meer of minder definitieve interne sluiting van een gemeenschap noemt Weber de stadia van appropriatie van de door een gemeenschap gemonopoliseerde sociale en economische kansen [WG 202]. De toegeëigende kansen kunnen binnen de kring van monopolistisch geprivilegieerden geheel open blijven (zodat zij hierom onderling vrij kunnen concurreren) of zij kunnen op verschillende manieren ook naar binnen toe worden gesloten.
a) Een naar buiten toe gesloten klasse, kaste, gilde of vereniging kan al haar leden toestaan onderling vrij te concurreren om alle gemonopoliseerde kansen. Dit geldt in sterke mate voor de wijze waarop kapitalistische ondernemers onderling concurreren om een aandeel in de totale meerwaarde. Maar het geldt ook voor bijvoorbeeld staatsdragende politieke partijen, waarvan de leiders concurreren om de door hun partijen gemonopoliseerde ambtelijke posities.
b) Een gemeenschap van positief geprivilegieerde kan haar leden ook strikt vastleggen op bepaalde toegeëigende kansen, bijvoorbeeld op een bepaalde klantenkring, op bepaalde handelswaren of op bepaald ambten (zoals bij de oude dienstadel en militaire adel). Het beperkte recht op eigen arbeidsplaats wordt gereguleerd via verbond op ontslag zonder toestemming van de vertegenwoordigers van de arbeiders ('closed shop'). Een lid van de mannengemeenschap heeft in het algemeen een recht op de door deze gemeenschap gemonopoliseerde kansen; maar het huwelijksrecht biedt de afzonderlijke man slechts een geprivilegieerde toegang tot 'zijn vrouw' -- bij overtreding van dit specifieke recht hanteert de mannengemeenschap sancties ter bescherming van de algemene privileges [WG 24].
De interne sluiting kan op verschillende manieren worden gereguleerd. Zij kan plaats vinden (1) op toerbeurt: volgens bepaalde roulatieregels krijgt elk lid van de gemeenschap tijdelijk het recht op de toegeëigende privileges[28]; (2) tot opzegging: bepaalde kansen worden aan een lid toegekend totdat dit wordt herroepen (bijvoorbeeld individuele beschikking over akkers in een strak georganiseerde agrarische gemeenschap; (3) levenslang: monopolies op bepaalde ambten worden onherroepbaar voor het leven toegekend; (4) definitieve overdracht aan een individu en zijn/haar erfgenaam (+ overdrachtsrecht aan groepsleden); (5) gedeeltelijk, zodat slechts het aantal kansen gesloten wordt.
c) Het hoogste stadium van interne sluiting wordt bereikt wanneer de appropriatie door individuen of subgroepen op permanente basis ('levenslang') en niet vervreemdbaar (als 'recht') wordt geïnstitutionaliseerd (bijvoorbeeld door leden van specifieke communale of geassocieerde gemeenschappen zoals huisgemeenschappen). De interne sluiting van kansen is hier geapproprieerd.

7 Belangengemeenschappen

7.1 Belangengemeenschap, -associatie en legaal geprivilegieerde groep

Ondanks hun voortdurende onderlinge concurrentie worden de positief geprivilegieerde groepen naar buiten toe een 'gemeenschap van belanghebbenden', een 'belangengemeenschap' [WG 201]. Hierdoor ontstaat ook de tendens dat de belanghebbenden een bepaalde soort 'associatie' ontwikkelen met een rationele organisatie. Met behulp van deze associatie kan een belangengemeenschap een legale orde vestigen waarin de concurrentie door legale monopolies is beperkt. Het meest effectieve middel van sluiting voor een geassocieerde belangengroep is wanneer zij erin slaagt de legale actoren van geweld binnen een politieke gemeenschap ervan te overtuigen de monopolistische claims van de groep te erkennen en te bekrachtigen. Wanneer een belangengroep erin geslaagd is een legale ordening tot stand te brengen welke formele monopolies creëert en deze -- eventueel met geweld -- beschermt, dan heeft zij zich ontwikkeld tot een rechtsgemeenschap (legaal geprivilegieerde groep) en zijn de leden rechtsgenoten geworden [WG 201].
Weber ziet af van "elke systematische classificatie van soorten gemeenschappen" en gaat ook niet in op de relatie van de economie met de afzonderlijke cultuurinhouden. Hij behandelt wel een paar "algemene structuurvormen van menselijke gemeenschappen". Van een aantal "zeer universele soorten gemeenschappen" (zoals huis-, buren-, seksuele, taal-, politieke gemeenschappen) geeft hij een algemene karakterisering; in zijn uiteenzetting over heerschappij gaat hij nader in op de ontwikkelingsvormen van deze gemeenschappen [WG 212].

Weber begint zijn verhandeling met "de meest oorspronkelijke van de naar buiten toe gesloten gemeenschappen" [WG 218], de huisgemeenschap. De huisgemeenschap is de meest universeel verspreide economische verzorgingsgemeenschap welke de grondslag vormt van interne -- strikt persoonlijke -- loyaliteit en autoriteit, en naar buiten gerichte solidariteit. Vervolgens geeft hij een algemene karakterisering van naar buiten toe gesloten gemeenschappen die steeds minder 'natuurlijk' of 'oorspronkelijk' zijn. De burengemeenschap als "permanente of ephemere belangengemeenschap welke is afgeleid van ruimtelijke nabijheid" en de grondslag vormt voor wederzijdse hulp [WG 215]. Dan de seksuele gemeenschap die het 'huiscommunisme' intern verzwakt door de ontwikkeling van exclusieve seksuele aanspraken van mannen over vrouwen; van de sociale relaties die op basis van het geslachtsverkeer tussen volwassenen ontstaan is alleen die tussen moeder en kind 'oorspronkelijk' en 'natuurlijk' omdat het een verzorgingsgemeenschap is; de relatie tussen vader en kinderen is los van de economische verzorgingsgemeenschap volledig labiel en problematisch [WG 212]. Dan achtereenvolgens de verwantschapsgemeenschap, de etnische, religieuze en taalgemeenschap en tenslotte de rechts- en politieke gemeenschap (stam, volk, natie).

7.2 Etnisch-culturele gemeenschappen

Etniciteit speelt een belangrijke rol in de analyses van het oude en moderne racisme. De discussie over etniciteit bevat echter zoveel obscure elementen dat het verstandig is hieraan niet voorbij te gaan. Veel van de huidige ideeën over de aard van de etniciteit zijn aan het werk van Weber ontleend [Hechter 1977, Neuwirth 1969]. In zijn analyse van sociale ongelijkheid en het ontstaan van politieke handelingscollectieven behandelt Weber etniciteit niet als een irrationeel en primordiaal 'gegeven'; etnische identiteit is voor hem een sociale constructie. Raciale identiteit ('Rassenzugehörigkeit') beschouwt hij als een problematische bron voor gemeenschapshandelen. Het bestaan van gemeenschappelijke geërfde en erfelijke kenmerken die werkelijk berusten op afstamming leiden nooit op zich of zonder meer tot gemeenschapsvorming. Zijn benadering van etnische identiteit omvat de volgende vier elementen:
  1. Mensen moeten subjectief geloof hechten aan hun gemeenschappelijke oorsprong of afstamming.
  2. Dit geloof kan gebaseerd zijn op (1) fysieke of fenotypische overeenkomsten, (2) gedeelde gewoontes, culturele tradities en culturen of op (3) gemeenschappelijke herinneringen aan kolonisatie en migratie.
  3. De identiteit moet relevant zijn voor het propageren van groepsformatie en voor het ontstaan van 'etnische grenzen' [vgl. F. Barth 1969].
  4. De vraag of er sprake is van objectieve (bloeds)verwantschap is niet relevant.
Al deze elementen moeten volgens Weber afzonderlijke en gedetailleerd worden onderzocht. Hij is er bijna zeker van dat dan het containerbegrip 'etnisch' over boord geworpen zal worden, want het is "een verzamelnaam welke voor elk werkelijk exact onderzoek geheel onbruikbaar is" [WG 242]. Bij exacte sociologische begripsvorming vervluchtigt het begrip etnische gemeenschap. Omdat hij echter geen sociologie omwille van de sociologie wil bedrijven, laat hij zien welke zeer vertakte problemen schuil gaan achter dit schijnbaar eenduidige verschijnsel.
  1. De gemeenschappelijk geërfde of erfelijke kenmerken moeten subjectief worden ervaren. Dat gebeurt volgens Weber slechts onder twee condities. Ten eerste wanneer de lokale nabijheid of verbondenheid van raciaal verschillende personen gerelateerd is aan een gemeenschappelijk (meestal politiek) handelen. Of omgekeerd, wanneer bepaalde gemeenschappelijke ervaringen van de leden van eenzelfde 'ras' verbonden zijn met een tegengesteldheid ten opzichte van leden van opvallend verschillende, anderssoortige groep [WG 234].
  2. Etnische identiteit is een specifieke vorm van collectieve identiteit, beter gezegd: het is een conglomeraat van diverse sociale identiteiten. Etnische identiteit onderscheidt zich van andere sociale identiteiten door de overtuiging dat men een gemeenschappelijke afstamming, geschiedenis en culturele erfenis heeft.[29] Etnische identiteit kan zich kristalliseren rond zeer uiteenlopende, soms uitermate triviale fysiek uiterlijke, traditionele of culturele verschillen. Het kan gaan om esthetisch opvallende verschillen in fysieke uiterlijkheden (zoals huids- en haarkleur, gelaatstrekken), verschillen in habitus en alledaagse levenswijze (zoals geconventionaliseerde baard- en haardracht, kleding, eetgewoontes, gebruikelijke arbeidsdeling tussen de geslachten), verschillen in culturele erfenis (zoals taal, religie, rituele reglementering van het leven) en om verschillen in historische erfenissen (zoals herinneringen aan koloniale of racistische onderdrukking, of aan gedwongen emigratie). De tendens tot monopolistische afsluiting kan bij de kleinste uiterlijke verschillen aanknopen die vervolgens worden gecultiveerd en verdiept.
  3. Etnische identiteit leidt vaak tot de formatie van sociale groepen of kringen die door etnische grenzen van elkaar zijn gescheiden [WG 238]. Het collectieve handelen dat uit de etnische identiteit voortvloeit is meestal louter negatief. Degenen die zo opvallend 'anders' zijn, worden geïsoleerd en veracht, of omgekeerd: zij worden met bijgelovige schuwheid benaderd [WG 234]. De gecultiveerde verschillen krijgen een 'etnisch' afstotend effect omdat ze worden opgevat als symbolen van etnische identiteit. Deze symbolen gaan een rol spelen in "de overtuiging van voortreffelijkheid van de eigen en de minderwaardigheid van vreemde zeden, waardoor de 'etnische eer' wordt gevoed" [WG 239; vgl. Elias over groepscharisma]. Dit gevoel van 'etnische waardigheid' is -- analoog aan de 'standseer' -- de specifieke eer van de massa, omdat ze toegankelijk is voor iedereen die behoort tot de subjectief gedefinieerde afstammingsgemeenschap. De 'etnische afstoting' vloeit voort uit het feit dat de etnisch gedifferentieerde groepen elkaars verschillende gewoontes niet begrijpen; de subjectieve betekenis van deze gewoontes kan niet worden begrepen omdat hiervoor de culturele sleutel ontbreekt [WG 236].
  4. Voor het ontstaan van etnische groepen is de vraag of en in welke mate er objectief sprake is van bloedsverwantschap strikt genomen volledig irrelevant [WG 237]. Voor de vorming van etnische identiteiten zijn fenotypische 'raskwaliteiten' in het algemeen slechts als grens van belang, wanneer er al te heterogene, esthetisch niet geaccepteerde uiterlijke antropologische factoren zijn: het zijn geen gemeenschapsvormende factoren [WG 239].

Waarom ontstaan er culturele verschillen tussen groepen en hoe kunnen deze blijven voortbestaan wanneer die groepen in permanent contact met elkaar staan? Culturele verschillen ontstaan volgens Weber vooral omdat mensen zich moeten aanpassen aan heterogene economische en politieke bestaansvoorwaarden [WG 239]. Zijn analyse van processen die tot culturele arbeidsdeling leiden blijft echter vooral geconcentreerd op het verschijnsel van monopolistische sluiting [WG 201 e.v.]. Zoals we eerder hebben gezien worden immers juist door het proces van sociale sluiting de werkelijk bestaande, 'horizontaal' naast elkaar bestaande verschillen getransformeerd in 'verticaal' boven elkaar gestelde hiërarchieën: "het horizontale en onverbonden naast elkaar bestaan van etnisch verschillende groepen" wordt veranderd in "een verticaal systeem van boven- en onderschikking" [WG 536]. De scherpe sociale grenzen ontstaan door bewuste monopolistische afsluiting "welke aansloot bij kleine verschillen en deze vervolgens opzettelijk cultiveerde en verdiepte" [WG 236].

7.3 Professionele gemeenschap

De monopolisering van economische en sociale kansen neemt volgens Weber een specifieke vorm aan wanneer zich groepen formeren van personen die specifieke kwaliteiten gemeen hebben welke door opvoeding, onderwijs en training verworven kunnen worden. Deze kwaliteiten kunnen variëren van bepaalde soorten economische kwalificaties, het bezetten van gelijke of gelijksoortige ambten, tot het erop nahouden van een specifieke levenswijze. Wanneer deze personen zich organiseren neemt dit volgens Weber meestal de vorm aan van een 'gilde' [WG 202]. Degenen die volledig lid zijn van zo'n associatie maken een 'beroep' van het monopoliseren van beschikkingsmacht over spirituele, intellectuele, sociale en economische goederen, verantwoordelijkheden en posities.
Weber heeft een belangrijke voorzet gegeven voor de latere theorievorming over professionalisering. Professionalisering kan immers worden opgevat als een specifieke vorm van sociale sluiting: het is een strategie van beroepsgenoten die proberen beloningen te maximeren door het beperken van de toegang tot dit beroep en de daarmee verbonden specifieke economische en sociale kansen. Professionalisering is altijd gericht op het creëren van een specifieke schaarste. Dat is in principe mogelijk door het verkleinen van het aanbod (reductie van beschikbaarheid van een specifieke 'waar' of 'dienst') of het vergroten van de vraag (door opwaardering van de specifieke kwaliteit van de aangeboden waren of diensten [Bestaut 1975:52].
Professionalisering is een specifieke sluitingsstrategie welke mijns inzien altijd de volgende elementen impliceert:

7.3.1 Sluiting naar buiten door exclusieve recrutering

Professionalisering betekent beperking van het lidmaatschap van de beroepsgroep. Weber wijst er op dat het uitoefenen van deze beroepen alleen is toegestaan voor degenen die (a) een leer- of oefenperiode ('noviciaat') hebben voltooid om de juiste training te verwerven, en (b) hun kwalificatie hebben bewezen door het afleggen van examens waardoor zij in het bezit komen van diploma's en andere educationele certificaten. Soms gelden hierbij nog langere wachttijden of moet aan aanvullende vereisten worden voldaan. Dit typische patroon zien we zowel bij studentencorpora en ridderordes, als bij ambachtelijke gilden en de moderne ambtenaren en employés.
In al deze gevallen speelt volgens Weber 'het belang bij het veiligstellen van een goede prestatie' een zekere rol. Hoewel hun onderlinge concurrentie niet ophoudt, hebben zij toch een ideëel of materieel gemeenschappelijk belang bij het veiligstellen van een hoge kwaliteit van de prestaties. Zo hebben bijvoorbeeld gemeenschappen van asceten belang bij hoogwaardige prestaties omdat de goden en demonen hun toorn over valse manipulaties tegen alle leden kunnen richten. In bijna alle primitieve stammen werden daarom personen die vals zongen tijdens een rituele dans gestraft. De ministeriales en ridderordes hebben belang bij goede prestaties vanwege hun professionele reputatie, maar ook direct voor hun militaire veiligheid. Zoals lokale ambachtslieden goede prestaties wensen om de goede naam van hun waren hoog te houden, zo schermen medische en psychotherapeutische specialisten zich af van 'kwakzalvers', 'charlatans' en 'beunhazen' om de kwaliteit en betrouwbaarheid van hun diensten te bewaken.
Achter deze zorg voor goede prestaties gaat echter meestal het belang schuil dat gevestigde professionals hebben bij de beperking van het aanbod van kandidaten voor de voordelen en eer van een bepaald beroep. "De noviciaten, wachttijden, meesterstukken en andere eisen É zijn vaker economische dan professionele kwalificatietesten" [WG 203]. Weber wijst er daarbij op dat het toenemende gebruik van certificaten en diploma's een middel zijn om specifieke professionele belangen veilig te stellen. De roep om educationele certificaten is gericht op het vormen van "een geprivilegieerde laag in bureaus en kantoren" [WG 577].

7.3.2 Sluiting naar binnen door gedragscontrole van ingeslotenen

Naar binnen toe impliceert professionalisering zowel het verenigen van de leden van de beroepsgroep, het elimineren of reguleren van interne competitie en het ontwikkelingen van een bepaalde groepssolidariteit. De coördinatie van het handelen van de leden van een beroepsgroep veronderstelt een besef van gemeenschappelijke belangen, het ontstaan van een specifieke groepssolidariteit en de ontwikkeling van een systeem van gedragscontrole (beroepscodes en ethieken). De beperking of regulatie van de onderlinge concurrentie is bijvoorbeeld mogelijk door het verbieden van prijsconcurrentie (middels prijsafspraken), waardoor de beroepsgroep tegelijkertijd in staat gesteld wordt om prijzen (beloningen) te bedingen die boven de theoretische competitieve marktwaarde van hun diensten ligt. De strikte beperkingen van prijsconcurrentie en competitie om patiënten bij de medische professionals zijn hiervan het meest sprekende moderne voorbeeld.

7.3.3 Creëren van feitelijke monopolies door regulatie van aanbod

Door het aanbod gericht te beperken of strak te reguleren is het mogelijk om op uiteenlopende markten feitelijke monopolies te creëren. Daarbij ondersteunt het bezit van onderwijscertificaten, licenties e.d. de aanspraak op tal van specifieke privileges en voordelen. Weber geeft hiervan een aantal voorbeelden: (1) het huwen met notabele families (want ook op moderne kantoren werd hierdoor de kans op de hand van de dochter van de chef groter); (2) het toegelaten worden tot kringen die een bepaalde erencode aanhangen; (3) het respectabel ('naar stand') beloond worden in plaats van beloning naar prestatie.
De achtergrond voor het invoeren van reguliere curricula en van speciale examens is dan ook niet zozeer een plotseling opkomende drang naar onderwijs, maar "het streven naar beperking van het aanbod voor deze posities en hun monopolisering door de bezitters van onderwijscertificaten" [WG 577].

7.3.4 Het legaliseren vanfeitelijke monopolies

Een professie is geen beroep, maar een middel om de eigen definitie van de beroepsactiviteiten aanvaard te krijgen door relevante personen en groeperingen (afnemers, overheid, consumenten). Een effectieve beheersing van een beroep wordt vooral mogelijk gemaakt wanneer de geïmpliceerde sociale sluitingen worden bekrachtigd of gegarandeerd door het verwerven van steun en erkenning van de staat. Hierdoor wordt het feitelijke monopolie, de daarin geïmpliceerde heerschappij als de daaraan verbonden voordelen en privileges, gelegaliseerd en indien nodig met staatsgeweld verdedigd.

8 Stabilisatie en garantie van sociale ongelijkheid

Ongelijke posities en allocatieve ongelijkheden kunnen een incidenteel, voorbijgaand of instabiel karakter hebben, kan kunnen ook duurzaam en stabiel. Voor het onderzoek van de feitelijke empirische verdeling van levenskansen in een maatschappij is het van belang na te gaan op welke wijze de primaire of initiële toeëigeningen en uitsluitingen gestabiliseerd worden, d.w.z. regelmaat en duurzaamheid krijgen. De vraag is dus: hoe wordt een ongelijke verdeling van beschikkingsmachten en sociale uitsluitingen gestabiliseerd en (bewust/gericht) gegarandeerd?

8.1 Mechanismen van stabilisatie

Volgens Weber kan de stabiliteit van de feitelijke verdeling van beschikkingsmachten niet alleen worden teruggevoerd tot uiterlijk geweld en innerlijke overtuiging (d.w.z. legitimiteit). De empirische stabiliteit van de feitelijke verdeling is niet alleen -- en misschien niet in de eerste plaats -- afhankelijk van de verschillende typen van hun sociale garantie. "Waardoor É deze beschikking is gegarandeerdÉ, en of ze bijvoorbeeld uiterlijk helemaal niet is gegarandeerdÉ is op zich begripsmatig irrelevant" [WG 34]. De beschikkingsmacht kan immers louter berusten op "zede of belangenpositie" [WG 34; vgl. WG 36]. Dergelijke opmerkingen refereren direct aan de fundamentele begrippen en typologische onderscheidingen van Weber's concept van sociaal handelen.
Zoals bekend zijn Weber's ideaaltypen van sociaal handelen gebaseerd op een analytisch onderscheid tussen vier handelingsoriëntaties: traditioneel, affectief, doelrationeel en waarderationeel handelen. Deze indeling is ook van belang voor de verklaring van het empirisch ontstaan en bestaan van verschillende mechanismen van handelingscoördinatie, welke tevens fungeren als mechanismen van reproduktie en transformatie van sociale ongelijkheden. Het probleem is echter dat Weber's uiteenzetting van de mechanismen van handelingscoördinatie [WG 14 e.v.] een nogal opvallende -- maar weinig opgemerkte -- lacune bevat: het mechanisme van handelingscoördinatie dat door affectieve handelingsoriëntaties en expressieve handelingen wordt geconstitueerd ontbreekt eenvoudig.[30] Als men deze lacune opvult door de introductie van solidariteit als mechanisme van handelingsoriëntatie dat door affectieve handelingsoriëntaties en handelingen geconstitueerd wordt dan kan Weber's benadering in het volgende schema worden samengevat.
[schema]


De stabilisatie of reproduktie van sociale ongelijkheden kan plaatsvinden op basis van gewoontes en zeden, solidariteit, belangenpositie en legitimiteit.

Stabiliteit van een feitelijke verdeling van beschikkingsmachten betekent dat men er op kan rekenen dat het 'bezit' van specifieke objecten wederzijds wordt gerespecteerd, ongeacht de bestaande conventionele of rechtsnormen [WG 192]. Voor Weber is het begripsmatig secundair -- maar daarom maatschappelijk zeker niet minder belangrijk! -- of en zo ja hoe feitelijke ongelijke verdeling van beschikkingsmacht wordt gegarandeerd. Structurele ongelijkheden kunnen echter niet bestaan zonder een minimum aan uiterlijke en ook innerlijke garanties.
Sociaal handelen is altijd meervoudig gemotiveerd en gecoördineerd, en de overgangen van zeden naar solidariteit, belangenpositie (inclusief conventie en recht) en legitimatie zijn vloeiend.

8.2 Uiterlijke garantie door conventie en recht

Sociale ongelijkheid kan uiterlijk worden gegarandeerd door referentie aan 'geldende, regulerende ordeningen' of normensystemen, d.w.z. door conventies of wetten. Van conventies is sprake wanneer binnen een bepaalde kring mensen een zede als correct geldt en deze wordt gewaarborgd doordat tegenover afwijkend gedrag een afkeurende houding wordt aangenomen. Wanneer men bij overtreding van geldende ordeningen stuit "op een betrekkelijk algemene en praktisch voelbare afkeuring of minachting" dan hebben we met een conventionele garantie te maken [WG 17]. Overtredingen van conventies worden niet gestraft met juridische sancties, maar door (het dreigen met) sociale sancties door leden van de eigen groep (negeren, openlijke minachting, boycot). Arbeiders die niet solidair zijn tijdens stakingen worden door hun collega's gestraft met minachting en afbreking van vriendschappelijke betrekkingen; vrouwen die zich niet onderwerpen aan de heersende conventies ten aanzien van de 'normale' geslachtsspecifieke arbeidsdeling of het 'normale' patroon van zedelijkheid worden uit het gezinsverband verstoten; kleurlingen die in racistische maatschappijen met overgave de hielen van de blanke overheersers likken worden uit hun eigen dorp verdreven.
Maatschappelijke ordeningen en de daarin verankerde sociale ongelijkheden worden uiterlijk door recht gegarandeerd wanneer de sancties wordt uitgeoefend door een disciplinaire staf van specialisten. Zo'n disciplinaire staf kan historisch de vorm aannemen van een rechterlijke instantie, maar dit is niet per sé noodzakelijk: ook de sibbe is -- bij bloedwraak en veten -- een disciplinaire staf. Een disciplinaire staf kan diverse dwangmiddelen hanteren normerende regels te handhaven of hun overtreders te bestraffen: broederlijke vermaning, berisping door een censor, kerkelijke tuchtmiddelen of eenvoudig fysiek geweld [WG 17,32,398].[31] Het dreigen met of toepassen van fysiek geweld is weliswaar niet de enige negatieve sanctie, maar het is wel de 'laatste' of 'ultieme' dekkingsgarantie die specifiek de wijze waarop de in rechtsregels gepositiveerde geldende normatieve gedragsverwachtingen worden gehandhaafd en hun overtreders worden bestraft.

8.3 Innerlijke garantie door legitimiteit

Uiterlijk gewaarborgde sociale ongelijkheden kunnen en worden in de regel ook innerlijk gegarandeerd. Een feitelijke structurele ongelijkheid van levenskansen kan zuiver innerlijk worden gegarandeerd door legitimiteit, d.w.z. door de mate waarin ze feitelijk als legitiem worden geaccepteerd. Empirische legitimiteit biedt de hoogste graad van sociale stabilisatie en garantie van ongelijkheden.

Structurele sociale ongelijkheden hebben -- zodra zij als zodanig worden ervaren en onderkend -- 'behoefte aan legitimatie'.[32] Elke macht en elke gemonopoliseerde levenskans heeft behoefte aan zelfrechtvaardiging. Volgens Weber is dit verschijnsel geworteld in "heel algemene innerlijke constellaties" van de mens. Een gelukkig mens is tegenover de minder gelukkigen immers nooit tevreden met feit van dit geluk, maar wil bovendien ook nog het 'recht' op zijn geluk. Dat is het idee dat men zijn geluk 'verdiend' heeft, zoals de minder gelukkige ook zijn pech verdiend moet hebben. Uit alledaagse ervaringen kan iedereen weten dat er een "psychische comfortbehoefte aan legitimiteit van het geluk" [WG 299] bestaat en hoe deze werkt.

Weber refereert aan de meest eenvoudige waarneming van twee mensen die een contrasterend noodlot hebben wat betreft gezondheid, economische positie of sociaal aanzien. Hieruit blijkt volgens hem dat de geprivilegieerde "de aanhoudende behoefte" heeft het voor hem gunstige contrast als legitiem voor te stellen en zijn situatie als door hem verdiend op te vakken; de situatie van de negatief geprivilegieerde wordt voorgesteld als 'eigen schuld' [WG 549, RS I:242]. Dit quasi-antropologische uitgangspunt -- dat als heuristisch principe overigens een zeer goed uitgangspunt is voor empirisch onderzoek naar legitimiteit -- geldt ook voor de relatie tussen positief en negatief geprivilegieerde groepen mensen. Hoewel de behoefte aan legitimatie van sociale ongelijkheden verworteld is in innerlijke psychische constellaties van de mens behandelt Weber het legitimiteitsprobleem toch primair in samenhang met het heerschappijmechanisme, d.w.z. als noodzakelijk moment van toeëigenings- en sociale sluitingsstrategieën. De maatschappelijke lagen die door de bestaande politieke, sociale en economische structuren geprivilegieerd zijn, hebben er steeds behoefte aan hun situatie als legitiem voor te stellen. Zij willen de "toestand van zuiver feitelijke machtsverhoudingen veranderd en geheiligd zien in een cosmos van verworven rechten" [WG 679]. Positief geprivilegieerden claimen dat hun privileges, rechten en eigendommen legitiem zijn en zij articuleren deze legitimiteitsaanspraken in legitimatielegendes. De legitimatielegende van de geprivilegieerde groep is haar natuurlijke (en indien mogelijk 'bloeds'-)superioriteit. De legitimatieclaims en -legendes van de positief geprivilegieerden leiden echter niet automatisch tot empirische legitimiteit van sociale ongelijkheden. Omdat empirische legitimiteit uitsluitend tot stand komt door het feitelijke geloof in de legitimiteit is hierbij het legitimiteitsgeloof van de negatief geprivilegieerden doorslaggevend. Wanneer de machtsverhoudingen stabiel zijn accepteren ook de negatief geprivilegieerden deze legende -- zolang deze tenminste niet door dwingende verhoudingen tot probleem wordt [WG 549]. De positief geprivilegieerde verlangen deze legitimiteit van een bepaalde (religieuze enz.) ideologie. Dit legitimatiemechanisme werkt overal, of het nu gaat om het politieke noodlot, het verschil in economische situatie (werkloosheid!), lichamelijke gezondheid ('straf van god') of om het geluk in de erotische concurrentie [WG 299].
Het probleem bij Weber's begrip van legitimiteit is dat hij geen duidelijk onderscheid maakt tussen de grondslagen en de typen van legitimiteit [Bader 1983, 1985, 198@]. Hij onderscheidt vier grondslagen van legitimatie van gesloten sociale verhoudingen en gemeenschappen:

Strikt genomen kan de legitimiteit van sociale ongelijkheden echter alleen waarderationeel worden gefundeerd [Bader 1985:17 e.v.]. Van (empirische) legitimiteit is alleen dan en in die mate sprake wanneer sociale ongelijkheden feitelijk als legitiem worden geaccepteerd, d.w.z. wanneer er op grond van waarderende "ethisch geïnspireerde normatieve"; overtuigingen bewust mee wordt ingestemd. "Legitimiteit wordt alleen geconstitueerd door waarderende instemming en niet door traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en al helemaal niet É door het feit dat actoren er zuiver cognitief en strategisch rekening mee houden dat anderen de ordening en regels voor legitiem houden" [Bader/Benschop 1988:272]. Hiervan uitgaande kunnen we een onderscheid maken tussen verschillende typen van (telkens waarderationeel gefundeerde) legitimiteit van gestructureerde sociale ongelijkheden: waarderationeel geloof in bepaalde tradities, in bepaalde (emotionele enz.) gevoelens, in bepaalde (zedelijke, esthetische, religieuze enz.) waarden en geloof in de legaliteit van bepaalde formele of procedurele regels.

9 Terug naar het uitgangspunt

Een combinatie van positionele en allocatieve structuurvormen van sociale ongelijkheid:
In een aantal recente aanzetten voor theorieën van sociale sluiting wordt soms beweerd dat het onderscheid tussen positionele en allocatieve ongelijkheid irrelevant is [vgl. Parkin 1979] of dat zowel de structurering van posities als de recrutering van personen verklaard kan worden door sociale sluiting [Murphy 1983, 1986a. Vgl. al Rex 1970, Collins 1975, 1979]. Dit 'unitaire' analytische perspectief brengt echter een groot verlies aan differentiatievermogen met zich mee. Het beroep op Max Weber als grondlegger van "one coherent and general closure problematic" [Murphy 1986a:653] miskent de status van zijn basiscategorieën en maakt Weber veel eenduidiger dan hij is. In deze benadering wordt sociale sluiting als deelperspectief behandeld: (1) sociale sluiting is het type van asymmetrische macht dat bepaalde individuen in staat stelt om positief geprivilegieerde posities (geheel of gedeeltelijk) te monopoliseren en anderen daarvan meer of minder volledig uit te sluiten; (2) sociale sluiting is dus een specifiek type van asymmetrische macht dat uitbuiting, onderdrukking en discriminatie niet omvat en ook niet vervangt [vgl. Giddens 1980:889: "only one mode among others"].

Het resultaat van sociale sluitingsprocessen is dus altijd dat de positief geprivilegieerde groepen feitelijke beschikkingsmacht uitoefenen over maatschappelijke bronnen en dat de negatief geprivilegieerden van deze beschikkingsmacht zijn uitgesloten. Sociale sluitingspressen zijn niet alleen relevant voor de selectieve recrutering van individuen op gegeven sociale posities, maar ook voor het de structurering van die posities zelfs (als gesedimenteerde vorm van het permanente proces van uitsluiting -- en van het verzet hiertegen). Er ontstaan positief en negatief geprivilegieerde belangengemeenschappen die zich onder bepaalde voorwaarden aaneensluiten tot een georganiseerde belangengroep.
En hiermee keren we terug op Weber's uitgangspunt, want tussen deze belangengroepen is er altijd weer strijd om de beschikkingsmacht over levenskansen [vgl. WG 20]. Dit uitgangspunt is nu echter geen geen abstract heuristische principe meer: de strijd/concurrentie tussen belangengroepen is gestructureerd door de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over essentiële maatschappelijke bronnen. En omgekeerd: gestructureerde sociale ongelijkheid is het resultaat van de strijd of concurrentie om bronnen en beloningen (of: 'levenskansen').
Sociale ongelijkheid wordt dus door Weber opgevat als resultaat én grondslag van strijd/concurrentie om bronnen en beloningen (of: 'levenskansen'). Situaties van gestructureerde sociale ongelijkheid bevatten daarom ook een hoog conflictpotentieel. Het gemeenschapshandelen dat door sociale uitsluiting van mededingers is ontstaan kan immers ook bij de uitgeslotenen die zich tegen sociale uitsluiting keren een overeenkomstig gemeenschapshandelen teweegbrengen [WG 201].[33]
Sociale sluiting zouden we hier kunnen omschrijven als het proces waardoor bepaalde categorieën individuen worden uitgesloten van posities die beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen impliceren. Uitsluiting is een allocatief type van asymmetrische macht [Bader/Benschop 1988:349]. Bij uitsluitingsprocessen gaat immers niet om positionele ongelijkheid, maar om selectieve recrutering of allocatie.

Plaatje
Naar volgende hoofdstuk: III Klassen en Standen
Naar Inhoudsopgave


Noten

[22] Op grond van dergelijke feitelijke of vermeende gemeenschappelijkheden zich gemeenschappen ontwikkelen (zoals buurten, dorpen, stede, regio's, werelddelen, geloofs- en taal- en culturele gemeenschappen, sociale klassegemeenschappen). Het -- vrijwillige of gedwongen, subjectief aanvaarde of verworpen -- 'behoren bij' dergelijke gemeenschappen biedt criteria voor monopolisering en sluiting.
Dergelijke 'verschillen' worden echter pas in situaties van concurrentie en strijd als zodanig waargenomen, ervaren, ontdekt en vooral verfijnd, gecultiveerd en zelfs 'uitgevonden'.
Ook de duurzaamheid van de aanwezigheid, de tijd dat men al tot een gemeenschap behoort ('de gevestigden') kan zelf als criterium voor sluiting fungeren. Vgl. ELIAS/ SCOTSON [1976:10,50,196] over vestigingsduur. Vgl. BADER [1991] over de feitelijke of vermeende gemeenschappelijke geschiedenis als dimensie van collectieve identiteit.
[23] Vgl. BOURDIEU/PASSERON [1964,1977], COLLINS [1979].
[24] Het door LINTON [1936] geïntroduceerde onderscheid tussen ascription en achievement is overigens niet noodzakelijkerwijs verbonden met meritocratische legitimaties van ongelijke verdeling van levenskansen, zoals PARKIN [1974,1979] meent. Dat ascriptieve en individueel verworven criteria empirisch nauw verweven zijn, betekent nog niet dat er geen analytisch onderscheid gemaakt zou kunnen of mogen worden tussen deze criteria. Wanneer men dit onderscheid laat vallen, sluit men de ruimte voor meritocratische kritiek op het pseudo-meritocratisme van zgn. open maatschappijen af. Vgl. BADER/BENSCHOP [1988:370, noot 13].
[25] Vgl. de kritiek van GOULDNER [1970:286 e.v.] op PARSONS [1940:69 e.v.; 1953:378; 1954:75; 1970:322].
[26] Als biologisch concept heeft 'ras' (als genotype) geen enkele wetenschappelijke betekenis. Helaas is dit inzicht nog veel te weinig doorgedrongen tot de publieke opinie, ook tot die van de academici. Zie voor uitvoerige kritieken op de racistische 'scientific ideology': MONTAGU [1953], REX [1970], POLIAKOV [1971], ROSS [1972], SAHLINS [1977], BARKER [1981], STEPHAN [1982], ROSE e.a. [1984]. Vgl. ook BADER [1984] en BADER/BENSCHOP [1988:237] voor een nauwkeuriger afbakening van 'ras', racistische praktijken en ideologieën. Vgl. verder de gedetailleerde kritiek van GREEN [1981] op de sociobiologie en i.h.b. op de neoconservatieve verdedigers van het biologisch inegalitarisme.
[27] Onder ideologie wordt hier verstaan: "alle meningen, opvattingen, theorieën enz. waarin democratisch illegitieme sociale ongelijkheden cognitief als 'natuurlijk', 'onveranderlijk' enz. worden voorgesteld of normatief als 'rechtvaardig' en juist' -- of dit nu half bewust of bewust, systematisch of geïsoleerd, alledaags of 'wetenschappelijk' gebeurt" [BADER/BENSCHOP 1988:370, noot 11]. Zie voor een nadere precisering van het ideologiebegrip BADER [1991:hft. VIII]. Hier gaat het natuurlijk niet om ideologieën 'in het algemeen' en ook niet om alle ideologieën die bestaande sociale ongelijkheden legitimeren en stabiliseren, maar speciaal om allocatie-ideologieën, d.w.z. om legitimaties en rationalisaties van democratisch illegitieme sociale sluiting.
[28]Vgl. Weber's uiteenzetting over directe democratie in WG: hft. 3, § 19.
[29] Vgl. VERMEUILEN [1984:15], De VOS [1975:19], SMITH [1981:66].
[30] BADER [1985b:9;1989] heeft terecht op deze "erstaunliche Leerstelle" gewezen en heeft voorgesteld om het betreffende mechanisme van handelingscoördinatie aan te duiden als "solidariteit". Vgl. ook BADER [1991:69 e.v.].
[31] Vgl. WG 32 over de garantie van de beschikkingsmacht door rechtsdwang van de staat. Wanneer juridisch gesanctioneerde normerende regels worden gecodificeerd is het mogelijk dat zij zich losmaken van de empirisch geldende normatieve gedragsverwachtingen. Daarom is het van belang een duidelijk onderscheid te maken tussen feitelijke empirische en juridisch-dogmatische gelding van rechtsregels [vgl. WG 17]. Ook bij Weber wordt de vraag naar de ethische legitimiteit bewust losgekoppeld van de vraag naar de empirische legitimiteit van rechtsnormen. Vgl. BADER/BENSCHOP [1988: 271].
[32] Vgl. SIGRIST [1967] voor historische voorbeeld van dit 'oorspronkelijke' gelijkheidsbewustzijn.
[33] Parkin probeert een uitwerking te geven van de machtsstrategieën van de negatief geprivilegieerden, de uitgeslotenen, de 'outsiders'. Zijn suggestie dat hij hiermee Weber's aanzet wezenlijk verbreed is echter in zoverre misleidend, dat Weber de mechanismen van toeëigening/onteigening, sluiting/ontsluiting van begin tot eind 'binair' thematiseert. De collectieve inspanningen om verzet te bieden aan een heerschappijpatroon dat gereguleerd wordt door uitsluitingsprincipes vat Parkin (net als Weber) op als de andere kant van de sociale sluitingsvergelijking. Vgl. PARKIN [1979:45, met name hoofdstuk 5 en 6]. Plaatje
Naar volgende hoofdstuk: III Klassen en Standen
Naar Inhoudsopgave

Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact