Sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
II Sociale Sluiting
(Tweede deel))
5 Subjecten van toeëigening en criteria van
uitsluiting
5.1 Subjecten van toeëigening
De vraag wie feitelijke beschikkingsmacht kunnen uitoefenen of wat de subjecten
kunnen zijn van sociale sluiting is weinig controversieel. Weber onderscheidt de mogelijke subjecten van sociale sluiting in samenhang met de verschillende manieren waarop toeëigening kan plaatsvinden.Toeëigening kan ten eerste tot stand komen doordat men lid is van een bepaalde gemeenschap of maatschappij. Als lid van een bepaalde huisgemeenschap geniet men bijv. automatisch de voordelen van de door deze huisgemeenschap toegeëigende kansen. Hetzelfde geldt ook voor het behoren bij een bepaalde taalgemeenschap of - nog algemener - bij een bepaalde
nationale staat die een andere staat koloniaal overheerst en uitbuit.
Toeëigening kan ook individueel tot stand komen.
Gemonopoliseerde levenskansen kunnen zuiver persoonlijk aan
individuen ('natuurlijke personen') toevallen als gevolg van eigen
prestaties of door verwantschap, erfelijke overdracht e.d. Wanneer een
individuele toeëigening kan worden veruiterlijkt dan is er sprake
van een 'overdraagbare appropriatie' [WG 23].
Weber werkte geen overzicht uit van alle mogelijke subjecten van toeëigening. Een kasuïstisch overzicht van mogelijke subjecten van
toeëigening zou zich kunnen oriënteren op de volgende
driedeling.
- Individuen of 'natuurlijke personen': persoonlijk
eigendom op grond van eigen prestaties, verwantschap, erfelijke
overdracht e.d.
- Formele organisaties of instellingen: corporatief,
communaal of nationaal eigendom van hiërocratische organisaties
(tempel, kerk, klooster e.d.), politieke organisaties (partijen, communes,
provincies, staten, supra-nationale instellingen), economische
organisaties (ondernemingen, huishoudens, gilden, vakbonden e.d.),
culturele of wetenschappelijke instellingen.
- Alle mogelijk
niet-formeel georganiseerde groepen van ascriptief geprivilegieerden:
verwantschapseenheden (stameigendom, familiaal eigendom), positief
geprivilegieerde categorieën op basis van sekse, generatie,
etnische, geloofs- en taalgemeenschap e.d.
5.2 Een reeks sluitingscriteria
Sociale sluiting vindt plaats in situaties waarin zich strijd of concurrentie voordoet om het handhaven of veranderen van ongelijke beschikkingsmacht over de belangrijke bronnen en beloningen (of 'levenskansen'). In eerste instantie doet het er voor de algemene analyse van sluitingsprocessen niet veel toe op grond van welke criteria actuele of potentiële concurrenten van bepaalde levenskansen worden uitgesloten. Praktisch elk "uiterlijk identificeerbaar kenmerk" van anderen kan "als aanleiding worden genomen om hun uitsluiting van mededinging na te streven" [WG 201]. "De tendens om monopolistische
afsluiting naar buiten kan aanknopen bij elk moment, ook als is het nog
zo uiterlijk" [WG 236]. Het ontstaan van sociaal gesloten groepen en van
van vijandschap tussen de positief en negatief geprivilegieerde
categorieën mensen kan dus verbonden worden aan "de meest
oppervlakkige verschijnselen van historisch toevallige verschillen"
[idem]. In principe kan de tendens tot monopolisering van bepaalde
-- in de regel economische -- kansen zich richten tegen elke
groep met "een gemeenschappelijk positief of negatief kenmerk" [WG
202].[22]
Sociale sluitingsstrategieën kunnen dus aanknopen bij
zeer uiteenlopende kenmerken van individuen of sociale
categorieën. Zij kunnen aanknopen bij praktisch alle mogelijke
soorten verschillen:- raciale verschillen, d.w.z. verschillen tussen
gemeenschappelijk geërfde en erfelijke eigenschappen die
werkelijk berusten op gemeenschappelijke afstamming,
bloedsverwantschap [WG 234,201];
- etnische verschillen tussen
groepen mensen die een subjectief geloof hebben in hun
gemeenschappelijke afstamming op grond van gelijksoortige
fysiologische kenmerken of gewoontes of beide, of op grond van
herinneringen aan kolonisatie en migratie [WG 237];
- taalverschillen tussen groepen die diverse heilsgoederen koesten
[WG 29,330 e.v.];
- verschillen in sociale of territoriale afkomst
[WG 201];
- esthetisch opvallende verschillen van fysieke
verschijning zoals baard- en haardracht [WG 238];
- de
gebruikelijke wijze van arbeidsdeling tussen geslachten;
- verschillen in alledaagse levensstijl zoals kleding, woongedrag,
eetgewoonte, seksueel gedrag, rituele reglementering van het
leven;
- en "alle andere in het oog springende verschillen" [WG
236].
Al deze verschillen kunnen aanleiding zijn voor afstoting en
verachting van 'andersgeaarden' en - als keerzijde - van
ontwikkeling van bewustzijn van gemeenschappelijkheid van de
'gelijksoortigen' [WG 236]. Sociale sluitingspraktijken transformeren
reëel naast elkaar bestaande, 'horizontaal' naast elkaar bestaande
verschillen in 'verticaal' boven elkaar gestelde 'hiërarchieën'.
Het horizontaal en onverbonden naast elkaar bestaan van verschillende
groepen wordt door sociale sluiting getransformeerd in een "verticaal
systeem van boven- en onderschikking" [WG 536]. Er ontstaan scherpe
sociale grenzen door "bewuste monopolistische afsluiting, die aansloot
bij kleine verschillen en deze vervolgens opzettelijk cultiveerde en
verdiepte" [WG 236]. Deze 'kleine verschillen' kunnen hun grond hebben
in aangeboren of erfelijk natuurlijke kenmerken van individuen, of in
kwalificaties die met of zonder bijzondere individuele prestaties zijn
verworven.
5.3 Ascription versus achievement
Weber heeft
geen duidelijk uitgangspunt uitgewerkt waarmee de veelvoud van
mogelijke uitsluitingscriteria kan worden geordend. Opvallend is echter
wel dat hij niet de -- tegenwoordig zo gangbare -- simpele
tweedeling hanteert tussen ascription en achievement (resp. tussen
'collectivistisch' toegeschreven of geërfde kwaliteiten versus
'individualistische' prestatiestandaarden). Het probleem met dit
ideaaltypisch onderscheid is tweeledig.
- De toegang tot posities en de toekenning van beloningen op basis van prestatie is vaak afhankelijk van daaraan voorafgaande differentiële kansen die niet te maken kunnen hebben met individuele prestatie(verschillen). Ten eerste wordt de aard en het niveau van prestatiekwalificaties in hoge mate bepaald
door opvoedings-, onderwijs- en arbeidskansen, die ook in 'modern'
burgerlijke maatschappijen ongelijk verdeeld zijn. Ten tweede wordt
ook in 'open' burgerlijke maatschappijen niet zozeer de prestatie als
zodanig gewaardeerd en beloond, maar veeleer de beschikking over
onderwijstitels.[23] Ten slotte zijn de prestatiecriteria die in een bepaalde maatschappij worden gehanteerd om het individuele succes of falen in het arbeids- of schoolsysteem te beoordelen natuurlijk zelf door en door cultureel gewaardeerd en dus allesbehalve objectief of
neutraal [Bader/Benschop 1988: 236].
Prestatiestandaarden en
beloningen die daarvan zijn afgeleid, kunnen een eerdere allocatie van
beloningen en kansen die gebaseerd zijn op 'ascription' verbergen en
legitimeren. Het onderscheid tussen ascription en achievement kan
gebruikt worden om de feitelijke mechanismen verduisteren die leiden
tot differentiële beloning en plaatstoewijzing.
Prestatiestandaarden ('selectie naar prestatiecompetentie' en 'beloning
naar prestatie') functioneren in werkelijkheid vaak (1) als versluiering
van de ongelijke kansen om competenties te verwerven en (2)
legitimatielegende voor extra beloningen, dus als meritocratische
ideologische bron van geprivilegieerde klassen, elites en professionele
groepen.[24] - Het onderscheid tussen ascription en achievement kan
suggereren dat er slechts twee gronden zijn waarop de toegang tot
posities wordt gereguleerd: (1) op grond van toegeschreven culturele
identiteiten (die vaak natuurlijke of biologische kenmerke als
referentiepunt nemen) of (2) op grond van het criterium hoe goed of
slecht individuen iets doen. Beide elementen zijn cultureel
gewaardeerde attributen. Wanneer het onderscheid op deze wijze
wordt gehanteerd, gaat men voorbaat aan het feit dat individuen of
groepen hun differentiële voordelen eenvoudig kunnen verworden
op grond van wat zij hebben, hun bezittingen, hun bronnen en andere
faciliteiten. Toegang tot levenskansen ('de goede dingen van het leven')
is mogelijk of kan worden afgesloten op grond van cultureel
gewaardeerde (en gestandaardiseerde) status of identiteit, op grond
van geërfd eigendom en op grond van prestatie of
verdienste.[25]
5.4 Structurering van uitsluitingscriteria
De reeks voorbeelden van mogelijke uitsluitingscriteria die Weber geeft
zou overzichtelijker gemaakt kunnen worden door een aantal
hoofdtypen van uitsluitingscriteria te onderscheiden op grond van de
aard van de kenmerken resp. verschillen waarbij sociale
sluitingsprocessen aanknopen. De diversiteit van sluitingscriteria kan in
overzichtelijker worden gemaakt wanneer zij worden ingedeeld naar de
volgende twee gezichtspunten: (1) gaat het om strikt individuele en
verworven prestatiekwalificaties of om ascriptieve eigenschappen of
kenmerken; (2) gaat het bij de ascriptieve kenmerken om verschillen die
aanknopen bij biologisch-fysiologische of fenotypische eigenschappen
van individuen of ok sociaal-historische eigenschappen [Bader/Benschop
[1988:234]. Hieruit vloeit een indeling in drie hoofdtypen van sociale
sluitingscriteria voort.- Biologisch-fysiologische of
fenotypische ascriptieve kenmerken. Het eerste type bestaat uit
ascriptieve criteria die aanknopen bij biologisch-fysiologische of
uiterlijk-fenotypische kenmerken van individuen. Deze sociaal
gedefinieerde, feitelijke of imaginaire kenmerken of eigenschappen van
individuen refereren aan een hele reeks momenten die behoren tot de
'natuurlijke erfenis' van mensen: natuurlijke verwantschap of
afstamming, geslacht ('sex' en niet 'gender'), leeftijd, fenotypische
verschillen zoals huidskleur, haarvorm, neusvorm en beenderenstructuur
(en niet 'ras'), fysieke kracht, aangeboren of erfelijke afwijkingen
(handicaps, invaliditeit enz.). Voor het onderzoek naar sociale
ongelijkheden zijn deze natuurlijke, biologische of aangeboren
verschillen tussen individuen als zodanig relevant. Het gaat dus niet om
verschillen in huidskleur, geslacht lichaamskracht of lengte, en ook niet
om mogelijke verschillen in aangeboren driftsterkte, temperament of
andere feitelijke of vermeende erfelijke of aangeboren eigenschappen.
In de analyse van sociale sluitingsprocessen zijn dergelijk
biologisch-fysiologische en fenotypische verschillen slechts relevant
voorzover uitsluitingspraktijken bij deze verschillen aanknopen en ze
cultiveren of verdiepen. Het gaat dus telkens om sociaal gedefinieerde
biologische, fysiologische of fenotypische kenmerken. De
maatschappelijke effectiviteit van deze criteria is relatief onafhankelijk
van de vraag of het werkelijke, feitelijke kenmerken gaat, dan wel om
vermeende, fictieve of imaginaire (en in die zin letterlijk:
toegeschreven) kenmerken. Zo is 'ras' zeker geen biologische categorie
maar een maatschappelijke constructie: het waanidee dat er
'natuurlijke' rassen bestaan die zich van elkaar onderscheiden in
prestatievermogen, intelligentie e.d. is een constructie van de
racistische ideologie.[26]
- Sociaal-historische ascriptieve
eigenschappen. Deze ascriptieve uitsluitingscriteria knopen aan bij
verschillen in sociale en historische eigenschappen van individuen en
groepen die zonder specifieke individuele prestatie zijn verworven.
Deze 'sociale erfenis' komt tot uiting in het feit dat mensen min of meer
automatisch behoren bij een reeks gemeenschappen en instituties en
hier in meer of minder sterke mate gedwongen lid van zijn. Individuen
kunnen worden uitgesloten omdat zij behoren tot een territoriale of
geografische gemeenschap (buurschap, dorpen, stadsdelen, regio's,
werelddelen), een taalgemeenschap (Vlamingen en Walen in
België), een religieuze of geloofsgemeenschap (anti-semitisme;
katholieken en protestanten in Noord-Ierland), een culturele, nationale
of historische gemeenschap of tot een bepaalde klassegemeenschap. Zij
kunnen bovendien worden uitgesloten op grond van het vrijwillige of
gedwongen lidmaatschap van specifieke instituties of organisaties
waarvan het lidmaatschap geen resultaat is van specifieke individuele
prestaties: hiërocratische (kerk, sekte), politieke (vakbond,
politieke partij) of staatspolitieke (staatsburgerschap).
- Individueel verworven prestatiekwalificaties en prestaties. De derde categorie uitsluitingscriteria knoopt aan bij verschillen in strikt
individueel verworven/geleerde prestatiekwalificaties en feitelijk
individueel geleverde prestaties. Deze persoonlijke prestatiekwalificaties zijn niet erfelijk (overdraagbaar) en in principe universalistisch (voor iedereen toegankelijk). Hierbij gaat het niet alleen om de strikt individuele arbeidskwalificaties en prestaties (zoals eigendom op basis van eigen arbeid) en leerprestaties (zoals diploma's op basis van eigen leervermogen), maar ook om strikt individueel verbonden levensstijlen en gedragswijzen, (zoals seksuele, culturele politieke of religieuze enz. prestaties en gedragswijzen).
5.5 Uitsluitingscriteria, sluitingspraktijken en legitimatiepratronen
Hoewel het er in eerste instantie niet veel toe doet op grond van welke
(combinatie van) kenmerken individuen of groepen worden uitgesloten,
worden de uitsluitingscriteria nooit op geheel willekeurige wijze uit de
lucht geplukt. Voor de algemene aanduiding van sociale processen is het
enerzijds van belang dat er op voorhand geen bepaalde kenmerken zijn
die niet als uitsluitingscriteria in aanmerking zouden kunnen komen
-- of historisch waren. Anderzijds is het natuurlijk van groot
belang te onderzoeken welke verschillen door wie worden
waargenomen, hoe zij positief of negatief worden gewaardeerd en
-- bewust of onbewust als uitsluitingscriteria worden
gehanteerd.
Volgens Parkin is Weber op dit cruciale punt "extreem misleidend". In
alle bekende gevallen waarin raciale, religieuze, taal of seksuele
kenmerken voor sluitingsdoeleinden werden benut, is volgens Parkin de
betreffende groep al "at some time" als legaal inferieur gedefinieerd
door de staat. Aan etnisch discriminatie gaat meestal territoriale
verovering vooraf of gedwongen emigratie van de bevolking, waardoor
een subcategorie van tweederangsburgers binnen de natie-staat werd
gecreëerd. "De groepen die worden uitgezonderd voor uitsluiting
door de arbeidersbeweging van de cultureel dominante groep zijn
daarom degenen die al lijden aan de ongemakken van de marginale
politieke status en wier eigen organisatie en defensie-capaciteiten
aanzienlijk zijn verminderd" [Parkin 1979:95]; vgl ook Parkin 1982:102].
Dit geldt ook voor discriminatie van vrouwen: hun kwetsbaarheid voor
de uitsluitingspraktijken door mannen is in belangrijke mate toe te
schrijven aan het feit dat zij door de staat zelf systematisch behandeld
worden als politiek en legaal inferieure categorie.
Parkin bewijst
hiermee echter niet wat hij wil bewijzen. Actuele
uitsluitingsstrategieën knopen o.a. aan bij reeds bestaande
statelijke, politieke en juridische discriminaties (die hierdoor aanzienlijk
worden versterkt en gestabiliseerd). Maar ook het omgekeerde vind
plaats: staatspolitieke en juridische discriminaties worden structureel
en historisch vaak voorafgegaan door sociale en economische
discriminaties. Wanneer men inzicht wil krijgen in de structurele en
historisch grondslagen waardoor bepaalde groepskenmerken als
aanleiding worden genomen voor sociale uitsluitings- en
discriminatieprocessen, komt men niet veel verder door telkens weer te
verwijzen naar de 'al bestaande' discriminaties in staatsrecht e.d.
Weber wijst er regelmatig op dat de criteria van uitsluiting in de
empirisch-historische praktijken van uitbuiting, onderdrukking en
discriminatie zelden 'zuiver' zijn geïnstitutionaliseerd. In
afzonderlijke sluitingsprocessen is er meestal sprake van elkaar
historisch overlappende clusters van - al dan niet ascriptieve
- criteria van uitsluiting. In werkelijkheid worden groepen daarom
meestal gediscrimineerd op basis van een combinatie van meerdere
criteria. Dit syndroomkarakter van ascriptieve sluiting kan het beste
worden benaderd met een sterk desaggregerende benadering. Het
voordeel van een meer desaggegrerende onderzoeksstrategie is dat
hierdoor de empirisch-historisch combinaties van uitsluitingscriteria
transparant gemaakt kunnen worden. Bovendien wordt men hierdoor
beter zicht op de verschuivingen die zich voordoen in de
dominantieverhouding tussen primaire en secundaire criteria.
Vooral
uit zijn behandeling van etnische gemeenschappen [WG 234 e.v.] blijkt
dat Weber zich ook bewust is van het feit dat er tussen de criteria van
uitsluiting, de feitelijke uitsluitingspraktijken en de verschillende
legitimatie-legendes en ideologieën wel verbonden bestaan, maar
dat deze niet altijd rechtstreeks en eenduidig zijn.[27] Racistische
praktijken worden bijvoorbeeld lang niet altijd door specifiek
racistische ('biologistische') legitimatielegendes gerechtvaardigd.
Racistische uitbuitings-, onderdrukkings- en discriminatiepraktijken
kunnen even goed - en waarschijnlijk minstens even effectief -
worden gelegitimeerd door culturalistische of neo-nationalistische
ideologieën: dus niet meer het oude thema van 'het van nature
inferieure tegen het superieure ras', maar omwille van 'de bescherming
van ons culturele erfgoed', of het 'wij Nederlanders versus zij
buitenlanders, vreemden' enz. [vgl. § 8.2 voor etniciteit].
Voor
een verder uitwerking van het sociale sluitingsthema is het van belang
de samenhang te onderzoeken tussen de uitsluitingscriteria, de
uitsluitingspraktijken en de typische legitimatie-ideologieën. In
empirisch-historisch onderzoek moet telkens worden nagegaan (1)
onder welke maatschappelijke voorwaarden welke kenmerken en
verschillen door wie worden waargenomen en gecultiveerd, (2) op welke
manier deze kenmerken en verschillen positief of negatief worden
gewaardeerd en waarom bepaalde rivaliserende
waarderingshiërarchiën maatschappelijk dominant worden,
(3) hoe zij bewust of onbewust als criteria van sociale sluiting worden
gehanteerd, en (4) hoe deze uitsluiting wordt gelegitimeerd. Ter
stimulering van de fantasie: schema 9 van Bader/Benschop
[1988:235].
6 Gesloten sociale verhoudingen
6.1 Openheid en geslotenheid van sociale verhoudingen
Monopolisering van levenskansen door sociale sluiting heeft tot
algemeen resultaat dat er gesloten sociale verhoudingen ontstaan. Een
sociale verhouding is 'open' wanneer en voorzover de participatie van
iedereen die aan het wederzijdse sociale handelen deel kan en wil
nemen, niet ontkend wordt door haar geldende 'ordeningen'. Een sociale
verhouding is naar buiten toe gesloten wanneer en voorzover de
participatie van bepaalde personen is uitgesloten, beperkt of aan
voorwaarden is verbonden [WG 23]. De openheid of geslotenheid van
sociale verhoudingen of gemeenschappen kan op verschillende manieren
zijn bepaald:
- Gemeenschappen waarbij het lidmaatschap
gebaseerd is op familiebetrekkingen zijn meestal traditioneel gesloten
[WG 24].
- Persoonlijke of gevoelsbetrekkingen zijn meestal
affectief gesloten, zoals bij erotische relaties of relaties die op
persoonlijke loyaliteit, op piëteit berusten [WG 214].
- Strikte geloofsgemeenschappen zijn meestal - relatief -
waarderationeel gesloten [vgl. PE I].
- Economische organisaties
met een monopolistisch of plutocratisch karakter zijn typisch
doelrationeel gesloten gemeenschappen [WG 24].
Wanneer een
sociale verhouding voor de deelnemers kansen opent op bevrediging van
innerlijke of uiterlijke belangen vindt in de regel een rationele sluiting
plaats. Zij hebben belang bij sluiting naar buiten wanneer de deelnemers
van de monopolisering een verbetering van de eigen kansen verwachten;
wanneer de deelnemers van het propageren van de sociale verhouding
een verbetering van de eigen levenskansen verwachten hebben zij juist
belang bij openheid [WG 23]. In werkelijkheid zien we vaak een
'afwisseling tussen propageren en sluiting'. Middeleeuwse gilden en
democratische steden in de Oudheid streefden in bepaalde perioden naar
uitbreiding van het aantal leden in het belang van de veiligheid van hun
machtspositie; in andere perioden streefden zij echter naar beperking
van het lidmaatschap omdat zij er belang bij hadden de waarde van hun
monopolistische positie te handhaven. Hetzelfde verschijnsel kunnen we
waarnemen bij monnikenordes en religieuze sekten, die in het belang
van het hooghouden van de ethische standaard of van de bescherming
van materiële belangen overschakelden van religieuze propaganda
naar afsluiting. Op de economische markt staat uitbreiding in het belang
van omzetvergroting op soortgelijke wijze naast monopolistische
beperking van de markt. En tegenover de standsmatig gesloten
geheimtaal van vroeger staat tegenwoordig de taalpropaganda als
normaal gevolg van de belangen van uitgevers en schrijvers [WG
24].
6.2 Sluiting naar buiten
Sociale verhoudingen kunnen in
meer of minder sterke mate naar buiten toe gesloten zijn. Niet alleen de
mate van sluiting naar buiten is zeer variabel, ook de overgangen van
openheid naar gereguleerdheid en geslotenheid zijn vloeiend [WG
24].
a) Soms worden er aan het participeren in een sociale relatie of
gemeenschap voorwaarden gesteld waaraan relatief gemakkelijk kan
worden voldaan. Zo kan men bijvoorbeeld tot de positief
geprivilegieerde groep van een bepaald kerkgenootschap (toegang tot
'heilsgoederen') behoren door op de juiste plaatsen en momenten simpel
ritueel gedrag te demonstreren, zoals knielen. Aan tal van andere
gemeenschappen kan men deelnemen door te voldoen aan
contributieverplichtingen (zoals bij partijen en vakbonden) of relatief
lage entree-gelden te betalen (zoals een kaartje voor een
voetbalwedstrijd of een concert). Van al deze sociale gemeenschappen
kan men 'lid' worden door te voldoen aan geldelijke of
handelingsvoorwaarden die in principe voor iedereen te realiseren zijn.
We stuiten hier op de ondergrens van het sociale
ongelijkheidsvraagstuk. De ongelijke verdeling van levenskansen begint
immers aan gene zijde van de min of meer toevallige, incidentele
vormen van sociale ongelijkheid.
b) De toelatingsprestaties en/of
geldelijke voorwaarden voor bepaalde levenskansen kunnen ook zeer
exclusief zijn, zoals zeer langdurige proefperiodes (noviciaten), moeilijk
toegankelijke en uitgebreide opleidingen, hoge contributies voor deftige
clubs, zware ballotage-eisen.
c) Sommige gemeenschappen of
sociale betrekkingen zijn alleen open voor mensen die door geboorte
aan bepaalde voorwaarden voldoen. De betreffende levenskansen zijn
hierbij gesloten voor degenen die niet beschikken over specifieke
aangeboren of overerfde kenmerken en eigenschappen: van adel zijn,
man of vrouw zijn, door erving beschikken over grote kapitaalmassa's
enz.
Er bestaat dus een brede variëteit van verschillende
graden van sluiting en van condities van participatie. De mate waarin en
de wijze waarop de toegang tot levenskansen is gereguleerd of
gesloten is gedeeltelijk afhankelijk van de criteria op grond waarvan
uitsluiting van potentiële of actuele mededingers plaatsvindt,
deels ook van de aard van de betreffende levenskans zelf.
6.3 Sluiting naar binnen
Een sociale verhouding of gemeenschap kan
ook naar binnen toe worden gesloten. De 'sluiting naar binnen' heeft
betrekking of de deelnemers of leden zelf, d.w.z. op de onderlinge
relaties tussen de deelnemers aan een gesloten sociale verhouding.
Sluiting naar binnen kan eveneens zeer uiteenlopende vormen
aannemen. a) De sluiting naar binnen kan op vrijwillige basis plaats
vinden. De deelnemers/leden kunnen zich daarbij op elk moment naar
vrije keuze aan de gesloten sociale betrekking onttrekken, zoals bij de
meeste voetbalverenigingen, partijen, vakbonden en kerken.
b) De
sluiting naar binnen kan ook op een bepaalde wijze zijn gereguleerd. In
dat geval kunnen de leden slechts onder bepaalde voorwaarden de
gesloten gemeenschap verlaten. Uittreding kan hierbij bijvoorbeeld
verbonden worden aan een tijdsvoorwaarde of aan materiële of
symbolische sancties (geldboete. zware morele denunciatie, lichamelijke
bedreiging).
c) De sluiting naar binnen kan ook een zodanige vorm
aannemen dat de betrokken individuen of groepen zich hieraan niet
duurzaam of volledig kunnen onttrekken. Zo kan een specifieke
geboortekaste bijvoorbeeld alleen imaginair worden verlaten (via geloof
in reïncarnatie); en hoewel het proletarisch bestaan in
kapitalistische maatschappijen strikt genomen geen 'geboorterecht' is,
zijn alleen uitzonderingen in staat de fundamentele klassegrens te
overbruggen [WG 202].6.4 Stadia van appropriatie
Een naar
buiten toe gesloten gemeenschap kan op verschillende manieren omgaan
met de kansen die door deze gemeenschap zijn gemonopoliseerd. De
meer of minder definitieve interne sluiting van een gemeenschap noemt
Weber de stadia van appropriatie van de door een gemeenschap
gemonopoliseerde sociale en economische kansen [WG 202]. De
toegeëigende kansen kunnen binnen de kring van monopolistisch
geprivilegieerden geheel open blijven (zodat zij hierom onderling vrij
kunnen concurreren) of zij kunnen op verschillende manieren ook naar
binnen toe worden gesloten.
a) Een naar buiten toe gesloten klasse,
kaste, gilde of vereniging kan al haar leden toestaan onderling vrij te
concurreren om alle gemonopoliseerde kansen. Dit geldt in sterke mate
voor de wijze waarop kapitalistische ondernemers onderling
concurreren om een aandeel in de totale meerwaarde. Maar het geldt
ook voor bijvoorbeeld staatsdragende politieke partijen, waarvan de
leiders concurreren om de door hun partijen gemonopoliseerde
ambtelijke posities.
b) Een gemeenschap van positief
geprivilegieerde kan haar leden ook strikt vastleggen op bepaalde
toegeëigende kansen, bijvoorbeeld op een bepaalde klantenkring,
op bepaalde handelswaren of op bepaald ambten (zoals bij de oude
dienstadel en militaire adel). Het beperkte recht op eigen arbeidsplaats
wordt gereguleerd via verbond op ontslag zonder toestemming van de
vertegenwoordigers van de arbeiders ('closed shop'). Een lid van de
mannengemeenschap heeft in het algemeen een recht op de door deze
gemeenschap gemonopoliseerde kansen; maar het huwelijksrecht biedt
de afzonderlijke man slechts een geprivilegieerde toegang tot 'zijn
vrouw' -- bij overtreding van dit specifieke recht hanteert de
mannengemeenschap sancties ter bescherming van de algemene privileges [WG 24].
De interne sluiting kan op verschillende manieren worden gereguleerd. Zij kan plaats vinden (1) op toerbeurt: volgens bepaalde roulatieregels krijgt elk lid van de gemeenschap tijdelijk het recht op de toegeëigende privileges[28]; (2) tot opzegging: bepaalde kansen worden aan een lid toegekend totdat dit wordt herroepen (bijvoorbeeld individuele beschikking over akkers in een strak
georganiseerde agrarische gemeenschap; (3) levenslang: monopolies op
bepaalde ambten worden onherroepbaar voor het leven toegekend; (4)
definitieve overdracht aan een individu en zijn/haar erfgenaam (+
overdrachtsrecht aan groepsleden); (5) gedeeltelijk, zodat slechts het
aantal kansen gesloten wordt.
c) Het hoogste stadium van interne
sluiting wordt bereikt wanneer de appropriatie door individuen of
subgroepen op permanente basis ('levenslang') en niet vervreemdbaar
(als 'recht') wordt geïnstitutionaliseerd (bijvoorbeeld door leden
van specifieke communale of geassocieerde gemeenschappen zoals
huisgemeenschappen). De interne sluiting van kansen is hier
geapproprieerd.
7 Belangengemeenschappen
7.1 Belangengemeenschap, -associatie en legaal geprivilegieerde
groep
Ondanks hun voortdurende onderlinge concurrentie worden de
positief geprivilegieerde groepen naar buiten toe een 'gemeenschap van
belanghebbenden', een 'belangengemeenschap' [WG 201]. Hierdoor
ontstaat ook de tendens dat de belanghebbenden een bepaalde soort
'associatie' ontwikkelen met een rationele organisatie. Met behulp van
deze associatie kan een belangengemeenschap een legale orde vestigen
waarin de concurrentie door legale monopolies is beperkt. Het meest
effectieve middel van sluiting voor een geassocieerde belangengroep is
wanneer zij erin slaagt de legale actoren van geweld binnen een
politieke gemeenschap ervan te overtuigen de monopolistische claims
van de groep te erkennen en te bekrachtigen. Wanneer een
belangengroep erin geslaagd is een legale ordening tot stand te brengen
welke formele monopolies creëert en deze -- eventueel met
geweld -- beschermt, dan heeft zij zich ontwikkeld tot een
rechtsgemeenschap (legaal geprivilegieerde groep) en zijn de leden
rechtsgenoten geworden [WG 201].
Weber ziet af van "elke
systematische classificatie van soorten gemeenschappen" en gaat ook
niet in op de relatie van de economie met de afzonderlijke
cultuurinhouden. Hij behandelt wel een paar "algemene structuurvormen
van menselijke gemeenschappen". Van een aantal "zeer universele
soorten gemeenschappen" (zoals huis-, buren-, seksuele, taal-, politieke
gemeenschappen) geeft hij een algemene karakterisering; in zijn
uiteenzetting over heerschappij gaat hij nader in op de
ontwikkelingsvormen van deze gemeenschappen [WG 212].
Weber begint zijn verhandeling met "de meest oorspronkelijke van
de naar buiten toe gesloten gemeenschappen" [WG 218], de
huisgemeenschap. De huisgemeenschap is de meest universeel
verspreide economische verzorgingsgemeenschap welke de grondslag
vormt van interne -- strikt persoonlijke -- loyaliteit en
autoriteit, en naar buiten gerichte solidariteit. Vervolgens geeft hij een
algemene karakterisering van naar buiten toe gesloten gemeenschappen
die steeds minder 'natuurlijk' of 'oorspronkelijk' zijn. De
burengemeenschap als "permanente of ephemere belangengemeenschap
welke is afgeleid van ruimtelijke nabijheid" en de grondslag vormt voor
wederzijdse hulp [WG 215]. Dan de seksuele gemeenschap die het
'huiscommunisme' intern verzwakt door de ontwikkeling van exclusieve
seksuele aanspraken van mannen over vrouwen; van de sociale relaties
die op basis van het geslachtsverkeer tussen volwassenen ontstaan is
alleen die tussen moeder en kind 'oorspronkelijk' en 'natuurlijk' omdat
het een verzorgingsgemeenschap is; de relatie tussen vader en kinderen
is los van de economische verzorgingsgemeenschap volledig labiel en
problematisch [WG 212]. Dan achtereenvolgens de
verwantschapsgemeenschap, de etnische, religieuze en
taalgemeenschap en tenslotte de rechts- en politieke gemeenschap
(stam, volk, natie).
7.2 Etnisch-culturele gemeenschappen
Etniciteit speelt een belangrijke rol in de analyses van het oude en
moderne racisme. De discussie over etniciteit bevat echter zoveel
obscure elementen dat het verstandig is hieraan niet voorbij te gaan.
Veel van de huidige ideeën over de aard van de etniciteit zijn aan
het werk van Weber ontleend [Hechter 1977, Neuwirth 1969]. In zijn
analyse van sociale ongelijkheid en het ontstaan van politieke
handelingscollectieven behandelt Weber etniciteit niet als een
irrationeel en primordiaal 'gegeven'; etnische identiteit is voor hem een
sociale constructie. Raciale identiteit ('Rassenzugehörigkeit')
beschouwt hij als een problematische bron voor gemeenschapshandelen.
Het bestaan van gemeenschappelijke geërfde en erfelijke
kenmerken die werkelijk berusten op afstamming leiden nooit op zich of
zonder meer tot gemeenschapsvorming. Zijn benadering van etnische
identiteit omvat de volgende vier elementen:- Mensen moeten
subjectief geloof hechten aan hun gemeenschappelijke oorsprong of
afstamming.
- Dit geloof kan gebaseerd zijn op (1) fysieke of
fenotypische overeenkomsten, (2) gedeelde gewoontes, culturele
tradities en culturen of op (3) gemeenschappelijke herinneringen aan
kolonisatie en migratie.
- De identiteit moet relevant zijn voor
het propageren van groepsformatie en voor het ontstaan van 'etnische
grenzen' [vgl. F. Barth 1969].
- De vraag of er sprake is van
objectieve (bloeds)verwantschap is niet relevant.
Al deze elementen moeten volgens Weber afzonderlijke en gedetailleerd worden
onderzocht. Hij is er bijna zeker van dat dan het containerbegrip
'etnisch' over boord geworpen zal worden, want het is "een
verzamelnaam welke voor elk werkelijk exact onderzoek geheel
onbruikbaar is" [WG 242]. Bij exacte sociologische begripsvorming
vervluchtigt het begrip etnische gemeenschap. Omdat hij echter geen
sociologie omwille van de sociologie wil bedrijven, laat hij zien welke
zeer vertakte problemen schuil gaan achter dit schijnbaar eenduidige
verschijnsel.
- De gemeenschappelijk geërfde of erfelijke
kenmerken moeten subjectief worden ervaren. Dat gebeurt volgens
Weber slechts onder twee condities. Ten eerste wanneer de lokale
nabijheid of verbondenheid van raciaal verschillende personen
gerelateerd is aan een gemeenschappelijk (meestal politiek) handelen.
Of omgekeerd, wanneer bepaalde gemeenschappelijke ervaringen van
de leden van eenzelfde 'ras' verbonden zijn met een tegengesteldheid
ten opzichte van leden van opvallend verschillende, anderssoortige
groep [WG 234].
- Etnische identiteit is een specifieke vorm van
collectieve identiteit, beter gezegd: het is een conglomeraat van diverse
sociale identiteiten. Etnische identiteit onderscheidt zich van andere
sociale identiteiten door de overtuiging dat men een
gemeenschappelijke afstamming, geschiedenis en culturele erfenis
heeft.[29] Etnische identiteit kan zich kristalliseren rond zeer
uiteenlopende, soms uitermate triviale fysiek uiterlijke, traditionele of
culturele verschillen. Het kan gaan om esthetisch opvallende verschillen
in fysieke uiterlijkheden (zoals huids- en haarkleur, gelaatstrekken),
verschillen in habitus en alledaagse levenswijze (zoals
geconventionaliseerde baard- en haardracht, kleding, eetgewoontes,
gebruikelijke arbeidsdeling tussen de geslachten), verschillen in
culturele erfenis (zoals taal, religie, rituele reglementering van het
leven) en om verschillen in historische erfenissen (zoals herinneringen
aan koloniale of racistische onderdrukking, of aan gedwongen emigratie). De tendens tot monopolistische afsluiting kan bij de kleinste uiterlijke verschillen aanknopen die vervolgens worden gecultiveerd en verdiept.
- Etnische identiteit leidt vaak tot de formatie van sociale groepen of kringen die door etnische grenzen van elkaar zijn gescheiden [WG 238]. Het collectieve handelen dat uit de etnische identiteit voortvloeit is meestal louter negatief. Degenen die zo opvallend 'anders' zijn, worden geïsoleerd en veracht, of omgekeerd: zij worden met bijgelovige schuwheid benaderd [WG 234]. De gecultiveerde verschillen krijgen een 'etnisch' afstotend effect omdat ze worden opgevat als
symbolen van etnische identiteit. Deze symbolen gaan een rol spelen in
"de overtuiging van voortreffelijkheid van de eigen en de
minderwaardigheid van vreemde zeden, waardoor de 'etnische eer'
wordt gevoed" [WG 239; vgl. Elias over groepscharisma]. Dit gevoel van
'etnische waardigheid' is -- analoog aan de 'standseer' -- de
specifieke eer van de massa, omdat ze toegankelijk is voor iedereen die
behoort tot de subjectief gedefinieerde afstammingsgemeenschap. De
'etnische afstoting' vloeit voort uit het feit dat de etnisch
gedifferentieerde groepen elkaars verschillende gewoontes niet
begrijpen; de subjectieve betekenis van deze gewoontes kan niet
worden begrepen omdat hiervoor de culturele sleutel ontbreekt [WG
236].
- Voor het ontstaan van etnische groepen is de vraag of en in
welke mate er objectief sprake is van bloedsverwantschap strikt
genomen volledig irrelevant [WG 237]. Voor de vorming van etnische
identiteiten zijn fenotypische 'raskwaliteiten' in het algemeen slechts
als grens van belang, wanneer er al te heterogene, esthetisch niet
geaccepteerde uiterlijke antropologische factoren zijn: het zijn geen
gemeenschapsvormende factoren [WG 239].
Waarom ontstaan er
culturele verschillen tussen groepen en hoe kunnen deze blijven
voortbestaan wanneer die groepen in permanent contact met elkaar
staan? Culturele verschillen ontstaan volgens Weber vooral omdat
mensen zich moeten aanpassen aan heterogene economische en
politieke bestaansvoorwaarden [WG 239]. Zijn analyse van processen die
tot culturele arbeidsdeling leiden blijft echter vooral geconcentreerd op
het verschijnsel van monopolistische sluiting [WG 201 e.v.]. Zoals we
eerder hebben gezien worden immers juist door het proces van sociale
sluiting de werkelijk bestaande, 'horizontaal' naast elkaar bestaande
verschillen getransformeerd in 'verticaal' boven elkaar gestelde
hiërarchieën: "het horizontale en onverbonden naast elkaar
bestaan van etnisch verschillende groepen" wordt veranderd in "een
verticaal systeem van boven- en onderschikking" [WG 536]. De scherpe
sociale grenzen ontstaan door bewuste monopolistische afsluiting
"welke aansloot bij kleine verschillen en deze vervolgens opzettelijk
cultiveerde en verdiepte" [WG 236].
7.3 Professionele
gemeenschap
De monopolisering van economische en sociale kansen
neemt volgens Weber een specifieke vorm aan wanneer zich groepen
formeren van personen die specifieke kwaliteiten gemeen hebben welke
door opvoeding, onderwijs en training verworven kunnen worden. Deze
kwaliteiten kunnen variëren van bepaalde soorten economische
kwalificaties, het bezetten van gelijke of gelijksoortige ambten, tot het
erop nahouden van een specifieke levenswijze. Wanneer deze personen
zich organiseren neemt dit volgens Weber meestal de vorm aan van een
'gilde' [WG 202]. Degenen die volledig lid zijn van zo'n associatie maken
een 'beroep' van het monopoliseren van beschikkingsmacht over
spirituele, intellectuele, sociale en economische goederen,
verantwoordelijkheden en posities.
Weber heeft een belangrijke
voorzet gegeven voor de latere theorievorming over professionalisering.
Professionalisering kan immers worden opgevat als een specifieke vorm
van sociale sluiting: het is een strategie van beroepsgenoten die
proberen beloningen te maximeren door het beperken van de toegang
tot dit beroep en de daarmee verbonden specifieke economische en
sociale kansen. Professionalisering is altijd gericht op het creëren
van een specifieke schaarste. Dat is in principe mogelijk door het
verkleinen van het aanbod (reductie van beschikbaarheid van een
specifieke 'waar' of 'dienst') of het vergroten van de vraag (door
opwaardering van de specifieke kwaliteit van de aangeboden waren of
diensten [Bestaut 1975:52].
Professionalisering is een specifieke
sluitingsstrategie welke mijns inzien altijd de volgende elementen
impliceert:
- Beperking van toegang tot het beroep door
controle over educatie, training en kwalificatie: 'sluiting naar buiten'
door exclusieve recrutering.
- Beperking van het gedrag van
professionals door controle over gedragscodes: 'sluiting naar binnen'
door controle over gedrag van ingeslotenen.
- Regulatie van
aanbod van diensten op de markt door het scheppen van feitelijke
monopolies.
- Bekrachtiging of garantie van sociale sluiting door
het verwerven van steun en erkenning van de overheid: legale
monopolies.
7.3.1 Sluiting naar buiten door exclusieve recrutering
Professionalisering betekent beperking van het
lidmaatschap van de beroepsgroep. Weber wijst er op dat het
uitoefenen van deze beroepen alleen is toegestaan voor degenen die (a)
een leer- of oefenperiode ('noviciaat') hebben voltooid om de juiste
training te verwerven, en (b) hun kwalificatie hebben bewezen door het
afleggen van examens waardoor zij in het bezit komen van diploma's en
andere educationele certificaten. Soms gelden hierbij nog langere
wachttijden of moet aan aanvullende vereisten worden voldaan. Dit
typische patroon zien we zowel bij studentencorpora en ridderordes, als
bij ambachtelijke gilden en de moderne ambtenaren en
employés.
In al deze gevallen speelt volgens Weber 'het
belang bij het veiligstellen van een goede prestatie' een zekere rol.
Hoewel hun onderlinge concurrentie niet ophoudt, hebben zij toch een
ideëel of materieel gemeenschappelijk belang bij het veiligstellen
van een hoge kwaliteit van de prestaties. Zo hebben bijvoorbeeld
gemeenschappen van asceten belang bij hoogwaardige prestaties omdat
de goden en demonen hun toorn over valse manipulaties tegen alle leden
kunnen richten. In bijna alle primitieve stammen werden daarom
personen die vals zongen tijdens een rituele dans gestraft. De
ministeriales en ridderordes hebben belang bij goede prestaties
vanwege hun professionele reputatie, maar ook direct voor hun militaire
veiligheid. Zoals lokale ambachtslieden goede prestaties wensen om de
goede naam van hun waren hoog te houden, zo schermen medische en
psychotherapeutische specialisten zich af van 'kwakzalvers', 'charlatans'
en 'beunhazen' om de kwaliteit en betrouwbaarheid van hun diensten te
bewaken.
Achter deze zorg voor goede prestaties gaat echter
meestal het belang schuil dat gevestigde professionals hebben bij de
beperking van het aanbod van kandidaten voor de voordelen en eer van
een bepaald beroep. "De noviciaten, wachttijden, meesterstukken en
andere eisen É zijn vaker economische dan professionele
kwalificatietesten" [WG 203]. Weber wijst er daarbij op dat het
toenemende gebruik van certificaten en diploma's een middel zijn om
specifieke professionele belangen veilig te stellen. De roep om
educationele certificaten is gericht op het vormen van "een
geprivilegieerde laag in bureaus en kantoren" [WG 577].
7.3.2 Sluiting naar binnen door gedragscontrole van ingeslotenen
Naar binnen toe impliceert professionalisering zowel het verenigen van
de leden van de beroepsgroep, het elimineren of reguleren van interne
competitie en het ontwikkelingen van een bepaalde groepssolidariteit.
De coördinatie van het handelen van de leden van een
beroepsgroep veronderstelt een besef van gemeenschappelijke
belangen, het ontstaan van een specifieke groepssolidariteit en de
ontwikkeling van een systeem van gedragscontrole (beroepscodes en
ethieken). De beperking of regulatie van de onderlinge concurrentie is
bijvoorbeeld mogelijk door het verbieden van prijsconcurrentie (middels
prijsafspraken), waardoor de beroepsgroep tegelijkertijd in staat
gesteld wordt om prijzen (beloningen) te bedingen die boven de
theoretische competitieve marktwaarde van hun diensten ligt. De strikte
beperkingen van prijsconcurrentie en competitie om patiënten bij
de medische professionals zijn hiervan het meest sprekende moderne
voorbeeld.
7.3.3 Creëren van feitelijke monopolies door
regulatie van aanbod
Door het aanbod gericht te beperken of strak
te reguleren is het mogelijk om op uiteenlopende markten feitelijke
monopolies te creëren. Daarbij ondersteunt het bezit van
onderwijscertificaten, licenties e.d. de aanspraak op tal van specifieke
privileges en voordelen. Weber geeft hiervan een aantal voorbeelden: (1)
het huwen met notabele families (want ook op moderne kantoren werd
hierdoor de kans op de hand van de dochter van de chef groter); (2) het
toegelaten worden tot kringen die een bepaalde erencode aanhangen;
(3) het respectabel ('naar stand') beloond worden in plaats van beloning
naar prestatie.
De achtergrond voor het invoeren van reguliere
curricula en van speciale examens is dan ook niet zozeer een plotseling
opkomende drang naar onderwijs, maar "het streven naar beperking van
het aanbod voor deze posities en hun monopolisering door de bezitters
van onderwijscertificaten" [WG 577].
7.3.4 Het legaliseren vanfeitelijke monopolies
Een professie is geen beroep, maar een middel om de eigen definitie van de beroepsactiviteiten aanvaard te krijgen
door relevante personen en groeperingen (afnemers, overheid,
consumenten). Een effectieve beheersing van een beroep wordt vooral
mogelijk gemaakt wanneer de geïmpliceerde sociale sluitingen
worden bekrachtigd of gegarandeerd door het verwerven van steun en
erkenning van de staat. Hierdoor wordt het feitelijke monopolie, de
daarin geïmpliceerde heerschappij als de daaraan verbonden
voordelen en privileges, gelegaliseerd en indien nodig met staatsgeweld
verdedigd.
8 Stabilisatie en garantie van sociale ongelijkheid
Ongelijke posities en allocatieve ongelijkheden kunnen een incidenteel,
voorbijgaand of instabiel karakter hebben, kan kunnen ook duurzaam en
stabiel. Voor het onderzoek van de feitelijke empirische verdeling van
levenskansen in een maatschappij is het van belang na te gaan op welke
wijze de primaire of initiële toeëigeningen en uitsluitingen
gestabiliseerd worden, d.w.z. regelmaat en duurzaamheid krijgen. De
vraag is dus: hoe wordt een ongelijke verdeling van
beschikkingsmachten en sociale uitsluitingen gestabiliseerd en
(bewust/gericht) gegarandeerd?
8.1 Mechanismen van
stabilisatie
Volgens Weber kan de stabiliteit van de feitelijke
verdeling van beschikkingsmachten niet alleen worden teruggevoerd tot
uiterlijk geweld en innerlijke overtuiging (d.w.z. legitimiteit). De
empirische stabiliteit van de feitelijke verdeling is niet alleen -- en
misschien niet in de eerste plaats -- afhankelijk van de
verschillende typen van hun sociale garantie. "Waardoor É deze
beschikking is gegarandeerdÉ, en of ze bijvoorbeeld uiterlijk helemaal
niet is gegarandeerdÉ is op zich begripsmatig irrelevant" [WG 34]. De
beschikkingsmacht kan immers louter berusten op "zede of
belangenpositie" [WG 34; vgl. WG 36]. Dergelijke opmerkingen refereren
direct aan de fundamentele begrippen en typologische onderscheidingen
van Weber's concept van sociaal handelen.
Zoals bekend zijn
Weber's ideaaltypen van sociaal handelen gebaseerd op een analytisch
onderscheid tussen vier handelingsoriëntaties: traditioneel,
affectief, doelrationeel en waarderationeel handelen. Deze indeling is
ook van belang voor de verklaring van het empirisch ontstaan en
bestaan van verschillende mechanismen van
handelingscoördinatie, welke tevens fungeren als mechanismen
van reproduktie en transformatie van sociale ongelijkheden. Het
probleem is echter dat Weber's uiteenzetting van de mechanismen van
handelingscoördinatie [WG 14 e.v.] een nogal opvallende --
maar weinig opgemerkte -- lacune bevat: het mechanisme van
handelingscoördinatie dat door affectieve
handelingsoriëntaties en expressieve handelingen wordt
geconstitueerd ontbreekt eenvoudig.[30] Als men deze lacune opvult door
de introductie van solidariteit als mechanisme van
handelingsoriëntatie dat door affectieve
handelingsoriëntaties en handelingen geconstitueerd wordt dan
kan Weber's benadering in het volgende schema worden
samengevat.
[schema]
De stabilisatie of reproduktie van sociale ongelijkheden kan
plaatsvinden op basis van gewoontes en zeden, solidariteit,
belangenpositie en legitimiteit.
- Gewoontes en zeden worden geconstitueerd door traditionele oriëntaties en handelingen. Sociale ongelijkheden worden gestabiliseerd door gewoontes en gebruiken wanneer de kans dat er wederzijdse respectering van beschikkingsmachten en sociale sluitingen plaats vind binnen een bepaalde kring louter gebaseerd is op de feitelijke praktijk; zij worden gestabiliseerd door zeden wanneer de feitelijke praktijk lagere tijd is 'ingeleefd'. Zeden berusten dus op langdurige gewenning. Zede is een regelmatig gedrag dat -- in tegenstelling tot conventies en recht -- niet georiënteerd is op uiterlijk gegarandeerde regels. Het zijn regels waaraan de actoren zich vrijwillig
houden, 'gedachtenloos', uit 'gemakzucht' of om welke reden dan ook. Zeden worden door niemand 'verlangt', hoewel de overgang naar geldende conventie en recht natuurlijk zeer vloeiend is.
- Solidariteit wordt geconstitueerd door gemeenschappelijke
affectieve oriëntaties en emotioneel gemotiveerd handelen.
- Belangenposities worden geconstitueerd door zuiver doelrationele
(beter: strategische) oriëntaties van "het handelen van individuen
op basis van gelijksoortige verwachtingen" [WG 15] van anderen en door
zuiver strategische handelingen. Veel regelmatigheden in het verloop
van sociaal handelen berusten niet op oriëntatie op een of andere
norm die als geldend wordt voorgesteld, maar op het feit dat de wijze
van sociaal handelen het beste overeenkomt met de -- subjectief
beoordeelde -- belangen [WG 15 e.v.].
Stabiliteit van een feitelijke verdeling van beschikkingsmachten
betekent dat men er op kan rekenen dat het 'bezit' van specifieke
objecten wederzijds wordt gerespecteerd, ongeacht de bestaande
conventionele of rechtsnormen [WG 192]. Voor Weber is het begripsmatig
secundair -- maar daarom maatschappelijk zeker niet minder
belangrijk! -- of en zo ja hoe feitelijke ongelijke verdeling van
beschikkingsmacht wordt gegarandeerd. Structurele ongelijkheden
kunnen echter niet bestaan zonder een minimum aan uiterlijke en ook
innerlijke garanties.
Sociaal handelen is altijd meervoudig
gemotiveerd en gecoördineerd, en de overgangen van zeden naar
solidariteit, belangenpositie (inclusief conventie en recht) en legitimatie
zijn vloeiend.
8.2 Uiterlijke garantie door conventie en recht
Sociale ongelijkheid kan uiterlijk worden gegarandeerd door
referentie aan 'geldende, regulerende ordeningen' of normensystemen,
d.w.z. door conventies of wetten. Van conventies is sprake wanneer
binnen een bepaalde kring mensen een zede als correct geldt en deze
wordt gewaarborgd doordat tegenover afwijkend gedrag een
afkeurende houding wordt aangenomen. Wanneer men bij overtreding
van geldende ordeningen stuit "op een betrekkelijk algemene en
praktisch voelbare afkeuring of minachting" dan hebben we met een
conventionele garantie te maken [WG 17]. Overtredingen van conventies
worden niet gestraft met juridische sancties, maar door (het dreigen
met) sociale sancties door leden van de eigen groep (negeren, openlijke
minachting, boycot). Arbeiders die niet solidair zijn tijdens stakingen
worden door hun collega's gestraft met minachting en afbreking van
vriendschappelijke betrekkingen; vrouwen die zich niet onderwerpen
aan de heersende conventies ten aanzien van de 'normale'
geslachtsspecifieke arbeidsdeling of het 'normale' patroon van
zedelijkheid worden uit het gezinsverband verstoten; kleurlingen die in
racistische maatschappijen met overgave de hielen van de blanke
overheersers likken worden uit hun eigen dorp verdreven.
Maatschappelijke ordeningen en de daarin verankerde sociale
ongelijkheden worden uiterlijk door recht gegarandeerd wanneer de
sancties wordt uitgeoefend door een disciplinaire staf van specialisten.
Zo'n disciplinaire staf kan historisch de vorm aannemen van een
rechterlijke instantie, maar dit is niet per sé noodzakelijk: ook
de sibbe is -- bij bloedwraak en veten -- een disciplinaire
staf. Een disciplinaire staf kan diverse dwangmiddelen hanteren
normerende regels te handhaven of hun overtreders te bestraffen:
broederlijke vermaning, berisping door een censor, kerkelijke
tuchtmiddelen of eenvoudig fysiek geweld [WG 17,32,398].[31] Het dreigen
met of toepassen van fysiek geweld is weliswaar niet de enige
negatieve sanctie, maar het is wel de 'laatste' of 'ultieme'
dekkingsgarantie die specifiek de wijze waarop de in rechtsregels
gepositiveerde geldende normatieve gedragsverwachtingen worden
gehandhaafd en hun overtreders worden bestraft.
8.3 Innerlijke garantie door legitimiteit
Uiterlijk gewaarborgde
sociale ongelijkheden kunnen en worden in de regel ook innerlijk
gegarandeerd. Een feitelijke structurele ongelijkheid van levenskansen
kan zuiver innerlijk worden gegarandeerd door legitimiteit, d.w.z. door
de mate waarin ze feitelijk als legitiem worden geaccepteerd.
Empirische legitimiteit biedt de hoogste graad van sociale stabilisatie en
garantie van ongelijkheden.Structurele sociale ongelijkheden hebben -- zodra zij als zodanig worden ervaren en onderkend -- 'behoefte aan legitimatie'.[32] Elke macht en elke
gemonopoliseerde levenskans heeft behoefte aan zelfrechtvaardiging.
Volgens Weber is dit verschijnsel geworteld in "heel algemene innerlijke
constellaties" van de mens. Een gelukkig mens is tegenover de minder
gelukkigen immers nooit tevreden met feit van dit geluk, maar wil
bovendien ook nog het 'recht' op zijn geluk. Dat is het idee dat
men zijn geluk 'verdiend' heeft, zoals de minder gelukkige ook zijn pech
verdiend moet hebben. Uit alledaagse ervaringen kan iedereen weten
dat er een "psychische comfortbehoefte aan legitimiteit van het geluk"
[WG 299] bestaat en hoe deze werkt.
Weber refereert aan de meest eenvoudige waarneming van twee mensen die een contrasterend noodlot hebben wat betreft gezondheid, economische positie of sociaal aanzien. Hieruit blijkt volgens hem dat de geprivilegieerde "de aanhoudende behoefte" heeft het voor hem gunstige contrast als legitiem voor te stellen en zijn situatie als door hem verdiend op te vakken; de situatie van de negatief geprivilegieerde wordt voorgesteld als 'eigen schuld' [WG 549, RS I:242]. Dit quasi-antropologische uitgangspunt -- dat als heuristisch principe overigens een zeer goed uitgangspunt is voor empirisch onderzoek naar legitimiteit -- geldt ook voor de relatie tussen positief en negatief geprivilegieerde groepen mensen. Hoewel de behoefte aan legitimatie van sociale
ongelijkheden verworteld is in innerlijke psychische constellaties van de
mens behandelt Weber het legitimiteitsprobleem toch primair in samenhang met het heerschappijmechanisme, d.w.z. als noodzakelijk
moment van toeëigenings- en sociale sluitingsstrategieën. De
maatschappelijke lagen die door de bestaande politieke, sociale en
economische structuren geprivilegieerd zijn, hebben er steeds behoefte
aan hun situatie als legitiem voor te stellen. Zij willen de "toestand van
zuiver feitelijke machtsverhoudingen veranderd en geheiligd zien in een
cosmos van verworven rechten" [WG 679]. Positief geprivilegieerden
claimen dat hun privileges, rechten en eigendommen legitiem zijn en zij
articuleren deze legitimiteitsaanspraken in legitimatielegendes. De
legitimatielegende van de geprivilegieerde groep is haar natuurlijke (en
indien mogelijk 'bloeds'-)superioriteit. De legitimatieclaims en -legendes
van de positief geprivilegieerden leiden echter niet automatisch tot
empirische legitimiteit van sociale ongelijkheden. Omdat empirische
legitimiteit uitsluitend tot stand komt door het feitelijke geloof in de
legitimiteit is hierbij het legitimiteitsgeloof van de negatief
geprivilegieerden doorslaggevend. Wanneer de machtsverhoudingen
stabiel zijn accepteren ook de negatief geprivilegieerden deze legende
-- zolang deze tenminste niet door dwingende verhoudingen tot
probleem wordt [WG 549]. De positief geprivilegieerde verlangen deze
legitimiteit van een bepaalde (religieuze enz.) ideologie. Dit
legitimatiemechanisme werkt overal, of het nu gaat om het politieke
noodlot, het verschil in economische situatie (werkloosheid!),
lichamelijke gezondheid ('straf van god') of om het geluk in de erotische
concurrentie [WG 299].
Het probleem bij Weber's begrip van
legitimiteit is dat hij geen duidelijk onderscheid maakt tussen de
grondslagen en de typen van legitimiteit [Bader 1983, 1985, 198@]. Hij
onderscheidt vier grondslagen van legitimatie van gesloten sociale
verhoudingen en gemeenschappen:
- Traditioneel, wanneer
sociale sluiting wordt gelegitimeerd op grond van het feit dat het altijd
zo geweest is. Dit is typisch het geval met familiebetrekkingen.
- Affectief, wanneer sociale sluitingen om gevoelsredenen worden
geëerbiedigd/gerespecteerd. Dit is bijvoorbeeld het geval met de
geslotenheid van erotische betrekkingen.
- Waarde-rationeel,
wanneer men op grond van principiële (zedelijke, esthetische of
andere) waarden gelooft dat eerbiediging van sociale ongelijkheid als
absolute plicht geldt. Dit is bijvoorbeeld voor sociaal gesloten
geloofsgemeenschappen en met name voor religieuze sekten.
- Legaliteitsgeloof, wanneer sociale ongelijkheden worden
gelegitimeerd door stilzwijgende aanvaarding van formeel correcte en
volgens de gebruikelijke procedures tot stand gekomen regels [WG
19].
Strikt genomen kan de legitimiteit van sociale ongelijkheden echter
alleen waarderationeel worden gefundeerd [Bader 1985:17 e.v.]. Van
(empirische) legitimiteit is alleen dan en in die mate sprake wanneer
sociale ongelijkheden feitelijk als legitiem worden geaccepteerd, d.w.z.
wanneer er op grond van waarderende "ethisch geïnspireerde normatieve"; overtuigingen bewust mee wordt ingestemd. "Legitimiteit wordt alleen geconstitueerd door waarderende instemming en niet door traditionele acceptatie,
affectieve internalisatie en al helemaal niet É door het feit dat actoren
er zuiver cognitief en strategisch rekening mee houden dat anderen de
ordening en regels voor legitiem houden" [Bader/Benschop 1988:272].
Hiervan uitgaande kunnen we een onderscheid maken tussen
verschillende typen van (telkens waarderationeel gefundeerde)
legitimiteit van gestructureerde sociale ongelijkheden: waarderationeel
geloof in bepaalde tradities, in bepaalde (emotionele enz.) gevoelens, in
bepaalde (zedelijke, esthetische, religieuze enz.) waarden en geloof in
de legaliteit van bepaalde formele of procedurele regels.
9 Terug naar het uitgangspunt
Een combinatie van positionele en
allocatieve structuurvormen van sociale ongelijkheid:
In een aantal
recente aanzetten voor theorieën van sociale sluiting wordt soms
beweerd dat het onderscheid tussen positionele en allocatieve
ongelijkheid irrelevant is [vgl. Parkin 1979] of dat zowel de
structurering van posities als de recrutering van personen verklaard kan
worden door sociale sluiting [Murphy 1983, 1986a. Vgl. al Rex 1970,
Collins 1975, 1979]. Dit 'unitaire' analytische perspectief brengt echter
een groot verlies aan differentiatievermogen met zich mee. Het beroep
op Max Weber als grondlegger van "one coherent and general closure
problematic" [Murphy 1986a:653] miskent de status van zijn
basiscategorieën en maakt Weber veel eenduidiger dan hij is. In
deze benadering wordt sociale sluiting als deelperspectief behandeld:
(1) sociale sluiting is het type van asymmetrische macht dat bepaalde
individuen in staat stelt om positief geprivilegieerde posities (geheel of
gedeeltelijk) te monopoliseren en anderen daarvan meer of minder
volledig uit te sluiten; (2) sociale sluiting is dus een specifiek type van
asymmetrische macht dat uitbuiting, onderdrukking en discriminatie niet
omvat en ook niet vervangt [vgl. Giddens 1980:889: "only one mode
among others"].
Het resultaat van sociale sluitingsprocessen is
dus altijd dat de positief geprivilegieerde groepen feitelijke
beschikkingsmacht uitoefenen over maatschappelijke bronnen en dat de
negatief geprivilegieerden van deze beschikkingsmacht zijn uitgesloten.
Sociale sluitingspressen zijn niet alleen relevant voor de selectieve
recrutering van individuen op gegeven sociale posities, maar ook voor
het de structurering van die posities zelfs (als gesedimenteerde vorm
van het permanente proces van uitsluiting -- en van het verzet
hiertegen). Er ontstaan positief en negatief geprivilegieerde
belangengemeenschappen die zich onder bepaalde voorwaarden
aaneensluiten tot een georganiseerde belangengroep.
En hiermee
keren we terug op Weber's uitgangspunt, want tussen deze
belangengroepen is er altijd weer strijd om de beschikkingsmacht over
levenskansen [vgl. WG 20]. Dit uitgangspunt is nu echter geen geen
abstract heuristische principe meer: de strijd/concurrentie tussen
belangengroepen is gestructureerd door de ongelijke verdeling van
beschikkingsmacht over essentiële maatschappelijke bronnen. En
omgekeerd: gestructureerde sociale ongelijkheid is het resultaat van de
strijd of concurrentie om bronnen en beloningen (of: 'levenskansen').
Sociale ongelijkheid wordt dus door Weber opgevat als resultaat
én grondslag van strijd/concurrentie om bronnen en beloningen
(of: 'levenskansen'). Situaties van gestructureerde sociale ongelijkheid
bevatten daarom ook een hoog conflictpotentieel. Het
gemeenschapshandelen dat door sociale uitsluiting van mededingers is
ontstaan kan immers ook bij de uitgeslotenen die zich tegen sociale
uitsluiting keren een overeenkomstig gemeenschapshandelen
teweegbrengen [WG 201].[33]
Sociale sluiting zouden we hier kunnen omschrijven als het proces waardoor bepaalde categorieën individuen worden uitgesloten van posities die beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen impliceren. Uitsluiting is een allocatief type van asymmetrische macht [Bader/Benschop 1988:349]. Bij uitsluitingsprocessen gaat immers niet om positionele ongelijkheid, maar om selectieve recrutering of allocatie.
Naar volgende hoofdstuk: III Klassen en Standen
Naar Inhoudsopgave