Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

WEBER Sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

II Sociale Sluiting



1 Algemene theorie van sociale ongelijkheid ?

1.1 Beperkte pretenties

Weber stelde - net als Marx - het klassebegrip niet gelijk met het algemene begrip van sociale ongelijkheid. Niet alle vormen van gestructureerde sociale ongelijkheid zijn immers ongelijkheid tussen klassen of uitwerkingen van klassentegenstellingen. Sociale ongelijkheid is dus een veel omvattender begrip dan klasse-ongelijkheid. Elke niet-reductionistische klassentheorie veronderstelt dus in zekere zin een meer algemeen begrip van grondslagen en mechanismen, vormen en dimensies van sociale ongelijkheid.

Weber heeft zijn opvattingen over sociale ongelijkheid niet systematisch uitgewerkt. Wel gaf hij een aantal elementen die bruikbaar zijn voor een algemene thematisering van sociale ongelijkheden. Het archimedisch punt van zijn benadering is het thema van sociale sluiting. Aan zijn behandeling van dit thema is door sociale wetenschappers en historici lange tijd weinig aandacht besteed. Daarin is enige verandering gekomen door pogingen om het sluitingsthema vruchtbaar te maken voor het onderzoek naar racisme[1] en professionalisering.[2] De laatste jaren speelt de sociale sluitingsproblematiek een rol in de hernieuwde belangstelling voor ‘algemene theorie van sociale ongelijkheid’ in de neo-weberiaanse traditie.[3]

De elementen die Weber aandraagt voor een theorie van sociale ongelijkheid zijn deels verondersteld, deels geïmpliceerd in zijn verhandeling over klassen en standen. De verbindingen tussen het sociale sluitingsthema en zijn analyse van klassen en standen is niet overal even transparant, maar ze zijn wel degelijk aanwezig. In een aantal passages van Wirtschaft und Gesellschaft ging Weber directer in op het thema van sociale sluiting. Deze passages staan met name in het eerste hoofdstuk van het eerste deel [§ 10: Offene und geschlossene Beziehungen] en in het tweede hoofdstuk van deel twee [§ 2: Offene und geschlossene Wirtschaftsbeziehungen].

Om de precieze betekenis van Weber’s bijdrage aan een theorie van sociale ongelijkheid te achterhalen moet zijn analyse van sociale sluitingsprocessen worden gereconstrueerd. Daarbij doet men er goed aan rekening te houden met de bescheiden pretenties die Weber zelf had.

In Wirtschaft und Gesellschaft gaat Weber hoofdzakelijk ideaaltypisch te werk en doet slechts hier en daar —meestal niet uitgewerkte— uitspraken over structurele samenhangen en ontwikkelingstendensen. Hij ziet in eerste instantie bewúst af van het geven van werkelijke theoretische verklaringen. Hij wil zich beperken tot ‘sociologische typologisering’ [WG 63]. De ideaaltypen die hij presenteert zijn louter analytische constructies en concepten die dienen om de werkelijkheid beter te begrijpen. De eigenaardigheid van deze abstracties is “dat haar begrippen tegenover de concrete historische realiteit relatief inhoudsloos moeten zijn” [WG 9]. In de historische werkelijkheid treft men geen van deze typen in zuivere vorm aan, tussen het begrip en het begrepene blijft altijd een ‘hiatus irrationalis’ bestaan [Schluchter 1979:24]. Dit is echter geen valide bezwaar tegen pogingen om de conceptuele formuleringen zo scherp mogelijk te maken. “Scherpe scheiding is in de werkelijkheid vaak niet mogelijk, maar dit maakt duidelijke begrippen (d.i. analytische onderscheidingen) des te belangrijker” [WG 123]. De doelmatigheid van dergelijke classificaties kan alleen worden beoordeeld aan de hand van de resultaten die zij bieden bij het bevorderen van systematische analyse [WG 124]. In het kennisproces vervullen ideaaltypen een heuristische functie; het zijn kennismiddelen die een leidraad vormen voor hypothesevorming en ordening van het historisch materiaal.

Weber heeft dus zeker niet de pretentie om een algemene structuur- en ontwikkelingstheorie van sociale ongelijkheid te ontwerpen. Vanuit zijn methodologische uitgangspunten kan er zelfs überhaupt geen sprake zijn van een algemene (laaat staan ‘universele’) theorie van sociale ongelijkheid.

1.2 Structurering van de problemen

De theoretische taal op het onderzoeksgebied van sociale ongelijkheid vertoont zo'n grote ambiguïteit en inconsistentie, dat het grote voordelen heeft om de vraag naar sociale ongelijkheid in eerste instantie in zo ‘alledaags’ mogelijke termen te formuleren. In essentie gaat het bij sociale ongelijkheid altijd om de op zichzelf simpele klassieke vraag: Wie krijgt wat en waarom?[4] Als referentiekader tegen de achtergrond waarvan we de belangrijkste problemen kunnen identificeren in Weber's benadering van sociale ongelijkheid vertrek ik vanuit de volgende vraag: “Wat kan door wie, waarom, hoe en hoelang, in welke mate en binnen welke grenzen worden toegeëigend, en hoe worden de resultaten van deze toeëigening gestabiliseerd en gegarandeerd?” [Bader/Benschop 1988:77]. Ik zal deze op zichzelf eenvoudige, maar nogal omvangrijke vraag eerst opsplitsen in een aantal afzonderlijke probleemcomplexen.
a. Wát kan worden toegeëigend?
In het centrum van een algemene theoretische benadering van sociale ongelijkheden staat mijns inziens altijd de analyse van de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over objecten (maatschappelijke bronnen en beloningen)[5] die bepalend zijn voor de ongelijke verdeling van sociale levens- en politieke handelingskansen van individuen, groepen of klassen. Elke theorie van sociale ongelijkheid zou daarom uitspraken moeten bevatten over de vraag, wát de objecten zijn die kunnen worden toegeëigend en waarover feitelijk beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend. In eerste instantie gaat het dus om de simpele, maar onderzoeksstrategisch uiterst relevante vraag wat er in technisch en sociaal opzicht kan worden toegeëigend. Waarover kan feitelijk worden beschikt, d.w.z. over wat voor soorten objecten kan feitelijke beschikkingsmacht worden uitgeoefend? Voor de beoordeling van Weber's bijdrage is het daarbij van vitaal belang de reikwijdte en theoretische status te bepalen van het door hem gehanteerde begrip 'sociale levenskansen'. Wat verstaat hij onder levenskansen en wat is de precieze relatie tussen levenskansen en 'objecten van toeëigening'?

b. Wié kunnen zich deze objecten toeëigenen?
Een vraag die aanzienlijk minder problemen zal opleveren is, wat de mogelijke subjecten van toeëigening zijn. Wie kunnen feitelijke beschikkingsmacht uitoefenen over toegeëigende objecten en wat zijn de potentiële en/of actuele actoren in processen van sociale sluiting?

c. Waaróm kunnen objecten worden toegeëigend?
De vraag waarom objecten kunnen worden toegeëigend en sociale levenskansen kunnen worden gemonopoliseerd levert meestal heel wat meer problemen op. De moeilijkheid in de discussies over de grondslagen of oorzaken van sociale ongelijkheid is dat daarin verschillende problemen met elkaar worden vermengd en dat de analytische referentiepunten vaak impliciet blijven. Om een zinvol antwoord te kunnen geven op de 'waarom' vraag zou in de eerste plaats een duidelijk onderscheid gemaakt moeten worden tussen (a) historisch-initiële oorzaken - 'ontstaansoorzaken' en (b) sociaal-structurele gronden van het voortbestaan - 'reproduktieve oorzaken' of 'bestaansgronden' en (c) transformatieve factoren van sociale ongelijkheden -'veranderingsoorzaken'. In de tweede plaats zou er een helder onderscheid gemaakt moeten worden tussen de factoren en mechanismen die bepalend zijn voor (a) de structurering van ongelijk beloonde sociale posities en voor (b) de selectieve recrutering van ongelijk gewaardeerde individuen op die ongelijk gestructureerde posities.
Elke (pro-)theorie van sociale ongelijkheid zou dan ook getoetst moeten worden op de mate waarin zij erin slaagt om 1) zowel de historisch-initiële als structureel-reproduktieve en transformatieve factorenbundels te analyseren, als om 2) de positionele en personele referentiepunten duidelijk te identificeren. We zullen dus nagaan welke sociaal-historische achtergronden en sociaal-structurele grondslagen van toeëigenings- en sociale sluitingsprocessen door Weber worden behandeld. Welke factoren zijn volgens hem bepalend voor de selectieve recrutering (of 'allocatie') van personen/ groepen in ongelijk gestructureerde levensposities? En op grond van welke criteria kunnen individuen, groepen of klassen van bepaalde levenskansen worden uitgesloten?

d. Hoé en met welke middelen kan beschikkingsmacht over objecten worden verkregen of overgedragen?
Beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen komt niet uit de lucht vallen, ze moet worden verworven zo niet veroverd, en ze moet - wil ze enige sociaal-historische stabiliteit vertonen - kunnen worden overgedragen. Wat is het mechanisme en wat zijn de middelen waarmee beschikkingsmacht kan over objecten kan worden verworven? En hoe kunnen eenmaal verworven beschikkingsmachten (resp. gemonopoliseerde levenskansen) worden overgedragen?

e. Hoe lang kan de uitoefening van beschikkingsmacht duren?
Niet elke beschikkingsmacht over objecten en niet elk gebruik van levenskansen leidt zonder meer tot gestructureerde sociale ongelijkheid. Dat is alleen het geval wanneer de betreffende toeëigeningen enige duurzaamheid vertonen. Nu is de beschikkingsmacht over objecten in tijd zeer gedifferentieerd en daarom zijn er vele variaties in de duurzaamheid van toeëigeningen. We zullen dus nagaan hoe Weber deze tijdsdimensie van gestructureerde ongelijkheden behandelt en in het bijzonder hoe hij de differentiatie van duurzaamheid van beschikkingsmachten thematiseert.

f. In welke mate kan beschikkingsmacht worden uitgeoefend?
Van gestructureerde sociale ongelijkheid is slechts sprake wanneer de betreffende toeëigening niet alleen een zekere duurzaamheid, maar ook een zekere effectiviteit vertoont. Structurele ongelijkheid veronderstelt dus altijd een zeker minimum aan feitelijke, effectieve beschikkingsmacht. De beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen en beloningen is slechts zelden binair gepolariseerd - ze is dus niet alleen in tijd, maar ook inhoudelijk sterk gedifferentieerd. Sociale ongelijkheid begint dus niet pas wanneer er sprake is van volledige of absolute beschikkingsmacht. Maatschappelijke bronnen en beloningen kunnen in verschillende mate en graden worden toegeëigend, en hierdoor verschilt ook de mate van effectiviteit van toeëigeningen. In elke analyse van sociale ongelijkheden zou daarom aandacht besteed moeten worden aan de vraag, in welke mate en binnen welke grenzen er sprake is van feitelijke beschikkingsmacht. Meer in het bijzonder zullen we nagaan hoe Weber het probleem behandelt van de inhoudelijke deling (differentiatie), personele verdeling (delegatie) en externe beperking (limitatie) van beschikkingsmachten.

g. Wat zijn resultaten van toeëigening?
Toeëigening leidt altijd tot een zekere vorm van 'eigendom'. Het sociaal-wetenschappelijk zeer omstreden eigendomsbegrip wordt ook door Weber gehanteerd in zijn analyse van de resultaten van sociale sluitingsverschijnselen. Ongelijke beschikkingsmacht over objecten leidt enerzijds tot het ontstaan van 'toegeëigende kansen' (Weber), die onder bepaalde voorwaarden de vorm aan kunnen nemen van 'rechten' of 'eigendommen'. Anderzijds ontstaan er 'gesloten sociale verhoudingen' en min of meer tegenstrijdige 'belangengroepen', waaruit zich onder bepaalde voorwaarden politieke handelingscollectieven kunnen vormen. We zullen nagaan op welke wijze Weber de begrippen 'toegeëigende kansen', 'rechten' en 'eigendom' van elkaar afbakend.

h. Waardoor wordt een ongelijke verdeling van beschikkingsmachten gestabiliseerd en gegarandeerd?
Object van analyse zijn de gestructureerde en duurzame vormen van sociale ongelijkheid en niet zozeer de incidenteel of kortstondige verschijnselen ervan. Daarom zullen we speciale aandacht besteden aan de mechanismen die ervoor zorgen dat de feitelijke ongelijke verdeling van beschikkingsmachten in stand wordt gehouden. Waardoor krijgt de ongelijke verdeling van levenskansen maatschappelijke regelmaat en stabiliteit? Welke mechanismen garanderen de continuïteit van sociale ongelijkheid? Deze vraag naar de stabiliteits- en continuïteitsvoorwaarden heeft een voor de hand liggende keerzijde: welke factoren bewerkstelligen instabiliteit en discontinuïteit? Wat zijn aanknopingspunten voor structurele verandering (terugdringing, minimalisering, opheffing) van sociale ongelijkheden?

1.3 Het mechanisme van sociale sluiting

In het centrum van Weber's analyse van sociale ongelijkheid staat de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over essentiële maatschappelijke bronnen, welke de ongelijke verdeling van levenskansen en daarmee de sociale levenssituatie van individuen bepalen. Zijn uitgangspunt is "de existentiële strijd van menselijke individuen of sociale typen om levens- of overlevingskansen" [WG 20]. De strijd om sociale levenskansen hoort voor hem bij de essentie van het menselijk bestaan.[6] Hoewel dit antropologisch getinte uitgangspunt door Weber niet nader gemotiveerd wordt, kan het als heuristische principe een nuttig en nuchter uitgangspunt zijn. Sociale ongelijkheden zijn immers altijd het resultaat van concurrentie of strijd om als schaars ervaren en gedefinieerde bronnen en beloningen (of levenskansen).[4]
De inzet van deze strijd is het verwerven van "eigen beschikkingsmacht over kansen welke ook door anderen worden begeerd" [idem]. De "drijvende kracht" [WG 202] van processen van sociale sluiting is altijd de tendens om bepaalde levenskansen te monopoliseren. Deze tendens keert zich tegen andere mededingers om deze levenskansen die een bepaald positief of negatief kenmerk gemeen hebben.

Het doel hiervan is altijd "het sluiten van de betreffende kansen voor buitenstaanders" [WG 202]. Door sociale sluiting wordt een deel van de actuele of potentiële mededingers om levenskansen uitgesloten van medeconcurrentie [WG 201].

Het algemene resultaat van processen van sociale sluiting is enerzijds een feitelijke ongelijke verdeling van levenskansen, anderzijds het ontstaan van gesloten sociale verhoudingen en gemeenschappen (= ‘belangengemeenschappen’). Deze resultaten worden op verschillende manieren gestabiliseerd en gegarandeerd. Dit impliceert ook dat er bepaalde sociale of fysieke kenmerken worden gebruikt als rechtvaardigingsgrond van uitsluiting.

Sociale sluiting is het proces waardoor sociale groeperingen of collectiviteiten proberen beloningen te verwerven, vergroten of behouden door het beperken van de toegang tot positief geprivilegieerde posities tot een beperkte kring van uitverkorenen. Sociale sluiting impliceert dus altijd zowel het verwerven van toegang tot geprivilegieerde posities, als het beperken of afsluiten van de toegang tot deze posities voor anderen.

2 Wat kan worden toegeëigend?

2.1 Beschikkingsmacht over kansen

Een sociaal-wetenschappelijke analyse van sociale ongelijkheden moet zich volgens Weber primair richten op de feitelijke empirische verdeling van beschikkingsmachten over specifieke objecten. Het begrip beschikkingsmacht (‘Verfügungsgewalt’) wordt door Weber voornamelijk uitgewerkt in relatie tot economische kansen. Daar merkt hij op dat elke organisatie van de economie altijd “de een of andere feitelijke verdeling van beschikkingsmacht” impliceert en dat het begrip beschikkingsmacht niet mag ontbreken als sociologisch begrip van het economisch handelen [WG 33].[8]

Er zijn echter geen redenen om het begrip beschikkingsmacht niet te generaliseren tot alle mogelijk toe te eigenen kansen. Hierdoor kan het concept beschikkingsmacht worden ingevoerd als basisbegrip in een algemene theorie van sociale ongelijkheden. Ook Weber lijkt hiertoe soms over te gaan. Hij spreekt in het algemeen over ‘beschikkingssmacht over kansen’ zonder beperking aan te brengen tot economische kansen [WG 20,23; vgl. p. 47]. Verder spreekt hij in het algemeen over ‘toegeëigende kansen’ [WG 23] en ‘toegeëigende beschikkingsmachten’ [WG 202].

Wat zijn nu de objecten die feitelijk kunnen worden toegeëigend en waarover reële beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend? Volgens Weber zijn dat alle “kansen ter bevrediging van innerlijke of uiterlijke belangen” [WG 23]. Objecten die kunnen worden toegeëigend en waarover beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend zijn bijvoorbeeld:

Deze reeks zou men aan de hand van Weber's teksten verder kunnen aanvullen en differentiëren. De algemene lijk van zijn benadering is echter duidelijk: alle natuurlijk gegeven of maatschappelijk geproduceerde kansen die het materiële, ideële, psychische en sociale leven van de mensen bepalen kunne in principe object van toeëigening worden.

2.2 Het concept levenskansen

Het begrip levenskansen speelt in Weber’s benadering van sociale sluitingsprocessen een sleutelrol, maar hij nam het nooit op in zijn catalogus van sociologische basisbegrippen. De theoretische status van het concept werd door Weber zelf niet gepreciseerd en hij ontwikkelde evenmin een systematische kasuïstiek van de “objecten en kansen waarom het gaat8 [WG 202]. Zijn notie van levenskansen bleef daardoor rudimentair en ambigu.

Het is des te opmerkelijker dat sociale wetenschappers die zich op het werk van Weber beroepen niet of nauwelijks geprobeerd hebben de theoretische status en reikwijdte van het concept levenskansen te expliciteren; zij maken - net als Weber - min of meer terloops gebruik van de term.[9] Even schamel zijn de pogingen om op basis van geëxpliciteerde en theoretisch verantwoordde criteria een systematiek te ontwerpen van de verschillen soorten of typen levenskansen.

Op beide punten moet de aanzet van Weber nader worden gepreciseerd en uitgewerkt. Ik wil hiervoor een aantal mogelijkheden aanduiden.

2.2.1 Het kansbegrip

Het kansbegrip heeft bij Weber verschillende betekenissen.

Daarom zijn levenskansen ook geen existentiële constante - het zijn geen voor eens en altijd gegeven kwaliteiten, zij worden historisch ge(re)produceerd. De natuurlijk gegeven en sociaal gecreëerde levens- en overlevingskansen worden in de loop van de maatschappelijke ontwikkeling vergroot (zoals de vergroting van de kans op een langer leven). Er worden ook steeds weer nieuwe levenskansen geproduceerd (zoals de kans op ruimtelijke mobiliteit op wereldschaal). En tenslotte kunnen levenskansen daarbij ook worden uitgebreid, zodat zij voor meer individuen toegankelijk worden (zoals kansen op educatie, vacantie e.d.). Menselijke maatschappijen ontlenen hun kwaliteit aan hun vermogen om meer mensen, meer en gelijke levenskansen te bieden.

2.2.2 Sociale levenskansen en behoeften

De term 'sociale levenskansen' zou zodanig moeten worden afgebakend dat het in het onderzoek naar sociale ongelijkheden een bruikbaar analytisch concept wordt. Kernpunt van theorieën over gestructureerde sociale ongelijkheden is de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht van objecten die bepalend zijn voor levenskansen in verschillende maatschappelijke verhoudingen. Door een ongelijke verdeling van beschikkingsmachten zijn de kansen voor de bevrediging van een diversiteit van menselijke behoeften eveneens ongelijk verdeeld. Levenskansen omvatten alle natuurlijk gegeven en maatschappelijk geproduceerde kansen voor de bevrediging van menselijke behoeften. Onder 'sociale levenskansen' zou ik willen verstaan: alle maatschappelijk gestructureerde kansen ter bevrediging van de meest uiteenlopende menselijke behoeften. In deze omschrijving liggen een aantal afbakeningen besloten.
  1. Het begrip levenskansen wordt hier in meerdere opzichten breed opgevat. In de eerste plaats wordt het het begrip levenskansen niet beperkt tot fysiologisch-biologische overlevingskansen - zoals bij Svalastoga [1965] en Heller [1969]. In de tweede plaats zou het begrip ook niet beperkt moeten worden tot strikt maatschappelijk geproduceerde levenskansen - zoals bij Giddens [1973: 131] en [Kreckel 1976:347] -; het omvat tevens de natuurlijk gegeven maar sociaal beïnvloedbare en gestructureerde kansen. In de derde plaats zouden sociale levenskansen niet beperkt moeten worden tot consumptiekansen. Sociale levenskansen omvatten niet alleen (materiële) consumptiemogelijkheden, maar alle kansen om de diverse individuele capaciteiten van mensen optimaal te kunnen ontwikkelen (en dus ook kansen van zelfverwerkelijking en ontplooiing in en door arbeid). In de vierde plaats zouden sociale levenskansen zo breed moeten worden opgevat dat ze niet alleen materiële en ideële goederen omvatten, maar ook sociale relaties en prestigekansen [Bader/Benschop 1988:83].

  2. In toeëigenings- of onteigeningsprocessen gaat het altijd om objecten die wérkelijk kunnen worden toegeëigend. Het gaat niet om de bevrediging van specifieke menselijke behoeften zelf, welke het mogelijke gevolg zijn van toeëigeningen van deze objecten. De bevrediging van de behoefte aan voedsel, een lang en gezond leven, aan emotionele satisfactie of sociaal aanzien kunnen niet als zodanig worden toegeëigend of maatschappelijk worden geïnstitutionaliseerd. Het kunnen allemaal gevolgen zijn van toeëigeningen. Wat feitelijk kan worden toegeëigend is dus de kans op bevrediging van menselijke behoeften, en niet de actuele bevredigingen zelf. Zoals winstkansen kunnen worden toegeëigend door monopolisering van materiële arbeidsvoorwaarden, prestatiekwalificaties en vormen van coöperatie en coördinatie, zo kan de kans op een lang en gezond leven worden toegeëigend door de monopolisering van geweldsmiddelen, medische voorzieningen en kwalificaties e.d.; zoals politieke machtskansen kunnen worden toegeëigend door monopolisering van het recht op politieke partijvorming, zo kunnen de kansen op emotionele en seksuele bevrediging worden toegeëigend door het institutionaliseren van monopolies op de relationele, erotische of huwelijksmarkt. Een bepaalde mate van effectieve bevrediging van fysiologische, psychische, geestelijke of sociale behoeften kan niet worden toegeëigend, wél de hiervoor noodzakelijke of noodzakelijk geachte voorwaarden en middelen om deze behoeften te bevredigen.

Het begrip levenskansen is dus weliswaar een zeer breed en omvattend concept, maar zeker geen ‘catch all’ term dat als allesomvattend basisbegrip van het ongelijkheidsonderzoek kan fungeren. Levenskansen zijn betrokken op individuele behoeften en op de steeds verschillende waarderingen daarvan. En daarom “is het niet opportuun om het begrip ook te gebruiken voor de middelen of bronnen die in de meest uiteenlopende activiteitsverhoudingen worden ingezet in de strijd om de toeëigening van de levenskansen. Daarom gebruiken wij het begrip synoniem met beloningen” [Bader/Benschop 1988:84]. Zodra men ‘de kansen om toegang tot levenskansen te verwerven’ zelf ook als levenskansen gaat aanduiden wordt de reikwijdte van begrip levenskansen te zeer overspannen en moet men leren leven met een taalkundig monster.

2.3 Indeling van levenskansen

Positionele sociale ongelijkheden zijn het gevolg van mechanismen waardoor de objectieve en subjectieve voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de bevrediging van menselijke behoeften door een bepaalde sociale categorie worden toegeëigend of geusurpeerd.[10] Daarom moet elke theorie van sociale ongelijkheid expliciet en helder zijn ten aanzien van de vraag welke maatschappelijke bronnen en beloningen in het geding zijn.
Weber gaat niet in op de vraag hoe levenskansen in en door specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen zijn gestructureerd. Daarom blijven ook de impliciete beslissingen die aan een indeling van levenskansen ten grondslag liggen onbeargumenteerd. Om op dit punt verder te komen zou meer aandacht besteed moeten worden aan (a) de differentiatie van de maatschappelijke levensverhoudingen en (b) de differentiatie van de objecten die binnen specifieke levensverhoudingen kunnen worden toegeëigend.
  1. Om de veelvoud van levenskansen te categoriseren wordt meestal gebruik gemaakt van uitermate simpele tweedelingen (zoals materiële/immateriële, objectieve/subjectieve) of driedelingen (zoals economische, sociale en culturele levenskansen).[11] Ralf Dahrendorf heeft gesuggereerd dat “een simpele classificatie van ‘institutionele ordes’ heel geschikt is om een catalogus van levenskansen te ontwerpen’ [Dahrendorf 1079:79]. Hij presenteert daarbij zelf een classificatie van vijf institutionele ordes: levenskansen van verwantschap, politieke levenskansen, economische levenskansen, militaire levenskansen, religieuze levenskansen. Dergelijke ‘simpele classificaties’ kunnen nuttig zijn om de aandacht te vestigen op specifieke thema's, maar in deze vorm is de systematisering van levenskansen nog veel te ongedifferentieerd (waarom ontbreken bijvoorbeeld veiligheidskansen, erotische kansen, educatiekansen?). Bovendien is de keuze voor een institutioneel indelingscriterium aanvechtbaar (bij Dahrendorf wordt deze keuze überhaupt niet beargumenteerd).

    Een indeling of classificatie van mogelijke objecten van toeëigening zou mijns inziens in de eerste plaats gerelateerd moeten worden aan de specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen waarin deze objecten figureren. Een zinvolle ingang tot de analyse van structurering van levenskansen kan worden verkregen door uit te gaan van een functionele of empirische differentiatie van maatschappelijke verhoudingen.

      Schluchter’s analyse van de wijze waarop Weber de term ‘(Lebens)ordnungen’ hanteert, laat zien welke ambivalenties (en mogelijkheden) er op dit punt in zijn werk bestaan. Een goed gefundeerde en empirisch gesteunde indeling van functioneel of empirisch gedifferentieerde verhoudingen van maatschappelijke activiteiten vind men noch in de sociologische, noch in de marxistische traditie. Als men deze analysestrategie wil volgen moet in ieder geval een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen (i) de functionele differentiatie van menselijke activiteiten, (ii) de specifieke maatschappelijke verhoudingen waarin deze functioneel gedifferentieerde activiteiten plaatsvinden en (iii) de mogelijk historisch-empirische differentiaties en institutionaliseringen van functioneel gedifferentieerde activiteiten (arbeidsdeling, beroepen) en verhoudingen (handelingssystemen, instituties en organisaties).

    Onderzoeksstrategisch is het van groot belang om de referentiepunten die in functionele analyses worden gehanteerd zo duidelijk mogelijk te benoemen. In aansluiting bij Weber heb ik sociale levenskansen gedefinieerd als “alle maatschappelijk gestructureerde kansen ter bevrediging van de meest uiteenlopende menselijke behoeften”. Levenskansen verwijzen dus telkens naar specifieke behoeften van mensen individuen. Daarom ligt het mijns inziens voor de hand een behoefte-theoretisch referentiepunt te kiezen. De differentiatie van levenskansen in maatschappelijke verhoudingen vertrekt dan vanuit de analyse van de historisch ontwikkelde behoeften van menselijke individuen.

  2. Een nadere precisering kan worden bereikt door de objecten waarover beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend zelf beter in te delen. Hiervoor kunnen verschillende indelingsprincipes en -strategieën worden beproefd. Het minst problematisch is hierbij het traditionele onderscheid tussen bronnen en beloningen. Bronnen en beloningen zijn geen categorieën of klassen van concrete objecten, maar refereren aan de functie van objecten in specifieke handelingsconteksten [vgl. Parsons 1953]. Wanneer objecten worden gebruik als middel voor de directe behoeftebevrediging fungeren zij als beloningen. Wanneer objecten gebruikt en ingezet als middel om de 'middelen van de behoeftebevrediging' voort te brengen of om deze middelen toe te eigenen fungeren zij als bronnen [vgl. Bader/Benschop 1988:129]. Concrete objecten kunnen dus in principe als bron én als beloning fungeren. Een arbeidsmiddel kan zowel bron als beloning, voorwaarde als resultaat, middel-object als doel-object zijn in maatschappelijke georganiseerde arbeidsprocessen. Ook specifieke kennis of esthetische prestatiekwalificaties kunnen zowel het resultaat/beloning zijn van bepaalde onderwijs- resp. esthetische verhoudingen, als voorwaarde/bron voor andere maatschappelijke verhoudingen.
    Het belangrijkste probleem ligt in het vinden van een goede (theoretisch beargumenteerde en empirisch vruchtbare) indeling van de bronnen zelf. De meeste pogingen om 'dimensies' van sociale ongelijkheid te onderscheiden draaien om dit punt (heen).[12] Met gebrek aan helderheid over aard en typen van de toe te eigenen 'bronnen' in de huidige theorievorming over sociale ongelijkheid is zeker geen geringe lacune. De ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen is immers de kern van alle relationele sociale ongelijkheid.

      Het voert te ver om hier een overzicht te geven van alle mogelijk uitgangspunten, analysestrategieën en indelingsprincipes die een rol kunnen spelen bij de structurering van bronnen. In de aanzet die ik hiervoor samen met Veit Bader heb uitgewerkt, maken wij een onderscheid tussen directe en indirecte bronnen. Directe bronnen zijn bronnen die direct en als zodanig in verschillende maatschappelijke activiteitsverhoudingen of arbeidsprocessen kunnen worden gebruikt voor het voortbrengen van maatschappelijke gebruikswaarden. Er worden drie typische directe bronnen onderscheiden: (1) materiële bronnen of materiële arbeidsvoorwaarden, (2) prestatiekwalificaties van specifiek gekwalificeerde arbeidskrachten en (3) vormen van coöperatie en organisatie. Alle andere bronnen zijn indirecte bronnen die niet direct en als zodanig in arbeidsprocessen gebruikt kunnen worden, maar wel (1) de verdeling van de directe bronnen - en daarmee de machtsposities - beïnvloeden, (2) de toegang tot bepaalde maatschappelijke arbeids- en levensverhoudingen belemmeren, afsluiten dan wel openen, en (3) de verdeling van de resultaten van maatschappelijke arbeidsprocessen beïnvloeden. Indirecte bronnen zijn dus kort gezegd 'middelen van toeëigening en sluiting'. Voorbeeld van indirecte bronnen zijn: materiële rijkdom, afstamming, diploma's, informatie, politieke legitimiteit en legaliteit, geweld; revenuen (geld en vrije tijd); heerschappijposities in organisaties; sociale relaties en patronage en zeer diverse prestigekansen.
      Een dergelijke benadering heeft in ieder geval twee grote voordelen. Enerzijds is deze duidelijk afgebakend van benaderingen waarin uitsluitend of voornamelijk aandacht wordt besteed aan één type van directe bronnen (zoals aan de verdeling materiële produktiemiddelen in de marxistische traditie of aan de verdeling van organisationele posities in de conflictsociologische traditie). Anderzijds wordt er ook voldoende afstand gehouden van benaderingen waarin uitsluitend of voornamelijk aandacht wordt besteed aan de hiërarchisering van prestige.

3 Mechanismen, duurzaamheid en mate van toeëigening

3.1 Mechanismen van verwerven en overdracht van beschikkingsmacht

Hoe komt de beschikkingsmacht over objecten tot stand en hoe kunnen levenskansen worden gemonopoliseerd? Er zijn verschillende manieren waarop objecten kunnen worden toegeëigend. Weber deelt deze mechanismen in naar de typische middelen die daarbij worden aangewend [§ 3.3.1] en naar de verschillende typische vormen waarin reeks toegeëigende objecten kunnen worden overgedragen [§3.3.2].

3.1.1 Verwerven van beschikkingsmacht

De strijd om het verwerven van beschikkingsmacht over objecten en posities worden door Weber ingedeeld naar de typische middelen die hierbij worden aangewend. Wanneer er actueel fysiek geweld wordt toegepast is er sprake van gewelddadige strijd. Gewelddadige strijd omvat het hele scala van roof van economische goederen, van vrouwen enz. tot aan de politiek-militaire onderwerping van hele volken, staten en continenten; gewelddadige onteigeningen (usurpaties) en het op de punt van het zwaard instellen van dwangarbeid.

Gewelddadige strijd kan zowel ongeregeld als gereld zijn. "Van de bloedige strijd die gericht is op de vernietiging van het leven van de tegenstander waarbij iedere binding aan strijdregels ontbreekt tot aan de conventioneel geregelde ridderstrijd" [WG 20].[14]

Wanneer in de strijd om beschikkingsmachten geen feitelijk fysiek geweld wordt toegepast is er sprake van vreedzame strijd. De "formeel vreedzame poging om eigen beschikkingsmacht over kansen te verwerven die ook door anderen worden begeerd" [WG 20] is concurrentie. Ook concurrentie kan regelloos, vrij zijn of geregeld. Voorbeelden van ongeregelde concurrentie zijn de vroeg-kapitalistische concurrentie en de "regelloze concurrentie van bijvoorbeeld erotische mededingers om de gunst van een vrouw". Van geregelde concurrentie is sprake wanneer de doelen en middelen van de concurrentie georiënteerd zijn op regels, een ordening. Voorbeelden hiervan zijn het geregeld strijdspel (sport), de concurrentiestrijd om ruilkansen die gebonden is aan de ordening van de markt (kopen en verkopen, lenen en verlenen enz.), de strikt gereguleerde competities om artistieke prijzen en de strijd tussen politieke partijen om de kiezersgunst in de verkiezingscampagnes.

De vrije of geregelde concurrentie om beschikkingsmacht over objecten en posities kan zijn op zeer uiteenlopende manieren voltrekken, maar Weber geeft hiervan geen systematisch overzicht. In Wirtschaft und Gesellschaft komen her en der wel verschillende vormen aan de orde, zoals bijvoorbeeld (1) economische ruil, kopen, pachten, huren, lenen [WG 36]; (2) sollicitatie, verkiezing, benoeming of coöptatie voor bepaalde posities; (3) verschillende vormen van stapsgewijze sluiting en het uitschakelen van actuele of potentiële mededingers door het oprichten van of toetreden tot organisaties, gericht op deelname aan de door deze organisaties toegeëigende beschikkingsmachten - bijvoorbeeld door vorming van kartels, trusts of andere typen van monopolistische organisaties; (4) inhuwen, gericht op verwerving van levenskansen die erfelijk door verwantschapseenheden zijn toegeëigend; (5) het zich ondergeschikt maken aan superieure herenmachten.

Deze voorbeelden laten zich gemakkelijk uitbreiden. De middelen waarmee beschikkingsmacht over objecten kan worden toegeëigend zijn ook zo divers dat men nauwelijks meer kan presenteren dan een pretentieloze casuïstiek van machtsmiddelen. Wie toch een poging zou willen wagen om deze machtsmiddelen te classificeren moet in ieder geval rekening houden met het feit dat vanaf een bepaald ontwikkelingsniveau van de maatschappelijke produktie-, informatie-, destructie- etc. krachten alle sociaal relevante machtsmiddelen berusten op een daaraan voorafgaande toeëigening van specifieke bronnen of beloningen. Daarom kunnen in principe alle reeds toegeëigende objecten dienen als middel om nieuwe levenskansen te monopoliseren.

Naast het door Weber gehanteerde onderscheid tussen gewelddadige strijd en vreedzame concurrentie kan men nog een aantal andere indelingscriteria overwegen: (1) de positieve en negatieve sanctiemiddelen (beloning/straf), (2) middelen met en zonder dwang; (3) materiële en symbolische middelen, (4) differentiatie van middelen naar maatschappelijke verhoudingen en activiteiten. De vraag óf, en zo ja in welk opzicht, een van deze indelingsprincipes werkelijk relevant is voor de analyse van sociale ongelijkheden is moeilijk in het algemeen te beantwoorden. Het is in ieder geval wel zinvol verder in te gaan op een hiermee verwante vraag: waarvan is de keuze van de middelen van toeëigening en sociale sluiting afhankelijk?[15]

3.1.2 Overdracht van beschikkingsmacht

Hoewel geweld een uitermate geschikt middel is om bepaalde objecten en posities toe te eigenen, leent het zich niet direct voor het overdragen van reeds toegeëigende beschikkingsmachten.[16] Objecten en posities kunnen initieel worden toegeëigend door gewelddadige strijd of vreedzame concurrentie, maar beschikkingsmacht kan ook worden verkregen door overdracht van reeds toegeëigende objecten en posities. Weber behandelt dit overdrachtsmechanisme niet systematisch. En hij gaat ook niet uitvoerig in op de betekenis van specifieke overdrachtsvormen (zoals erven, schenken, ruil, koop en verkoop, verpachting, verhuur en verlening, delegatie, formeel vrijwillige deling enz.) hebben voor de reproduktie van structurele sociale ongelijkheden. De mechanismen waardoor beschikkingsmacht wordt verworven en overgedragen zijn immers tegelijkertijd mechanismen van reproduktie van structurele sociale ongelijkheid. Deze reproduktiemechanismen moeten echter niet worden verwisseld met de verschillende typen van garantie van toegeëigende beschikkingsmacht [zie § 52 en 53].

3.2 Duurzaamheid van de beschikkingsmacht

Bij sociale ongelijkheid gaat het om duurzame en sociale relevante toeëigeningen en uitsluitingen. Het gaat niet om kortstondige, incidentele toeëigening van kansen welke verbonden zijn aan elk gebruik (zoals van zwembaden, treinen, theatervoorstellingen). Pas wanneer de benutter van kansen gedurende langere tijd anderen van het gebruik kan uitsluiten, d.w.z. wanneer er sprake is van duurzame toeëigeningen, hebben we te maken met relevante gestructureerde sociale ongelijkheid.

De duurzaamheid van monopolistische appropriatie kan sterk uiteenlopen. Weber maakt een onderscheid tussen temporeel beperkte en temporeel onbeperkte toeëigeningen [WG 202]. Temporeel beperkte toeëigeningen kunnen relatief kortstondig zijn, zoals bij jaarlijkse roulatie van politieke ambtsdragers en bij tijdelijke aanstellingen. Maar zij kunnen ook zeer lang zijn en meerdere generaties omvatten, zoals bij sommige pachtcontracten, hypotheken en huurcontracten. Temporeel onbeperkte toeëigeningen kunnen intragenerationeel beperkt zijn (zoals bij benoemingen voor het leven), maar ook intergenerationeel, dat wil zeggen erfelijk overdraagbaar.

De hoogste graad van duurzaamheid wordt bereikt wanneer de erfelijke of vrije overdracht van gemonopoliseerde kansen is gegarandeerd. Van erfelijke overdracht is sprake wanneer de gemonopoliseerde kansen zodanig zijn gegarandeerd dat deze kans in geval van overlijden overgaat in andere handen en deze overdracht volgens vast regels verloopt (erfrecht, volledige slavernij). Van vrije overdracht is sprake wanneer degene die over de kans beschikt deze vrij kan overdragen aan een willekeurige derde, die hierdoor deelnemers wordt aan de gesloten gemeenschap. Het verwerven van lidmaatschap van die gemeenschap door overdracht is niet gebonden aan de toestemming van de andere leden van die gemeenschap [WG 24; vgl. ook WG 38,70,170 e.v.]. Wanneer de genieter van een bepaalde kansen deze aan bepaalde of willekeurige derden door overeenkomst kan afstaan gaat het om een "appropriatie die men kan veruiterlijken" [WG 23].
De verschillende duur van de toeëigening heeft een wezenlijke invloed op het tijdsaspect van sociale mobiliteit en daarmee op de mogelijkheid van stabilisatie van sociale ongelijkheid. Dit is zowel van belang voor de collectieve ervaring en de ontwikkeling van collectieve levensstijlen, als voor de ontwikkeling van politieke identiteiten en conflictbewustzijn. In zijn Herrschaftssoziologie werkte Weber deze aspecten iets nader uit.

3.3 Mate van beschikkingsmacht

Gestructureerde sociale ongelijkheid veronderstelt niet alleen een minimum aan tijdsduur, maar ook een minimum aan feitelijke mate van beschikkingsmacht. We hebben gezien dat Weber een breed begrip van levenskansen hanteert. Zowel fysieke objecten (materiële goederen), economische objecten (zoals winstkansen), sociale objecten (zoals prestige- of huwelijkskansen) als culturele objecten (‘ideële goederen’ zoals vakkennis) kunnen in verschillende mate worden toegeëigend. Eigendom in de zin van feitelijke uitoefening van beschikkingsmacht wordt door Weber dus niet inhoudelijk (of ‘zakelijk’) beperkt. En hij verstaat hieronder ook niet een ‘fullness of rights’ in de zin van ‘absoluut eigendom’ of ‘totale beschikkingsmacht’. In de regel is de beschikkingsmacht over objecten inhoudelijk gedifferentieerd. De mate waarin en de wijze waarop deze objecten kunnen worden toegeëigend is afhankelijk van de ‘technische aard’ [WG 202] van de objecten en kansen waar het om gaat. Daardoor verschilt ook het gemak waarmee of het verzet tegen het toeëigeningsproces (exploitatie, uitsluiting etc.) dat zich binnen een gemeenschap voltrekt.

Weber illustreert dit aan het verschil in toeëigening van een akker en een klantenkring. De kans om door bewerking van een akker in het levensonderhoud te voorzien is afhankelijk van de vraag of het om een eenduidig af te grenzen zakelijk object gaat. In dit geval gaat het om een uniek - niet voor vermeerdering vatbare - stuk grond. Bij de toeëigening van een klantenkring is dat anders. Zuiver technisch gezien is een klantenkring moeilijker monopolistisch toe te eigenen dan een stuk grond. Het succes van de toeëgening is dus sterk afhankelijk van de specifieke eigenschappen van het object en de daaraan verbonden levenskansen. Maar volgens Weber doet dit niets af aan het feit dat het in principe steeds hetzelfde proces is, namelijk het ‘sluiten’ van de gemonopoliseerde sociale economische kansen naar buiten en naar binnen [WG 203].

Om in empirische en historische analyses precieze vragen te kunnen stellen, zou men wat betreft de inhoudelijke differentiatie van beschikkingsmachten een onderscheid moeten maken tussen drie - door Weber zelf niet altijd even duidelijk onderscheiden - probleemassen: (a) de mate van aggregatie of desaggregatie van afzonderlijke beschikkingsmachten; (b) de mate van verdeling of delegatie van specifieke beschikkingsmachten en (c) de mate van beperking of limitatie van beschikkingsmachten door derden.

  1. Bij de analyse van de mate waarin beschikkingsmachten zijn ge(des)aggregeerd moet een helder onderscheid worden gemaakt tussen de bundel rechten of bevoegdheden die in eigendom geïmpliceerd kunnen zijn: (1) het recht op gebruik, (2) het recht op genot, (3) het recht op dispositie of controle en (4) het recht op transfer of overdracht (‘veruiterlijking’). Telkens moet de vraag worden gesteld in hoeverre er sprake is van een aggregatie dan wel desaggregatie van deze afzonderlijke bevoegdheden of (deel-)beschikkingsmachten.[17] Zo is bijvoorbeeld in het ontwikkelde kapitalisme het recht op dispositie over ‘kapitaal als functie’ gedeeltelijk geschieden van het recht op genot van het ‘kapitaal als eigendom’, d.w.z. van het genot van kapitaalrente.

  2. Het is ook mogelijk dat de specifieke beschikkingsmachten of afzonderlijke bevoegdheden zelf worden gedeeld of gedelegeerd. Een bekend voorbeeld uit de economische theorie is de discussie over 'managerialisme'. Een voorbeeld uit de politieke theorie is de delegatie van wetgevende bevoegdheden in parlementair-democratische constituties. Bij de analyse van de feitelijke verdeling van beschikkingsmachten over objecten moet dus telkens ook worden nagegaan in hoeverre er spake is van deling of delegatie van de afzonderlijke bevoegdheden.

  3. De beschikkingsmacht van specifieke eigendomsobjecten kunnen tenslotte worden gelimiteerd door de beschikkingsmachten en bevoegdheden van anderen, ‘derden’. De ‘absolute’ rechten van de ene privé-eigendom worden in de regel beperkt door de ‘absolute’ eigendomsrechten van andere privé-eigenaars. Bovendien kan het ‘absolute’ privé-eigendom worden beperkt door politieke overheidsorganen, bijvoorbeeld middels belasting- en onteigeningswetten.

3.4 Privileges, rechten, eigendom

Het resultaat van toeëigeningsprocessen is altijd dat er feitelijke beschikkingsmacht over bronnen en beloningen ontstaat en dat negatief geprivilegieerden van deze beschikkingsmacht zijn uitgesloten. Er ontstaan ‘toegeëigende kansen’. Alle toegeëigende kansen noemt Weber in dit verband 'rechten' [WG 23]. Toeëigening en onteigening heeft immers tot resultaat dat er geïnstitutionaliseerde rechten ontstaan ten aanzien van bepaalde levenskansen. Door deze institutionalisering ontstaan er effectieve mogelijkheden om de toegeëigende levenskansen te gebruiken, te genieten of te controleren. In welke specifieke vorm deze rechten zijn gecodificeerd en of zij bijvoorbeeld door de wet of staat zijn gesanctioneerd doet voor het algemene begrip van rechten niet ter zake.

Om elke directe verbinding met de juridische betekenis van de term 'rechten' te vermijden zou men beter van 'privileges' kunnen speken wanneer het in het algemeen gaat om feitelijk toegeëigende kansen.[18] Privileges kunnen uiterlijk worden gegarandeerd door conventies en door recht. Wanneer dit het geval is spreken we van 'rechten'. Privileges kunnen dus 'rechten' worden wanneer gerekend kan worden op de feitelijke of conventionele of juridische afdwingbaarheid binnen bestaande maatschappijen of politieke heerschappij-instituties.[19]

Wanneer de als rechten toegeëigende kansen erfelijk overdraagbaar zijn spreekt Weber van 'eigendom' [WG 23]. Van eigendom is dus sprake wanneer het gaat om erfelijk toegeëigende kansen die conventioneel of juridisch zijn gegarandeerd. In aansluiting op het commentaar hiervoor kunnen we zeggen: rechten worden eigendommen wanneer zij intergenerationeel en erfelijk overdraagbaar zijn.

Weber definieert zeer uiteenlopende levenskansen als mogelijk objecten van eigendom. Dat is zinvol, maar niet zo vanzelfsprekend als hij zelf meende, omdat hij hiermee rechtstreeks inging tegen de destijds nog dominante traditie van het Romeinse recht, waarin eigendomsobjecten werden beperkt tot allee lichamelijke zaken [vgl. Renner 1965; Kahn-Freund 1965].

De toegeëigende beschikkingsmacht over maatschappelijke kansen is volgens Weber in de regel niet 'absoluut' in de zin dat zij niet in tijd en inhoudelijk gedifferentieerd zou zijn. De duurzaamheid van uitoefening van beschikkingsmacht over bepaalde objecten en de mate waarin die objecten worden toegeëigend moet dus nader worden gedifferentieerd.

4 Waarom en hoe vindt sociale sluiting plaats?

4.1 Gronden van sociale sluiting

In alle ervaringswetenschappen was en is de vraag naar de oorzaken van bepaalde verschijnselen een belangrijke stap in de richting van hun theoretische verklaring. Juist in de discussies over sociale ongelijkheden blijkt echter hoezeer de vraag naar de oorsprong aanleiding kan zijn tot grote verwarring. Een deel van de onduidelijkheid over de 'grondslagen', 'bases' of 'oorzaken' van sociale ongelijkheden ontstaat in de eerste plaats omdat er geen scherp analytisch onderscheid gemaakt wordt tussen (1) oorzaken van historische ontstaan, (2) de structurele gronden van het (voort)bestaan of van de reproduktie van sociale ongelijkheden, en (3) de oorzaken van verandering of transformatie van eenmaal geïnstitutionaliseerde ongelijkheidspatronen. Deze oorzakenbundels kunnen identiek zijn of in elkaars verlengde liggen, maar dat is lang niet altijd en zeker niet noodzakelijkerwijs het geval. De historisch-initiële factoren (zoals 'oorspronkelijke toeëigening' op basis van eigen arbeid, overdracht of geweld) die een rol spelen bij het ontstaan van specifieke ongelijkheidsstructuren hoeven dus niet identiek te zijn met de reproduktieve factoren die bepalend zijn voor het voortbestaan of de transformatieve factoren die de verandering van die structuren bewerkstelligen.[20]

Max Weber heeft juist deze verschillen op het oog wanneer hij in "Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus" [1905] opmerkt dat het ascetische protestantisme een zeer belangrijke historische rol vervulde voor het ontstaan van het moderne kapitalistische economische systeem: naast talloze andere factoren stond er "een bepaalde, constitutieve component van de levensstijl" aan de wieg van het moderne kapitalisme [PE II:169]. Door de nadruk op beroepsplicht en rationele ascese kon de protestantse ethiek een van van de constitutieve momenten vormen van de 'kapitalistische geest' [idem: 285]. Het religieuze leven van de protestanten, hun hierdoor bepaalde familietradities en levensstijl creëerde een specifieke habitus die hen geschikt maakte om aan de specifieke eisen van het vroeg-kapitalisme te voldoen [idem: 318]. De unieke betekenis van de protestantse ethiek voor het ontstaan van het kapitalisme betekent echter niet dat deze ook doorslaggevend zou zijn voor het voortbestaan van dit economisch stelsel. De 'burgerlijke beroepsethiek' blijft tegenover de enorme psychische weerstanden en voor-kapitalistische tradities haar betekenis houden totdat "het op zuiver mechanische basis berustende kapitalisme van tegenwoordig dit steunpunt kont missen" [idem:285]. De protestantse ethiek en levensstijl mag dan voor het ontstaan van het kapitalisme een uitermate belangrijke kracht zijn geweest, voor het voortbestaan van dit economisch stelsel is deze factor volgens Weber in toenemende mate irrelevant [vgl. Weber RS:36,55, 204].[21]

Een tweede bron van verwarring is dat de positionele en personele referentiepunten niet goed uit elkaar worden gehouden. Bij de structurering van ongelijke sociale posities gaat het om de bundel van factoren die - onafhankelijk van hun historische oorspronkelijkheid en legitimiteit - bepalend zijn voor het verwerven en overdragen van beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen. Bij de recrutering van individuen op ongelijke posities gaat het om de bundel factoren die bepalend zijn voor de allocatie van personen of groepen in structureel ongelijke posities of levenssituaties. De criteria op grond waarvan de toegang tot ongelijke posities en hiermee samenhangende levenskansen en -situaties wordt gereguleerd kunnen identiek zijn met de factoren die bepalend zijn voor positionele ongelijkheden, maar dit is in de regel niet altijd en zeker niet noodzakelijk het geval.


Weber gaat niet uitvoerig in op de relatie tussen historisch-initiële oorzaken en reproduktieve/transformatieve grondslagen van sociale ongelijkheid. En ook de relatie tussen positionele en personele dimensies worden door hem niet theoretisch behandeld. Hij gaat echter wel cursorisch in op de 'motieven' van sociale sluiting, welke hij direct koppelt aan de typisch vormen van monopolies [§ 3.2] en op de mechanismen waardoor beschikkingsmacht wordt verkregen en overgedragen [§ 3.3].

4.2 Het motief van sociale sluiting

Het motief van sociale sluiting is volgens Weber altijd het beperken van het aantal feitelijke of potentiële deelnemers aan de strijd om als schaars ervaren en gedefinieerde levenskansen [WG 201]. Daarbij onderscheidt hij drie soorten motieven.
  1. Sociale sluiting kan gemotiveerd zijn door het schaars worden van de kansen in verhouding tot de (consumptieve) behoeften [WG 25]. De omvang van de bronnen en kansen waarvan de levensstandaard van een individu of groep afhankelijk is noemt hij de 'voedingsspeelruimte' [WG 45 e.v.]. Het kleiner worden van het aanbod van kansen in verhouding tot de behoeften motiveert het ontstaan van 'consumptiemonopolies'. Het archetype hiervan is de dorpsgemeenschap die in haar eigen levensonderhoud kan voorzien (markgemeenschap).

  2. Sociale sluiting kan ook gemotiveerd zijn door het schaars worden van de 'verwervingskansen'. De 'verwervingsspeelruimte' is de omvang van de bronnen en economische kansen vanuit het gezichtspunt van hun mogelijke rol als bronnen van inkomsten en inkomens. Als deze speelruimte kleiner wordt, bevordert dit het ontstaan van 'verwervingsmonopolies'. Het archetype hiervan zijn de gilden en de oude monopolies op visrechten [WG 25}.

  3. Het handhaven of hooghouden van de kwaliteit van de prestaties is het derde motief voor sociale sluiting. Dit motief is meestal gecombineerd met het belang bij prestige en de daaraan verbonden 'Chancen der Ehre', soms ook met nog profanere winstkansen. Als voorbeelden noemt hij de ordes van asceten of monniken (bijvoorbeeld de Indische orde van bedelmonniken), religieuze sekten (bijvoorbeeld de Puriteinen), georganiseerde groepen krijgers, gilden van handwerkslieden en professionele monopolies, politieke burgerorganisaties en organisaties van beambten [WG 24].
Hoewel deze drie 'motieven' van sociale sluiting regelmatig terugkeren in Weber's uiteenzetting kent hij hieraan geen vergaande theoretische pretenties toe. Hij thematiseert bijvoorbeeld niet de sociaal-historische achtergronden en sociaal-structurele oorzaken van sociale sluiting die de door hem genoemde 'motieven' in werking laten treden.

Plaatje
Naar volgende hoofdstuk: II Sociale Sluiting (deel 2)
Naar Inhoudsopgave


1 Vgl. NEUWIRTH [1969], REX [1970], WILSON [1973].
2 Vgl. RUESCHEMEYER [1964], COLLINS [1971], JOHNSON [1972, 1977], BESTAUT [1975], PARRY [1976], FREIDSON [1977] e.a.
3 Vgl. PARKIN [1974, 1979], KRECKEL [1982], MURPHY [1980, 1985, 1986a, 1986b].
4 Vgl. LENSKI [1966:3], LASSWEL/KAPLAN [1950:63], DEN HARTOGH [1984:80].
5 Een uitvoerige uiteenzetting over het basisbegrip 'objecten van toeëigening' geven BADER/ BENSCHOP [1988:81 e.v.]
6 Een sociale relatie wordt door Weber strijd genoemd "wanneer het handelen georiënteerd is op de bedoeling de eigen wil door te zetten tegen het verzet van de partner{s}" [WG: 20]. Wanneer in de bestaansstrijd om levens- of overlevingskansen deze 'sinnhafte Kampfabsicht' tegen elkaar ontbreekt, dan is er sprake van 'sociale selectie' (wanneer het gaat om de kansen van levenden in het leven) of 'biologische selectie' (wanneer het gaat om overlevingskansen van erfgoed).
7 BADER/BENSCHOP [1988:69-71] werken vier afbakeningen uit om deze uitgangsstelling te preciseren. Ik zal ze hier kort worden samenvatten.
8 Volgens Weber is het voor deze algemene definitie irrelevant of deze beschikkingsmacht 'uiterlijk' (conventioneel of juridisch) wordt gegarandeerd (door conventies en wetten). De (relatieve) stabiliteit van een feitelijke beschikkingsmacht kan immers ook berusten op gewoontes, zeden en gemeenschappelijkheid van belangen. Het onderscheid tussen 'uiterlijke' mechanismen van garantie/transformatie en 'innerlijke' mechanismen van stabilisatie/destabilisatie komen in § 6 uitvoeriger aan de orde.
9 Vgl. SHILS [1969:343], BETEILLE [1972:2], SCHUYT [1972:344], GIDDENS [1973:130 e.v.], KRECKEL [1982], BOLTE [1983:394], DOYAL/GOUGH [1986:50]. DAHRENDORF [1979] heeft een uitvoeriger poging gedaan om het begrip normatief, politiek en theoretisch te onderbouwen. RITSERT [1987:21 e.v.] merkt terecht op dat de begrippen 'kans' en 'levenskans' bepalend zijn voor Weber's klassentheorie, maar dat zij niet eenvoudig zijn. Hij reduceert echter - net als GIDDENS [1973:130 e.v.] - het begrip levenskansen te snel (en zonder verdere argumentatie) tot 'materiële bestaansvoorwaarden'.
10 Ik beperk me hier in eerste instantie bewust tot positionele ongelijkheden. De allocatieve ongelijkheden zijn het gevolg van mechanismen waardoor de toegang tot ongelijk gestructureerde posities voor buitenstaanders worden gesloten of beperkt. Zie verder § 4.
11 BADER/BENSCHOP [1988:86-93] geven een uitvoeriger overzicht van gangbare indelingen en zetten de bezwaren hiertegen op een rij.
12 Vgl. bijvoorbeeld LENSKI [1966], KRECKEL [1976, 1982], BOURDIEU [1979], WRIGHT [1985].
13 Vervalt.
14 Ter illustratie van dit laatste memoreert Weber de gebeurtenissen tijdens de slag bij Fontaney in 1745. De Franse veldheer Maurice de Saxe kondigde daarbij een eenzijdige openingsronde af met de woorden: Messieurs les Anglais tires les premiers. De Franse legers leden hierdoor zeer grote verliezen - hoewel de Engelsen onder leiding van de Duke of Cumberland uiteindelijk wel het onderspit dolven.
15 Vgl. hiervoor de conflicttheoretische bijdrage van KRIESBERG [1973].
16 Natuurlijk speelt geweld ook bij geïnstitutionaliseerde overdrachtsmechanismen indirect wel degelijk een prominente rol als 'laatste dekkingsgarantie'. En daarom spreekt ook Weber in dit verband nadrukkelijk van formeel vrijwillige en vreedzame mechanismen.
17 Een sociaal-wetenschappelijk zinvol eigendomsbegrip moet zowel worden afgebakend van het 'dingmatige' eigendomsbegrip als van het 'absolute' of totale eigendomsbegrip (en met de hiermee samenhangende politieke notie van 'absolutie soevereiniteit'). De kleinste gemeenschappelijke noemer van het historisch zo sterk variabel eigendomsbegrip lijkt te zijn, dat het om een quasi achtetypische toerekeningsrelatie van subject en object gaat [SCHWAB 1975:65]. Eigendom is een recht en geen ding; het is ook niet eenvoudig een relatie tussen een subject ('eigenaar') en een ding, maar een relatie tussen de eigenaar en andere individuen met betrekking tot specifieke objecten [vgl. MACPHERSON 1978:1]; COHEN 1978:158]. Eigendom is een door mensen gecreëerde institutie welke bepaalde relaties tussen mensen schept en realiseert; het is geen predikaat of natuurlijke eigenschap van objecten. Het lange tijd dominerende 'absolute' eigendomsbegrip uit de traditie van het Romeinse recht lag ten grondslag aan de codificaties van de belangrijkste continentale civiele grondwetten. In de Franse Code Civil kunnen we lezen: "La proprieté est le droit de jouir et de disposer des choses de la manière la plus absolu, pourvu qu'on ne fasse pas un usage prohibité par la loi ou par les règlements" [art. 544]. In alle hierop georiënteerde wetboeken komen we steeds dezelfde elementen tegen: (a) de eigenaar kan naar willekeur beschikken over zijn zaak, (b) is gerechtigd anderen van het gebruik, genot en dispositie uit te sluiten, (c) voorzover hiermee de wetten of reglementen van de rechtsorde niet worden geschonden. Vgl. KAHN-FREUND [1965], EÖRSI [1979:65 e.v.], WELKOBORSKY [1976:28].
18 Vgl. BADER/BENSCHOP [1988:383, noot 50].
19 MACPHERSON [1973:123] definieert eigendom als "an enforceable claim to some use or some benifit of something." Privé-eigendom impliceert het recht van een individu (of een corporatieve eenheid) om anderen van dit gebruik of voordeel uit te sluiten. Zie voor een kritisch commentaar: BADER/BENSCHOP [1988:382 e.v.].
20 Op dit punt zijn de studies van SIGRIST [1967] en WIEHN [1968:10] wel verhelderend. Een klassiek theorie-historisch overzicht geeft FAHLBECK [1922]. De verklaringskracht van 'zuiver natuurlijke' verschillen tussen individuen voor het ontstaan en de reproduktie van gestructureerde sociale ongelijkheid laat ik hier buiten beschouwing: zij verklaren zo weinig dat we ze in dit verband mogen verwaarlozen. Vergelijk hiervoor het kritisch overzicht dat KOMBERLY geeft van de functionalistische en sociaal-psychologische verklaringsmodellen van het ontstaan van stratificatie vanuit natuurlijke verschillen tussen individuen. Verder ga ik hier ook voorbij aan de discussie over oorzakelijke en teleologische (of finalistische) verklaringsprincipes.
21 Bij Marx vind men methodisch gezien een identieke benadering. Superieur geweld is historisch gezien een doorslaggevende factor voor het ontstaan van nieuwe uitbuitingsrelaties: van de koloniale oorlogen van de Griekse stadstaten, de veroveringstochten van het Imperium Romanum, de verovering van 'geciviliseerde hoogculturen' door nomaden via de rooftochten van de feodale ridders, de gewelddadige onteigening van de boeren door de 'ridders van de industrie' tot aan het kapitalistische kolonialisme en imperialisme en de afpersingspraktijken van de diverse moderne maffia's. Geweld is weliswaar kenmerkend voor de zogenaamde oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal [MEW 23:788; vert. 593] en als zodanig uitgangspunt van de kapitalistische arbeidswijze, maar zodra dit stelsel op eigen benen staat treedt bij haar uitgebreide reproduktie het geweld naar de achtergrond [MEW 23:765; vert. 575]. Haar voortbestaan wordt primair veroorzaakt door het 'normale' - formeel vreedzame - economische proces van kapitaalaccumulatie - en slechts bij uitzondering gegarandeerd door direct - 'buiten-economisch' - geweld.

Plaatje
Naar volgende hoofdstuk: II Sociale Sluiting (deel 2)
Naar Inhoudsopgave

Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact