Sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
II Sociale Sluiting
De schijnbaar nutteloze moeizame definitie van deze feiten illustreert
dat juist het vanzelfsprekende (omdat het aanschouwelijk is ingeleefd)
het minst 'gedacht' pleegt te worden [WG 23].
1 Algemene theorie van sociale ongelijkheid ?
1.1 Beperkte pretenties
Weber stelde - net als Marx - het klassebegrip niet
gelijk met het algemene begrip van sociale ongelijkheid. Niet alle
vormen van gestructureerde sociale ongelijkheid zijn immers
ongelijkheid tussen klassen of uitwerkingen van klassentegenstellingen.
Sociale ongelijkheid is dus een veel omvattender begrip dan
klasse-ongelijkheid. Elke niet-reductionistische klassentheorie
veronderstelt dus in zekere zin een meer algemeen begrip van
grondslagen en mechanismen, vormen en dimensies van sociale
ongelijkheid. Weber heeft zijn opvattingen over sociale ongelijkheid
niet systematisch uitgewerkt. Wel gaf hij een aantal elementen die
bruikbaar zijn voor een algemene thematisering van sociale
ongelijkheden. Het archimedisch punt van zijn benadering is het thema
van sociale sluiting. Aan zijn behandeling van dit thema is door
sociale wetenschappers en historici lange tijd weinig aandacht besteed.
Daarin is enige verandering gekomen door pogingen om het
sluitingsthema vruchtbaar te maken voor het onderzoek naar racisme[1] en professionalisering.[2] De laatste
jaren speelt de sociale sluitingsproblematiek een
rol in de hernieuwde belangstelling voor algemene theorie van sociale
ongelijkheid in de neo-weberiaanse traditie.[3]
De elementen die Weber aandraagt voor een theorie van sociale
ongelijkheid zijn deels verondersteld, deels geïmpliceerd in zijn
verhandeling over klassen en standen. De verbindingen tussen het
sociale sluitingsthema en zijn analyse van klassen en standen is niet
overal even transparant, maar ze zijn wel degelijk aanwezig. In een
aantal passages van Wirtschaft und Gesellschaft ging Weber directer in
op het thema van sociale sluiting. Deze passages staan met name in het
eerste hoofdstuk van het eerste deel [§ 10: Offene und
geschlossene Beziehungen] en in het tweede hoofdstuk van deel twee
[§ 2: Offene und geschlossene Wirtschaftsbeziehungen].
Om de precieze betekenis van Webers bijdrage aan een theorie van sociale
ongelijkheid te achterhalen moet zijn analyse van sociale sluitingsprocessen worden gereconstrueerd. Daarbij doet men er goed aan rekening te houden met de bescheiden pretenties die Weber zelf had.
In Wirtschaft und Gesellschaft gaat Weber hoofdzakelijk ideaaltypisch te werk en doet slechts hier en
daar meestal niet uitgewerkte uitspraken over structurele samenhangen en ontwikkelingstendensen. Hij ziet in eerste instantie bewúst af van het geven van werkelijke theoretische verklaringen. Hij wil zich beperken tot sociologische typologisering [WG 63]. De ideaaltypen die hij presenteert zijn louter analytische
constructies en concepten die dienen om de werkelijkheid beter te begrijpen. De eigenaardigheid van deze abstracties is dat haar begrippen tegenover de concrete historische realiteit relatief inhoudsloos moeten zijn [WG 9]. In de historische werkelijkheid treft men geen van deze typen in zuivere vorm aan, tussen het begrip en het begrepene blijft altijd een hiatus irrationalis bestaan [Schluchter 1979:24]. Dit is echter geen valide bezwaar tegen pogingen om de conceptuele formuleringen zo scherp mogelijk te maken. Scherpe scheiding is in de werkelijkheid vaak niet mogelijk, maar dit maakt duidelijke begrippen (d.i. analytische onderscheidingen) des te
belangrijker [WG 123]. De doelmatigheid van dergelijke classificaties
kan alleen worden beoordeeld aan de hand van de resultaten die zij
bieden bij het bevorderen van systematische analyse [WG 124]. In het
kennisproces vervullen ideaaltypen een heuristische functie; het zijn
kennismiddelen die een leidraad vormen voor hypothesevorming en
ordening van het historisch materiaal.
Weber heeft dus zeker niet
de pretentie om een algemene structuur- en ontwikkelingstheorie van
sociale ongelijkheid te ontwerpen. Vanuit zijn methodologische
uitgangspunten kan er zelfs überhaupt geen sprake zijn van een
algemene (laaat staan universele) theorie van sociale ongelijkheid.
1.2 Structurering van de problemen
De theoretische taal op het
onderzoeksgebied van sociale ongelijkheid vertoont zo'n grote
ambiguïteit en inconsistentie, dat het grote voordelen heeft om de
vraag naar sociale ongelijkheid in eerste instantie in zo alledaags
mogelijke termen te formuleren. In essentie gaat het bij sociale
ongelijkheid altijd om de op zichzelf simpele klassieke vraag: Wie krijgt
wat en waarom?[4] Als referentiekader tegen de achtergrond waarvan
we de belangrijkste problemen kunnen identificeren in Weber's
benadering van sociale ongelijkheid vertrek ik vanuit de volgende vraag:
Wat kan door wie, waarom, hoe en hoelang, in welke mate en binnen
welke grenzen worden toegeëigend, en hoe worden de resultaten
van deze toeëigening gestabiliseerd en gegarandeerd?
[Bader/Benschop 1988:77]. Ik zal deze op zichzelf eenvoudige, maar
nogal omvangrijke vraag eerst opsplitsen in een aantal afzonderlijke
probleemcomplexen.
- a. Wát kan worden
toegeëigend?
- In het centrum van een algemene theoretische
benadering van sociale ongelijkheden staat mijns inziens altijd de
analyse van de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over
objecten (maatschappelijke bronnen en beloningen)[5] die bepalend zijn
voor de ongelijke verdeling van sociale levens- en politieke
handelingskansen van individuen, groepen of klassen. Elke theorie van
sociale ongelijkheid zou daarom uitspraken moeten bevatten over de
vraag, wát de objecten zijn die kunnen worden
toegeëigend en waarover feitelijk beschikkingsmacht kan worden
uitgeoefend. In eerste instantie gaat het dus om de simpele, maar
onderzoeksstrategisch uiterst relevante vraag wat er in technisch en
sociaal opzicht kan worden toegeëigend. Waarover kan feitelijk
worden beschikt, d.w.z. over wat voor soorten objecten kan feitelijke
beschikkingsmacht worden uitgeoefend? Voor de beoordeling van
Weber's bijdrage is het daarbij van vitaal belang de reikwijdte en
theoretische status te bepalen van het door hem gehanteerde begrip
'sociale levenskansen'. Wat verstaat hij onder levenskansen en wat is de
precieze relatie tussen levenskansen en 'objecten van toeëigening'?
- b. Wié kunnen zich deze objecten toeëigenen?
- Een vraag die aanzienlijk minder problemen zal opleveren is, wat de
mogelijke subjecten van toeëigening zijn. Wie kunnen feitelijke
beschikkingsmacht uitoefenen over toegeëigende objecten en wat
zijn de potentiële en/of actuele actoren in processen van sociale
sluiting?
- c. Waaróm kunnen objecten worden
toegeëigend?
- De vraag waarom objecten kunnen worden
toegeëigend en sociale levenskansen kunnen worden
gemonopoliseerd levert meestal heel wat meer problemen op. De
moeilijkheid in de discussies over de grondslagen of oorzaken van
sociale ongelijkheid is dat daarin verschillende problemen met elkaar
worden vermengd en dat de analytische referentiepunten vaak impliciet
blijven. Om een zinvol antwoord te kunnen geven op de 'waarom' vraag
zou in de eerste plaats een duidelijk onderscheid gemaakt moeten
worden tussen (a) historisch-initiële oorzaken -
'ontstaansoorzaken' en (b) sociaal-structurele gronden van het
voortbestaan - 'reproduktieve oorzaken' of 'bestaansgronden' en
(c) transformatieve factoren van sociale ongelijkheden
-'veranderingsoorzaken'. In de tweede plaats zou er een helder
onderscheid gemaakt moeten worden tussen de factoren en
mechanismen die bepalend zijn voor (a) de structurering van ongelijk
beloonde sociale posities en voor (b) de selectieve recrutering van
ongelijk gewaardeerde individuen op die ongelijk gestructureerde
posities.
Elke (pro-)theorie van sociale ongelijkheid zou dan ook
getoetst moeten worden op de mate waarin zij erin slaagt om 1) zowel
de historisch-initiële als structureel-reproduktieve en
transformatieve factorenbundels te analyseren, als om 2) de positionele
en personele referentiepunten duidelijk te identificeren. We zullen dus
nagaan welke sociaal-historische achtergronden en sociaal-structurele
grondslagen van toeëigenings- en sociale sluitingsprocessen door
Weber worden behandeld. Welke factoren zijn volgens hem bepalend
voor de selectieve recrutering (of 'allocatie') van personen/ groepen in
ongelijk gestructureerde levensposities? En op grond van welke criteria
kunnen individuen, groepen of klassen van bepaalde levenskansen
worden uitgesloten?
- d. Hoé en met welke middelen kan
beschikkingsmacht over objecten worden verkregen of overgedragen?
-
Beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en
beloningen komt niet uit de lucht vallen, ze moet worden verworven zo
niet veroverd, en ze moet - wil ze enige sociaal-historische stabiliteit
vertonen - kunnen worden overgedragen. Wat is het mechanisme en wat
zijn de middelen waarmee beschikkingsmacht kan over objecten kan
worden verworven? En hoe kunnen eenmaal verworven
beschikkingsmachten (resp. gemonopoliseerde levenskansen) worden
overgedragen?
- e. Hoe lang kan de uitoefening van
beschikkingsmacht duren?
- Niet elke beschikkingsmacht over objecten
en niet elk gebruik van levenskansen leidt zonder meer tot
gestructureerde sociale ongelijkheid. Dat is alleen het geval wanneer de
betreffende toeëigeningen enige duurzaamheid vertonen. Nu is de
beschikkingsmacht over objecten in tijd zeer gedifferentieerd en
daarom zijn er vele variaties in de duurzaamheid van
toeëigeningen. We zullen dus nagaan hoe Weber deze
tijdsdimensie van gestructureerde ongelijkheden behandelt en in het
bijzonder hoe hij de differentiatie van duurzaamheid van
beschikkingsmachten thematiseert.
- f. In welke mate kan
beschikkingsmacht worden uitgeoefend?
- Van gestructureerde sociale
ongelijkheid is slechts sprake wanneer de betreffende toeëigening
niet alleen een zekere duurzaamheid, maar ook een zekere effectiviteit
vertoont. Structurele ongelijkheid veronderstelt dus altijd een zeker
minimum aan feitelijke, effectieve beschikkingsmacht. De
beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen en beloningen is
slechts zelden binair gepolariseerd - ze is dus niet alleen in tijd, maar
ook inhoudelijk sterk gedifferentieerd. Sociale ongelijkheid begint dus
niet pas wanneer er sprake is van volledige of absolute
beschikkingsmacht. Maatschappelijke bronnen en beloningen kunnen in
verschillende mate en graden worden toegeëigend, en hierdoor
verschilt ook de mate van effectiviteit van toeëigeningen. In elke
analyse van sociale ongelijkheden zou daarom aandacht besteed moeten
worden aan de vraag, in welke mate en binnen welke grenzen er sprake
is van feitelijke beschikkingsmacht. Meer in het bijzonder zullen we
nagaan hoe Weber het probleem behandelt van de inhoudelijke deling
(differentiatie), personele verdeling (delegatie) en externe beperking
(limitatie) van beschikkingsmachten.
- g. Wat zijn resultaten van
toeëigening?
- Toeëigening leidt altijd tot een zekere vorm
van 'eigendom'. Het sociaal-wetenschappelijk zeer omstreden
eigendomsbegrip wordt ook door Weber gehanteerd in zijn analyse van
de resultaten van sociale sluitingsverschijnselen. Ongelijke
beschikkingsmacht over objecten leidt enerzijds tot het ontstaan van
'toegeëigende kansen' (Weber), die onder bepaalde voorwaarden
de vorm aan kunnen nemen van 'rechten' of 'eigendommen'. Anderzijds
ontstaan er 'gesloten sociale verhoudingen' en min of meer
tegenstrijdige 'belangengroepen', waaruit zich onder bepaalde
voorwaarden politieke handelingscollectieven kunnen vormen. We zullen
nagaan op welke wijze Weber de begrippen 'toegeëigende kansen',
'rechten' en 'eigendom' van elkaar afbakend.
- h. Waardoor wordt
een ongelijke verdeling van beschikkingsmachten gestabiliseerd en
gegarandeerd?
- Object van analyse zijn de gestructureerde en
duurzame vormen van sociale ongelijkheid en niet zozeer de incidenteel
of kortstondige verschijnselen ervan. Daarom zullen we speciale
aandacht besteden aan de mechanismen die ervoor zorgen dat de
feitelijke ongelijke verdeling van beschikkingsmachten in stand wordt
gehouden. Waardoor krijgt de ongelijke verdeling van levenskansen
maatschappelijke regelmaat en stabiliteit? Welke mechanismen
garanderen de continuïteit van sociale ongelijkheid? Deze vraag
naar de stabiliteits- en continuïteitsvoorwaarden heeft een voor
de hand liggende keerzijde: welke factoren bewerkstelligen instabiliteit
en discontinuïteit? Wat zijn aanknopingspunten voor structurele
verandering (terugdringing, minimalisering, opheffing) van sociale
ongelijkheden?
1.3 Het mechanisme van sociale sluiting
In
het centrum van Weber's analyse van sociale ongelijkheid staat de
ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over essentiële
maatschappelijke bronnen, welke de ongelijke verdeling van
levenskansen en daarmee de sociale levenssituatie van individuen
bepalen. Zijn uitgangspunt is "de existentiële strijd van
menselijke individuen of sociale typen om levens- of
overlevingskansen" [WG 20]. De strijd om sociale levenskansen hoort
voor hem bij de essentie van het menselijk bestaan.[6] Hoewel dit
antropologisch getinte uitgangspunt door Weber niet nader gemotiveerd
wordt, kan het als heuristische principe een nuttig en nuchter
uitgangspunt zijn. Sociale ongelijkheden zijn immers altijd het resultaat
van concurrentie of strijd om als schaars ervaren en gedefinieerde
bronnen en beloningen (of levenskansen).[4]
De inzet van deze strijd is het verwerven van "eigen beschikkingsmacht over kansen welke ook
door anderen worden begeerd" [idem]. De "drijvende kracht" [WG 202]
van processen van sociale sluiting is altijd de tendens om bepaalde
levenskansen te monopoliseren. Deze tendens keert zich tegen andere
mededingers om deze levenskansen die een bepaald positief of negatief
kenmerk gemeen hebben. Het doel hiervan is altijd "het sluiten van
de betreffende kansen voor buitenstaanders" [WG 202]. Door sociale
sluiting wordt een deel van de actuele of potentiële mededingers
om levenskansen uitgesloten van medeconcurrentie [WG 201].
Het
algemene resultaat van processen van sociale sluiting is enerzijds een
feitelijke ongelijke verdeling van levenskansen, anderzijds het ontstaan
van gesloten sociale verhoudingen en gemeenschappen (=
belangengemeenschappen). Deze resultaten worden op verschillende
manieren gestabiliseerd en gegarandeerd. Dit impliceert ook dat er
bepaalde sociale of fysieke kenmerken worden gebruikt als
rechtvaardigingsgrond van uitsluiting.
Sociale sluiting is
het proces waardoor sociale groeperingen of collectiviteiten proberen
beloningen te verwerven, vergroten of behouden door het beperken van
de toegang tot positief geprivilegieerde posities tot een beperkte kring
van uitverkorenen. Sociale sluiting impliceert dus altijd zowel het
verwerven van toegang tot geprivilegieerde posities, als het beperken
of afsluiten van de toegang tot deze posities voor anderen.
2 Wat kan worden toegeëigend?
2.1 Beschikkingsmacht over kansen
Een
sociaal-wetenschappelijke analyse van sociale ongelijkheden moet zich
volgens Weber primair richten op de feitelijke empirische verdeling van
beschikkingsmachten over specifieke objecten. Het begrip beschikkingsmacht (Verfügungsgewalt) wordt door Weber voornamelijk uitgewerkt in relatie tot economische kansen. Daar merkt hij op dat elke organisatie van de economie altijd de een of andere feitelijke verdeling van beschikkingsmacht impliceert en dat het begrip
beschikkingsmacht niet mag ontbreken als sociologisch begrip van het
economisch handelen [WG 33].[8]
Er zijn echter geen redenen om het begrip beschikkingsmacht niet te generaliseren tot alle mogelijk toe te
eigenen kansen. Hierdoor kan het concept beschikkingsmacht worden
ingevoerd als basisbegrip in een algemene theorie van sociale
ongelijkheden. Ook Weber lijkt hiertoe soms over te gaan. Hij spreekt in
het algemeen over beschikkingssmacht over kansen zonder beperking
aan te brengen tot economische kansen [WG 20,23; vgl. p. 47]. Verder
spreekt hij in het algemeen over toegeëigende kansen [WG 23] en
toegeëigende beschikkingsmachten [WG 202].
Wat zijn nu de objecten die feitelijk kunnen worden toegeëigend en waarover
reële beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend? Volgens Weber
zijn dat alle kansen ter bevrediging van innerlijke of uiterlijke
belangen [WG 23]. Objecten die kunnen worden toegeëigend en
waarover beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend zijn
bijvoorbeeld:
- niet alleen concrete zakelijke goederen
(fysieke objecten zoals grond, produktiemiddelen, geweldsmiddelen
e.d.), maar evenzeer alle denkbare soorten sociale en economische
kansen [WG 202];
- economische kansen op beschikkingsmacht
over zakelijke of persoonlijke utiliteiten (goederen en diensten) die
door een economische orde in het vooruitzicht gesteld of gegarandeerd
worden [WG 34 e.v.]; daarbij gaat het zowel om verwervingskansen
- winstkansen [WG 24,70], ruilkansen [WG 43] -. als om
consumptiekansen;
- sociale relaties die gewaardeerd worden
als potentiële bron van actuele of toekomstige beschikkingsmacht
over utiliteiten [WG 34];
- seksuele kansen die de inzet vormen
van de regelloze concurrentie tussen erotische mededingers om de
gunst van een vrouw [WG 20];
- politieke machtskansen, die de
inzet vormen van de strijd tussen politieke partijen om de kiezersgunst
en aandelen in de staatsmacht [WG 667,833,852,854];
- prestige-kansen en daaraan klevende Chancen der Ehre [WG
24].
Deze reeks zou men aan de hand van Weber's teksten verder kunnen
aanvullen en differentiëren. De algemene lijk van zijn benadering
is echter duidelijk: alle natuurlijk gegeven of maatschappelijk
geproduceerde kansen die het materiële, ideële, psychische
en sociale leven van de mensen bepalen kunne in principe object van
toeëigening worden.
2.2 Het concept levenskansen
Het begrip levenskansen speelt in Webers benadering
van sociale sluitingsprocessen een sleutelrol, maar hij nam het nooit op
in zijn catalogus van sociologische basisbegrippen. De theoretische
status van het concept werd door Weber zelf niet gepreciseerd en hij
ontwikkelde evenmin een systematische kasuïstiek van de
objecten en kansen waarom het gaat8 [WG 202]. Zijn
notie van levenskansen bleef daardoor rudimentair en ambigu.
In zijn conservatief-meritocratische essay Live Chances merkt Ralf Dahrendorf
terecht op dat Webers concept van levenskansen eerder suggestief dan
conclusief, eerder stimulerend dan volledig ontwikkeld is. Het is
gemakkelijker om met levenskansen om te gaan in de gestrengheid van
de abstractie of in willekeur van lyrische waterkleuren dan het concept
in zijn elementen te definiëren en te operationaliseren
[Dahrendorf 1979:75; vgl. ook p. 29,43,73]. Frank Parkin heeft een poging
gedaan om in aansluiting bij Webers aanzet voor een theorie van sociale
sluiting een single framework te construeren waarmee alle
maatschappelijke splitsingen en delingen geanalyseerd kunnen worden.
Hij neemt de aanzet van Weber echter niet erg gedifferentieerd op en
gaat helemaal voorbij aan de fundamentele vraag naar de differentiatie
van de schaarse en begeerde objecten van sociale sluiting. Ondanks de
aangekondigde 'refinements en enlargements' van Weber's aanzet
spelen voor de nieuwe sociology of action de objecten van sociale
sluiting geen enkele rol van betekenis. Hij gaat namelijk - zoals
Giddens terecht opmerkte - bij Parkin niet meer om de analyse
van structurering van machtskansen, maar om beschrijving van
handelingsstrategieën zelf [Parkin 1979:42,44 e.v.].
Het is des te opmerkelijker dat sociale wetenschappers die zich op het werk
van Weber beroepen niet of nauwelijks geprobeerd hebben de
theoretische status en reikwijdte van het concept levenskansen te
expliciteren; zij maken - net als Weber - min of meer
terloops gebruik van de term.[9] Even schamel zijn de pogingen om op
basis van geëxpliciteerde en theoretisch verantwoordde criteria
een systematiek te ontwerpen van de verschillen soorten of typen
levenskansen.
Op beide punten moet de aanzet van Weber nader
worden gepreciseerd en uitgewerkt. Ik wil hiervoor een aantal
mogelijkheden aanduiden.
2.2.1 Het kansbegrip
Het
kansbegrip heeft bij Weber verschillende betekenissen.
- In de eerste
plaats hanteert hij het kansbegrip wetenschapstheoretisch en
statistisch, dat wil zeggen als aanduiding van een louter statistisch
(gekwantificeerde) waarschijnlijkheid van optreden van bepaalde
verschijnselen [vgl. WG 5]. Soms bevat zijn kansbegrip ook duidelijk
individualistische of speltheoretische connotaties.
- In de tweede plaats
hanteert Weber een maatschappijtheoretisch kansbegrip als een
effectief middel tegen reïficatie. Het primaire en expliciete motief
voor het definiëren van sociale verhoudingen in termen van kansen
is, dat Weber elke hypostasering van sociale formaties tot entiteiten
van een hogere orde wil vermijden. Het gebruik van het kansbegrip
vloeit voort uit zijn intentie om de sociologie als empirische wetenschap
te funderen [Weiß 1975:88]. Daarmee is echter nog weinig gezegd
over de theoretische status en reikwijdte van het kansbegrip in zijn
benadering van sociale sluiting.
- Het kansbegrip wordt door Weber in de
derde plaats gebruikt in het kader van zijn analyse van sociale
sluitingsprocessen. De term sociale levenskansen wordt daarbij soms
breed gehanteerd als een aanduiding voor de objecten van
toeëigening; soms heeft het de engere betekenis van beloningen.
In de meest brede betekenis lijkt de term sociale levenskansen te
fungeren binnen een specifieke sociale ontologie. Voor Weber gaat het
immers steeds om levenskansen die verankerd zijn in de
maatschappelijke voorwaarden van het menselijke bestaan. Bij
levenskansen gaat het om een waarschijnlijkheid op grond van causale
relaties, om een structureel gedefinieerde waarschijnlijkheid
[Dahrendorf 1979:65].
Daarom zijn levenskansen ook geen
existentiële constante - het zijn geen voor eens en altijd
gegeven kwaliteiten, zij worden historisch ge(re)produceerd. De
natuurlijk gegeven en sociaal gecreëerde levens- en
overlevingskansen worden in de loop van de maatschappelijke
ontwikkeling vergroot (zoals de vergroting van de kans op een langer
leven). Er worden ook steeds weer nieuwe levenskansen geproduceerd
(zoals de kans op ruimtelijke mobiliteit op wereldschaal). En tenslotte
kunnen levenskansen daarbij ook worden uitgebreid, zodat zij voor
meer individuen toegankelijk worden (zoals kansen op educatie,
vacantie e.d.). Menselijke maatschappijen ontlenen hun kwaliteit aan
hun vermogen om meer mensen, meer en gelijke levenskansen te
bieden.
2.2.2 Sociale levenskansen en behoeften
De term
'sociale levenskansen' zou zodanig moeten worden afgebakend dat het
in het onderzoek naar sociale ongelijkheden een bruikbaar analytisch
concept wordt. Kernpunt van theorieën over gestructureerde
sociale ongelijkheden is de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht
van objecten die bepalend zijn voor levenskansen in verschillende
maatschappelijke verhoudingen. Door een ongelijke verdeling van
beschikkingsmachten zijn de kansen voor de bevrediging van een
diversiteit van menselijke behoeften eveneens ongelijk verdeeld.
Levenskansen omvatten alle natuurlijk gegeven en maatschappelijk
geproduceerde kansen voor de bevrediging van menselijke behoeften.
Onder 'sociale levenskansen' zou ik willen verstaan: alle maatschappelijk
gestructureerde kansen ter bevrediging van de meest uiteenlopende
menselijke behoeften. In deze omschrijving liggen een aantal
afbakeningen besloten.
- Het begrip levenskansen wordt hier in
meerdere opzichten breed opgevat. In de eerste plaats wordt het het
begrip levenskansen niet beperkt tot fysiologisch-biologische
overlevingskansen - zoals bij Svalastoga [1965] en Heller [1969].
In de tweede plaats zou het begrip ook niet beperkt moeten worden tot
strikt maatschappelijk geproduceerde levenskansen - zoals bij
Giddens [1973: 131] en [Kreckel 1976:347] -; het omvat tevens de
natuurlijk gegeven maar sociaal beïnvloedbare en gestructureerde
kansen. In de derde plaats zouden sociale levenskansen niet beperkt
moeten worden tot consumptiekansen. Sociale levenskansen omvatten
niet alleen (materiële) consumptiemogelijkheden, maar alle kansen
om de diverse individuele capaciteiten van mensen optimaal te kunnen
ontwikkelen (en dus ook kansen van zelfverwerkelijking en ontplooiing
in en door arbeid). In de vierde plaats zouden sociale levenskansen zo
breed moeten worden opgevat dat ze niet alleen materiële en
ideële goederen omvatten, maar ook sociale relaties en
prestigekansen [Bader/Benschop 1988:83].
- In
toeëigenings- of onteigeningsprocessen gaat het altijd om
objecten die wérkelijk kunnen worden toegeëigend. Het
gaat niet om de bevrediging van specifieke menselijke behoeften zelf,
welke het mogelijke gevolg zijn van toeëigeningen van deze
objecten. De bevrediging van de behoefte aan voedsel, een lang en
gezond leven, aan emotionele satisfactie of sociaal aanzien kunnen niet
als zodanig worden toegeëigend of maatschappelijk worden
geïnstitutionaliseerd. Het kunnen allemaal gevolgen zijn van
toeëigeningen. Wat feitelijk kan worden toegeëigend is dus
de kans op bevrediging van menselijke behoeften, en niet de actuele
bevredigingen zelf. Zoals winstkansen kunnen worden toegeëigend
door monopolisering van materiële arbeidsvoorwaarden,
prestatiekwalificaties en vormen van coöperatie en
coördinatie, zo kan de kans op een lang en gezond leven worden
toegeëigend door de monopolisering van geweldsmiddelen,
medische voorzieningen en kwalificaties e.d.; zoals politieke
machtskansen kunnen worden toegeëigend door monopolisering
van het recht op politieke partijvorming, zo kunnen de kansen op
emotionele en seksuele bevrediging worden toegeëigend door het
institutionaliseren van monopolies op de relationele, erotische of
huwelijksmarkt. Een bepaalde mate van effectieve bevrediging van
fysiologische, psychische, geestelijke of sociale behoeften kan niet
worden toegeëigend, wél de hiervoor noodzakelijke of
noodzakelijk geachte voorwaarden en middelen om deze behoeften te
bevredigen.
Het begrip levenskansen is dus weliswaar een zeer
breed en omvattend concept, maar zeker geen catch all term dat als
allesomvattend basisbegrip van het ongelijkheidsonderzoek kan
fungeren. Levenskansen zijn betrokken op individuele behoeften en op
de steeds verschillende waarderingen daarvan. En daarom is het niet
opportuun om het begrip ook te gebruiken voor de middelen of bronnen
die in de meest uiteenlopende activiteitsverhoudingen worden ingezet in
de strijd om de toeëigening van de levenskansen. Daarom
gebruiken wij het begrip synoniem met beloningen [Bader/Benschop
1988:84]. Zodra men de kansen om toegang tot levenskansen te
verwerven zelf ook als levenskansen gaat aanduiden wordt de
reikwijdte van begrip levenskansen te zeer overspannen en moet men
leren leven met een taalkundig monster.
2.3 Indeling van levenskansen
Positionele sociale ongelijkheden zijn het gevolg van
mechanismen waardoor de objectieve en subjectieve voorwaarden die
noodzakelijk zijn voor de bevrediging van menselijke behoeften door
een bepaalde sociale categorie worden toegeëigend of
geusurpeerd.[10] Daarom moet elke theorie van sociale ongelijkheid
expliciet en helder zijn ten aanzien van de vraag welke
maatschappelijke bronnen en beloningen in het geding zijn.
Weber
gaat niet in op de vraag hoe levenskansen in en door specifieke
maatschappelijke activiteitsverhoudingen zijn gestructureerd. Daarom
blijven ook de impliciete beslissingen die aan een indeling van
levenskansen ten grondslag liggen onbeargumenteerd. Om op dit punt
verder te komen zou meer aandacht besteed moeten worden aan (a) de
differentiatie van de maatschappelijke levensverhoudingen en (b) de
differentiatie van de objecten die binnen specifieke levensverhoudingen
kunnen worden toegeëigend.
- Om de veelvoud van
levenskansen te categoriseren wordt meestal gebruik gemaakt van
uitermate simpele tweedelingen (zoals
materiële/immateriële, objectieve/subjectieve) of
driedelingen (zoals economische, sociale en culturele levenskansen).[11]
Ralf Dahrendorf heeft gesuggereerd dat een simpele classificatie van
institutionele ordes heel geschikt is om een catalogus van
levenskansen te ontwerpen [Dahrendorf 1079:79]. Hij presenteert
daarbij zelf een classificatie van vijf institutionele ordes: levenskansen
van verwantschap, politieke levenskansen, economische levenskansen,
militaire levenskansen, religieuze levenskansen. Dergelijke simpele
classificaties kunnen nuttig zijn om de aandacht te vestigen op
specifieke thema's, maar in deze vorm is de systematisering van
levenskansen nog veel te ongedifferentieerd (waarom ontbreken
bijvoorbeeld veiligheidskansen, erotische kansen, educatiekansen?).
Bovendien is de keuze voor een institutioneel indelingscriterium
aanvechtbaar (bij Dahrendorf wordt deze keuze überhaupt niet
beargumenteerd).
Een indeling of classificatie van mogelijke
objecten van toeëigening zou mijns inziens in de eerste plaats
gerelateerd moeten worden aan de specifieke maatschappelijke
activiteitsverhoudingen waarin deze objecten figureren. Een zinvolle
ingang tot de analyse van structurering van levenskansen kan worden
verkregen door uit te gaan van een functionele of empirische
differentiatie van maatschappelijke verhoudingen.
Schluchters
analyse van de wijze waarop Weber de term (Lebens)ordnungen
hanteert, laat zien welke ambivalenties (en mogelijkheden) er op dit
punt in zijn werk bestaan. Een goed gefundeerde en empirisch
gesteunde indeling van functioneel of empirisch gedifferentieerde
verhoudingen van maatschappelijke activiteiten vind men noch in de
sociologische, noch in de marxistische traditie. Als men deze
analysestrategie wil volgen moet in ieder geval een duidelijk
onderscheid worden gemaakt tussen (i) de functionele differentiatie van
menselijke activiteiten, (ii) de specifieke maatschappelijke
verhoudingen waarin deze functioneel gedifferentieerde activiteiten
plaatsvinden en (iii) de mogelijk historisch-empirische differentiaties en
institutionaliseringen van functioneel gedifferentieerde activiteiten
(arbeidsdeling, beroepen) en verhoudingen (handelingssystemen,
instituties en organisaties).
Onderzoeksstrategisch is het van
groot belang om de referentiepunten die in functionele analyses worden
gehanteerd zo duidelijk mogelijk te benoemen. In aansluiting bij Weber
heb ik sociale levenskansen gedefinieerd als alle maatschappelijk
gestructureerde kansen ter bevrediging van de meest uiteenlopende
menselijke behoeften. Levenskansen verwijzen dus telkens naar
specifieke behoeften van mensen individuen. Daarom ligt het mijns
inziens voor de hand een behoefte-theoretisch referentiepunt te kiezen.
De differentiatie van levenskansen in maatschappelijke verhoudingen
vertrekt dan vanuit de analyse van de historisch ontwikkelde behoeften
van menselijke individuen.
- Een nadere precisering kan
worden bereikt door de objecten waarover beschikkingsmacht kan
worden uitgeoefend zelf beter in te delen. Hiervoor kunnen
verschillende indelingsprincipes en -strategieën worden beproefd.
Het minst problematisch is hierbij het traditionele onderscheid tussen
bronnen en beloningen. Bronnen en beloningen zijn geen
categorieën of klassen van concrete objecten, maar refereren aan
de functie van objecten in specifieke handelingsconteksten [vgl. Parsons
1953]. Wanneer objecten worden gebruik als middel voor de directe
behoeftebevrediging fungeren zij als beloningen. Wanneer objecten
gebruikt en ingezet als middel om de 'middelen van de
behoeftebevrediging' voort te brengen of om deze middelen toe te
eigenen fungeren zij als bronnen [vgl. Bader/Benschop 1988:129].
Concrete objecten kunnen dus in principe als bron én als beloning
fungeren. Een arbeidsmiddel kan zowel bron als beloning, voorwaarde
als resultaat, middel-object als doel-object zijn in maatschappelijke
georganiseerde arbeidsprocessen. Ook specifieke kennis of esthetische
prestatiekwalificaties kunnen zowel het resultaat/beloning zijn van
bepaalde onderwijs- resp. esthetische verhoudingen, als
voorwaarde/bron voor andere maatschappelijke verhoudingen.
Het
belangrijkste probleem ligt in het vinden van een goede (theoretisch
beargumenteerde en empirisch vruchtbare) indeling van de bronnen zelf.
De meeste pogingen om 'dimensies' van sociale ongelijkheid te
onderscheiden draaien om dit punt (heen).[12] Met gebrek aan helderheid
over aard en typen van de toe te eigenen 'bronnen' in de huidige
theorievorming over sociale ongelijkheid is zeker geen geringe lacune.
De ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijk
relevante bronnen is immers de kern van alle relationele sociale
ongelijkheid.
Het voert te ver om hier een overzicht te geven
van alle mogelijk uitgangspunten, analysestrategieën en
indelingsprincipes die een rol kunnen spelen bij de structurering van
bronnen. In de aanzet die ik hiervoor samen met Veit Bader heb
uitgewerkt, maken wij een onderscheid tussen directe en indirecte
bronnen. Directe bronnen zijn bronnen die direct en als zodanig in
verschillende maatschappelijke activiteitsverhoudingen of
arbeidsprocessen kunnen worden gebruikt voor het voortbrengen van
maatschappelijke gebruikswaarden. Er worden drie typische directe
bronnen onderscheiden: (1) materiële bronnen of materiële
arbeidsvoorwaarden, (2) prestatiekwalificaties van specifiek
gekwalificeerde arbeidskrachten en (3) vormen van coöperatie en
organisatie. Alle andere bronnen zijn indirecte bronnen die niet direct en
als zodanig in arbeidsprocessen gebruikt kunnen worden, maar wel (1)
de verdeling van de directe bronnen - en daarmee de
machtsposities - beïnvloeden, (2) de toegang tot bepaalde
maatschappelijke arbeids- en levensverhoudingen belemmeren,
afsluiten dan wel openen, en (3) de verdeling van de resultaten van
maatschappelijke arbeidsprocessen beïnvloeden. Indirecte
bronnen zijn dus kort gezegd 'middelen van toeëigening en
sluiting'. Voorbeeld van indirecte bronnen zijn: materiële rijkdom,
afstamming, diploma's, informatie, politieke legitimiteit en legaliteit,
geweld; revenuen (geld en vrije tijd); heerschappijposities in
organisaties; sociale relaties en patronage en zeer diverse
prestigekansen.
Een dergelijke benadering heeft in ieder geval
twee grote voordelen. Enerzijds is deze duidelijk afgebakend van
benaderingen waarin uitsluitend of voornamelijk aandacht wordt
besteed aan één type van directe bronnen (zoals aan de
verdeling materiële produktiemiddelen in de marxistische traditie
of aan de verdeling van organisationele posities in de
conflictsociologische traditie). Anderzijds wordt er ook voldoende
afstand gehouden van benaderingen waarin uitsluitend of voornamelijk
aandacht wordt besteed aan de hiërarchisering van prestige.
3 Mechanismen, duurzaamheid en mate van toeëigening
3.1 Mechanismen van verwerven en overdracht van
beschikkingsmacht
Hoe komt de beschikkingsmacht over objecten
tot stand en hoe kunnen levenskansen worden gemonopoliseerd? Er zijn
verschillende manieren waarop objecten kunnen worden
toegeëigend. Weber deelt deze mechanismen in naar de typische
middelen die daarbij worden aangewend [§ 3.3.1] en naar de
verschillende typische vormen waarin reeks toegeëigende
objecten kunnen worden overgedragen [§3.3.2].
3.1.1 Verwerven van beschikkingsmacht
De strijd om het
verwerven van beschikkingsmacht over objecten en posities worden
door Weber ingedeeld naar de typische middelen die hierbij worden
aangewend. Wanneer er actueel fysiek geweld wordt toegepast is er
sprake van gewelddadige strijd. Gewelddadige strijd omvat het hele
scala van roof van economische goederen, van vrouwen enz. tot aan de
politiek-militaire onderwerping van hele volken, staten en continenten;
gewelddadige onteigeningen (usurpaties) en het op de punt van het
zwaard instellen van dwangarbeid.
Gewelddadige strijd kan zowel ongeregeld als gereld zijn. "Van de bloedige strijd die gericht is op de vernietiging van het leven van de tegenstander waarbij iedere binding
aan strijdregels ontbreekt tot aan de conventioneel geregelde ridderstrijd" [WG 20].[14]
Wanneer in de strijd om beschikkingsmachten geen feitelijk fysiek geweld wordt toegepast is er sprake van vreedzame strijd. De "formeel vreedzame poging om eigen beschikkingsmacht over kansen te verwerven die ook door anderen
worden begeerd" [WG 20] is concurrentie. Ook concurrentie kan
regelloos, vrij zijn of geregeld. Voorbeelden van ongeregelde
concurrentie zijn de vroeg-kapitalistische concurrentie en de "regelloze
concurrentie van bijvoorbeeld erotische mededingers om de gunst van
een vrouw". Van geregelde concurrentie is sprake wanneer de doelen en
middelen van de concurrentie georiënteerd zijn op regels, een
ordening. Voorbeelden hiervan zijn het geregeld strijdspel (sport), de
concurrentiestrijd om ruilkansen die gebonden is aan de ordening van de
markt (kopen en verkopen, lenen en verlenen enz.), de strikt
gereguleerde competities om artistieke prijzen en de strijd tussen
politieke partijen om de kiezersgunst in de verkiezingscampagnes.
De vrije of geregelde concurrentie om beschikkingsmacht over objecten
en posities kan zijn op zeer uiteenlopende manieren voltrekken, maar
Weber geeft hiervan geen systematisch overzicht. In Wirtschaft und
Gesellschaft komen her en der wel verschillende vormen aan de orde,
zoals bijvoorbeeld (1) economische ruil, kopen, pachten, huren, lenen
[WG 36]; (2) sollicitatie, verkiezing, benoeming of coöptatie voor
bepaalde posities; (3) verschillende vormen van stapsgewijze sluiting en
het uitschakelen van actuele of potentiële mededingers door het
oprichten van of toetreden tot organisaties, gericht op deelname aan de
door deze organisaties toegeëigende beschikkingsmachten -
bijvoorbeeld door vorming van kartels, trusts of andere typen van
monopolistische organisaties; (4) inhuwen, gericht op verwerving van
levenskansen die erfelijk door verwantschapseenheden zijn
toegeëigend; (5) het zich ondergeschikt maken aan superieure
herenmachten.
Deze voorbeelden laten zich gemakkelijk uitbreiden.
De middelen waarmee beschikkingsmacht over objecten kan worden
toegeëigend zijn ook zo divers dat men nauwelijks meer kan
presenteren dan een pretentieloze casuïstiek van machtsmiddelen.
Wie toch een poging zou willen wagen om deze machtsmiddelen te
classificeren moet in ieder geval rekening houden met het feit dat vanaf
een bepaald ontwikkelingsniveau van de maatschappelijke produktie-,
informatie-, destructie- etc. krachten alle sociaal relevante
machtsmiddelen berusten op een daaraan voorafgaande
toeëigening van specifieke bronnen of beloningen. Daarom kunnen
in principe alle reeds toegeëigende objecten dienen als middel om
nieuwe levenskansen te monopoliseren.
Naast het door Weber gehanteerde onderscheid tussen gewelddadige strijd en vreedzame
concurrentie kan men nog een aantal andere indelingscriteria overwegen: (1) de positieve en negatieve sanctiemiddelen (beloning/straf), (2) middelen met en zonder dwang; (3) materiële en symbolische middelen, (4) differentiatie van middelen naar
maatschappelijke verhoudingen en activiteiten. De vraag óf, en
zo ja in welk opzicht, een van deze indelingsprincipes werkelijk
relevant is voor de analyse van sociale ongelijkheden is moeilijk in het
algemeen te beantwoorden. Het is in ieder geval wel zinvol verder in te
gaan op een hiermee verwante vraag: waarvan is de keuze van de
middelen van toeëigening en sociale sluiting afhankelijk?[15]
3.1.2 Overdracht van beschikkingsmacht
Hoewel geweld een
uitermate geschikt middel is om bepaalde objecten en posities toe te
eigenen, leent het zich niet direct voor het overdragen van reeds
toegeëigende beschikkingsmachten.[16] Objecten en posities kunnen
initieel worden toegeëigend door gewelddadige strijd of
vreedzame concurrentie, maar beschikkingsmacht kan ook worden
verkregen door overdracht van reeds toegeëigende objecten en
posities. Weber behandelt dit overdrachtsmechanisme niet
systematisch. En hij gaat ook niet uitvoerig in op de betekenis van
specifieke overdrachtsvormen (zoals erven, schenken, ruil, koop en
verkoop, verpachting, verhuur en verlening, delegatie, formeel
vrijwillige deling enz.) hebben voor de reproduktie van structurele
sociale ongelijkheden. De mechanismen waardoor beschikkingsmacht
wordt verworven en overgedragen zijn immers tegelijkertijd
mechanismen van reproduktie van structurele sociale ongelijkheid. Deze
reproduktiemechanismen moeten echter niet worden verwisseld met de
verschillende typen van garantie van toegeëigende
beschikkingsmacht [zie § 52 en 53].
3.2 Duurzaamheid
van de beschikkingsmacht
Bij sociale ongelijkheid gaat het om
duurzame en sociale relevante toeëigeningen en uitsluitingen. Het
gaat niet om kortstondige, incidentele toeëigening van kansen
welke verbonden zijn aan elk gebruik (zoals van zwembaden, treinen,
theatervoorstellingen). Pas wanneer de benutter van kansen gedurende
langere tijd anderen van het gebruik kan uitsluiten, d.w.z. wanneer er
sprake is van duurzame toeëigeningen, hebben we te maken met
relevante gestructureerde sociale ongelijkheid.
De duurzaamheid van monopolistische appropriatie kan sterk uiteenlopen. Weber maakt
een onderscheid tussen temporeel beperkte en temporeel onbeperkte
toeëigeningen [WG 202]. Temporeel beperkte toeëigeningen
kunnen relatief kortstondig zijn, zoals bij jaarlijkse roulatie van
politieke ambtsdragers en bij tijdelijke aanstellingen. Maar zij kunnen
ook zeer lang zijn en meerdere generaties omvatten, zoals bij sommige
pachtcontracten, hypotheken en huurcontracten. Temporeel onbeperkte
toeëigeningen kunnen intragenerationeel beperkt zijn (zoals bij
benoemingen voor het leven), maar ook intergenerationeel, dat wil zeggen
erfelijk overdraagbaar.
De hoogste graad van duurzaamheid wordt
bereikt wanneer de erfelijke of vrije overdracht van gemonopoliseerde
kansen is gegarandeerd. Van erfelijke overdracht is sprake wanneer de
gemonopoliseerde kansen zodanig zijn gegarandeerd dat deze kans in
geval van overlijden overgaat in andere handen en deze overdracht
volgens vast regels verloopt (erfrecht, volledige slavernij). Van vrije
overdracht is sprake wanneer degene die over de kans beschikt deze
vrij kan overdragen aan een willekeurige derde, die hierdoor deelnemers
wordt aan de gesloten gemeenschap. Het verwerven van lidmaatschap
van die gemeenschap door overdracht is niet gebonden aan de
toestemming van de andere leden van die gemeenschap [WG 24; vgl. ook
WG 38,70,170 e.v.]. Wanneer de genieter van een bepaalde kansen deze
aan bepaalde of willekeurige derden door overeenkomst kan afstaan
gaat het om een "appropriatie die men kan veruiterlijken" [WG 23].
De verschillende duur van de toeëigening heeft een wezenlijke
invloed op het tijdsaspect van sociale mobiliteit en daarmee op de
mogelijkheid van stabilisatie van sociale ongelijkheid. Dit is zowel van
belang voor de collectieve ervaring en de ontwikkeling van collectieve
levensstijlen, als voor de ontwikkeling van politieke identiteiten en
conflictbewustzijn. In zijn Herrschaftssoziologie werkte Weber deze
aspecten iets nader uit.
3.3 Mate van beschikkingsmacht
Gestructureerde sociale ongelijkheid veronderstelt niet alleen een
minimum aan tijdsduur, maar ook een minimum aan feitelijke mate van
beschikkingsmacht. We hebben gezien dat Weber een breed begrip van
levenskansen hanteert. Zowel fysieke objecten (materiële
goederen), economische objecten (zoals winstkansen), sociale objecten
(zoals prestige- of huwelijkskansen) als culturele objecten (ideële
goederen zoals vakkennis) kunnen in verschillende mate worden
toegeëigend. Eigendom in de zin van feitelijke uitoefening van
beschikkingsmacht wordt door Weber dus niet inhoudelijk (of zakelijk)
beperkt. En hij verstaat hieronder ook niet een fullness of rights in de
zin van absoluut eigendom of totale beschikkingsmacht. In de regel is
de beschikkingsmacht over objecten inhoudelijk gedifferentieerd. De
mate waarin en de wijze waarop deze objecten kunnen worden
toegeëigend is afhankelijk van de technische aard [WG 202] van
de objecten en kansen waar het om gaat. Daardoor verschilt ook het
gemak waarmee of het verzet tegen het toeëigeningsproces (exploitatie, uitsluiting etc.) dat zich binnen een
gemeenschap voltrekt.
Weber illustreert dit aan het verschil in toeëigening van een akker en een klantenkring. De kans om door
bewerking van een akker in het levensonderhoud te voorzien is afhankelijk van de vraag of het om een eenduidig af te grenzen zakelijk object gaat. In dit geval gaat het om een uniek - niet voor vermeerdering vatbare - stuk grond. Bij de toeëigening van een klantenkring is dat anders. Zuiver
technisch gezien is een klantenkring moeilijker monopolistisch toe te
eigenen dan een stuk grond. Het succes van de toeëgening is dus sterk afhankelijk van de specifieke eigenschappen van het object en de daaraan verbonden levenskansen. Maar volgens Weber doet dit niets af aan het
feit dat het in principe steeds hetzelfde proces is, namelijk het sluiten
van de gemonopoliseerde sociale economische kansen naar buiten en
naar binnen [WG 203].
Om in empirische en historische analyses precieze vragen te kunnen stellen, zou men wat betreft de inhoudelijke
differentiatie van beschikkingsmachten een onderscheid moeten maken tussen drie - door Weber zelf niet
altijd even duidelijk onderscheiden - probleemassen: (a) de mate
van aggregatie of desaggregatie van afzonderlijke beschikkingsmachten; (b) de mate van verdeling of delegatie van specifieke beschikkingsmachten en (c) de mate van beperking of
limitatie van beschikkingsmachten door derden.
- Bij de analyse
van de mate waarin beschikkingsmachten zijn ge(des)aggregeerd moet
een helder onderscheid worden gemaakt tussen de bundel rechten of
bevoegdheden die in eigendom geïmpliceerd kunnen zijn: (1) het
recht op gebruik, (2) het recht op genot, (3) het recht op dispositie of
controle en (4) het recht op transfer of overdracht
(veruiterlijking). Telkens moet de vraag worden
gesteld in hoeverre er sprake is van een aggregatie dan wel
desaggregatie van deze afzonderlijke bevoegdheden of
(deel-)beschikkingsmachten.[17] Zo is bijvoorbeeld in het ontwikkelde kapitalisme het recht op dispositie over kapitaal als functie
gedeeltelijk geschieden van het recht op genot van het kapitaal als
eigendom, d.w.z. van het genot van kapitaalrente.
- Het is ook mogelijk dat de specifieke beschikkingsmachten of afzonderlijke bevoegdheden zelf worden gedeeld of gedelegeerd. Een bekend voorbeeld uit de economische theorie is de discussie over 'managerialisme'. Een voorbeeld uit de politieke theorie is de delegatie van wetgevende bevoegdheden in parlementair-democratische constituties. Bij de analyse van de feitelijke verdeling van
beschikkingsmachten over objecten moet dus telkens ook worden nagegaan
in hoeverre er spake is van deling of delegatie van de afzonderlijke
bevoegdheden.
- De beschikkingsmacht van
specifieke eigendomsobjecten kunnen tenslotte worden gelimiteerd
door de beschikkingsmachten en bevoegdheden van anderen, derden.
De absolute rechten van de ene privé-eigendom worden in de
regel beperkt door de absolute eigendomsrechten van andere
privé-eigenaars. Bovendien kan het absolute
privé-eigendom worden beperkt door politieke
overheidsorganen, bijvoorbeeld middels belasting- en
onteigeningswetten.
3.4 Privileges, rechten, eigendom
Het
resultaat van toeëigeningsprocessen is altijd dat er feitelijke
beschikkingsmacht over bronnen en beloningen ontstaat en dat negatief
geprivilegieerden van deze beschikkingsmacht zijn uitgesloten. Er
ontstaan toegeëigende kansen. Alle toegeëigende kansen
noemt Weber in dit verband 'rechten' [WG 23]. Toeëigening en
onteigening heeft immers tot resultaat dat er
geïnstitutionaliseerde rechten ontstaan ten aanzien van bepaalde
levenskansen. Door deze institutionalisering ontstaan er effectieve mogelijkheden om de
toegeëigende levenskansen te gebruiken, te genieten of te
controleren. In welke specifieke vorm deze rechten zijn gecodificeerd
en of zij bijvoorbeeld door de wet of staat zijn gesanctioneerd doet voor het algemene begrip van rechten niet ter zake.
Om elke directe verbinding met de juridische betekenis van de term 'rechten' te vermijden zou men beter van 'privileges' kunnen speken wanneer het in het algemeen gaat om feitelijk toegeëigende kansen.[18] Privileges kunnen uiterlijk worden gegarandeerd door conventies en door recht. Wanneer dit het geval is spreken we van 'rechten'. Privileges kunnen dus 'rechten' worden wanneer gerekend kan worden op de feitelijke of conventionele of juridische afdwingbaarheid binnen bestaande maatschappijen of politieke heerschappij-instituties.[19]
Wanneer de als rechten toegeëigende kansen erfelijk overdraagbaar zijn spreekt Weber
van 'eigendom' [WG 23]. Van eigendom is dus sprake wanneer het gaat om erfelijk toegeëigende kansen die conventioneel of juridisch zijn gegarandeerd. In aansluiting op het commentaar hiervoor kunnen we zeggen: rechten worden eigendommen wanneer zij intergenerationeel en erfelijk overdraagbaar zijn.
Weber definieert zeer uiteenlopende levenskansen als mogelijk objecten van eigendom. Dat is zinvol, maar niet zo vanzelfsprekend als hij zelf meende, omdat hij hiermee rechtstreeks inging tegen de destijds nog dominante traditie van het Romeinse recht, waarin eigendomsobjecten werden beperkt tot allee lichamelijke zaken [vgl. Renner 1965; Kahn-Freund 1965].
De toegeëigende beschikkingsmacht over maatschappelijke kansen is volgens Weber in de regel niet 'absoluut' in de zin dat zij niet in tijd en inhoudelijk gedifferentieerd zou zijn. De duurzaamheid van uitoefening van beschikkingsmacht over bepaalde objecten en de mate waarin die objecten worden toegeëigend moet dus nader worden gedifferentieerd.
4 Waarom en hoe vindt sociale sluiting
plaats?
4.1 Gronden van sociale sluiting
In alle
ervaringswetenschappen was en is de vraag naar de oorzaken van
bepaalde verschijnselen een belangrijke stap in de richting van hun
theoretische verklaring. Juist in de discussies over sociale ongelijkheden
blijkt echter hoezeer de vraag naar de oorsprong aanleiding kan zijn tot
grote verwarring. Een deel van de onduidelijkheid over de 'grondslagen',
'bases' of 'oorzaken' van sociale ongelijkheden ontstaat in de eerste
plaats omdat er geen scherp analytisch onderscheid gemaakt wordt
tussen (1) oorzaken van historische ontstaan, (2) de structurele gronden
van het (voort)bestaan of van de reproduktie van sociale ongelijkheden,
en (3) de oorzaken van verandering of transformatie van eenmaal
geïnstitutionaliseerde ongelijkheidspatronen. Deze
oorzakenbundels kunnen identiek zijn of in elkaars verlengde liggen, maar dat is lang
niet altijd en zeker niet noodzakelijkerwijs het geval. De
historisch-initiële factoren (zoals 'oorspronkelijke
toeëigening' op basis van eigen arbeid, overdracht of geweld) die
een rol spelen bij het ontstaan van specifieke ongelijkheidsstructuren
hoeven dus niet identiek te zijn met de reproduktieve factoren die
bepalend zijn voor het voortbestaan of de transformatieve factoren die
de verandering van die structuren bewerkstelligen.[20]
Max Weber heeft juist deze verschillen op het oog wanneer hij in "Die
protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus" [1905] opmerkt dat
het ascetische protestantisme een zeer belangrijke historische rol
vervulde voor het ontstaan van het moderne kapitalistische
economische systeem: naast talloze andere factoren stond er "een
bepaalde, constitutieve component van de levensstijl" aan de wieg van
het moderne kapitalisme [PE II:169]. Door de nadruk op beroepsplicht en
rationele ascese kon de protestantse ethiek een van van de
constitutieve momenten vormen van de 'kapitalistische geest' [idem:
285]. Het religieuze leven van de protestanten, hun hierdoor bepaalde
familietradities en levensstijl creëerde een specifieke habitus die
hen geschikt maakte om aan de specifieke eisen van het
vroeg-kapitalisme te voldoen [idem: 318]. De unieke betekenis van de
protestantse ethiek voor het ontstaan van het kapitalisme betekent
echter niet dat deze ook doorslaggevend zou zijn voor het voortbestaan
van dit economisch stelsel. De 'burgerlijke beroepsethiek' blijft
tegenover de enorme psychische weerstanden en voor-kapitalistische
tradities haar betekenis houden totdat "het op zuiver mechanische basis
berustende kapitalisme van tegenwoordig dit steunpunt kont missen"
[idem:285]. De protestantse ethiek en levensstijl mag dan voor het
ontstaan van het kapitalisme een uitermate belangrijke kracht zijn
geweest, voor het voortbestaan van dit economisch stelsel is deze
factor volgens Weber in toenemende mate irrelevant [vgl. Weber
RS:36,55, 204].[21]
Een tweede bron van verwarring is dat de positionele en personele referentiepunten niet goed uit elkaar worden gehouden. Bij de structurering van ongelijke sociale posities gaat het om de bundel van factoren die - onafhankelijk van hun historische oorspronkelijkheid en legitimiteit - bepalend zijn voor het
verwerven en overdragen van beschikkingsmacht over maatschappelijk
relevante bronnen en beloningen. Bij de recrutering van individuen op
ongelijke posities gaat het om de bundel factoren die bepalend zijn voor
de allocatie van personen of groepen in structureel ongelijke posities of
levenssituaties. De criteria op grond waarvan de toegang tot ongelijke
posities en hiermee samenhangende levenskansen en -situaties wordt
gereguleerd kunnen identiek zijn met de factoren die bepalend zijn voor
positionele ongelijkheden, maar dit is in de regel niet altijd en zeker
niet noodzakelijk het geval.
Sommige auteurs spannen zich in om het onderscheid tussen positionele en allocatieve ongelijkheid voor
irrelevant te verklaren [Parkin] of om beide te verklaren door sociale
sluiting [Murphy]. Dit 'unitaire' analytische perspectief ["one coherent
and general closure problematic" Murphy 1986a:653] maakt Weber
eenduidiger dan hij is en miskent de status van zijn
basiscategorieën. Sociale sluiting is slechts één type van
asymmetrische macht dat niet alle vormen van uitbuiting, onderdrukking
en discriminatie omvat. Zie ook § 9
Weber gaat niet uitvoerig
in op de relatie tussen historisch-initiële oorzaken en
reproduktieve/transformatieve grondslagen van sociale ongelijkheid. En
ook de relatie tussen positionele en personele dimensies worden door
hem niet theoretisch behandeld. Hij gaat echter wel cursorisch in op de
'motieven' van sociale sluiting, welke hij direct koppelt aan de typisch
vormen van monopolies [§ 3.2] en op de mechanismen waardoor
beschikkingsmacht wordt verkregen en overgedragen [§ 3.3].
4.2 Het motief van sociale sluiting
Het motief van sociale sluiting is volgens Weber altijd het beperken van het aantal feitelijke of
potentiële deelnemers aan de strijd om als schaars ervaren en
gedefinieerde levenskansen [WG 201]. Daarbij onderscheidt hij drie
soorten motieven.- Sociale sluiting kan gemotiveerd zijn
door het schaars worden van de kansen in verhouding tot de
(consumptieve) behoeften [WG 25]. De omvang van de bronnen en kansen
waarvan de levensstandaard van een individu of groep afhankelijk is
noemt hij de 'voedingsspeelruimte' [WG 45 e.v.]. Het kleiner worden van
het aanbod van kansen in verhouding tot de behoeften motiveert het
ontstaan van 'consumptiemonopolies'. Het archetype hiervan is de
dorpsgemeenschap die in haar eigen levensonderhoud kan voorzien
(markgemeenschap).
- Sociale sluiting kan ook gemotiveerd zijn
door het schaars worden van de 'verwervingskansen'. De
'verwervingsspeelruimte' is de omvang van de bronnen en economische
kansen vanuit het gezichtspunt van hun mogelijke rol als bronnen van
inkomsten en inkomens. Als deze speelruimte kleiner wordt, bevordert
dit het ontstaan van 'verwervingsmonopolies'. Het archetype hiervan
zijn de gilden en de oude monopolies op visrechten [WG 25}.
- Het
handhaven of hooghouden van de kwaliteit van de prestaties is het
derde motief voor sociale sluiting. Dit motief is meestal gecombineerd
met het belang bij prestige en de daaraan verbonden 'Chancen der Ehre',
soms ook met nog profanere winstkansen. Als voorbeelden noemt hij de
ordes van asceten of monniken (bijvoorbeeld de Indische orde van
bedelmonniken), religieuze sekten (bijvoorbeeld de Puriteinen), georganiseerde
groepen krijgers, gilden van handwerkslieden en professionele
monopolies, politieke burgerorganisaties en organisaties van beambten
[WG 24].
Hoewel deze drie 'motieven' van sociale sluiting regelmatig
terugkeren in Weber's uiteenzetting kent hij hieraan geen vergaande
theoretische pretenties toe. Hij thematiseert bijvoorbeeld niet de
sociaal-historische achtergronden en sociaal-structurele oorzaken van
sociale sluiting die de door hem genoemde 'motieven' in werking laten
treden.

Naar volgende hoofdstuk: II Sociale Sluiting (deel 2)
Naar Inhoudsopgave
1 Vgl. NEUWIRTH [1969], REX [1970], WILSON [1973].
2 Vgl. RUESCHEMEYER [1964], COLLINS [1971], JOHNSON [1972, 1977],
BESTAUT [1975], PARRY [1976], FREIDSON [1977] e.a.
3 Vgl. PARKIN
[1974, 1979], KRECKEL [1982], MURPHY [1980, 1985, 1986a, 1986b].
4 Vgl. LENSKI [1966:3], LASSWEL/KAPLAN [1950:63], DEN HARTOGH
[1984:80].
5 Een uitvoerige uiteenzetting over het basisbegrip
'objecten van toeëigening' geven BADER/ BENSCHOP [1988:81
e.v.]
6 Een sociale relatie wordt door Weber strijd genoemd
"wanneer het handelen georiënteerd is op de bedoeling de eigen
wil door te zetten tegen het verzet van de partner{s}" [WG: 20].
Wanneer in de bestaansstrijd om levens- of overlevingskansen deze
'sinnhafte Kampfabsicht' tegen elkaar ontbreekt, dan is er sprake van
'sociale selectie' (wanneer het gaat om de kansen van levenden in het
leven) of 'biologische selectie' (wanneer het gaat om overlevingskansen
van erfgoed).
7 BADER/BENSCHOP [1988:69-71] werken vier
afbakeningen uit om deze uitgangsstelling te preciseren. Ik zal ze hier
kort worden samenvatten. - De schaarste van bronnen en
beloningen is geen 'eeuwige natuurnoodzakelijkheid'. Bronnen en
beloningen zijn niet van nature schaars, maar worden als schaars
ervaren en gedefinieerd in verhouding tot de historisch ontwikkelde en
maatschappelijk bepaalde behoeften en belangen.
- Concurrentie
en strijd zijn evenmin eeuwige of natuurnoodzakelijke verschijnselen,
zij moeten net als schaarste historisch en maatschappelijk worden
verklaard. Het geformuleerde heuristische uitgangspunt bevat dus geen
speculatieve aannamen over 'aangeboren strijdinstincten', 'natuurlijk
machtsverlangen' of 'ingebakken hebzucht'.
- Conflict is niet het
enige type van sociaal handelen, en voor de alledaagse praktijk is het
zeker ook niet het dominante handelingstype. Ten eerste bestaat er
natuurlijk naast conflict ook altijd concensus. Ten tweede is het onjuist
om de relevante mechanismen van handelingscoördinatie bij
voorbaat te reduceren tot conflict (of breder: belangenpositie) en
consensus (of breder: legitimiteit). Naast belangenpositie (gemotiveerd
door strategisch - in Weber's terminologie: doelrationeel -
handelen) en legitimiteit (gemotiveerd door consensueel - of in
Weber' terminologie: waarderationeel - handelen) dient ook
rekening te worden gehouden met traditie (gewoontes en zeden op
basis van traditioneel gemotiveerd handelen) en solidariteit
(gemotiveerd door affectief handelen).
- Feitelijke handelingen en
handelingsoriëntaties zijn altijd complexe mengvormen van deze
vier handelingstypen. Situaties van potentiële of actuele strijd zijn
echter bij uitstek de voedingsbodem voor strategisch handelen, d.w.z.
van handelen dat rationeel georiënteerd is op het nastreven van
particularistische doelen die tegenover de doelen van anderen staan.
Daarom zouden we Weber's uiteenzetting op kunnen vatten als een
- tamelijk impliciet gebleven - pleidooi voor een
strategische handelingsanalyse. Dit impliceert niet (1) dat we
handelingsoriëntaties en handelingen fatsoeneren naar het
geïdealiseerde model van egoïstische
8 Volgens Weber is
het voor deze algemene definitie irrelevant of deze beschikkingsmacht
'uiterlijk' (conventioneel of juridisch) wordt gegarandeerd (door
conventies en wetten). De (relatieve) stabiliteit van een feitelijke
beschikkingsmacht kan immers ook berusten op gewoontes, zeden en
gemeenschappelijkheid van belangen. Het onderscheid tussen 'uiterlijke'
mechanismen van garantie/transformatie en 'innerlijke' mechanismen
van stabilisatie/destabilisatie komen in § 6 uitvoeriger aan de
orde.
9 Vgl. SHILS [1969:343], BETEILLE [1972:2], SCHUYT [1972:344],
GIDDENS [1973:130 e.v.], KRECKEL [1982], BOLTE [1983:394], DOYAL/GOUGH
[1986:50]. DAHRENDORF [1979] heeft een uitvoeriger poging gedaan om
het begrip normatief, politiek en theoretisch te onderbouwen. RITSERT
[1987:21 e.v.] merkt terecht op dat de begrippen 'kans' en 'levenskans'
bepalend zijn voor Weber's klassentheorie, maar dat zij niet eenvoudig
zijn. Hij reduceert echter - net als GIDDENS [1973:130 e.v.] -
het begrip levenskansen te snel (en zonder verdere argumentatie) tot
'materiële bestaansvoorwaarden'.
10 Ik beperk me hier in
eerste instantie bewust tot positionele ongelijkheden. De allocatieve
ongelijkheden zijn het gevolg van mechanismen waardoor de toegang
tot ongelijk gestructureerde posities voor buitenstaanders worden
gesloten of beperkt. Zie verder § 4.
11 BADER/BENSCHOP
[1988:86-93] geven een uitvoeriger overzicht van gangbare indelingen
en zetten de bezwaren hiertegen op een rij.
12 Vgl. bijvoorbeeld
LENSKI [1966], KRECKEL [1976, 1982], BOURDIEU [1979], WRIGHT
[1985].
13 Vervalt.
14 Ter illustratie van dit laatste memoreert Weber de
gebeurtenissen tijdens de slag bij Fontaney in 1745. De Franse veldheer
Maurice de Saxe kondigde daarbij een eenzijdige openingsronde af met
de woorden: Messieurs les Anglais tires les premiers. De Franse legers
leden hierdoor zeer grote verliezen - hoewel de Engelsen onder
leiding van de Duke of Cumberland uiteindelijk wel het onderspit
dolven.
15 Vgl. hiervoor de conflicttheoretische bijdrage van
KRIESBERG [1973].
16 Natuurlijk speelt geweld ook bij
geïnstitutionaliseerde overdrachtsmechanismen indirect wel
degelijk een prominente rol als 'laatste dekkingsgarantie'. En daarom
spreekt ook Weber in dit verband nadrukkelijk van formeel vrijwillige en
vreedzame mechanismen.
17 Een sociaal-wetenschappelijk zinvol
eigendomsbegrip moet zowel worden afgebakend van het 'dingmatige'
eigendomsbegrip als van het 'absolute' of totale eigendomsbegrip (en
met de hiermee samenhangende politieke notie van 'absolutie
soevereiniteit'). De kleinste gemeenschappelijke noemer van het
historisch zo sterk variabel eigendomsbegrip lijkt te zijn, dat het om
een quasi achtetypische toerekeningsrelatie van subject en object gaat
[SCHWAB 1975:65]. Eigendom is een recht en geen ding; het is ook niet
eenvoudig een relatie tussen een subject ('eigenaar') en een ding, maar
een relatie tussen de eigenaar en andere individuen met betrekking tot
specifieke objecten [vgl. MACPHERSON 1978:1]; COHEN 1978:158].
Eigendom is een door mensen gecreëerde institutie welke bepaalde
relaties tussen mensen schept en realiseert; het is geen predikaat of
natuurlijke eigenschap van objecten. Het lange tijd dominerende
'absolute' eigendomsbegrip uit de traditie van het Romeinse recht lag
ten grondslag aan de codificaties van de belangrijkste continentale
civiele grondwetten. In de Franse Code Civil kunnen we lezen: "La
proprieté est le droit de jouir et de disposer des choses de la
manière la plus absolu, pourvu qu'on ne fasse pas un usage
prohibité par la loi ou par les règlements" [art. 544]. In
alle hierop georiënteerde wetboeken komen we steeds dezelfde
elementen tegen: (a) de eigenaar kan naar willekeur beschikken over
zijn zaak, (b) is gerechtigd anderen van het gebruik, genot en dispositie
uit te sluiten, (c) voorzover hiermee de wetten of reglementen van de
rechtsorde niet worden geschonden. Vgl. KAHN-FREUND [1965],
EÖRSI [1979:65 e.v.], WELKOBORSKY [1976:28].
18 Vgl.
BADER/BENSCHOP [1988:383, noot 50].
19 MACPHERSON [1973:123]
definieert eigendom als "an enforceable claim to some use or some
benifit of something." Privé-eigendom impliceert het recht van
een individu (of een corporatieve eenheid) om anderen van dit gebruik of
voordeel uit te sluiten. Zie voor een kritisch commentaar:
BADER/BENSCHOP [1988:382 e.v.].
20 Op dit punt zijn de studies van SIGRIST [1967] en WIEHN [1968:10] wel verhelderend. Een klassiek
theorie-historisch overzicht geeft FAHLBECK [1922]. De verklaringskracht
van 'zuiver natuurlijke' verschillen tussen individuen voor het ontstaan
en de reproduktie van gestructureerde sociale ongelijkheid laat ik hier
buiten beschouwing: zij verklaren zo weinig dat we ze in dit verband
mogen verwaarlozen. Vergelijk hiervoor het kritisch overzicht dat
KOMBERLY geeft van de functionalistische en sociaal-psychologische
verklaringsmodellen van het ontstaan van stratificatie vanuit
natuurlijke verschillen tussen individuen. Verder ga ik hier ook voorbij
aan de discussie over oorzakelijke en teleologische (of finalistische)
verklaringsprincipes.
21 Bij Marx vind men methodisch gezien een
identieke benadering. Superieur geweld is historisch gezien een
doorslaggevende factor voor het ontstaan van nieuwe
uitbuitingsrelaties: van de koloniale oorlogen van de Griekse stadstaten,
de veroveringstochten van het Imperium Romanum, de verovering van
'geciviliseerde hoogculturen' door nomaden via de rooftochten van de
feodale ridders, de gewelddadige onteigening van de boeren door de
'ridders van de industrie' tot aan het kapitalistische kolonialisme en
imperialisme en de afpersingspraktijken van de diverse moderne
maffia's. Geweld is weliswaar kenmerkend voor de zogenaamde
oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal [MEW 23:788; vert. 593] en
als zodanig uitgangspunt van de kapitalistische arbeidswijze, maar
zodra dit stelsel op eigen benen staat treedt bij haar uitgebreide
reproduktie het geweld naar de achtergrond [MEW 23:765; vert.
575]. Haar voortbestaan wordt primair veroorzaakt door het 'normale'
- formeel vreedzame - economische proces van
kapitaalaccumulatie - en slechts bij uitzondering gegarandeerd
door direct - 'buiten-economisch' - geweld.
Naar volgende hoofdstuk: II Sociale Sluiting (deel 2)
Naar Inhoudsopgave