Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

WEBER Sociale ongelijkheid en klassen
Max Weber’s bijdrage aan de theorie
van sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
© 1987-2017

II - Sociale Sluiting

  1. Algemene theorie van sociale ongelijkheid?
    1.1 Beperkte pretenties
    1.2 Structurering van de problemen
    1.3 Het mechanisme van sociale sluiting
  2. Wat kan worden toegeëigend?
    2.1 Beschikkingsmacht over kansen
    2.2 Het begrip levenskansen 2.3 Indeling van levenskansen
  3. Mechanismen, duurzaamheid en mate van toeëigening
    3.1 Mechanismen van verwerven en overdracht van beschikkingsmacht 3.2 Duurzaamheid van de beschikkingsmacht
    3.3 Mate van beschikkingsmacht
    3.4 Privileges, rechten, eigendom
  4. Waarom en hoe vindt sociale sluiting plaats?
    4.1 Gronden van sociale sluiting
    4.2 Het motief van sociale sluiting
  5. Subjecten van toeëigening en criteria van uitsluiting
    5.1 Subjecten van toeëigening
    5.2 Een reeks sluitingscriteria
    5.3 Ascription versus achievement
    5.4 Structurering van uitsluitingscriteria
    5.5 Uitsluitingscriteria, sluitingspraktijken en legitimatiepratronen
  6. Gesloten sociale verhoudingen
    6.1 Openheid en geslotenheid van sociale verhoudingen
    6.2 Sluiting naar buiten
    6.3 Sluiting naar binnen
    6.4 Stadia van appropriatie
  7. Belangengemeenschappen
    7.1 Belangengemeenschap, -associatie en legaal geprivilegieerde groep
    7.2 Etnisch-culturele gemeenschappen
    7.3 Professionele gemeenschap
  8. Stabilisatie en garantie van sociale ongelijkheid
    8.1 Mechanismen van stabilisatie
    8.2 Uiterlijke garantie door conventie en recht
    8.3 Innerlijke garantie door legitimiteit
  9. Terug naar het uitgangspunt
 


1 Algemene theorie van sociale ongelijkheid ?

1.1 Beperkte pretenties
Weber stelde —net als Marx— het klassebegrip niet gelijk met het algemene begrip van sociale ongelijkheid. Niet alle vormen van gestructureerde sociale ongelijkheid zijn immers ongelijkheid tussen klassen of uitwerkingen van klassentegenstellingen. Sociale ongelijkheid is dus een veel omvattender begrip dan klasse-ongelijkheid. Elke niet-reductionistische klassentheorie veronderstelt dus in zekere zin een meer algemeen begrip van grondslagen en mechanismen, vormen en dimensies van sociale ongelijkheid.

Weber heeft zijn opvattingen over sociale ongelijkheid niet systematisch uitgewerkt. Wel gaf hij een aantal elementen die bruikbaar zijn voor een algemene thematisering van sociale ongelijkheden. Het archimedisch punt van zijn benadering is het thema van sociale sluiting. Aan zijn behandeling van dit thema is door sociale wetenschappers en historici lange tijd weinig aandacht besteed.
  • Racisme: Neuwirth [1969], Rex [1970], Wilson [1973].
  • Professionalisering: Rueschemeyer [1964], Collins [1971], Johnson [1972, 1977], Berlant [1975], Parry [1976], Freidson [1977] e.v.a.
  • Sociale sluiting: Parkin [1974, 1979], Kreckel [1982], Murphy [1980, 1985, 1986a, 1986b].
Daarin kwam enige verandering gekomen door pogingen om het sluitingsthema vruchtbaar te maken voor het onderzoek naar racisme en professionalisering. Sindsdien speelt de sociale sluitingsproblematiek een rol in de hernieuwde belangstelling voor ‘algemene theorie van sociale ongelijkheid’ in de neo-weberiaanse traditie.

De elementen die Weber aandraagt voor een theorie van sociale ongelijkheid zijn deels verondersteld, deels geïmpliceerd in zijn verhandeling over klassen en standen. De verbindingen tussen het sociale sluitingsthema en zijn analyse van klassen en standen is niet overal even transparant, maar ze zijn wel degelijk aanwezig. In een aantal passages van Wirtschaft und Gesellschaft ging Weber directer in op het thema van sociale sluiting. Deze passages staan met name in het eerste hoofdstuk van het eerste deel [§ 10: Offene und geschlossene Beziehungen] en in het tweede hoofdstuk van deel twee [§ 2: Offene und geschlossene Wirtschaftsbeziehungen].

Om de precieze betekenis van Weber’s bijdrage aan een theorie van sociale ongelijkheid te achterhalen moet zijn analyse van sociale sluitingsprocessen worden gereconstrueerd. Daarbij doet men er goed aan rekening te houden met de bescheiden pretenties die Weber zelf had.

In Wirtschaft und Gesellschaft gaat Weber hoofdzakelijk ideaaltypisch te werk en doet slechts hier en daar —meestal niet uitgewerkte— uitspraken over structurele samenhangen en ontwikkelingstendensen. Hij ziet in eerste instantie bewúst af van het geven van werkelijke theoretische verklaringen. Hij wil zich beperken tot ‘sociologische typologisering’ [WG:63]. De ideaaltypen die hij presenteert zijn louter analytische constructies en concepten die dienen om de werkelijkheid beter te begrijpen. De eigenaardigheid van deze abstracties is “dat haar begrippen tegenover de concrete historische realiteit relatief inhoudsloos moeten zijn” [WG:9]. In de historische werkelijkheid treft men geen van deze typen in zuivere vorm aan, tussen het begrip en het begrepene blijft altijd een ‘hiatus irrationalis’ bestaan [Schluchter 1979:24]. Dit is echter geen valide bezwaar tegen pogingen om de conceptuele formuleringen zo scherp mogelijk te maken. “Scherpe scheiding is in de werkelijkheid vaak niet mogelijk, maar dit maakt duidelijke begrippen (d.i. analytische onderscheidingen) des te belangrijker” [WG:123]. De doelmatigheid van dergelijke classificaties kan alleen worden beoordeeld aan de hand van de resultaten die zij bieden bij het bevorderen van systematische analyse [WG:124]. In het kennisproces vervullen ideaaltypen een heuristische functie; het zijn kennismiddelen die een leidraad vormen voor hypothesevorming en ordening van het historisch materiaal.

Weber heeft dus zeker niet de pretentie om een algemene structuur- en ontwikkelingstheorie van sociale ongelijkheid te ontwerpen. Vanuit zijn methodologische uitgangspunten kan er zelfs überhaupt geen sprake zijn van een algemene (laaat staan ‘universele’) theorie van sociale ongelijkheid.

1.2 Structurering van de problemen
De theoretische taal op het onderzoeksgebied van sociale ongelijkheid vertoont zo'n grote ambiguïteit en inconsistentie, dat het grote voordelen heeft om de vraag naar sociale ongelijkheid in eerste instantie in zo ‘alledaags’ mogelijke termen te formuleren. In essentie gaat het bij sociale ongelijkheid altijd om de op zichzelf simpele klassieke vraag: Wie krijgt wat en waarom? [Lenski 1966:3; Lasswel/Kaplan 1950:63; Den Hartogh 1984:80]. Als referentiekader tegen de achtergrond waarvan we de belangrijkste problemen kunnen identificeren in Weber's benadering van sociale ongelijkheid vertrek ik vanuit de volgende vraag: “Wat kan door wie, waarom, hoe en hoelang, in welke mate en binnen welke grenzen worden toegeëigend, en hoe worden de resultaten van deze toeëigening gestabiliseerd en gegarandeerd?” [Bader/Benschop 1988:77]. Ik zal deze op zichzelf eenvoudige, maar nogal omvangrijke vraag eerst opsplitsen in een aantal afzonderlijke probleemcomplexen.

a. Wát kan worden toegeëigend?
In het centrum van een algemene theoretische benadering van sociale ongelijkheden staat hier de analyse van de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over objecten (maatschappelijke bronnen en beloningen) die bepalend zijn voor de ongelijke verdeling van sociale levens- en politieke handelingskansen van individuen, groepen of klassen. Elke theorie van sociale ongelijkheid zou daarom uitspraken moeten bevatten over de vraag, wát de objecten zijn die kunnen worden toegeëigend en waarover feitelijk beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend. In eerste instantie gaat het dus om de simpele, maar onderzoeksstrategisch uiterst relevante vraag wat er in technisch en sociaal opzicht kan worden toegeëigend [Bader/Benschop 1988:81 e.v.]. Waarover kan feitelijk worden beschikt, d.w.z. over wat voor soorten objecten kan feitelijke beschikkingsmacht worden uitgeoefend? Voor de beoordeling van Weber's bijdrage is het daarbij van vitaal belang de reikwijdte en theoretische status te bepalen van het door hem gehanteerde begrip 'sociale levenskansen'. Wat verstaat hij onder levenskansen en wat is de precieze relatie tussen levenskansen en 'objecten van toeëigening'?

b. Wié kunnen zich deze objecten toeëigenen?
Een vraag die aanzienlijk minder problemen zal opleveren is, wat de mogelijke subjecten van toeëigening zijn. Wie kunnen feitelijke beschikkingsmacht uitoefenen over toegeëigende objecten en wat zijn de potentiële en/of actuele actoren in processen van sociale sluiting?

c. Waaróm kunnen objecten worden toegeëigend?
De vraag waarom objecten kunnen worden toegeëigend en sociale levenskansen kunnen worden gemonopoliseerd levert meestal heel wat meer problemen op. De moeilijkheid in de discussies over de grondslagen of oorzaken van sociale ongelijkheid is dat daarin verschillende problemen met elkaar worden vermengd en dat de analytische referentiepunten vaak impliciet blijven. Om een zinvol antwoord te kunnen geven op de 'waarom' vraag zou in de eerste plaats een duidelijk onderscheid gemaakt moeten worden tussen
  1. historisch-initiële oorzaken — ontstaansoorzaken
  2. sociaal-structurele gronden van het voortbestaan — reproductieve oorzaken of bestaansgronden en
  3. transformatieve factoren van sociale ongelijkheden — veranderingsoorzaken.
In de tweede plaats zou er een helder onderscheid gemaakt moeten worden tussen de factoren en mechanismen die bepalend zijn voor (i) de structurering van ongelijk beloonde sociale posities en voor (ii) de selectieve recrutering van ongelijk gewaardeerde individuen op die ongelijk gestructureerde posities.

Elke (pro)theorie van sociale ongelijkheid zou dan ook getoetst moeten worden op de mate waarin zij erin slaagt om 1) zowel de historisch-initiële als structureel-reproductieve en transformatieve factorenbundels te analyseren, als om 2) de positionele en personele referentiepunten duidelijk te identificeren. We zullen dus nagaan welke sociaal-historische achtergronden en sociaal-structurele grondslagen van toeëigenings- en sociale sluitingsprocessen door Weber worden behandeld. Welke factoren zijn volgens hem bepalend voor de selectieve recrutering (of allocatie) van personen/ groepen in ongelijk gestructureerde levensposities? En op grond van welke criteria kunnen individuen, groepen of klassen van bepaalde levenskansen worden uitgesloten?

d. Hoé en met welke middelen kan beschikkingsmacht over objecten worden verkregen of overgedragen?
Beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen komt niet uit de lucht vallen, ze moet worden verworven zo niet veroverd, en ze moet —wil ze enige sociaal-historische stabiliteit vertonen— kunnen worden overgedragen. Wat is het mechanisme en wat zijn de middelen waarmee beschikkingsmacht kan over objecten kan worden verworven? En hoe kunnen eenmaal verworven beschikkingsmachten (resp. gemonopoliseerde levenskansen) worden overgedragen?

e. Hoe lang kan de uitoefening van beschikkingsmacht duren?
Niet elke beschikkingsmacht over objecten en niet elk gebruik van levenskansen leidt zonder meer tot gestructureerde sociale ongelijkheid. Dat is alleen het geval wanneer de betreffende toeëigeningen enige duurzaamheid vertonen. Nu is de beschikkingsmacht over objecten in tijd zeer gedifferentieerd en daarom zijn er vele variaties in de duurzaamheid van toeëigeningen. We zullen dus nagaan hoe Weber deze tijdsdimensie van gestructureerde ongelijkheden behandelt en in het bijzonder hoe hij de differentiatie van duurzaamheid van beschikkingsmachten thematiseert.

f. In welke mate kan beschikkingsmacht worden uitgeoefend?
Van gestructureerde sociale ongelijkheid is slechts sprake wanneer de betreffende toeëigening niet alleen een zekere duurzaamheid, maar ook een zekere effectiviteit vertoont. Structurele ongelijkheid veronderstelt dus altijd een zeker minimum aan feitelijke, effectieve beschikkingsmacht. De beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen en beloningen is slechts zelden binair gepolariseerd — ze is dus niet alleen in tijd, maar ook inhoudelijk sterk gedifferentieerd. Sociale ongelijkheid begint dus niet pas wanneer er sprake is van volledige of absolute beschikkingsmacht. Maatschappelijke bronnen en beloningen kunnen in verschillende mate en graden worden toegeëigend, en hierdoor verschilt ook de mate van effectiviteit van toeëigeningen. In elke analyse van sociale ongelijkheden zou daarom aandacht besteed moeten worden aan de vraag, in welke mate en binnen welke grenzen er sprake is van feitelijke beschikkingsmacht. Meer in het bijzonder wordt onderzocht hoe Weber het probleem behandelt van de inhoudelijke deling (differentiatie), personele verdeling (delegatie) en externe beperking (limitatie) van beschikkingsmachten.

g. Wat zijn resultaten van toeëigening?
Toeëigening leidt altijd tot een zekere vorm van eigendom. Het sociaalwetenschappelijk zeer omstreden eigendomsbegrip wordt ook door Weber gehanteerd in zijn analyse van de resultaten van sociale sluitingsverschijnselen. Ongelijke beschikkingsmacht over objecten leidt enerzijds tot het ontstaan van toegeëigende kansen (Weber), die onder bepaalde voorwaarden de vorm aan kunnen nemen van rechten of eigendommen. Anderzijds ontstaan er gesloten sociale verhoudingen en min of meer tegenstrijdige belangengroepen, waaruit zich onder bepaalde voorwaarden politieke handelingscollectieven kunnen vormen. We zullen nagaan op welke wijze Weber de begrippen 'toegeëigende kansen', 'rechten' en 'eigendom' van elkaar afbakent.

h. Waardoor wordt een ongelijke verdeling van beschikkingsmachten gestabiliseerd en gegarandeerd?
Object van analyse zijn de gestructureerde en duurzame vormen van sociale ongelijkheid en niet zozeer de incidenteel of kortstondige verschijnselen ervan. Daarom wordt speciale aandacht besteed aan de mechanismen die ervoor zorgen dat de feitelijke ongelijke verdeling van beschikkingsmachten in stand wordt gehouden. Waardoor krijgt de ongelijke verdeling van levenskansen maatschappelijke regelmaat en stabiliteit? Welke mechanismen garanderen de continuïteit van sociale ongelijkheid? Deze vraag naar de stabiliteits- en continuïteitsvoorwaarden heeft een voor de hand liggende keerzijde: welke factoren bewerkstelligen instabiliteit en discontinuïteit? Wat zijn aanknopingspunten voor structurele verandering (terugdringing, minimalisering, opheffing) van sociale ongelijkheden?

1.3 Het mechanisme van sociale sluiting
In het centrum van Weber’s analyse van sociale ongelijkheid staat de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over essentiële maatschappelijke bronnen, welke de ongelijke verdeling van levenskansen en daarmee de sociale levenssituatie van individuen bepalen. Zijn uitgangspunt is “de existentiële strijd van menselijke individuen of sociale typen om levens- of overlevingskansen” [WG 20].

Strijd
Een sociale relatie wordt door Weber strijd genoemd “wanneer het handelen georiënteerd is op de bedoeling de eigen wil door te zetten tegen het verzet van de partner(s)” [WG: 20]. Wanneer in de bestaansstrijd om levens- of overlevingskansen deze ‘sinnhafte Kampfabsicht’ tegen elkaar ontbreekt, dan is er sprake van sociale selectie (wanneer het gaat om de kansen van levenden in het leven) of biologische selectie (wanneer het gaat om overlevingskansen van erfgoed).
De strijd om sociale levenskansen hoort voor hem bij de essentie van het menselijk bestaan. Hoewel dit antropologisch getinte uitgangspunt door Weber niet nader gemotiveerd wordt, kan het als heuristische principe een nuttig en nuchter uitgangspunt zijn. Sociale ongelijkheden zijn immers altijd het resultaat van concurrentie of strijd om als schaars ervaren en gedefinieerde bronnen en beloningen (of levenskansen).

Om deze uitgangsstelling te preciseren werken Bader/Benschop [1988:69-71] vier afbakeningen uit.
  1. De schaarste van bronnen en beloningen is geen eeuwige natuurnoodzakelijkheid. Bronnen en beloningen zijn niet van nature schaars, maar worden als schaars ervaren en gedefinieerd in verhouding tot de historisch ontwikkelde en maatschappelijk bepaalde behoeften en belangen.

  2. Concurrentie en strijd zijn evenmin eeuwige of natuurnoodzakelijke verschijnselen, zij moeten net als schaarste historisch en maatschappelijk worden verklaard. Het geformuleerde heuristische uitgangspunt bevat dus geen speculatieve aannamen over aangeboren strijdinstincten, natuurlijk machtsverlangen' of ingebakken hebzucht.

  3. Conflict is niet het enige type van sociaal handelen, en voor de alledaagse praktijk is het zeker ook niet het dominante handelingstype. Ten eerste bestaat er natuurlijk naast conflict ook altijd concensus. Ten tweede is het onjuist om de relevante mechanismen van handelingscoördinatie bij voorbaat te reduceren tot conflict en consensus, of breder: tusen belangenpositie en legitimiteit. Naast belangenpositie (gemotiveerd door strategisch —in Weber’s terminologie: doelrationeel— handelen) en legitimiteit (gemotiveerd door consensueel —of in Weber’s terminologie: waarderationeel— handelen) dient ook rekening te worden gehouden met gewoontes en zeden (op basis van traditioneel gemotiveerd handelen) en solidariteit (gemotiveerd door affectief handelen).

  4. Feitelijke handelingen en handelingsoriëntaties zijn altijd complexe mengvormen van deze vier handelingstypen. Situaties van potentiële of actuele strijd zijn echter bij uitstek de voedingsbodem voor strategisch handelen, d.w.z. van handelen dat rationeel georiënteerd is op het nastreven van particularistische doelen die tegenover de doelen van anderen staan. Daarom zouden we Weber’s uiteenzetting op kunnen vatten als een —tamelijk impliciet gebleven— pleidooi voor een strategische handelingsanalyse. Strategische handelingsanalyse is een methodisch of heuristisch principe. Het fatsoeneert het complex van handelingsoriëntaties en handelingen niet naar het geïdealiseerde model van strategische oriëntaties en handelen, en zeker niet naar het grof-materialistische en egoïstisch-individualistische model van de homo economicus.

De inzet van deze strijd is het verwerven van “eigen beschikkingsmacht over kansen welke ook door anderen worden begeerd” [idem]. De “drijvende kracht” [WG 202] van processen van sociale sluiting is altijd de tendens om bepaalde levenskansen te monopoliseren. Deze tendens keert zich tegen andere mededingers om deze levenskansen die een bepaald positief of negatief kenmerk gemeen hebben.

Het doel hiervan is altijd “het sluiten van de betreffende kansen voor buitenstaanders” [WG:202]. Door sociale sluiting wordt een deel van de actuele of potentiële mededingers om levenskansen uitgesloten van medeconcurrentie [WG:201].

Het algemene resultaat van processen van sociale sluiting is enerzijds een feitelijke ongelijke verdeling van levenskansen, anderzijds het ontstaan van gesloten sociale verhoudingen en gemeenschappen (=‘belangengemeenschappen’). Deze resultaten worden op verschillende manieren gestabiliseerd en gegarandeerd. Dit impliceert ook dat er bepaalde sociale of fysieke kenmerken worden gebruikt als rechtvaardigingsgrond van uitsluiting.

Sociale sluiting is het proces waardoor sociale groeperingen of collectiviteiten proberen beloningen te verwerven, vergroten of behouden door het beperken van de toegang tot positief geprivilegieerde posities tot een beperkte kring van uitverkorenen. Sociale sluiting impliceert dus altijd zowel het verwerven van toegang tot geprivilegieerde posities, als het beperken of afsluiten van de toegang tot deze posities voor anderen.

top


2 Wat kan worden toegeëigend?

2.1 Beschikkingsmacht over kansen
Een sociaalwetenschappelijke analyse van sociale ongelijkheden moet zich volgens Weber primair richten op de feitelijke empirische verdeling van beschikkingsmachten over specifieke objecten. Het begrip beschikkingsmacht (‘Verfügungsgewalt’) wordt door Weber voornamelijk uitgewerkt in relatie tot economische kansen. Daar merkt hij op dat elke organisatie van de economie altijd “de een of andere feitelijke verdeling van beschikkingsmacht” impliceert en dat het begrip beschikkingsmacht niet mag ontbreken als sociologisch begrip van het economisch handelen [WG:33].

Er zijn echter geen redenen om het begrip beschikkingsmacht niet te generaliseren tot alle mogelijk toe te eigenen kansen. Hierdoor kan het concept beschikkingsmacht worden ingevoerd als basisbegrip in een algemene theorie van sociale ongelijkheden. Ook Weber lijkt hiertoe soms over te gaan. Hij spreekt in het algemeen over ‘beschikkingssmacht over kansen’ zonder beperking aan te brengen tot economische kansen [WG:20,23;47]. Verder spreekt hij in het algemeen over ‘toegeëigende kansen’ [WG:23] en ‘toegeëigende beschikkingsmachten’ [WG:202].

Wat zijn nu de objecten die feitelijk kunnen worden toegeëigend en waarover reële beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend? Volgens Weber zijn dat alle “kansen ter bevrediging van innerlijke of uiterlijke belangen” [WG:23]. Objecten die kunnen worden toegeëigend en waarover beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend zijn bijvoorbeeld:

Deze reeks zou men aan de hand van Weber’s teksten verder kunnen aanvullen en differentiëren. De algemene lijn van zijn benadering is echter duidelijk: alle natuurlijk gegeven of maatschappelijk geproduceerde kansen die het materiële, ideële, psychische en sociale leven van de mensen bepalen kunnen in principe object van toeëigening worden.

2.2 Het begrip levenskansen
Het begrip levenskansen speelt in Weber’s benadering van sociale sluitingsprocessen een sleutelrol, maar hij nam het nooit op in zijn catalogus van sociologische basisbegrippen. De theoretische status van het concept werd door Weber zelf niet gepreciseerd en hij ontwikkelde evenmin een systematische kasuïstiek van de “objecten en kansen waarom het gaat” [WG:202]. Zijn notie van levenskansen bleef daardoor rudimentair en ambigu.

Het is des te opmerkelijker dat sociale wetenschappers die zich op het werk van Weber beroepen niet of nauwelijks geprobeerd hebben de theoretische status en reikwijdte van het concept levenskansen te expliciteren; zij maken —net als Weber— min of meer terloops gebruik van de term. Even schamel zijn de pogingen om op basis van geëxpliciteerde en theoretisch verantwoordde criteria een systematiek te ontwerpen van de verschillen soorten of typen levenskansen.

Op beide punten moet de aanzet van Weber nader worden gepreciseerd en uitgewerkt. Ik zal hiervoor een aantal mogelijkheden aanduiden.

2.2.1 Het kansbegrip
Het kansbegrip heeft bij Weber verschillende betekenissen.

Daarom zijn levenskansen ook geen existentiële constante — het zijn geen voor eens en altijd gegeven kwaliteiten, zij worden historisch ge(re)produceerd. De natuurlijk gegeven en sociaal gecreëerde levens- en overlevingskansen worden in de loop van de maatschappelijke ontwikkeling vergroot (zoals de vergroting van de kans op een langer leven). Er worden ook steeds weer nieuwe levenskansen geproduceerd (zoals de kans op ruimtelijke mobiliteit en virtuele communicatie op wereldschaal). En tenslotte kunnen levenskansen daarbij ook worden uitgebreid, zodat zij voor meer individuen toegankelijk worden (zoals kansen op educatie, vacantie e.d.). Menselijke maatschappijen ontlenen hun kwaliteit aan hun vermogen om meer mensen, meer en gelijke levenskansen te bieden.

2.2.2 Sociale levenskansen en behoeften
De term ‘sociale levenskansen’ zou zodanig moeten worden afgebakend dat het in het onderzoek naar sociale ongelijkheden een bruikbaar analytisch begrip wordt. Kernpunt van theorieën over gestructureerde sociale ongelijkheden is de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht van objecten die bepalend zijn voor levenskansen in verschillende maatschappelijke verhoudingen. Door een ongelijke verdeling van beschikkingsmachten zijn de kansen voor de bevrediging van een diversiteit van menselijke behoeften eveneens ongelijk verdeeld. Levenskansen omvatten alle natuurlijk gegeven en maatschappelijk geproduceerde kansen voor de bevrediging van menselijke behoeften.

Onder ‘sociale levenskansen’ zal ik hier verstaan: alle maatschappelijk gestructureerde kansen ter bevrediging van de meest uiteenlopende menselijke behoeften. In deze definitie liggen een aantal afbakeningen besloten.

  1. Het begrip levenskansen wordt hier in meerdere opzichten breed opgevat. In de eerste plaats wordt het het begrip levenskansen niet beperkt tot fysiologisch-biologische overlevingskansen — zoals bij Svalastoga [1965] en Heller [1969]. In de tweede plaats zou het begrip ook niet beperkt moeten worden tot strikt maatschappelijk geproduceerde levenskansen — zoals bij Giddens [1973:131] en [Kreckel 1976:347]. Het begrip omvat tevens de natuurlijk gegeven maar sociaal beïnvloedbare en gestructureerde kansen. In de derde plaats zouden sociale levenskansen niet beperkt moeten worden tot consumptiekansen. Sociale levenskansen omvatten niet alleen (materiële) consumptiemogelijkheden, maar alle kansen om de diverse individuele capaciteiten van mensen optimaal te kunnenontwikkelen (en dus ook kansen van zelfverwerkelijking en ontplooiing in en door arbeid). In de vierde plaats zouden sociale levenskansen zo breed moeten worden opgevat dat ze niet alleen materiële en ideële goederen omvatten, maar ook sociale relaties en prestigekansen [Bader/Benschop 1988:83].

  2. In toeëigenings- of onteigeningsprocessen gaat het altijd om objecten die wérkelijk kunnen worden toegeëigend. Het gaat niet om de bevrediging van specifieke menselijke behoeften zelf, welke het mogelijke gevolg zijn van toeëigeningen van deze objecten. De bevrediging van de behoefte aan voedsel, een lang en gezond leven, aan emotionele satisfactie of sociaal aanzien kunnen niet als zodanig worden toegeëigend of maatschappelijk worden geïnstitutionaliseerd. Het kunnen allemaal gevolgen zijn van toeëigeningen. Wat feitelijk kan worden toegeëigend is dus de kans op bevrediging van menselijke behoeften, en niet de actuele bevredigingen zelf. Zoals winstkansen kunnen worden toegeëigend door monopolisering van materiële arbeidsvoorwaarden, prestatiekwalificaties en vormen van coöperatie en coördinatie, zo kan de kans op een lang en gezond leven worden toegeëigend door de monopolisering van geweldsmiddelen, medische voorzieningen en kwalificaties e.d.. Zoals politieke machtskansen kunnen worden toegeëigend door monopolisering van het recht op politieke partijvorming, zo kunnen de kansen op emotionele en seksuele bevrediging worden toegeëigend door het institutionaliseren van monopolies op de relationele, erotische of huwelijksmarkt. Een bepaalde mate van effectieve bevrediging van fysiologische, psychische, geestelijke of sociale behoeften kan niet worden toegeëigend, wél de hiervoor noodzakelijke of noodzakelijk geachte voorwaarden en middelen om deze behoeften te bevredigen.

Het begrip levenskansen is dus weliswaar een zeer breed en omvattend concept, maar zeker geen ‘catch all’ term dat als allesomvattend basisbegrip van het ongelijkheidsonderzoek kan fungeren. Levenskansen zijn betrokken op individuele behoeften en op de steeds verschillende waarderingen daarvan. En daarom “is het niet opportuun om het begrip ook te gebruiken voor de middelen of bronnen die in de meest uiteenlopende activiteitsverhoudingen worden ingezet in de strijd om de toeëigening van de levenskansen. Daarom gebruiken wij het begrip synoniem met beloningen” [Bader/Benschop 1988:84]. Zodra men ‘de kansen om toegang tot levenskansen te verwerven’ zelf ook als levenskansen gaat aanduiden wordt de reikwijdte van begrip levenskansen te zeer overspannen en moet men leren leven met een taalkundig monster.

2.3 Indeling van levenskansen
Ik beperk me hier in eerste instantie bewust tot positionele ongelijkheden. De allocatieve ongelijkheden zijn het gevolg van mechanismen waardoor de toegang tot ongelijk gestructureerde posities voor buitenstaanders worden gesloten of beperkt. De allocatieve ongelijkheden worden uitvoeriger behandeld in § 4.
Positionele sociale ongelijkheden zijn het gevolg van mechanismen waardoor de objectieve en subjectieve voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de bevrediging van menselijke behoeften door een bepaalde sociale categorie worden toegeëigend of geusurpeerd. Daarom moet elke theorie van sociale ongelijkheid expliciet en helder zijn ten aanzien van de vraag welke maatschappelijke bronnen en beloningen in het geding zijn.

Weber gaat niet in op de vraag hoe levenskansen in en door specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen zijn gestructureerd. Daarom blijven ook de impliciete beslissingen die aan een indeling van levenskansen ten grondslag liggen onbeargumenteerd. Om op dit punt verder te komen zou een analyse nadere gemaakt moeten worden van (a) de differentiatie van de maatschappelijke levensverhoudingen en van (b) de differentiatie van de objecten die binnen specifieke levensverhoudingen kunnen worden toegeëigend.

  1. Om de veelvoud van levenskansen te categoriseren wordt meestal gebruik gemaakt van uitermate simpele tweedelingen (zoals materiële/immateriële, objectieve/subjectieve) of driedelingen (zoals economische, sociale en culturele levenskansen). Ralf Dahrendorf heeft gesuggereerd dat “een simpele classificatie van ‘institutionele ordes’ heel geschikt is om een catalogus van levenskansen te ontwerpen’ [Dahrendorf 1079:79]. Hij presenteert daarbij zelf een classificatie van vijf institutionele ordes: levenskansen van verwantschap, politieke levenskansen, economische levenskansen, militaire levenskansen, religieuze levenskansen. Dergelijke simpele classificaties kunnen nuttig zijn om de aandacht te vestigen op specifieke thema’s, maar in deze vorm is zijn systematisering van levenskansen nog veel te ongedifferentieerd. Waarom ontbreken bijvoorbeeld veiligheidskansen, erotische kansen, en educatiekansen? Bovendien is de keuze voor een institutioneel indelingscriterium nogal aanvechtbaar, Deze keuze wordt door Dahrendorf zelf op geen enkele wijze beargumenteerd of zelfs maar plausibel gemaakt.
      Bader/Benschop [1988:86-93] geven een uitvoeriger overzicht van gangbare simpele indelingen van levenskansen en zetten de bezwaren hiertegen op een rij.

    Een indeling of classificatie van mogelijke objecten van toeëigening zou in de eerste plaats gerelateerd moeten worden aan de specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen waarin deze objecten figureren. Een zinvol referentiepunt voor de structurering van levenskansen is om te vertrekken vanuit een —functionele en/of empirische— differentiatie van maatschappelijke verhoudingen.

      Wolfgang Schluchter [1979] heeft laten zien dat er niet alleen ambivalenties bestaan in de wijze waarop Weber de term ‘(Lebens)ordnungen’ hanteert, maar ook welke mogelijkheden er op dit punt in zijn werk bestaan. Wat we nodig hebben is een goed onderbouwde indeling van functioneel of empirisch gedifferentieerde maatschappelijke activiteitsverhoudingen. Zo’n indeling vind men niet in de diverse sociologische tradities.

      Als men deze analysestrategie wil volgen moet er een scherp onderscheid worden gemaakt tussen (i) de functionele differentiatie van menselijke activiteiten, (ii) de specifieke maatschappelijke verhoudingen waarin deze functioneel gedifferentieerde activiteiten plaatsvinden en (iii) de mogelijk historisch-empirische differentiaties en institutionaliseringen van de functioneel gedifferentieerde activiteiten (arbeidsdeling, beroepen) en verhoudingen (handelingssystemen, instituties en organisaties).

    Voor de onderzoeksstrategie is het van groot belang om het referentiepunt dat in functionele analyses worden gehanteerd zo duidelijk mogelijk te benoemen. In aansluiting bij Weber heb ik sociale levenskansen gedefinieerd als “alle maatschappelijk gestructureerde kansen ter bevrediging van de meest uiteenlopende menselijke behoeften”. Levenskansen verwijzen dus telkens naar specifieke behoeften van mensen individuen. Dat is een valide argument om te kiezen voor een behoefte-theoretisch referentiepunt. De differentiatie van levenskansen in maatschappelijke verhoudingen zou daarom moeten vertrekken vanuit de analyse van de historisch ontwikkelde behoeften van menselijke individuen [Bader/Benschop 1988/2017: hft. iv, Behoeften – Activiteiten – Verhoudingen].

  2. Een nadere precisering van de catalogisering van kan worden bereikt door de objecten waarover beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend zelf beter in te delen. Hiervoor kunnen verschillende indelingsprincipes en -strategieën worden beproefd. Het minst problematisch is hierbij het traditionele onderscheid tussen bronnen en beloningen.

    Bronnen en beloningen zijn geen categorieën of klassen van concrete objecten, maar refereren aan de functie van objecten in specifieke handelingsconteksten [Parsons 1953]. Wanneer objecten worden gebruik als middel voor de directe behoeftebevrediging fungeren zij als beloningen. Wanneer objecten gebruikt en ingezet als middel om de ‘middelen van de behoeftebevrediging’ voort te brengen of om deze middelen toe te eigenen fungeren zij als bronnen [Bader/Benschop 1988:129].

    Concrete objecten kunnen dus in principe als bron én als beloning fungeren. Een arbeidsmiddel kan zowel bron als beloning, voorwaarde als resultaat, middel-object als doel-object zijn in maatschappelijke georganiseerde arbeidsprocessen. Ook specifieke kennis of esthetische prestatiekwalificaties kunnen zowel het resultaat/beloning zijn van bepaalde onderwijs- resp. esthetische verhoudingen, als voorwaarde/bron voor andere maatschappelijke verhoudingen.

    Het belangrijkste probleem ligt in het vinden van een goede (theoretisch beargumenteerde en empirisch vruchtbare) indeling van de bronnen zelf. De meeste pogingen om ’dimensies’ van sociale ongelijkheid te onderscheiden draaien voortdurend om dit punt heen. Dit geldt geldt zowel voor Lenski [1966] en Kreckel [1976, 1982] als voor Bourdieu [1979] en Wright [1985]. Maar ook in de huidige theorievorming over sociale ongelijkheid bestaat geen duidelijkheid over de aard en typen van de toe te eigenen bronnen. Dat is geen geringe lacune. De ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen is immers de kern van alle relationele sociale ongelijkheid.

      Het voert te ver om hier een overzicht te geven van alle mogelijk uitgangspunten, analysestrategieën en indelingsprincipes die een rol kunnen spelen bij de structurering van bronnen. In de voorstel dat ik samen met Veit Bader heb uitgewerkt, wordt in de eerste plaats een onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte bronnen. Directe bronnen zijn bronnen die direct en als zodanig in verschillende maatschappelijke activiteitsverhoudingen of arbeidsprocessen kunnen worden gebruikt voor het voortbrengen van maatschappelijke gebruikswaarden.

      Er worden drie typische directe bronnen onderscheiden: (1) materiële bronnen of materiële arbeidsvoorwaarden, (2) prestatiekwalificaties van specifiek gekwalificeerde arbeidskrachten en (3) vormen van coöperatie en organisatie.

      Alle andere bronnen zijn indirecte bronnen die niet direct en als zodanig in arbeidsprocessen gebruikt kunnen worden, maar wel (i) de verdeling van de directe bronnen —en daarmee de machtsposities— beïnvloeden, (ii) de toegang tot bepaalde maatschappelijke arbeids- en levensverhoudingen belemmeren, afsluiten dan wel openen, en (iii) de verdeling van de resultaten van maatschappelijke arbeidsprocessen beïnvloeden. Indirecte bronnen zijn dus kort gezegd middelen van toeëigening en sluiting. Voorbeelden van indirecte bronnen zijn materiële rijkdom, afstamming, diploma's, informatie, politieke legitimiteit en legaliteit, geweld; revenuen (geld en vrije tijd); heerschappijposities in organisaties; sociale relaties en patronage en zeer diverse prestigekansen.

      Een dergelijke desaggregerende benadering heeft in ieder geval twee grote voordelen. Enerzijds wordt voldoende afstand gehouden van benaderingen waarin uitsluitend of voornamelijk aandacht wordt besteed aan één type van directe bronnen (zoals aan de verdeling materiële productiemiddelen in de marxistische traditie of aan de verdeling van organisationele posities in de conflictsociologische traditie). Anderzijds wordt er ook voldoende afstand gehouden van benaderingen waarin uitsluitend of voornamelijk aandacht wordt besteed aan de hiërarchisering van prestige.

top

3 Mechanismen, duurzaamheid en mate van toeëigening

3.1 Mechanismen van verwerven en overdracht van beschikkingsmacht
Hoe komt de beschikkingsmacht over objecten tot stand en hoe kunnen de daaraan verbonden levenskansen worden gemonopoliseerd? Dat zijn vragen die Weber als een der eersten aan de orde heeft gesteld.

Er zijn verschillende manieren waarop objecten kunnen worden toegeëigend. Weber deelt deze mechanismen in naar de middelen die daarbij worden aangewend [§ 3.3.1] en naar de verschillende vormen waarin reeks toegeëigende objecten kunnen worden overgedragen [§ 3.3.2].

3.1.1 Verwerven van beschikkingsmacht
De strijd om het verwerven van beschikkingsmacht over objecten en posities worden door Weber ingedeeld naar de ideaaltypische middelen die hierbij worden aangewend.

Wanneer er actueel fysiek geweld wordt toegepast is er sprake van gewelddadige strijd. Gewelddadige strijd omvat het hele scala van roof van economische goederen, van vrouwen enz. tot aan de politiek-militaire onderwerping van hele volken, staten en continenten; gewelddadige onteigeningen (usurpaties) en het op de punt van het zwaard instellen van dwangarbeid.

Gewelddadige strijd kan zowel ongeregeld als geregeld zijn. “Van de bloedige strijd die gericht is op de vernietiging van het leven van de tegenstander waarbij iedere binding aan strijdregels ontbreekt tot aan de conventioneel geregelde ridderstrijd” [WG:20].

Wanneer in de strijd om beschikkingsmachten geen feitelijk fysiek geweld wordt toegepast is er sprake van vreedzame strijd. De “formeel vreedzame poging om eigen beschikkingsmacht over kansen te verwerven die ook door anderen worden begeerd” [WG:20] is concurrentie.

Concurrentie kan regelloos, vrij zijn of geregeld. Voorbeelden van ongeregelde concurrentie zijn de vroeg-kapitalistische concurrentie en de “regelloze concurrentie van bijvoorbeeld erotische mededingers om de gunst van een vrouw”. Van geregelde concurrentie is sprake wanneer de doelen en middelen van de concurrentie georiënteerd zijn op morele en etische of algemene beschavingsnormen, op juridische regels of gepositiveerde wetten. Voorbeelden hiervan zijn het geregeld strijdspel (sport), de concurrentiestrijd om ruilkansen die gebonden is aan de ordening van de markt (kopen en verkopen, lenen en verlenen enz.), de strikt gereguleerde competities om artistieke prijzen en de strijd tussen politieke partijen om de kiezersgunst in de verkiezingscampagnes.

Weber geeft geen systematisch overzicht van de manieren waarop de vrije of geregelde concurrentie om beschikkingsmacht zich kan voltrekken. Maar in Wirtschaft und Gesellschaft komen her en der wel speciale vormen aan de orde. Dit geldt bijvoorbeeld voor

  1. Economische ruil, kopen, pachten, huren, lenen [WG:36].
  2. Sollicitatie, verkiezing, benoeming of coöptatie voor bepaalde posities.
  3. Verschillende vormen van stapsgewijze sluiting en het uitschakelen van actuele of potentiële mededingers door het oprichten van of toetreden tot organisaties, gericht op deelname aan de door deze organisaties toegeëigende beschikkingsmachten — bijvoorbeeld door vorming van kartels, trusts of andere typen van monopolistische organisaties;
  4. Inhuwen, gericht op verwerving van levenskansen die erfelijk door verwantschapseenheden zijn toegeëigend.
  5. Het zich ondergeschikt maken aan superieure machthebbers.

Deze voorbeelden laten zich gemakkelijk uitbreiden. De middelen waarmee beschikkingsmacht over objecten kan worden toegeëigend zijn ook zo divers dat men nauwelijks meer kan presenteren dan een pretentieloze casuïstiek van machtsmiddelen. Wie toch een poging zou willen wagen om deze machtsmiddelen te classificeren moet in ieder geval rekening houden met het feit dat vanaf een bepaald ontwikkelingsniveau van de maatschappelijke productie-, informatie-, communicatie- en destructiekrachten alle sociaal relevante machtsmiddelen berusten op een daaraan voorafgaande toeëigening van specifieke bronnen of beloningen. Daarom kunnen in principe alle reeds toegeëigende objecten dienen als middel om nieuwe levenskansen te monopoliseren.

Naast het door Weber gehanteerde onderscheid tussen gewelddadige strijd en vreedzame concurrentie circuleren in de sociale wetenschappennog een aantal andere indelingscriteria:

  1. Positieve en negatieve sanctiemiddelen: beloning & straf.
  2. Middelen met en zonder dwang.
  3. Materiële en symbolische middelen.
  4. Differentiatie van middelen naar maatschappelijke verhoudingen en activiteiten.
De vraag óf, en zo ja in welk opzicht, een van deze indelingsprincipes werkelijk relevant is voor de analyse van sociale ongelijkheden is moeilijk in het algemeen te beantwoorden. Maar we kunnen wel een antwoord geven op de vraag: waarvan is de keuze van de middelen van toeëigening en sociale sluiting afhankelijk?

3.1.2 Overdracht van beschikkingsmacht
Natuurlijk speelt geweld ook bij geïnstitutionaliseerde overdrachts-mechanismen indirect wel degelijk een prominente rol als laatste dekkingsgarantie. En daarom spreekt ook Weber in dit verband nadrukkelijk van formeel vrijwillige en vreedzame mechanismen.
Geweld is een uitermate geschikt middel is om bepaalde objecten en posities toe te eigenen. Maar geweld leent zich niet direct voor de overdracht van reeds toegeëigende beschikkingsmachten. Objecten en posities kunnen initieel worden toegeëigend door gewelddadige strijd of vreedzame concurrentie, maar beschikkingsmacht kan ook worden verkregen door overdracht van reeds toegeëigende objecten en posities.

Weber behandelt dit overdrachtsmechanisme niet systematisch. Hij gaat niet uitvoerig in op de betekenis van specifieke overdrachtsvormen, zoals erven, schenken, ruil, koop en verkoop, verpachting, verhuur en verlening, delegatie, formeel vrijwillige deling enz. En hij gaat ook voorbij aan de functie van deze overdrachtsvormen voor de reproductie van structurele sociale ongelijkheden. De mechanismen waardoor beschikkingsmacht wordt verworven en overgedragen zijn immers tegelijkertijd mechanismen van reproductie van structurele sociale ongelijkheid. Deze reproductiemechanismen moeten echter niet worden verwisseld met de verschillende typen van garantie van toegeëigende beschikkingsmacht [zie § 5.2 en 5.3].

3.2 Duurzaamheid van de beschikkingsmacht
Bij sociale ongelijkheid gaat het om duurzame en sociale relevante toeëigeningen en uitsluitingen. Het gaat niet om kortstondige, incidentele toeëigening van kansen welke verbonden zijn aan elk gebruik — zoals van zwembaden, treinen en theatervoorstellingen. Pas wanneer de benutter van kansen gedurende langere tijd anderen van het gebruik kan uitsluiten, d.w.z. wanneer er sprake is van duurzame toeëigeningen, hebben we te maken met relevante gestructureerde sociale ongelijkheden.

De duurzaamheid van monopolistische appropriatie kan sterk uiteenlopen. Weber maakt een onderscheid tussen temporeel beperkte en temporeel onbeperkte toeëigeningen [WG:202].

De hoogste graad van duurzaamheid wordt bereikt wanneer de erfelijke of vrije overdracht van gemonopoliseerde kansen is gegarandeerd. Van erfelijke overdracht is sprake wanneer de gemonopoliseerde kansen zodanig zijn gegarandeerd dat deze in geval van overlijden overgaan in andere handen en deze overdracht volgens vaste regels verloopt (erfrecht, volledige slavernij). Van vrije overdracht is sprake wanneer degene die over de kans beschikt deze vrij kan overdragen aan een willekeurige derde, die hierdoor deelnemer wordt aan de gesloten gemeenschap. Het verwerven van lidmaatschap van die gemeenschap door overdracht is niet gebonden aan de toestemming van de andere leden van die gemeenschap [WG:24; vgl. ook WG:38,70,170 e.v.]. Wanneer de genieter van een bepaalde kansen deze aan bepaalde of willekeurige derden door overeenkomst kan afstaan gaat het om een “appropriatie die men kan veruiterlijken” [WG:23].

De verschillende duur van de toeëigening heeft een wezenlijke invloed op het tijdsaspect van sociale mobiliteit en daarmee op de mogelijkheid van stabilisatie van sociale ongelijkheid. Dit is zowel van belang voor de collectieve ervaring en de ontwikkeling van collectieve levensstijlen, als voor de ontwikkeling van politieke identiteiten en conflictbewustzijn. In zijn Herrschaftssoziologie werkte Weber deze aspecten iets nader uit.

3.3 Mate van beschikkingsmacht
Gestructureerde sociale ongelijkheid veronderstelt niet alleen een minimum aan tijdsduur, maar ook een minimum aan feitelijke mate van beschikkingsmacht. We hebben gezien dat Weber een breed begrip van levenskansen hanteert. Zowel fysieke objecten (materiële goederen), economische objecten (zoals winstkansen), sociale objecten (zoals prestige- of huwelijkskansen) als culturele objecten (‘ideële goederen’ zoals vakkennis) kunnen in verschillende mate worden toegeëigend. Eigendom in de zin van feitelijke uitoefening van beschikkingsmacht wordt door Weber dus niet inhoudelijk (of ‘zakelijk’) beperkt. En hij verstaat hieronder ook niet een ‘fullness of rights’ in de zin van ‘absoluut eigendom’ of ‘totale beschikkingsmacht’.

In de regel is de beschikkingsmacht over objecten inhoudelijk gedifferentieerd. De mate waarin en de wijze waarop deze objecten kunnen worden toegeëigend is afhankelijk van de ‘technische aard’ [WG:202] van de objecten en kansen waar het om gaat. Daardoor verschilt ook het gemak waarmee het toeëigeningsproces (exploitatie, uitsluiting etc.) zich binnen een gemeenschap voltrekt.

Weber illustreert dit aan het verschil in toeëigening van een akker en een klantenkring. De kans om door bewerking van een akker in het levensonderhoud te voorzien is afhankelijk van de vraag of het om een eenduidig af te grenzen zakelijk object gaat. In dit geval gaat het om een uniek —niet voor vermeerdering vatbare— stuk grond. Bij de toeëigening van een klantenkring is dat anders. Zuiver technisch gezien is een klantenkring moeilijker monopolistisch toe te eigenen dan een stuk grond. Het succes van de toeëgening is dus sterk afhankelijk van de specifieke eigenschappen van het object en de daaraan verbonden levenskansen. Maar volgens Weber doet dit niets af aan het feit dat het in principe steeds hetzelfde proces is, namelijk het ‘sluiten’ van de gemonopoliseerde sociale economische kansen naar buiten en naar binnen [WG:203].

Om in empirische en historische analyses precieze vragen te kunnen stellen, zou men bij de inhoudelijke differentiatie van beschikkingsmachten een onderscheid moeten maken tussen drie —door Weber zelf niet altijd even duidelijk onderscheiden— probleemassen: (a) de mate van aggregatie of desaggregatie van afzonderlijke beschikkingsmachten; (b) de mate van verdeling of delegatie van specifieke beschikkingsmachten en (c) de mate van beperking of limitatie van beschikkingsmachten door derden.

  1. Desaggregatie
    Bij de analyse van de mate waarin beschikkingsmachten zijn ge(des)aggregeerd moet een helder onderscheid worden gemaakt tussen de bundel rechten of bevoegdheden die in eigendom geïmpliceerd kunnen zijn: (1) het recht op gebruik, (2) het recht op genot, (3) het recht op dispositie of controle en (4) het recht op transfer of overdracht (‘veruiterlijking’). Telkens moet de vraag worden gesteld in hoeverre er sprake is van een aggregatie dan wel desaggregatie van deze afzonderlijke bevoegdheden of (deel)beschikkingsmachten. Zo is bijvoorbeeld in het ontwikkelde kapitalisme het recht op dispositie over ‘kapitaal als functie’ gedeeltelijk gescheiden van het recht op genot van het ‘kapitaal als eigendom’, d.w.z. van het genot van kapitaalrente.
      Een sociaalwetenschappelijk zinvol eigendomsbegrip moet zowel worden afgebakend van het ‘dingmatige’ eigendomsbegrip als van het ‘absolute’ of totale eigendomsbegrip (en met de hiermee samenhangende politieke notie van ‘absolutie soevereiniteit’).

      a) De kleinste gemeenschappelijke noemer van het historisch zo sterk variabele eigendomsbegrip lijkt te zijn, dat het om een quasi achtetypische toerekeningsrelatie van subject en object gaat [Schwab 1975:65]. Eigendom is een recht en geen ding; het is ook niet eenvoudig een relatie tussen een subject (‘eigenaar’) en een ding, maar een relatie tussen de eigenaar en andere individuen met betrekking tot specifieke objecten [Macpherson 1978:1; Cohen 1978:158]. Eigendom is een door mensen gecreëerde institutie welke bepaalde relaties tussen mensen schept en realiseert; het is geen predikaat of natuurlijke eigenschap van objecten.

      b) Het lange tijd dominerende ‘absolute’ eigendomsbegrip uit de traditie van het Romeinse recht lag ten grondslag aan de codificaties van de belangrijkste continentale civiele grondwetten. In de Franse Code Civil kunnen we lezen: “La proprieté est le droit de jouir et de disposer des choses de la manière la plus absolu, pourvu qu’on ne fasse pas un usage prohibité par la loi ou par les règlements” [art. 544]. In alle hierop georiënteerde wetboeken komen we steeds dezelfde elementen tegen: (i) de eigenaar kan naar willekeur beschikken over zijn zaak, (ii) is gerechtigd anderen van het gebruik, genot en dispositie uit te sluiten, (iii) voorzover hiermee de wetten of reglementen van de rechtsorde niet worden geschonden. Vgl. Kahn-Freund [1965], Eörsi [1979:65 e.v.], Welkoborsky [1976:28].

  2. Delegatie
    Het is ook mogelijk dat de specifieke beschikkingsmachten of afzonderlijke bevoegdheden zelf worden gedeeld of gedelegeerd. Een bekend voorbeeld uit de economische theorie is de discussie over ‘managerialisme’ [Benschop 1993/2017: hft. 8, § 4.2]. Een voorbeeld uit de politieke theorie is de delegatie van wetgevende bevoegdheden in parlementair-democratische constituties. Bij de analyse van de feitelijke verdeling van beschikkingsmachten over objecten moet dus telkens ook worden nagegaan in hoeverre er spake is van deling of delegatie van de afzonderlijke bevoegdheden.

  3. Limitatie
    De beschikkingsmacht van specifieke eigendomsobjecten kunnen tenslotte worden gelimiteerd door de beschikkingsmachten en bevoegdheden van anderen, ‘derden’. De ‘absolute’ rechten van de ene privé-eigendom worden in de regel beperkt door de ‘absolute’ eigendomsrechten van andere privé-eigenaars. Bovendien kan het ‘absolute’ privé-eigendom worden beperkt door politieke overheidsorganen, bijvoorbeeld middels belasting- en onteigeningswetten.

3.4 Privileges, rechten, eigendom
Het resultaat van toeëigeningsprocessen is altijd dat er feitelijke beschikkingsmacht over bronnen en beloningen ontstaat en dat negatief geprivilegieerden van deze beschikkingsmacht zijn uitgesloten. Er ontstaan toegeëigende kansen. Alle toegeëigende kansen noemt Weber in dit verband ‘rechten’ [WG:23]. Toeëigening en onteigening heeft immers tot resultaat dat er geïnstitutionaliseerde rechten ontstaan ten aanzien van bepaalde levenskansen. Door deze institutionalisering ontstaan er effectieve mogelijkheden om de toegeëigende levenskansen te gebruiken, te genieten of te controleren. In welke specifieke vorm deze rechten zijn gecodificeerd en of zij bijvoorbeeld door de wet of staat zijn gesanctioneerd doet voor het algemene begrip van rechten niet ter zake.

Om elke directe verbinding met de juridische betekenis van de term rechten te vermijden zou men beter van privileges kunnen speken wanneer het in het algemeen gaat om feitelijk toegeëigende kansen [Bader/Benschop 1988:383, noot 50]. Privileges kunnen uiterlijk worden gegarandeerd door conventies en door recht. Wanneer dit het geval is spreken we van rechten. Privileges kunnen dus rechten worden wanneer gerekend kan worden op de feitelijke of conventionele of juridische afdwingbaarheid binnen bestaande maatschappijen of politieke heerschappij-instituties.

Wanneer de als rechten toegeëigende kansen erfelijk overdraagbaar zijn spreekt Weber van ‘eigendom’ [WG:23]. Van eigendom is dus sprake wanneer het gaat om erfelijk toegeëigende kansen die conventioneel of juridisch zijn gegarandeerd. In aansluiting op het commentaar hiervoor kunnen we zeggen: rechten worden eigendommen wanneer zij intergenerationeel en erfelijk overdraagbaar zijn.

Weber definieert zeer uiteenlopende levenskansen als mogelijk objecten van eigendom. Dat is zinvol, maar niet zo vanzelfsprekend als hij zelf meende. Hij ging hiermee immers rechtstreeks in tegen de destijds nog dominante traditie van het Romeinse recht, waarin eigendomsobjecten werden beperkt tot alleen lichamelijke zaken [Renner 1965; Kahn-Freund 1965].

De toegeëigende beschikkingsmacht over maatschappelijke kansen is volgens Weber in de regel niet ‘absoluut’ in de zin dat zij niet in tijd en inhoudelijk gedifferentieerd zou zijn. De duurzaamheid van uitoefening van beschikkingsmacht over bepaalde objecten en de mate waarin die objecten worden toegeëigend moet dus nader worden gedifferentieerd.

top


4 Waarom en hoe vindt sociale sluiting plaats?

4.1 Gronden van sociale sluiting
In alle ervaringswetenschappen was en is de vraag naar de oorzaken van bepaalde verschijnselen een belangrijke stap in de richting van hun theoretische verklaring. Juist in de discussies over sociale ongelijkheden blijkt echter hoezeer de vraag naar de oorsprong aanleiding kan zijn tot grote verwarring.

Een deel van de onduidelijkheid over de ‘grondslagen’, ‘bases’ of ‘oorzaken’ van sociale ongelijkheden ontstaat omdat er geen scherp analytisch onderscheid gemaakt wordt tussen (1) oorzaken van historische ontstaan, (2) de structurele gronden van het (voort)bestaan of van de reproductie van sociale ongelijkheden, en (3) de oorzaken van verandering of transformatie van eenmaal geïnstitutionaliseerde ongelijkheidspatronen. Deze oorzakenbundels kunnen identiek zijn of in elkaars verlengde liggen, maar dat is lang niet altijd en zeker niet noodzakelijkerwijs het geval. De historisch-initiële factoren (zoals ‘oorspronkelijke toeëigening’ op basis van eigen arbeid, overdracht of geweld) die een rol spelen bij het ontstaan van specifieke ongelijkheidsstructuren hoeven dus niet identiek te zijn met de reproductieve factoren die bepalend zijn voor het voortbestaan of de transformatieve factoren die de verandering van die structuren bewerkstelligen.

Max Weber heeft juist deze verschillen op het oog wanneer hij in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus [1905] opmerkt dat het ascetische protestantisme een zeer belangrijke historische rol vervulde voor het ontstaan van het moderne kapitalistische economische systeem: naast talloze andere factoren stond er “een bepaalde, constitutieve component van de levensstijl” aan de wieg van het moderne kapitalisme [PE II:169]. Door de nadruk op beroepsplicht en rationele ascese kon de protestantse ethiek een van van de constitutieve momenten vormen van de ‘kapitalistische geest’ [idem:285]. Het religieuze leven van de protestanten, hun hierdoor bepaalde familietradities en levensstijl creëerde een specifieke habitus die hen geschikt maakte om aan de specifieke eisen van het vroeg-kapitalisme te voldoen [idem:318].

De unieke betekenis van de protestantse ethiek voor het ontstaan van het kapitalisme betekent echter niet dat deze ook doorslaggevend zou zijn voor het voortbestaan van dit economisch stelsel. De ‘burgerlijke beroepsethiek’ blijft tegenover de enorme psychische weerstanden en voor-kapitalistische tradities haar betekenis houden totdat “het op zuiver mechanische basis berustende kapitalisme van tegenwoordig dit steunpunt kon missen” [idem:285]. De protestantse ethiek en levensstijl mag dan voor het ontstaan van het kapitalisme een uitermate belangrijke kracht zijn geweest, voor het voortbestaan van dit economisch stelsel is deze factor volgens Weber in toenemende mate irrelevant [Weber RS:36,55, 204].

Een tweede bron van verwarring is dat de positionele en personele referentiepunten niet goed uit elkaar worden gehouden. Bij de structurering van ongelijke sociale posities gaat het om de bundel van factoren die —onafhankelijk van hun historische oorspronkelijkheid en legitimiteit— bepalend zijn voor het verwerven en overdragen van beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen. Bij de recrutering van individuen op ongelijke posities gaat het om de bundel factoren die bepalend zijn voor de allocatie van personen of groepen in structureel ongelijke posities of levenssituaties. De criteria op grond waarvan de toegang tot ongelijke posities en hiermee samenhangende levenskansen en -situaties wordt gereguleerd kunnen identiek zijn met de factoren die bepalend zijn voor positionele ongelijkheden, maar dit is in de regel niet altijd en zeker niet noodzakelijk het geval.

Weber gaat niet uitvoerig in op de relatie tussen historisch-initiële oorzaken en reproductieve/transformatieve grondslagen van sociale ongelijkheid. En ook de relaties tussen positionele en personele dimensies worden door hem niet theoretisch behandeld. Hij gaat echter wel cursorisch in op de ‘motieven’ van sociale sluiting. Hij koppelt deze motieven van sociale sluiting direct aan de typisch vormen van monopolies [§ 3.2] en aan de mechanismen waardoor beschikkingsmacht wordt verkregen en overgedragen [§ 3.3].

4.2 Het motief van sociale sluiting
Het motief van sociale sluiting is volgens Weber altijd het beperken van het aantal feitelijke of potentiële deelnemers aan de strijd om als schaars ervaren en gedefinieerde levenskansen [WG:201]. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen drie soorten motieven.

  1. Sociale sluiting kan gemotiveerd zijn door het schaars worden van de kansen in verhouding tot de (consumptieve) behoeften [WG:25]. De omvang van de bronnen en kansen waarvan de levensstandaard van een individu of groep afhankelijk is noemt hij de ‘voedingsspeelruimte’ [WG:45 e.v.]. Het kleiner worden van het aanbod van kansen in verhouding tot de behoeften motiveert het ontstaan van ‘consumptiemonopolies’. Het archetype hiervan is de dorpsgemeenschap die in haar eigen levensonderhoud kan voorzien (markgemeenschap).

  2. Sociale sluiting kan ook gemotiveerd zijn door het schaars worden van de ‘verwervingskansen’. De ‘verwervingsspeelruimte’ is de omvang van de bronnen en economische kansen vanuit het gezichtspunt van hun mogelijke rol als bronnen van inkomsten en inkomens. Als deze speelruimte kleiner wordt, bevordert dit het ontstaan van ‘verwervingsmonopolies’. Het archetype hiervan zijn de gilden en de oude monopolies op visrechten [WG:25].

  3. Het handhaven of hooghouden van de kwaliteit van de prestaties is het derde motief voor sociale sluiting. Dit motief is meestal gecombineerd met het belang bij prestige en de daaraan verbonden ‘Chancen der Ehre’, soms ook met nog profanere winstkansen. Als voorbeelden noemt hij de ordes van asceten of monniken (bijvoorbeeld de Indische orde van bedelmonniken), religieuze sekten (bijvoorbeeld de Puriteinen), georganiseerde groepen krijgers, gilden van handwerkslieden en professionele monopolies, politieke burgerorganisaties en organisaties van beambten [WG:24].
Hoewel deze drie ‘motieven’ van sociale sluiting regelmatig terugkeren in Weber’s uiteenzetting kent hij hieraan geen vergaande theoretische pretenties toe. Hij thematiseert bijvoorbeeld niet de sociaal-historische achtergronden en sociaal-structurele oorzaken van sociale sluiting die de door hem genoemde ‘motieven’ in werking laten treden.

top


5 Subjecten van toeëigening en criteria van uitsluiting

5.1 Subjecten van toeëigening
De vraag wie feitelijke beschikkingsmacht kunnen uitoefenen of wat de subjecten kunnen zijn van sociale sluiting is weinig controversieel. Weber onderscheidt de mogelijke subjecten van sociale sluiting in samenhang met de verschillende manieren waarop toeëigening kan plaatsvinden.

Toeëigening kan ten eerste tot stand komen doordat men lid is van een bepaalde gemeenschap of maatschappij. Als lid van een bepaalde huisgemeenschap geniet men bijvoorbeeld automatisch de voordelen van de bronnen die door deze huisgemeenschap zijn toegeëigend. Hetzelfde geldt ook voor het behoren bij een bepaalde taalgemeenschap of —nog algemener— bij een bepaalde nationale staat die een andere staat koloniaal overheerst en uitbuit.

Toeëigening kan ook individueel tot stand komen. Gemonopoliseerde levenskansen kunnen zuiver persoonlijk aan individuen (‘natuurlijke personen’) toevallen als gevolg van eigen prestaties of door verwantschap, erfelijke overdracht e.d. Wanneer een individuele toeëigening kan worden veruiterlijkt dan is er sprake van een ‘overdraagbare appropriatie’ [WG:23].

Weber geeft geen overzicht van alle mogelijke subjecten van toeëigening. Een casuïstisch overzicht van mogelijke subjecten van toeëigening zou zich kunnen oriënteren op de volgende driedeling.

5.2 Een reeks sluitingscriteria
Sociale sluiting vindt plaats in situaties waarin zich strijd of concurrentie voordoet om het handhaven of veranderen van ongelijke beschikkingsmacht over de belangrijke bronnen en beloningen (of ‘levenskansen’). In eerste instantie doet het er voor de algemene analyse van sluitingsprocessen niet veel toe op grond van welke criteria actuele of potentiële concurrenten van bepaalde levenskansen worden uitgesloten.

Praktisch elk “uiterlijk identificeerbaar kenmerk” van anderen kan “als aanleiding worden genomen om hun uitsluiting van mededinging na te streven” [WG:201]. “De tendens om monopolistische afsluiting naar buiten kan aanknopen bij elk moment, ook als is het nog zo uiterlijk" [WG:236]. Het ontstaan van sociaal gesloten groepen en van van vijandschap tussen de positief en negatief geprivilegieerde categorieën mensen kan dus verbonden worden aan “de meest oppervlakkige verschijnselen van historisch toevallige verschillen” [idem]. In principe kan de tendens tot monopolisering van bepaalde —in de regel economische— kansen zich richten tegen elke groep met "een gemeenschappelijk positief of negatief kenmerk” [WG:202].

Sociale sluitingsstrategieën kunnen dus aanknopen bij zeer uiteenlopende kenmerken van individuen of sociale categorieën. Zij kunnen aanknopen bij praktisch alle mogelijke soorten verschillen:

Al deze verschillen kunnen aanleiding zijn voor afstoting en verachting van ‘andersgeaarden’ en —als keerzijde— van ontwikkeling van bewustzijn van gemeenschappelijkheid van de ‘gelijksoortigen’ [WG:236]. Sociale sluitingspraktijken transformeren horizontaal naast elkaar bestaande verschillen in verticaal boven elkaar gestelde hiërarchieën. Het horizontaal en onverbonden naast elkaar bestaan van verschillende groepen wordt door sociale sluiting getransformeerd in een “verticaal systeem van boven- en onderschikking” [WG:536]. Er ontstaan scherpe sociale grenzen door “bewuste monopolistische afsluiting, die aansloot bij kleine verschillen en deze vervolgens opzettelijk cultiveerde en verdiepte” [WG:236]. Deze ‘kleine verschillen’ kunnen hun grond hebben in aangeboren of erfelijk natuurlijke kenmerken van individuen, of in kwalificaties die met of zonder bijzondere individuele prestaties zijn verworven.

5.3 Ascription versus achievement
Weber heeft geen duidelijk uitgangspunt uitgewerkt waarmee de veelvoud van mogelijke uitsluitingscriteria kan worden geordend. Opvallend is echter wel dat hij niet de —tegenwoordig zo gangbare— simpele tweedeling hanteert tussen ascription en achievement resp. tussen ‘collectivistisch’ toegeschreven of geërfde kwaliteiten versus ‘individualistische’ prestatiestandaarden. Het probleem met dit ideaaltypisch onderscheid is tweeledig.

  1. De toegang tot posities en de toekenning van beloningen op basis van prestatie is vaak afhankelijk van daaraan voorafgaande differentiële kansen die niets te maken hebben met individuele prestatie(verschillen). Ten eerste wordt de aard en het niveau van prestatiekwalificaties in hoge mate bepaald door opvoedings-, onderwijs- en arbeidskansen, die ook in modern burgerlijke maatschappijen ongelijk verdeeld zijn. Ten tweede wordt ook in ‘open’ samenlevingen niet zozeer de prestatie als zodanig gewaardeerd en beloond, maar veeleer de beschikking over onderwijstitels [Bourdieu/Passeron 1964,1977; Collins 1979]. Ten slotte zijn de prestatiecriteria die in een samenleving worden gehanteerd om het individuele succes of falen in het arbeids- of schoolsysteem te beoordelen natuurlijk zelf door en door cultureel gewaardeerd en dus allesbehalve objectief of neutraal [Bader/Benschop 1988:236].

    Prestatiestandaarden en beloningen die daarvan zijn afgeleid, kunnen een eerdere allocatie van beloningen en kansen die gebaseerd zijn op ‘ascription’ verbergen en legitimeren. Het onderscheid tussen ascription en achievement kan gebruikt worden om de feitelijke mechanismen verduisteren die leiden tot differentiële beloning en plaatstoewijzing. Prestatiestandaarden (‘selectie naar prestatiecompetentie’ en ‘beloning naar prestatie’) functioneren in werkelijkheid vaak (i) als versluiering van de ongelijke kansen om competenties te verwerven en (ii) als legitimatielegende voor extra beloningen, dus als meritocratische ideologische bron van geprivilegieerde klassen, elites en professionele groepen.

      Het door Linton [1936] geïntroduceerde onderscheid tussen ascription en achievement is overigens niet noodzakelijkerwijs verbonden met meritocratische legitimaties van ongelijke verdeling van levenskansen, zoals Parkin [1974,1979] meent. Dat ascriptieve en individueel verworven criteria empirisch nauw verweven zijn, betekent nog niet dat er geen analytisch onderscheid gemaakt zou kunnen of mogen worden tussen deze criteria. Wanneer men dit onderscheid laat vallen, sluit men de ruimte voor meritocratische kritiek op het pseudo-meritocratisme van zgn. open maatschappijen af [Bader/Benschop 1988:370, noot 13].

  2. Het onderscheid tussen ascription en achievement kan suggereren dat er slechts twee gronden zijn waarop de toegang tot posities wordt gereguleerd: (1) op grond van toegeschreven culturele identiteiten (die vaak natuurlijke of biologische kenmerken als referentiepunt nemen) of (2) op grond van het criterium hoe goed of slecht individuen iets doen. Beide elementen zijn cultureel gewaardeerde attributen. Wanneer het onderscheid op deze wijze wordt gehanteerd, gaat men voorbaat voorbij aan het feit dat individuen of groepen hun differentiële voordelen eenvoudig kunnen verworven op grond van wat zij hebben, hun bezittingen, hun bronnen en andere faciliteiten. Toegang tot levenskansen (‘de goede dingen van het leven’) is mogelijk of kan worden afgesloten op grond van cultureel gewaardeerde (en gestandaardiseerde) status of identiteit, op grond van geërfd eigendom en op grond van prestatie of verdienste [zie de kritiek van Gouldner 1970:286 e.v. op Parsons 1940:69 e.v.; 1953:378; 1954:75; 1970:322].

5.4 Structurering van uitsluitingscriteria
Weber zelf geeft slechts een aantal voorbeelden van mogelijke uitsluitingscriteria, maar hij ontwikkelt geen systematiek. Voortbouwend op zijn benadering kan echter wel op eenvoudige wijze een typologie van uitsluitingscriteria worden ontwikkelt uitgaande van de aard van de kenmerken of verschillen waar sociale sluitingsprocessen bij aanknopen.

De diversiteit van sluitingscriteria kan overzichtelijker worden gemaakt wanneer zij worden ingedeeld naar de volgende twee gezichtspunten: (1) gaat het om strikt individuele en verworven prestatiekwalificaties of om ascriptieve eigenschappen of kenmerken; (2) gaat het bij de ascriptieve kenmerken om verschillen die aanknopen bij biologisch-fysiologische of fenotypische eigenschappen van individuen of ok sociaal-historische eigenschappen [Bader/Benschop 1988:234]. Hieruit vloeit een indeling in drie hoofdtypen van sociale sluitingscriteria voort.

  1. Biologisch-fysiologische of fenotypische ascriptieve kenmerken.
    Het eerste type bestaat uit ascriptieve criteria die aanknopen bij biologisch-fysiologische of uiterlijk-fenotypische kenmerken van individuen. Deze sociaal gedefinieerde, feitelijke of imaginaire kenmerken of eigenschappen van individuen refereren aan een hele reeks momenten die behoren tot de ‘natuurlijke erfenis’ van mensen: natuurlijke verwantschap of afstamming, geslacht (‘sex’ en niet ‘gender’), leeftijd, fenotypische verschillen zoals huidskleur, haarvorm, neusvorm en beenderenstructuur (en niet ‘ras’), fysieke kracht, aangeboren of erfelijke afwijkingen (handicaps, invaliditeit enz.).

    Voor het onderzoek naar sociale ongelijkheden zijn deze natuurlijke, biologische of aangeboren verschillen tussen individuen als zodanig niet relevant. Het gaat dus niet om verschillen in huidskleur, geslacht, lichaamskracht of lengte, en ook niet om mogelijke verschillen in aangeboren driftsterkte, temperament of andere feitelijke of vermeende erfelijke of aangeboren eigenschappen. In de analyse van sociale sluitingsprocessen zijn dergelijk biologisch-fysiologische en fenotypische verschillen slechts relevant voorzover uitsluitingspraktijken bij deze verschillen aanknopen en ze cultiveren of verdiepen. Het gaat dus telkens om sociaal gedefinieerde biologische, fysiologische of fenotypische kenmerken.

    De maatschappelijke effectiviteit van deze criteria is relatief onafhankelijk van de vraag of het om werkelijke, feitelijke kenmerken gaat, dan wel om vermeende, fictieve of imaginaire (en in die zin letterlijk: toegeschreven) kenmerken. Zo is ‘ras’ zeker geen biologische categorie maar een maatschappelijke constructie: het waanidee dat er ‘natuurlijke’ rassen bestaan die zich van elkaar onderscheiden in prestatievermogen, intelligentie e.d. is een constructie van de racistische ideologie.

      Als biologisch concept heeft ‘ras’ (als genotype) geen enkele wetenschappelijke betekenis. Helaas is dit inzicht nog veel te weinig doorgedrongen tot de publieke opinie, ook tot die van de academici. Zie voor uitvoerige kritieken op de racistische ‘scientific ideology’: Montagu [1953], Rex [1970], Poliakov [1971], Ross [1972], Sahlins [1977], Barker [1981], Stephan [1982], Rose e.a. [1984].

      Zie ook Bader [1984] en Bader/Benschop [1988:237] voor een nauwkeuriger afbakening van ‘ras’, racistische praktijken en ideologieën. Zie verder de gedetailleerde kritiek van Green [1981] op de sociobiologie en i.h.b. op de neoconservatieve verdedigers van het biologisch inegalitarisme.

  2. Sociaal-historische ascriptieve eigenschappen
    Deze ascriptieve uitsluitingscriteria knopen aan bij verschillen in sociale en historische eigenschappen van individuen en groepen die zonder specifieke individuele prestatie zijn verworven. Deze ‘sociale erfenis’ komt tot uiting in het feit dat mensen min of meer automatisch behoren bij een reeks gemeenschappen en instituties en hier in meer of minder sterke mate gedwongen lid van zijn.

    Individuen kunnen worden uitgesloten omdat zij behoren tot een territoriale of geografische gemeenschap (buurschap, dorpen, stadsdelen, regio’s, werelddelen), een taalgemeenschap (Vlamingen en Walen in België), een religieuze of geloofsgemeenschap (anti-semitisme; katholieken en protestanten in Noord-Ierland), een culturele, nationale of historische gemeenschap of tot een bepaalde klassegemeenschap. Zij kunnen bovendien worden uitgesloten op grond van het vrijwillige of gedwongen lidmaatschap van specifieke instituties of organisaties waarvan het lidmaatschap geen resultaat is van specifieke individuele prestaties: hiërocratische (kerk, sekte), politieke (vakbond, politieke partij) of staatspolitieke (staatsburgerschap).

  3. Individueel verworven prestatiekwalificaties en prestaties
    De derde categorie uitsluitingscriteria knoopt aan bij verschillen in strikt individueel verworven/geleerde prestatiekwalificaties en feitelijk individueel geleverde prestaties. Deze persoonlijke prestatiekwalificaties zijn niet erfelijk (overdraagbaar) en in principe universalistisch (voor iedereen toegankelijk). Hierbij gaat het niet alleen om de strikt individuele arbeidskwalificaties en prestaties (zoals eigendom op basis van eigen arbeid) en leerprestaties (zoals diploma's op basis van eigen leervermogen), maar ook om strikt individueel verbonden levensstijlen en gedragswijzen, zoals seksuele, culturele politieke of religieuze enz. prestaties en gedragswijzen.

5.5 Uitsluitingscriteria, sluitingspraktijken en legitimatiepratronen
Voor de algemene definitie van sociale sluitingsprocessen doet het er in eerste instantie niet veel toe op grond van welke (combinatie van) kenmerken individuen of groepen worden uitgesloten. Er zijn op voorhand geen kenmerken die niet als uitsluitingscriteria in aanmerking zouden kunnen komen — of dat historisch gezien ook daadwerkelijk waren.

Toch worden de uitsluitingscriteria nooit op geheel willekeurige wijze uit de lucht geplukt. Daarom is het van belang om te analyseren welke verschillen door wie worden waargenomen, hoe zij positief of negatief worden gewaardeerd en —bewust of onbewust— als uitsluitingscriteria worden gehanteerd.

Weber wijst er regelmatig op dat de criteria van uitsluiting in de regel op complexe wijze met elkaar worden gecombineerd. In de historisch-empirische praktijken van uitbuiting, onderdrukking en discriminatie zijn de uitsluitingscriteria zelden ‘zuiver’ geïnstitutionaliseerd. Bij sociale sluitingsprocessen is er meestal sprake van elkaar historisch overlappende clusters van —al dan niet ascriptieve— criteria van uitsluiting. In werkelijkheid worden groepen dus meestal gediscrimineerd op basis van een combinatie van meerdere criteria.

Dit syndroomkarakter van ascriptieve sluiting kan het beste worden geanalyseerd met een gedifferentieerde typologie van uitsluitingscriteria. Het voordeel van zo’n desaggegrerende onderzoeksstrategie is dat hierdoor de vaak ingewikkelde combinaties van uitsluitingscriteria transparant gemaakt kunnen worden. Bovendien krijgt men op deze wijze beter zicht op de verschuivingen die zich voordoen in de dominantieverhouding tussen primaire en secundaire criteria.

Vooral uit zijn behandeling van etnische gemeenschappen [WG:234 e.v.] blijkt dat Weber zich ook bewust is van het feit dat er tussen de criteria van uitsluiting, de feitelijke uitsluitingspraktijken en de verschillende legitimatie-legendes en ideologieën wel verbindingen bestaan, maar dat deze lang niet altijd rechtstreeks en eenduidig zijn.
Onder ideologie wordt hier verstaan: “alle meningen, opvattingen, theorieën enz. waarin democratisch illegitieme sociale ongelijkheden cognitief als ‘natuurlijk‘, ‘onveranderlijk’ enz. worden voorgesteld of normatief als ‘rechtvaardig’ en ‘juist’ — of dit nu half bewust of bewust, systematisch of geïsoleerd, alledaags of ‘wetenschappelijk’ gebeurt” [Bader/Benschop 1988:370, noot 11]. Zie voor een nadere precisering van het ideologiebegrip Bader [1991:hft. viii]. Hier gaat het natuurlijk niet om ideologieën in het algemeen en ook niet om alle ideologieën die bestaande sociale ongelijkheden legitimeren en stabiliseren, maar speciaal om allocatie-ideologieën, d.w.z. om legitimaties en rationalisaties van democratisch illegitieme sociale sluiting.
Zo worden bijvoorbeeld racistische praktijken lang niet altijd gerechtvaardigd door specifiek racistische (biologistische) legitimatielegendes. Racistische uitbuitings-, onderdrukkings- en discriminatiepraktijken kunnen even goed —en vaak minstens even effectief— worden gelegitimeerd door culturalistische of neo-nationalistische ideologieën. In dat geval draait het dus niet meer om het oude thema van ‘het van nature inferieure tegen het superieure ras’, maar om ‘de bescherming van ons culturele erfgoed’, of het ‘wij Nederlanders versus zij buitenlanders’, ‘wij autochtonen versus allochtonen’ [zie § 7.2 voor etniciteit].

Voor een goed begrip van sociale sluitingsprocessen is het dus van belang de samenhang te onderzoeken tussen de uitsluitingscriteria, de uitsluitingspraktijken en de typische legitimatie-ideologieën. In empirisch-historisch onderzoek staan daarbij drie vragen centraal: (1) onder welke maatschappelijke voorwaarden worden welke kenmerken en verschillen door wie worden waargenomen en gecultiveerd, (2) op welke manier worden deze kenmerken en verschillen positief of negatief gewaardeerd en waarom worden bepaalde rivaliserende waarderingshiërarchiën maatschappelijk dominant, (3) hoe worden deze kenmerken bewust of onbewust als criteria van sociale sluiting gehanteerd, en (4) hoe wordt deze uitsluiting gelegitimeerd. Ter stimulering van de fantasie: schema 9 van Bader/Benschop [1988:235].

top


6 Gesloten sociale verhoudingen

6.1 Openheid en geslotenheid van sociale verhoudingen
Monopolisering van levenskansen door sociale sluiting heeft tot algemeen resultaat dat er gesloten sociale verhoudingen ontstaan. Een sociale verhouding is open wanneer en voorzover de participatie van iedereen die aan het wederzijdse sociale handelen deel kan en wil nemen, niet ontkend wordt door haar geldende ‘ordeningen’. Een sociale verhouding is naar buiten toe gesloten wanneer en voorzover de participatie van bepaalde personen is uitgesloten, beperkt of aan voorwaarden is verbonden [WG:23].

De openheid of geslotenheid van sociale verhoudingen of gemeenschappen kan op verschillende manieren zijn bepaald:

Wanneer een sociale verhouding voor de deelnemers kansen opent op bevrediging van innerlijke of uiterlijke belangen vindt in de regel een rationele sluiting plaats. Zij hebben belang bij sluiting naar buiten wanneer de deelnemers van de monopolisering een verbetering van de eigen kansen verwachten. Wanneer de deelnemers van het propageren van de sociale verhouding een verbetering van de eigen levenskansen verwachten dan hebben zij juist belang bij openheid [WG:23].

In werkelijkheid zien we vaak een ‘afwisseling tussen propageren en sluiting’. Middeleeuwse gilden en democratische steden in de Oudheid streefden in bepaalde perioden naar uitbreiding van het aantal leden in het belang van de veiligheid van hun machtspositie. In andere perioden streefden zij echter naar beperking van het lidmaatschap omdat zij er belang bij hadden de waarde van hun monopolistische positie te handhaven. Hetzelfde verschijnsel kunnen we waarnemen bij monnikenordes en religieuze sekten, die in het belang van het hooghouden van de ethische standaard of van de bescherming van materiële belangen overschakelden van religieuze propaganda naar afsluiting. Op de economische markt staat uitbreiding in het belang van omzetvergroting op soortgelijke wijze naast monopolistische beperking van de markt. En tegenover de standsmatig gesloten geheimtaal van vroeger staat tegenwoordig de taalpropaganda als normaal gevolg van de belangen van uitgevers en schrijvers [WG:24].

6.2 Sluiting naar buiten
Sociale verhoudingen kunnen in meer of minder sterke mate naar buiten toe gesloten zijn. Niet alleen de mate van sluiting naar buiten is zeer variabel, ook de overgangen van openheid naar gereguleerdheid en geslotenheid zijn vloeiend [WG:24].

  1. Soms worden er aan het participeren in een sociale relatie of gemeenschap voorwaarden gesteld waaraan relatief gemakkelijk kan worden voldaan. Zo kan men bijvoorbeeld tot de positief geprivilegieerde groep van een bepaald kerkgenootschap (toegang tot ‘heilsgoederen’) behoren door op de juiste plaatsen en momenten simpel ritueel gedrag te demonstreren, zoals knielen. Aan tal van andere gemeenschappen kan men deelnemen door te voldoen aan contributieverplichtingen (zoals bij partijen en vakbonden) of relatief lage entree-gelden te betalen (zoals een kaartje voor een voetbalwedstrijd of een concert). Van al deze sociale gemeenschappen kan men ‘lid’ worden door te voldoen aan geldelijke of handelingsvoorwaarden die in principe voor iedereen te realiseren zijn. We stuiten hier op de ondergrens van het sociale ongelijkheidsvraagstuk. De ongelijke verdeling van levenskansen begint immers aan gene zijde van de min of meer toevallige, incidentele vormen van sociale ongelijkheid.

  2. De toelatingsprestaties en/of geldelijke voorwaarden voor bepaalde levenskansen kunnen ook zeer exclusief zijn, zoals zeer langdurige proefperiodes (noviciaten), moeilijk toegankelijke en uitgebreide opleidingen, hoge contributies voor deftige clubs, zware ballotage-eisen.

  3. Sommige gemeenschappen of sociale betrekkingen zijn alleen open voor mensen die door geboorte aan bepaalde voorwaarden voldoen. De betreffende levenskansen zijn hierbij gesloten voor degenen die niet beschikken over specifieke aangeboren of overerfde kenmerken en eigenschappen: van adel zijn, man of vrouw zijn, door erving beschikken over grote kapitaalmassa’s enz.
Er bestaat dus een brede variëteit van verschillende graden van sluiting en van condities van participatie. De mate waarin en de wijze waarop de toegang tot levenskansen is gereguleerd of gesloten is gedeeltelijk afhankelijk van de criteria op grond waarvan uitsluiting van potentiële of actuele mededingers plaatsvindt, deels ook van de aard van de betreffende levenskans zelf.

6.3 Sluiting naar binnen
Een sociale verhouding of gemeenschap kan ook naar binnen toe worden gesloten. De ‘sluiting naar binnen’ heeft betrekking of de deelnemers of leden zelf, d.w.z. op de onderlinge relaties tussen de deelnemers aan een gesloten sociale verhouding. Sluiting naar binnen kan eveneens zeer uiteenlopende vormen aannemen.

  1. De sluiting naar binnen kan op vrijwillige basis plaats vinden. De deelnemers/leden kunnen zich daarbij op elk moment naar vrije keuze aan de gesloten sociale betrekking onttrekken, zoals bij de meeste voetbalverenigingen, partijen, vakbonden en kerken.
  2. De sluiting naar binnen kan ook op een bepaalde wijze zijn gereguleerd. In dat geval kunnen de leden slechts onder bepaalde voorwaarden de gesloten gemeenschap verlaten. Uittreding kan hierbij bijvoorbeeld verbonden worden aan een tijdsvoorwaarde of aan materiële of symbolische sancties (geldboete. zware morele denunciatie, lichamelijke bedreiging).
  3. De sluiting naar binnen kan ook een zodanige vorm aannemen dat de betrokken individuen of groepen zich hieraan niet duurzaam of volledig kunnen onttrekken. Zo kan een specifieke geboortekaste alleen imaginair worden verlaten (via geloof in reïncarnatie); en hoewel het proletarisch bestaan in kapitalistische maatschappijen strikt genomen geen ‘geboorterecht’ is, zijn alleen uitzonderingen in staat de fundamentele klassegrens te overbruggen [WG:202].

6.4. Stadia van appropriatie
Een naar buiten toe gesloten gemeenschap kan op verschillende manieren omgaan met de kansen die door deze gemeenschap zijn gemonopoliseerd. De meer of minder definitieve interne sluiting van een gemeenschap noemt Weber de stadia van appropriatie van de door een gemeenschap gemonopoliseerde sociale en economische kansen [WG:202].

De toegeëigende kansen kunnen binnen de kring van monopolistisch geprivilegieerden geheel open blijven (zodat zij hierom onderling vrij kunnen concurreren) of zij kunnen op verschillende manieren ook naar binnen toe worden gesloten.

  1. Een naar buiten toe gesloten klasse, kaste, gilde of vereniging kan al haar leden toestaan onderling vrij te concurreren om alle gemonopoliseerde kansen. Dit geldt in sterke mate voor de wijze waarop kapitalistische ondernemers onderling concurreren om een aandeel in de totale meerwaarde. Maar het geldt ook voor bijvoorbeeld staatsdragende politieke partijen, waarvan de leiders concurreren om de door hun partijen gemonopoliseerde ambtelijke posities.

  2. Een gemeenschap van positief geprivilegieerde kan haar leden ook strikt vastleggen op bepaalde toegeëigende kansen, bijvoorbeeld op een bepaalde klantenkring, op bepaalde handelswaren of op bepaald ambten (zoals bij de oude dienstadel en militaire adel). Het beperkte recht op eigen arbeidsplaats wordt gereguleerd via verbond op ontslag zonder toestemming van de vertegenwoordigers van de arbeiders (‘closed shop’). Een lid van de mannengemeenschap heeft in het algemeen een recht op de door deze gemeenschap gemonopoliseerde kansen; maar het huwelijksrecht biedt de afzonderlijke man slechts een geprivilegieerde toegang tot ‘zijn vrouw‘ — bij overtreding van dit specifieke recht hanteert de mannengemeenschap sancties ter bescherming van de algemene privileges [WG:24].

    De interne sluiting kan op verschillende manieren worden gereguleerd. Zij kan plaats vinden (1) op toerbeurt: volgens bepaalde roulatieregels krijgt elk lid van de gemeenschap tijdelijk het recht op de toegeëigende privileges (zie Weber’s verhandeling over directe democratie in WG:hft. 3, § 19); (2) tot opzegging: bepaalde kansen worden aan een lid toegekend totdat dit wordt herroepen (bijvoorbeeld individuele beschikking over akkers in een strak georganiseerde agrarische gemeenschap; (3) levenslang: monopolies op bepaalde ambten worden onherroepbaar voor het leven toegekend; (4) definitieve overdracht aan een individu en zijn/haar erfgenaam (+overdrachtsrecht aan groepsleden); (5) gedeeltelijk, zodat slechts het aantal kansen gesloten wordt.

  3. Het hoogste stadium van interne sluiting wordt bereikt wanneer de appropriatie door individuen of subgroepen op permanente basis (levenslang) en niet vervreemdbaar (als recht) wordt geïnstitutionaliseerd (bijvoorbeeld door leden van specifieke communale of geassocieerde gemeenschappen zoals huisgemeenschappen). De interne sluiting van kansen is hier geapproprieerd.

top


7 Belangengemeenschappen

7.1 Belangengemeenschap, -associatie en legaal geprivilegieerde groep
Ondanks hun voortdurende onderlinge concurrentie worden de positief geprivilegieerde groepen naar buiten toe een ‘gemeenschap van belanghebbenden’, een ‘belangengemeenschap’ [WG:201]. De belanghebbenden ontwikkelen een bepaald soort ‘associatie’ met een rationele organisatie. Met behulp van deze associatie kan een belangengemeenschap een rechtsorde vestigen waarin de concurrentie door legale monopolies wordt beperkt. Het meest effectieve middel van sluiting voor een geassocieerde belangengroep is wanneer zij erin slaagt de legale actoren van geweld binnen een politieke gemeenschap ervan te overtuigen de monopolistische claims van de groep te erkennen en te bekrachtigen. Wanneer een belangengroep erin geslaagd is een rechtsorde tot stand te brengen welke formele monopolies creëert en deze —eventueel met geweld— beschermt, dan heeft zij zich ontwikkeld tot een rechtsgemeenschap (legaal geprivilegieerde groep) en zijn de leden rechtsgenoten geworden [WG:201].

Weber ziet af van “elke systematische classificatie van soorten gemeenschappen” en gaat ook niet in op de relatie tussen economie cultuuri. Hij behandelt wel een paar “algemene structuurvormen van menselijke gemeenschappen”. Van een aantal “zeer universele soorten gemeenschappen” (zoals huis-, buren-, seksuele, taal-, politieke gemeenschappen) geeft hij een algemene karakterisering. In zijn uiteenzetting over heerschappij gaat hij nader in op de ontwikkelingsvormen van deze gemeenschappen [WG:212].

Weber begint zijn verhandeling met “de meest oorspronkelijke van de naar buiten toe gesloten gemeenschappen” [WG 218]: de huisgemeenschap. De huisgemeenschap is de meest universeel verspreide economische verzorgingsgemeenschap welke de grondslag vormt van interne —strikt persoonlijke— loyaliteit en autoriteit, en naar buiten gerichte solidariteit. Vervolgens geeft hij een algemene karakterisering van naar buiten toe gesloten gemeenschappen die steeds minder ‘natuurlijk’ of ‘oorspronkelijk’ zijn. Eerst de burengemeenschap als “permanente of ephemere belangengemeenschap welke is afgeleid van ruimtelijke nabijheid” en de grondslag vormt voor wederzijdse hulp [WG:215]. Dan de seksuele gemeenschap die het ‘huiscommunisme’ intern verzwakt door de exclusieve seksuele aanspraken van mannen over vrouwen; van de sociale relaties die op basis van het geslachtsverkeer tussen volwassenen ontstaan is alleen die tussen moeder en kind ‘oorspronkelijk’ en ‘natuurlijk’ omdat het een verzorgingsgemeenschap is; de relatie tussen vader en kinderen is los van de economische verzorgingsgemeenschap volledig labiel en problematisch [WG:212]. Dan achtereenvolgens de verwantschapsgemeenschap, de etnische, religieuze en taalgemeenschap en tenslotte de rechts- en politieke gemeenschap (stam, volk, natie).

7.2 Etnisch-culturele gemeenschappen
Etniciteit speelt een belangrijke rol in de analyses van het oude en moderne racisme. De discussie over etniciteit bevat echter zoveel obscure elementen dat het verstandig is hieraan niet voorbij te gaan. Veel van de huidige ideeën over de aard van de etniciteit zijn aan het werk van Weber ontleend [Hechter 1977, Neuwirth 1969].

In zijn analyse van sociale ongelijkheid en het ontstaan van politieke handelingscollectieven behandelt Weber etniciteit niet als een irrationeel en primordiaal ‘gegeven’; etnische identiteit is voor hem een sociale constructie. Raciale identiteit (‘Rassenzugehörigkeit‘) beschouwt hij als een problematische bron voor gemeenschapshandelen. Het bestaan van gemeenschappelijke geërfde en erfelijke kenmerken die werkelijk berusten op afstamming leiden nooit op zich of zonder meer tot gemeenschapsvorming. Zijn benadering van etnische identiteit omvat de volgende vier elementen:

  1. Mensen moeten subjectief geloof hechten aan hun gemeenschappelijke oorsprong of afstamming.
  2. Dit geloof kan gebaseerd zijn op (i) fysieke of fenotypische overeenkomsten, (ii) gedeelde gewoontes, culturele tradities en culturen of op (iii) gemeenschappelijke herinneringen aan kolonisatie en migratie.
  3. De identiteit moet relevant zijn voor het propageren van groepsformatie en voor het ontstaan van ‘etnische grenzen’ [F. Barth 1969].
  4. De vraag of er sprake is van objectieve (bloeds)verwantschap is niet relevant.
Al deze elementen moeten volgens Weber afzonderlijke en gedetailleerd worden onderzocht. Hij is er bijna zeker van dat dan het containerbegrip ‘etnisch’ over boord geworpen zal worden, want het is “een verzamelnaam welke voor elk werkelijk exact onderzoek geheel onbruikbaar is” [WG:242]. Bij exacte sociologische begripsvorming vervluchtigt het begrip etnische gemeenschap. Omdat hij echter geen sociologie omwille van de sociologie wil bedrijven, laat hij zien welke zeer vertakte problemen schuil gaan achter dit schijnbaar eenduidige verschijnsel.
  1. De gemeenschappelijk geërfde of erfelijke kenmerken moeten subjectief worden ervaren. Dat gebeurt volgens Weber slechts onder twee condities. Ten eerste wanneer de lokale nabijheid of verbondenheid van raciaal verschillende personen gerelateerd is aan een gemeenschappelijk (meestal politiek) handelen. Of omgekeerd, wanneer bepaalde gemeenschappelijke ervaringen van de leden van eenzelfde ‘ras’ verbonden zijn met een tegengesteldheid ten opzichte van leden van opvallend verschillende, anderssoortige groep [WG:234].

  2. Etnische identiteit is een specifieke vorm van collectieve identiteit, beter gezegd: het is een conglomeraat van diverse sociale identiteiten. Etnische identiteit onderscheidt zich van andere sociale identiteiten door de overtuiging dat men een gemeenschappelijke afstamming, geschiedenis en culturele erfenis heeft [Vermeuleuilen 1984:15; De Vos 1975:19; Smith 1981:66]. Etnische identiteit kan zich kristalliseren rond zeer uiteenlopende, soms uitermate triviale fysiek uiterlijke, traditionele of culturele verschillen. Het kan gaan om esthetisch opvallende verschillen in fysieke uiterlijkheden (zoals huids- en haarkleur, gelaatstrekken), verschillen in habitus en alledaagse levenswijze (zoals geconventionaliseerde baard- en haardracht, kleding, eetgewoontes, gebruikelijke arbeidsdeling tussen de geslachten), verschillen in culturele erfenis (zoals taal, religie, rituele reglementering van het leven) en om verschillen in historische erfenissen (zoals herinneringen aan koloniale of racistische onderdrukking, of aan gedwongen emigratie). De tendens tot monopolistische afsluiting kan bij de kleinste uiterlijke verschillen aanknopen die vervolgens worden gecultiveerd en verdiept.

  3. Etnische identiteit leidt vaak tot de formatie van sociale groepen of kringen die door etnische grenzen van elkaar zijn gescheiden [WG:238]. Het collectieve handelen dat uit de etnische identiteit voortvloeit is meestal louter negatief. Degenen die zo opvallend ‘anders’ zijn, worden geïsoleerd en veracht, of omgekeerd: zij worden met bijgelovige schuwheid benaderd [WG:234]. De gecultiveerde verschillen krijgen een ‘etnisch’ afstotend effect omdat ze worden opgevat als symbolen van etnische identiteit. Deze symbolen gaan een rol spelen in “de overtuiging van voortreffelijkheid van de eigen en de minderwaardigheid van vreemde zeden, waardoor de ‘etnische eer’ wordt gevoed” [WG:239; vgl. Elias over groepscharisma]. Dit gevoel van ‘etnische waardigheid’ is —analoog aan de ‘standseer’— de specifieke eer van de massa, omdat ze toegankelijk is voor iedereen die behoort tot de subjectief gedefinieerde afstammingsgemeenschap. De ‘etnische afstoting’ vloeit voort uit het feit dat de etnisch gedifferentieerde groepen elkaars verschillende gewoontes niet begrijpen; de subjectieve betekenis van deze gewoontes kan niet worden begrepen omdat hiervoor de culturele sleutel ontbreekt [WG:236].

  4. Voor het ontstaan van etnische groepen is de vraag of en in welke mate er objectief sprake is van bloedsverwantschap strikt genomen volledig irrelevant [WG:237]. Voor de vorming van etnische identiteiten zijn fenotypische ‘raskwaliteiten’ in het algemeen slechts als grens van belang, wanneer er al te heterogene, esthetisch niet geaccepteerde uiterlijke antropologische factoren zijn: het zijn geen gemeenschapsvormende factoren [WG:239].

Waarom ontstaan er culturele verschillen tussen groepen en hoe kunnen deze blijven voortbestaan wanneer die groepen in permanent contact met elkaar staan? Culturele verschillen ontstaan volgens Weber vooral omdat mensen zich moeten aanpassen aan heterogene economische en politieke bestaansvoorwaarden [WG:239]. Zijn analyse van processen die tot culturele arbeidsdeling leiden blijft echter vooral geconcentreerd op het verschijnsel van monopolistische sluiting [WG:201 e.v.].

Zoals we eerder hebben gezien worden immers juist door het proces van sociale sluiting de werkelijk bestaande, horizontaal naast elkaar bestaande verschillen getransformeerd in verticaal boven elkaar gestelde hiërarchieën: “het horizontale en onverbonden naast elkaar bestaan van etnisch verschillende groepen” wordt veranderd in “een verticaal systeem van boven- en onderschikking” [WG:536]. De scherpe sociale grenzen ontstaan door bewuste monopolistische afsluiting “welke aansloot bij kleine verschillen en deze vervolgens opzettelijk cultiveerde en verdiepte” [WG:236].

7.3 Professionele gemeenschap
De monopolisering van economische en sociale kansen neemt volgens Weber een specifieke vorm aan wanneer zich groepen formeren van personen die specifieke kwaliteiten gemeen hebben welke door opvoeding, onderwijs en training verworven kunnen worden. Deze kwaliteiten kunnen variëren van bepaalde soorten economische kwalificaties, het bezetten van gelijke of gelijksoortige ambten, tot het erop nahouden van een specifieke levenswijze. Wanneer deze personen zich organiseren neemt dit meestal de vorm aan van een ‘gilde’ [WG:202]. Degenen die volledig lid zijn van zo’n associatie maken een ‘beroep’ van het monopoliseren van beschikkingsmacht over spirituele, intellectuele, sociale en economische goederen, verantwoordelijkheden en posities.

Weber heeft een belangrijke voorzet gegeven voor de latere theorievorming over professionalisering. Professionalisering kan immers worden opgevat als een specifieke vorm van sociale sluiting: het is een strategie van beroepsgenoten die proberen beloningen te maximeren door het beperken van de toegang tot dit beroep en de daarmee verbonden specifieke economische en sociale voordelen. Professionalisering is altijd gericht op het creëren van een specifieke schaarste. Die schaarste kan op twee manieren worden gerealiserd: door het verkleinen van het aanbod (reductie van beschikbaarheid van een specifieke waar of dienst) of door het vergroten van de vraag (door opwaardering van de specifieke kwaliteit van de aangeboden waren of diensten) [Bestaut 1975:52].

Professionalisering is een specifieke sluitingsstrategie welke mijns inziens altijd de volgende elementen impliceert:

7.3.1 Sluiting naar buiten door exclusieve recrutering
Professionalisering betekent beperking van het lidmaatschap van de beroepsgroep. Het uitoefenen van deze beroepen alleen is toegestaan voor degenen die (i) een leer- of oefenperiode (‘noviciaat’) hebben voltooid om de juiste kwalificaties te verwerven, en (ii) hun kwalificatie hebben bewezen door het afleggen van examens waardoor zij in het bezit komen van diploma’s en andere educationele certificaten. Soms hebben aspirant leden van een beroepsgroep ook nog te maken met langere wachttijden of moet er nog aan aanvullende eisen worden voldaan. Dit typische patroon zien we zowel bij studentencorpora en ridderordes, als bij ambachtelijke gilden en de moderne ambtenaren en employés.

In al deze gevallen speelt volgens Weber ‘het belang bij het veiligstellen van een goede prestatie’ een zekere rol. Hoewel de onderlinge concurrentie tussen professionals niet ophoudt als zij door hun beroepsgroep zijn geaccepteerd, hebben zij toch een gemeenschappelijk belang bij het veiligstellen van een hoge kwaliteit van de prestaties. Zo hebben bijvoorbeeld gemeenschappen van asceten belang bij hoogwaardige prestaties omdat de goden en demonen hun toorn over het on-ascetisch gedrag van een enkeling tegen alle leden kunnen richten. In bijna alle primitieve stammen werden daarom personen die vals zongen tijdens een rituele dans gestraft. De ministeriales en ridderordes hebben belang bij goede prestaties vanwege hun professionele reputatie, maar ook direct voor hun militaire veiligheid. Zoals lokale ambachtslieden goede prestaties wensen om de goede naam van hun waren hoog te houden, zo schermen medische en psychotherapeutische specialisten zich af van ‘kwakzalvers’, ‘charlatans’ en ‘beunhazen’ om de kwaliteit en betrouwbaarheid van hun diensten te bewaken.

Achter deze zorg voor goede prestaties gaat echter meestal het belang schuil dat gevestigde professionals hebben bij de beperking van het aanbod van kandidaten: hoe exclusieve de beroepsgroep, deste groter zijn voor de economische voordelen en eer van dat beroep. “De noviciaten, wachttijden, meesterstukken en andere eisen zijn vaker economische dan professionele kwalificatietesten” [WG:203]. Het toenemende gebruik van certificaten en diploma’s zijn een middel om specifieke professionele belangen veilig te stellen. De roep om educationele certificaten is gericht op het vormen van “een geprivilegieerde laag in bureaus en kantoren” [WG:577].

7.3.2 Sluiting naar binnen door gedragscontrole van ingeslotenen
Naar binnen toe impliceert professionalisering zowel het verenigen van de leden van de beroepsgroep, het elimineren of reguleren van interne competitie en het ontwikkelingen van een bepaalde groepssolidariteit. De coördinatie van het handelen van de leden van een beroepsgroep veronderstelt een besef van gemeenschappelijke belangen, het ontstaan van een specifieke groepssolidariteit en de ontwikkeling van een systeem van gedragscontrole (beroepscodes en ethieken). De beperking of regulatie van de onderlinge concurrentie is bijvoorbeeld mogelijk door het verbieden van prijsconcurrentie (middels prijsafspraken), waardoor de beroepsgroep tegelijkertijd in staat gesteld wordt om prijzen (beloningen) te bedingen die boven de theoretische competitieve marktwaarde van hun diensten ligt. De strikte beperkingen van prijsconcurrentie en competitie om patiënten bij de medische professionals zijn hiervan het meest sprekende moderne voorbeeld.

7.3.3 Creëren van feitelijke monopolies door regulatie van aanbod
Door het aanbod gericht te beperken of strak te reguleren is het mogelijk om op uiteenlopende markten feitelijke monopolies te creëren. Daarbij ondersteunt het bezit van onderwijscertificaten, licenties e.d. de aanspraak op tal van specifieke privileges en voordelen. Weber geeft hiervan een aantal voorbeelden: (1) het huwen met notabele families (want ook op moderne kantoren werd hierdoor de kans op de hand van de dochter van de chef groter); (2) het toegelaten worden tot kringen die een bepaalde erencode aanhangen; (3) het respectabel (‘naar stand’) beloond worden in plaats van beloning naar prestatie.

De achtergrond voor het invoeren van reguliere curricula en van speciale examens is dan ook niet zozeer een plotseling opkomende drang naar onderwijs, maar “het streven naar beperking van het aanbod voor deze posities en hun monopolisering door de bezitters van onderwijscertificaten“ [WG:577].

7.3.4 Het legaliseren van feitelijke monopolies
Een professie is geen beroep, maar een middel om de eigen definitie van de beroepsactiviteiten aanvaard te krijgen door relevante personen en groeperingen (afnemers, overheid, consumenten). Een effectieve beheersing van een beroep wordt vooral mogelijk gemaakt wanneer de geïmpliceerde sociale sluitingen worden bekrachtigd of gegarandeerd door het verwerven van steun en erkenning van de staat. Hierdoor wordt het feitelijke monopolie, de daarin geïmpliceerde heerschappij als de daaraan verbonden voordelen en privileges, gelegaliseerd en indien nodig met staatsgeweld verdedigd.

top


8 Stabilisatie en garantie van sociale ongelijkheid

Ongelijke posities en allocatieve ongelijkheden kunnen een incidenteel, voorbijgaand of instabiel karakter hebben, kan kunnen ook duurzaam en stabiel. Voor het onderzoek van de feitelijke empirische verdeling van levenskansen in een maatschappij is het van belang na te gaan op welke wijze de primaire of initiële toeëigeningen en uitsluitingen gestabiliseerd worden, d.w.z. regelmaat en duurzaamheid krijgen. De vraag is dus: hoe wordt een ongelijke verdeling van beschikkingsmachten en sociale uitsluitingen gestabiliseerd en (bewust/gericht) gegarandeerd?

8.1 Mechanismen van stabilisatie
Volgens Weber kan de stabiliteit van de feitelijke verdeling van beschikkingsmachten niet alleen worden teruggevoerd tot uiterlijk geweld en innerlijke overtuiging (legitimiteit). De empirische stabiliteit van sociale ongelijkheden is niet alleen —en misschien niet in de eerste plaats— afhankelijk van de verschillende garantiemechanismen die specifiek gericht zijn op de instandhouding van die ongelijkheden. “Waardoor deze beschikking is gegarandeerd, en of ze bijvoorbeeld uiterlijk helemaal niet is gegarandeerd, is als zodanig begripsmatig irrelevant” [WG:34]. Ongelijk verdeelde beschikkingsmacht kan immers louter berusten op “zede of belangenpositie” [WG 34; vgl. WG:36]. Dergelijke opmerkingen refereren direct aan de fundamentele begrippen en typologische onderscheidingen van Weber’s concept van sociaal handelen.

Zoals bekend zijn Weber’s ideaaltypen van sociaal handelen gebaseerd op een analytisch onderscheid tussen vier handelingsoriëntaties: traditioneel, affectief, doelrationeel en waarderationeel handelen. Deze indeling is ook van belang voor de verklaring van mechanismen van handelingscoördinatie, welke tevens fungeren als mechanismen van reproductie en transformatie van sociale ongelijkheden. Het probleem is echter dat Weber’s uiteenzetting van de mechanismen van handelingscoördinatie [WG:14 e.v.] een nogal opvallende —maar weinig opgemerkte— lacune bevat: het mechanisme van handelingscoördinatie dat door affectieve handelingsoriëntaties en expressieve handelingen wordt geconstitueerd ontbreekt eenvoudig [Bader 1985b:9; 1989; 1991:69 e.v.] Als men deze lacune opvult door de introductie van solidariteit als mechanisme van handelingscoŲrdinatie dat door affectieve handelingsoriëntaties en handelingen geconstitueerd wordt dan kan Weber‘s benadering in het volgende schema worden samengevat.

Typen handelingsoriŽntaties
Mechanismen van handelingscŲordinatie
Doelrationeel of strategisch handelen Belangenpositie
Traditioneel handelen Gewoonte en zede
Affectief handelen Solidariteit
Waarderationeel of normatief handelen Legitimatie

De stabilisatie of reproductie van sociale ongelijkheden kan plaatsvinden op basis van gewoontes en zeden, solidariteit, belangenpositie en legitimiteit.

Stabiliteit van een feitelijke verdeling van beschikkingsmachten betekent dat men er op kan rekenen dat het bezit van specifieke objecten wederzijds wordt gerespecteerd, ongeacht de bestaande conventionele of rechtsnormen [WG:192]. Voor Weber is het begripsmatig secundair —maar daarom maatschappelijk zeker niet minder belangrijk!— of en zo ja hoe feitelijke ongelijke verdeling van beschikkingsmacht wordt gegarandeerd. Structurele ongelijkheden kunnen echter niet bestaan zonder een minimum aan uiterlijke en ook innerlijke garanties.

Sociaal handelen is altijd meervoudig gemotiveerd en gecoördineerd, en de overgangen van zede naar solidariteit, belangenpositie (inclusief conventie en recht) en legitimatie zijn vloeiend.

8.2 Uiterlijke garantie door conventie en recht
Sociale ongelijkheid kan uiterlijk worden gegarandeerd door referentie aan ‘geldende, regulerende ordeningen’ of normensystemen, d.w.z. door conventies of wetten. Van conventies is sprake wanneer binnen een bepaalde kring mensen een zede als correct geldt en deze wordt gewaarborgd doordat tegenover afwijkend gedrag een afkeurende houding wordt aangenomen. Wanneer men bij overtreding van geldende ordeningen stuit “op een betrekkelijk algemene en praktisch voelbare afkeuring of minachting” dan hebben we met een conventionele garantie te maken [WG:17]. Overtredingen van conventies worden niet gestraft met juridische sancties, maar door (het dreigen met) sociale sancties door leden van de eigen groep (negeren, openlijke minachting, boycot). Arbeiders die niet solidair zijn tijdens stakingen worden door hun collega’s gestraft met minachting en afbreking van vriendschappelijke betrekkingen; vrouwen die zich niet onderwerpen aan de heersende conventies ten aanzien van de ‘normale’ geslachtsspecifieke arbeidsdeling of het ‘normale’ patroon van zedelijkheid worden uit het gezinsverband verstoten; kleurlingen die in racistische maatschappijen met overgave de hielen van de blanke overheersers likken worden uit hun eigen dorp verdreven.

Maatschappelijke ordeningen en de daarin verankerde sociale ongelijkheden worden uiterlijk door recht gegarandeerd wanneer de sancties wordt uitgeoefend door een disciplinaire staf van specialisten. Zo’n disciplinaire staf kan historisch de vorm aannemen van een rechterlijke instantie, maar dit is niet per sé noodzakelijk: ook de sibbe (grootfamilie) is —bij bloedwraak en veten— een disciplinaire staf. Een disciplinaire staf kan diverse dwangmiddelen hanteren normerende regels te handhaven of hun overtreders te bestraffen: broederlijke vermaning, berisping door een censor, kerkelijke tuchtmiddelen of eenvoudig fysiek geweld [WG:17,32,398]. Het dreigen met of toepassen van fysiek geweld is weliswaar niet de enige negatieve sanctie, maar het is wel de ‘laatste’ of ‘ultieme’ dekkingsgarantie die specifiek de wijze waarop de in rechtsregels gepositiveerde geldende normatieve gedragsverwachtingen worden gehandhaafd en hun overtreders worden bestraft.

8.3 Innerlijke garantie door legitimiteit
Uiterlijk gewaarborgde sociale ongelijkheden kunnen en worden in de regel ook innerlijk gegarandeerd. De structurele ongelijkheid van levenskansen kan zuiver innerlijk worden gegarandeerd door legitimiteit. Het voortbestaan van sociale ongelijkheden wordt gegarandeerd door de mate waarin deze feitelijk als legitiem worden geaccepteerd. Empirische legitimiteit biedt de hoogste graad van sociale stabilisatie en garantie van ongelijkheden.

Structurele sociale ongelijkheden hebben —zodra zij als zodanig worden ervaren en onderkend— behoefte aan legitimatie [zie Sigrist 1967 voor historische voorbeelden van dit oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn]. Elke macht en elke gemonopoliseerde levenskans heeft behoefte aan zelfrechtvaardiging. Volgens Weber is dit verschijnsel geworteld in “heel algemene innerlijke constellaties” van de mens. Een gelukkig mens is tegenover de minder gelukkigen immers nooit tevreden met feit van dit geluk, maar wil bovendien ook nog het ‘recht’ op zijn geluk. Dat is het idee dat men zijn geluk ‘verdiend’ heeft, zoals de minder gelukkige ook zijn pech verdiend moet hebben. Uit alledaagse ervaringen kan iedereen weten dat er een “psychische comfortbehoefte aan legitimiteit van het geluk” [WG:299] bestaat en hoe deze werkt.

Weber refereert aan de meest eenvoudige waarneming van twee mensen die een contrasterend noodlot hebben wat betreft gezondheid, economische positie of sociaal aanzien. Hieruit blijkt dat de geprivilegieerde “de aanhoudende behoefte” heeft het voor hem gunstige contrast als legitiem voor te stellen en zijn situatie als door hem verdiend op te vatten; de situatie van de negatief geprivilegieerde wordt voorgesteld als ‘eigen schuld’ [WG:549, RS I:242].

Dit quasi-antropologische uitgangspunt —dat als heuristisch principe overigens een zeer goed uitgangspunt is voor empirisch onderzoek naar legitimiteit— geldt ook voor de relatie tussen positief en negatief geprivilegieerde groepen. Hoewel de behoefte aan legitimatie van sociale ongelijkheden verworteld is in innerlijke psychische constellaties van de mens behandelt Weber het legitimiteitsprobleem toch primair in samenhang met het heerschappijmechanisme, d.w.z. als noodzakelijk moment van toeëigenings- en sociale sluitingsstrategieën. De groepen die door de bestaande politieke, sociale en economische structuren geprivilegieerd zijn, hebben er steeds behoefte aan hun situatie als legitiem voor te stellen. Zij willen de “toestand van zuiver feitelijke machtsverhoudingen veranderd en geheiligd zien in een cosmos van verworven rechten” [WG:679].

Positief geprivilegieerden claimen dat hun privileges, rechten en eigendommen legitiem zijn en zij articuleren deze legitimiteitsaanspraken in legitimatielegendes. De legitimatielegende van de geprivilegieerde groep is haar natuurlijke (en indien mogelijk ‘bloeds’-)superioriteit.

De legitimatieclaims en -legendes van de positief geprivilegieerden leiden echter niet automatisch tot empirische legitimiteit van sociale ongelijkheden. Omdat empirische legitimiteit uitsluitend tot stand komt door het feitelijke geloof in de legitimiteit is hierbij het legitimiteitsgeloof van de negatief geprivilegieerden doorslaggevend. Wanneer de machtsverhoudingen stabiel zijn accepteren ook de negatief geprivilegieerden deze legende — zolang deze tenminste niet door dwingende verhoudingen tot probleem wordt [WG:549]. De positief geprivilegieerde verlangen deze legitimiteit van een bepaalde (religieuze enz.) ideologie. Dit legitimatiemechanisme werkt overal, of het nu gaat om het politieke noodlot, het verschil in economische situatie (werkloosheid!), lichamelijke gezondheid (‘straf van god’) of om het geluk in de erotische concurrentie [WG:299].

Het probleem bij Weber’s begrip van legitimiteit is dat hij geen duidelijk onderscheid maakt tussen de grondslagen en de typen van legitimiteit [Bader 1983, 1985]. Weber onderscheidt vier grondslagen van legitimatie van gesloten sociale verhoudingen en gemeenschappen:

Strikt genomen kan de legitimiteit van sociale ongelijkheden echter alleen waarderationeel worden gefundeerd [Bader 1985:17 e.v.]. Van (empirische) legitimiteit is alleen dan en in die mate sprake wanneer sociale ongelijkheden feitelijk als legitiem worden geaccepteerd, d.w.z. wanneer er op grond van waarderende (ethisch geïnspireerde normatieve) overtuigingen bewust mee wordt ingestemd. Hiervan uitgaande kunnen we een onderscheid maken tussen verschillende typen van (telkens waarderationeel gefundeerde) legitimiteit van gestructureerde sociale ongelijkheden: waarderationeel geloof in bepaalde tradities, in bepaalde (emotionele enz.) gevoelens, in bepaalde (zedelijke, esthetische, religieuze enz.) waarden en geloof in de legaliteit van formele of procedurele regels.

top


9 Terug naar het uitgangspunt

In een aantal aanzetten voor theorieën van sociale sluiting wordt soms beweerd dat het onderscheid tussen positionele en allocatieve ongelijkheid irrelevant is [Parkin 1979] en dat zowel de structurering van posities als de recrutering van personen verklaard kan worden door sociale sluiting [Murphy 1983, 1986a. Vgl. al Rex 1970,Collins 1975, 1979]. Dit ‘unitaire’ analytische perspectief brengt echter een groot verlies aan differentiatievermogen met zich mee. Het beroep op Max Weber als grondlegger van “one coherent and general closure problematic” [Murphy 1986a:653] gaat voorbij aan de status van zijn basiscategorieën en maakt Weber veel eenduidiger dan hij is.

Ik beschouw sociale sluiting als deelperspectief. Sociale sluiting is een type van asymmetrische macht dat bepaalde individuen in staat stelt om positief geprivilegieerde posities (geheel of gedeeltelijk) te monopoliseren en anderen daarvan meer of minder volledig uit te sluiten. Sociale sluiting is dus een specifiek type van asymmetrische macht dat uitbuiting, onderdrukking en discriminatie niet omvat en ook niet vervangt [Giddens 1980:889 - “only one mode among others”].

Het resultaat van sociale sluitingsprocessen is dus altijd dat de positief geprivilegieerde groepen feitelijke beschikkingsmacht uitoefenen over maatschappelijke bronnen en dat de negatief geprivilegieerden van deze beschikkingsmacht zijn uitgesloten. Sociale sluitingspressen zijn niet alleen relevant voor de selectieve recrutering van individuen op gegeven sociale posities, maar ook voor het de structurering van die posities zelf (als gesedimenteerde vorm van het permanente proces van uitsluiting — en van het verzet hiertegen). Er ontstaan positief en negatief geprivilegieerde belangengemeenschappen die zich onder bepaalde voorwaarden aaneensluiten tot een georganiseerde belangengroep.

En hiermee keren we terug op Weber’s uitgangspunt, want tussen deze belangengroepen is er altijd weer strijd om de beschikkingsmacht over levenskansen [WG:20]. Dit uitgangspunt is nu echter geen geen abstract heuristische principe meer: de strijd/concurrentie tussen belangengroepen is gestructureerd door de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over essentiële maatschappelijke bronnen. En omgekeerd: gestructureerde sociale ongelijkheid is het resultaat van de strijd of concurrentie om bronnen en beloningen (of: ‘levenskansen’).

Sociale ongelijkheid wordt dus door Weber opgevat als resultaat én grondslag van strijd/concurrentie om bronnen en beloningen (levenskansen). Situaties van gestructureerde sociale ongelijkheid bevatten daarom ook een hoog conflictpotentieel. Het gemeenschapshandelen dat door sociale uitsluiting van mededingers is ontstaan kan immers ook bij de uitgeslotenen die zich tegen sociale uitsluiting keren een overeenkomstig gemeenschapshandelen teweegbrengen [WG:201].

Sociale sluiting zouden we hier kunnen omschrijven als het proces waardoor bepaalde categorieën individuen worden uitgesloten van posities die beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen impliceren. Uitsluiting is een allocatief type van asymmetrische macht [Bader/Benschop 1988:349]. Bij uitsluitingsprocessen gaat immers niet om positionele ongelijkheid, maar om selectieve recrutering of allocatie.

Plaatje

top


Home Sociologen Samenleven Onderwerpen Zoek Over dit project Contact

dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam