| Home | Sociologen | Samenleven | Onderwerpen | Zoek | Over dit project | Contact |
|---|
Sociale ongelijkheid en klassen
Max Webers bijdrage aan de theorie
van sociale ongelijkheid en klassen
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
© 1987-2012
|
|
Weber heeft zijn opvattingen over sociale ongelijkheid niet systematisch uitgewerkt. Wel gaf hij een aantal elementen die bruikbaar zijn voor een algemene thematisering van sociale ongelijkheden. Het archimedisch punt van zijn benadering is het thema van sociale sluiting. Aan zijn behandeling van dit thema is door sociale wetenschappers en historici lange tijd weinig aandacht besteed.
|
De elementen die Weber aandraagt voor een theorie van sociale ongelijkheid zijn deels verondersteld, deels geïmpliceerd in zijn verhandeling over klassen en standen. De verbindingen tussen het sociale sluitingsthema en zijn analyse van klassen en standen is niet overal even transparant, maar ze zijn wel degelijk aanwezig. In een aantal passages van Wirtschaft und Gesellschaft ging Weber directer in op het thema van sociale sluiting. Deze passages staan met name in het eerste hoofdstuk van het eerste deel [§ 10: Offene und geschlossene Beziehungen] en in het tweede hoofdstuk van deel twee [§ 2: Offene und geschlossene Wirtschaftsbeziehungen].
Om de precieze betekenis van Webers bijdrage aan een theorie van sociale ongelijkheid te achterhalen moet zijn analyse van sociale sluitingsprocessen worden gereconstrueerd. Daarbij doet men er goed aan rekening te houden met de bescheiden pretenties die Weber zelf had.
In Wirtschaft und Gesellschaft gaat Weber hoofdzakelijk ideaaltypisch te werk en doet slechts hier en daar meestal niet uitgewerkte uitspraken over structurele samenhangen en ontwikkelingstendensen. Hij ziet in eerste instantie bewúst af van het geven van werkelijke theoretische verklaringen. Hij wil zich beperken tot sociologische typologisering [WG:63]. De ideaaltypen die hij presenteert zijn louter analytische constructies en concepten die dienen om de werkelijkheid beter te begrijpen. De eigenaardigheid van deze abstracties is dat haar begrippen tegenover de concrete historische realiteit relatief inhoudsloos moeten zijn [WG:9]. In de historische werkelijkheid treft men geen van deze typen in zuivere vorm aan, tussen het begrip en het begrepene blijft altijd een hiatus irrationalis bestaan [Schluchter 1979:24]. Dit is echter geen valide bezwaar tegen pogingen om de conceptuele formuleringen zo scherp mogelijk te maken. Scherpe scheiding is in de werkelijkheid vaak niet mogelijk, maar dit maakt duidelijke begrippen (d.i. analytische onderscheidingen) des te belangrijker [WG:123]. De doelmatigheid van dergelijke classificaties kan alleen worden beoordeeld aan de hand van de resultaten die zij bieden bij het bevorderen van systematische analyse [WG:124]. In het kennisproces vervullen ideaaltypen een heuristische functie; het zijn kennismiddelen die een leidraad vormen voor hypothesevorming en ordening van het historisch materiaal.
Weber heeft dus zeker niet de pretentie om een algemene structuur- en ontwikkelingstheorie van sociale ongelijkheid te ontwerpen. Vanuit zijn methodologische uitgangspunten kan er zelfs überhaupt geen sprake zijn van een algemene (laaat staan universele) theorie van sociale ongelijkheid.
1.2 Structurering van de problemen
De theoretische taal op het onderzoeksgebied van sociale ongelijkheid vertoont zo'n grote ambiguïteit en inconsistentie, dat het grote voordelen heeft om de
vraag naar sociale ongelijkheid in eerste instantie in zo alledaags mogelijke termen te formuleren. In essentie gaat het bij sociale ongelijkheid altijd om de op zichzelf simpele klassieke vraag: Wie krijgt wat en waarom? [Lenski 1966:3; Lasswel/Kaplan 1950:63; Den Hartogh 1984:80]. Als referentiekader tegen de achtergrond waarvan we de belangrijkste problemen kunnen identificeren in Weber's benadering van sociale ongelijkheid vertrek ik vanuit de volgende vraag: Wat kan door wie, waarom, hoe en hoelang, in welke mate en binnen welke grenzen worden toegeëigend, en hoe worden de resultaten van deze toeëigening gestabiliseerd en gegarandeerd? [Bader/Benschop 1988:77]. Ik zal deze op zichzelf eenvoudige, maar nogal omvangrijke vraag eerst opsplitsen in een aantal afzonderlijke probleemcomplexen.
Elke (pro)theorie van sociale ongelijkheid zou dan ook getoetst moeten worden op de mate waarin zij erin slaagt om 1) zowel de historisch-initiële als structureel-reproductieve en transformatieve factorenbundels te analyseren, als om 2) de positionele en personele referentiepunten duidelijk te identificeren. We zullen dus nagaan welke sociaal-historische achtergronden en sociaal-structurele grondslagen van toeëigenings- en sociale sluitingsprocessen door Weber worden behandeld. Welke factoren zijn volgens hem bepalend voor de selectieve recrutering (of allocatie) van personen/ groepen in ongelijk gestructureerde levensposities? En op grond van welke criteria kunnen individuen, groepen of klassen van bepaalde levenskansen worden uitgesloten?
1.3 Het mechanisme van sociale sluiting
In het centrum van Webers analyse van sociale ongelijkheid staat de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over essentiële maatschappelijke bronnen, welke de ongelijke verdeling van levenskansen en daarmee de sociale levenssituatie van individuen bepalen. Zijn uitgangspunt is de existentiële strijd van menselijke individuen of sociale typen om levens- of overlevingskansen [WG 20].
|
|
Om deze uitgangsstelling te preciseren werken Bader/Benschop [1988:69-71] vier afbakeningen uit.
|
De inzet van deze strijd is het verwerven van eigen beschikkingsmacht over kansen welke ook door anderen worden begeerd [idem]. De drijvende kracht [WG 202] van processen van sociale sluiting is altijd de tendens om bepaalde levenskansen te monopoliseren. Deze tendens keert zich tegen andere mededingers om deze levenskansen die een bepaald positief of negatief kenmerk gemeen hebben.
Het doel hiervan is altijd het sluiten van de betreffende kansen voor buitenstaanders [WG:202]. Door sociale sluiting wordt een deel van de actuele of potentiële mededingers om levenskansen uitgesloten van medeconcurrentie [WG:201].
Het algemene resultaat van processen van sociale sluiting is enerzijds een feitelijke ongelijke verdeling van levenskansen, anderzijds het ontstaan van gesloten sociale verhoudingen en gemeenschappen (=belangengemeenschappen). Deze resultaten worden op verschillende manieren gestabiliseerd en gegarandeerd. Dit impliceert ook dat er bepaalde sociale of fysieke kenmerken worden gebruikt als rechtvaardigingsgrond van uitsluiting.
|
Sociale sluiting is het proces waardoor sociale groeperingen of collectiviteiten proberen beloningen te verwerven, vergroten of behouden door het beperken van de toegang tot positief geprivilegieerde posities tot een beperkte kring van uitverkorenen. Sociale sluiting impliceert dus altijd zowel het verwerven van toegang tot geprivilegieerde posities, als het beperken of afsluiten van de toegang tot deze posities voor anderen.
Er zijn echter geen redenen om het begrip beschikkingsmacht niet te generaliseren tot alle mogelijk toe te eigenen kansen. Hierdoor kan het concept beschikkingsmacht worden ingevoerd als basisbegrip in een algemene theorie van sociale ongelijkheden. Ook Weber lijkt hiertoe soms over te gaan. Hij spreekt in het algemeen over beschikkingssmacht over kansen zonder beperking aan te brengen tot economische kansen [WG:20,23;47]. Verder spreekt hij in het algemeen over toegeëigende kansen [WG:23] en toegeëigende beschikkingsmachten [WG:202].
Wat zijn nu de objecten die feitelijk kunnen worden toegeëigend en waarover reële beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend? Volgens Weber zijn dat alle kansen ter bevrediging van innerlijke of uiterlijke belangen [WG:23]. Objecten die kunnen worden toegeëigend en waarover beschikkingsmacht kan worden uitgeoefend zijn bijvoorbeeld:
2.2 Het begrip levenskansen
Het begrip levenskansen speelt in Webers benadering van sociale sluitingsprocessen een sleutelrol, maar hij nam het nooit op in zijn catalogus van sociologische basisbegrippen. De theoretische status van het concept werd door Weber zelf niet gepreciseerd en hij ontwikkelde evenmin een systematische kasuïstiek van de objecten en kansen waarom het gaat [WG:202]. Zijn notie van levenskansen bleef daardoor rudimentair en ambigu.
Frank Parkin heeft een poging gedaan om in aansluiting bij Webers aanzet voor een theorie van sociale sluiting een single framework te construeren waarmee alle maatschappelijke splitsingen en delingen geanalyseerd kunnen worden. Hij neemt de aanzet van Weber echter niet erg gedifferentieerd op en gaat helemaal voorbij aan de fundamentele vraag naar de differentiatie van de schaarse en begeerde objecten van sociale sluiting. Ondanks de aangekondigde refinements en enlargements van Webers aanzet spelen voor de nieuwe sociology of action de objecten van sociale sluiting geen enkele rol van betekenis. Hij gaat namelijk zoals Giddens terecht opmerkte bij Parkin niet meer om de analyse van structurering van machtskansen, maar om beschrijving van handelingsstrategieën zelf [Parkin 1979:42,44 e.v.].
Het is des te opmerkelijker dat sociale wetenschappers die zich op het werk van Weber beroepen niet of nauwelijks geprobeerd hebben de theoretische status en reikwijdte van het concept levenskansen te expliciteren; zij maken net als Weber min of meer terloops gebruik van de term. Even schamel zijn de pogingen om op basis van geëxpliciteerde en theoretisch verantwoordde criteria een systematiek te ontwerpen van de verschillen soorten of typen levenskansen.
Op beide punten moet de aanzet van Weber nader worden gepreciseerd en uitgewerkt. Ik zal hiervoor een aantal mogelijkheden aanduiden.
2.2.1 Het kansbegrip
Het
kansbegrip heeft bij Weber verschillende betekenissen.
Daarom zijn levenskansen ook geen existentiële constante het zijn geen voor eens en altijd gegeven kwaliteiten, zij worden historisch ge(re)produceerd. De natuurlijk gegeven en sociaal gecreëerde levens- en overlevingskansen worden in de loop van de maatschappelijke ontwikkeling vergroot (zoals de vergroting van de kans op een langer leven). Er worden ook steeds weer nieuwe levenskansen geproduceerd (zoals de kans op ruimtelijke mobiliteit en virtuele communicatie op wereldschaal). En tenslotte kunnen levenskansen daarbij ook worden uitgebreid, zodat zij voor meer individuen toegankelijk worden (zoals kansen op educatie, vacantie e.d.). Menselijke maatschappijen ontlenen hun kwaliteit aan hun vermogen om meer mensen, meer en gelijke levenskansen te bieden.
2.2.2 Sociale levenskansen en behoeften
De term sociale levenskansen zou zodanig moeten worden afgebakend dat het in het onderzoek naar sociale ongelijkheden een bruikbaar analytisch begrip wordt. Kernpunt van theorieën over gestructureerde sociale ongelijkheden is de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht van objecten die bepalend zijn voor levenskansen in verschillende maatschappelijke verhoudingen. Door een ongelijke verdeling van beschikkingsmachten zijn de kansen voor de bevrediging van een diversiteit van menselijke behoeften eveneens ongelijk verdeeld. Levenskansen omvatten alle natuurlijk gegeven en maatschappelijk geproduceerde kansen voor de bevrediging van menselijke behoeften.
Onder sociale levenskansen zal ik hier verstaan: alle maatschappelijk gestructureerde kansen ter bevrediging van de meest uiteenlopende menselijke behoeften. In deze definitie liggen een aantal afbakeningen besloten.
Het begrip levenskansen is dus weliswaar een zeer breed en omvattend concept, maar zeker geen catch all term dat als allesomvattend basisbegrip van het ongelijkheidsonderzoek kan fungeren. Levenskansen zijn betrokken op individuele behoeften en op de steeds verschillende waarderingen daarvan. En daarom is het niet opportuun om het begrip ook te gebruiken voor de middelen of bronnen die in de meest uiteenlopende activiteitsverhoudingen worden ingezet in de strijd om de toeëigening van de levenskansen. Daarom gebruiken wij het begrip synoniem met beloningen [Bader/Benschop 1988:84]. Zodra men de kansen om toegang tot levenskansen te verwerven zelf ook als levenskansen gaat aanduiden wordt de reikwijdte van begrip levenskansen te zeer overspannen en moet men leren leven met een taalkundig monster.
| Ik beperk me hier in eerste instantie bewust tot positionele ongelijkheden. De allocatieve ongelijkheden zijn het gevolg van mechanismen waardoor de toegang tot ongelijk gestructureerde posities voor buitenstaanders worden gesloten of beperkt. De allocatieve ongelijkheden worden uitvoeriger behandeld in § 4. |
Weber gaat niet in op de vraag hoe levenskansen in en door specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen zijn gestructureerd. Daarom blijven ook de impliciete beslissingen die aan een indeling van levenskansen ten grondslag liggen onbeargumenteerd. Om op dit punt verder te komen zou een analyse nadere gemaakt moeten worden van (a) de differentiatie van de maatschappelijke levensverhoudingen en van (b) de differentiatie van de objecten die binnen specifieke levensverhoudingen kunnen worden toegeëigend.
Een indeling of classificatie van mogelijke objecten van toeëigening zou in de eerste plaats gerelateerd moeten worden aan de specifieke maatschappelijke activiteitsverhoudingen waarin deze objecten figureren. Een zinvol referentiepunt voor de structurering van levenskansen is om te vertrekken vanuit een functionele en/of empirische differentiatie van maatschappelijke verhoudingen.
Als men deze analysestrategie wil volgen moet er een scherp onderscheid worden gemaakt tussen (i) de functionele differentiatie van menselijke activiteiten, (ii) de specifieke maatschappelijke verhoudingen waarin deze functioneel gedifferentieerde activiteiten plaatsvinden en (iii) de mogelijk historisch-empirische differentiaties en institutionaliseringen van de functioneel gedifferentieerde activiteiten (arbeidsdeling, beroepen) en verhoudingen (handelingssystemen, instituties en organisaties).
Voor de onderzoeksstrategie is het van groot belang om het referentiepunt dat in functionele analyses worden gehanteerd zo duidelijk mogelijk te benoemen. In aansluiting bij Weber heb ik sociale levenskansen gedefinieerd als alle maatschappelijk gestructureerde kansen ter bevrediging van de meest uiteenlopende menselijke behoeften. Levenskansen verwijzen dus telkens naar specifieke behoeften van mensen individuen. Dat is een valide argument om te kiezen voor een behoefte-theoretisch referentiepunt. De differentiatie van levenskansen in maatschappelijke verhoudingen zou daarom moeten vertrekken vanuit de analyse van de historisch ontwikkelde behoeften van menselijke individuen [Bader/Benschop 1988/2012: hft. iv, Behoeften Activiteiten Verhoudingen].
Bronnen en beloningen zijn geen categorieën of klassen van concrete objecten, maar refereren aan de functie van objecten in specifieke handelingsconteksten [Parsons 1953]. Wanneer objecten worden gebruik als middel voor de directe behoeftebevrediging fungeren zij als beloningen. Wanneer objecten gebruikt en ingezet als middel om de middelen van de behoeftebevrediging voort te brengen of om deze middelen toe te eigenen fungeren zij als bronnen [Bader/Benschop 1988:129].
Concrete objecten kunnen dus in principe als bron én als beloning fungeren. Een arbeidsmiddel kan zowel bron als beloning, voorwaarde als resultaat, middel-object als doel-object zijn in maatschappelijke georganiseerde arbeidsprocessen. Ook specifieke kennis of esthetische prestatiekwalificaties kunnen zowel het resultaat/beloning zijn van bepaalde onderwijs- resp. esthetische verhoudingen, als voorwaarde/bron voor andere maatschappelijke verhoudingen.
Het belangrijkste probleem ligt in het vinden van een goede (theoretisch beargumenteerde en empirisch vruchtbare) indeling van de bronnen zelf. De meeste pogingen om dimensies van sociale ongelijkheid te onderscheiden draaien voortdurend om dit punt heen. Dit geldt geldt zowel voor Lenski [1966] en Kreckel [1976, 1982] als voor Bourdieu [1979] en Wright [1985]. Maar ook in de huidige theorievorming over sociale ongelijkheid bestaat geen duidelijkheid over de aard en typen van de toe te eigenen bronnen. Dat is geen geringe lacune. De ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen is immers de kern van alle relationele sociale ongelijkheid.
Er worden drie typische directe bronnen onderscheiden: (1) materiële bronnen of materiële arbeidsvoorwaarden, (2) prestatiekwalificaties van specifiek gekwalificeerde arbeidskrachten en (3) vormen van coöperatie en organisatie.
Alle andere bronnen zijn indirecte bronnen die niet direct en als zodanig in arbeidsprocessen gebruikt kunnen worden, maar wel (i) de verdeling van de directe bronnen en daarmee de machtsposities beïnvloeden, (ii) de toegang tot bepaalde maatschappelijke arbeids- en levensverhoudingen belemmeren, afsluiten dan wel openen, en (iii) de verdeling van de resultaten van maatschappelijke arbeidsprocessen beïnvloeden. Indirecte bronnen zijn dus kort gezegd middelen van toeëigening en sluiting. Voorbeelden van indirecte bronnen zijn materiële rijkdom, afstamming, diploma's, informatie, politieke legitimiteit en legaliteit, geweld; revenuen (geld en vrije tijd); heerschappijposities in organisaties; sociale relaties en patronage en zeer diverse prestigekansen.
Een dergelijke desaggregerende benadering heeft in ieder geval twee grote voordelen. Enerzijds wordt voldoende afstand gehouden van benaderingen waarin uitsluitend of voornamelijk aandacht wordt besteed aan één type van directe bronnen (zoals aan de verdeling materiële productiemiddelen in de marxistische traditie of aan de verdeling van organisationele posities in de conflictsociologische traditie). Anderzijds wordt er ook voldoende afstand gehouden van benaderingen waarin uitsluitend of voornamelijk aandacht wordt besteed aan de hiërarchisering van prestige.
Er zijn verschillende manieren waarop objecten kunnen worden toegeëigend. Weber deelt deze mechanismen in naar de middelen die daarbij worden aangewend [§ 3.3.1] en naar de verschillende vormen waarin reeks toegeëigende objecten kunnen worden overgedragen [§ 3.3.2].
3.1.1 Verwerven van beschikkingsmacht
De strijd om het verwerven van beschikkingsmacht over objecten en posities worden door Weber ingedeeld naar de ideaaltypische middelen die hierbij worden aangewend.
Wanneer er actueel fysiek geweld wordt toegepast is er sprake van gewelddadige strijd. Gewelddadige strijd omvat het hele scala van roof van economische goederen, van vrouwen enz. tot aan de politiek-militaire onderwerping van hele volken, staten en continenten; gewelddadige onteigeningen (usurpaties) en het op de punt van het zwaard instellen van dwangarbeid.
Gewelddadige strijd kan zowel ongeregeld als geregeld zijn. Van de bloedige strijd die gericht is op de vernietiging van het leven van de tegenstander waarbij iedere binding aan strijdregels ontbreekt tot aan de conventioneel geregelde ridderstrijd [WG:20].
|
|
Wanneer in de strijd om beschikkingsmachten geen feitelijk fysiek geweld wordt toegepast is er sprake van vreedzame strijd. De formeel vreedzame poging om eigen beschikkingsmacht over kansen te verwerven die ook door anderen worden begeerd [WG:20] is concurrentie.
Concurrentie kan regelloos, vrij zijn of geregeld. Voorbeelden van ongeregelde concurrentie zijn de vroeg-kapitalistische concurrentie en de regelloze concurrentie van bijvoorbeeld erotische mededingers om de gunst van een vrouw. Van geregelde concurrentie is sprake wanneer de doelen en middelen van de concurrentie georiënteerd zijn op morele en etische of algemene beschavingsnormen, op juridische regels of gepositiveerde wetten. Voorbeelden hiervan zijn het geregeld strijdspel (sport), de concurrentiestrijd om ruilkansen die gebonden is aan de ordening van de markt (kopen en verkopen, lenen en verlenen enz.), de strikt gereguleerde competities om artistieke prijzen en de strijd tussen politieke partijen om de kiezersgunst in de verkiezingscampagnes.
Weber geeft geen systematisch overzicht van de manieren waarop de vrije of geregelde concurrentie om beschikkingsmacht zich kan voltrekken. Maar in Wirtschaft und Gesellschaft komen her en der wel speciale vormen aan de orde. Dit geldt bijvoorbeeld voor
Deze voorbeelden laten zich gemakkelijk uitbreiden. De middelen waarmee beschikkingsmacht over objecten kan worden toegeëigend zijn ook zo divers dat men nauwelijks meer kan presenteren dan een pretentieloze casuïstiek van machtsmiddelen. Wie toch een poging zou willen wagen om deze machtsmiddelen te classificeren moet in ieder geval rekening houden met het feit dat vanaf een bepaald ontwikkelingsniveau van de maatschappelijke productie-, informatie-, communicatie- en destructiekrachten alle sociaal relevante machtsmiddelen berusten op een daaraan voorafgaande toeëigening van specifieke bronnen of beloningen. Daarom kunnen in principe alle reeds toegeëigende objecten dienen als middel om nieuwe levenskansen te monopoliseren.
Naast het door Weber gehanteerde onderscheid tussen gewelddadige strijd en vreedzame concurrentie circuleren in de sociale wetenschappennog een aantal andere indelingscriteria:
3.1.2 Overdracht van beschikkingsmacht
| Natuurlijk speelt geweld ook bij geïnstitutionaliseerde overdrachts-mechanismen indirect wel degelijk een prominente rol als laatste dekkingsgarantie. En daarom spreekt ook Weber in dit verband nadrukkelijk van formeel vrijwillige en vreedzame mechanismen. |
Weber behandelt dit overdrachtsmechanisme niet systematisch. Hij gaat niet uitvoerig in op de betekenis van specifieke overdrachtsvormen, zoals erven, schenken, ruil, koop en verkoop, verpachting, verhuur en verlening, delegatie, formeel vrijwillige deling enz. En hij gaat ook voorbij aan de functie van deze overdrachtsvormen voor de reproductie van structurele sociale ongelijkheden. De mechanismen waardoor beschikkingsmacht wordt verworven en overgedragen zijn immers tegelijkertijd mechanismen van reproductie van structurele sociale ongelijkheid. Deze reproductiemechanismen moeten echter niet worden verwisseld met de verschillende typen van garantie van toegeëigende beschikkingsmacht [zie § 5.2 en 5.3].
3.2 Duurzaamheid
van de beschikkingsmacht
Bij sociale ongelijkheid gaat het om duurzame en sociale relevante toeëigeningen en uitsluitingen. Het gaat niet om kortstondige, incidentele toeëigening van kansen welke verbonden zijn aan elk gebruik zoals van zwembaden, treinen en theatervoorstellingen. Pas wanneer de benutter van kansen gedurende langere tijd anderen van het gebruik kan uitsluiten, d.w.z. wanneer er sprake is van duurzame toeëigeningen, hebben we te maken met relevante gestructureerde sociale ongelijkheden.
De duurzaamheid van monopolistische appropriatie kan sterk uiteenlopen. Weber maakt een onderscheid tussen temporeel beperkte en temporeel onbeperkte toeëigeningen [WG:202].
De hoogste graad van duurzaamheid wordt bereikt wanneer de erfelijke of vrije overdracht van gemonopoliseerde kansen is gegarandeerd. Van erfelijke overdracht is sprake wanneer de gemonopoliseerde kansen zodanig zijn gegarandeerd dat deze in geval van overlijden overgaan in andere handen en deze overdracht volgens vaste regels verloopt (erfrecht, volledige slavernij). Van vrije overdracht is sprake wanneer degene die over de kans beschikt deze vrij kan overdragen aan een willekeurige derde, die hierdoor deelnemer wordt aan de gesloten gemeenschap. Het verwerven van lidmaatschap van die gemeenschap door overdracht is niet gebonden aan de toestemming van de andere leden van die gemeenschap [WG:24; vgl. ook WG:38,70,170 e.v.]. Wanneer de genieter van een bepaalde kansen deze aan bepaalde of willekeurige derden door overeenkomst kan afstaan gaat het om een appropriatie die men kan veruiterlijken [WG:23].
De verschillende duur van de toeëigening heeft een wezenlijke invloed op het tijdsaspect van sociale mobiliteit en daarmee op de mogelijkheid van stabilisatie van sociale ongelijkheid. Dit is zowel van belang voor de collectieve ervaring en de ontwikkeling van collectieve levensstijlen, als voor de ontwikkeling van politieke identiteiten en conflictbewustzijn. In zijn Herrschaftssoziologie werkte Weber deze aspecten iets nader uit.
3.3 Mate van beschikkingsmacht
Gestructureerde sociale ongelijkheid veronderstelt niet alleen een minimum aan tijdsduur, maar ook een minimum aan feitelijke mate van beschikkingsmacht. We hebben gezien dat Weber een breed begrip van levenskansen hanteert. Zowel fysieke objecten (materiële goederen), economische objecten (zoals winstkansen), sociale objecten (zoals prestige- of huwelijkskansen) als culturele objecten (ideële goederen zoals vakkennis) kunnen in verschillende mate worden toegeëigend. Eigendom in de zin van feitelijke uitoefening van beschikkingsmacht wordt door Weber dus niet inhoudelijk (of zakelijk) beperkt. En hij verstaat hieronder ook niet een fullness of rights in de zin van absoluut eigendom of totale beschikkingsmacht.
In de regel is de beschikkingsmacht over objecten inhoudelijk gedifferentieerd. De mate waarin en de wijze waarop deze objecten kunnen worden toegeëigend is afhankelijk van de technische aard [WG:202] van de objecten en kansen waar het om gaat. Daardoor verschilt ook het gemak waarmee het toeëigeningsproces (exploitatie, uitsluiting etc.) zich binnen een gemeenschap voltrekt.
Weber illustreert dit aan het verschil in toeëigening van een akker en een klantenkring. De kans om door bewerking van een akker in het levensonderhoud te voorzien is afhankelijk van de vraag of het om een eenduidig af te grenzen zakelijk object gaat. In dit geval gaat het om een uniek niet voor vermeerdering vatbare stuk grond. Bij de toeëigening van een klantenkring is dat anders. Zuiver technisch gezien is een klantenkring moeilijker monopolistisch toe te eigenen dan een stuk grond. Het succes van de toeëgening is dus sterk afhankelijk van de specifieke eigenschappen van het object en de daaraan verbonden levenskansen. Maar volgens Weber doet dit niets af aan het feit dat het in principe steeds hetzelfde proces is, namelijk het sluiten van de gemonopoliseerde sociale economische kansen naar buiten en naar binnen [WG:203].
Om in empirische en historische analyses precieze vragen te kunnen stellen, zou men bij de inhoudelijke differentiatie van beschikkingsmachten een onderscheid moeten maken tussen drie door Weber zelf niet altijd even duidelijk onderscheiden probleemassen: (a) de mate van aggregatie of desaggregatie van afzonderlijke beschikkingsmachten; (b) de mate van verdeling of delegatie van specifieke beschikkingsmachten en (c) de mate van beperking of limitatie van beschikkingsmachten door derden.
a) De kleinste gemeenschappelijke noemer van het historisch zo sterk variabele eigendomsbegrip lijkt te zijn, dat het om een quasi achtetypische toerekeningsrelatie van subject en object gaat [Schwab 1975:65]. Eigendom is een recht en geen ding; het is ook niet eenvoudig een relatie tussen een subject (eigenaar) en een ding, maar een relatie tussen de eigenaar en andere individuen met betrekking tot specifieke objecten [Macpherson 1978:1; Cohen 1978:158]. Eigendom is een door mensen gecreëerde institutie welke bepaalde relaties tussen mensen schept en realiseert; het is geen predikaat of natuurlijke eigenschap van objecten.
b) Het lange tijd dominerende absolute eigendomsbegrip uit de traditie van het Romeinse recht lag ten grondslag aan de codificaties van de belangrijkste continentale civiele grondwetten. In de Franse Code Civil kunnen we lezen: La proprieté est le droit de jouir et de disposer des choses de la manière la plus absolu, pourvu quon ne fasse pas un usage prohibité par la loi ou par les règlements [art. 544]. In alle hierop georiënteerde wetboeken komen we steeds dezelfde elementen tegen: (i) de eigenaar kan naar willekeur beschikken over zijn zaak, (ii) is gerechtigd anderen van het gebruik, genot en dispositie uit te sluiten, (iii) voorzover hiermee de wetten of reglementen van de rechtsorde niet worden geschonden. Vgl. Kahn-Freund [1965], Eörsi [1979:65 e.v.], Welkoborsky [1976:28].
3.4 Privileges, rechten, eigendom
Het resultaat van toeëigeningsprocessen is altijd dat er feitelijke beschikkingsmacht over bronnen en beloningen ontstaat en dat negatief geprivilegieerden van deze beschikkingsmacht zijn uitgesloten. Er ontstaan toegeëigende kansen. Alle toegeëigende kansen noemt Weber in dit verband rechten [WG:23]. Toeëigening en onteigening heeft immers tot resultaat dat er geïnstitutionaliseerde rechten ontstaan ten aanzien van bepaalde levenskansen. Door deze institutionalisering ontstaan er effectieve mogelijkheden om de
toegeëigende levenskansen te gebruiken, te genieten of te
controleren. In welke specifieke vorm deze rechten zijn gecodificeerd en of zij bijvoorbeeld door de wet of staat zijn gesanctioneerd doet voor het algemene begrip van rechten niet ter zake.
Om elke directe verbinding met de juridische betekenis van de term rechten te vermijden zou men beter van privileges kunnen speken wanneer het in het algemeen gaat om feitelijk toegeëigende kansen [Bader/Benschop 1988:383, noot 50]. Privileges kunnen uiterlijk worden gegarandeerd door conventies en door recht. Wanneer dit het geval is spreken we van rechten. Privileges kunnen dus rechten worden wanneer gerekend kan worden op de feitelijke of conventionele of juridische afdwingbaarheid binnen bestaande maatschappijen of politieke heerschappij-instituties.
Wanneer de als rechten toegeëigende kansen erfelijk overdraagbaar zijn spreekt Weber van eigendom [WG:23]. Van eigendom is dus sprake wanneer het gaat om erfelijk toegeëigende kansen die conventioneel of juridisch zijn gegarandeerd. In aansluiting op het commentaar hiervoor kunnen we zeggen: rechten worden eigendommen wanneer zij intergenerationeel en erfelijk overdraagbaar zijn.
Weber definieert zeer uiteenlopende levenskansen als mogelijk objecten van eigendom. Dat is zinvol, maar niet zo vanzelfsprekend als hij zelf meende. Hij ging hiermee immers rechtstreeks in tegen de destijds nog dominante traditie van het Romeinse recht, waarin eigendomsobjecten werden beperkt tot alleen lichamelijke zaken [Renner 1965; Kahn-Freund 1965].
De toegeëigende beschikkingsmacht over maatschappelijke kansen is volgens Weber in de regel niet absoluut in de zin dat zij niet in tijd en inhoudelijk gedifferentieerd zou zijn. De duurzaamheid van uitoefening van beschikkingsmacht over bepaalde objecten en de mate waarin die objecten worden toegeëigend moet dus nader worden gedifferentieerd.
Een deel van de onduidelijkheid over de grondslagen, bases of oorzaken van sociale ongelijkheden ontstaat omdat er geen scherp analytisch onderscheid gemaakt wordt tussen (1) oorzaken van historische ontstaan, (2) de structurele gronden van het (voort)bestaan of van de reproductie van sociale ongelijkheden, en (3) de oorzaken van verandering of transformatie van eenmaal geïnstitutionaliseerde ongelijkheidspatronen. Deze oorzakenbundels kunnen identiek zijn of in elkaars verlengde liggen, maar dat is lang niet altijd en zeker niet noodzakelijkerwijs het geval. De historisch-initiële factoren (zoals oorspronkelijke toeëigening op basis van eigen arbeid, overdracht of geweld) die een rol spelen bij het ontstaan van specifieke ongelijkheidsstructuren hoeven dus niet identiek te zijn met de reproductieve factoren die bepalend zijn voor het voortbestaan of de transformatieve factoren die de verandering van die structuren bewerkstelligen.
Max Weber heeft juist deze verschillen op het oog wanneer hij in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus [1905] opmerkt dat het ascetische protestantisme een zeer belangrijke historische rol vervulde voor het ontstaan van het moderne kapitalistische economische systeem: naast talloze andere factoren stond er een bepaalde, constitutieve component van de levensstijl aan de wieg van het moderne kapitalisme [PE II:169]. Door de nadruk op beroepsplicht en rationele ascese kon de protestantse ethiek een van van de constitutieve momenten vormen van de kapitalistische geest [idem:285]. Het religieuze leven van de protestanten, hun hierdoor bepaalde familietradities en levensstijl creëerde een specifieke habitus die hen geschikt maakte om aan de specifieke eisen van het vroeg-kapitalisme te voldoen [idem:318].
De unieke betekenis van de protestantse ethiek voor het ontstaan van het kapitalisme betekent echter niet dat deze ook doorslaggevend zou zijn voor het voortbestaan van dit economisch stelsel. De burgerlijke beroepsethiek blijft tegenover de enorme psychische weerstanden en voor-kapitalistische tradities haar betekenis houden totdat het op zuiver mechanische basis berustende kapitalisme van tegenwoordig dit steunpunt kon missen [idem:285]. De protestantse ethiek en levensstijl mag dan voor het ontstaan van het kapitalisme een uitermate belangrijke kracht zijn geweest, voor het voortbestaan van dit economisch stelsel is deze factor volgens Weber in toenemende mate irrelevant [Weber RS:36,55, 204].
Een tweede bron van verwarring is dat de positionele en personele referentiepunten niet goed uit elkaar worden gehouden. Bij de structurering van ongelijke sociale posities gaat het om de bundel van factoren die onafhankelijk van hun historische oorspronkelijkheid en legitimiteit bepalend zijn voor het verwerven en overdragen van beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen. Bij de recrutering van individuen op ongelijke posities gaat het om de bundel factoren die bepalend zijn voor de allocatie van personen of groepen in structureel ongelijke posities of levenssituaties. De criteria op grond waarvan de toegang tot ongelijke posities en hiermee samenhangende levenskansen en -situaties wordt gereguleerd kunnen identiek zijn met de factoren die bepalend zijn voor positionele ongelijkheden, maar dit is in de regel niet altijd en zeker niet noodzakelijk het geval.
4.2 Het motief van sociale sluiting
Het motief van sociale sluiting is volgens Weber altijd het beperken van het aantal feitelijke of potentiële deelnemers aan de strijd om als schaars ervaren en gedefinieerde levenskansen [WG:201]. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen drie soorten motieven.
Toeëigening kan ten eerste tot stand komen doordat men lid is van een bepaalde gemeenschap of maatschappij. Als lid van een bepaalde huisgemeenschap geniet men bijvoorbeeld automatisch de voordelen van de bronnen die door deze huisgemeenschap zijn toegeëigend. Hetzelfde geldt ook voor het behoren bij een bepaalde taalgemeenschap of nog algemener bij een bepaalde nationale staat die een andere staat koloniaal overheerst en uitbuit.
Toeëigening kan ook individueel tot stand komen. Gemonopoliseerde levenskansen kunnen zuiver persoonlijk aan individuen (natuurlijke personen) toevallen als gevolg van eigen prestaties of door verwantschap, erfelijke overdracht e.d. Wanneer een individuele toeëigening kan worden veruiterlijkt dan is er sprake van een overdraagbare appropriatie [WG:23].
Weber geeft geen overzicht van alle mogelijke subjecten van toeëigening. Een casuïstisch overzicht van mogelijke subjecten van toeëigening zou zich kunnen oriënteren op de volgende driedeling.
5.2 Een reeks sluitingscriteria
Sociale sluiting vindt plaats in situaties waarin zich strijd of concurrentie voordoet om het handhaven of veranderen van ongelijke beschikkingsmacht over de belangrijke bronnen en beloningen (of levenskansen). In eerste instantie doet het er voor de algemene analyse van sluitingsprocessen niet veel toe op grond van welke criteria actuele of potentiële concurrenten van bepaalde levenskansen worden uitgesloten.
Praktisch elk uiterlijk identificeerbaar kenmerk van anderen kan als aanleiding worden genomen om hun uitsluiting van mededinging na te streven [WG:201]. De tendens om monopolistische afsluiting naar buiten kan aanknopen bij elk moment, ook als is het nog zo uiterlijk" [WG:236]. Het ontstaan van sociaal gesloten groepen en van van vijandschap tussen de positief en negatief geprivilegieerde categorieën mensen kan dus verbonden worden aan de meest oppervlakkige verschijnselen van historisch toevallige verschillen [idem]. In principe kan de tendens tot monopolisering van bepaalde in de regel economische kansen zich richten tegen elke groep met "een gemeenschappelijk positief of negatief kenmerk [WG:202].
Dergelijke verschillen worden echter pas in situaties van concurrentie en strijd als zodanig waargenomen, ervaren, ontdekt en vooral verfijnd, gecultiveerd en zelfs uitgevonden.
Ook de duurzaamheid van de aanwezigheid, de tijd dat men al tot een gemeenschap behoort (de gevestigden) kan zelf als criterium voor sluiting fungeren. Elias/Scotson [1976:10,50,196] hebben dit gedemonstreerd voor de betekenis van vestigingsduur. Zie Bader [1991] over de feitelijke of vermeende gemeenschappelijke geschiedenis als dimensie van collectieve identiteit.
Sociale sluitingsstrategieën kunnen dus aanknopen bij zeer uiteenlopende kenmerken van individuen of sociale categorieën. Zij kunnen aanknopen bij praktisch alle mogelijke soorten verschillen:
Al deze verschillen kunnen aanleiding zijn voor afstoting en verachting van andersgeaarden en als keerzijde van ontwikkeling van bewustzijn van gemeenschappelijkheid van de gelijksoortigen [WG:236]. Sociale sluitingspraktijken transformeren horizontaal naast elkaar bestaande verschillen in verticaal boven elkaar gestelde hiërarchieën. Het horizontaal en onverbonden naast elkaar bestaan van verschillende groepen wordt door sociale sluiting getransformeerd in een verticaal systeem van boven- en onderschikking [WG:536]. Er ontstaan scherpe sociale grenzen door bewuste monopolistische afsluiting, die aansloot bij kleine verschillen en deze vervolgens opzettelijk cultiveerde en verdiepte [WG:236]. Deze kleine verschillen kunnen hun grond hebben in aangeboren of erfelijk natuurlijke kenmerken van individuen, of in kwalificaties die met of zonder bijzondere individuele prestaties zijn verworven.
Populistische politici die zich fixeren op de als bedreigd ervaren nationale identiteit maken gebruik van dit narcisme van het kleine verschil: kleine verschillen in cultuur tussen de meerderheid en een minderheid van de bevolking worden uitvergroot en zodanig ingekleurd dat die minderheid een zondebok wordt. Vgl. René Girard [1972 - La violence et le sacré] over het zondebokmechanisme.
5.3 Ascription versus achievement
Weber heeft geen duidelijk uitgangspunt uitgewerkt waarmee de veelvoud van mogelijke uitsluitingscriteria kan worden geordend. Opvallend is echter wel dat hij niet de tegenwoordig zo gangbare simpele tweedeling hanteert tussen ascription en achievement resp. tussen collectivistisch toegeschreven of geërfde kwaliteiten versus
individualistische prestatiestandaarden. Het probleem met dit ideaaltypisch onderscheid is tweeledig.
Prestatiestandaarden en beloningen die daarvan zijn afgeleid, kunnen een eerdere allocatie van beloningen en kansen die gebaseerd zijn op ascription verbergen en legitimeren. Het onderscheid tussen ascription en achievement kan gebruikt worden om de feitelijke mechanismen verduisteren die leiden tot differentiële beloning en plaatstoewijzing. Prestatiestandaarden (selectie naar prestatiecompetentie en beloning naar prestatie) functioneren in werkelijkheid vaak (i) als versluiering van de ongelijke kansen om competenties te verwerven en (ii) als legitimatielegende voor extra beloningen, dus als meritocratische ideologische bron van geprivilegieerde klassen, elites en professionele groepen.
5.4 Structurering van uitsluitingscriteria
Weber zelf geeft slechts een aantal voorbeelden van mogelijke uitsluitingscriteria, maar hij ontwikkelt geen systematiek. Voortbouwend op zijn benadering kan echter wel op eenvoudige wijze een typologie van uitsluitingscriteria worden ontwikkelt uitgaande van de aard van de kenmerken of verschillen waar sociale sluitingsprocessen bij aanknopen.
De diversiteit van sluitingscriteria kan overzichtelijker worden gemaakt wanneer zij worden ingedeeld naar de volgende twee gezichtspunten: (1) gaat het om strikt individuele en verworven prestatiekwalificaties of om ascriptieve eigenschappen of kenmerken; (2) gaat het bij de ascriptieve kenmerken om verschillen die aanknopen bij biologisch-fysiologische of fenotypische eigenschappen van individuen of ok sociaal-historische eigenschappen [Bader/Benschop 1988:234]. Hieruit vloeit een indeling in drie hoofdtypen van sociale sluitingscriteria voort.
Voor het onderzoek naar sociale ongelijkheden zijn deze natuurlijke, biologische of aangeboren verschillen tussen individuen als zodanig niet relevant. Het gaat dus niet om verschillen in huidskleur, geslacht, lichaamskracht of lengte, en ook niet om mogelijke verschillen in aangeboren driftsterkte, temperament of andere feitelijke of vermeende erfelijke of aangeboren eigenschappen. In de analyse van sociale sluitingsprocessen zijn dergelijk biologisch-fysiologische en fenotypische verschillen slechts relevant voorzover uitsluitingspraktijken bij deze verschillen aanknopen en ze cultiveren of verdiepen. Het gaat dus telkens om sociaal gedefinieerde biologische, fysiologische of fenotypische kenmerken.
De maatschappelijke effectiviteit van deze criteria is relatief onafhankelijk van de vraag of het om werkelijke, feitelijke kenmerken gaat, dan wel om vermeende, fictieve of imaginaire (en in die zin letterlijk: toegeschreven) kenmerken. Zo is ras zeker geen biologische categorie maar een maatschappelijke constructie: het waanidee dat er natuurlijke rassen bestaan die zich van elkaar onderscheiden in prestatievermogen, intelligentie e.d. is een constructie van de racistische ideologie.
Zie ook Bader [1984] en Bader/Benschop [1988:237] voor een nauwkeuriger afbakening van ras, racistische praktijken en ideologieën. Zie verder de gedetailleerde kritiek van Green [1981] op de sociobiologie en i.h.b. op de neoconservatieve verdedigers van het biologisch inegalitarisme.
Individuen kunnen worden uitgesloten omdat zij behoren tot een territoriale of geografische gemeenschap (buurschap, dorpen, stadsdelen, regios, werelddelen), een taalgemeenschap (Vlamingen en Walen in België), een religieuze of geloofsgemeenschap (anti-semitisme; katholieken en protestanten in Noord-Ierland), een culturele, nationale of historische gemeenschap of tot een bepaalde klassegemeenschap. Zij kunnen bovendien worden uitgesloten op grond van het vrijwillige of gedwongen lidmaatschap van specifieke instituties of organisaties waarvan het lidmaatschap geen resultaat is van specifieke individuele prestaties: hiërocratische (kerk, sekte), politieke (vakbond, politieke partij) of staatspolitieke (staatsburgerschap).
5.5 Uitsluitingscriteria, sluitingspraktijken en legitimatiepratronen
Voor de algemene definitie van sociale sluitingsprocessen doet het er in eerste instantie niet veel toe op grond van welke (combinatie van) kenmerken individuen of groepen worden uitgesloten. Er zijn op voorhand geen kenmerken die niet als uitsluitingscriteria in aanmerking zouden kunnen komen of dat historisch gezien ook daadwerkelijk waren.
Toch worden de uitsluitingscriteria nooit op geheel willekeurige wijze uit de lucht geplukt. Daarom is het van belang om te analyseren welke verschillen door wie worden waargenomen, hoe zij positief of negatief worden gewaardeerd en bewust of onbewust als uitsluitingscriteria worden gehanteerd.
Parkin bewijst hiermee echter niet wat hij wil bewijzen. Actuele uitsluitingsstrategieën knopen onder andere aan bij reeds bestaande statelijke, politieke en juridische discriminaties (die hierdoor aanzienlijk worden versterkt en gestabiliseerd). Maar ook het omgekeerde vindt plaats: staatspolitieke en juridische discriminaties worden structureel en historisch vaak voorafgegaan door sociale en economische discriminaties. Wanneer men inzicht wil krijgen in de structurele en historisch grondslagen waardoor bepaalde groepskenmerken als aanleiding worden genomen voor sociale uitsluitings- en discriminatieprocessen, komt men niet veel verder door telkens weer te verwijzen naar de al bestaande discriminaties in staatsrecht, belastingstelsel of sociale voorzieningen.
Weber wijst er regelmatig op dat de criteria van uitsluiting in de regel op complexe wijze met elkaar worden gecombineerd. In de historisch-empirische praktijken van uitbuiting, onderdrukking en discriminatie zijn de uitsluitingscriteria zelden zuiver geïnstitutionaliseerd. Bij sociale sluitingsprocessen is er meestal sprake van elkaar historisch overlappende clusters van al dan niet ascriptieve criteria van uitsluiting. In werkelijkheid worden groepen dus meestal gediscrimineerd op basis van een combinatie van meerdere criteria.
Dit syndroomkarakter van ascriptieve sluiting kan het beste worden geanalyseerd met een gedifferentieerde typologie van uitsluitingscriteria. Het voordeel van zon desaggegrerende onderzoeksstrategie is dat hierdoor de vaak ingewikkelde combinaties van uitsluitingscriteria transparant gemaakt kunnen worden. Bovendien krijgt men op deze wijze beter zicht op de verschuivingen die zich voordoen in de dominantieverhouding tussen primaire en secundaire criteria.
Vooral uit zijn behandeling van etnische gemeenschappen [WG:234 e.v.] blijkt dat Weber zich ook bewust is van het feit dat er tussen de criteria van uitsluiting, de feitelijke uitsluitingspraktijken en de verschillende legitimatie-legendes en ideologieën wel verbindingen bestaan, maar dat deze lang niet altijd rechtstreeks en eenduidig zijn.
| Onder ideologie wordt hier verstaan: alle meningen, opvattingen, theorieën enz. waarin democratisch illegitieme sociale ongelijkheden cognitief als natuurlijk, onveranderlijk enz. worden voorgesteld of normatief als rechtvaardig en juist of dit nu half bewust of bewust, systematisch of geïsoleerd, alledaags of wetenschappelijk gebeurt [Bader/Benschop 1988:370, noot 11]. Zie voor een nadere precisering van het ideologiebegrip Bader [1991:hft. viii]. Hier gaat het natuurlijk niet om ideologieën in het algemeen en ook niet om alle ideologieën die bestaande sociale ongelijkheden legitimeren en stabiliseren, maar speciaal om allocatie-ideologieën, d.w.z. om legitimaties en rationalisaties van democratisch illegitieme sociale sluiting. |
Voor een goed begrip van sociale sluitingsprocessen is het dus van belang de samenhang te onderzoeken tussen de uitsluitingscriteria, de uitsluitingspraktijken en de typische legitimatie-ideologieën. In empirisch-historisch onderzoek staan daarbij drie vragen centraal: (1) onder welke maatschappelijke voorwaarden worden welke kenmerken en verschillen door wie worden waargenomen en gecultiveerd, (2) op welke manier worden deze kenmerken en verschillen positief of negatief gewaardeerd en waarom worden bepaalde rivaliserende waarderingshiërarchiën maatschappelijk dominant, (3) hoe worden deze kenmerken bewust of onbewust als criteria van sociale sluiting gehanteerd, en (4) hoe wordt deze uitsluiting gelegitimeerd. Ter stimulering van de fantasie: schema 9 van Bader/Benschop [1988:235].
De openheid of geslotenheid van sociale verhoudingen of gemeenschappen kan op verschillende manieren zijn bepaald:
In werkelijkheid zien we vaak een afwisseling tussen propageren en sluiting. Middeleeuwse gilden en democratische steden in de Oudheid streefden in bepaalde perioden naar uitbreiding van het aantal leden in het belang van de veiligheid van hun machtspositie. In andere perioden streefden zij echter naar beperking van het lidmaatschap omdat zij er belang bij hadden de waarde van hun monopolistische positie te handhaven. Hetzelfde verschijnsel kunnen we waarnemen bij monnikenordes en religieuze sekten, die in het belang van het hooghouden van de ethische standaard of van de bescherming van materiële belangen overschakelden van religieuze propaganda naar afsluiting. Op de economische markt staat uitbreiding in het belang van omzetvergroting op soortgelijke wijze naast monopolistische beperking van de markt. En tegenover de standsmatig gesloten geheimtaal van vroeger staat tegenwoordig de taalpropaganda als normaal gevolg van de belangen van uitgevers en schrijvers [WG:24].
6.2 Sluiting naar buiten
Sociale verhoudingen kunnen in meer of minder sterke mate naar buiten toe gesloten zijn. Niet alleen de mate van sluiting naar buiten is zeer variabel, ook de overgangen van openheid naar gereguleerdheid en geslotenheid zijn vloeiend [WG:24].
6.3 Sluiting naar binnen
Een sociale verhouding of gemeenschap kan ook naar binnen toe worden gesloten. De sluiting naar binnen heeft betrekking of de deelnemers of leden zelf, d.w.z. op de onderlinge relaties tussen de deelnemers aan een gesloten sociale verhouding. Sluiting naar binnen kan eveneens zeer uiteenlopende vormen aannemen.
6.4. Stadia van appropriatie
Een naar
buiten toe gesloten gemeenschap kan op verschillende manieren omgaan met de kansen die door deze gemeenschap zijn gemonopoliseerd. De meer of minder definitieve interne sluiting van een gemeenschap noemt Weber de stadia van appropriatie van de door een gemeenschap gemonopoliseerde sociale en economische kansen [WG:202].
De toegeëigende kansen kunnen binnen de kring van monopolistisch geprivilegieerden geheel open blijven (zodat zij hierom onderling vrij kunnen concurreren) of zij kunnen op verschillende manieren ook naar binnen toe worden gesloten.
De interne sluiting kan op verschillende manieren worden gereguleerd. Zij kan plaats vinden (1) op toerbeurt: volgens bepaalde roulatieregels krijgt elk lid van de gemeenschap tijdelijk het recht op de toegeëigende privileges (zie Webers verhandeling over directe democratie in WG:hft. 3, § 19); (2) tot opzegging: bepaalde kansen worden aan een lid toegekend totdat dit wordt herroepen (bijvoorbeeld individuele beschikking over akkers in een strak georganiseerde agrarische gemeenschap; (3) levenslang: monopolies op bepaalde ambten worden onherroepbaar voor het leven toegekend; (4) definitieve overdracht aan een individu en zijn/haar erfgenaam (+overdrachtsrecht aan groepsleden); (5) gedeeltelijk, zodat slechts het aantal kansen gesloten wordt.
Weber ziet af van elke systematische classificatie van soorten gemeenschappen en gaat ook niet in op de relatie tussen economie cultuuri. Hij behandelt wel een paar algemene structuurvormen van menselijke gemeenschappen. Van een aantal zeer universele soorten gemeenschappen (zoals huis-, buren-, seksuele, taal-, politieke gemeenschappen) geeft hij een algemene karakterisering. In zijn uiteenzetting over heerschappij gaat hij nader in op de ontwikkelingsvormen van deze gemeenschappen [WG:212].
Weber begint zijn verhandeling met de meest oorspronkelijke van de naar buiten toe gesloten gemeenschappen [WG 218]: de huisgemeenschap. De huisgemeenschap is de meest universeel verspreide economische verzorgingsgemeenschap welke de grondslag vormt van interne strikt persoonlijke loyaliteit en autoriteit, en naar buiten gerichte solidariteit. Vervolgens geeft hij een algemene karakterisering van naar buiten toe gesloten gemeenschappen die steeds minder natuurlijk of oorspronkelijk zijn. Eerst de burengemeenschap als permanente of ephemere belangengemeenschap welke is afgeleid van ruimtelijke nabijheid en de grondslag vormt voor wederzijdse hulp [WG:215]. Dan de seksuele gemeenschap die het huiscommunisme intern verzwakt door de exclusieve seksuele aanspraken van mannen over vrouwen; van de sociale relaties die op basis van het geslachtsverkeer tussen volwassenen ontstaan is alleen die tussen moeder en kind oorspronkelijk en natuurlijk omdat het een verzorgingsgemeenschap is; de relatie tussen vader en kinderen is los van de economische verzorgingsgemeenschap volledig labiel en problematisch [WG:212]. Dan achtereenvolgens de verwantschapsgemeenschap, de etnische, religieuze en taalgemeenschap en tenslotte de rechts- en politieke gemeenschap (stam, volk, natie).
7.2 Etnisch-culturele gemeenschappen
Etniciteit speelt een belangrijke rol in de analyses van het oude en moderne racisme. De discussie over etniciteit bevat echter zoveel obscure elementen dat het verstandig is hieraan niet voorbij te gaan. Veel van de huidige ideeën over de aard van de etniciteit zijn aan het werk van Weber ontleend [Hechter 1977, Neuwirth 1969].
In zijn analyse van sociale ongelijkheid en het ontstaan van politieke handelingscollectieven behandelt Weber etniciteit niet als een irrationeel en primordiaal gegeven; etnische identiteit is voor hem een sociale constructie. Raciale identiteit (Rassenzugehörigkeit) beschouwt hij als een problematische bron voor gemeenschapshandelen. Het bestaan van gemeenschappelijke geërfde en erfelijke kenmerken die werkelijk berusten op afstamming leiden nooit op zich of zonder meer tot gemeenschapsvorming. Zijn benadering van etnische identiteit omvat de volgende vier elementen:
Waarom ontstaan er culturele verschillen tussen groepen en hoe kunnen deze blijven voortbestaan wanneer die groepen in permanent contact met elkaar staan? Culturele verschillen ontstaan volgens Weber vooral omdat mensen zich moeten aanpassen aan heterogene economische en politieke bestaansvoorwaarden [WG:239]. Zijn analyse van processen die tot culturele arbeidsdeling leiden blijft echter vooral geconcentreerd op het verschijnsel van monopolistische sluiting [WG:201 e.v.].
Zoals we eerder hebben gezien worden immers juist door het proces van sociale sluiting de werkelijk bestaande, horizontaal naast elkaar bestaande verschillen getransformeerd in verticaal boven elkaar gestelde hiërarchieën: het horizontale en onverbonden naast elkaar bestaan van etnisch verschillende groepen wordt veranderd in een verticaal systeem van boven- en onderschikking [WG:536]. De scherpe sociale grenzen ontstaan door bewuste monopolistische afsluiting welke aansloot bij kleine verschillen en deze vervolgens opzettelijk cultiveerde en verdiepte [WG:236].
7.3 Professionele gemeenschap
De monopolisering van economische en sociale kansen neemt volgens Weber een specifieke vorm aan wanneer zich groepen formeren van personen die specifieke kwaliteiten gemeen hebben welke door opvoeding, onderwijs en training verworven kunnen worden. Deze kwaliteiten kunnen variëren van bepaalde soorten economische kwalificaties, het bezetten van gelijke of gelijksoortige ambten, tot het erop nahouden van een specifieke levenswijze. Wanneer deze personen zich organiseren neemt dit meestal de vorm aan van een gilde [WG:202]. Degenen die volledig lid zijn van zon associatie maken een beroep van het monopoliseren van beschikkingsmacht over spirituele, intellectuele, sociale en economische goederen, verantwoordelijkheden en posities.
Weber heeft een belangrijke voorzet gegeven voor de latere theorievorming over professionalisering. Professionalisering kan immers worden opgevat als een specifieke vorm van sociale sluiting: het is een strategie van beroepsgenoten die proberen beloningen te maximeren door het beperken van de toegang tot dit beroep en de daarmee verbonden specifieke economische en sociale voordelen. Professionalisering is altijd gericht op het creëren van een specifieke schaarste. Die schaarste kan op twee manieren worden gerealiserd: door het verkleinen van het aanbod (reductie van beschikbaarheid van een specifieke waar of dienst) of door het vergroten van de vraag (door opwaardering van de specifieke kwaliteit van de aangeboden waren of diensten) [Bestaut 1975:52].
Professionalisering is een specifieke sluitingsstrategie welke mijns inziens altijd de volgende elementen impliceert:
7.3.1 Sluiting naar buiten door exclusieve recrutering
Professionalisering betekent beperking van het lidmaatschap van de beroepsgroep. Het uitoefenen van deze beroepen alleen is toegestaan voor degenen die (i) een leer- of oefenperiode (noviciaat) hebben voltooid om de juiste kwalificaties te verwerven, en (ii) hun kwalificatie hebben bewezen door het
afleggen van examens waardoor zij in het bezit komen van diplomas en andere educationele certificaten. Soms hebben aspirant leden van een beroepsgroep ook nog te maken met langere wachttijden of moet er nog aan aanvullende eisen worden voldaan. Dit typische patroon zien we zowel bij studentencorpora en ridderordes, als bij ambachtelijke gilden en de moderne ambtenaren en employés.
In al deze gevallen speelt volgens Weber het belang bij het veiligstellen van een goede prestatie een zekere rol. Hoewel de onderlinge concurrentie tussen professionals niet ophoudt als zij door hun beroepsgroep zijn geaccepteerd, hebben zij toch een gemeenschappelijk belang bij het veiligstellen van een hoge kwaliteit van de prestaties. Zo hebben bijvoorbeeld gemeenschappen van asceten belang bij hoogwaardige prestaties omdat de goden en demonen hun toorn over het on-ascetisch gedrag van een enkeling tegen alle leden kunnen richten. In bijna alle primitieve stammen werden daarom personen die vals zongen tijdens een rituele dans gestraft. De ministeriales en ridderordes hebben belang bij goede prestaties vanwege hun professionele reputatie, maar ook direct voor hun militaire veiligheid. Zoals lokale ambachtslieden goede prestaties wensen om de goede naam van hun waren hoog te houden, zo schermen medische en psychotherapeutische specialisten zich af van kwakzalvers, charlatans en beunhazen om de kwaliteit en betrouwbaarheid van hun diensten te bewaken.
Achter deze zorg voor goede prestaties gaat echter meestal het belang schuil dat gevestigde professionals hebben bij de beperking van het aanbod van kandidaten: hoe exclusieve de beroepsgroep, deste groter zijn voor de economische voordelen en eer van dat beroep. De noviciaten, wachttijden, meesterstukken en andere eisen zijn vaker economische dan professionele kwalificatietesten [WG:203]. Het toenemende gebruik van certificaten en diplomas zijn een middel om specifieke professionele belangen veilig te stellen. De roep om educationele certificaten is gericht op het vormen van een geprivilegieerde laag in bureaus en kantoren [WG:577].
7.3.2 Sluiting naar binnen door gedragscontrole van ingeslotenen
Naar binnen toe impliceert professionalisering zowel het verenigen van de leden van de beroepsgroep, het elimineren of reguleren van interne competitie en het ontwikkelingen van een bepaalde groepssolidariteit. De coördinatie van het handelen van de leden van een beroepsgroep veronderstelt een besef van gemeenschappelijke belangen, het ontstaan van een specifieke groepssolidariteit en de ontwikkeling van een systeem van gedragscontrole (beroepscodes en ethieken). De beperking of regulatie van de onderlinge concurrentie is bijvoorbeeld mogelijk door het verbieden van prijsconcurrentie (middels prijsafspraken), waardoor de beroepsgroep tegelijkertijd in staat gesteld wordt om prijzen (beloningen) te bedingen die boven de theoretische competitieve marktwaarde van hun diensten ligt. De strikte beperkingen van prijsconcurrentie en competitie om patiënten bij de medische professionals zijn hiervan het meest sprekende moderne voorbeeld.
7.3.3 Creëren van feitelijke monopolies door regulatie van aanbod
Door het aanbod gericht te beperken of strak te reguleren is het mogelijk om op uiteenlopende markten feitelijke monopolies te creëren. Daarbij ondersteunt het bezit van onderwijscertificaten, licenties e.d. de aanspraak op tal van specifieke privileges en voordelen. Weber geeft hiervan een aantal voorbeelden: (1) het huwen met notabele families (want ook op moderne kantoren werd hierdoor de kans op de hand van de dochter van de chef groter); (2) het toegelaten worden tot kringen die een bepaalde erencode aanhangen; (3) het respectabel (naar stand) beloond worden in plaats van beloning naar prestatie.
De achtergrond voor het invoeren van reguliere curricula en van speciale examens is dan ook niet zozeer een plotseling opkomende drang naar onderwijs, maar het streven naar beperking van het aanbod voor deze posities en hun monopolisering door de bezitters van onderwijscertificaten [WG:577].
7.3.4 Het legaliseren van feitelijke monopolies
Een professie is geen beroep, maar een middel om de eigen definitie van de beroepsactiviteiten aanvaard te krijgen door relevante personen en groeperingen (afnemers, overheid, consumenten). Een effectieve beheersing van een beroep wordt vooral mogelijk gemaakt wanneer de geïmpliceerde sociale sluitingen worden bekrachtigd of gegarandeerd door het verwerven van steun en erkenning van de staat. Hierdoor wordt het feitelijke monopolie, de daarin geïmpliceerde heerschappij als de daaraan verbonden voordelen en privileges, gelegaliseerd en indien nodig met staatsgeweld verdedigd.
8.1 Mechanismen van stabilisatie
Volgens Weber kan de stabiliteit van de feitelijke verdeling van beschikkingsmachten niet alleen worden teruggevoerd tot uiterlijk geweld en innerlijke overtuiging (legitimiteit). De empirische stabiliteit van sociale ongelijkheden is niet alleen en misschien niet in de eerste plaats afhankelijk van de verschillende garantiemechanismen die specifiek gericht zijn op de instandhouding van die ongelijkheden. Waardoor deze beschikking is gegarandeerd, en of ze bijvoorbeeld uiterlijk helemaal niet is gegarandeerd, is als zodanig begripsmatig irrelevant [WG:34]. Ongelijk verdeelde beschikkingsmacht kan immers louter berusten op zede of belangenpositie [WG 34; vgl. WG:36]. Dergelijke opmerkingen refereren direct aan de fundamentele begrippen en typologische onderscheidingen
van Webers concept van sociaal handelen.
Zoals bekend zijn Webers ideaaltypen van sociaal handelen gebaseerd op een analytisch onderscheid tussen vier handelingsoriëntaties: traditioneel, affectief, doelrationeel en waarderationeel handelen. Deze indeling is ook van belang voor de verklaring van mechanismen van handelingscoördinatie, welke tevens fungeren als mechanismen van reproductie en transformatie van sociale ongelijkheden. Het probleem is echter dat Webers uiteenzetting van de mechanismen van andelingscoördinatie [WG:14 e.v.] een nogal opvallende maar weinig opgemerkte lacune bevat: het mechanisme van handelingscoördinatie dat door affectieve handelingsoriëntaties en expressieve handelingen wordt geconstitueerd ontbreekt eenvoudig [Bader 1985b:9; 1989; 1991:69 e.v.] Als men deze lacune opvult door de introductie van solidariteit als mechanisme van handelingsoriëntatie dat door affectieve handelingsoriëntaties en handelingen geconstitueerd wordt dan kan Weber's benadering in het volgende schema worden samengevat.
[schema]
De stabilisatie of reproductie van sociale ongelijkheden kan plaatsvinden op basis van gewoontes en zeden, solidariteit, belangenpositie en legitimiteit.
Stabiliteit van een feitelijke verdeling van beschikkingsmachten betekent dat men er op kan rekenen dat het bezit van specifieke objecten wederzijds wordt gerespecteerd, ongeacht de bestaande conventionele of rechtsnormen [WG:192]. Voor Weber is het begripsmatig secundair maar daarom maatschappelijk zeker niet minder belangrijk! of en zo ja hoe feitelijke ongelijke verdeling van beschikkingsmacht wordt gegarandeerd. Structurele ongelijkheden kunnen echter niet bestaan zonder een minimum aan uiterlijke en ook innerlijke garanties.
Sociaal handelen is altijd meervoudig gemotiveerd en gecoördineerd, en de overgangen van zede naar solidariteit, belangenpositie (inclusief conventie en recht) en legitimatie zijn vloeiend.
8.2 Uiterlijke garantie door conventie en recht
Sociale ongelijkheid kan uiterlijk worden gegarandeerd door
referentie aan geldende, regulerende ordeningen of normensystemen, d.w.z. door conventies of wetten. Van conventies is sprake wanneer binnen een bepaalde kring mensen een zede als correct geldt en deze wordt gewaarborgd doordat tegenover afwijkend gedrag een afkeurende houding wordt aangenomen. Wanneer men bij overtreding van geldende ordeningen stuit op een betrekkelijk algemene en
praktisch voelbare afkeuring of minachting dan hebben we met een conventionele garantie te maken [WG:17]. Overtredingen van conventies worden niet gestraft met juridische sancties, maar door (het dreigen met) sociale sancties door leden van de eigen groep (negeren, openlijke minachting, boycot). Arbeiders die niet solidair zijn tijdens stakingen worden door hun collegas gestraft met minachting en afbreking van vriendschappelijke betrekkingen; vrouwen die zich niet onderwerpen aan de heersende conventies ten aanzien van de normale geslachtsspecifieke arbeidsdeling of het normale patroon van zedelijkheid worden uit het gezinsverband verstoten; kleurlingen die in racistische maatschappijen met overgave de hielen van de blanke overheersers likken worden uit hun eigen dorp verdreven.
Maatschappelijke ordeningen en de daarin verankerde sociale ongelijkheden worden uiterlijk door recht gegarandeerd wanneer de sancties wordt uitgeoefend door een disciplinaire staf van specialisten. Zon disciplinaire staf kan historisch de vorm aannemen van een rechterlijke instantie, maar dit is niet per sé noodzakelijk: ook de sibbe (grootfamilie) is bij bloedwraak en veten een disciplinaire staf. Een disciplinaire staf kan diverse dwangmiddelen hanteren normerende regels te handhaven of hun overtreders te bestraffen: broederlijke vermaning, berisping door een censor, kerkelijke tuchtmiddelen of eenvoudig fysiek geweld [WG:17,32,398]. Het dreigen met of toepassen van fysiek geweld is weliswaar niet de enige negatieve sanctie, maar het is wel de laatste of ultieme dekkingsgarantie die specifiek de wijze waarop de in rechtsregels gepositiveerde geldende normatieve gedragsverwachtingen worden gehandhaafd en hun overtreders worden bestraft.
8.3 Innerlijke garantie door legitimiteit
Uiterlijk gewaarborgde sociale ongelijkheden kunnen en worden in de regel ook innerlijk gegarandeerd. De structurele ongelijkheid van levenskansen kan zuiver innerlijk worden gegarandeerd door legitimiteit. Het voortbestaan van sociale ongelijkheden wordt gegarandeerd door de mate waarin deze feitelijk als legitiem worden geaccepteerd. Empirische legitimiteit biedt de hoogste graad van sociale stabilisatie en garantie van ongelijkheden.
Structurele sociale ongelijkheden hebben zodra zij als zodanig worden ervaren en onderkend behoefte aan legitimatie [zie Sigrist 1967 voor historische voorbeelden van dit oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn]. Elke macht en elke gemonopoliseerde levenskans heeft behoefte aan zelfrechtvaardiging. Volgens Weber is dit verschijnsel geworteld in heel algemene innerlijke constellaties van de mens. Een gelukkig mens is tegenover de minder gelukkigen immers nooit tevreden met feit van dit geluk, maar wil bovendien ook nog het recht op zijn geluk. Dat is het idee dat men zijn geluk verdiend heeft, zoals de minder gelukkige ook zijn pech verdiend moet hebben. Uit alledaagse ervaringen kan iedereen weten dat er een psychische comfortbehoefte aan legitimiteit van het geluk [WG:299] bestaat en hoe deze werkt.
Weber refereert aan de meest eenvoudige waarneming van twee mensen die een contrasterend noodlot hebben wat betreft gezondheid, economische positie of sociaal aanzien. Hieruit blijkt dat de geprivilegieerde de aanhoudende behoefte heeft het voor hem gunstige contrast als legitiem voor te stellen en zijn situatie als door hem verdiend op te vatten; de situatie van de negatief geprivilegieerde wordt voorgesteld als eigen schuld [WG:549, RS I:242].
Dit quasi-antropologische uitgangspunt dat als heuristisch principe overigens een zeer goed uitgangspunt is voor empirisch onderzoek naar legitimiteit geldt ook voor de relatie tussen positief en negatief geprivilegieerde groepen. Hoewel de behoefte aan legitimatie van sociale ongelijkheden verworteld is in innerlijke psychische constellaties van de mens behandelt Weber het legitimiteitsprobleem toch primair in samenhang met het heerschappijmechanisme, d.w.z. als noodzakelijk moment van toeëigenings- en sociale sluitingsstrategieën. De groepen die door de bestaande politieke, sociale en economische structuren geprivilegieerd zijn, hebben er steeds behoefte aan hun situatie als legitiem voor te stellen. Zij willen de toestand van zuiver feitelijke machtsverhoudingen veranderd en geheiligd zien in een cosmos van verworven rechten [WG:679].
Positief geprivilegieerden claimen dat hun privileges, rechten en eigendommen legitiem zijn en zij articuleren deze legitimiteitsaanspraken in legitimatielegendes. De legitimatielegende van de geprivilegieerde groep is haar natuurlijke (en indien mogelijk bloeds-)superioriteit.
De legitimatieclaims en -legendes van de positief geprivilegieerden leiden echter niet automatisch tot empirische legitimiteit van sociale ongelijkheden. Omdat empirische legitimiteit uitsluitend tot stand komt door het feitelijke geloof in de legitimiteit is hierbij het legitimiteitsgeloof van de negatief geprivilegieerden doorslaggevend. Wanneer de machtsverhoudingen stabiel zijn accepteren ook de negatief geprivilegieerden deze legende zolang deze tenminste niet door dwingende verhoudingen tot probleem wordt [WG:549]. De positief geprivilegieerde verlangen deze legitimiteit van een bepaalde (religieuze enz.) ideologie. Dit legitimatiemechanisme werkt overal, of het nu gaat om het politieke noodlot, het verschil in economische situatie (werkloosheid!), lichamelijke gezondheid (straf van god) of om het geluk in de erotische concurrentie [WG:299].
Het probleem bij Webers begrip van legitimiteit is dat hij geen duidelijk onderscheid maakt tussen de grondslagen en de typen van legitimiteit [Bader 1983, 1985]. Weber onderscheidt vier grondslagen van legitimatie van gesloten sociale verhoudingen en gemeenschappen:
Ik beschouw sociale sluiting als deelperspectief. Sociale sluiting is een type van asymmetrische macht dat bepaalde individuen in staat stelt om positief geprivilegieerde posities (geheel of gedeeltelijk) te monopoliseren en anderen daarvan meer of minder volledig uit te sluiten. Sociale sluiting is dus een specifiek type van asymmetrische macht dat uitbuiting, onderdrukking en discriminatie niet omvat en ook niet vervangt [Giddens 1980:889 - only one mode among others].
Het resultaat van sociale sluitingsprocessen is dus altijd dat de positief geprivilegieerde groepen feitelijke beschikkingsmacht uitoefenen over maatschappelijke bronnen en dat de negatief geprivilegieerden van deze beschikkingsmacht zijn uitgesloten. Sociale sluitingspressen zijn niet alleen relevant voor de selectieve recrutering van individuen op gegeven sociale posities, maar ook voor het de structurering van die posities zelf (als gesedimenteerde vorm van het permanente proces van uitsluiting en van het verzet hiertegen). Er ontstaan positief en negatief geprivilegieerde belangengemeenschappen die zich onder bepaalde voorwaarden aaneensluiten tot een georganiseerde belangengroep.
En hiermee keren we terug op Webers uitgangspunt, want tussen deze belangengroepen is er altijd weer strijd om de beschikkingsmacht over levenskansen [WG:20]. Dit uitgangspunt is nu echter geen geen abstract heuristische principe meer: de strijd/concurrentie tussen belangengroepen is gestructureerd door de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over essentiële maatschappelijke bronnen. En omgekeerd: gestructureerde sociale ongelijkheid is het resultaat van de strijd of concurrentie om bronnen en beloningen (of: levenskansen).
Sociale ongelijkheid wordt dus door Weber opgevat als resultaat én grondslag van strijd/concurrentie om bronnen en beloningen (levenskansen). Situaties van gestructureerde sociale ongelijkheid bevatten daarom ook een hoog conflictpotentieel. Het gemeenschapshandelen dat door sociale uitsluiting van mededingers is ontstaan kan immers ook bij de uitgeslotenen die zich tegen sociale uitsluiting keren een overeenkomstig gemeenschapshandelen teweegbrengen [WG:201].
Sociale sluiting zouden we hier kunnen omschrijven als het proces waardoor bepaalde categorieën individuen worden uitgesloten van posities die beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en beloningen impliceren. Uitsluiting is een allocatief type van asymmetrische macht [Bader/Benschop 1988:349]. Bij uitsluitingsprocessen gaat immers niet om positionele ongelijkheid, maar om selectieve recrutering of allocatie.
| Home | Sociologen | Samenleven | Onderwerpen | Zoek | Over dit project | Contact |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam |