Home Economic Sociology Subject Areas Sociologists Zoek Contact

Transactiekosten in de Economische Sociologie

dr. Albert Benschop

  1. Het institutionele perspectief
  2. Gedragsmatige vooronderstellingen: 'the contractual man'
  3. Dimensies van transacties
  4. Micro-analyse van organisaties: efficiënt beheer
  5. Tussen markten en hiërarchieën
  6. Samenvattende kritiek
    6·1 Technische en praktische bezwaren
    6·2 Transactie: een onuitgewerkt begrip
    1. Primaire voorwaarden van transacties
    2. Centrale vooronderstellingen
    3. Wat is een transactie?
    4. Classificatie van transacties
    6·3 Efficiëntie: een omstreden concept
    1. Efficiency als probleem
    2. Vormen van efficiency
    3. De efficiency-theorie van Williamson
    4. Kritisch commentaar
    5. Illustratie: van putting-out naar fabriekssysteem
    6·4 Een institutionalist die macht negeert?
    6·5 Een nieuwe politieke economie van de informatie?
    6·6 Een institutionalist die actoren negeert?
    6·7 Een 'behavioral economist' die reïficeert?
    6·8 Een economie van de consensus?
    6·9 Een nieuwe versie van de liberale theorie?
  7. Conclusies

    Literatuur

Gepubliceerd: jan. 1996 — Laatst gewijzigd: 23 nov, 2017

 

6 Samenvattende kritiek

Het transactiekostenbenadering is een vruchtbaar perspectief voor de ontwikkeling van een economisch-sociologische organisatietheorie en voor de analyse van actuele ontwikkelingen van economische instituties. De bruikbaarheid van dit perspectief wordt echter vooralsnog beperkt door de zwaktes van en lacunes in de wijze waarop Williamson de transactiekostentheorie heeft uitgewerkt. In het voorafgaande zijn al een aantal punten van kritiek aan de orde geweest, die hier niet meer herhaald hoeven te worden. Ik zal eerst een aantal 'immanente' punten van kritiek behandelen. Dit zijn hoofdzakelijk technische en praktische kanttekeningen die gebruikt kunnen worden om de huidige TCE te verbeteren. Daarna zal ik een paar 'principiële' punten van kritiek naar voren brengen die haaks staan op de benadering van Williamson en dus uitnodigen tot een grondiger revisie.


6.1 Technische en praktische bezwaren

De transactiekosten economie is een nogal grove benadering. Ook Williamson [1985: 390] erkend (1) dat de modellen die hij gebruikt 'erg primitief' zijn, (2) dat de afwegingen onderontwikkeld zijn, (3) dat er serieuze meetproblemen zijn,(4) dat er te veel vrijheidsgraden zijn, en (4) dat zijn benadering aanleiding geeft tot instrumentalisme. Ik zal deze elementen afzonderlijk behandelen.
  1. Primitieve modellen
    De verklaringsmodellen die worden gebruikt zijn nogal primitief. Volgens Williamson kan dit gedeeltelijk worden verklaard door het feit dat er in vergelijkende institutionele analyses vaak slechts fundamentele onderscheidingen worden gemaakt waarmee alleen tamelijk eenvoudige vergelijkingen mogelijk zijn. Als men zijn verbale argumenten in een formeel model zou vertalen, zou er (te) veel verloren gaan. Natuurlijk moet men niet tegen elke prijs proberen te formaliseren. Dat neemt echter niet weg dat men door formaliseringen vaak gaten en ambiguïteiten te zien krijgt die men verbale argumentaties niet zijn opgevallen.

  2. Onderontwikkelde afwegingen
    Ik heb er al eerder op gewezen dat het referentiekader dat Williamson presenteert voor de afweging van productie- en transactiekosten tamelijk simpel is [§ 3.3]. Dit impliceert dat het voor empirische analyses maar beperkt bruikbaar is. Er zouden simultane afwegingen gemaakt moeten worden tussen de economie van de productiekosten, de transactiekosten en de organisatie- of beheersingskosten (voorzover deze niet opgaan in de transactiekosten).[1]

  3. Meetproblemen
    We hebben gezien dat de transactiekosten op drie aspecten beschreven kunnen worden: bronspecificiteit, frequentie en onzekerheid. Geen van deze drie aspecten is echter gemakkelijk meetbaar. De betrouwbaarheid van de empirische benaderingsmaatstaven die hiervoor geconstrueerd kunnen worden, is nogal laag. Zowel bij de ex ante als de ex post transactiekosten stuit men op grote kwantificeringsproblemen. Deze moeilijkheid wordt slechts gedeeltelijk verzacht door het feit dat transactiekosten altijd op een vergelijkende institutionele wijze worden beoordeeld, waarbij de ene contractvorm wordt vergeleken met een andere. De benadering van Williamson concentreert zich voornamelijk op de beoordeling van verschillen in transactiekosten en niet zozeer op de absolute omvang van transactiekosten [Williamson 1985:22]. In het empirisch onderzoek worden de transactiekosten bijna nooit direct gemeten. Het onderzoek concentreert zich veeleer op de vraag of organisationele relaties (contractuele praktijken, beheersingsstructuren) overeenkomen met de kenmerken van transacties zoals voorspeld door de transactiekostentheorie.

  4. Te veel vrijheidsgraden
    Alle voornoemde zwaktes en lacunes dragen ertoe bij dat in het verklaringsmodel van TCE met zeer veel vrijheidsgraden opereert. Dit heeft tot gevolg dat vooral bij de toepassing van deze theorie een aanzienlijk mate van willekeur ontstaat. Het achterliggende probleem is niet alleen dat de TCE inhoudelijk nog verder moet worden uitgewerkt - wat Williamson natuurlijk onderschrijft - maar ook en misschien wel voornamelijk dat er methodisch gezien met veel te eenvoudige causaliteitsmodellen wordt geopereerd. Williamson's denkwijze wordt sterk gekleurd door een voorkeur voor functionele causaliteiten. Voor modaliteiten van structurele causaliteit lijkt in zijn model geen plaats te zijn. De manier waarop hij zijn efficiency-argument voor de status quo presenteert, is hiervan het meest duidelijke bewijs.

  5. Instrumentalisme
    De TCE geeft aanleiding tot vergaande vorm van instrumentalisme. We hebben eerder gezien dat de menselijke actoren waarmee de TCE opereert sterk berekenende individuen zijn [zie § 2.2]. Dit heeft mijns inziens weinig te maken met het feit dat de economie nu eenmaal een wat berekenende en deprimerende wetenschap is, en ook niet zozeer dat Williamson een wat sombere of cynische blik heeft op 'de menselijke natuur' (natuurlijk niet 'zoals die is', maar 'zoals ervaren door Williamson'). Het gaat er veeleer om dat hij in zijn strategische handelingsanalyse een aantal systematische reducties inbouwt, die de fundamenten van zijn theorie verzwakken. Zijn 'onaantrekkelijke visie op de menselijke natuur' heeft weliswaar een aantal testbare implicaties, maar deze zullen zoals voorheen de toets van het empirische onderzoek niet overleven.

  6. Onvolledigheid
    De transactiekosten-economie is in meerdere opzichten onvolledig. Ik heb hiervan al een aantal voorbeelden genoemd. De meest opvallende lacunes zijn: (i) De meeste modellen zijn zeer partieel. (ii) Er wordt geen serieuze analyse gemaakt van de bronnen die in en door transacties kunnen worden overgedragen en het impliciete bronnenindeling is uiterst simpel en traditioneel. (iii) De bureaucratietheorie is zeer onderontwikkeld. Dit springt vooral in het oog als men de de literatuur over het marktfalen vergelijkt met die over het bureaucratische falen. (iv) De transactiekostentheorie wordt sterk benadrukt dat we zowel de ex ante als de ex post condities van contracten in het oog moeten houden en dus contractuele processen in hun geheel moeten analyseren. In de praktijk worden beide aspecten van contracten echter meestal gescheiden behandeld.
Er moet dus nog veel werk worden verzet, wil de transactiekosten benadering werkelijk het predicaat 'theorie' verdienen. Op alle genoemde punten is de transactiekosten benadering vatbaar voor nadere preciseringen en uitwerkingen. Het program van Williamson bevat echter ook een diverse elementen die zo'n uitbouw van de theorie in de weg staan en die derhalve uit het programma geschrapt zouden moeten worden. Dit geldt in de eerste plaats voor al uitvoerig bekritiseerde gedragsmatige vooronderstelling van het opportunisme. De analytische en kritische mogelijkheden van de transactiekosten benadering zouden mijns inziens aanzienlijk versterkt worden wanneer men deze premisse laat varen en in plaats daarvan zou uitgaan van een niet-raductionistische strategische handelingsanalyse zoals ik deze eerder heb bepleit. Economen of sociologen die per sé vast willen houden aan deprimerende visies op 'de menselijke natuur' kunnen per slot van rekening altijd nog naar de kroeg gaan om een publiek te vinden voor hun negatieve antropologieën.

Index


6.2 Transactie: een onuitgewerkt begrip

Het concept van transacties is een steeds belangrijker thema in economische [Goldberg 1980; Williamson 1975; Dahlman 1979], sociologische [White 1978] en organisationele studies [Ouchi 1980; Williamson 1981, 1985]. Om de transactiekosten-analyse van organisationele vormen vruchtbaar toe te passen, zou het begrip transactiekosten scherper moeten worden afgebakend. Bovendien zouden we een veel duidelijker beeld moeten krijgen van de wijze waarop transacties gerelateerd zijn aan of vertaald worden in een structuur van verschillende organisationele vormen. De kernvraag is en blijft of het mogelijk is een analyse-eenheid (transacties) te identificeren die gemeenschappelijk is voor alle organisationele vormen, en die in staat is om specifieke structurele eigenschappen te genereren onder verschillende organisatiewijzen?

We hebben gezien dat transactiekosten een centrale rol spelen in de nieuwe institutionele economie. Toch heeft deze notie pas recent de theoretische en empirische aandacht gekregen die zij verdient. Kijkt men naar het werk van Williamson (en ook van Ouchi) dan valt onmiddellijk op dat zij geen expliciete definitie geven van het begrip transactie. Daarom zal ik hier iets uitvoeriger op ingaan. Ik behandel eerst (a) een aantal primaire voorwaarden voor transacties en transactionele relaties. Daaruit kunnen vervolgens (b) een aantal centrale vooronderstellingen over de aard van de transacterende partijen worden afgeleid. Hiermee wordt de weg vrijgemaakt voor (c) een inhoudelijke definitie van transacties. En ik besluit met een paar notities over (d) de manier waarop transacties kunnen worden geclassificeerd.

a Primaire voorwaarden van transacties
Wat zijn transacties? Een definitie van van transacties vereist in de eerste plaats dat we een aantal (onderling verbonden) vooronderstellingen maken die aangeven onder welke primaire condities zich transacties voordoen. Leblibici [1985:101] noemt vier primaire voorwaarden waaronder transacties en transactionele relaties bestaan:

  1. De verdeling van bestaande bronnen en beloningen kan alleen door ruil worden gerealiseerd. Er moet dus een bepaalde vorm van arbeidsdeling bestaan die deze ruil noodzakelijk maakt. Directe bilaterale of reciproke ruil is echter niet noodzakelijk zolang zolang de ruil zich in cycli en op een regelmatige wijze voordoet [Macneil 1974].[2]
  2. Elke partij moet een besef van keuze hebben, ongeacht de mate van sociale controle, die de transacties tot op zekere hoogte vrijwillig maken.
  3. Er moet een besef van verleden, heden en toekomst bestaan. Wanneer dit besef niet aanwezig zou zijn, zouden de transacterende partijen niet in staat zijn om ruil in de toekomst te projecteren.
  4. Er moet worden verondersteld dat de toekomst onzeker is. Elke transactie die ruil in de toekomst projecteert, is noodzakelijk onzeker in waarde en uitkomst.

b Centrale vooronderstellingen
Vanuit deze primaire voorwaarden kunnen een drietal centrale vooronderstellingen worden afgeleid over de aard van de transacterende partijen:

  1. Gegeven de conditie van beperkte rationaliteit wordt verondersteld dat de transacterende partijen onvolledige informatie hebben over het verleden en heden.
  2. Gegeven de derde en vierde primaire voorwaarden wordt verondersteld dat toekomstige uitkomsten onzeker zijn. De transacterende partijen hebben een onzeker toekomstbeeld. Door de ongelijktijdigheid tussen de levering van prestaties en tegenprestaties wordt er in unilaterale transacties een risico geïntroduceerd voor de partij(en) die bronnen moeten investeren voordat zij iets ontvangen.
  3. Er wordt verondersteld dat de partijen hun eigen belangen nastreven en dat hierdoor belangenconflicten ontstaan die door herhaalde transacties in een onderhandelde orde worden getransformeerd. De conditie van 'opportunisme' zoals deze door Williamson wordt gehanteerd, is niet noodzakelijk, wel die van 'particularisme'.

c Wat is een transactie?
Met deze omschrijving van primaire voorwaarden van transacties en van de aard van de transacterende partijen is nog geen antwoord gegeven op de vraag wat een transactie is. De meeste auteurs gaat ervan uit dat een transactie de uitkomst is van twee sociale entiteiten in een ruilsituatie.[3] Dit lijkt zo vanzelfsprekend dat men verder geen moeite meer doet om het begrip verder af te bakenen.

Pareto Optimaliteit
'Pareto optimaliteit' vereist dat niemand er beter van kan worden zonder iemand anders er slechter van wordt. Deze economische efficiëntie opvatting staat in contrast met de opvatting van 'technische efficiëntie'. Technische efficiëntie vereist dat er niet meer van een bepaalde output geproduceerd kan worden zonder minder van een andere output te produceren (hierbij worden inputs als negatieve outputs behandeld).
Een sociale toestand wordt als 'Pareto optimaal' omschreven wanneer en voorzover niemands utiliteit verhoogd kan worden zonder de utiliteit van iemand anders te reduceren. Uiteraard is dit slechts een beperkt succescriterium: een toestand waarin veel mensen in extreme armoede verkeren en anderen in weelde baden kan Pareto optimaal zijn, zolang het levenslot van de armen niet verbeterd kan worden zonder de luxes van de rijken te verminderen. Zie voor een kritische behandeling van de Pareto optimaliteit: Sen [1987/92:31 e.v.].
Voor John Commons was dit echter niet zo vanzelfsprekend. Hij benadrukt dat de onderkenning van de toekomstige waarde en het belangenconflict het nodig maken een onderscheid te maken tussen actuele en potentiële transacties. Een actuele (voltooide) transactie doet zich uiteraard voor tussen twee partijen, maar een potentiële transactie vereist minstens vijf partijen. In een marktsituatie hebben we minstens twee potentiële kopers en verkopers nodig om de toekomstige waarde van een transactie te bepalen en om het ruilproces te begrijpen binnen de grenzen van kansen en machten van elk van de ruilende partijen. In een typische transactie verkeert elke partij in de positie om alternatieven te overwegen en de mate van macht die binnen de grenzen van deze alternatieven kan worden uitgeoefend [Commons 1924:67]. Omdat elke actuele transactie een uitkomst is van een potentiële transactie, vereist elke transactie op z'n minst vier partijen. Vier partijen zijn noodzakelijk om voor een efficiënte allocatie van bronnen te zorgen. In termen van Pareto optimaliteit: toekomstige ruilwaarde indiceert een evenwichtspunt waar de verwachtingen van de vier partijen convergeren.

Vier gescheiden partijen zijn echter niet voldoende om een transactie te constitueren. Elke transactie brengt toekomstige waarden en toekomstig gedrag met zich mee. Bovendien wordt verondersteld dat de transacterende partijen hun eigen belangen nastreven en dat er belangenconflicten bestaan en onzekere vooruitzichten. De overeenkomsten die door de partijen worden bereikt, zijn daarom nooit zelfbekrachtigend. Wanneer partijen in staat zijn om vrijelijk contracten aan te gaan en te verbreken, vertonen alle transacties een element van onzekerheid. Deze onzekerheid maakt transacties instabiel en dus logisch onwerkbaar. Er moet een garantie worden ingebouwd, d.w.z. er moet een vijfde partij zijn die in staat is om controverses/disputen te op te lossen, met de hulp van de gecombineerde macht van de groep waartoe de vijf partijen behoren [idem:67]. Een transactie is dus niet het product van ruil tussen twee partijen, maar een product van de collectieve actie van vijf partijen, welke beperkt wordt door de collectieve regels van de groep.[4] Deze begripsmatige beschrijving kan gebruikt worden om de door Williamson voorgestelde concepten van 'kleine aantallen' en 'opportunisme' te herinterpreteren.

Transactie is een unieke analyse-eenheid voor het begrip van de aard van organisationele vormen omdat het de elementen van tijd en ruimte omvat, en regels en bronnen incorporeert - de structurele eigenschappen van transacties. "A transaction, then, involving a minimum of five persons, and not an isolated individual, nor even only two individuals, is the ultimate unit of economics, ethics and law" [Commons 1922: 68]. Deze ultieme, maar complexe relatie tussen partijen maakt niet alleen de keuze van kansen mogelijk, maar ook de uitoefening van macht en de associatie van individuen in georganiseerde collectieve entiteiten. Transactie kan dus worden gedefinieerd als een proces waarbinnen de toekomstige waarde van ruil wordt bepaald, de voor de partijen beschikbare bronnen worden geallokeerd, en de rechten en verplichtingen van de partijen m.b.t. toekomstig gedrag worden gespecificeerd binnen het kader van collectieve regels die het transactieproces constitueren en reguleren [Leblici 1985:103].

d Classificatie van transacties
Een classificatie is nodig om het proces van transactie te beschrijven en de begripsmatige verschillen tussen transacties die in alternatieve organisationele vormen tot stand komen te begrijpen. Er zijn minstens twee manieren waarop transacties geclassificeerd kunnen worden. De eerste is gebaseerd op de waarschijnlijkheid dat een transacties wordt voltooid, en de tweede op de aard van de juridische relatie tussen de transacterende partijen.

  1. Waarschijnlijkheid van voltooiing. Als men kijkt naar de kans dat transacties worden voltooid kan een onderscheid worden gemaakt tussen actuele, potentiële, mogelijke en onmogelijke transacties. Actuele transacties zijn transacties tussen partijen die actueel de ruilrelatie voltooien. Potentiële transacties zijn transacties die zich al dan niet kunnen voordoen omdat de partijen bereid zijn om te ruilen, maar dit nog niet gedaan hebben. Mogelijke transacties zijn transacties die zich kunnen voordoen wanneer zich omstandigheden voordoen die de partijen bijeen brengen om te onderhandelen. Onmogelijke transacties zijn transacties die zich niet kunnen voordoen gegeven ruimtelijke en temporele beperkingen.
  2. Aard van juridische relatie. Het tweede classificatieschema is gebaseerd op de aard van de juridische relatie tussen de transacterende partijen. Het onderscheidende kenmerk is daarbij of de partijen juridisch gelijk zijn in hun autonomie. Wanneer een transactie zich voordoet tussen juridisch autonome en gelijke partijen partijen kan deze worden aangeduid als een geautoriseerde transactie. Transacties die zich voordoen tussen juridisch ongelijke partijen, zoals tussen een staat en haar burgers, of een toezichthouder en een ondergeschikte, worden autoritaire transacties genoemd. Zowel geautoriseerde als autoritaire transacties worden gereguleerd door werkregels die grenzen stellen en richting geven aan het gedrag van de partijen. Dit geldt niet alleen voor juridische transacties die door de regels van de wet worden geleid, maar ook voor zakelijke transacties door door de gemeenschappelijke regel van zakelijk gedrag worden geleid en voor sociale transacties die door sociale normen worden geleid.

Het analytisch onderscheid tussen geautoriseerde en autoritaire transacties is van groot belang omdat daarmee een onderscheid kan maken tussen marktmatige en hiërarchische transacties. Geautoriseerde transacties doen zich voor in de markt: het onderhandelingsproces en de gelijke juridische machten van de partijen (hun vermogen om informatie en bronnen te controleren) garanderen een efficiënte allocatie van bronnen en vergemakkelijken de bepaling van de toekomstige waarde van transacties. In geautoriseerde transacties worden de allocatie van bronnen en specifieke rechten en verplichtingen van de transacterende partijen (hun verwachte toekomstige gedrag) gelijktijdig bepaald. In autoritaire transacties, die hiërarchisch van aard zijn, worden deze twee activiteiten gescheiden zodat de bronallocatie en het beheer van transacties onafhankelijk van elkaar kunnen worden uitgevoerd. Door dit scheidingsproces ontstaan twee subklassen van autoritaire relaties: (1) 'managerial transactions' die refereren aan het beheer van een transactie tussen een superieur en ondergeschikte (het vermogen om commando over personen uit te oefenen), en (2) 'rationing transactions' die refereren aan de allocatie van bronnen door een of andere geautoriseerde superieure macht (het vermogen om commando over objecten uit te oefenen). Voorbeelden van 'managerial transactions' zijn de standaard activiteiten van managers zoals leiding geven en controleren, die gebaseerd zijn op een hiërarchische gezagsstructuur.

Index


6.3 Efficiëntie: een omstreden concept

Bijna alle economen en sommige organisatietheoretici beweren dat het bij organisaties gaat om efficiency; de meeste sociologen en andere organisatietheoretici beweren dat het bij organisaties vooral gaat om macht. Het centrale thema van de 'New Institutional Economics' is efficiency. Het kernidee is dat een institutie bestaat omdat en zolang deze efficiënt is. Hiertegen kunnen een aantal bezwaren worden ingebracht. Ik ga eerst in op een aantal algemene problemen rond het efficiency-begrip, daarna bekritiseer ik de wijze waarop Williamson het efficiency-begrip hanteert.

a Efficiency als probleem
Niet alleen 'macht' maar ook 'efficiency' is een fundamenteel omstreden begrip. Efficiëntie is een multi-dimensionaal en zeer elastisch begrip. In een zeer algemene zin kan efficiëntie worden gedefinieerd als de maximalisering van de verhouding van output ten opzichte van inputs (of simpel gezegd: doelmatigheid in de zin van tegengaan van verspilling van tijd, energie, materiaal, kosten). De kernvraag is: hoe vindt een optimale allocatie van de schaarse bronnen over alternatieve aanwendingen plaats? Wanneer bronnen optimaal geallokeerd zijn, zeggen we dat zij efficiënt gebruikt zijn.

Efficiëntie en ook effectiviteit zijn voor de organisatietheorie zeer centrale begrippen. Daarom is het van belang deze begrippen nauwkeuriger af te bakenen. De term efficiëntie refereert aan een bepaalde verhouding tussen middelen (input, kosten) en doelen (output, baten). Efficiëntie is dus een relationele categorie. De mate van efficiëntie van productieve activiteiten kan gemeten worden door de middelen met de doeleinden te vergelijken. Efficiëntie wordt dus uitgedrukt als een ratio tussen de kosten van de middelen (input) en waarde van de baten (output). In het algemeen geldt: arbeidsprocessen worden efficiënter in de mate dat een gunstiger rekenkundige verhouding tussen input en output ontstaat. Efficiëntie kan dus worden gedefinieerd als een relatief gunstige verhouding tussen output/doel/baten en de input/ middelen/kosten. Ofwel:

efficiëntie = (output/doel/baten) / (input/middelen/kosten)

De mate van efficiëntie van een arbeidsproces kan dus worden uitgedrukt de relatieve hoogte van deze ratio. De beide elementen van deze vergelijking kunnen onafhankelijk van elkaar toenemen, gelijk blijven of afnemen. Wanneer men beide dimensies met elk drie waarden tegen elkaar afzet, krijgt men een matrix met negen cellen.[5]

Figuur 5 Logische mogelijkheden van doel-middel-ratio

Bron: Slootman [1993]

Er zijn dus in principe negen logische variatiemogelijkheden van de verhouding tussen input/uitput resp. middel/doel. De logische mogelijkheden die tussen ronde haken staat leiden onder geen enkele omstandigheid tot verhoging van de ratiowaarde. De logische mogelijkheden tussen vierkante haken leiden alleen onder bepaalde voorwaarden tot verhoging van de ratiowaarde. De logische mogelijkheden zonder haken leiden onder alle omstandigheden tot verhoging van de ratiowaarde.

Vier van deze negen mogelijkheden kunnen onder geen enkele omstandigheid leiden tot verhoging van de ratiowaarde en dus tot efficiëntieverbetering: de ratiowaarde neemt af door verandering van de teller of noemer of van beide. Er blijven dus vijf logische mogelijkheden over die tot een verhoging van de ratiowaarde en daarmee tot efficiëntieverbetering kunnen leiden. Voor twee daarvan (de eerste en laatste cel) geldt dit alleen onder bepaalde - nog nader te specificeren - voorwaarden.

  1. Het verlagen van de ingezette middelen (input) bij gelijkblijvende omvang van het arbeidsresultaat (output). Ik zal dit verlaagde input-efficiëntie noemen (of symbolisch: I-efficiëntie).
  2. Het vergroten van het arbeidsresultaat (output) tegen dezelfde inzet van arbeidsmiddelen (input) resp. tegen dezelfde kosten van de ingezette bronnen. Ik zal dit verhoogde output-efficiëntie noemen (of symbolisch: O-efficiëntie)
  3. Het vergroten van het arbeidsresultaat (output) tegen een kleinere inzet van arbeidsmiddelen (input) resp tegen lagere kosten van de ingezette bronnen. Ik zal dit input-output-efficiëntie noemen (of symbolisch: I/O-efficiëntie).
  4. Het gelijktijdig toenemen van input en output waarbij de eerste factor in verhouding sterker toeneemt dan de laatste. Ik zal dit expansieve conditionele efficiëntie noemen (of symbolisch: I/O+-efficiëntie)
  5. Het gelijktijdig afnemen van input en output waarbij de eerste factor in verhouding sterker afneemt dan de laatste. Ik zal dit contractieve conditionele efficiëntie noemen (of symbolisch: I/O--efficiëntie).

Bij effectiviteit gaat het om de mate waarin een specifiek doel door een bepaald middel (bronnen of activiteiten) wordt of kan worden bereikt. Doeltreffendheid is slechts een synoniem van feitelijke effectiviteit. Doelmatigheid is een synoniem voor potentiële effectiviteit. Een hamer is bijvoorbeeld een doelmatig instrument voor het timmeren van een tafel, d.w.z. het is als zodanig geschikt voor het doel waarvoor het is gemaakt. In welke mate een hamer ook doeltreffend is, hangt o.a. af van de wijze waarop deze wordt gebruikt (kundig of niet) en van de combinatie met andere instrumenten (een zaag, spijkers of schroeven enz.).

Terwijl efficiëntie altijd betrekking heeft op de verhouding tussen doel en middel heeft het effectiviteitsbegrip eenzijdig betrekking op doelrealisatie of het vermogen daartoe. Bij efficiëntie wordt altijd gevraagd naar de meer of minder gunstige rekenkundige verhouding tussen input en output; bij effectiviteit wordt gevraagd naar de mate waarin een bepaalde input (een bron of activiteit) het gestelde doel heeft bereikt (doeltreffendheid) of kan bereiken (doelmatigheid). De begrippen efficiëntie en effectiviteit hebben dus een verschillende reikwijdte. Efficiëntie is een omvattender begrip dan effectiviteit: efficiëntie is 'effectiviteit in verhouding tot kosten'.

b Vormen van efficiency
De ideeën over technische en allocatieve efficiency (die gebaseerd zijn op het Pareto-criterium), zijn in de laatste jaren aangevuld met meerdere aspecten van efficiency. Zie bijvoorbeeld het onderzoek van Harvey Leibenstein [1976] over de X-efficiency. Hij laat zien dat er een 'motivationele inefficiëntie' kan ontstaan omdat er geen vaste relatie bestaat tussen inputs en outputs: 'technische efficiëntie' [of: het bereiken van de transformatiegrens] is veel meer dan een eenvoudige oorzaak en gevolgrelatie tussen de omvang van inputs en outputs. Zowel allocatieve efficiency als X-efficiency zijn statische concepten. Efficiency is gerelateerd aan een gefixeerde hoeveelheid bronnen en gefixeerde preferenties.[6] Het belangrijkste ingrediënt voor een analyse van dynamische efficiëntie is het vermogen om te gaan met onzekerheid in the Knightiaanse zin (d.w.z. in tegenstelling tot calculeerbaar risico).[7] Een organisatie die optimaal is aangepast aan zijn huidige omgeving is zeker niet per definitie ook een organisatie die het meest geschikt is zich aan veranderingen van die omgeving aan te passen. Daarbij moeten een aantal afwegingen worden gemaakt: bijvoorbeeld afwegingen tussen tussen progressie en specialisatie, tussen efficiency en duurzaamheid, en tussen dynamische efficiency en 'excess capacity' (ballastvermogen) [Klein 1977, ch. 3]. Er bestaat niet alleen efficiëntie in reactie op verandering van omgevingen, maar ook efficiëntie in het beïnvloeden van de omgeving om de doelen van de organisatie te dienen. Niet alleen de omgeving en het organisationele gedrag veranderen, maar ook de structuur kan een variabele zijn. Het vermogen van een organisatie om haar structuren aan te passen aan omstandigheden wordt 'adaptieve efficiency' [Marris/ Mueller 1980] of procedurele efficiency [Leblebici 1985] genoemd. Tenslotte kan er een onderscheid worden gemaakt 'materiële' en 'psychische' efficiency, afhankelijk van de vraag of er efficiëntie bestaat in de allocatie van niet-monetaire voordelen en nadelen. [McGuinness 1983:183]. Deze diverse paren van dichotomieën sluiten elkaar niet allemaal uit en voegen waardevolle elementen toe aan het efficiencybegrip.

Voordat ik uitvoeriger inga op Williamson formuleer ik een paar algemene (plaatsbepalende) stellingen.

c De efficiency-theorie van Williamson

"we urge that efficiency analysis be made the centrepiece of the study of organisational design" [Williamson/Ouchi 1983:30].

We hebben gezien dat Williamson een efficiency-verklaring geeft van de ontwikkeling van organisationele vormen in de maatschappij: organisaties ontstaan en overleven omdat zij lagere transactiekosten met zich meebrengen dan bekende alternatieve vormen. Maar hij merkt ook op dat een enge efficiency-theorie niet voldoende is om organisationele ontwikkelingen in alle omstandigheden te verklaren.

  1. Zijn centrale stelling formuleerde Williamson al in Markets and Hierarchies [1975]. Ook in dat boek concentreert hij alle aandacht op vergelijkende institutionele keuzes. Praktisch alle organisatievormen vertonen fricties (wrijvingen, spanningen). Deze fricties kunnen echter minder worden wanneer men de transacties naar een alternatieve organisatievorm verschuift. Wanneer transacties verschuiven van een marktmatige naar een ondernemingsgewijze organisatievorm is er sprake van 'marktfalen'. En wanneer het omgekeerde gebeurt, is er sprake van 'organisationeel falen' [Williamson 1975:20].[8] Hij voegt daar nog iets belangrijks aan toe: wanneer transactiekosten uit de markt worden gezeefd, betekent dit niet (per definitie) dat daaraan altijd marktfalen ten grondslag ligt.
    "Transactions are sometimes shifted out of a market into a firm because the firm thereby realises a strategic advantage over actual and potential rivals and in relations to customers" [Williamson 1975: 20 - noot 1].
    Er zijn dus andere dan efficiency-overwegingen die een rol spelen bij de omgang met transactiekosten. Williamson beweert echter tevens dat dergelijke monopolie-prikkels "zeker niet de belangrijkste reden zijn voor het vervangen van door markten gemedieerde transacties".[9] Kortom: bij de bepaling van de organisatievormen spelen monopolie-prikkels wel een rol , maar de efficiency-prikkels zijn sterker.

  2. In zijn bespreking van efficiency-verklaringen van actuele organisatievormen probeert Williamson het perspectief iets te verbreden. Daarom refereert hij herhaaldelijk aan het concept van 'atmosfeer'. Hij onderkent dat alternatieve vormen van economische organisatie tot verschillende ruilrelaties leiden, en dat deze relaties zelf op een bepaalde wijze worden gewaardeerd. Dit vereist echter dat men organisationele effectiviteit breder opvat dan de gebruikelijke efficiency-berekening voorschrijft. Omdat mensen voorkeur hebben voor een bepaalde atmosfeer kunnen zij in de verleiding komen om materiële winst op te geven in ruil voor niet-monetaire bevredigingen, wanneer de organisatievormen of praktijken als onderdrukkend of verwerpelijk worden ervaren. De discussie over 'atmosfeer' roept echter een reeks sociaal-politieke thema's op die door Williamson verder niet worden besproken [Williamson 1975:38-9]. Dit is een typisch voorbeeld van een gemiste kans.

Gemiste kans
De organisationele 'atmosfeer' zou systematisch in het transactiekostenmodel kunnen worden geïntegreerd. Een slechte organisationele atmosfeer wordt immers meestal geïndiceerd door een relatief laag motivatieniveau van organisatieleden en door een geringe identificatie met de dominante organisationiedoelen. Bovendien kan worden verondersteld dat er een negatieve correlatie bestaat tussen de beheersingskosten van een organisatie en de prestatie- en aspiratieniveaus van haar leden. Simpel gezegd: een slechte bedrijfsatmosfeer brengt hogere beheersingskosten met zich mee.

Op deze wijze is het mogelijk om (wezenlijke aspecten van) de 'organisatiecultuur' in het transactiekostenmodel te incorpereren. Williamson's critici hebben gelijk wanneer zij beweren dat er in zijn model geen systematische plaats is ingebouwd voor de culturele en symbolische aspecten van de bedrijfsorganisatie. Maar zij geven helaas nooit aan op welke wijze men het culturele perspectief zou kunnen integreren in of betrekken op een transactiekosten perspectief. Zij beperken zich meestal tot de nogal lapidaire verklaring dat de organisatiecultuur belangrijk is en dat daaraan aparte aandacht besteed zou moeten worden, liefst in de vorm van een eigensoortige theorie van organisatieculturen. Dat organisatieculturen van belang zijn is echter - ook aan Williamson! - bekend. Het spannende probleem is of men een organisationeel verklaringsmodel kan construeren waarin wordt aangegeven hoe (op welke punten en op welke wijze) transactiekosten economische en culturele structuren en processen op elkaar ingrijpen. Ik wil niet beweren dat het transactiekostenmodel het meest aangewezen kader biedt om dit lastige probleem op te lossen. Mijn stelling is dat het transactiekosten analyse op dit punt voor een systematische uitbreiding vatbaar is.

Williamson is zich dus wel bewust van het feit dat er een bredere reeks sociaal-politieke thema's bestaat die het efficiency-begrip modificeren of relativeren. Zijn hele aandacht gaat echter uit naar de vergelijkende transactionele efficiëntie in de enge (materiële) zin van het woord 'efficiency'.

Williamson onderkent dat de diverse organisatiewijzen soms aanzienlijk verschillen in atmosferisch opzicht en dat verschillen tussen een berekenende en quasi-morele 'betrokkenheid' relevant zijn. Dit geldt met name voor transacties die invloed hebben op concepten van zelfrespect en/of collectief welzijn. Williamson onderkent tevens dat internationale productiviteitsverschillen tussen landen met gelijksoortige technologieën gedeeltelijk verklaard kunnen worden door verschillen in vertrouwen (waardoor ruil wordt vergemakkelijkt of geblokkeerd). Anders gezegd: "Transactional attitudes are greatly influenced by the sociopolitical system in which exchange takes place" [Williamson 1975:39]. Tenslotte erkent hij ook dat pogingen om de arbeidshouding in onderdelen op te splitsen en ze elk gescheiden te beoordelen in strikt calculerende, instrumentele termen voor sommige individuen contraproductieve gevolgen kan hebben [idem:257]. De reden dat mensen niet alle markttransacties neutraal beschouwen worden slechts kort aangestipt:

  1. individuen zijn in het algemeen niet schizofreen ten aanzien hun economische en niet-economische identiteit.
  2. individuen brengen de houdingen en ervaringen die zij opdoen in niet-marktsituaties mee naar de werkplek.
  3. individuen verzetten zich wanneer zij op een volledig instrumentele manier worden behandeld. Zij beschouwen transacties niet zozeer in strikte quid pro quo termen, waarbij iedere rekening afzonderlijk vereffend moet worden. Zij zoeken veeleer naar een gunstige balans van een gecombineerde reeks transacties.
Samengevat: Williamson koppelt het ontstaan van een organisationele vorm in plaats van een andere aan een bepaald (niet nader gespecificeerde) combinatie van drie elementen: de superieure materiële productiviteit (lagere transactiekosten), het realiseren van strategisch voordeel over individuen buiten de organisatie (rivalen of klanten), of superieure psychische productiviteit, ondanks inferieure materiële productiviteit. De tweede reden wordt expliciet een minder belangrijke rol toegekend, de derde reden krijgt per definitie een mineure rol.

d Kritisch commentaar
Wat voor soort efficiency ligt in het werk van Williamson besloten? Williamson houdt zich in eerste instantie en vooral bezig met werkelijke kostenminimalisering, en dus met het bereiken van posities in de 'transformation frontier'. Hij legt daarbij de nadruk op de aanpassing van de structuur aan een statische omgeving: wanneer de omgeving permanent verandert, dan is Williamson's methode voor het testen van zijn theorie onmogelijk [vgl. de kritiek van Turk 1983:193]. In principe omvat Williamson's concept van efficiency alle vormen van materiële statische efficiëntie.

Williamson is in bepaalde situaties bereid om het ontstaan van een specifieke organisationele vorm te verklaren uit andere dan niet-monetaire voordelen. Dit suggereert dat men ook met een breder begrip van efficiëntie zou kunnen werken waarin bijvoorbeeld ook rekening wordt gehouden met 'psychische' efficiency (zodat bevredigingen worden gekoppeld aan monetaire en niet-monetaire beloningen). Een verandering van de ene organisatievorm naar een andere kan leiden tot een netto verbetering of netto verslechtering van elke bevredigingsbron (eventueel: psycho-sociale efficiency). De meeste elementen van psychische efficiency worden als 'intrinsiek subjectief' en 'niet-operationeel' beschouwd. Daarom veronderstelt Williamson dat psychische kosten en baten worden gereflecteerd in factor beloningen. Hiermee wordt de verklarende kracht van de benadering verzwakt, omdat het bereiken van psychische efficiency tautologisch is, gegeven de materiële efficiency. Zodra men het begrip efficiency uitwerkt, wordt de methodologische eenvoud van Williamson's benadering aanzienlijk kleiner. Het gevaar van circulariteit is hier zeer groot: "if it is competition which defines the qualities of efficient organisations, then we cannot argue that competition is or is not effective in taking into account subjective costs" [Turk 1983:194].

Williamson gelooft dat hij een relatief waardevrije concept van efficiency hanteert. De normatieve bias in Williamson's analyse is dat hij volledig voorbijgaat aan de vraag wiens plannen in de werkelijke wereld de bron van organisationele veranderingen zijn. Zonder dergelijke overwegingen is het onmogelijk om de typische intentie van een plan vast te stellen dat deze veranderingen teweegbrengt. Bovendien gaat hij voorbij aan de vraag hoe een bepaalde verandering in de totale (monetaire en niet-monetaire) winsten of verliezen worden verdeeld over de leden van de organisatie. Williamson concentreert zich volledig op de efficiency van totale systemen en negeert de distributieve aspecten daarvan. Williamson opereert (impliciet) met de notie van 'systeembelangen'; hij maakt geen analyse van de belangen van de afzonderlijke partijen bij de transactie. Hij veronderstelt dat nieuwe organisationele vormen op den duur niet kunnen overleven wanneer daarbinnen een groep is die slechter af is dan voor de verandering. Waarschijnlijk is deze vooronderstelling gebaseerd op het geloof dat er altijd een oplossing gevonden kan worden voor het probleem van het vereiste mengsel van organisatiestructuren. D.w.z. van organisatiestructuren die variëren in de intensiteit waarmee arbeidsprestaties worden gemeten, zodat individuen de kans hebben om een goede afweging te maken tussen hun betrokkenheid en productiviteit [Williamson 1975:55]. Williamson is zeer optimistisch over de wederzijdse voordelen van organisationele evolutie.[10]

We hebben gezien dat de TCE gedeeltelijk gebaseerd is op dezelfde vooronderstellingen als die in de neoklassieke economie worden gebruikt. Toch wordt de term 'efficiency' door Williamson op een heel andere manier gebruikt (Leblebici 1985:100 heeft hierop als eerste gewezen). In de neoklassieke benadering wordt een exclusieve nadruk gelegd op de efficiëntie van uitkomsten en wordt verondersteld dat de processen waardoor deze uitkomsten worden bereikt niet door de transacterende partijen worden gewaardeerd. De TCE is meer procesgericht en legt daarom het accent op de vraag van de aanpassing aan verstoorde evenwichten [Gruchy 1973]. De neoklassieke benadering is een marktgerichte evenwichtsanalyse. De TCE veronderstelt dat inefficiëntie leidt tot aanpassingsinitiatieven die leiden tot kostenminimalisering. Deze procedurele efficiëntie bij het aanpassen aan onzekere en veranderende omgevingsvoorwaarden kan worden bereikt door aanpassingen binnen een gegeven organisatiewijze of door het veranderen van de bestaande organisatiewijze door een andere structuur.

De TCE is in Williamson's handen vooral een efficiency argument voor de huidige stand van zaken, en hij wijkt daarin niet substantieel van van de meeste 'mainstream economic theories'. De opkomst van giga-organisaties in sommige industrieën wordt opgevat als de meest efficiënte wijze om goederen te produceren voor een industriële maatschappij. Kapitalisme en vrije markt produceren het meest efficiënte systeem, zelfs als de markt wordt vervangen door hiërarchieën.

e Illustratie: van putting-out naar fabriekssysteem
In de visie van Williamson kan de transformatie van het putting-out systeem in het fabriekssysteem volledig worden verklaard door de efficiency prikkel: "a pernicious scheme to divide and conquer is not needed to reach those results" [Williamson 1985: 232].[11] Het ontstaan van deze nieuwe organisationele vorm had echter zeer weinig te maken met een vergroting van de omvang van de 'koek' ten voordelen van iedereen, maar alles met het feit dat de kapitalisten een groter aandeel van de koek kregen ten koste van de arbeiders. Het succes van het fabriekssysteem heeft "little or nothing to do with the technological superiority of large-scale machinery. The key to the success of the factory, as well as its inspiration, was the substitution of capitalist' for workers' control and the production process: discipline and supervision could and did reduce costs without being technologically superior" [Marglin 1975:34]

Marglin maakt duidelijk dat de distributieve effecten van elke organisationele veranderingen een prominente rol spelen. Wat ook de andere gevolgen van de verandering naar het fabriekssysteem waren, de kapitalisten kwamen er uiteindelijk beter vanaf dan onder het putting-out systeem. De fabriekslonen voor de wevers ('handloom weaving') waren hoger dan de lonen die voor hetzelfde werk verdiend werden dat in de krotten van de arbeiders werd verricht. Deze hogere lonen waren een "beloning voor het zich onderwerpen aan fabriekstoezicht en discipline" [Marglin]. Het fabriekssysteem leverde voor de arbeiders minder niet-monetaire bevrediging op dan het putting-out systeem. Arbeiders hadden nauwelijks opties om uit de fabrieken te treden, zelfs al waren ze daar 'worse off', omdat de geprefereerde organisationele vorm (cottage industry) niet meer beschikbaar was.

"Where alternatives to factory employment were available, there is evidence that workers flocked to them. Cottage weaving was one of the few, perhaps the only important, ready alternative to factory work for those lacking special skills ... However, the bias of technological change towards improvements consistent with factory organisation sooner or later took its toll of alternatives, weaving included. ... Where this alternative was not available, the worker's freedom to refuse factory employment was the freedom to starve" [Margling 1975:51-2].

Marglin interpreteert het verbod van handmolens in het feodale Engeland als een uitoefening van macht en een manifestatie van klasseconflict. Hij beschouwt handmolens als technologisch gelijkwaardig aan watermolens [Marglin 1974:55-8]. Williamson [1985:233] probeert deze visie te weerleggen en wijst hiervoor op twee problemen: (1) Indien de watermolens alleen 'policing benefits' zouden hebben en geen technologische voordelen boven handmolens, dan zou het meer voor de hand hebben gelegen om alle handmolens op een centrale lokatie te concentreren en aan te dringen dat zij daar gebruikt zouden worden. Voorzover handmolen 'verzonken kosten' waren, zou investering in nieuwe uitrusting daarmee vermeden worden. (2) Het beoordelen van de keuze tussen maaltechnieken in termen van technologie versus macht is onacceptabel wanneer er verschillen in transactiekosten in het geding zijn.

De transactiekosten van beide maaltechnieken kunnen worden verbonden met het lokale handmatig malen van het graan. (i) De actuele beloning verschilt van gerapporteerde beloning ten gunste van de boeren die bereid zijn om het meest te liegen, bedriegen en stelen. Een dergelijk beloningsstelsel werkt met averechtse selectieprikkels. (ii) Het verduisteren van graan lokt van de kant van de heren beschermende maatregelen; deze 'policing' is kostbaar en moet in de sociale calculatie worden meegenomen. Dit wil niet zeggen dat prestatiemeting een ongedeelde zegening is en niet in excessen kan uitmonden. Deze problemen worden echter niet door Marglin behandeld. Voor Williamson is de kwestie echter veeleer de 'economics of atmosphere' en het maken van onderscheid tussen verplichte coöperatie en volledige coöperatie.[12]

Index


6.4 Een institutionalist die macht negeert?

In het verklaringsmodel van Williamson is geen systematische plaats ingeruimd voor machtsverhoudingen: de macht van de gevestigde belangen speelt in zijn visie altijd de tweede viool. Weinig critici is dit ontgaan en hebben hem op dit punt 'de oren gewassen'. Ik kan mij daarom op dit punt beperken.

Voor de verklaring van organisationele structuren is efficiency voor Williamson een veel belangrijker idee dan macht.

"The neglect of power by the M & H is not to suggest that power is either uninteresting or unimportant. We submit however, that power considerations will usually give way to efficiency - at least in profit-making enterprises, if observations are taken at sufficiently long intervals, say a decade ... our position is that those parts of the enterprise that are most critical to organisational viability will be assigned possesion of control over critical resources, will have preferential access to information, and will be dealing with cirical organisational uncertainties. ... Failure to assign control to that part of the organisation would contradict the efficiency hypothesis but would presumably be explained as a power outcome" [Williamson/Ouchi 1983:29-30].

Hij gelooft ook dat het methodologisch vruchtbaarder is:

"Inasmuch as power is very vague and has resisted successive efforts to make it operational, whereas efficiency is much more clearly specified and the plausibility of een efficiency hypothesis is buttressed by econological survival tests, we urge that efficiency analysis be made the centrepriece of the study of organisational design. This does not imply that power has no role to play, but we think it invites confusion to explain organisational results that are predicted by the efficiency hypothesis in term of power. Rather power explains resultats when the organisation sacrifices efficiency to serve special interests" [Williamson/Ouchi 1983: 30].

Williamson's machtsoptiek kan in drie punten worden samengevat. (1) Ook machtsoverwegingen leiden op de lange duur in de regel tot efficiëntie (in ieder geval in winstgerichte ondernemingen). (2) Onderdelen van de onderneming die vitaal zijn voor organisationele levensvatbaarheid krijgen de controle over strategische bronnen toebedeeld; (3) Efficiency verklaart waarom organisaties zich kunnen reproduceren, macht verklaart wanneer de organisatie efficiëntie opoffert aan specifieke belangen. Hieruit blijkt nogmaals wat de normatieve bias is van zijn hele analyse: efficiëntie wordt schijnbaar 'onpartijdig' gedefinieerd in termen van bijdrage aan het totale systeem van een organisatie, waarvan op den duur alle leden in gelijke mate profiteren (vgl. de kritiek van Francis 1983:113 e.v.).Williamson is een van de weinige institutionalisten die machtsverhoudingen in hoge mate negeert. Dit staat zeker niet los van het feit dat hij tevens een econoom is die uitbuiting negeert: uitbuiting is immers een specifieke vorm van asymmetrische machtsverhoudingen [Benschop 1993].

Index


6.5 Een nieuwe politieke economie van de informatie?

De klassieke economen hebben de economische wereld altijd opgevat als een eindeloze serie markten die door ruil worden gereguleerd. De marxistische economen legden daarentegen de nadruk op de exploitatie- en klassenrelaties die in en door de maatschappelijk arbeidsverhoudingen worden gegenereerd. In de analyse van Williamson wordt de onpersoonlijke ruil vervangen door relaties tussen actoren en instituties. Hij kent daarbij een zeer grote betekenis toe aan informatie en probeert hiermee de processen van ruil en productie in zijn theorie te integreren: de ruil van informatie is een productiehandeling die zijn eigen kosten heeft (informatie als 'nieuw kapitaal'). Het lijkt een program voor een 'nieuwe politieke economie van de informatie' — alle maatschappelijke verhoudingen zijn gestructureerd rond een strategische variabele: de beschikking over informatie [Bauer/Cohen 1983:89-90]. Er wordt echter geen analyse gemaakt van de productie en transformatie van informatie. En daarom krijgt men ook geen zicht op de wijze waarop deze nieuwe strategische bron onder de actoren verdeeld is. Wie beschikt er over (voldoende relevante) informatie en tegen wie kan deze worden ingezet? Williamson wekt ook in zijn recente publicaties iets te vaak de indruk dat informatie een bron is die bijna uniform het hele sociale leven penetreert en dat dus iedereen over informatie, en derhalve over macht beschikt [Stinchcombe 1990].

Index


6.4 Een institutionalist die actoren negeert?

De specifieke bijdrage van de institutionele economie is dat de analyse gericht wordt op specifieke actoren die gemotiveerd worden door specifieke belangen, gekenmerkt worden door beperkte rationaliteit, en die zowel samenwerkings- als conflictrelaties met elkaar aangaan. Wat de actoren betreft is Williamson eigenlijk alleen in de onderneming geïnteresseerd, waaraan hij systeembelangen toekent.[13] Hij gaat grotendeels voorbij aan het economisch handelen van veel andere actoren, zoals de consumenten, de wetenschappelijke en technische gemeenschap, de staat. Wanneer de staat in zijn model optreedt, dan is dat alleen in zijn juridische functie. Aan het economisch handelen van de staat wordt volledig voorbijgegaan. In het begripsmatige schema van Williamson zijn de consumenten de grote afwezigen [Bauer/Cohen 1983:90-1]. Zij figureren hoogstens marginaal, met hun voor economen altijd lastige onvoorspelbare veranderingen in preferenties.[14] De benadering van Hirschman [1970] is in dit opzicht veel coherenter. Zijn institutionele benadering gaat uit van de paradox van de klassieke economie: ze is gebaseerd op het concept van de almacht van de consument, maar wil het functioneren van een economisch systeem verklaren waarin de consument niets te vertellen heeft. Alles, inclusief concurrentie, wordt ontworpen om de dociliteit en loyale binding van de consument te garanderen.

Index


6.7 Een 'behavioral economist' die reïficeert?

Het begrip 'organisatiedoel' is een van de meest glibberige en verraderlijke begrippen die in organisatie-analyses worden gebruikt. Bij de bespreking van het efficiëntie-probleem hebben we al gezien dat Williamson consequent (maar meestal impliciet) opereert met de notie van 'systeembelangen', zonder dat de belangen van de afzonderlijke partijen bij de transacties worden gethematiseerd. De leidende figuur van de tweede generatie van 'behavioral economist' houdt onvoldoende afstand van reïficatie: het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan boven-individuele entititeiten die hierdoor gaan figureren als een soort subjecten in grootformaat ('supersubjecten').[15] Daartegenover zou veelmeer moeten worden benadrukt: (1) dat alleen (groepen van) individuen belangen hebben en doelen kunnen formuleren; (2) dat het proces waardoor deze preferenties aan de organisatie worden opgelegd telkens gespecificeerd moeten worden; (3) dat men niet er niet op voorhand van uit kan gaan dat mensen en groepen de doelen van een organisatie kunnen bepalen op een gelijkwaardige basis, noch dat zij er gemeenschappelijke doelen op nahouden (vgl. in dit verband R. Scott 1992:289 over de voordelen van 'dominant coalition' model).

De belangen van management en eigenaars worden gesteund in de stilzwijgende vooronderstelling dat zij ook de algemene publieke belangen zijn. Op deze wijze worden de opvattingen en belangen van de dominante elites overgedragen en versterkt en wordt er een ideologisch conservatief beeld van organisaties geschetst dat de bestaande machtsverdelingen, privileges en doelprioriteiten in organisaties bestendigt. Net als zovele andere organisatiestudies wekt Williamson hierdoor de indruk dat zijn thema's vooral van belang zijn voor 'zakenlieden' die hoofdzakelijk geïnteresseerd zijn in het verhogen van de efficiëntie van de winstproductie van economische organisaties.

Index


6.8 Een economie van de consensus?

In Williamson's wereld van de 'contractuele mens' gaan alle actoren onderhandelingen met elkaar en zijn analyse concentreert zich op de kosten van deze onderhandelingen. Zijn actoren zijn opportunisten en hebben een beperkte rationaliteit: het a priori bestaan van conflicterende belangen en divergerende plannen lijkt telkens weer te worden opgelost in onderhandelingen. Daarbij wordt verondersteld dat het altijd mogelijk is tot overeenstemming te komen, dat conflict altijd onderhandelbaar is, en dat op de lange duur winsten worden gedeeld. Bovendien wordt verondersteld dat hiervoor een gemeenschappelijk referentiepunt bestaat: de economie van transactiekosten. Dit roept meer vragen op dan er worden beantwoord. De critici hebben zich op dit punt niet onbetuigd gelaten. Wat gebeurt er met actoren die dit referentiepunt niet delen? Wat gebeurt er met mensen die de voorkeur geven aan (al dan niet socialistisch) zelfbeheer boven een (al dan niet kapitalistische) hiërarchie? Wat moeten we met mensen die ondanks (of misschien wel juist door) het debacle van het etatistische socialisme niet bang zijn dat hun toekomst op een democratische wijze wordt ontworpen en gepland (zelfs wanneer dit tot minimalisering van transactiekosten zou leiden)? En wat moeten we tenslotte met de voorstanders van een brede maatschappelijke discussie over fundamentele veranderingen van het maatschappelijke arbeidsbestel (ook al zouden de transactiekosten daarvan groot zijn)?[16] Het is zeker overdreven om - zoals Bauer/Cohen [1983:92] en gedeeltelijk ook Francis [1983:110] doen - te stellen dat in Williamson's theorie een algemene consensus over de waarden, de keuze van organisaties en de vormen van het sociale leven wordt verondersteld. Maar in zijn concept is uiteindelijk wel alles onderhandelbaar: alle verschillen kunnen worden gereduceerd door referentie aan de economie van de transactiekosten.

Index


6.9 Een nieuwe versie van de liberale theorie?

Het oorspronkelijke project van Williamson was gericht op een herziening van de traditionele micro-economie. Het probleem was dat deze micro-economische theorieën niet gemakkelijke in overeenstemming gebracht konden worden met het bestaan van erg grote ondernemingen. Al zijn intellectuele inspanningen lijken echter uiteindelijk uit te monden in een herhaling van de fundamentele vooronderstellingen van de liberale economie, waarbij alleen de woorden en de melodie waarin dit gebeurt verschillen.
  1. Het is nog steeds een ruileconomie, ook al worden goederen en diensten vervangen door informatie.
  2. Het gereconstrueerde ruilsysteem tendeert spontaan naar een evenwicht. Alleen is het nu niet meer een zichtbare hand die commandeert, maar veeleer de gecombineerde optreden van grote organisaties en overheidspolitiek.
  3. De menselijke rationaliteit wordt weliswaar nuchter als een fysiek en taalkundig beperkte opgevat, maar er bestaat nog steeds een universele rationaliteit: de minimalisering van transactiekosten lijkt een waardige opvolger van de maximalisering van utiliteiten.
  4. De rationalistische en materialistische egoïsten van de neo-klassieke leer worden weliswaar in hun rationaliteit beperkt, maar krijgen in ruil hiervoor een ongekende arglistigheid die hen in staat stelt om met list, bedrog en subtielere vormen van misleiding toch hun individuele belangen veilig te stellen. Dat dit altijd - per definitie van Williamson - ten koste gaat van anderen, is geen probleem, omdat zoals voorheen verondersteld wordt dat het opportunistisch najagen van elk individu van zijn eigenbelang uiteindelijk tot collectieve welvaart leidt.
  5. En tenslotte leidt ook het kleine aantal grote ondernemingen niet tot een vernietiging van de vrije concurrentie. [vgl. de kritiek van Bauer/Cohen 1983:92].

Index

7 Conclusies

Williamson blijft een gevangene van de traditionele economische principes, ook al worden op een aantal punten nieuwe, en mijns inziens ook productieve analytische perspectieven ontwikkeld. Zijn institutionele perspectief leidt niet tot een wezenlijk andere beoordeling van economische structuren en processen, en zeker niet tot een kritische beoordeling. Het is in zekere zin niets anders dan 'klassieke liberale economie gekleed in de kleuren van de grote onderneming' [Bauer/Cohen 1983:92].

Deze nieuwe kledij is niet onschuldig - het legitimeert de dominante vormen van economische en sociale organisatie in de ontwikkelde kapitalistische landen. Illustratief hiervoor is het serene triomfalisme waarmee Williamson constateert dat het vroegere intellectuele scepticisme over de verdiensten van het kapitalisme plaats heeft gemaakt voor een gekwalificeerd respect [Williamson 1985:407]. Het is een lofzang op de zegeningen van het moderne kapitalisme.

Door een dergelijke (politiek geladen) kritiek zou men zich echter niet moeten laten verleiden het kind met het badwater weg te gooien. Het transactionele analyse-perspectief biedt als zodanig immers veel mogelijkheden voor een nauwkeuriger analyse van de economische instituties van het kapitalisme, alsook voor een kritische beoordeling van deze instituties. Het transactiekostenperspectief biedt een bruikbaar theoretisch kader dat een krachtig instrument kan zijn voor organisationele en strategische analyse wanneer deze wordt ingepast binnen het kader van een meer algemene organisationele theorie. Het identificeert de relatieve kostenvoordelen van verschillen organisationele vormen (alternatieve coördinatievormen van economische transacties) en verduidelijkt de specifieke condities daarvan. Het laat zien hoe organisaties presteren door prikkels te bieden om individuele prestaties te garanderen en outputs te produceren. De TCE heeft een sterke empirische basis en helpt onze inzichten te verdiepen in organisationeel gedrag, en in de implicaties daarvn voor competitiev condities. Door zijn perspectief op onzekerheidabsorptie (controle op omgevingsinvloeden) lanceert W. een nieuwe, intentionele benadering van interorganisationele relaties.

Ik heb aannemelijk willen maken dat de bijdragen van Williamson tal van aanknopingspunten bieden voor een economisch-sociologische organisatietheorie die ingepast kan worden in het onderzoeksprogram van de 'nieuwe economische sociologie'. Het doel van mijn kritiek op de transactiekosten benadering van Williamson was om hiervoor de weg vrij te maken, dat wil zeggen om het transactiekosten perspectief te bevrijden van een aantal dubieuze vooronderstellingen en gemankeerde stellingen.

5 Tussen markten en hiërarchieën Index

Index


Noten

[1] Ook Williamson weet dat zijn benadering op dit punt nog zwak is. Hij verwijst naar studies waarin deze problematiek iets verder wordt uitgewerkt: Masten [1982], Riordian/Williamson [1986], Grossman/Hart [1984], Mann/Wissink [1984], Hart/Moore [1985].

[2] In arbeidsdelige maatschappijformaties hebben actoren geen volledige controle over de bronnen waarmee zij hun belangen kunnen bevredigen. Sommige bronnen staan geheel of gedeeltelijk en meer of minder duurzaam onder controle van andere actoren. Onder dergelijke structurele voorwaarden kan het eigen belang alleen gerealiseerd worden wanneer men bepaalde soorten transacties met andere actoren aangaat. Deze transacties omvatten niet alleen reciproke ruil in enge zin, maar ook in bredere zin: zoals omkopen, bedreigen, beloven en broninvesteringen [Coleman 1992:29].

[3] Dit bijna algemeen geaccepteerde idee is overigens niet nutteloos, maar het is slechts bruikbaar voor het beschrijven van voltooide transacties.

[4] Het belang van deze 'werkregels' wordt ook benadrukt in experimentele micro-economie. Experimentele studies over bronallocatie onder alternatieve vormen van marktorganisatie concentreren zich op de rol die instituties spelen bij de definitie van de mechanismen waarbinnen economische uitkomsten worden bepaald [Smith 1982]. Instituties specificeren immers de regels van de taal en van allocatie-, imputatie- en aanpassingsprocessen voor de effectieve uitvoering van economische transacties.

[5] Ik ontleen deze gedachte aan Slootman [1992]. Daarin probeert hij enige orde te scheppen in de terminologische en inhoudelijke verwarring rond de begrippen efficiëntie, effectiviteit en doelmatigheid. Ik wijk slechts op enkele punten af van de door hem gebruikte terminologie.

[6] Studies in de 'Oostenrijkse' tradities vestigden de aandacht op de wijze waarop individuen de wereld 'maken' en reageren op veranderingen in de economische omgeving die hen omringt [Kirzner 1973; Rizzo 1979].

[7] Dit refereert aan het werk van Frank Knight [1932/65 - Risk, Uncertainty, and Profit]. Hij introduceerde het technische onderscheid tussen risico en onzekerheid.

[8] Zoals eerder opgemerkt is ook hier de terminologie nogal verwarrend, omdat bij Williamson telkens de betekenis van de term 'organisatie' wordt verschoven. Soms betekent het 'interne organisatie' of 'hiërarchie', dan weer breder coördinatiemechanisme van economische transacties. In latere publicaties wordt de term organisationeel falen steeds meer vervangen door 'bureaucratisch falen'.

[9] Vergelijkbare opmerkingen komen in al zijn latere publicaties voor. De transactiekosten benadering verklaart verticale integratieprocessen in termen van efficiency. Dit sluit niet uit dat daarbij ook macht een rol speelt. Williamson erkent dat gevestigde belangen soms in staat zijn om organisationele veranderingen te vertragen. Maar "within the economic arena ... I submit that organizational innovations for which nontrivial efficiency gains can be projected will find a way to subdue (or otherwise will be accommodated by) opposed interests. Power is relegated to a secondary rol in such a scheme of things" [Williamson 1985:124-5]. In deze en vergelijkbare passages wordt telkens beweerd dat 'macht' (machtspolitieke strategische overwegingen zoals het elimineren van rivalen resp. het verwerven van een monopoliepositie) slechts een secondaire rol speelt. Dit wordt echter niet empirisch bewezen of theoretisch onderbouwd, maar slechts verondersteld. Achter deze vooronderstelling gaat een structureringsmodel van ondernemings- en ondernemershandelen schuil dat nergens wordt geëxpliciteerd. In dit achtergrondmodel zijn (vooronder)stellingen ingebouwd over de relatieve structureringskracht of het 'structurele soortelijk gewicht' van o.a. ondernemingsmacht, technologie, efficiency en winststreven.

[10] "The crucial question here is whether a dynamic capitalist economy can support a rich enough variety of organisational forms to satisfy a wide range of tastes for 'atmosphere' and at the same time enable individuals who would prefer to be in a 'high leisure/low productivity' organisation to satisfy their material needs. If so, then the stance taken in Market and Hierarchies seems justifiable" [McGuinness 1983:181].

[11] Vgl. ook Williamson [1985:124] over heerschappijtheorie. Het is opvallend dat hij zich daarbij beroept op de studie van Harry Braverman. Volgens Braverman werden de vroege fasen van het industriële kapitalisme gekenmerkt door een inspanning van de kant van de kapitalist om arbeid op dezelfde wijze te kopen als zijn grondstoffen. Deze poging nam de vorm aan van een grote diversiteit van onderaanneming en 'putting-out' systemen [Braverman 1974:60 e.v.]. Hij merkt op dat onderaanneming en putting-out werden geplaagd door problemen van onregelmatigheid van productie, verlies van materialen in vervoer en door verduistering, traagheid van manufactuur, gebrek aan uniformiteit en onzekerheid over de kwaliteit van het product. Zij werden vooral beperkt door hun onvermogen om het productieproces te veranderen [idem:63].

[12] Zie Williamson [1975:69-70; 1985:262-3] over 'perfunctory and consummate cooperation'. Arbeiders kunnen volledig, maar ook plichtmatig samenwerken. Volledige coöperatie is een affirmatieve werkhouding waarbij gaten worden gevuld, initiatief wordt genomen en instrumentele beoordelingen worden gemaakt. Plichtmatige coöperatie betekent dat er volgens de regels wordt gewerkt en op een minimaal acceptabele wijze wordt gepresteerd. Het contract verplicht werknemers alleen maar om een reeks verplichtingen na te komen in overeenstemming met minimale standaarden en garandeert niet dat zij streven naar optimale prestaties.
Legaal gezag is niet in staat om werknemers te bevelen hun fantasie en energie in te zetten bij hun taakuitvoering. Het contract belooft instemming met directieven en discipline, maar spoort werknemers niet aan zich tot het uiterste in te spannen, verantwoordelijkheden te accepteren of initiatieven te nemen [Blau/Scott 1962:140]. In werkelijkheid zijn de meeste contracten in belangrijke opzichten onvolledig, zodat leveranciers handelingsvrijheid genieten.

[13] Op cruciale punten in zijn argumentatie spelen systeembelangen een rol: Williamson [1975: 29, 73, 75; 1985: 255]. Soms worden de belangentegenstellingen tussen participanten in de moderne onderneming echter ook nuchter beschreven: Williamson [1985:289,299,312 e.v. over belangen van aandeelhouders en managers].

[14] Ik abstraheer van zijn korte opmerkingen over verschillende vormen van consumentenbescherming. Hij pleit daarin voor innovaties om de consumentenbelangen te beschermen. De hoofdlijn van zijn betoog is echter dat - met een mogelijke uitzondering van grote consumenten met specifieke informationele behoeften - er geen enkel argument is om (georganiseerde) consumenten directe invloed op het ondernemingsbeleid te gunnen in de vorm van een lidmaatschap van de directieraad of de raad van commissarissen [Williamson 1985:308-9].

[15] "New Institutional Economics (and the Public Choice school) study institutions as if fully competent individuals, in rational pursuit of their self interests, designed the institutions to suit those purposes. The institutions are assumed to reflect an aggregation of the individuals' preferences" [Etzioni 1988:178]. Er wordt gesuggereerd dat hiërarchieën worden geïntroduceerd of uitgebreid naarmate de behoefte aan toezicht en informatieverwerking toeneemt, en dat hiërarchieën daarom efficiënter zijn dan markten. Er wordt gesuggereerd dat ondernemingen ontstaan wanneer het efficiënter voor ze is om te ontstaan (omdat de organisatie van de productie via het prijsmechanisme (of marktt) te complex en dus te kostbaar wordt). In de benadering van Williamson wordt de hiërarchische structuur van de onderneming opgevat als een reactie op de behoefte aan meer toezicht, meer informatieverzameling en -verwerking dan de markt aankan, wanneer transacties in omvang en complexiteit toenemen.

[16] Slechts op de laatste pagina van zijn analyse van de economische instituties merkt Williamson [1985:408] op dat voorkeuren voor alternatieve organisatievormen niet alleen uiteenlopen omdat de prestaties anders worden beoordeeld (of dat er een ander prestatie-criterium wordt gehanteerd), maar ook omdat individuen verschillende afwegingsschema's hanteren om tot een uiteindelijk oordeel te komen. Men kan vrijwillig en bewust efficiency opofferen ten gunste van een ander gewaardeerd doel.

Index

Home Economic Sociology Subject Areas Sociologists Zoek Contact