Home Economic Sociology Subject Areas Sociologists Zoek Contact

Transactiekosten in de Economische Sociologie

dr. Albert Benschop

  1. Het institutionele perspectief
  2. Gedragsmatige vooronderstellingen: 'the contractual man'
  3. Dimensies van transacties
  4. Micro-analyse van organisaties: efficiënt beheer
  5. Tussen markten en hiërarchieën
    5·1 Geloofwaardige verplichtingen
    5·2 Theorie van onvolledige overeenkomsten
    5·3 Toepassingsgebieden
  6. Samenvattende kritiek
  7. Conclusies

    Literatuur

Gepubliceerd: jan. 1996 — Laatst gewijzigd: 23 nov, 2017

 

5 Tussen markten en hiërarchieën

5·1 Geloofwaardige verplichtingen

Een centraal probleem in de TCE is de wijze waarop een keuze gemaakt kan worden tussen marktmatige en ondernemingsgewijze coördinatiemechanismen. De keuze tussen 'markten' (met hun sterke prikkels) en 'hiërarchieën' (met hun bilaterale aanpassing) is echter geen abstracte 'het-een-of-het-ander' vraag. We hebben hiervoor gezien dat integratie (verenigd eigendom) van opeenvolgende productie- en distributiestadia een aantal ex post contractuele voordelen heeft. Aan deze voordelen zijn echter ook kosten verbonden. Wanneer transacties van markten worden verwijderd en intern binnen een onderneming worden georganiseerd, moeten er soms concessies worden gedaan aan de schaal- en bereikeconomieën. Bovendien vertonen (vooral grote) ondernemingen een aantal serieuze handicaps als het gaat om de prikkelstructuur (als instrument van personeelsmotivatie en managementscontrole) en de bureaucratie. Bij integratiebeslissingen moeten dus altijd een aantal lastige afwegingen worden gemaakt. Daarom richt Williamson zijn onderzoek op de vraag of het mogelijk is intermediaire structuren te bouwen die tussen discrete marktovereenkomsten en hiërarchische organisatie staan, waarbij de risico's van bilaterale contracten worden verkleind zonder dat er grote offers gebracht moeten worden aan schaal- en bereikeconomieën of aan de motivationele prikkelstructuur. De kernprobleem is dus of de partijen in een bilaterale handel zodanige geloofwaardige verplichtingen kunnen scheppen dat zij daarin beide vertrouwen hebben?

Tot nu toe werd er in de bedrijfssociologische en organisatietheoretische literatuur veel meer aandacht besteed aan geloofwaardige dreigingen dan aan geloofwaardige verplichtingen ('credible commitments'). Williamson herinnert in dit verband aan het advies dat Machiavelli aan zijn prins gaf:

In de TCE wordt echter niet uitgegaan van de beperkte (Machiavellistische) les dat menselijke actoren niet volledig vertrouwd kunnen worden. Voor het onderzoek van economische organisaties wordt uitgegaan van een veel belangrijker inzicht: transacties die onderhevig zijn aan ex post opportunisme, worden beter (stabieler) wanneer er ex ante veiligheidskleppen worden ingebouwd. Geloofwaardige dreigingen worden ingezet om rivaliteit af te schrikken. Wie zich echter op geloofwaardige wijze verplicht, probeert juist ruil en duurzame contracten te steunen. Geloofwaardige verplichtingen leiden tot andere investeringen, betere prijzen en soepeler transacties [Williamson 1983; Aoki 1984]. De praktisch oriëntatie is daarbij niet het legale centralisme, maar de door de contractpartijen zelf gerealiseerde particuliere ordening. Dit wordt mogelijk gemaakt wanneer er 'zichzelf bekrachtigende overeenkomsten' worden gesloten. Dat zijn overeenkomsten die wanneer zij door de ene partij worden geschonden, door de andere partij alleen maar kunnen worden beantwoord door het verbreken van de overeenkomst [Williamson 1985:168]. Een van de krachtigste mogelijkheden om dergelijke overeenkomsten te sluiten, is het wederzijds posteren van 'gijzelaars'. Naarmate er in contracten over en weer meer garanties en waarborgen worden ingebouwd, wordt het risico kleiner dat een der contractpartijen het initiatief neemt het contract te verbreken (bijvoorbeeld een order te annuleren) zodra dit voor hem voordelig is.

Het eenvoudige en meer uitgebreid gijzelingsmodel dat Williamson voor de analyse van deze intermediaire coördinatiemechanismen van economische transacties (zoals franchisering) heeft uitgewerkt, behoort mijns inziens tot het spannendste, maar door zijn model-mathematische formuleringen ook tot het lastigste wat de TCE te bieden heeft. De heersende opvatting is dat het nemen of posteren van gijzelaars een ouderwets concept is dat geen betekenis meer heeft voor de tegenwoordige contractuele praktijken. Williamson laat echter zien dat het gebruik van gijzelaars om ruil te stimuleren en zodanig wederzijds vertrouwen te genereren dat contractbreuk wordt voorkomen tamelijk verbreid en economisch belangrijk is. In deze analyse laat hij bovendien zien dat hij — ondanks zijn discutabele gedragsmatige vooronderstelling van opportunisme (wat principieel wantrouwen in contractpartners suggereert) — wel degelijk in staat is om betekenis en werking van vertrouwen in reciproke ruilrelaties op een tamelijk nuchtere wijze te behandelen.

Index


5·2 Theorie van onvolledige overeenkomsten

In het ideaaltypische, klassieke marktcontract doet een onderneming of een persoon een aanbod dat door een willekeurige ander wordt geaccepteerd. Een aanbod en een acceptatie scheppen juridische verplichtingen, ongeacht of er een schriftelijk contract wordt getekend of niet. De prestatie die de aanbiedende partij belooft te verrichten, worden duidelijk gespecificeerd en de tegenprestaties die in ruil daarvoor worden gevraagd worden duidelijk omschreven, ook al kunnen deze impliciet zijn.

Een groenteboer die een bord met "10 sinaasappels voor € 3,-" voor zijn winkel hangt, doet een aanbod. Wanneer men de sinaasappels pakt en naar de kassa gaat om te betalen, is dat een acceptatie, er wordt een contract gesloten. Dit contract wordt bijna nooit opgeschreven, hoogstens in de vorm van een betalingsbewijs (kassabon). De sinaasappels worden gespecificeerd doordat ze staan uitgestald; de prestatie van de koper krijgt een betekenis die gedefinieerd wordt door wettelijke regelingen met betrekking tot het doen van offertes en het heffen van verkoopbelasting (BTW) en door het zetten van een handtekening. De juridische verplichtingen omvatten de verplichting van de winkelier om de klant de sinaasappels te laten meenemen en de verplichting van de klant om te betalen en zijn sinaasappels mee te nemen.

De klassieke contractwet gaat uit van vier vooronderstellingen:

  1. de identiteit van de contracterende partijen is irrelevant;
  2. de aard van de overeenkomst en de te leveren prestaties worden nauwkeurig afgebakend;
  3. remedies worden nauwkeurig voorgeschreven zodat bij eventuele problemen de consequenties vanaf het begin voorspelbaar zijn;
  4. de interventie van een derde partij wordt ontmoedigd.
In bepaalde omstandigheden is het echter moeilijk, oneconomisch of onmogelijk om de vereiste prestaties te specificeren op het moment dat het contract wordt getekend. (1) Er kan informationele onzekerheid zijn van de kant van de koper: vraagonzekerheid. In sommige gevallen is het niet goed mogelijk om precies de specificaties te voorspellen die de klant wil maken ten aanzien van de prestaties van de contractant. (2) Er kan ook onzekerheid zijn van de kant van de aanbieder: aanbodonzekerheid. De klant of contractant weet van te voren niet zeker wat de de kosten zullen zijn van het uitvoeren van de prestaties. Hieruit vloeit de wens voort om gedurende de contractperiode strategische aanpassingen aan te brengen in prestaties of in de beloning. (3) Er kunnen problemen zijn met de meting van de output of van de te leveren waren: onzekerheid van bronkwaliteit. Soms is het niet goed mogelijk om de gevraagde prestaties duidelijk (met objectieve maatstaven) te meten is het moeilijk of praktisch onmogelijk de voorwaarden te bepalen waaronder de beloning voor een specifieke kwaliteit kan variëren.

In al deze gevallen is er sprake van onvolledige contracten. Wanneer de menselijke rationaliteit niet beperkt zou zijn, zouden er ook geen onvolledige contracten meer bestaan.[1] Onvolledige overeenkomsten leiden altijd tot een bilaterale afhankelijkheid, vooral wanneer er een niet-triviale mate van bronspecificiteit bestaat. Het cruciale contractuele thema is: hoe kan men aanpassingen aan veranderende omstandigheden beïnvloeden wanneer onzekerheid een sleutelverschijnsel is.[2] In de neo-klassieke contractwet wordt erkend dat de wereld complex is, dat veel overeenkomsten onvolledig zijn en dat sommige contracten nooit tot stand zouden komen tenzij beide contractpartijen vertrouwen hebben in de conflictregelingen.[3]

Bij de analyse van economische organisaties vanuit het standpunt van onvolledige contracten worden regelingen getroffen voor zowel ex ante prikkelverbinding (van een onvolledig soort) als voor ex post beheer (om aanpassingen mogelijk te maken).[4] Williamson wijst er terecht op dat ook deze benadering zijn beperkingen heeft. "The distinction between prospective changes and retrospective changes is pertinent" [Williamson 1990:16]. Partijen die een overeenkomst voor de toekomst sluiten, zijn hoofdzakelijk op zoek naar meer efficiency, en niet zozeer met een strijd om de verdeling van de gemeenschappelijke opbrengsten. Maar wanneer overeenkomsten eenmaal zijn gesloten, worden redistributieve doelen belangrijker, vooral wanneer 'de politiek' zich met het proces gaat bemoeien.

Index


5·3 Toepassingsgebieden

We hebben gezien wat de vooronderstellingen en uitgangspunten zijn van de transactiekosten economie, hoe de transactiekostentheorie is geconstrueerd en wat haar belangrijkste inhoudelijke stellingen zijn. Een theorie is vruchtbaarder naarmate zij precieze voorspellingen kan doen, naarmate het terrein breder is waarop zij voorspellingen doet en naarmate zij meer aanvullende lijnen voor toekomstig onderzoek heeft. Het ruilparadigma werd aanvankelijk uitgewerkt voor de analyse van het verschijnsel van verticale integratie [Williamson 1979; Klein/Crawford/Alchian 1978]. Inmiddels gaan veel auteurs ervan uit dat in principe álle organisationele relaties in termen van contractproblemen kunnen worden geherformuleerd. Het transactieparadigma werd op een groot aantal gebieden toegepast:

Het transactiekostenperspectief werd echter ook vruchtbaar toegepast op interne organisatiethema's. Het werd toegepast op de geschiedenis van ondernemingen en op de evolutie van het klassieke fabriekssysteem (met enkelvoudige producten), via grotere multifunctioneel georganiseerde ondernemingen naar de gedivisionaliseerde, gediversificeerde 'giant corporations'. De temporele verandering van de organisatiestructuren werd door verschillende auteurs onderzocht. De pre-industriële traditie werd o.a. onderzocht door North [1978] en de ontwikkelingen sinds de industriële revolutie door o.a. Chandler [1966, 1977]. Chandler's beschrijving van marktontwikkelingen aan het einde van negentiende eeuw is tot op zekere hoogte (en zeker volgens Williamson) een sterke ondersteuning van de stelling dat transactiekosten zo significant zijn dat zij de structuur van industrieën beïnvloeden. Soms worden ondernemingen door transactiekostenoverwegingen gemotiveerd om vooruit te integreren van de manufactuur naar het distributiestadium. De transactiekosten benadering werd ook beproefd in de analyse van grote commerciële bureaucratieën [Williamson 1979], op organisatie-interne clans [Ouchi 1980], en op organisatiecultuur [Jones 1983]. De toepassingen op het overheidsbeleid zijn sterk geconcentreerd op het ondernemingsbeleid, zoals anti-trustwetgeving en (de)regulatie. Maar er zijn inmiddels ook bredere aanzetten waarin bijvoorbeeld de privatisering van overheidsinstellingen vanuit de transactiekostenbenadering wordt gethematiseerd, zoals de studie van Bokkes [1989] over de kostenbeheersing bij de reinigingsdienst. Tenslotte zijn er ook een aantal studies over non-profit organisaties [Hansmann 1982; Fama/Jensen 1983] .

4 Micro-analyse van organisaties Index 6 Samenvattende kritiek
Index

Noten

[1] Actoren met een onbeperkte rationaliteit zouden verwikkeld raken in "a single gigantic once-and-for-all forward 'higgle-haggle' in which all contingent goods and services (i.e. all goods and services at each possible time-cum-environmental condition) are bought and sold once and for all now for money payments made now" [Meade 1971:166]. In een dergelijke situatie zou de neiging tot opportunistisch gedrag ook geen enkele rol meer spelen.

[2] Williamson [1990:15]. Vgl. Hart/Jong Moore [1988], Hart/Bengt/Holstrom [1987], Grossman/Hart [1986].

[3] De verhoudingen tussen klassieke, neo-klassieke en relationele contracten en hun wettelijke regelingen worden uitvoerig geanalyseerd door MacNeil [1974]. Williamson [1985: hft. 3] refereert sterk aan deze analyse.

[4] Zie eerder Williamson [1985:26-30;82,283,316]. Binnen de 'efficiency branch of contract' wordt een onderscheid gemaakt tussen benaderingen die zich concentreren op 'incentive alignments' en benaderingen die zich concentreren op de economie van de transactiekosten. De 'incentive alignment' literatuur concentreert zich op de ex ante kant van het contract. Nieuwe vormen van eigendomsrechten en complexe overeenkomsten worden daarom geïnterpreteerd als inspanningen om de 'incentive deficiencies' van eenvoudiger eigendomsrechten en contractuele tradities te overwinnen Zie hiervoor de literatuur over eigendomsrechten: Coase [1960], Alchian [1961, 1965], Demsetz [1967, 1969] en over de agency-benadering: Hurwics [1972. 1973], Spence/Zeckhauser [1971], Ross [1973], Jensen/Meckling [1976], Mirrlees [1976]. In de transactiekosten aanpak wordt meer nadruk gelegd op het stadium van de contractuitvoering: "the ex post support institutions of contract matter" [Williamson 1985:29].

Index

Home Economic Sociology Subject Areas Sociologists Zoek Contact