Home Economic Sociology Subject Areas Sociologists Zoek Contact

Transactiekosten in de Economische Sociologie

Albert Benschop

  1. Het institutionele perspectief
  2. Gedragsmatige vooronderstellingen: 'the contractual man'
  3. Dimensies van transacties
    3·1 Bronspecificiteit
    3·2 Onzekerheid
    3·3 Frequentie
  4. Micro-analyse van organisaties: efficiënt beheer
  5. Tussen markten en hiërarchieën
  6. Samenvattende kritiek
  7. Conclusies

    Literatuur

Gepubliceerd: jan. 1996 — Laatst gewijzigd: 23 nov, 2017

 

3 Dimensies van transacties

Transactie is de basiseenheid van analyse (stelling van John R. Common). Een voorspellende theorie van economische organisaties vereist dat de factoren die verantwoordelijk zijn voor differentiaties tussen transacties worden geïdentificeerd en verklaard. De eerste vraag is dus in welke principiële dimensies transacties van elkaar verschillen. Williamson maakt een onderscheid tussen drie dimensies: (a) bronspecificiteit, (b) onzekerheid en (c) frequentie.

3.1 Bronspecificiteit

Bronspecificiteit is de mate waarin een bron opnieuw gebruikt kan worden voor alternatieve doelen en door alternatieve gebruikers zonder opoffering van de 'productieve waarde' (wanneer contracten onderbroken worden of prematuur worden beëindigd).[1] Bronspecificiteit ontstaat door duurzame investeringen in transactiespecifieke bronnen ('lock in' effecten). Het voordeel hiervan is dat er een vaak een kostenbesparing kan worden gerealiseerd. Het nadeel is dat dergelijke investeringen riskant zijn: gespecialiseerde bronnen kunnen immers niet opnieuw worden ingezet (voor andere doeleinden of door andere gebruikers) zonder verlies van productieve waarde. Het uitgangspunt is dat transacties (die verschillen in hun kenmerken) op een zodanige wijze met beheersstructuren (die verschillen in hun kosten en competenties) moeten worden verbonden dat de transactiekosten worden geëconomiseerd.

Michael Polanyi [1962:52-3] heeft als een der eerste gewezen op het belang van idiosyncratische bronnen. Dit zijn unieke bronnen, zoals zeer bijzondere taakspecifieke arbeidskwalificaties, unieke locaties, gepatenteerde technische procedures. Polanyi werkte dit uit in een analyse van 'persoonlijke kennis' van industriële ambachtslieden waarin de betreffende vaardigheden zo diep verankerd zijn in de werkervaring dat zij door anderen slechts met de grootste moeilijkheden onderkend kunnen worden (vergelijk de meer recente studies over 'tacit knowledge'). De betekenis van idiosyncratische bronnen werd in de literatuur zwaar onderschat, omdat men er vanuit ging dat deze unieke condities zeer zeldzaam of onbelangrijk waren [Jacob Marschak 1968: 14]. In zijn onderzoek over verticale integratie heeft Williamson [1971] voor het eerst laten zien dat de idiosyncratische kenmerken van transacties grote systematische en organisationele gevolgen hebben. Transacties die gesteund worden door relatief grote investeringen in duurzame, transactiegebonden bronnen hebben 'insluitingseffecten', waardoor handel tussen autonome partijen meestal vervangen wordt door verenigd eigendom (d.w.z. door verticale integratie). Bij het begin van een nieuwe transacties zijn er meestal meerdere (grotere aantallen) gekwalificeerde en min of meer gelijkwaardige bieders. Degene die deze bieding wint, kan echter een kostenvoordeel verwerven (bijvoorbeeld vanwege een unieke locatie). Bij een volgende periode van contractvernieuwing verdwijnt hierdoor de biedingspariteit (d.w.z. de relatieve gelijkwaardigheid der bieders). Het resultaat daarvan is dat ex post contracten onder druk komen te staan wanneer geprobeerd wordt discrete contracten af te sluiten [Williamson 1971:116;1985:53-4]. Van idiosyncratische ruil is sprake wanneer meer ervaren partijen - die door 'learning-by-doing' een specifieke kwalificatie hebben verworven - de voorkeur krijgen boven anderen, omdat zij al met de betreffende productietechniek, arbeidsprocessen of organisatieregels bekend zijn. Hetzelfde treedt op wanneer bepaalde marktpartijen een specifieke kennis hebben opgebouwd om een transactie uit te voeren. Handelspartners die in het verleden bewezen hebben 'betrouwbaar' te zijn, krijgen vaak de voorkeur boven onervaren potentiële partners.

De kernvraag in de analyse is of bronnen na het verbreken van een contract weer inzetbaar zijn of niet [Klein/Leffler 1981]. Williamson maakt een onderscheid tussen liquide en illiquide bronnen. Liquide bronnen zijn bronnen die gemakkelijk opnieuw inzetbaar ('redeployable') zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor centraal gesitueerde algemene gebouwen en voor algemene apparatuur zoals een tekstverwerker. Duurzame mobiele bronnen zoals niet-gespecialiseerde vrachtwagens en vliegtuigen zijn eveneens goed geschikt voor hergebruik. Illiquide bronnen zijn bronnen die niet gemakkelijk voor andere doeleinden of door andere gebruikers. Dit geldt bijvoorbeeld ondernemingsspecifiek of bedrijfsgebonden 'menselijk kapitaal'. Williamson noemt dit 'nonsalvageable' bronnen. Kosten die accountants meestal als variabele kosten behandelen, bevatten vaak een groot illiquide element dat niet voor hergebruik geschikt is. Liquide en illiquide bronnen onderscheiden zich dus van elkaar door de mate van specificiteit, gedefinieerd in termen van hun meer of minder beperkte aanwendingsmogelijkheden. Daarom zou men - zoals Williamson zelf ook soms doet ook kunnen spreken van specifieke en niet-specifieke bronnen.[2]

Williamson maakt geen uitvoerige analyse van de bronnen die in en door transacties worden overgedragen en opereert met een tamelijk simpele bronnenindeling. Hij concentreert zich op voornamelijk op onderscheid tussen vier typen van bronspecificiteit en op de daarmee corresponderende organisationele implicaties. Ik kan deze hier slechts kort aanduiden.

  1. Specificiteit van locatie
    Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de specifieke plaats waarop een fabriek is gevestigd is [Williamson 1985: 97 e.v., 211, 278]. Een watermolen in het midden van een woestijn verliest aanzienlijk aan productieve waarde — hoe men de toeristische waarde van gegeven ook beoordeelt. Opeenvolgende productiestations worden zoveel mogelijk direct naast elkaar geplaatst om te besparen op voorraden en transportkosten. Bronspecificiteit die ontstaat wanneer opeenvolgende stadia op een zeer kleine afstand ten opzichte van elkaar zijn gelokaliseerd, leidt zeer vaak tot (in één hand) verenigd eigendom. Wanneer deze bronnen eenmaal op hun plaats zijn gezet, opereren de partijen daarna (zolang het nuttige leven van de bronnen strekt) in een bilaterale ruilrelatie. De kosten voor herallocatie van deze bronnen zouden erg groot zijn.

  2. Specificiteit van fysieke bronnen
    Mineraal kan alleen worden gedolven wanneer er significante investeringen in duurzame fysieke bronnen worden gedaan die daarna niet voor andere doelen kunnen worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor de exploitatie van gasbellen op de Waddenzee. Een ander voorbeeld zijn gespecialiseerde matrijzen die nodig zijn om een bepaald onderdeel te produceren. Mobiele bronnen met een hoge mate van fysieke bronspecificiteit kunnen via de markt worden verworven. Dit is mogelijk wanneer de eigendom van de specifieke bronnen (zoals gespecialiseerde matrijzen) wordt geconcentreerd bij de koper. Insluitingsproblemen kunnen hierbij worden vermeden omdat de koper de matrijzen kan terugvorderen en de bieding van heropenen indien er contractuele moeilijkheden ontstaan. In dit geval is de ex post competitie dus effectief en is interne organisatie niet nodig.

  3. Specificiteit van menselijke bronnen
    Daarbij gaat het vooral om bedrijfsgebonden kennis en vaardigheden die ontstaan door leren-door-doen, maar die niet op andere bedrijfssituaties overdraagbaar zijn. Wanneer er een substantiële specificiteit van menselijke bronnen bestaat, hebben duurzame arbeidsrelaties de voorkeur boven autonome contracten. Wanneer de mate van specificiteit van menselijke bronnen groter wordt, voorspelt de TCE dat er een gemeenschappelijk eigendom van opeenvolgende stadia zal ontstaan.

  4. Toegewijde ('dedicated') bronnen
    Dit zijn bronnen die een specifieke investering vereisen in gegeneraliseerd productiecapaciteit en die alleen maar gemaakt worden in het vooruitzicht dat een significant aantal producten aan een specifieke klant wordt verkocht. Als er in toegewijde bronnen geïnvesteerd wordt, betekent dit dat een bestaand bedrijf wordt uitgebreid met het oog op de verwachte afname door een specifieke koper (soms vereist de afnemer van een producent dat deze dergelijke investeringen doet). In dergelijke omstandigheden wordt bijna nooit gemeenschappelijk eigendom overwogen. Maar toch zijn handelsgevaren. Deze kunnen vaak worden verkleind door de contractuele relatie uit te breiden om zodoende een 'evenredige kwetsbaarheid' te bereiken (Williamson noem dit 'symmetrical exposure'). In deze strategie schuilt echter een paradox: beide partijen geven vaak de voorkeur aan een grotere blootstelling aan gevaren boven een kleinere, omdat hierdoor een 'gevaren-evenwicht' kan worden bereikt. Dit thema wordt door Williamson [1985: hft. 7 en 8] uitvoerig besproken aan de hand van het zgn. gijzelingsmodel.[3]
We hebben dus gezien dat de specificiteit van bronnen zeer uiteenlopende vormen kan aannemen en dat de organisationele implicaties daarvan variëren [idem:95 e.v.]. Het belang van bronspecificiteit voor TCE kan nauwelijks worden overdreven.[4] Bronspecificiteit heeft echter alleen maar betekenis in combinatie met 'beperkte rationaliteit'/'opportunisme' en in de onzekere situaties. Bronspecificiteit is echter de grote lokomotief waaraan de TCE veel van haar voorspellende inhoud te danken heeft. Wanneer er geen bronspecificiteit zou bestaan, zou de wereld van de contracten er heel wat eenvoudiger uitzien. De crux of the matter is telkens de mate waarin duurzame illiquide ('non-marketable') kosten optreden. Producten (of diensten) die niet op specifieke gebruikers zijn afgestemd, brengen weinig risico's met zich mee: kopers kunnen zich in deze situatie gemakkelijk naar alternatieve bronnen richten; en de leveranciers kunnen de output die voor een koper bedoeld was zonder moeite aan andere kopers verkopen [idem: 52 e.v.,72,242,291].

Index


3.2 Onzekerheid

De tweede dimensie van transacties is de onzekerheid. Zoals gezegd is beperkte rationaliteit alleen een probleem wanneer transacties een hoge mate aan onzekerheid/complexiteit vertonen. Wanneer de rationaliteit van economische actoren niet beperkt zou zijn, dan zou iedereen een gedetailleerde en sluitende strategie kunnen ontwerpen waarmee men alle mogelijke bruggen van te voren kan oversteken, d.w.z. waarmee men alle mogelijke barrières op voorhand kan overwinnen.[5] En wanneer er geen opportunisme zou bestaan, zou men zich effectief kunnen aanpassen door terug te grijpen op het instrument van 'algemene regels'.

Omdat er zowel beperkte rationaliteit als opportunisme bestaat, moet men telkens opnieuw beoordelen wat vermogen is van alternatieve beheersstructuren om zich aan nieuwe omstandigheden aan te passen. In de transactiekostenbenadering concentreert men zich vooral op adaptieve (aanpassende != statische) en sequentiële (opeenvolgende != enkelvoudige) besluitvorming. De basisstelling luidt dat beheersstructuren een verschillend vermogen hebben om effectief te reageren op evenwichtstoringen en onvoorziene omstandigheden.

Williamson wil laten zien waar die fundamentele onzekerheid vandaan komt en wat de aard van deze onzekerheid is. Met Tjalling Koopmans [1957:162-3] maakt hij een onderscheid tussen primaire en secundaire onzekerheid. Primaire onzekerheid is van een 'state-contingent' soort die voortvloeit uit de willekeurige 'acts of nature' en onvoorspelbare wijzigingen in de voorkeuren van consumenten. Secundaire onzekerheid vloeit voort uit een gebrek aan communicatie, d.w.z. uit het feit dat de ene besluitvormer niet weet wat de feitelijke beslissingen en plannen zijn van anderen. Deze secundaire vorm van onzekerheid is tamelijk onschuldig en niet-strategisch — er is slechts een gebrek aan communicatie dat in principe gecorrigeerd zou kunnen worden. Er is echter nog een andere vorm van onzekerheid die voortvloeit uit het strategisch gemotiveerd achterhouden en vertekenen van informatie (d.w.z. het bewust verspreiding van verkeerde en misleidende signalen). Wanneer partijen strategische plannen maken in relatie tot elkaar is dit een bron van ex ante onzekerheid en van ex post verrassingen.

Deze strategie-onzekerheid wordt veroorzaakt door opportunisme en wordt door Williamson gedragsmatige onzekerheid ('behavioral uncertainty') genoemd [Williamson 1985:58 en 1975:26 e.v.]. Voor hem vloeit deze vorm van onzekerheid voort uit het feit dat we met menselijk handelen te maken hebben. De onkritische gelijkstelling van het strategisch handelen van mensen met opportunistisch handelen, is inmiddels een bekend thema. Het vloeit voort uit de al eerder bekritiseerde naturalistische (om niet te zeggen naïeve) definitie van opportunisme. Ik pleit ervoor deze vorm van onzekerheid aan te duiden als strategische onzekerheid. In ieder geval wordt het onderzoek naar het economisch handelen tussen motivationeel complexe economische actoren aanzienlijk gecompliceerd door het feit dat er tijdens strategische interacties een praktisch onbeperkte reeks mogelijke boodschappen, aanbiedingen, dreigingen enz. wordt gecommuniceerd en dat de timing van de zetten (de inschatting van 'het juiste moment' voor bepaalde acties) zeer moeilijk is. Het eigen voorstellingsvermogen en het vermogen om de tegenstander te verrassen, spelen hierbij een zeer belangrijke rol. Bovendien worden tijdens de strategische interacties vaak de agenda's (strategieën, tactieken en methodieken) veranderd [Johanson 1979:511; Bader 1991:335 e.v.]. Er kunnen verrassende zetten worden gedaan die op hun beurt vaak weer complexe en onverwachte reacties oproepen. Men hoeft geen uitvoerige analyse van de dynamiek van strategische interacties in conflictsituaties te maken om de weten dat hierbij de grenzen van de menselijke rationaliteit snel worden bereikt: de volledige beslissingsboom kan zelfs voor relatief eenvoudige strategische interacties niet worden gegenereerd.

De organisationele conclusies die door Williamson uit deze beschouwing over onzekerheid worden getrokken, zijn tamelijk eenvoudig. Transacties waarvan de onzekerheid laag is, vereisen weinig aanpassing en dus ook weinig gedifferentieerde beheersstructuren. Zij kunnen dus door marktovereenkomsten worden georganiseerd (tenzij er transactie-specifieke kosten in het geding zijn).

Index


3.3 Frequentie

Tenslotte de derde dimensie van transacties: de frequentie. De frequentie van transacties loopt sterk uiteen: sommige transacties zijn eenmalig, anderen incidenteel, weer anderen zijn regelmatig. De uitgangsstelling is simpel: gespecialiseerde beheersstructuren zijn gevoeliger voor de bestuurlijke behoeften van niet gestandaardiseerde transacties dan ongespecialiseerde structuren, en omgekeerd [Williamson 1985:60]. Gespecialiseerde structuren brengen echter ook hogere kosten met zich mee, en de vraag is of deze vaste kosten gerechtvaardigd kunnen worden. Dit is enerzijds afhankelijk van de voordelen van gespecialiseerde beheersstructuren, en anderzijds van de mate waarin er gebruik van wordt gemaakt.

De voordelen van gespecialiseerde beheersstructuren zijn het grootst bij transacties die een aanzienlijke investering in transactie-specifieke bronnen vereisen. De vraag is echter of het aantal transacties dat door zo'n gespecialiseerde beheersstructuur wordt gerealiseerd groot genoeg is om de capaciteit daarvan goed benutten. De kosten van gespecialiseerde beheersstructuren kunnen gemakkelijker worden verantwoord naarmate er meer van dergelijke transacties plaatsvinden. De frequentie van transacties is dus een relevante dimensie. Wanneer de frequentie laag is en de behoefte aan genuanceerde beheersstructuren groot, dan moet men nagaan of het mogelijk is om deze onafhankelijke transacties te aggregeren, bijvoorbeeld door arbitrage.

Interne organisatie (middels verticale integratie) vereist dat er een gespecialiseerde beheersstructuur wordt opgebouwd waarvan de kosten worden omgeslagen over de transacties die daardoor worden gereguleerd. Daarom is het zelden economisch verantwoord om incidentele transacties binnen de eigen onderneming te organiseren.

Transactiekosten zijn echter niet de enige zorg. Het doel is immers niet om de transactiekosten te economiseren, maar om zowel transactie- en produktiekosten te economiseren. Williamson presenteert hiervoor een nogal simpel afwegingskader ('trade-off framework') voor produktie- en beheerskosten [zie m.n. de figuur 4-2 op pagina 92]. Demsetz [1988] heeft de transactiekosten-benadering van Williamson bekritiseerd omdat deze een te beperkte optiek zou bieden. Hij stelt dat coördinatie van transacties door ruil (markt) of management (hiërarchie) afhankelijk is van de totale som van transactie-, managements- en produktiekosten. Dat Williamson zich in zijn analyses sterk concentreert op de transactiekosten is juist, maar voor het doel dat hij zich stelt ook zeer legitiem. Dat hij geen oog zou hebben voor het feit dat 'make or buy' beslissingen nooit alleen genomen kunnen worden op grond van transactiekostencalculaties, is onjuist. Het probleem is veeleer dat Williamson geen simultane afwegingen maakt tussen de economieën van produktiekosten, transactiekosten (en van eventuele organisatie- of managementskosten die niet opgaan in de transactiekosten). Dat zijn benadering op dit punt zwak is, wordt overigens door Williamson niet ontkend.

2 Gedragsmatige vooronderstellingen Index 4 Micro-analyse van organisaties

Index


Noten

[1] Vgl. Williamson [1971,1975,1979,1983,1985], Williamson/Ouchi [1983:15], Crawford/Alchian [1978]

[2] Hieraan zou nog een ander onderscheid kunnen worden toegevoegd, nl. tussen convertibele en inconvertibele bronnen. Voor contractueel onderzoek is het van belang na te gaan in welke mate en binnen welke grenzen de betreffende bronnen kunnen worden gegeneraliseerd, d.w.z. of zij convertibel of inconvertibel zijn. Sommige bronnen kunnen alleen binnen bepaalde velden, arena's of domeinen worden ingezet; anderen bronnen in meerdere of alle velden inzetbaar.

Dit onderscheid moet niet worden verward met het onderscheid tussen liquide en niet-liquide bronnen. Sommige bronnen zijn op grond van hun specifieke gebruikseigenschappen vastgelegd op bepaalde aanwendingen (zoals een sinaasappelpers), terwijl het gebruik van andere bronnen niet beperkt is tot bepaalde aanwendingen (zoals geld en tijd). Vgl. uitvoeriger: Bader [1991: 260].

Meestal worden de kostensoorten onderscheiden in vaste (F) en variabele (V) delen. Maar zij kunnen ook nader worden gedifferentieerd naar de mate van specificiteit: volledige specifiek (k) en niet-specifiek (v). Williamson benadrukt terecht dat beide onderscheidingen niet homoloog zijn. Zie Williamson[1985:55] figuur 2-2.

[3] Noot over gijzelingsmodel en de betekenis van geloofwaardige verplichtingen/dreigingen.

[4] "In particular, the condition of asset specificity is the main factor to which a predictive theory of vertical integration must appeal" [Williamson1985:103].

[5] Het verschil tussen complexiteit en onzekerheid is hierbij niet essentieel. Wat bij schaken 'onzekerheid' wordt genoemd is onzekerheid in een perfect zekere omgeving die ontstaat door het onvermogen om de structuur van die omgeving te beoordelen. Het resultaat van onzekerheid is echter hetzelfde: "approximation must replace exactness in reaching a decision" [Simon 1972:170].

Index

Home Economic Sociology Subject Areas Sociologists Zoek Contact