Albert Benschop
Michael Polanyi [1962:52-3] heeft als een der eerste gewezen op het belang van idiosyncratische bronnen. Dit zijn unieke bronnen, zoals zeer bijzondere taakspecifieke arbeidskwalificaties, unieke locaties, gepatenteerde technische procedures. Polanyi werkte dit uit in een analyse van 'persoonlijke kennis' van industriële ambachtslieden waarin de betreffende vaardigheden zo diep verankerd zijn in de werkervaring dat zij door anderen slechts met de grootste moeilijkheden onderkend kunnen worden (vergelijk de meer recente studies over 'tacit knowledge'). De betekenis van idiosyncratische bronnen werd in de literatuur zwaar onderschat, omdat men er vanuit ging dat deze unieke condities zeer zeldzaam of onbelangrijk waren [Jacob Marschak 1968: 14]. In zijn onderzoek over verticale integratie heeft Williamson [1971] voor het eerst laten zien dat de idiosyncratische kenmerken van transacties grote systematische en organisationele gevolgen hebben. Transacties die gesteund worden door relatief grote investeringen in duurzame, transactiegebonden bronnen hebben 'insluitingseffecten', waardoor handel tussen autonome partijen meestal vervangen wordt door verenigd eigendom (d.w.z. door verticale integratie). Bij het begin van een nieuwe transacties zijn er meestal meerdere (grotere aantallen) gekwalificeerde en min of meer gelijkwaardige bieders. Degene die deze bieding wint, kan echter een kostenvoordeel verwerven (bijvoorbeeld vanwege een unieke locatie). Bij een volgende periode van contractvernieuwing verdwijnt hierdoor de biedingspariteit (d.w.z. de relatieve gelijkwaardigheid der bieders). Het resultaat daarvan is dat ex post contracten onder druk komen te staan wanneer geprobeerd wordt discrete contracten af te sluiten [Williamson 1971:116;1985:53-4]. Van idiosyncratische ruil is sprake wanneer meer ervaren partijen - die door 'learning-by-doing' een specifieke kwalificatie hebben verworven - de voorkeur krijgen boven anderen, omdat zij al met de betreffende produktietechniek, arbeidsprocessen of organisatieregels bekend zijn. Hetzelfde treedt op wanneer bepaalde marktpartijen een specifieke kennis hebben opgebouwd om een transactie uit te voeren. Handelspartners die in het verleden bewezen hebben 'betrouwbaar' te zijn, krijgen vaak de voorkeur boven onervaren potentiële partners.
De kernvraag in de analyse is of bronnen na het verbreken van een contract weer inzetbaar zijn of niet [Klein/Leffler 1981]. Williamson maakt een onderscheid tussen liquide en illiquide bronnen. Liquide bronnen zijn bronnen die gemakkelijk opnieuw inzetbaar ('redeployable') zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor centraal gesitueerde algemene gebouwen en voor algemene apparatuur zoals een tekstverwerker. Duurzame mobiele bronnen zoals niet-gespecialiseerde vrachtwagens en vliegtuigen zijn eveneens goed geschikt voor hergebruik. Illiquide bronnen zijn bronnen die niet gemakkelijk voor andere doeleinden of door andere gebruikers. Dit geldt bijvoorbeeld ondernemingsspecifiek of bedrijfsgebonden 'menselijk kapitaal'. Williamson noemt dit 'nonsalvageable' bronnen. Kosten die accountants meestal als variabele kosten behandelen, bevatten vaak een groot illiquide element dat niet voor hergebruik geschikt is. Liquide en illiquide bronnen onderscheiden zich dus van elkaar door de mate van specificiteit, gedefinieerd in termen van hun meer of minder beperkte aanwendingsmogelijkheden. Daarom zou men - zoals Williamson zelf ook soms doet ook kunnen spreken van specifieke en niet-specifieke bronnen.[2]
Williamson maakt geen uitvoerige analyse van de bronnen die in en door transacties worden overgedragen en opereert met een tamelijk simpele bronnenindeling. Hij concentreert zich op voornamelijk op onderscheid tussen vier typen van bronspecificiteit en op de daarmee corresponderende organisationele implicaties. Ik kan deze hier slechts kort aanduiden.
Omdat er zowel beperkte rationaliteit als opportunisme bestaat, moet men telkens opnieuw beoordelen wat vermogen is van alternatieve beheersstructuren om zich aan nieuwe omstandigheden aan te passen. In de transactiekostenbenadering concentreert men zich vooral op adaptieve (aanpassende != statische) en sequentiële (opeenvolgende != enkelvoudige) besluitvorming. De basisstelling luidt dat beheersstructuren een verschillend vermogen hebben om effectief te reageren op evenwichtstoringen en onvoorziene omstandigheden.
Williamson wil laten zien waar die fundamentele onzekerheid vandaan komt en wat de aard van deze onzekerheid is. Met Tjalling Koopmans [1957:162-3] maakt hij een onderscheid tussen primaire en secundaire onzekerheid. Primaire onzekerheid is van een 'state-contingent' soort die voortvloeit uit de willekeurige 'acts of nature' en onvoorspelbare wijzigingen in de voorkeuren van consumenten. Secundaire onzekerheid vloeit voort uit een gebrek aan communicatie, d.w.z. uit het feit dat de ene besluitvormer niet weet wat de feitelijke beslissingen en plannen zijn van anderen. Deze secundaire vorm van onzekerheid is tamelijk onschuldig en niet-strategisch er is slechts een gebrek aan communicatie dat in principe gecorrigeerd zou kunnen worden. Er is echter nog een andere vorm van onzekerheid die voortvloeit uit het strategisch gemotiveerd achterhouden en vertekenen van informatie (d.w.z. het bewust verspreiding van verkeerde en misleidende signalen). Wanneer partijen strategische plannen maken in relatie tot elkaar is dit een bron van ex ante onzekerheid en van ex post verrassingen. Deze strategie-onzekerheid wordt veroorzaakt door opportunisme en wordt door Williamson gedragsmatige onzekerheid ('behavioral uncertainty') genoemd [Williamson 1985:58 en 1975:26 e.v.]. Voor hem vloeit deze vorm van onzekerheid voort uit het feit dat we met menselijk handelen te maken hebben. De onkritische gelijkstelling van het strategisch handelen van mensen met opportunistisch handelen, is inmiddels een bekend thema. Het vloeit voort uit de al eerder bekritiseerde naturalistische (om niet te zeggen naïeve) definitie van opportunisme. Ik pleit ervoor deze vorm van onzekerheid aan te duiden als strategische onzekerheid. In ieder geval wordt het onderzoek naar het economisch handelen tussen motivationeel complexe economische actoren aanzienlijk gecompliceerd door het feit dat er tijdens strategische interacties een praktisch onbeperkte reeks mogelijke boodschappen, aanbiedingen, dreigingen enz. wordt gecommuniceerd en dat de timing van de zetten (de inschatting van 'het juiste moment' voor bepaalde acties) zeer moeilijk is. Het eigen voorstellingsvermogen en het vermogen om de tegenstander te verrassen, spelen hierbij een zeer belangrijke rol. Bovendien worden tijdens de strategische interacties vaak de agenda's (strategieën, tactieken en methodieken) veranderd [Johanson 1979:511; Bader 1991:335 e.v.]. Er kunnen verrassende zetten worden gedaan die op hun beurt vaak weer complexe en onverwachte reacties oproepen. Men hoeft geen uitvoerige analyse van de dynamiek van strategische interacties in conflictsituaties te maken om de weten dat hierbij de grenzen van de menselijke rationaliteit snel worden bereikt: de volledige beslissingsboom kan zelfs voor relatief eenvoudige strategische interacties niet worden gegenereerd.
De organisationele conclusies die door Williamson uit deze beschouwing over onzekerheid worden getrokken, zijn tamelijk eenvoudig. Transacties waarvan de onzekerheid laag is, vereisen weinig aanpassing en dus ook weinig gedifferentieerde beheersstructuren. Zij kunnen dus door marktovereenkomsten worden georganiseerd (tenzij er transactie-specifieke kosten in het geding zijn).
De voordelen van gespecialiseerde beheersstructuren zijn het grootst bij transacties die een aanzienlijke investering in transactie-specifieke bronnen vereisen. De vraag is echter of het aantal transacties dat door zo'n gespecialiseerde beheersstructuur wordt gerealiseerd groot genoeg is om de capaciteit daarvan goed benutten. De kosten van gespecialiseerde beheersstructuren kunnen gemakkelijker worden verantwoord naarmate er meer van dergelijke transacties plaatsvinden. De frequentie van transacties is dus een relevante dimensie. Wanneer de frequentie laag is en de behoefte aan genuanceerde beheersstructuren groot, dan moet men nagaan of het mogelijk is om deze onafhankelijke transacties te aggregeren, bijvoorbeeld door arbitrage.
Interne organisatie (middels verticale integratie) vereist dat er een gespecialiseerde beheersstructuur wordt opgebouwd waarvan de kosten worden omgeslagen over de transacties die daardoor worden gereguleerd. Daarom is het zelden economisch verantwoord om incidentele transacties binnen de eigen onderneming te organiseren.
Transactiekosten zijn echter niet de enige zorg. Het doel is immers niet om de transactiekosten te economiseren, maar om zowel transactie- en produktiekosten te economiseren. Williamson presenteert hiervoor een nogal simpel afwegingskader ('trade-off framework') voor produktie- en beheerskosten [zie m.n. de figuur 4-2 op pagina 92]. Demsetz [1988] heeft de transactiekosten-benadering van Williamson bekritiseerd omdat deze een te beperkte optiek zou bieden. Hij stelt dat coördinatie van transacties door ruil (markt) of management (hiërarchie) afhankelijk is van de totale som van transactie-, managements- en produktiekosten. Dat Williamson zich in zijn analyses sterk concentreert op de transactiekosten is juist, maar voor het doel dat hij zich stelt ook zeer legitiem. Dat hij geen oog zou hebben voor het feit dat 'make or buy' beslissingen nooit alleen genomen kunnen worden op grond van transactiekostencalculaties, is onjuist. Het probleem is veeleer dat Williamson geen simultane afwegingen maakt tussen de economieën van produktiekosten, transactiekosten (en van eventuele organisatie- of managementskosten die niet opgaan in de transactiekosten). Dat zijn benadering op dit punt zwak is, wordt overigens door Williamson niet ontkend.
2 Gedragsmatige vooronderstellingen Index 4 Micro-analyse van organisaties
|
[2] Hieraan zou nog een ander
onderscheid kunnen worden toegevoegd, nl. tussen convertibele en
inconvertibele bronnen. Voor contractueel onderzoek is het van belang
na te gaan in welke mate en binnen welke grenzen de betreffende bronnen
kunnen worden gegeneraliseerd, d.w.z. of zij convertibel of inconvertibel
zijn. Sommige bronnen kunnen alleen binnen bepaalde velden, arena's of
domeinen worden ingezet; anderen bronnen in meerdere of alle velden
inzetbaar. Dit onderscheid moet niet worden verward met het onderscheid
tussen liquide en niet-liquide bronnen. Sommige bronnen zijn op
grond van hun specifieke gebruikseigenschappen vastgelegd op bepaalde
aanwendingen (zoals een sinaasappelpers), terwijl het gebruik van andere
bronnen niet beperkt is tot bepaalde aanwendingen (zoals geld en tijd).
Vgl. uitvoeriger: BADER [1991: 260].
Meestal worden de kostensoorten
onderscheiden in vaste (F) en variabele (V) delen. Maar zij kunnen ook
nader worden gedifferentieerd naar de mate van specificiteit: volledige
specifiek (k) en niet-specifiek (v). Williamson benadrukt terecht dat
beide onderscheidingen niet homoloog zijn. Zie WILLIAMSON [1985:55] figuur
2-2.
[3] Noot over gijzelingsmodel en de betekenis van geloofwaardige verplichtingen/dreigingen.
[4] "In particular, the condition of asset specificity is the main factor to which a predictive theory of vertical integration must appeal" [WILLIAMSON 1985:103].
[5] Het verschil tussen complexiteit en onzekerheid is hierbij niet essentieel. Wat bij schaken 'onzekerheid' wordt genoemd is onzekerheid in een perfect zekere omgeving die ontstaat door het onvermogen om de structuur van die omgeving te beoordelen. Het resultaat van onzekerheid is echter hetzelfde: "approximation must replace exactness in reaching a decision" [SIMON 1972:170].