Home Economic Sociology Subject Areas Sociologists Zoek Contact

Transactiekosten in de Economische Sociologie

dr. Albert Benschop

  1. Het institutionele perspectief
  2. Gedragsmatige vooronderstellingen: ‘the contractual man’
    2·1 Beperkte rationaliteit
    2·2 Opportunisme
    1. Opportunisme met list en bedrog
    2. Openlijk streven naar eigen belang
    3. Gehoorzaamheid
    2·3 Kritiek op gedragsmatige vooronderstellingen
    1. Geen ruimte voor waardigheid
    2. Opportunisme als vorm van strategisch handelen
    3. Strategische handelingsanalyse
  3. Dimensies van transacties
  4. Micro-analyse van organisaties: efficiënt beheer
  5. Tussen markten en hiërarchieën
  6. Samenvattende kritiek
  7. Conclusies

    Literatuur

Gepubliceerd: jan. 1996 — Laatst gewijzigd: 19 nov, 2017

 

2 Gedragsmatige vooronderstellingen
‘the contractual man’

Williamson is een van de meest vooraanstaande representanten van de tweede generatie van ‘gedragsmatige economen’ die in het voetspoor zijn getreden van Herbert Simon, Richard Cyert en James March.[1] Een groot aantal verschillen tussen alternatieve benaderingen in de analyse van economische organisaties vinden hun oorsprong in onderliggende verschillen in gedragsmatige vooronderstellingen. Daarom zal ik eerst de gedragsmatige vooronderstellingen van de TCE afbakenen. De TCE vertrekt niet vanuit de 'economische mens', de 'werkende mens' of de 'politieke mens', maar vanuit de visie van de 'contractual man'. De 'menselijke natuur zoals wij die kennen' wordt daarbij gekenmerkt door referentie aan 'beperkte rationaliteit' en 'opportunisme'.[2] De eerste erkent de grenzen van cognitieve competentie, de tweede is een substituut voor streven naar eigenbelang ('self-interest seeking').

Index


2.1 Beperkte rationaliteit

"The capacity of the human mind for formulating and solving complex problems is very small compared with the size of the problems whose solution is required for objectively rational behavior in the real world" [Simon 1957:198 - Models of Man].

Het vermogen van mensen om complexe problemen te formuleren en op te lossen is beperkt. Beperkte rationaliteit refereert aan menselijk gedrag dat "intentioneel rationeel is, maar slechts op een beperkte wijze" [Simon 1961:xxiv].[3] Beperkte rationaliteit moet niet worden verward met nonrationaliteit of irrationaliteit.[4] De beperking van menselijke rationaliteit vloeit voort uit neurofysiologische en taallimieten.

Beperkte rationaliteit is alleen van belang in de mate dat de limieten van rationaliteit worden bereikt, d.w.z. onder condities van onzekerheid en/of complexiteit. Wanneer een van beide condities niet zou bestaan, zou men vooraf de meest geschikte reeks contingente acties kunnen specificeren. Een eenvoudig voorbeeld hiervan is het tweedimensionale spelletje boter-kaas-en-eieren. Bij dit spelletje is het niet moeilijk om van te voren de contingente antwoorden te specificeren voor alle zetten. In verhouding tot het rekenvermogen van de meeste volwassenen is dit relatief eenvoudig.[5] Het schaakspel is daarentegen onmogelijk complex. Hoewel een speler beschikt over alle informatie die hij voor zijn beslissing nodig heeft (d.i. de positie van de zwarte en witte stukken op het moment dat hij een zet overweegt), is het is onmogelijk om van de voren de volledige beslissingsboom te specificeren. Schaken zou een triviaal spel worden wanneer de schaaktheorie volledig bekend zou zijn, dat wil zeggen wanneer men een alle variaties van alle mogelijke spelen kent. De volledige beslissingsboom is hiervoor echter veel te complex. Veronderstel dat er op elk willekeurig moment in een schaakspel er ongeveer 30 legale zetten bestaan. Voor het doen van één zet en voor de reacties hierop moet men rekening houden met 103 mogelijkheden. Wanneer de gemiddelde lengte van het spel veertig zetten is, zou men met 10120 mogelijkheden rekening moeten houden. Voor de huidige generatie mensen en computers is dit te veel. Het schaakprobleem (resp. het attractieve van schaken) is dus dat het aantal alternatieve sequenties van zetten en tegenzetten zelfs voor de wereldkampioen te groot is. De schaker wil wel volledig rationele beslissingen nemen, maar zijn/haar vermogen om de consequenties van alle mogelijke beslissingen volledig te evalueren is beperkt.[6]

Onzekerheid is van groot belang vanwege de beperkte menselijke capaciteit voor informatieverwerking [Simon 1945,1957]. Gezien deze onzekerheid kan de hypothese van een perfect geïnformeerde en perfect rationele beslisser - wat de fundamentele vereiste is van de ideale prestatie van markten - niet overeind gehouden worden.[7] Een toestand van onzekerheid is een type relatie tussen een actor en een beslissingscontext waarin het voor de actor per definitie logisch onmogelijk of te kostbaar is om een aantal logische operaties uit te voeren, zoals

Zelfs voor problemen met een relatief lage complexiteit is het al onmogelijk een volledige beslissingsboom op te stellen. Ten eerste is het aantal alternatieve wegen dat men kan bewandelen zeer groot. Ten tweede is men vaak niet in staat de alternatieve wegen te overzien en beschikt men ook niet over regels om deze alternatieve paden te reconstrueren. En tenslotte is het zeer moeilijk zo niet onmogelijk om de gevolgen van de diverse alternatieven in te schatten. Kortom: "The comprehensive decision model is not feasible for most interesting decision problems" [Feldman/Kanter 1965:615]. Wanneer economische transacties in turbulente omgevingen plaatsvinden die door frequente exogene onvoorspelbare schokken worden verstoord, of binnen concurrerende structuren die niet leiden tot gemakkelijk voorspelbare evenwichten, is het moeilijk om alle hiervoor genoemde berekeningen en beoordelingen te maken.

De markt is een vorm van regulatie van economische transacties. De markt vereist volledige transparantie in informatiestromen. Meer in het bijzonder is vereist dat prijzen alle informatie bieden die nodig is om een ruilbeslissing te nemen. De traditionele economische theorie benadrukt dat het prijssysteem een voldoende bron van informatie is. Zij houdt vast aan de bekende stelling van van Hayek [1945:525 e.v.] dat het 'wonder' van het economisch systeem is dat prijzen een voldoende statistiek vormen, waarbij geëconomiseerd wordt op beperkte rationaliteit (ook Williamson 1975: 5 refereert aan deze stelling) Het menselijke vermogen voor informatieverwerking is weliswaar beperkt, maar een marktsysteem kan de ruil besturen omdat (zo wordt althans verondersteld) economische kwantitatieve indicatoren (prijzen) alle attributen van goederen of diensten representeren die relevant zijn voor de betrokken partijen. Arrow [1959:47] heeft er echter terecht op gewezen dat het priessysteem alleen onder evenwichtsvoorwaarden een voldoende bron van informatie, maar dat dit niet opgaat onder condities van onevenwichtigheid: dan staat er een premie op het verwerven van informatie uit andere bronnen dan de prijzen en kwantiteiten waartoe een onderneming direct toegang heeft.

Marktfalen treedt op wanneer prijzen onbetrouwbare en ambigue informatie worden. Maar er zijn nog andere voorwaarden waardoor markten niet in buurt komen van het model van volledige concurrentie. In de literatuur over marktfalen zijn de voorwaarden uitvoerig gedemonstreerd (de belangrijkste factoren die marktfalen veroorzaken zijn genoemd door Bator 1958 en Marschak 1965). Afgezien van de factor van onzekerheid over de gevolgen van acties (als gevolg van onvoorspelbare contingenties en onbetrouwbaarheid of onbeschikbaarheid van prijsinformatie) kan marktfalen ook optreden door:

Aan het bestaan van organisaties liggen onzekerheid en gelimiteerde rationaliteit ten grondslag. Wanneer markten falen dan is de hiërarchische of organisationele vorm van regulatie van transacties binnen de grenzen van een afzonderlijke onderneming een levensvatbaar, efficiënter alternatief. Organisaties zijn machtige middelen om onzekerheid te reduceren.
  1. De regels van een organisatie, de beschrijvingen van taken(pakketten) en het prikkel- en controlesysteem maken de interne markt meer voorspelbaar dan de externe [Simon 1945].
  2. Een organisatie reduceert complexe problemen tot hanteerbare brokken [March/Simon 1958].
Het voordeel van interne organisatie is dat het organisatieleden toestaat om met onzekerheid/complexiteit om te gaan op een adaptieve, sequentiële manier. Er wordt niet geprobeerd om van te voren de beslissingboom uitputtend te specificeren en daaruit corresponderende contingente prijzen af te leiden: men beperkt de aandacht tot de actuele uitkomsten. De mogelijkheden worden telkens weer opnieuw bekeken op basis van van nieuwe waarnemingen. Er wordt van te voren geen gedetailleerde strategie ontwikkeld om alle mogelijke bruggen over te steken die men zich kan voorstellen. Het principe is veeleer: 'cross your bridge as you come to it'. Het voordeel van interne organisatie is bovendien dat er in vergelijking met marktruil meer efficiënte codes/routines worden ontwikkeld en toegepast. Dergelijke codes en organisatieroutines werken economiserend. Taal is het primaire mechanisme dat mensen gebruiken om kennis aan elkaar over te dragen. Middels het gebruik van taal kunnen we onze persoonlijke kennis in een expliciete symbolische vorm (d.i. woorden) codificeren en hierover met anderen communiceren. Communicatiesystemen worden effectief wanneer zij talen gebruiken die zeer veel betekenis hebben met relatief weinig symbolen. Blauwdrukken, systemen van productnummers en beroepsjargon ('idiosyncratische taal') zijn gunstig voor het verhogen van de efficiëntie van hun communicatie. Dit bedrijfsgebonden vocabulair kan zeer ingewikkeld worden en voor buitenstaanders verwarrend zijn. Maar voor degenen die binnen de onderneming werken geldt het omgekeerde: het gedeelde bedrijfsspecifieke vocabulair biedt een gemeenschappelijk referentiekader voor het communiceren binnen de onderneming. Met andere woorden: "het gedeelde vocabulair smeert de wielen van de communicatie en vergroot de kennisstroom binnen de onderneming" [Hill 1996]. Het vergroot niet alleen de omvang van de kennisstroom, maar ook de kwaliteit van de kennis binnen de onderneming.

Voor de constructie van een realistische organisatietheorie is het mijns inziens zinnig uit te gaan van de vooronderstelling van beperkte rationaliteit. Hierdoor neemt men voldoende afstand van de extreme rationaliteitspremisse van de neo-klassieke economie, wordt men gedwongen om serieus rekening te houden met de fundamentele onzekerheid bij (beslissingen over) economische transacties, en krijgt men veel beter zich op de complexiteits- en onzekerheidreducerende functie van organisaties.

Index


2.2 Opportunisme

De tweede gedragsmatige vooronderstelling, opportunisme, is is aanzienlijk problematischer. Williamson veronderstelt dat de bij een contract betrokken partijen hun eigen belangen nastreven en er daarom belangenconflicten bestaan die getransformeerd worden in een onderhandelde orde via terugkerende transacties. Het streven naar eigenbelang kan op drie niveaus worden gethematiseerd. De sterkste vorm is opportunisme, de minder sterke vorm is eenvoudig streven naar eigen belang, en de zwakste vorm is gehoorzaamheid.

a. Opportunisme met list en bedrog
Opportunisme wordt gedefinieerd als het streven naar eigenbelang waarbij ook list en bedrog een rol spelen.[8] Opportunisme is 'self-interest seeking with guile', het op slinkse of arglistige wijze najagen van het eigen belang. Het impliceert niet alleen zeer duidelijke vormen zoals liegen, stelen en bedriegen, maar ook meer subtiele vormen van misleiding. Opportunisme is meer dan het streven naar eigen belang: opportunisme is de neiging om alle kansen te benutten om meer uit een ruil te slepen, zelfs wanneer de handelingen die hiervoor nodig zijn niet eerlijk of onethisch zijn. "It is self-interest seeking with guile: agents who are skilled at dissembling realize transactional advantages. Economic man ... is thus a more subtle and devious creature than the usual self-interest seeking assumption reveals" [Willamson 1985:255]. Williamson beschouwt opportunisme als een fundamenteel kenmerk van menselijk handelen.[9] De centrale middelen van opportunisme zijn vertekening van informatie ('misleiding') en het doen van beloftes waarin men zelf niet gelooft ('bedrog').
Opportunisme kent actieve en passieve vormen en ex ante en ex post typen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de informatie-economie. In deze relatief jonge wetenschap worden de implicaties bestudeerd die informatieproblemen en -kenmerken hebben voor de economische theorie. Het onderzoek naar verzekeringsproblemen is hierbij een belangrijke inspiratiebron. Hierbij staan twee begrippen centraal: 'adverse selection' (of: verborgen informatie) en 'moral hazard' (verborgen actie). Het zijn beide vormen van informatie-asymmetrie [vgl. Arrow1985].

Spelletje spelen?
Om een indruk te krijgen van de betekenis van informationele asymmetrieën in opportunistisch (of strategisch) gedrag geven Milgrom/Roberts [1987:184] drie eenvoudige kaartspelen in overweging. Hieruit wordt duidelijk wat het verschil is tussen onvolledigheid, onzekerheid en asymmetrie van informatie.

In het eerste spel krijgt elke speler vijf kaarten open op tafel, de spelers kunnen elke weddenschap aangaan die zij willen en de beste kaart wint. In het tweede spel krijgt elke speler vijf kaarten, waarvan er sommige open liggen en anderen niet. Zonder naar hun hun bedekte kaarten te kijken, kunnen de spelers hun inzet bepalen, de bedekte kaarten worden vervolgens omgekeerd en de hoogste combinatie wint. Het derde spel verloopt net als het tweede behalve dat de spelers hierbij hun eigen bedekte kaarten mogen bekijken. Ook hier wordt ingezet, de bedekte kaarten worden omgekeerd en de hoogste combinatie wint.

In het eerste spel is er sprake van volledige (en perfecte) informatie. Iedereen weet alles. Wanneer we veronderstellen dat mensen meer geld prefereren boven minder geld, is het tamelijk simpel te bedenken wat er zal gebeuren: niemand zal iets inzetten en waarschijnlijk is niemand in het spel geïnteresseerd.

In het tweede spel is er sprake van onzekerheid/informationele onvolledigheid, maar niet van informatie-asymmetrie. Dit type spelen zijn nuttige modellen om kwesties van verzekering, riskante investeringen en leren te bestuderen. Met name wanneer we het spel zo veranderen dat er na elke bieding één kaart wordt omgekeerd. Het spel zou echter toch geen interessante vorm van strategisch gedrag genereren.

In het derde spel is er sprake van informationele asymmetrieën: hoewel sommige informatie voor iedereen beschikbaar is, is elke speler slechts particulier geïnformeerd over zijn eigen bedekte kaarten. Door deze privé-informatie kan er een interessant strategisch spel ontstaan: bluffen, signalen geven, reputatiebouwen, zwakte suggereren enz. Dit is de reden waarom het edele pokerspel nog steeds zo vermakelijk is.


Charles Perrow heeft er in zijn kritiek op de agency theory terecht op gewezen dat hierbij geen rekening wordt gehouden met beide kanten van het contract.[38]

Ook Williamson ziet alleen bilaterale contracten, maar is geneigd het bilaterale karakter te vergeten wanneer hij zijn modellen en vergelijkingen construeert. Dan ziet hij alleen dat 'principals zijn overgeleverd aan 'agents' (die zogenaamd hun 'true type' kennen) en gaat hij voorbij aan het feit dat 'agents' zijn overgeleverd aan 'principals', die hun eigen 'true type' kennen, maar nooit onthullen aan de van hen afhankelijke 'agents'. Ook de 'principals' hebben dus een type dat verkeerd begrepen of veranderd kan worden. Dit is precies de reden waarom arbeidscontracten door vakbonden worden gesloten en niet door werknemers.
Opportunisme refereert aan onvolledige (selectieve) of vervormende wijze van ontsluiting van informatie, met name aan gecalculeerde pogingen tot misleiding, verhulling en verwarring. Onvolledige informatie over leveranciers of werknemers stelt hen in staat zich opportunistisch te gedragen. Wanneer er geen opportunisme zou bestaan zou al het menselijke handelen door middel van regels kunnen worden bestuurd. De les die hieruit wordt getrokken is deze: transacties die onderhevig zijn aan ex post opportunisme hebben er voordeel bij wanneer er adequate garanties ex ante ontwikkeld kunnen worden [Williamson 1985:48]. De wijze prins is hij die zowel probeert 'geloofwaardige verplichtingen' ('credible commitments') te geven als te ontvangen.[10] Opportunisme is een lastige bron van 'gedragsmatige' onzekerheid in economische transacties. Deze onzekerheid zou alleen verdwijnen wanneer mensen volledig open en eerlijk zouden zijn in hun inspanningen om individuele voordelen te realiseren, of als volledige onderschikking, zelf-ontkenning en gehoorzaamheid verondersteld zou kunnen worden.

b. Openlijk streven naar eigen belang
De tweede vorm is het openlijk of eenvoudig streven naar eigen belang. Williamson suggereert dat dit de motivationele vooronderstelling is waarop de neo-klassieke economie berust. De neo-klassieke economie berust echter niet op een algemene utilitaire vooronderstelling dat mensen streven naar hun (individuele en collectieve) eigen belangen, maar op een specifieke variant daarvan. Ik heb er al eerder op gewezen dat dit utilisme grofmaterialistisch is gereduceerd (als streven naar materiële of monetaire belangen/utiliteiten) en extreem wordt geïndividualiseerd (als streven naar strikt individuele eigen belangen). De economische actoren in de neo-klassieke leer zijn calculerende rationalistische egoïsten. Om de bijzonderheid van zijn eigen benadering te profileren, opereert Williamson dus met een nogal kunstmatig (om niet te zeggen misleidend) contrast. In de neo-klassieke visie botst de mens via markten op het streven naar eigen belang van anderen. Dit veronderstelt dat er contracten worden gesloten op voorwaarden die de originele marktposities reflecteren. In standaardeconomische modellen worden individuen behandeld alsof zij een spel spelen met vaste regels waaraan zijn gehoorzamen "They do not buy more than they can pay for, they do not embezzle funds, the do not rob banks" [Peter Diamond 1971:31].

c. Gehoorzaamheid
Gehoorzaamheid wordt gedefinieerd als het niet nastreven van eigen belang. Van gehoorzaamheid is sprake wanneer mensen identificeren zich met met opgelegde macro-economische doelen en daaraan hun eigen belang ondergeschikt maken (maar zij laten het niet noodzakelijk varen, zoals Williamson 1985:49 suggereert). Dit is alleen het geval (a) wanneer en voorzover de identificatie met 'macro-economische doelen' niet verenigbaar is met de individuele of collectieve definities van het eigen belang, of (b) wanneer men ontkent dat de eigen belangen van menselijke individuen geen collectieve dimensie hebben resp. dat collectieve belangen van menselijke individuen een logische of praktische onmogelijkheid zouden zijn.
Een simpel voorbeeld ter verduidelijking. Werknemers kunnen zich identificeren met macro-economische doelen zoals 'volledige werkgelegenheid', 'instandhouding van het sociale zekerheidsstelsel' of 'het terugdringen van het financieringstekort van de overheid'. Zij kunnen hun individuele (of strikt persoonlijke) belang ondergeschikt maken aan een (specifieke combinatie) van deze doelstellingen, en bijvoorbeeld hun loonaanspraken matigen of opschorten, een verhoging van sociale zekerheidspremies of van belastingen accepteren. Wanneer zij dit doen betekent dit nog niet dat zij daarmee automatisch hun eigen belang laten varen. Een dergelijke keuze kan gebaseerd zijn op een uiterst rationele strategische afweging van individuele en collectieve (of klassespecifieke) eigen belangen, van korte en lange termijnbelangen, of van directe en fundamentele belangen. De identificatie met macro-economische doelen is dus niet per definitie hetzelfde als altruïsme en moet ook niet worden verward met (van buiten af opgelegde en dus afgedwongen) gehoorzaamheid.[11]

Al deze overwegingen resulteren bij Williamson in twee fundamentele stellingen. Ten eerste zijn alle complexe contracten onvermijdelijk onvolledig (gegeven gelimiteerde rationaliteit). Ten tweede zijn contracten (als beloften) die niet steunen op geloofwaardige verplichtingen hopeloos naïef (gegeven opportunisme).

Index


2.3 Kritiek op gedragsmatige vooronderstellingen

We hebben gezien dat de 'menselijke natuur zoals die is' door Williamson wordt gedefinieerd in termen van aan 'beperkte rationaliteit' en 'opportunisme'. Ik beperk mij tot twee punten van kritiek, waarvan de eerste ook door Williamson zelf aan de orde is gesteld.

a Geen ruimte voor waardigheid

Williamson [1985:44 -noot 3] heeft geprobeerd nog een derde gedragsmatige vooronderstelling op te nemen, namelijk 'waardigheid' . Hij beschouwt zijn eigen poging als mislukt, maar hoopt dat deze lacune nog wordt opgevuld. Waardigheid ('dignity') wordt hier en daar wel genoemd, met name in verband met arbeidsverhoudingen [hoofdstuk X, § 6·2] en informele organisatie [vgl. ook zijn algemene bespreking in hoofdstuk 15]. In hoofdstuk X [p. 271] werpt hij de vraag op of het niet gewenst is om 'waardigheid' als een onderliggend kenmerk van de menselijke natuur te introduceren. Hij merkt terecht op dat juist in het kapitalisme de waardigheid wordt ondergewaardeerd en dat er soms institutionele garanties nodig zijn om dit te corrigeren (in de vorm van arbeidsrecht). Intuïtief voelt iedereen aan dat niet alleen de rationaliteit van substantiële resultaten van belang is, maar ook de effecten van het proces op de participanten. Williamson maakt een onderscheid tussen twee niveaus van argumentatie:
  1. het laagste niveau is dat van de rentabiliteitsberekening: vermijdbare suboptimalisering door managers (d.i. eerste-lijn toezichthouders) moet worden gecorrigeerd.
  2. het hogere niveau is dat van het Kantiaanse morele imperatief: behandel iemand nooit als een louter middel, of bijbels geformuleerd: 'wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan anderen niet'.
De eerste doelstelling kan worden bereikt door een zorgvuldig gebruik van institutionele garanties. Kortzichtigheid van managers kan tot op zekere hoogte worden beperkt wanneer de rentabiliteitsberekening van de onderneming als geheel wordt gebruikt als grondslag voor adequate toezichthoudende beperkingen. Louter calculerende maar geïnformeerde besluitvormers op hogere niveaus kunnen dergelijke organisationele hervormingen implementeren.

De vraag is echter in hoeverre dergelijke hervormingen afwijken van het Kantiaanse morele imperatief. Williamson refereert het socialistische bezwaar tegen het kapitalisme zoals dat door Horvat werd geformuleerd. "Relations between persons are expressed and experienced as relations between things. ... Man evaluate each other as the they value objects" [Horvat 1982:90-1]. Williamson is van mening dat economen hierop een weloverwogen antwoord zouden moeten geven. Het veiligstellen van bedrijfsspecifieke waarden in menselijk kapitaal is volgens hem gemakkelijk (maar natuurlijk wel sterk omstreden). De vraag is echter of er nog andere of verdergaande 'waardigheidswaarden' zijn die ondersteuning verdienen. Maar ook wat daarvan de comperatieve institutionele implicaties zijn, en wat de afwegingen zijn die daarbij gemaakt moeten worden. Williamson werpt deze vragen wel op, maar geeft zelfs niet het begin van een antwoord. Zijn conclusie is uiteindelijk nogal mager en teleurstellend: het belang van waardigheid moet weliswaar worden onderkend, maar de calculerende op efficiency gerichte benadering van de TCE is niet geschikt om alle kwesties die hierbij een rol spelen te behandelen. In de kritiek op zijn nogal beperkte efficiencybegrip zal ik hieronder laten zien, waarom er in zijn verklaringsmodel geen (systematische) plaats is voor menselijke waarden zoals 'waardigheid'.

b Opportunisme als bijzondere vorm van strategisch handelen

Williamson wijst op een probleem in organisaties waaraan tot nu toe te weinig aandacht is besteed: het verschijnsel van op eigenbelang gericht handelen. In economische organisatietheorieën wordt dit probleem overwegend in utilitaristische termen gesteld. Het op eigen belang gerichte handelen dat achter de TCE ligt, is zeker niet de 'essentie van organisaties' (zoals Moe 1984 beweert), maar wel een probleem waaraan aandacht moet worden besteed. Daarbij moet echter een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen het algemene streven naar eigen belang (particularisme) en de bijzondere vormen daarvan, zoals het individualistisch streven naar eigen belang (egoïsme) of het met list en bedrog streven naar eigen belang (opportunisme). Opportunisme kan mijns inziens het beste worden geanalyseerd als een specifieke vorm van egoïstisch handelen.[12]

De grote zwakte van het hele verklaringsmodel van Williamson is dat hij opportunisme opvat als een vaste ('natuurlijke' of 'algemeen menselijke') eigenschap en niet als een historisch en maatschappelijk bepaalde variabele.

Heilige of Opportunist?
Williamson beweert natuurlijk niet letterlijk dat alle mensen altijd opportunistisch zijn. Toch wekt hij in bijna al zijn formuleringen steeds weer de indruk dat opportunisme een inherente eigenschap is van ‘human nature as we know it’. In een interview probeert Williamson zijn stellingname enigszins te relativeren. Enerzijds houdt hij vast aan de gedachte dat opportunisme een fundamentele menselijke gedragseigenschap is die in de economische organisatietheorie moet worden ingebouwd, ook al is het een “a relatively unflattering behavioral assumption”. Anderzijds laat hij zich iets voorzichtiger uit over de mate waarin deze gedragsaspecten als algemene kenmerken kunnen worden beschouwd.
    “I myself don’t assume that most people are opportunistic most of the time; I assume that some people are opportunistic some of the time and that it is very difficult to sort those who are opportunistic from those who are not” [Williamson in: Swedberg 1990: 126; vgl. ook Williamson/Ouchi 1981:16-7].
Het meest opmerkelijke is echter dat hij tegelijkertijd toch in uiterst abstracte en in dit verband misleidende dichotomieën blijft denken.
    “The alternative to opportunism is saintliness, and since we are not prepared to embrace that, then opportunism is something we have to come to terms with.”
Als mensen van nature geen opportunisten zijn dan moeten het wel heiligen zijn. Het is verbazingwekkend dat Williamson met een dergelijke simplistische logica de oude discussie tussen vertegenwoordigers van negatieve en positieve antropologieën nog eens wil overdoen. Het lijkt erop alsof hij zich in ieder geval niet wil laten hinderen door de inzichten die door antropologen, sociologen en sociaal-psychologen in de laatste honderd jaar (of sinds de dissertatie van Knight) over dit thema naar voren zijn gebracht.
Hij gaat daarom volledig voorbij aan de vraag onder welke voorwaarden egoïstisch of opportunistisch handelen ontstaat. Wanneer neemt het op eigenbelang gericht strategische handelen (particularisme) de specifieke vorm van egoïstisch of opportunistisch handelen aan, waarin op geen enkele wijze rekening wordt gehouden met de belangen van andere individuen of groepen?

De principiële vooronderstelling van de TCE is dat mensen individuele utiliteiten maximeren, gedefinieerd als (materiële of monetaire) beloning minus inspanning. Deze vooronderstelling zou veeleer als een empirische variabele moeten worden behandeld [Perrow 1986:232]. De kritische vraag is dus onder welke voorwaarden mensen in organisaties hun eigen utiliteiten of belangen gaan maximaliseren ongeacht de gevolgen die dit voor anderen heeft, en wanneer zij zullen afzien van een utiliteitstoename of zelfs een een verlies incasseren vanwege de gevolgen die dit voor anderen heeft?

Dit zou niet moeten worden verward met de bekende algemene discussies over de voorwaarden waardoor 'onbaatzuchtig' gedrag wordt bevorderd. Menselijk handelen is tot op zekere hoogte altijd 'zelfzuchtig' in die zin dat mensen streven naar de door hen als 'eigen' ervaren en gedefinieerde belangen. Maar handelen waarin ook met anderen (met andere dan eigenbelangen) rekening wordt gehouden is niet hetzelfde altruïsme. Het is veeleer verwant met 'algemeen fatsoen' en 'wederzijds respect' (en dus een uitstekend aanknopingspunt om aspecten van menselijke 'waardigheid' in het verklaringsmodel te integreren). Bovendien houden individuen die naar hun eigen belangen streken rekening met anderen zodra zij beseffen dat hun eigen belangen niet alleen individueel maar ook collectief gestructureerd zijn en zij deze collectieve aspecten van hun belangenpositie ook verdisconteren in hun praktische handelingsstrategieën. In de excursie aan het slot van deze paragraaf wordt dit met een voorbeeld toegelicht.

Mijns inziens is het veel vruchtbaarder om het op eigen belang gerichte (en dus in mijn definitie strategische) handelen als particularistisch handelen te beschouwen en vervolgens een onderscheid te maken tussen verschillende graden of vormen van particularistisch handelen.[13] Daarbij zou uitvoeriger aandacht besteed moeten worden aan de specifieke condities waaronder egoïstische of opportunistische vormen van belangenbehartiging kunnen floreren. In aansluiting bij de kritische analyse van Perrow [1986:233] zouden hierbij de volgende condities niet vergeten mogen worden:

Organisatietheoretici en -ontwerpers zouden met deze condities rekening moeten houden. Het is mogelijk organisaties te ontwerpen die in ieder geval een aantal van deze kenmerken minimaliseren. Dit is niet alleen mogelijk in kleine, innovatieve high-tech ondernemingen, maar ook in grote ondernemingen.

Mijn stelling is dat de TCE aanleiding geeft tot een fundamenteel instrumentalisme. De menselijke actoren waarmee de TCE opereert, zijn sterk berekenende individuen. Dit is geen bijzonderheid van de TCE, maar geldt praktische voor alle economische modellen (economie wordt daarom vaak als een sombere, deprimerende wetenschap gezien). Williamson geeft overigens toe dat hij geen attractieve of accurate visie op de menselijke natuur geeft. Aan de andere kant is de nadruk op rationaliteit tevens de grote sterkte van de economie [Arrow 1974]. Rationaliteit wordt echter ook vaak overtrokken. "Hyperrationaliteit is hoofdzakelijk een fictie en/of een pathologie" [Williamson 1985:391].[14] Toch is ook een deel van het succes van de economie in relatie tot de andere sociale wetenschappen te danken aan het feit dat men uitgaat van berekenend gedrag (niet per sé hebzucht, inhaligheid of gierigheid). In vergelijking met de traditionele economische theorie zijn menselijke actoren in de TCE zowel meer als minder berekend. Zij zijn minder berekenend in hun vermogen om informatie te ontvangen, op te slaan, terug te vinden en te verwerken ('beperkte rationaliteit'). Maar zij zijn ook meer berekenend omdat zij per definitie en van nature opportunistisch zijn: "human agents will not reliably self-enforce promises but will defect from the letter and spirit of an agreement when it suits their purposes" [Williamson 1985:388]. Williamson geeft toe dat dit een 'beperkte beschrijving' is en dat deze weinig ruimte biedt voor eigenschappen zoals vriendelijkheid, sympathie, solidariteit en dergelijke. Voorzover deze factoren worden erkend, worden met name hun kosten in ogenschouw genomen en niet hun voordelen. Kortom: "The human agents who populate the economic institutions of capitalism are lacking in compassion" [idem: 391]. Het voordeel van deze 'onaantrekkelijke visie op de menselijke natuur' is volgens Williamson dat het een groot aantal testbare implicaties heeft. Bovendien sluit het idee dat mensen opportunisten zijn niet de mogelijkheid uit dat zij duurzame allianties aangaan. Deze voordelen van zijn concept wegen echter geenszins op tegen de nadelen.

c. Strategische handelingsanalyse

Tegenover de gematigd rationalistische utilitaire benadering van Williamson zou ik op heuristische gronden willen pleiten voor een strategische handelingsanalyse. Ter verduidelijking grijpt ik terug op het eerder gemaakte onderscheid tussen traditionele, affectieve, normatieve en strategische handelingsoriëntaties.[15] De feitelijke handelingen en handelingsoriëntaties van actoren in economische instituties zijn altijd complexe mengvormen van deze typen. Om de afstand met instrumentalistische benaderingen zoals die Williamson te vergroten, zou men daarom kunnen opteren voor een benadering die uitgaat van de genoemde vier handelingsoriëntaties (en hun samenhang met handelingstypen en mechanismen van handelingscoördinatie). Toch zijn er goede inhoudelijke en methodologische redenen om dit niet te doen en uit te gaan van de strategische oriëntatie, strategisch handelen en van de hierdoor geconstitueerde belangensituatie. Het grote voordeel hiervan is dat de aandacht geconcentreerd word op verschijnselen die anders te gemakkelijk ontsnappen aan de onkritische alledaagse en sociologische blik. Ten eerste kunnen strategische handelingsanalyses van economische instituties een nieuw licht werpen op de ongelijke beschikkingsmacht over productieve en andere bronnen, en op de bewuste en onbewuste strategieën die leiden tot het ontstaan en de verandering van heersende waardepatronen, normen, culturen en leefwerelden. Ten tweede richten strategische handelingsanalyses de aandacht op de manier waarop culturele bronnen worden gebruikt in strategieën van particularistische belangenbehartiging en juist niet voor processen van consensusvorming. De nadelen van benaderingen die uitgaan van op consensus georiënteerde handelingsmodellen zijn inmiddels goed bekend. Meestal wordt daarin veel te makkelijk en te snel een autonome ontwikkelingslogica en dynamiek toegekend aan waarden, normen, culturen en leefwerelden. Bovendien wordt over deze culturele aspecten veel te weinig in meervoud gesproken in termen van 'gedeelde' waarden, culturen enz., in plaats van over rivaliserende, concurrerende, dominerende en gedomineerde culturen en leefwerelden.[16]

Voor het onderzoek naar economische instituties lijkt het mij daarom het meest vruchtbaar uit te gaan van een strategische handelingsanalyse. Hiertegen is vaak het bezwaar aangevoerd (van Parsons 1937 tot Lockwood 1992) dat strategische handelingsanalyses onlosmakelijk verbonden (of zelfs identiek) zijn met rationalistische of utilitaristische vooroordelen. Dit bezwaar raakt weliswaar een groot deel van de 'mainstraim economics' en zoals we hebben gezien ook de transactiekosten-economie van Williamson, maar gaat zeker niet in het algemeen op. De belangrijkste kritiekpunten op het rationalistische utilitarisme zijn al eerder de revue gepasseerd: de reductie van rationaliteit tot strategische rationaliteit; de theoretische en vaak ook feitelijke miskenning van traditionele, affectieve en normatieve oriëntaties; de grofmaterialistische reductie van de prikkels voor collectief handelen tot materiële of monetaire prikkels; en de egoïstische variant van het utilitarisme.[17] Een strategische handelingsanalyse is niet per definitie reductionistisch [Bader/ Benschop 1988:71].

  1. Handelingsoriëntaties en handelingen worden niet gefatsoeneerd naar het geïdealiseerde model van egoïstische strategische oriëntaties en handelingen; een strategische handelingsanalyse is er juist op gericht de betekenis te laten zien van traditionele, affectieve en waarderende (normatieve) oriëntaties en motivaties in de strategische handelingscontext. Een strategische handelingsanalyse hoeft dus niet te suggereren dat mensen altijd en overal uit zijn op de behartiging van hun eigen belangen en dat zij zich daarbij niet aantrekken van maatschappelijk dominante of subalterne gebruiken en zeden, solidariteiten, of legitimaties (normen en waarden).
  2. Een strategische handelingsanalyse bevat geen rationalistische vooroordelen. Een volledig rationele en volledig bewuste oriëntatie - zoals verondersteld wordt in de neo-klassieke eocnomie, speltheorie en de 'rational choice' theorie - is slechts een ideaaltypisch grensgeval.[18] En er hoeft ook niet te worden verondersteld dat traditionele, affectieve en waarderende oriëntaties uitsluitend integratief en conflictdempend werken. Een strategische handelingsanalyse van economische instituties gaat ervan uit dat conflicten juist ook bevorderd kunnen worden door 'strategisch irrationele' zeden, solidariteiten en legitimaties.
  3. In een strategische handelingsanalyse hoeven geen grofmaterialistische en egoïstisch-individualistische motieven te worden binnengesmokkeld. In strategisch handelen kunnen bijvoorbeeld ook heilsbelangen een rol spelen, evenals particularistische groeps- en collectieve belangen. Een strategische handelingsanalyse is dus niet noodzakelijk gebonden aan een ontologisch of methodologisch individualisme.
  4. Strategische oriëntatie en strategisch handelen worden niet geontologiseerd, maar uitdrukkelijk gehanteerd als methodisch of heuristisch principe. Elke totalisering en ontologisering van strategische oriëntatie is onverenigbaar met een rationeel onderbouwd normatief perspectief (en dus niet alleen met het mijne).

Tussen rationele belangencalculatie en moraal
Ter verduidelijking van de mogelijkheden en problemen van een strategische handelingsanalyse geef ik een eenvoudig voorbeeld. Stel er zijn twee mensen die samen een restaurant bezitten. De één werkt als kok in de keuken, de ander werkt als ober in de bediening. Zij kunnen elkaar beide oplichten. Zij weten echter ook dat als ze daaraan beginnen, hun collega zich de volgende dag zal revancheren door hetzelfde te doen. Het gevolg hiervan is dat het restaurant failliet gaat. Het verlies van gemeenschappelijke toekomstige verdiensten dwingt hen elkaar vandaag niet te bedonderen. Deze uitkomst is niet zozeer het resultaat van gemeenschappelijk waarden (de moraal dat men collega’s of medeëigenaren niet mag bedriegen), maar van een min of meer rationele en bewuste calculatie van het eigen belang, waarbij zowel een afweging wordt gemaakt tussen het individuele en collectieve eigen belang, als tussen korte- en lange-termijn belangen.

In de uitwerking van dit voorbeeld wordt niet uitgegaan van de vooronderstellingen zoals deze in de speltheorie en de 'rational choice' traditie worden gehanteerd. Ten eerste wordt niet verondersteld dat belangenafwegingen zich slechts uitstrekken tot het strikt individuele belang. In het gegeven voorbeeld zijn de actoren bij voorbaat sociaal gesitueerd en zijn daarom in staat hun eigen belangen als collectieve of gemeenschappelijke belangen te definiëren. Ten tweede wordt niet verondersteld dat de actoren het spel slechts één keer spelen en dat zij daarom bij de articulatie en realisatie van hun eigen belangen geen geheugen, en dus ook geen historisch besef of toekomstperspectief hebben. In het gegeven voorbeeld krijgen de actoren hun weer geheugen terug. Hierdoor zijn zij enerzijds in staat om van oude ervaringen te leren: bij de definitie van hun actuele ervaringen kunnen zij gebruik maken van ervaringen in het verleden. Anderzijds zijn zij mede hierdoor ook weer in staat om hun definities van het eigen belang in een tijdsperspectief te plaatsen: zij kunnen een onderscheid maken tussen belangen op korte en op lange termijn, en zij maken weer min of meer rationele en bewuste afwegingen tussen hun perspectivisch gedefinieerde eigen belang op lange termijn, en hun in de actuele verhoudingen gesitueerde eigen belang op korte termijn. De actoren krijgen dus zowel hun historisch besef als hun anticipatievermogen weer terug.

Wanneer de zowel de kok als de ober uitsluitend doorgewinterde opportunisten zouden zijn, dan zouden zij elkaar bij voorbaat van bedrog verdenken: zij zouden beiden vanaf de eerste dag tegenmaatregelen nemen door zelf de boel te bedriegen (beiden zijn uit op het 'first mover advantage'). En omdat zij aan het eind van de eerste dag van elkaar ontdekken dat de ander inderdaad de boel belazerd heeft, zullen zij dat beide volgende dag opnieuw doen. Zonder gemeenschappelijke waarden of moraal en zonder dwang van buitenaf, zouden zij elkaar steeds weer opnieuw belazeren. Het resultaat daarvan is zelfdestructie. Vanuit de individualistische en ahistorische vooronderstellingen van de 'rational choice'- en speltheorie kan dit zelfdestructieve proces alleen worden doorbroken wanneer betrokken actoren een gemeenschappelijke moraal aanvaarden of wanneer zij door dwang van buitenaf verplicht worden om meer rekening te houden met de belangen van anderen. De schadelijke gevolgen van de 'rationeel' calculerende egoïstische nutsmaximaliseerders moeten dus worden beteugeld door een specifieke combinatie van innerlijke overtuiging (fatsoensmoraal e.d.) en uiterlijke dwang (rechtsregels en juridische of politionele sancties).

We hebben gezien dat de verklaringsstrategie aanzienlijk veranderd wanneer men de actoren toestaat om bij de definitie van hun eigen belangen afwegingen te maken tussen individuele en collectieve belangen en tussen korte- en lange-termijnbelangen. De kok en de ober kunnen hun restaurant in stand houden omdat zij beseffen dat zij een gezamenlijk belang hebben bij het realiseren van toekomstige winsten (resp. het voorkomen van toekomstige verliezen). Zij ervaren en definiëren dit economische doel elk afzonderlijk als hun eigen belang. Het besef van dit gemeenschappelijke en perspectivische belang is op zichzelf al een voldoende motief om elkaar niet opportunistisch met list en bedrog tegemoet te treden. Hun louter strategische handelingsmotivatie is dus in eerste instantie krachtig genoeg om elkaar juist niet te belazeren. Door de duurzaamheid van hun werkrelatie zullen zij op basis daarvan waarschijnlijk ook gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen. Zij hebben er zelfs strategisch belang bij om elkaar fatsoenlijk en respectvol te bejegenen.

Dit voorbeeld illustreert dat het hanteren van rationalistische en utilitaristische vooronderstellingen een aanzienlijke blokkade vormen voor een nuchtere strategische handelingsanalyse. Door uit te gaan van een gereduceerde opvatting van het eigenbelang is men gedwongen om het streven naar collectieve belangen resp. naar perspectivisch gedefinieerde lange-termijn belangen buiten de strategische handelingsoptiek te plaatsen. Zij komen —zoals bij Coleman— alleen weer vertekend in het vizier onder de noemer van het normatief/moreel gemotiveerde onbaatzuchtige handelen. Het voorbeeld geeft bovendien een indruk van de mogelijkheden van een niet reductionistische handelingsanalyse.

  1. Het laat zien hoe men kan verklaren dat er ondanks differentiële en mogelijk conflicterende individuele belangen toch relatief stabiele samenwerkings- en vertrouwensrelaties kunnen ontstaan die gebaseerd zijn op welbegrepen (en dus niet individualistisch of actualistisch verkorte) definities van het eigen belang.

  2. Het laat bovendien zien dat men juist door een strategische handelingsanalyse beter in staat is aan te geven hoe de uit strategische handelingsoriëntaties resulterende belangenconstellaties bepalend zijn voor andere typen handelingsmotivaties. We kunnen hierdoor een beter inzicht krijgen in de manier waarop geconsolideerde belangensituaties invloed uitoefenen op gewoontes, zeden en morele codes, op solidariteiten, en op legitimaties en rechtvaardigheidsopvattingen.

  3. En tenslotte krijgt men hierdoor ook een betere analytische greep op de vraag op welke punten rekening gehouden moet worden met de (relatief autonome) werking van traditionele, affectieve en normatieve handelingstypen en -oriëntaties.
Want uiteindelijk zijn ook de ober en de kok altijd meer dan economische actoren. Het zijn mensen met een verleden, met eigen tradities, gewoontes en morele codes die doorwerken in hun werkrelaties en persoonlijke omgang. Het zijn mensen die zich met sommige andere mensen heel verwant voelen en die gepassioneerd betekenis hechten aan vriendschap, solidariteit en collegialiteit. En het zijn mensen die er eigen opvattingen op nahouden over wat er in hun grote en kleine wereld rechtvaardig en onrechtvaardig is, en die door hun eigen optreden (of door hun passiviteit) laten merken wat werkelijk waard is om verdedigd te worden, en wat veranderd of bestreden moet worden omdat het niet strookt met hun normatieve opvattingen.

Strategisch handelingsanalyse is geen toverwoord waarmee men in één klap alle complexiteiten en tegenstrijdigheden van het sociale handelen inzichtelijk kan maken. Het is wel een benadering waarmee men het meervoudig sociaal gestructureerde handelen van mensen en de institutionele contexten waarbinnen zij figureren, stapsgewijze kan ontcijferen.

1 Institutioneel perspectief Index 3 Dimensies van transacties

Index


Noten

[1] Williamson beschouwt hen als zijn belangrijkste leermeesters. Herbert Simon werd in 1949 hoofd van de afdeling van Industrieel Management bij het Carnegie Institute of Technology (tegenwoordig: Carnegie Mellon University). Hij verzamelde een groep politieke wetenschappen, economen, ingenieurs en psychologen om zich heen en moedigde hen aan om een gedragsmatig georiënteerde wetenschap van de 'administration' op te bouwen. Hij legde grote nadruk op besluitvorming en keuzes binnen organisaties. In de economische modellen van de onderneming domineerde tot dan toe de niet-realistische vooronderstelling van de afzonderlijke, superieure (rationele en alwetende) ondernemer. Simon verving deze vooronderstelling door de visie van intentioneel rationeel, maar cognitief beperkte actoren [March/Simon 1958]. In zijn modellen legde hij een sterke nadruk op de meervoudige en concurrerende doelen van de deelnemers aan organisaties [Cyert/March 1963]. De economische modellen van 'administrative behavior' werden gemodificeerd en verrijkt door de inzichten van psychologen en politicologen.

[2] De uitdrukking 'human nature as we know it' is ontleend aan Frank Knight [1922/72:270]. Critici hebben er terecht op gewezen dat Knight zeker geen psycholoog was die met enig gezag over 'de menselijke natuur' kon spreken. Williamson [1985:44 - noot 3] wijst erop dat hij geprobeerd heeft om naast beperkte rationaliteit en opportunisme ook nog 'waardigheid' op te nemen. Ik kom in § 3.2 terug op deze mislukte poging.

[3] 'Bounded rationality' refereert aan "the limits upon the ability of human beings to adapt optimally, or even satisfactorily, to complex environments" [Simon 1991:132].

[4] "The issue is thus not whether human agents are rational or not. Rather the question is whether the assumption of hyperrationality is needed or if weaker rationality assumptions will suffice" [Williamson/Ouchi 1983:16]. Deze visie is verwant met die van March/Olson [1976] en Mintzberg [1973]. Zie voor een recente bijdrage over de relatie tussen beperkte rationaliteit en organisationeel leren: Simon [1991].

[5] Wanneer je bij een benzinestation benzine koopt voor je auto is er niet veel complexiteit of onzekerheid. Het product is redelijk goed bekend, je hoeft je geen zorgen te maken over service achteraf, en de verkoper heeft geen informatie over je nodig wanneer je direct betaald. Om benzine te kopen hoef je geen contract op te stellen en te ondertekenen.

[6] Zie de latere illustratie van het edele pokerspel.

[7] In de neo-klassieke economie wordt geopereerd met een maximaliserende oriëntatie. Dat is niet bezwaarlijk indien men alle relevante kosten zou kennen. Ondernemingen worden als productiefuncties beschouwd, consumenten als consumptie- of utiliteitsfuncties. De allocatie van activiteit tussen alternatieve wijzen van organisatie wordt als een gegeven opgevat, en optimalisering is altijd en overal aanwezig.

[8] Williamson reproduceert de stelling uit de Public Choice School en diverse andere neoklassieke economen, nl. dat individuen zullen liegen en bedriegen, en andere morele normen en wetten zullen schenden wanneer zij verwachten dat hij niet betrapt worden of wanneer de straf kleiner zal zijn dan de winst. In dezelfde lijn ligt Becker's [1976:13] verklaring van de voordelen van het simuleren van altruïsme: wie dit doet kan profiteren van het altruïsme van anderen zonder zijn eigen bijdrage te leveren. Dit simuleren wordt eigenlijk alleen beperkt door de 'transactiekosten' van het simuleren en de moeilijkheid om een volledig succesvolle simulant te zijn.

[9] Williamson beroept zich hierbij op Knight's [1922/72] analyse van 'moral hazard' (een technische variant van opportunisme); hij zag opportunisme als een endemische conditie waarmee economische organisaties rekening moeten houden. Verder refereert hij aan.de analyses van opportunistisch strategisch handelen van Goffman [1969] en Schelling [1960].

[10] Machiavelli stelde regels op om met opportunisme om te gaan. Het advies dat hij zijn prins gaf wordt later geciteerd.

[11] Williamson concentreert zich te sterk op het grensgeval van een monolitisch collectivisme waarin de voorschriften van het centrale plan worden uitgevoerd door functionarissen die zich volledig identificeren met de van buiten af opgelegde macrodoelen. Alleen in dergelijke extreme gevallen zou men kunnen spreken van het 'verdwijnen' van het streven naar eigen belang, in die zin dat leden van subalterne categorieën geen autonome communicatieve en politieke kanalen meer hebben door middels waarvan zij hun eigen belangen kunnen articuleren en realiseren. Maar in juist in dit extreme geval zou men 'gehoorzaamheid' helemaal niet moeten thematiseren als een vorm van het streven naar eigen belang (en waarschijnlijk ook niet als een negatieve vorm - het niet streven naar eigen belang. Een door vreemde belangen van buitenaf opgelegd 'altruïsme' (zoals gedwongen opoffering van lijf en have voor imperiale doelen van de keizer) kan beter worden aangeduid met de naam die het verdiend: afgedwongen gehoorzaamheid, onderdrukking van autonome belangenarticulatie en -behartiging, schending van de elementaire voorwaarden voor vrijheid van politieke communicatie en van politiek handelen.

[12] Het opportunistisch streven naar eigen belang (met gebruik van list en bedrog en met schending van alle ethische principes van 'fairness') wordt meestal opgevat als een specifieke vorm van egoïsme. Daarbij zou echter niet vergeten moeten worden dat er natuurlijk ook vormen van collectieve vormen van opportunisme bestaan. Bij individueel opportunisme prevaleren de als individueel gedefinieerde belangen van een persoon ten koste van alles boven de individuele belangen van andere personen. Bij groepsopportunisme prevaleren de als collectief gedefinieerde belangen van een groep ten koste van alles boven de collectieve belangen van andere groepen.

[13] Ik sluit hierbij aan op de analyse van Bader [1991: 133 e.v]. Vruchtbaar lijkt me ook het onderscheid dat Charles Perrow in navolging van Paul Dimaggio maakt tussen 'high-trust systems', met reciprociteit en collectieve oriëntatie versus competitieve, egoïstische ('self-regarding'), individualistische systemen. Op deze wijze kan inderdaad de tautologie van gemotiveerd handelen als 'self-interested' handelen worden vermeden. Het wordt vervangen door een collectieve versus een individualistische strategie. "Organisaties kunnen worden ontworpen om coöperatieve strategieën of individualistische aan te moedigen" [Perrrow 1986:232]

[14] "Volledig rationele en volledig bewuste oriëntatie is een ideaaltypisch grensgeval. De extreme cognitieve en informationele vooronderstellingen van dit normatieve model werden in de neo-klasieke economie, spelttheorie en theorie van rationele beslissingen telkens weer benadrukt. Hierbij werd er veel te weinig aandacht besteed aan de verschillende graden van rationaliteit en met name aan de betekenis van de traditionele en affectieve strategische oriëntatie voor empirisch-historische analyses en daarop gerichte theorievorming" {Bader 1991:134].

[15] Ik wijs hier nogmaals op het verschil met de handelingstypologie van Weber. Bij Weber worden 'doelrationeel' en 'strategisch' vaak als synoniemen gebruikt. De 'doelen' van doelrationeel handelen zijn echter niet per definitie particularistische doelen [Bader/Benschop 1988:299].

[16] Ook Coleman [1990:31] pleit op heuristische gronden voor een strategisch handelingsmodel. Aan het begin van zijn handelingstheorie staat actoren die niet alleen rationeel zijn (maar zonder perfecte intelligentie - p. 503], maar ook streven naar hun eigen belang zonder zich door normen te laten hinderen. "I begin with norm-free, self-interested persons as elements of the theory". Ook hij benadrukt dat men juist vanuit een strategisch handelingsperspectief een beter zicht krijgt op de problematiek van het ontstaan en reproductie van normen, de aanhankelijkheid van mensen aan normen, de ontwikkeling van een morele code, de identificatie van het eigen belang met het lot van anderen en de identificatie met collectiviteiten. "To begin with normative systems would preclude the construction of theory about how normative systems develop and are maintained. ... To assume adherance to norms would impose a determinism that would reduce the theory to a description of automata, not persons engaged in voluntary action. To assume that persons come equipped with a moral code would exclude all processes of socialization from theoretical examination. And to assume altruism or unselfishness would prevent the construction of theory about how persons come to act on behalf of others or on behalf of a collectivity when it goes against their private interests" [idem:31-2]. De belangrijkste inhoudelijke zwakten van zijn handelingstheorie zijn elders behandeld.

Voor een niet-reductionistische strategische handelingsanalyse is het van cruciale betekenis hoe eng of breed het door actoren negestreefde eigen belang wordt opgevat. We hebben eerder gezien dat Coleman het methodologische individualisme te ver doorvoert en daarom het streven naar een collectief belang niet opvat als een vorm van het eigen belang. Hij laat zich hierdoor verleiden het streven naar collectieve belangen die door actoren als eigen belangen worden ervaren en gedefinieerd, buiten de strategische handelingsoptiek te plaatsen. En omdat het streven naar het eigen belang wordt verkort tot het streven naar strikt persoonlijke belangen, kan uiteindelijk het streven naar collectieve belangen niet anders worden gethematiseerd dan als (moreel/normatief gemotiveerd) onbaatzuchtig handelen (altruisme). Men kan dus in ieder geval concluderen dat er verschillende varianten zijn van een strategische handelingsanalyse.

[17] Vgl. Bader/Benschop [1988: 289 - noot 73] en Bader [1991: 28 e.v.]. Het meest wezenlijke verschil tussen economie en sociologie betreft hun vooronderstellingen over de menselijke natuur. De beroemde homo economicus is een rationeel calculerende, egoïstische, instrumentele maximaliseerder met vaste preferenties. De homo sociologicus is veel moeilijk te definiëren.

[18] De extreme cognitieve en informationele vooronderstellingen van dit normatieve model zijn uitvoerig bekritiseerd door Veit Bader. Hij wijst er terecht op dat in deze theorietradities veel te weinig aandacht wordt besteed aan de verschillende graden van rationaliteit en met name aan de betekenis van de traditionele en affectieve strategische oriëntatie voor empirisch-historische analyses en daarop gericht theorievorming [Bader 1991:61 e.v.,134,]


Agency Theory
De agency-theorie is een van de twee hoofdstromen van de de zgn. nieuwe institutionele economie. De transactiekostenbenadering en de agency-theorie leggen beide grote nadruk op efficiency-maximaliserende verklaring van sociale arrangementen. De door Alchian/Demsetz [1972] ontwikkelde agency-theorie (AT) concentreert zich echter op ex ante 'incentive alignments', terwijl in de transactiekostentheorie het accent ligt op ex post controle op contracten. Volgens de agency-theorie ontstaan organisaties om systemen van complexe coöperatie te ondersteunen en te reguleren.

De agency-theorie wordt met name toegepast op het ontwerp van beloningssystemen, acquisitie en diversificatiestrategieën, relaties tussen directies en managers. De vooronderstellingen van deze benadering zijn:

  1. Om contracten en dus organisatie te verklaren, wordt uitgegaan van de sterkste economische vooronderstellingen: maximalisering van utiliteiten, waarbij de netto utiliteiten worden gedefinieerd als beloningen (geld) minus inspanning.

  2. In z'n eenvoudigste vorm gaat de AT ervan uit dat het leven een serie van contracten is. De 'koper' van goederen of diensten wordt aangeduid als de 'principal'; degene die de goederen of prestaties levert is de 'agent' (vandaar de naam: 'agency theory'). Dit is slechts één vorm van een agency-relatie. Andere voorbeelden zijn:
    • een bedrijfseigenaar (principal) en de manager van het bedrijf (agent) die beslissingen neemt die de rijkdom van de eigenaar raken.
    • de eigenaar van een landgoed (principal) en zijn opzichter die beslissingen neemt die de rijkdom van de landeigenaar beïnvloeden.
    • de manager (principal) en zijn ondergeschikten, die beslissingen nemen die de reputatie van de manager beïnvloeden.
    • een patiënt (principal) en zijn arts (agent) die beslissingen neemt die de gezondheid van de patiënt beïnvloeden.
    • een verzekeringsmaatschappij (principal) en iemand die daarbij een brandverzekering afsluit (agent) die beslissingen neemt welke de cash flow van de verzekeringsmaatschappij beïnvloeden.
    • een huurder (principal) en een verhuurder (agent) die beslissingen neemt die het eigendom van de verhuurder raken.
    Agency-relaties bestaan zowel binnenondernemingen (manager en ondergeschikte) als tussen ondernemingen (zoals licenties, franchisering). De relatie tussen principal-agent wordt gereguleerd door een contract dat specificeert wat de 'agent' moet doen en wat de 'principal' in ruil daarvoor moet doen (bijvoorbeeld op tijd betalen voor de verkregen goederen; loon en benefits betalen, gespecificeerde aankondiging van het beëindigen van een relatie).

  3. P/A-relatie is echter beladen met problemen van bedrog, beperkte informatie en in het algemeen met beperkte rationaliteit. In de 'agency theory' wordt m.n. benadrukt dat het moeilijk is om een 'self-interested agent' te laten doen wat de 'principal' wil.
De relatie tussen 'principal' en 'agent' wordt enerzijds uitgewerkt in mathematische formuleringen met een beperkt aantal variabelen en zonder gegevens, en anderzijds in meer complexe modellen waarin af en toe gegevens worden gebruikt. De mathematische formulering van de 'zuivere' agency theory zijn strikt logisch in hun opzet en maken heroïsche en daarom onredelijke vooronderstellingen. In deze modellen wordt slechts met drie factoren rekening gehouden:
  1. de preferenties van de partijen
  2. de mate van onzekerheid: in welke situaties bestaat meer of minder onzekerheid?
  3. de beschikbare informatie: hoe kan de principal weten wat de agent doet?
Michael Jensen [1983 - Organization Theory and Methodology] geeft een overzicht van de verschillende mathematische modellen.
In de meer realistische en complexere modellen wordt verondersteld dat veel taken beter als coöperatieve inspanning of 'teamwork' benaderd kunnen worden. Vaak is het echter onmogelijk om contracten te sluiten met elk lid afzonderlijk waarin zijn/haar 'marginaal product' of individuele bijdrage aan de taak wordt vastgesteld. Als vier mensen iets op een vrachtwagen laden, hoe kan men dan zeggen of zij allemaal even hard gewerkt hebben. Het voorbeeld is triviaal, maar het probleem niet. Om de beloningen eerlijk te verdelen is nodig om de relatieve bijdragen van elk lid te bepalen. De oplossing hiervoor is simpel: het kapitalisme.

Index

Home Economic Sociology Subject Areas Sociologists Zoek Contact