Home |
Economic Sociology |
Contact
Transactiekosten in de Economische Sociologie
Albert Benschop
2 Gedragsmatige vooronderstellingen: 'the contractual man'
Williamson is een van de meest vooraanstaande representanten van de tweede generatie van 'gedragsmatige economen' die in het voetspoor zijn getreden van Herbert Simon, Richard Cyert en James March.[1] Een groot aantal verschillen tussen alternatieve benaderingen in de analyse van economische organisaties vinden hun oorsprong in onderliggende verschillen in gedragsmatige vooronderstellingen. Daarom zal ik eerst de gedragsmatige
vooronderstellingen van de TCE afbakenen. De TCE vertrekt niet vanuit de
'economische mens', de 'werkende mens' of de 'politieke mens', maar vanuit
de visie van de 'contractual man'. De 'menselijke natuur zoals wij
die kennen' wordt daarbij gekenmerkt door referentie aan 'beperkte
rationaliteit' en 'opportunisme'.[2] De
eerste erkent de grenzen van cognitieve competentie, de tweede is een
substituut voor streven naar eigenbelang ('self-interest seeking').
"The capacity of the human mind for formulating and solving
complex problems is very small compared with the size of the problems
whose solution is required for objectively rational behavior in the real
world" [Simon 1957:198 - Models of Man].
Het vermogen van mensen om complexe problemen te formuleren en op te
lossen is beperkt. Beperkte rationaliteit refereert aan menselijk gedrag
dat "intentioneel rationeel is, maar slechts op een beperkte wijze"
[Simon 1961:xxiv].[3] Beperkte rationaliteit
moet niet worden verward met nonrationaliteit of irrationaliteit.[4] De beperking van menselijke rationaliteit
vloeit voort uit neurofysiologische en taallimieten.
- De
fysieke grenzen nemen de vorm aan van grenzen aan het
menselijk vermogen om informatie zonder fouten te ontvangen, op te slaan,
op te roepen en te verwerken. De cognitieve competenties van mensen zijn
dus beperkt: mensen zijn beperkt in kennis, vooruitzicht, vaardigheid en
tijd. En juist daarom zijn organisaties nuttige instrumenten om bepaalde
doelen te bereiken [Simon 1957:199]. De economiserende oriëntatie
wordt uitgedrukt in het aspect van intentionele rationaliteit; de studie
van instituties wordt gestimuleerd door de overweging dat cognitieve
competentie beperkt is [Williamson 1985:45]. Het gevolg hiervan is dat
niet alle transacties volledig contractueel kunnen worden geregeld en dat
niet alle contractueel geregelde transacties op sluitende wijze kunnen
worden geverifieerd.
- De taalgrenzen refereren aan het
onvermogen van individuen om hun eigen kennis en gevoelens te articuleren
door het gebruik van woorden, getallen of grafieken, en wel zodanig dat
zij door anderen begrepen kunnen worden. Taal laat mensen soms in de steek
omdat zij niet over het vereiste vocabulaire beschikken of omdat het
noodzakelijke vocabulaire nog niet ontwikkeld is. Wanneer dit soort
taalproblemen optreedt zijn demonstraties, leren-door-doen e.d. soms de
enige middelen om begrip tot stand te brengen. Vergelijk het Chinese
gezegde dat een beeld tienduizend woorden waard is. Professionele politici
weten dit: zij articuleren in pakkende metaforen wat anderen wel voelen,
maar niet in precieze bewoordingen kunnen vertellen.
Beperkte
rationaliteit is alleen van belang in de mate dat de limieten van
rationaliteit worden bereikt, d.w.z. onder condities van onzekerheid en/of
complexiteit. Wanneer een van beide condities niet zou bestaan, zou men
vooraf de meest geschikte reeks contingente acties kunnen specificeren.
Een eenvoudig voorbeeld hiervan is het tweedimensionale spelletje
boter-kaas-en-eieren. Bij dit spelletje is het niet moeilijk om van te
voren de contingente antwoorden te specificeren voor alle zetten. In
verhouding tot het rekenvermogen van de meeste volwassenen is dit relatief
eenvoudig.[5] Het schaakspel is daarentegen
onmogelijk complex. Hoewel een speler beschikt over alle informatie die
hij voor zijn beslissing nodig heeft (d.i. de positie van de zwarte en
witte stukken op het moment dat hij een zet overweegt), is het is
onmogelijk om van de voren de volledige beslissingsboom te specificeren.
Schaken zou een triviaal spel worden wanneer de schaaktheorie volledig
bekend zou zijn, dat wil zeggen wanneer men een alle variaties van alle mogelijke
spelen kent. De volledige beslissingsboom is hiervoor echter veel te
complex. Veronderstel dat er op elk willekeurig moment in een schaakspel
er ongeveer 30 legale zetten bestaan. Voor het doen van één
zet en voor de reacties hierop moet men rekening houden met 103
mogelijkheden. Wanneer de gemiddelde lengte van het spel veertig zetten
is, zou men met 10120 mogelijkheden rekening moeten houden.
Voor de huidige generatie mensen en computers is dit te veel. Het
schaakprobleem (resp. het attractieve van schaken) is dus dat het aantal
alternatieve sequenties van zetten en tegenzetten zelfs voor de
wereldkampioen te groot is. De schaker wil wel volledig rationele
beslissingen nemen, maar zijn/haar vermogen om de consequenties van alle
mogelijke beslissingen volledig te evalueren is beperkt.[6] Onzekerheid is van groot belang vanwege de
beperkte menselijke capaciteit voor informatieverwerking [Simon
1945,1957]. Gezien deze onzekerheid kan de hypothese van een perfect
geïnformeerde en perfect rationele beslisser - wat de fundamentele
vereiste is van de ideale prestatie van markten - niet overeind gehouden
worden.[7] Een toestand van onzekerheid is
een type relatie tussen een actor en een beslissingscontext waarin het
voor de actor per definitie logisch onmogelijk of te kostbaar is om een
aantal logische operaties uit te voeren, zoals
- het voorzien van alle toekomstige omstandigheden die de uitkomsten van beslissingen zouden kunnen beïnvloeden.
- het toekennen van waarschijnlijkheden aan die uitkomsten.
- het overwegen van alle mogelijke handelingsalternatieven om deze uitkomsten te bereiken
- het vergelijken van al deze alternatieven door middel van een of andere gemeenschappelijke utiliteitsschaal.
Zelfs voor problemen met een relatief lage complexiteit is het al onmogelijk een
volledige beslissingsboom op te stellen. Ten eerste is het aantal
alternatieve wegen dat men kan bewandelen zeer groot. Ten tweede is men
vaak niet in staat de alternatieve wegen te overzien en beschikt men ook
niet over regels om deze alternatieve paden te reconstrueren. En tenslotte
is het zeer moeilijk zo niet onmogelijk om de gevolgen van de diverse
alternatieven in te schatten. Kortom: "The comprehensive decision model is
not feasible for most interesting decision problems" [Feldman/Kanter
1965:615]. Wanneer economische transacties in turbulente omgevingen
plaatsvinden die door frequente exogene onvoorspelbare schokken worden
verstoord, of binnen concurrerende structuren die niet leiden tot
gemakkelijk voorspelbare evenwichten, is het moeilijk om alle hiervoor
genoemde berekeningen en beoordelingen te maken. De markt is een vorm
van regulatie van economische transacties. De markt vereist volledige
transparantie in informatiestromen. Meer in het bijzonder is vereist dat
prijzen alle informatie bieden die nodig is om een ruilbeslissing te
nemen. De traditionele economische theorie benadrukt dat het prijssysteem een
voldoende bron van informatie is. Zij houdt vast aan de bekende stelling van
van Hayek [1945:525 e.v.] dat het 'wonder' van het economisch systeem is dat prijzen een voldoende statistiek vormen, waarbij geëconomiseerd wordt op
beperkte rationaliteit (ook Williamson 1975: 5 refereert aan deze stelling)
Het menselijke vermogen voor informatieverwerking is weliswaar beperkt,
maar een marktsysteem kan de ruil besturen omdat (zo wordt althans
verondersteld) economische kwantitatieve indicatoren (prijzen) alle
attributen van goederen of diensten representeren die relevant zijn voor
de betrokken partijen. Arrow [1959:47] heeft er echter terecht op gewezen dat het priessysteem alleen onder evenwichtsvoorwaarden een voldoende bron van informatie, maar dat dit niet opgaat onder condities van onevenwichtigheid: dan staat er een premie op het verwerven van informatie uit andere bronnen dan de prijzen en kwantiteiten waartoe een onderneming direct toegang heeft.
Marktfalen treedt op wanneer prijzen
onbetrouwbare en ambigue informatie worden. Maar er zijn nog andere
voorwaarden waardoor markten niet in buurt komen van het model van
volledige concurrentie. In de literatuur over marktfalen zijn de
voorwaarden uitvoerig gedemonstreerd (de belangrijkste factoren die marktfalen veroorzaken zijn genoemd door Bator 1958 en Marschak 1965).
Afgezien van de factor van onzekerheid over de gevolgen van acties (als
gevolg van onvoorspelbare contingenties en onbetrouwbaarheid of
onbeschikbaarheid van prijsinformatie) kan marktfalen ook optreden door:
- de aanwezigheid van technische ondeelbaarheid of 'economies of
scale' (zoals 'increasing returns to production scale' of
discontinuïteiten in de kwantiteiten van output die geproduceerd
kunnen worden);
- de aanwezigheid van externaliteiten (bijvoorbeeld gevolgen
van een transactie worden gedragen door derde partijen die niet in de ruil
betrokken zijn, of ruilbeslissingen zijn afhankelijk van overwegingen die
extern zijn aan de transactie in kwestie - bijvoorbeeld: zij zijn gebaseerd op
vergelijkingen tussen producenten of consumenten);
- de aanwezigheid van
asymmetrieën in kennis of substitueerbaarheid zodat een partij
eenzijdig prijzen en andere ruilvoorwaarden kan beïnvloeden.
Aan het bestaan van organisaties liggen onzekerheid en gelimiteerde rationaliteit ten grondslag. Wanneer markten falen dan is de hiërarchische of organisationele vorm van regulatie van transacties binnen de grenzen van een afzonderlijke onderneming een levensvatbaar, efficiënter alternatief. Organisaties zijn machtige middelen om onzekerheid te reduceren.
- De regels van een organisatie, de
beschrijvingen van taken(pakketten) en het prikkel- en controlesysteem
maken de interne markt meer voorspelbaar dan de externe [Simon 1945].
- Een organisatie reduceert complexe problemen tot hanteerbare brokken
[March/Simon 1958].
Het voordeel van interne organisatie is dat het
organisatieleden toestaat om met onzekerheid/complexiteit om te gaan op
een adaptieve, sequentiële manier. Er wordt niet geprobeerd om van te
voren de beslissingboom uitputtend te specificeren en daaruit
corresponderende contingente prijzen af te leiden: men beperkt de aandacht
tot de actuele uitkomsten. De mogelijkheden worden telkens weer opnieuw
bekeken op basis van van nieuwe waarnemingen. Er wordt van te voren geen
gedetailleerde strategie ontwikkeld om alle mogelijke bruggen over te
steken die men zich kan voorstellen. Het principe is veeleer: 'cross your
bridge as you come to it'. Het voordeel van interne organisatie is
bovendien dat er in vergelijking met marktruil meer efficiënte
codes/routines worden ontwikkeld en toegepast. Dergelijke codes en
organisatieroutines werken economiserend. Taal is het primaire mechanisme dat mensen gebruiken om kennis aan elkaar over te dragen. Middels het gebruik van taal kunnen we onze persoonlijke kennis in een expliciete symbolische vorm (d.i. woorden) codificeren en hierover met anderen communiceren. Communicatiesystemen worden effectief wanneer zij talen gebruiken die zeer
veel betekenis hebben met relatief weinig symbolen. Blauwdrukken, systemen
van produktnummers en beroepsjargon ('idiosyncratische taal') zijn gunstig
voor het verhogen van de efficiëntie van hun communicatie. Dit bedrijfsgebonden vocabulair kan zeer ingewikkeld worden en voor buitenstaanders verwarrend zijn. Maar voor degenen die binnen de onderneming werken geldt het omgekeerde: het gedeelde bedrijfsspecifieke vocabulair biedt een gemeenschappelijk referentiekader voor het communiceren binnen de onderneming. Met andere woorden: "het gedeelde vocabulair smeert de wielen van de communicatie en vergroot de kennisstroom binnen de onderneming" [Hill 1996]. Het vergroot niet alleen de omvang van de kennisstroom, maar ook de kwaliteit van de kennis binnen de onderneming.
Voor de constructie van een realistische organisatietheorie is het mijns inziens
zinnig uit te gaan van de vooronderstelling van beperkte rationaliteit.
Hierdoor neemt men voldoende afstand van de extreme rationaliteitspremisse
van de neo-klassieke economie, wordt men gedwongen om serieus rekening te
houden met de fundamentele onzekerheid bij (beslissingen over) economische
transacties, en krijgt men veel beter zich op de complexiteits- en
onzekerheidreducerende functie van organisaties.
De tweede gedragsmatige
vooronderstelling, opportunisme, is is aanzienlijk problematischer.
Williamson veronderstelt dat de
bij een contract betrokken partijen hun eigen belangen nastreven en er
daarom belangenconflicten bestaan die getransformeerd worden in een
onderhandelde orde via terugkerende transacties. Het streven naar
eigenbelang kan op drie niveaus worden gethematiseerd. De sterkste vorm is
opportunisme, de minder sterke vorm is eenvoudig streven naar eigen
belang, en de zwakste vorm is gehoorzaamheid.
a. Opportunisme met list en bedrog
Opportunisme wordt gedefinieerd als het streven naar eigenbelang waarbij ook list en bedrog een rol spelen.[8] Opportunisme is
'self-interest seeking with guile', het op slinkse of arglistige wijze
najagen van het eigen belang. Het impliceert niet alleen zeer duidelijke
vormen zoals liegen, stelen en bedriegen, maar ook meer subtiele vormen
van misleiding. Opportunisme is meer dan het streven naar eigen belang:
opportunisme is de neiging om alle kansen te benutten om meer uit een ruil
te slepen, zelfs wanneer de handelingen die hiervoor nodig zijn niet
eerlijk of onethisch zijn. "It is self-interest seeking with guile:
agents who are skilled at dissembling realize transactional advantages.
Economic man ... is thus a more subtle and devious creature than the usual
self-interest seeking assumption reveals" [Willamson 1985:255]. Williamson
beschouwt opportunisme als een fundamenteel kenmerk van menselijk
handelen.[9] De centrale middelen van
opportunisme zijn vertekening van informatie ('misleiding') en het doen
van beloftes waarin men zelf niet gelooft ('bedrog').
Opportunisme
kent actieve en passieve vormen en ex ante en ex post
typen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de informatie-economie. In deze
relatief jonge wetenschap worden de implicaties bestudeerd die
informatieproblemen en -kenmerken hebben voor de economische theorie. Het
onderzoek naar verzekeringsproblemen is hierbij een belangrijke
inspiratiebron. Hierbij staan twee begrippen centraal: 'adverse selection'
(of: verborgen informatie) en 'moral hazard' (verborgen actie). Het zijn beide vormen van informatie-asymmetrie [vgl. Arrow1985].
- Averechtse selectie is een
fundamenteel type van informatie-asymmetrie. Het is een probleem van
verborgen informatie waarin de ene partij in een potentiële
transactie beter geïnformeerd is over een relevante variabele in de
transactie dan de andere partij. Het is een informatieprobleem dat al
bestaat vóór het contract worden gesloten. In de taal
van de informatie-economie is het een ex ante
informatieprobleem. Mensen met een informatievoorsprong zijn vaak niet
gemotiveerd deze kennis eerlijk te ontsluiten wanneer zij hiervan schade
zouden ondervinden (zij hebben geen prikkels om hun informatie te
ontsluiten). Integendeel, zij verbergen hun private kennis.
Een voorbeeld hiervan is de sollicitatie. Sollicitanten
voor een baan presenteren zichzelf als zeer gekwalificeerd, maar de informatie
waarop de ondernemer af moet gaan is nogal grof: ervaring in het verleden,
referenties, educatie enz. De sollicitanten hebben echter een goed idee
van hun 'ware aard' ('true type' omvat: training en vaardigheden, samen
met kwaliteiten als eerlijkheid en ijver). De ondernemer biedt een salaris
aan de sollicitant. Degenen die denken dat zij meer waard zijn, wijzen dit
aanbod af en zoeken elders werk; dit zijn de mensen die de ondernemer
graag zou aannemen (maar zij willen niet genoeg bieden om hen aan te
trekken). Degenen die weten dat hun 'true type' minder waard is dan het
aangeboden salaris zullen de baan accepteren. De arme ondernemer krijgt dus
uiteindelijk de minder gekwalificeerde personen en slechts een paar
hooggekwalificeerden; hij of zij is niet in staat om de onder de
sollicitanten te discrimineren omdat zij allemaal zeggen dat hun 'true
type' geschikt is voor het salaris, en de ondernemer verliest de beste kandidaat.
Het salaris zou verhoogd kunnen worden om de beste sollicitant te krijgen, maar de
middelmatige zou nog steeds behoren tot degenen die bereid zijn om de baan
te accepteren. Er zou een nauwkeuriger beoordeling kunnen plaatsvinden van
de sollicitanten, maar dit brengt kosten met zich mee en is geen volledige
oplossing van het probleem dat sollicitanten een verkeerde voorstelling
van zaken geven. Bovendien screent de ondernemer waarschijnlijk al zo
nauwkeurig als zijn ondernemingsbronnen toestaan. Het uiteindelijke
resultaat is minder dan optimale recrutering - vanwege het op eigen belang
gerichte, verhullende gedrag van agenten.
- Het hiermee verwante probleem van het morele risico ('moral hazard') treedt op ná de selectie. Net als averechtse selectie (waarbij het probleem is dat de sollicitanten hun 'type' kennen en ondernemers niet) ontstaat
het probleem van de morele risico's eveneens door informationele
asymmetrie: partijen beschikken over ongelijke informatie.[Spelletje spelen?] Morele risico's (of: verborgen actie) is een
informatie-asymmetrie die eveneens in markt- en organisationele contexten
kan ontstaan. Het is echter geen ex ante, maar een ex post verschijnsel. Het gaat daarbij om acties die contractpartijen
kunnen ondernemen nadat zij een overeenkomst over een transactie hebben
gesloten. Wanneer deze acties door de andere contractant niet kunnen
worden waargenomen, kunnen zij een succesvolle afronding van het contract
in de weg staan. De ondernemer kan er niet zeker van zijn dat de werknemer
niet lijntrekt tijdens het werk ('substituting leisure for work').
De term 'moral hazard' komt uit de literatuur over verzekeringen. Wanneer een onderneming verzekerd is, hoeft deze zich niet
erg in te spannen om verliezen te vermijden omdat de
verzekeringsmaatschappij zal betalen; de verzekeringsmaatschappij is niet
geïnformeerd over de mate waarin de verzekerde firma zich inspant om verliezen te beperken. Wanneer je verzekerd bent, hoef je bijvoorbeeld niet veel aandacht te besteden aan brandpreventie, omdat je gedekt bent en de kans op een brand tamelijk klein is. De verzekeringsmaatschappij wil echter dat je veiligheidsmaatregelen neemt; wanneer veel klanten laks zouden zijn, zouden zij minder geld verdienen door de claims die zij moeten uitbetalen. Als branden of ontploffingen erg duur maar zeldzaam zijn, hebben verzekeringsmaatschappijen grote problemen om hun de bereidheid van hun cliënten om de volgen veiligheidspraktijken.
|
Spelletje spelen?
Om een indruk te
krijgen van de betekenis van informationele asymmetrieën in
opportunistisch (of strategisch) gedrag geven Milgrom/Roberts [1987:184]
drie eenvoudige kaartspelen in overweging. Hieruit wordt duidelijk wat het
verschil is tussen onvolledigheid, onzekerheid en asymmetrie van
informatie. In het eerste spel krijgt elke speler vijf kaarten open op
tafel, de spelers kunnen elke weddenschap aangaan die zij willen en de
beste kaart wint. In het tweede spel krijgt elke speler vijf kaarten,
waarvan er sommige open liggen en anderen niet. Zonder naar hun hun
bedekte kaarten te kijken, kunnen de spelers hun inzet bepalen, de bedekte
kaarten worden vervolgens omgekeerd en de hoogste combinatie wint. Het
derde spel verloopt net als het tweede behalve dat de spelers hierbij hun
eigen bedekte kaarten mogen bekijken. Ook hier wordt ingezet, de bedekte
kaarten worden omgekeerd en de hoogste combinatie wint. In het eerste
spel is er sprake van volledige (en perfecte) informatie. Iedereen weet
alles. Wanneer we veronderstellen dat mensen meer geld prefereren boven
minder geld, is het tamelijk simpel te bedenken wat er zal gebeuren:
niemand zal iets inzetten en waarschijnlijk is niemand in het spel geïnteresseerd. In het tweede spel is er sprake van
onzekerheid/informationele onvolledigheid, maar niet van
informatie-asymmetrie. Dit type spelen zijn nuttige modellen om kwesties
van verzekering, riskante investeringen en leren te bestuderen. Met name
wanneer we het spel zo veranderen dat er na elke bieding één
kaart wordt omgekeerd. Het spel zou echter toch geen interessante vorm van
strategisch gedrag genereren. In het derde spel is er sprake van
informationele asymmetrieën: hoewel sommige informatie voor iedereen
beschikbaar is, is elke speler slechts particulier geïnformeerd over
zijn eigen bedekte kaarten. Door deze privé-informatie kan er een
interessant strategisch spel ontstaan: bluffen, signalen geven,
reputatiebouwen, zwakte suggereren enz. Dit is de reden waarom het edele
pokerspel nog steeds zo vermakelijk is.
|
Charles Perrow heeft er in zijn kritiek
op de agency theory terecht op gewezen dat hierbij geen rekening wordt gehouden met beide kanten van het contract.[38]
"A person may have knowledge of her 'type' (skills,
training, honesty, etc.) as it existed in the context of her previous job,
but she cannot know what is required in the new job and thus does not know
whether she will be particularly competent or not. Worse yet, she may have
been misled about working conditions (safety, pressure, adequate
equipment, fairness of supervision, advancement possibillities, etc,) and
will find it difficult and costly to seek a better job" [Perrow 1986:229].
Ook Williamson ziet alleen bilaterale contracten, maar is geneigd het bilaterale karakter te vergeten wanneer hij zijn modellen en vergelijkingen construeert. Dan ziet hij alleen dat 'principals zijn overgeleverd aan 'agents' (die zogenaamd hun 'true type' kennen) en gaat hij voorbij aan het feit dat 'agents' zijn overgeleverd aan 'principals', die hun eigen 'true type' kennen, maar nooit onthullen aan de van hen afhankelijke 'agents'. Ook de 'principals' hebben dus een type dat verkeerd begrepen of veranderd kan worden. Dit is precies de reden waarom arbeidscontracten door vakbonden worden gesloten en niet door werknemers.
Opportunisme refereert aan onvolledige (selectieve) of vervormende wijze van ontsluiting van informatie, met name aan
gecalculeerde pogingen tot misleiding, verhulling en verwarring. Onvolledige informatie over leveranciers of werknemers stelt hen in staat zich opportunistisch te gedragen. Wanneer er geen opportunisme zou bestaan zou al het menselijke handelen door middel van regels kunnen worden bestuurd. De les die hieruit wordt getrokken is deze: transacties die onderhevig zijn aan ex post opportunisme hebben er voordeel bij wanneer er adequate garanties ex ante ontwikkeld kunnen worden [Williamson 1985:48]. De wijze prins is hij die zowel probeert 'geloofwaardige verplichtingen' ('credible commitments') te
geven als te ontvangen.[10] Opportunisme is een lastige bron van 'gedragsmatige' onzekerheid in economische transacties. Deze onzekerheid zou alleen verdwijnen wanneer mensen volledig open en eerlijk zouden zijn in hun inspanningen om individuele voordelen te realiseren, of als volledige onderschikking, zelf-ontkenning en gehoorzaamheid verondersteld zou kunnen worden.
b. Openlijk streven naar eigen belang
De tweede vorm is het openlijk of eenvoudig streven naar eigen belang. Williamson
suggereert dat dit de motivationele vooronderstelling is waarop de
neo-klassieke economie berust. De neo-klassieke economie berust echter
niet op een algemene utilitaire vooronderstelling dat mensen streven naar
hun (individuele en collectieve) eigen belangen, maar op een
specifieke variant daarvan. Ik heb er al eerder op gewezen dat dit
utilisme grofmaterialistisch is gereduceerd (als streven naar
materiële of monetaire belangen/utiliteiten) en extreem wordt
geïndividualiseerd (als streven naar strikt individuele eigen
belangen). De economische actoren in de neo-klassieke leer zijn
calculerende rationalistische egoïsten. Om de bijzonderheid van zijn
eigen benadering te profileren, opereert Williamson dus met een nogal
kunstmatig (om niet te zeggen misleidend) contrast. In de neo-klassieke
visie botst de mens via markten op het streven naar eigen belang van
anderen. Dit veronderstelt dat er contracten worden gesloten op
voorwaarden die de originele marktposities reflecteren. In
standaardeconomische modellen worden individuen behandeld alsof zij een
spel spelen met vaste regels waaraan zijn gehoorzamen "They do not buy
more than they can pay for, they do not embezzle funds, the do not rob
banks" [Peter Diamond 1971:31].
c. Gehoorzaamheid
Gehoorzaamheid wordt gedefinieerd als het niet nastreven van eigen belang. Van gehoorzaamheid is sprake wanneer mensen identificeren zich met met opgelegde macro-economische doelen en daaraan hun eigen belang ondergeschikt maken (maar zij laten het niet noodzakelijk varen, zoals Williamson 1985:49 suggereert). Dit is alleen het geval (a) wanneer en voorzover de identificatie met 'macro-economische doelen' niet verenigbaar is met de individuele of collectieve definities van het eigen belang, of (b) wanneer men ontkent dat de eigen belangen van menselijke individuen geen collectieve dimensie hebben resp. dat collectieve belangen van menselijke individuen een logische of praktische onmogelijkheid zouden zijn.
Een simpel voorbeeld ter verduidelijking. Werknemers kunnen zich identificeren met macro-economische doelen zoals 'volledige
werkgelegenheid', 'instandhouding van het sociale zekerheidsstelsel' of 'het terugdringen van het financieringstekort van de overheid'. Zij kunnen hun individuele (of strikt persoonlijke) belang ondergeschikt maken aan een (specifieke combinatie) van deze doelstellingen, en bijvoorbeeld hun loonaanspraken matigen of opschorten, een verhoging van sociale zekerheidspremies of van belastingen accepteren. Wanneer zij dit doen betekent dit nog niet dat zij daarmee automatisch hun eigen belang laten varen. Een dergelijke keuze kan gebaseerd zijn op een uiterst rationele strategische afweging van individuele en collectieve (of klassespecifieke) eigen belangen, van korte en lange termijnbelangen, of van directe en fundamentele belangen.
De identificatie met macro-economische doelen is dus niet per definitie hetzelfde als altruïsme en moet ook niet worden verward met (van buiten af opgelegde en dus afgedwongen) gehoorzaamheid.[11]
Al deze overwegingen resulteren bij Williamson in twee fundamentele stellingen. Ten eerste zijn alle complexe contracten
onvermijdelijk onvolledig (gegeven gelimiteerde rationaliteit). Ten tweede zijn contracten (als beloften) die niet steunen op geloofwaardige verplichtingen hopeloos naïef (gegeven opportunisme).
We hebben gezien dat de 'menselijke natuur zoals die is' door Williamson wordt gedefinieerd in termen van aan 'beperkte rationaliteit' en 'opportunisme'. Ik beperk mij tot twee punten van kritiek, waarvan de eerste ook door Williamson zelf aan de orde is gesteld.
Williamson [1985:44
-noot 3] heeft geprobeerd nog een derde gedragsmatige vooronderstelling op te nemen, namelijk 'waardigheid' . Hij
beschouwt zijn eigen poging als mislukt, maar hoopt dat deze lacune nog
wordt opgevuld. Waardigheid ('dignity') wordt hier en daar wel genoemd,
met name in verband met arbeidsverhoudingen [hoofdstuk X, § 6·2] en
informele organisatie [vgl. ook zijn algemene bespreking in hoofdstuk 15].
In hoofdstuk X [p. 271] werpt hij de vraag op of het niet gewenst is om
'waardigheid' als een onderliggend kenmerk van de menselijke natuur te
introduceren. Hij merkt terecht op dat juist in het kapitalisme de
waardigheid wordt ondergewaardeerd en dat er soms institutionele garanties
nodig zijn om dit te corrigeren (in de vorm van arbeidsrecht).
Intuïtief voelt iedereen aan dat niet alleen de rationaliteit van
substantiële resultaten van belang is, maar ook de effecten
van het proces op de participanten. Williamson maakt een onderscheid
tussen twee niveaus van argumentatie:
- het laagste niveau is dat van de
rentabiliteitsberekening: vermijdbare suboptimalisering door
managers (d.i. eerste-lijn toezichthouders) moet worden gecorrigeerd.
- het hogere niveau is dat van het Kantiaanse morele imperatief:
behandel iemand nooit als een louter middel, of bijbels geformuleerd: 'wat
gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan anderen niet'.
De eerste
doelstelling kan worden bereikt door een zorgvuldig gebruik van
institutionele garanties. Kortzichtigheid van managers kan tot op zekere
hoogte worden beperkt wanneer de rentabiliteitsberekening van de
onderneming als geheel wordt gebruikt als grondslag voor adequate
toezichthoudende beperkingen. Louter calculerende maar geïnformeerde
besluitvormers op hogere niveaus kunnen dergelijke organisationele
hervormingen implementeren. De vraag is echter in hoeverre dergelijke
hervormingen afwijken van het Kantiaanse morele imperatief. Williamson
refereert het socialistische bezwaar tegen het kapitalisme zoals dat door
Horvat werd geformuleerd. "Relations between persons are expressed and
experienced as relations between things. ... Man evaluate each other as
the they value objects" [Horvat 1982:90-1]. Williamson is van mening dat
economen hierop een weloverwogen antwoord zouden moeten geven. Het
veiligstellen van bedrijfsspecifieke waarden in menselijk kapitaal is
volgens hem gemakkelijk (maar natuurlijk wel sterk omstreden). De vraag is
echter of er nog andere of verdergaande 'waardigheidswaarden' zijn die
ondersteuning verdienen. Maar ook wat daarvan de comperatieve
institutionele implicaties zijn, en wat de afwegingen zijn die daarbij
gemaakt moeten worden. Williamson werpt deze vragen wel op, maar geeft
zelfs niet het begin van een antwoord. Zijn conclusie is uiteindelijk
nogal mager en teleurstellend: het belang van waardigheid moet weliswaar
worden onderkend, maar de calculerende op efficiency gerichte benadering
van de TCE is niet geschikt om alle kwesties die hierbij een rol spelen te
behandelen. In de kritiek op zijn nogal beperkte efficiencybegrip zal ik
hieronder laten zien, waarom er in zijn verklaringsmodel geen
(systematische) plaats is voor menselijke waarden zoals 'waardigheid'.
Williamson wijst op een probleem in organisaties
waaraan tot nu toe te weinig aandacht is besteed: het verschijnsel van op
eigenbelang gericht handelen. In economische organisatietheorieën
wordt dit probleem overwegend in utilitaristische termen gesteld. Het op
eigen belang gerichte handelen dat achter de TCE ligt, is zeker niet de
'essentie van organisaties' (zoals Moe 1984 beweert), maar wel een
probleem waaraan aandacht moet worden besteed. Daarbij moet echter een
duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen het algemene streven naar
eigen belang (particularisme) en de bijzondere vormen daarvan,
zoals het individualistisch streven naar eigen belang
(egoïsme) of het met list en bedrog streven naar eigen belang
(opportunisme). Opportunisme kan mijns inziens het beste worden
geanalyseerd als een specifieke vorm van egoïstisch handelen.[12] De grote zwakte van het hele
verklaringsmodel van Williamson is dat hij opportunisme opvat als een
vaste ('natuurlijke' of 'algemeen menselijke') eigenschap en niet als een
historisch en maatschappelijk bepaalde variabele.
Heilige of Opportunist?
Williamson beweert natuurlijk niet letterlijk dat
alle mensen altijd opportunistisch zijn. Toch wekt hij in bijna al zijn
formuleringen steeds weer de indruk dat opportunisme een
inherente eigenschap is van 'human nature as we know it'. In een interview
probeert Williamson zijn stellingname enigszins te relativeren. Enerzijds
houdt hij vast aan de gedachte dat opportunisme een fundamentele
menselijke gedragseigenschap is die in de economische organisatietheorie
moet worden ingebouwd, ook al is het een "a relatively unflattering
behavioral assumption". Anderzijds laat hij zich iets voorzichtiger uit
over de mate waarin deze gedragsaspecten als algemene kenmerken kunnen
worden beschouwd.
"I myself don't assume that most people are
opportunistic most of the time; I assume that some people are
opportunistic some of the time and that it is very difficult to
sort those who are opportunistic from those who are not" [Williamson in:
Swedberg 1990: 126; vgl. ook Williamson/Ouchi 1981:16-7].
Het meest
opmerkelijke is echter dat hij tegelijkertijd toch in uiterst abstracte en
in dit verband misleidende dichotomieën blijft denken.
"The
alternative to opportunism is saintliness, and since we are not prepared
to embrace that, then opportunism is something we have to come to terms
with." Als mensen van nature geen opportunisten zijn dan moeten het wel
heiligen zijn. Het is verbazingwekkend dat Williamson met een dergelijke simplistische logica de oude discussie
tussen vertegenwoordigers van negatieve en positieve antropologieën
nog eens wil overdoen. Het lijkt erop alsof hij zich in ieder geval niet
wil laten hinderen door de inzichten die door antropologen, sociologen en
sociaal-psychologen in de laatste honderd jaar (of sinds de dissertatie
van Knight) over dit thema naar voren zijn gebracht.
|
Hij gaat daarom volledig voorbij aan de vraag onder
welke voorwaarden egoïstisch of opportunistisch handelen ontstaat.
Wanneer neemt het op eigenbelang gericht strategische handelen
(particularisme) de specifieke vorm van egoïstisch of opportunistisch
handelen aan, waarin op geen enkele wijze rekening wordt gehouden met de
belangen van andere individuen of groepen? De principiële
vooronderstelling van de TCE is dat mensen individuele utiliteiten
maximeren, gedefinieerd als (materiële of monetaire) beloning minus
inspanning. Deze vooronderstelling zou veeleer als een empirische
variabele moeten worden behandeld [Perrow 1986:232]. De kritische vraag is
dus onder welke voorwaarden mensen in organisaties hun eigen utiliteiten
of belangen gaan maximaliseren ongeacht de gevolgen die dit voor anderen
heeft, en wanneer zij zullen afzien van een utiliteitstoename of zelfs een
een verlies incasseren vanwege de gevolgen die dit voor anderen heeft?
Dit zou niet moeten worden verward met de bekende algemene discussies over
de voorwaarden waardoor 'onbaatzuchtig' gedrag wordt bevorderd. Menselijk
handelen is tot op zekere hoogte altijd 'zelfzuchtig' in die zin dat
mensen streven naar de door hen als 'eigen' ervaren en gedefinieerde
belangen. Maar handelen waarin ook met anderen (met andere dan
eigenbelangen) rekening wordt gehouden is niet hetzelfde altruïsme.
Het is veeleer verwant met 'algemeen fatsoen' en 'wederzijds respect' (en
dus een uitstekend aanknopingspunt om aspecten van menselijke
'waardigheid' in het verklaringsmodel te integreren). Bovendien houden
individuen die naar hun eigen belangen streken rekening met anderen zodra
zij beseffen dat hun eigen belangen niet alleen individueel maar ook
collectief gestructureerd zijn en zij deze collectieve aspecten van hun
belangenpositie ook verdisconteren in hun praktische
handelingsstrategieën. In de excursie aan het slot van deze paragraaf
wordt dit met een voorbeeld toegelicht.
Mijns inziens is het veel
vruchtbaarder om het op eigen belang gerichte (en dus in mijn definitie
strategische) handelen als particularistisch handelen te beschouwen en
vervolgens een onderscheid te maken tussen verschillende graden of vormen
van particularistisch handelen.[13] Daarbij
zou uitvoeriger aandacht besteed moeten worden aan de specifieke condities
waaronder egoïstische of opportunistische vormen van
belangenbehartiging kunnen floreren. In aansluiting bij de kritische
analyse van Perrow [1986:233] zouden hierbij de volgende condities niet
vergeten mogen worden:
- Minimalisering van permanente
interacties. Dit doet zich voor een sterk vloeibare arbeidsmarkt waar
werkzoekenden niet worden beperkt door gezins- of andere persoonlijke
bindingen aan vrienden en de gemeenschap wanneer zij op zoek gaan naar een
nieuwe arbeidsplaats; wanneer er 'loco-contracten' zijn in de arbeidsmarkt
(zoals migrantenarbeid, tijdelijk werk) die vrije beweging van arbeid
maximaliseert; wanneer de nadruk ligt op individuele promoties of
individuele baanwisselingen, of wanneer loyaliteit aan de onderneming
wordt beloond.
- Stimulering van accumulatie van beloningen en
van 'surplus' door individuen. Dit gebeurt o.a. wanneer individuele
beloningen door het belastingstelsel worden bevoordeeld boven
groepsbeloningen. Het wordt bevorderd door de organisationele
hiërarchie, versterkt door sterk gedifferentieerde salarisstructuren
en fungeert binnen de context van een stabiel klassensysteem (met
minimale herverdeling van maatschappelijke rijkdom).
- Stimuleren van
meting van individuele prestaties of bijdragen. Dit vindt
plaats via personele beoordelingen, promoties, stukloon en de
verheerlijking van leiderschap. Het is een permanente erfenis van het
negentiende eeuwse individualisme, waarin de individuele prestatie wordt
verheerlijkt.
- Minimalisering van coöperatieve inspanning door
ontwerp van werkstroom en apparatuur. Werkstromen en apparatuur kunnen
coöperatieve inspanning en verantwoordelijkheid minimaliseren wanneer
taken worden opgesplitst en gekozen wordt voor de lopende band. Dit wordt
gestimuleerd door nauwkeurige contractuele relaties, door ervan uit te
gaan dat lijntrekken potentieel buitensporig is, en door het opbouwen van
bewakingssystemen die dit lijntrekken moeten tegengaan.
- Dominantie
van voorkeur voor stabiel leiderschap en gegeneraliseerd gezag.
Leiders worden geacht volledig competent te zijn en er wordt van hen
verwacht dat zij hun leidinggevende rol permanent vervullen. De
leidinggevende taken worden niet gerouleerd overeenkomstig de vaardigheden
van de individuen. Hierdoor ontstaan er bij ondergeschikten stabiele
patronen van afhankelijkheid; bij leiders ontstaan zichzelf bevestigende
aannames van expertise.
- Voorkeur voor grote hiërarchieën.
Deze zijn gebaseerd op ongelijke beloningen en het idee dat
coördinatie bereikt moet worden door het geven van orders. Ook in
grote hiërarchieën kan het gezag worden gedelegeerd. Als men dit
wil bereiken en structuren wil vermijden waarin egoïstisch gedrag
wordt gestimuleerd, dan is een meer matrixgewijze organisatie nodig
(dubbel leiderschap voor de mixing van functionele groepen - zoals verkoop
en produktie - en produktiegroepen), differentiatie door winstcentra, en
waarschijnlijk kleinere organisaties.
- Cultivering van
individualistische en opportunistische arbeidsmoraal. Dit wordt o.a.
bevorderd door het onweersproken laten van de eindeloze reproduktie van
positieve ideaalbeelden van ondernemers en werknemers die het ver hebben
geschopt omdat zij elementaire regels van burgerlijk fatsoen met voeten
hebben treden, en door het ontbreken van negatieve sociale en/of
juridische sancties op het achterhouden van informatie en vormen van
misleiding.
Organisatietheoretici en -ontwerpers zouden met deze condities rekening moeten houden. Het is mogelijk organisaties te ontwerpen die in ieder geval een aantal van deze kenmerken minimaliseren. Dit is niet alleen mogelijk in kleine, innovatieve high-tech ondernemingen, maar ook in grote ondernemingen.
Mijn stelling is dat de TCE aanleiding geeft tot een fundamenteel instrumentalisme. De menselijke actoren waarmee de TCE opereert, zijn sterk berekenende individuen. Dit is geen bijzonderheid van de TCE,
maar geldt praktische voor alle economische modellen (economie wordt
daarom vaak als een sombere, deprimerende wetenschap gezien). Williamson
geeft overigens toe dat hij geen attractieve of accurate visie op de
menselijke natuur geeft. Aan de andere kant is de nadruk op rationaliteit
tevens de grote sterkte van de economie [Arrow 1974]. Rationaliteit wordt
echter ook vaak overtrokken. "Hyperrationaliteit is hoofdzakelijk een
fictie en/of een pathologie" [Williamson 1985:391].[14] Toch is ook een deel van het succes van de economie in
relatie tot de andere sociale wetenschappen te danken aan het feit dat men
uitgaat van berekenend gedrag (niet per sé hebzucht, inhaligheid of
gierigheid). In vergelijking met de traditionele economische theorie zijn
menselijke actoren in de TCE zowel meer als minder berekend. Zij zijn
minder berekenend in hun vermogen om informatie te ontvangen, op te slaan,
terug te vinden en te verwerken ('beperkte rationaliteit'). Maar zij zijn
ook meer berekenend omdat zij per definitie en van nature opportunistisch
zijn: "human agents will not reliably self-enforce promises but will
defect from the letter and spirit of an agreement when it suits their
purposes" [Williamson 1985:388]. Williamson geeft toe dat dit een
'beperkte beschrijving' is en dat deze weinig ruimte biedt voor
eigenschappen zoals vriendelijkheid, sympathie, solidariteit en
dergelijke. Voorzover deze factoren worden erkend, worden met name hun
kosten in ogenschouw genomen en niet hun voordelen. Kortom: "The human
agents who populate the economic institutions of capitalism are lacking in
compassion" [idem: 391]. Het voordeel van deze 'onaantrekkelijke visie op
de menselijke natuur' is volgens Williamson dat het een groot aantal
testbare implicaties heeft. Bovendien sluit het idee dat mensen
opportunisten zijn niet de mogelijkheid uit dat zij duurzame allianties
aangaan. Deze voordelen van zijn concept wegen echter geenszins op tegen
de nadelen.
c. Strategische handelingsanalyse
Tegenover de gematigd rationalistische utilitaire
benadering van Williamson zou ik op heuristische gronden willen pleiten
voor een strategische handelingsanalyse. Ter verduidelijking grijpt
ik terug op het eerder gemaakte onderscheid tussen traditionele,
affectieve, normatieve en strategische handelingsoriëntaties.[15] De feitelijke handelingen en
handelingsoriëntaties van actoren in economische instituties zijn
altijd complexe mengvormen van deze typen. Om de afstand met
instrumentalistische benaderingen zoals die Williamson te vergroten, zou
men daarom kunnen opteren voor een benadering die uitgaat van de
genoemde vier handelingsoriëntaties (en hun samenhang met
handelingstypen en mechanismen van handelingscoördinatie). Toch zijn
er goede inhoudelijke en methodologische redenen om dit niet te doen en
uit te gaan van de strategische oriëntatie, strategisch handelen en
van de hierdoor geconstitueerde belangensituatie. Het grote voordeel
hiervan is dat de aandacht geconcentreerd word op verschijnselen die
anders te gemakkelijk ontsnappen aan de onkritische alledaagse en
sociologische blik. Ten eerste kunnen strategische handelingsanalyses van
economische instituties een nieuw licht werpen op de ongelijke
beschikkingsmacht over produktieve en andere bronnen, en op de bewuste en
onbewuste strategieën die leiden tot het ontstaan en de verandering
van heersende waardepatronen, normen, culturen en leefwerelden. Ten tweede
richten strategische handelingsanalyses de aandacht op de manier waarop
culturele bronnen worden gebruikt in strategieën van
particularistische belangenbehartiging en juist niet voor processen van
consensusvorming. De nadelen van benaderingen die uitgaan van op consensus
georiënteerde handelingsmodellen zijn inmiddels goed bekend. Meestal
wordt daarin veel te makkelijk en te snel een autonome ontwikkelingslogica
en dynamiek toegekend aan waarden, normen, culturen en leefwerelden.
Bovendien wordt over deze culturele aspecten veel te weinig in meervoud
gesproken in termen van 'gedeelde' waarden, culturen enz., in plaats van
over rivaliserende, concurrerende, dominerende en gedomineerde culturen en
leefwerelden.[16] Voor het onderzoek naar
economische instituties lijkt het mij daarom het meest vruchtbaar uit te
gaan van een strategische handelingsanalyse. Hiertegen is vaak het bezwaar
aangevoerd (van Parsons 1937 tot Lockwood 1992) dat strategische
handelingsanalyses onlosmakelijk verbonden (of zelfs identiek) zijn met
rationalistische of utilitaristische vooroordelen. Dit bezwaar
raakt weliswaar een groot deel van de 'mainstraim economics' en zoals we
hebben gezien ook de transactiekosten-economie van Williamson, maar gaat
zeker niet in het algemeen op. De belangrijkste kritiekpunten op het
rationalistische utilitarisme zijn al eerder de revue gepasseerd: de
reductie van rationaliteit tot strategische rationaliteit; de theoretische
en vaak ook feitelijke miskenning van traditionele, affectieve en
normatieve oriëntaties; de grofmaterialistische reductie van de
prikkels voor collectief handelen tot materiële of monetaire
prikkels; en de egoïstische variant van het utilitarisme.[17] Een strategische handelingsanalyse is niet
per definitie reductionistisch [Bader/ Benschop
1988:71].
- Handelingsoriëntaties en
handelingen worden niet gefatsoeneerd naar het geïdealiseerde model
van egoïstische strategische oriëntaties en handelingen; een
strategische handelingsanalyse is er juist op gericht de betekenis te
laten zien van traditionele, affectieve en waarderende (normatieve)
oriëntaties en motivaties in de strategische handelingscontext. Een
strategische handelingsanalyse hoeft dus niet te suggereren dat mensen
altijd en overal uit zijn op de behartiging van hun eigen belangen en dat
zij zich daarbij niet aantrekken van maatschappelijk dominante of
subalterne gebruiken en zeden, solidariteiten, of legitimaties (normen en
waarden).
- Een strategische handelingsanalyse bevat geen
rationalistische vooroordelen. Een volledig rationele en volledig bewuste
oriëntatie - zoals verondersteld wordt in de neo-klassieke eocnomie,
speltheorie en de 'rational choice' theorie - is slechts een ideaaltypisch
grensgeval.[18] En er hoeft ook niet te
worden verondersteld dat traditionele, affectieve en waarderende
oriëntaties uitsluitend integratief en conflictdempend werken. Een
strategische handelingsanalyse van economische instituties gaat ervan uit
dat conflicten juist ook bevorderd kunnen worden door 'strategisch
irrationele' zeden, solidariteiten en legitimaties.
- In een
strategische handelingsanalyse hoeven geen grofmaterialistische en
egoïstisch-individualistische motieven te worden binnengesmokkeld. In
strategisch handelen kunnen bijvoorbeeld ook heilsbelangen een rol spelen,
evenals particularistische groeps- en collectieve belangen. Een
strategische handelingsanalyse is dus niet noodzakelijk gebonden aan een
ontologisch of methodologisch individualisme.
- Strategische
oriëntatie en strategisch handelen worden niet geontologiseerd, maar
uitdrukkelijk gehanteerd als methodisch of heuristisch principe. Elke
totalisering en ontologisering van strategische oriëntatie is
onverenigbaar met een rationeel onderbouwd normatief perspectief (en dus
niet alleen met het mijne).
|
Tussen rationele belangencalculatie en moraal
Ter verduidelijking van de
mogelijkheden en problemen van een strategische handelingsanalyse geef ik
een eenvoudig voorbeeld. Stel er zijn twee mensen die samen een
restaurant bezitten. De één werkt als kok in de keuken, de
ander speelt ober in de bediening. Zij kunnen elkaar beide oplichten. Zij
weten echter ook dat als ze daaraan beginnen, hun collega zich de volgende
dag zal revancheren door hetzelfde te doen. Het gevolg hiervan is dat het
restaurant failliet gaat. Het verlies van gemeenschappelijke toekomstige
verdiensten dwingt hen elkaar vandaag niet te bedonderen. Deze uitkomst is
niet zozeer het resultaat van gemeenschappelijk waarden (de moraal dat men
collega's of medeëigenaren niet mag bedriegen), maar van een min of
meer rationele en bewuste calculatie van het eigen belang, waarbij zowel
een afweging wordt gemaakt tussen het individuele en collectieve eigen
belang, als tussen korte- en lange-termijn belangen. In de uitwerking
van dit voorbeeld wordt niet uitgegaan van de vooronderstellingen zoals
deze in de speltheorie en de 'rational choice' traditie worden gehanteerd.
Ten eerste wordt niet verondersteld dat belangenafwegingen zich slechts
uitstrekken tot het strikt individuele belang. In het gegeven voorbeeld
zijn de actoren bij voorbaat sociaal gesitueerd en zijn daarom in staat
hun eigen belangen als collectieve of gemeenschappelijke belangen te
definiëren. Ten tweede wordt niet verondersteld dat de actoren het
spel slechts één keer spelen en dat zij daarom bij de
articulatie en realisatie van hun eigen belangen geen geheugen, en dus ook
geen historisch besef of toekomstperspectief hebben. In het gegeven
voorbeeld krijgen de actoren hun weer geheugen terug. Hierdoor zijn zij
enerzijds in staat om van oude ervaringen te leren: bij de definitie van
hun actuele ervaringen kunnen zij gebruik maken van ervaringen in het
verleden. Anderzijds zijn zij mede hierdoor ook weer in staat om hun
definities van het eigen belang in een tijdsperspectief te plaatsen: zij
kunnen een onderscheid maken tussen belangen op korte en op lange termijn,
en zij maken weer min of meer rationele en bewuste afwegingen tussen hun
perspectivisch gedefinieerde eigen belang op lange termijn, en hun in de
actuele verhoudingen gesitueerde eigen belang op korte termijn. De actoren
krijgen dus zowel hun historisch besef als hun anticipatievermogen weer
terug. Wanneer de zowel de kok als de ober uitsluitend doorgewinterde
opportunisten zouden zijn, dan zouden zij elkaar bij voorbaat van bedrog
verdenken: zij zouden beiden vanaf de eerste dag tegenmaatregelen nemen
door zelf de boel te bedriegen (beiden zijn uit op het 'first mover
advantage'). En omdat zij aan het eind van de eerste dag van elkaar
ontdekken dat de ander inderdaad de boel belazerd heeft, zullen zij dat
beide volgende dag opnieuw doen. Zonder gemeenschappelijke waarden of
moraal en zonder dwang van buitenaf, zouden zij elkaar steeds weer opnieuw
belazeren. Het resultaat daarvan is zelfdestructie. Vanuit de
individualistische en ahistorische vooronderstellingen van de 'rational
choice'- en speltheorie kan dit zelfdestructieve proces alleen worden
doorbroken wanneer betrokken actoren een gemeenschappelijke moraal
aanvaarden of wanneer zij door dwang van buitenaf verplicht worden om meer
rekening te houden met de belangen van anderen. De schadelijke gevolgen
van de 'rationeel' calculerende egoïstische nutsmaximaliseerders
moeten dus worden beteugeld door een specifieke combinatie van innerlijke
overtuiging (fatsoensmoraal e.d.) en uiterlijke dwang (rechtsregels en
juridische of politionele sancties). We hebben gezien dat de
verklaringsstrategie aanzienlijk veranderd wanneer men de actoren toestaat
om bij de definitie van hun eigen belangen afwegingen te maken tussen
individuele en collectieve belangen en tussen korte- en
lange-termijnbelangen. De kok en de ober kunnen hun restaurant in stand
houden omdat zij beseffen dat zij een gezamenlijk belang hebben bij het
realiseren van toekomstige winsten (resp. het voorkomen van toekomstige
verliezen). Zij ervaren en definiëren dit economische doel elk
afzonderlijk als hun eigen belang. Het besef van dit gemeenschappelijke en
perspectivische belang is op zichzelf al een voldoende motief om elkaar
niet opportunistisch met list en bedrog tegemoet te treden. Hun louter
strategische handelingsmotivatie is dus in eerste instantie krachtig
genoeg om elkaar juist niet te belazeren. Door de duurzaamheid van hun
werkrelatie zullen zij op basis daarvan waarschijnlijk ook
gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen. Zij hebben er zelfs
strategisch belang bij om elkaar fatsoenlijk en respectvol te bejegenen.
Dit voorbeeld illustreert dat het hanteren van rationalistische en
utilitaristische vooronderstellingen een aanzienlijke blokkade vormen voor
een nuchtere strategische handelingsanalyse. Door uit te gaan van een
gereduceerde opvatting van het eigenbelang is men gedwongen om het streven
naar collectieve belangen resp. naar perspectivisch gedefinieerde
lange-termijn belangen buiten de strategische handelingsoptiek te
plaatsen. Zij komen - zoals bij Coleman - alleen weer vertekend in het
vizier onder de noemer van het normatief/moreel gemotiveerde
onbaatzuchtige handelen. Het voorbeeld geeft bovendien een indruk van de
mogelijkheden van een niet reductionistische handelingsanalyse. Het laat
zien
- hoe men kan verklaren dat er ondanks differentiële en
mogelijk conflicterende individuele belangen toch relatief stabiele
samenwerkings- en vertrouwensrelaties kunnen ontstaan die gebaseerd zijn
op welbegrepen (en dus niet individualistisch of actualistisch verkorte)
definities van het eigen belang. Het laat bovendien zien
- dat men juist
door een strategische handelingsanalyse beter in staat is aan te geven
hoe de uit strategische handelingsoriëntaties resulterende
belangenconstellaties bepalend zijn voor andere typen
handelingsmotivaties. We kunnen hierdoor een beter inzicht krijgen in de
manier waarop geconsolideerde belangensituaties invloed uitoefenen op
gewoontes, zeden en morele codes, op solidariteiten, en op legitimaties en
rechtvaardigheidsopvattingen. En tenslotte krijgt men hierdoor ook een
betere analytische greep op de vraag
- op welke punten rekening
gehouden moet worden met de (relatief autonome) werking van traditionele,
affectieve en normatieve handelingstypen en -oriëntaties.
Want uiteindelijk zijn ook de ober en de kok altijd meer dan economische
actoren. Het zijn mensen met een verleden, met eigen tradities, gewoontes
en morele codes die doorwerken in hun werkrelaties en persoonlijke omgang.
Het zijn mensen die zich met sommige andere mensen heel verwant voelen en die gepassioneerd betekenis hechten aan vriendschap, solidariteit en collegialiteit. En het zijn mensen die er eigen opvattingen op nahouden over wat er in hun grote en kleine wereld rechtvaardig en onrechtvaardig is, en die door hun eigen optreden (of door hun passiviteit) laten merken wat werkelijk waard is om verdedigd te worden, en wat veranderd of bestreden moet worden omdat het niet strookt met hun normatieve opvattingen.
Strategisch handelingsanalyse is geen toverwoord waarmee men in één klap alle complexiteiten en tegenstrijdigheden van het sociale handelen inzichtelijk kan maken. Het is wel een benadering waarmee men het meervoudig sociaal gestructureerde handelen van mensen en de institutionele contexten waarbinnen zij figureren, stapsgewijze kan ontcijferen.
|
Noten
[1] Williamson
beschouwt hen als zijn belangrijkste leermeesters. Herbert Simon werd
in 1949 hoofd van de afdeling van Industrieel Management bij het
Carnegie Institute of Technology (tegenwoordig: Carnegie Mellon
University). Hij verzamelde een groep politieke wetenschappen, economen,
ingenieurs en psychologen om zich heen en moedigde hen aan om een
gedragsmatig georiënteerde wetenschap van de 'administration' op te
bouwen. Hij legde grote nadruk op besluitvorming en keuzes binnen
organisaties. In de economische modellen van de onderneming domineerde tot
dan toe de niet-realistische vooronderstelling van de afzonderlijke,
superieure (rationele en alwetende) ondernemer. Simon verving deze
vooronderstelling door de visie van intentioneel rationeel, maar cognitief
beperkte actoren [MARCH/SIMON 1958]. In zijn modellen legde hij een sterke
nadruk op de meervoudige en concurrerende doelen van de deelnemers aan
organisaties [CYERT/MARCH 1963]. De economische modellen van
'administrative behavior' werden gemodificeerd en verrijkt door de
inzichten van psychologen en politicologen.
[2]
De uitdrukking 'human nature as we know it' is ontleend aan Frank KNIGHT [1922/72:270]. Critici hebben er terecht op gewezen dat Knight zeker geen psycholoog was die met enig gezag over 'de menselijke natuur' kon spreken. WILLIAMSON [1985:44 - noot 3] wijst erop dat hij geprobeerd heeft om naast beperkte rationaliteit en opportunisme ook nog 'waardigheid' op te nemen. Ik kom in § 3.2 terug op deze mislukte poging.
[3]
'Bounded rationality' refereert aan "the limits upon the ability of human beings to adapt optimally, or even satisfactorily, to complex environments" [SIMON 1991:132].
[4]
"The issue is thus not whether human agents are rational or not. Rather the question is whether the assumption of hyperrationality is needed or if weaker rationality
assumptions will suffice" [WILLIAMSON/OUCHI 1983:16]. Deze visie is
verwant met die van MARCH/OLSON [1976] en MINTZBERG [1973]. Zie voor een
recente bijdrage over de relatie tussen beperkte rationaliteit en
organisationeel leren: SIMON [1991].
[5]
Wanneer je bij een benzinestation benzine koopt voor
je auto is er niet veel complexiteit of onzekerheid. Het produkt is
redelijk goed bekend, je hoeft je geen zorgen te maken over service
achteraf, en de verkoper heeft geen informatie over je nodig wanneer je
direct betaald. Om benzine te kopen hoef je geen contract op te stellen en
te ondertekenen.
[6] Zie de latere illustratie van het edele pokerspel.
[7]
In de neo-klassieke economie wordt geopereerd met een maximaliserende oriëntatie. Dat is niet bezwaarlijk indien men alle relevante kosten zou kennen. Ondernemingen worden als produktiefuncties beschouwd, consumenten als consumptie- of utiliteitsfuncties. De allocatie van activiteit tussen alternatieve wijzen van organisatie wordt als een gegeven opgevat, en optimalisering is altijd en overal aanwezig.
[8] Williamson reproduceert de stelling uit de Public
Choice School en diverse andere neoklassieke economen, nl. dat
individuen zullen liegen en bedriegen, en andere morele normen en wetten
zullen schenden wanneer zij verwachten dat hij niet betrapt worden of
wanneer de straf kleiner zal zijn dan de winst. In dezelfde lijn ligt
BECKER's [1976:13] verklaring van de voordelen van het simuleren van
altruïsme: wie dit doet kan profiteren van het altruïsme van
anderen zonder zijn eigen bijdrage te leveren. Dit simuleren wordt
eigenlijk alleen beperkt door de 'transactiekosten' van het simuleren en
de moeilijkheid om een volledig succesvolle simulant te zijn.
[9] Williamson beroept zich hierbij op
KNIGHT's [1922/72] analyse van 'moral hazard' (een technische variant van
opportunisme); hij zag opportunisme als een endemische conditie waarmee
economische organisaties rekening moeten houden. Verder refereert hij
aan.de analyses van opportunistisch strategisch handelen van GOFFMAN
[1969] en SCHELLING [1960].
[10] Machiavelli stelde regels op om met
opportunisme om te gaan. Het advies dat hij zijn prins gaf wordt later
geciteerd.
[11] Williamson concentreert zich te sterk op het
grensgeval van een monolitisch collectivisme waarin de voorschriften van
het centrale plan worden uitgevoerd door functionarissen die zich volledig
identificeren met de van buiten af opgelegde macrodoelen. Alleen in
dergelijke extreme gevallen zou men kunnen spreken van het 'verdwijnen'
van het streven naar eigen belang, in die zin dat leden van subalterne
categorieën geen autonome communicatieve en politieke kanalen meer
hebben door middels waarvan zij hun eigen belangen kunnen articuleren en
realiseren. Maar in juist in dit extreme geval zou men 'gehoorzaamheid'
helemaal niet moeten thematiseren als een vorm van het streven naar eigen
belang (en waarschijnlijk ook niet als een negatieve vorm - het niet
streven naar eigen belang. Een door vreemde belangen van buitenaf opgelegd
'altruïsme' (zoals gedwongen opoffering van lijf en have voor
imperiale doelen van de keizer) kan beter worden aangeduid met de naam die
het verdiend: afgedwongen gehoorzaamheid, onderdrukking van autonome
belangenarticulatie en -behartiging, schending van de elementaire voorwaarden voor vrijheid van politieke communicatie en van politiek handelen.
[12] Het opportunistisch streven naar eigen belang (met
gebruik van list en bedrog en met schending van alle ethische principes
van 'fairness') wordt meestal opgevat als een specifieke vorm van
egoïsme. Daarbij zou echter niet vergeten moeten worden dat er
natuurlijk ook vormen van collectieve vormen van opportunisme bestaan. Bij
individueel opportunisme prevaleren de als individueel gedefinieerde
belangen van een persoon ten koste van alles boven de individuele belangen
van andere personen. Bij groepsopportunisme prevaleren de als collectief
gedefinieerde belangen van een groep ten koste van alles boven de
collectieve belangen van andere groepen.
[13]
Ik sluit hierbij aan op de analyse van BADER [1991:
133 e.v]. Vruchtbaar lijkt me ook het onderscheid dat Charles Perrow in
navolging van Paul Dimaggio maakt tussen 'high-trust systems', met
reciprociteit en collectieve oriëntatie versus competitieve,
egoïstische ('self-regarding'), individualistische systemen. Op deze
wijze kan inderdaad de tautologie van gemotiveerd handelen als
'self-interested' handelen worden vermeden. Het wordt vervangen door een
collectieve versus een individualistische strategie.
"Organisaties kunnen worden ontworpen om coöperatieve
strategieën of individualistische aan te moedigen" [PERROW 1986:232]
[14]
"Volledig rationele en volledig bewuste oriëntatie is een ideaaltypisch grensgeval. De extreme cognitieve en informationele vooronderstellingen van dit normatieve model
werden in de neo-klasieke economie, spelttheorie en theorie van rationele
beslissingen telkens weer benadrukt. Hierbij werd er veel te weinig
aandacht besteed aan de verschillende graden van rationaliteit en
met name aan de betekenis van de traditionele en affectieve
strategische oriëntatie voor empirisch-historische analyses en daarop
gerichte theorievorming" {BADER 1991:134].
[15]
Ik wijs hier nogmaals op het verschil met de
handelingstypologie van Weber. Bij Weber worden 'doelrationeel' en
'strategisch' vaak als synoniemen gebruikt. De 'doelen' van doelrationeel
handelen zijn echter niet per definitie particularistische doelen
[BADER/BENSCHOP 1988:299].
[16]
Ook COLEMAN [1990:31] pleit op heuristische gronden voor een strategisch
handelingsmodel. Aan het begin van zijn handelingstheorie staat
actoren die niet alleen rationeel zijn (maar zonder perfecte intelligentie
- p. 503], maar ook streven naar hun eigen belang zonder zich door normen
te laten hinderen. "I begin with norm-free, self-interested persons as
elements of the theory". Ook hij benadrukt dat men juist vanuit een
strategisch handelingsperspectief een beter zicht krijgt op de
problematiek van het ontstaan en reproduktie van normen, de
aanhankelijkheid van mensen aan normen, de ontwikkeling van een morele
code, de identificatie van het eigen belang met het lot van anderen en de
identificatie met collectiviteiten. "To begin with normative systems would
preclude the construction of theory about how normative systems develop
and are maintained. ... To assume adherance to norms would impose a
determinism that would reduce the theory to a description of automata, not
persons engaged in voluntary action. To assume that persons come equipped
with a moral code would exclude all processes of socialization from
theoretical examination. And to assume altruism or unselfishness would
prevent the construction of theory about how persons come to act on behalf
of others or on behalf of a collectivity when it goes against their
private interests" [idem:31-2]. De belangrijkste inhoudelijke zwakten van
zijn handelingstheorie zijn elders behandeld.
Voor een niet-reductionistische strategische handelingsanalyse is het van
cruciale betekenis hoe eng of breed het door actoren negestreefde eigen
belang wordt opgevat. We hebben eerder gezien dat Coleman het
methodologische individualisme te ver doorvoert en daarom het streven naar
een collectief belang niet opvat als een vorm van het eigen belang. Hij
laat zich hierdoor verleiden het streven naar collectieve belangen die
door actoren als eigen belangen worden ervaren en gedefinieerd, buiten de
strategische handelingsoptiek te plaatsen. En omdat het streven naar het
eigen belang wordt verkort tot het streven naar strikt persoonlijke
belangen, kan uiteindelijk het streven naar collectieve belangen niet
anders worden gethematiseerd dan als (moreel/normatief gemotiveerd)
onbaatzuchtig handelen (altruisme). Men kan dus in ieder geval concluderen
dat er verschillende varianten zijn van een strategische
handelingsanalyse.
[17]
Vgl. BADER/BENSCHOP [1988: 289 - noot 73] en BADER [1991: 28 e.v.]. Het meest
wezenlijke verschil tussen economie en sociologie betreft hun
vooronderstellingen over de menselijke natuur. De beroemde homo
economicus is een rationeel calculerende, egoïstische,
instrumentele maximaliseerder met vaste preferenties. De homo sociologicus is veel moeilijk te definiëren.
[18]
De extreme cognitieve en informationele
vooronderstellingen van dit normatieve model zijn uitvoerig bekritiseerd
door Veit Bader. Hij wijst er terecht op dat in deze theorietradities veel
te weinig aandacht wordt besteed aan de verschillende graden van
rationaliteit en met name aan de betekenis van de traditionele en
affectieve strategische oriëntatie voor empirisch-historische
analyses en daarop gericht theorievorming [BADER 1991:61 e.v.,134,]
Agency Theory
De agency-theorie is een van de twee hoofdstromen van de de zgn. nieuwe
institutionele economie. De transactiekostenbenadering en de
agency-theorie leggen beide grote nadruk op efficiency-maximaliserende
verklaring van sociale arrangementen. De door Alchian/Demsetz [1972]
ontwikkelde agency-theorie (AT) concentreert zich echter op ex ante 'incentive alignments', terwijl in de transactiekostentheorie het accent ligt op ex post controle op contracten. Volgens de
agency-theorie ontstaan organisaties om systemen van complexe
coöperatie te ondersteunen en te reguleren. De agency-theorie wordt met
name toegepast op het ontwerp van beloningssystemen, acquisitie en
diversificatiestrategieën, relaties tussen directies en managers. De
vooronderstellingen van deze benadering zijn: - Om contracten en
dus organisatie te verklaren, wordt uitgegaan van de sterkste economische
vooronderstellingen: maximalisering van utiliteiten, waarbij de
netto utiliteiten worden gedefinieerd als beloningen (geld) minus
inspanning.
- In z'n eenvoudigste vorm gaat de AT ervan uit dat het
leven een serie van contracten is. De 'koper' van goederen of diensten
wordt aangeduid als de 'principal'; degene die de goederen of
prestaties levert is de 'agent' (vandaar de naam: 'agency theory').
Dit is slechts één vorm van een agency-relatie. Andere voorbeelden zijn:
- een bedrijfseigenaar (principal) en de manager van het bedrijf (agent) die
beslissingen neemt die de rijkdom van de eigenaar raken.
- de eigenaar van een landgoed (principal) en zijn opzichter die beslissingen neemt die de
rijkdom van de landeigenaar beïnvloeden.
- de manager (principal) en zijn ondergeschikten, die beslissingen nemen die de reputatie van de
manager beïnvloeden.
- een patiënt (principal) en zijn arts (agent) die beslissingen neemt die de gezondheid van de patiënt
beïnvloeden.
- een verzekeringsmaatschappij (principal) en iemand die daarbij een brandverzekering afsluit (agent) die beslissingen neemt welke de cash flow van de verzekeringsmaatschappij beïnvloeden.
- een huurder (principal) en een verhuurder (agent) die beslissingen neemt die het
eigendom van de verhuurder raken.
Agency-relaties bestaan zowel binnenondernemingen (manager en ondergeschikte) als tussen ondernemingen (zoals
licenties, franchisering). De relatie tussen principal-agent wordt gereguleerd door een contract dat specificeert wat de 'agent' moet doen en wat de 'principal' in ruil daarvoor moet doen (bijvoorbeeld op tijd betalen voor de verkregen goederen; loon en benefits betalen, gespecificeerde aankondiging van het beëindigen van een relatie).
- P/A-relatie is
echter beladen met problemen van bedrog, beperkte informatie en in het
algemeen met beperkte rationaliteit. In de 'agency theory'
wordt m.n. benadrukt dat het moeilijk is om een 'self-interested
agent' te laten doen wat de 'principal' wil.
De relatie tussen 'principal' en 'agent' wordt enerzijds uitgewerkt in mathematische
formuleringen met een beperkt aantal variabelen en zonder gegevens, en
anderzijds in meer complexe modellen waarin af en toe gegevens worden
gebruikt. De mathematische formulering van de 'zuivere' agency theory zijn
strikt logisch in hun opzet en maken heroïsche en daarom onredelijke
vooronderstellingen. In deze modellen wordt slechts met drie factoren
rekening gehouden:
- de preferenties van de partijen
- de mate van
onzekerheid: in welke situaties bestaat meer of minder onzekerheid?
- de beschikbare informatie: hoe kan de principal weten wat de agent
doet?
Michael Jensen [1983 - Organization Theory and Methodology]
geeft een overzicht van de verschillende mathematische modellen. In de
meer realistische en complexere modellen wordt verondersteld dat veel taken beter als coöperatieve inspanning of 'teamwork' benaderd kunnen worden. Vaak is het echter onmogelijk om contracten te sluiten met
elk lid afzonderlijk waarin zijn/haar 'marginaal produkt' of individuele
bijdrage aan de taak wordt vastgesteld. Als vier mensen iets op een
vrachtwagen laden, hoe kan men dan zeggen of zij allemaal even hard
gewerkt hebben. Het voorbeeld is triviaal, maar het probleem niet. Om de
beloningen eerlijk te verdelen is nodig om de relatieve bijdragen van elk
lid te bepalen. De oplossing hiervoor is simpel: het kapitalisme.
|
Home |
Economic Sociology |
Contact