Albert Benschop
"The study of economic organization commonly proceeds as though market and adminstrative modes of organization were disjunct. Market organization is the province of economists. Internal organization is the concern of organization theory specialist. And never the twain shall meet" [Williamson 1975:ix].
Sinds de jaren zeventig is onder economen de belangstelling voor institutionele problemen duidelijk toegenomen. Meer en meer is bij hen het besef doorgedrongen dat het institutionele milieu waarin ondernemingen opereren een van de belangrijkste reden is voor de verschillen in produktiviteit tussen Europese, Japanse en Amerikaanse ondernemingen.[1] In ieder geval wordt er de laatste jaren door economen niet alleen meer aandacht besteed aan de institutionele verhoudingen binnen en tussen ondernemingen, maar ook aan de institutionele relaties tussen ondernemingen en banken, tussen ondernemingen en overheid, en tussen ondernemingen en vakbonden.[2] Vanuit de optiek van de economische sociologie is het alleen maar toe te juichen dat 'mainstream economics' nu proberen om instituties te analyseren. Door deze wederzijdse interesse wordt immers een nieuw terrein geschapen waarop de dialoog tussen economen en sociologen gevoerd kan worden.
De invloed van economen op organisatiestudies is een gemengde zegen. Het had enerzijds als positief effect dat in het onderzoeksveld een grotere precisie ontstond: theoretici werden aangemoedigd om hun definities nauwkeuriger af te bakenen en te werken aan de constructie van een systematische theorie vanuit algemene axioma's over sociaal handelen. Anderzijds kleeft er aan deze invloed het nadeel dat altijd optreedt wanneer specialisten zich buiten hun eigen vakgebied gaan bewegen: er worden onvoorzichtig ideeën uit het ene vakgebied op het andere overgedragen, waardoor er er wel nieuwe metaforen in omloop worden gebracht, maar nog geen nieuwe inzichten. Vooral het onkritisch gebruik van marktmodellen in organisatiestudies heeft een meer logische en empirische blokkades opgeworpen dan doorbroken. Een van de vragen die hier aan de orde zullen komen is hoe succesvol de economen feitelijk geweest zijn om hun analyses van instituties te integreren in de 'hoofdstroom economie'. En met name: hoe 'sociaal' de analyses zijn die economen van sociale instituties maken? Of anders gezegd: wat presteren zij meer in vergelijking met de analyses van economische sociologen?
De wereld waarmee de 'mainstream economics' zich bezig houdt, is "a frictionless one in which institutions do not exist and all change occurs through perfectly operating market" [North 1981:5]. De 'New Institutional Economics' (NIE) houden zich in tegenstelling tot de neoklassieke economen wel met instituties bezig. Zij baseren hun institutionele analyses echter direct op de basisprincipes van de neoklassieke economie. Dit geldt niet alleen voor Coase en North, maar zeker ook voor Williamson. In tegenstelling tot de 'oude' institutionalisten zoals Veblen, beschouwen de 'nieuwe' institutionalisten hun eigen werk als complementair aan, en niet als vervanging voor de conventionele economische analyse [Williamson 1975:1].
De transactiekosten benadering is een onderdeel van de nieuwe institutionele economie. De nieuwe institutionele economie is sterk micro-economisch georiënteerd; zij concentreert zich op 'nanoeconomic reasoning' [Arrow 1987:734]. Zij gaat uit van twee eenvoudige vooronderstellingen: "(1) Institutions matter, and (2) institutions are susceptible to analysis" [Mattews 1986:903; Williamson 1990:8; Williamson 1994: 77]. De verschillende stromingen of deelperspectieven die onder deze noemer opereren, hebben met elkaar gemeen dat zij organisaties benaderen vanuit de optiek van contracten. Het zijn dus in zekere zin allemaal contractuele benaderingen. Er zijn een aantal contractuele benaderingen van de nieuwe institutionele economie:
Transactiekosten kunnen het beste worden vergeleken met fricties in mechanische systemen.
Het begrip van economiseren van transactiekosten is cruciaal voor het onderzoek van economische organisaties. In de toepassingen van deze benadering moeten de dimensies van transacties worden gespecificeerd en alternatieve beheersstructuren ('governance structures') worden beschreven. De economisering van transactiekosten wordt bereikt door het op een discriminerende wijze toeschrijven van transactiekosten aan beheersstructuren. De benadering is zowel van toepassing op de bepaling van efficiëntiegrenzen tussen ondernemingen en markten, als op de organisatie van interne transacties, inclusief het ontwerp van arbeidsverhoudingen.
De TCE probeert een verklaring te geven van de verschuiving van markten met vele organisaties naar hiërarchieën (of industrieën) die door een paar grote ondernemingen worden gedomineerd: hoe voltrekt zich de overgang van vele kleine organisaties ('markt') naar een paar gigantische ondernemingen ('hiërarchie')? [vgl. Williamson 1983:101-34]. In het 'markten en hiërarchieën programma' worden alternatieve vormen van economische coördinatie (marktmatige en ondernemingsgewijze) met elkaar vergeleken in termen van de moeilijkheden die zij hebben om verschillende soorten transacties (arbeid, produkt en financieel) te realiseren in een uiteenlopende omgevingen.[9] Er worden toetsbare implicaties afgeleid van de (omgekeerd functionalistische) vooronderstelling dat concurrerende processen in de maatschappij zodanig werken dat de organisatievormen die actueel bestaan en overleven dit doen omdat zij lagere transactiekosten met zich meebrengen dan andere vormen. Williamson levert dus een efficiency verklaring van de evolutie van organisationele vormen in de maatschappij.
De centrale premisse van de TCE is dat het ontstaan, bestaan en de reproduktie van verschillende coördinatiemechanismen of beheersstructuren (markten, bureaucratieën, clans) primair wordt bepaald door de efficiëntie waarmee deze vormen de ruiltransacties tussen partijen kunnen mediëren. Zoals in alle traditionele (neo-klassieke) economische organisatietheorieën wordt daarbij probleemloos verondersteld dat de preferentiefunctie van een onderneming een uniek doel is dat meetbaar is in rentabiliteitstermen. Het centrale probleem is welke institutionele mechanismen een comperatief voordeel hebben bij de geleiding van bepaalde soorten transacties. In de organisationele optiek van de TCE staat telkens een vraag centraal: wat zou de interne structuur van de onderneming moeten zijn om optimaal economisch handelen te structureren, rekening houdend met het feit dat organisatiestructuren en coördinatiemechanismen kosten met zich meebrengen? De nadruk ligt hierbij aanvankelijk op de verhoudingen tussen organisaties en niet zozeer de interne organisatie (en daarin ligt een zekere verwantschap met het ecologisch perspectief). Niet de transacties zelf of de kosten van de transacties staan dus centraal, maar de organisatiewijze van transacties. De TCE concentreert zich op institutionele regelingen die door Williamson meestal worden aangeduid als 'governance structures': bestuurlijke of beheersstructuren.
Het markten en hiërarchieën-programma is geconstrueerd rond een kernmodel: het raamwerk van het 'organisatiefalen'. Dit 'organizational failures framework' werd door Williamson voor het eerst geformuleerd in het artikel Vertical Integration of Production: Market Failure Considerations uit 1971 en uitgewerkt zijn boek Market and Hierarchies [1975:40].[10] Het is een eenvoudig model van de voorwaarden waaronder markten meestal plaats maken voor organisaties. Daarbij moet men er rekening mee houden dat Williamson er een nogal eigenzinnige terminologie op nahoudt. Hij gebruikt namelijk de term 'organisatie' voor elk sociaal arrangement waarin transacties plaatsvinden: "organizational failure is a symmetrical term meant to apply to market and nonmarket organizations alike" [Williamson 1975:20]. Zowel markten als organisaties beschouwt hij dus als 'organisaties'.[11] Daarom presenteert hij zijn analyse van de marktbeperkingen in termen van een 'organizational failures framework'. Voor organisaties in de gebruikelijke zin gebruikt Williamson diverse andere termen: 'internal organizations', 'hierarchies' en 'firms'. Voor elk type van marktfalen (zoals het probleem van publieke goederen, de informatie asymmetrie, de ruil van kleine aantallen) probeert hij in zijn verklaring terug te gaan naar 'a statement of the primitives'. Marktfalen wordt teruggevoerd tot menselijke en omgevingsvoorwaarden. De menselijke factoren zijn beperkte rationaliteit en opportunisme. De omgevingsfactoren zijn onzekerheid/complexiteit en ruil van kleine aantallen. De wijze waarop deze menselijke en omgevingsfactoren zijn gepaard, wordt in het volgende schema weergegeven.
Figuur 1 Kader van marktfalen

De globale diagnose van de TCE luidt dat de verandering van de markt (of een contract met een andere leverancier) onzekerheid genereert en dat dit in combinatie met kleine aantallen contractanten ('small-numbers bargaining'), het gebrek aan informatie en de mogelijkheid van opportunisme zal leiden tot marktfalen. Het marktfalen wordt veroorzaakt door transactiekosten.[12] De globale remedie voor de door marktfalen veroorzaakte stijging van transactiekosten is verticale integratie. Hiervan worden twee vormen geanalyseerd. (1) Voorwaartse integratie: het uitkopen van de persoon waaraan je verkoopt, resp. het opzetten van een eigen organisatie in competitie met je klant; (2) Achterwaartse integratie: uitkopen van je leveranciers (of het opzetten van je eigen bron van aanvoer). Horizontale integratie is het uitkopen van de concurrent (uitbreiding van marktmacht). In het volgende schema is deze samenhang in beeld gebracht.
Figuur 2 Diagnose en remedie van de TCE

John R. Commons heeft in 1934 als een der eerste gewezen op het belang van transacties in de economie. Hij beschouwde transacties als de basiseenheid van analyse en bepleitte een analyse op microniveau [Commons 1934:4-8]. Hij onderkende dat economische organisatie niet alleen een reactie is op technologische verschijnselen (zoals 'economics of scale', 'economics of scope' en andere fysieke of technische aspecten), maar vaak het doel heeft om relaties tussen partijen te harmoniseren die anders in actueel of potentieel conflict komen. Economische organisaties hebben dus (ook) het doel om de continuïteit van relaties te bevorderen door het ontwikkelen van gespecialiseerde beheersstructuren ('governance structures').
In de jaren dertig heeft Ronald Coase de term transacties gespecificeerd om economische organisaties in vergelijkende institutionele termen te kunnen analyseren.[14] Coase constateert dat er geen sluitende verklaring bestaat voor het bestaan van ondernemingen. Economen gaan ervan uit dat vraag en aanbod op efficiënte wijze op elkaar worden afgestemd door het prijsmechanisme. Bij de aanwending van arbeid en kapitaal blijkt echter dat de markt deze coördinerende functie slechts gedeeltelijk vervult. Terwijl markten meestal worden beschouwd als het principiële middel waardoor coördinatie wordt gerealiseerd, worden markten vaak door ondernemingen vervangen die deze zelfde functies verrichten. Een belangrijk deel van de coördinatie vindt immers plaats door ondernemers die in hun organisaties zorgen voor een zo efficiënt mogelijke benutting van produktiekrachten. Coase stelt de vraag: waarom gaan de bezitters van arbeider en kapitaal niet rechtstreeks via de markt een overeenkomst met elkaar aan, maar gebruiken ze een onderneming als intermediair?
Niet alleen het bestaan van ondernemingen, maar ook hun omvang worden door Coase verklaard vanuit het inzicht dat aan markttransacties kosten verbonden zijn. De grenzen van ondernemingen zijn niet technologisch bepaald: markten en ondernemingen zijn alternatieve middelen van economische organisatie [Coase 1937/52: 333]. De ondernemingsactiviteiten kunnen worden bepaald door een vergelijking van de kosten van het organiseren van produktiefactoren met de kosten van een transactie via de markt. Wanneer de kosten van het organiseren dalen - bijvoorbeeld door betere managementstechnieken - dan kan de onderneming groeien. Wanneer de markt transparanter wordt dan zullen de transactiekosten dalen en ontstaat een tendens naar uitbesteding.
|
|
Coase levert dus een verklaring voor de verdeling van activiteiten (transacties) over markten en organisaties. Of transactiekosten binnen een onderneming worden georganiseerd (hiërarchisch) of tussen autonome ondernemingen (via een markt) is dus een beslissingsvariabele. Welke modus men adopteert, is afhankelijk van de transactiekosten die daaraan verbonden zijn. Coase [1952:336] merkt al op dat verticale integratie de onderneming in staat stelt om te economiseren op de "cost of negotiating and concluding" de vele afzonderlijke contracten van tussenprodukten door subsistutie van een flexibele arbeidsovereenkomst.
|
Het is interessant om te zien hoe Williamson vóór zijn uitwerking van de transactiekosten economie probeerde een specifieke verklaring te geven van de optimale omvang of grens van de onderneming, waarbij hij rekening houdt met de organisatiekosten [Williamson 1967b, 1970]. Om de organisatiekosten te berekenen, definieert hij het verschil tussen revenu en kosten (dat is: winsten) die een onderneming kan maximaliseren als een functie die niet alleen de conventionele variabelen van output, produktiekosten en prijzen bevat, maar ook de kosten van de hiërarchie en de coördinatiemechanismen die noodzakelijk zijn om deze output en beslissingen te genereren. Bij de berekening van de organisatiekosten worden twee variabelen betrokken.
Net zoals bij de 'theory of teams' [Marschak 1954; Marschak/Radner 1972] gaat dit organisatiemodel uit van de de conventionele economische ooronderstelling dat dat ondernemingen daadwerkelijk optimaliseren. Het reikwijdte van deze modellen is beperkt tot voorspelbare markten en produktievoorwaarden en tot eenvoudige kwantitatieve organisationele variabelen zodat hun kosten en voordelen geëvalueerd en vergeleken kunnen worden [vgl. de kritiek van Grandori 1987]. In zijn recentere bijdragen aan de organisatie-economie [WILLIAMSON 1975,1981] wordt een bredere benadering gehanteerd die niet meer uitgaat van de optimalisering van organisationele variabelen. In de transactiekosten benadering worden de kosten vergeleken van alternatieve organisatievormen die in staat zijn om dezelfde activiteit te reguleren en te controleren. |
Het feit dat transactiekosten niet werden geoperationaliseerd, was verantwoordelijk voor haar tautologische reputatie en slechte naam. Mede daarom raakte de transactiekosten benadering in de vergetelheid. Volgens Williamson [1985:6] zou men echter al in 1940 in principe de volgende proposities hebben kunnen samenvoegen voor de bestudering van economische organisaties:
De specifieke kenmerken van het programma kunnen in de volgende punten worden samengevat.
Index 2 Gedragsmatige vooronderstellingen
|
[2] Studies die direct of indirect hebben bijgedragen aan de nieuwe institutionele economie zijn ALCHIAN/DEMSETZ [1972,1973], ARROW [1969,1974], DAVIS/NORTH [1971], DOERINGER/PIORE [1971], KORNAI [1971], NELSON/WINTER [1973,1982], WARD [1971], WILLIAMSON [1971, 1973]. Veel van de artikelen in dit genre zijn verschenen in het tijdschrift Journal of Economic Behavior and Organization en het Journal of Institutional and Theoretical Economics.
[3] Zie voor een nuttig overzicht: EISENHARDT [1989].
[4] FAMA/JENSEN [1983a] geven een verklaring van het bestaan van particuliere ondernemingen en publieke corporaties. Zij beschouwen organisatie als een knooppunt van geschreven en ongeschreven contracten tussen eigenaars van de produktiefactoren en klanten. De belangrijkste contracten specificeren de aard van de residuale claims en de allocatie van stappen in het beslissingsproces tussen actoren ('agents'). De meeste actoren ontvangen een beloofde vaste betaling of een prikkelbetaling gebaseerd op een specifieke meting van prestaties. Het residuale risico is het risico van het verschil tussen stochastische instroom van geld en beloofde betalingen. Het wordt gedragen door residuale claimers of residuale risicodragers. Het beslissingsproces binnen ondernemingen worden opgesplitst in vier fasen: (1)initiatie: het genereren van voorstellen voor brongebruik en de structurering van contracten; (2) ratificatie: het kiezen tussen de beslissingsalternatieven die geïmplementeerd moet worden; (3) implementatie: het uitvoeren van geratificeerde beslissingen; (4) monitoring (evaluatie): het meten van prestatie van beslissingsactoren en implementatie van beloningen. Zie verder: DOUMA/SCHREUDER [1991:89 e.v.].
[5] Ook het werk van Andrew SCHOTTER [1981] is in essentie gebaseerd op een speltheoretische benadering. Instituties worden hoofdzakelijk opgevat als een manier om 'sociale coördinatiespelen' op te lossen teneinde te voorkomen dat het individuele rationele handelen leidt tot irrationele collectieve resultaten. De benadering van Schotter is Darwiniaans getint. "Economic and social systems evolve the way species do. To ensure their survival and growth, they must solve a whole set of problems that arise as the system evolves. Each problem creates the need for some adaptive features, that is, a social institution. ... Every evolutionary economic problem requires a social institution to solve it [SCHOTTER 1981:1-2]. Dit relativeert mijn eerdere opmerking dat het gemeenschappelijk kenmerk van de 'new institutional economics' de contractuele benadering is.
[6] In het onderzoek van economische organisaties zijn verschillende eenheden van analyse voorgesteld: het beslissingsproces (Simon), eigendom (eigendomsrecht economen), industrie of bedrijf (industriële of bedrijfssociologie), individu (agency theorie).
[7] Het transactiebegrip staat tegenwoordig niet alleen centraal in de economie [GOLDBERG 1980; WILLIAMSON 1975], maar ook in sociologische [WHITE 1978] en organisationele studies [OUCHI 1980; WILLIAMSON 1985].
[8] "A transaction occurs when a good or service is transferred across a technologically separable interface" [WILLIAMSON 1981:552; 1985:1]. Het is overigens opvallend dat Williamson en ook OUCHI [1980] geen expliciete definitie geven van het begrip transactie. COMMONS [1924, 1934] geeft een meer volledige definitie van transacties. Ik kom hier nog uitvoeriger op terug in § 6·2.
[9] In het oorspronkelijke 'markten en hiërarchieën' programma uit 1975 wekt Williamson nog te veel de indruk dat er slechts twee coördinatiemechanismen (of in zijn termen: 'organisatievormen') van economisch handelen bestaan: markten en hiërarchieën (of 'interne organisaties'). Later onderscheidt hij drie alternatieve 'organisatievormen': (1) markten, met variërende graden van aanvullende ondersteuning, (2) interne organisatie, en (3) quasi-markten, d.w.z. intermediaire vormen van bilaterale ruil, 'obligational market contracting'. Sommige critici wassen hem nog steeds de oren voor zijn beperkte optiek in Markets and Hierarchies. Williamson zelf concentreert zich steeds meer op de intermediaire organisatievormen.
[10] Aan Richard Swedberg vertelt Williamson dat hij in 1970 bij het schrijven van het genoemde artikel het gevoel kreeg "that I was the first person in the world that had ever understood vertical integration. This was obviously a certain exaggeration. But I did have a sense that this reformulation really got to some of the basic issues" [Williamson, in: SWEDBERG 1990:119].
[11] Ik zal Williamson op dit punt niet volgen. Markten en ondernemingen zijn verschillende institutionele vormen van afstemming of coördinatie van vraag en aanbod (of breder: van economische activiteiten). Daarom geef ik de voorkeur aan de term coördinatiemechanismen.
[12] In de oude literatuur over het marktfalen kwamen veel thema's aan de orde, maar deze werden bijna nooit (de uitzondering is Ronald Coase) in termen van transactiekosten behandeld [WILLIAMSON 1985:19].
[13] Een paar andere voorlopers (zoals Frank Knight en Herbert Simon) komen later nog aan de orde. Zie voor een uitvoeriger aanduiding van de voorlopers en grondleggers van de transactiekosten economie: WILLIAMSON [1985:2-12].
[14] Hij deed dit in een klassiek geworden artikel The Nature of the Firm uit 1937, waarin hij de bestaansredenen van ondernemingen analyseerde. Met zijn artikel The Problem of Social Cost uit 1960 werd hij een van de grondleggers van een nieuwe stroming binnen de economie, nl. de rechtseconomie. De Brit Coase kreeg voor zijn werk in 1991 de Nobelprijs voor economie.
[15] In The Rise of the Western World van Douglass North en Robert Paul Thomas wordt het idee uitgewerkt dat de snelle economische groei van Westeuropa te danken is aan haar efficiënte economische instituties. "Efficient economic organization is the key to growth; the development of een efficient economic organization in Western Europe accounts for the rise of the West. Efficient organization entails the establishment of institutional arrangements and property rights that create an incentive to channel individual economic effort into activities that bring the private rate of return close to the social rate of return" [NORTH/THOMAS 1973:1]. In een latere studie schetst North de belangrijkste stappen in de ontwikkeling van de markt. Hij neemt afstand van de gebruikelijke gelijkstelling van de markt met efficiency en laat zien dat sommige economische instituties - inclusief de markt - feitelijk de transactiekosten eerder laten stijgen dan dalen [NORTH 1990:69]. Hij ziet de markt als een gemengde zak instituties, waarvan sommige de efficiency verhogen terwijl andere die juist verlagen.
[16] Deze ontwikkelingen worden uitvoeriger beschreven door WILLIAMSON [1975 - hft. 1] en in het maart 1984 nr. van Journal of Institutional and Theoretical Economics. Vgl. ook de bundel van PUTTERMAN/GOLDBERG.