TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact
Techniek - Arbeid - Organisatie
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

IX Machine, mechanisering, automatisering

  1. Definities
    1. Machine
    2. Automaat
    3. Principes
  2. Pro-theoretisch raamwerk
    1. Inventie
    2. Innovatie
    3. Diffusie- of innovatieproces
    4. Sleuteltechnologieën en technologiewebben
    5. Technologische systemen
    6. Ongelijke technologische ontwikkeling
  3. Ars, nieuwe techniek en technologie.
  4. A very short history
    1. Prehistorie
    2. Klassieke Oudheid
    3. Arabisch-islamitische middeleeuwen
    4. Europese Middeleeuwen
    5. Prelude van industriële revolutie in 17de en 18e eeuw
VIII <= Index => X


1 Definities

1.1 Machine

Machines kunnen op verschillende manieren worden gedefinieerd, ingedeeld en in hun ontwikkeling worden bestudeerd met behulp van zeer uiteenlopende criteria: hun bewegingskracht, hun complexiteit, hun gebruik van fysieke principes enz. Men kan kiezen tussen twee denkmodellen:

Franz Reuleaux : "A machine is a combination of resistant bodies so arranged that by their means the mechanical forces of nature can be compelled to do work accompanied by certain determinate motions" [gecit. door Braverman 1974: 184]. Dit is een typisch voorbeeld van een technocratisch-functionalistisch perspectief. Deze definitie staat nog volledig in het mechanistische verklaringsmodel en schiet voor symboolverwerkende machines duidelijk te kort. Elke referentie aan het arbeidsproces (de samenhang tussen de doelgericht handelende arbeider, het arbeidsmiddel, de machine, het arbeidsobject en de maatschappelijke belangen die dit proces vormgeven) wordt hierin ontkend.

Zijn tijdgenootCharles Babbage (1792-1871) had wel een scherp oog voor de maatschappelijke samenhang waarin machines ontstaan, d.w.z. waarin machines als arbeidsmiddel worden ontwikkeld en ingezet en waardoor zij volledig worden gestempeld [Babbage 1835: 173 e.v.].

Karl Marx verzet zich tegen definities van de machine waarin 'het historische element' ontbreekt en waarin geen duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen werktuig en machine. Hij definieert de machine als volgt:

Het verwijderen van het werktuig uit de handen van de arbeider en de inpassing in een mechanisme is volgens Marx de eerste stap in de evolutie die begint met eenvoudige machinerie en die uitmond in het automatisch systeem van machinerie. Van alle technische kenmerken legt Marx dus de nadruk op het specifieke verschijnsel dat de verbinding vormt tussen mens en machine: zijn effect op het arbeidsproces. De techniek wordt nooit zuiver in zijn interne relaties geanalyseerd, maar in relatie tot de arbeider.

Machines zijn objectiveringen van vastgelegde schema's van menselijk handelen, van de zgn. automatismen. Machines zijn geïmplementeerde theorie [Bednarz e.a. 1984]. Het zijn dus uitvloeisels van het menselijk verstand dat in staat is tot begripsvorming, het resultaat van menselijk handelen in telkens weer terugkerende situaties. Als gevolg daarvan belichamen machines ook de handelingsvoorwaarden, in het bijzonder de maatschappelijke verhoudingen waaronder zij tot stand gekomen zijn. Omgekeerd stellen de machines, wanneer zij eenmaal op de wereld zijn gezet, voor hun doelmatig gebruik eisen aan het menselijk handelen. Zij drukken dus hun stempel op toekomstig handelen, en structureren op deze manier de bestaanswijze van de mens. De in machines verdinglijkte (gebjectiveerde) produktiekennis heeft op deze wijze duurzame vorm aangenomen, waarin het aan latere gebruikers wordt overgeleverd. Toch vereisen veranderde maatschappelijke samenhangen en handelingsvoorwaarden andere handelingen, waarvan het verloop tot andere machines leiden; de eerdere machines worden daarmee verouderd [Brödner 1986: 138].

Daarom kan het samenwerken van mens en machine onder bepaalde omstandigheden zeer tegenstrijdig zijn. Wanneer de functioneringswijze van de machine domineert, moet de mens zijn handelen aan deze functioneringswijze onderwerpen. Op den duur degenereert de mens tot vervreemde bediener van de machine: de machine komt als verdinglijkt automatisme tegenover de mens te staan. De grens tussen mens en machnie loopt echter ook in dit geval niet aan de buitenkant van zijn lichaam, maar in zijn innerlijk: als psychisch gegeven brengt het automatisme in handelende mensen zelf machinaal gedrag voort [Bammé e.a. 1983; Volpert 1984a]. Een van de meest indrukwekkende verbeeldingen van dit machinaal gedrag heeft Charlie Chaplin gerealiseerd in zijn film Modern Times.

Onder gunstige omstandigheden kan de mens zijn autonomie in de omgang met machines bewaren of herwinnen. In dat geval benut hij de machine als middel voor zijn doelen gericht op omvorming van arbeidsobjecten; zij is dan middel van produktieve toeëigening van de buiten hem liggende natuur. Kortom: de relatie tussen mens en machine is een 'dialectische' relatie.

Een bij mensen passende, 'humane' omgang met machines veronderstelt een juist begrip van de wezenlijke eigenschappen en vaardigheden van de mens. Daaruit kan men eisen afleiden over de vormgeving van functiedeling en interactie tussen mens en machine alsmede over de functioneringswijze van de machine. Dit begrip moet beginnen bij de werkelijke levensomstandigheden.

Als individu is elk mens het produkt van drie op elkaar gebaseerde evolutieprocessen: de biologische evolutie van de mens als soort, de historische ontwikkeling van zijn maatschappelijke verhoudingen en zijn individuele levensgeschiedenis. In alle drie processen leeft de mens in co-evolutie met zijn omgeving, die hij door zijn handelen vorm geeft en die op haar beurt zijn waarneming en zijn gedrag structureert. De mens handelt als zelfbewust - en potentieel (relationeel) autonoom - subject, aangedreven door zijn behoeften en motieven in een specifieke levenssamenhang. Deze levenssamenhang is als ervaring innerlijk aanwezig en vormt de achtergrond, waartegen zich de actuele situatie aftekent, waarin de mens altijd verkeert. Dank zij het lichaam, die ons tot zintuiglijke waarneming en anticipatie in staat stelt, neemt de mens veranderingen van deze levenssamenhang als geheel waar (en niet als delen die zich op grond van regels pas tot een eenheid samenvoegen), en oriënteert zich op de tot schema's gestolde ervaringen. Met deze zintuiglijke waarneming en het als geheel vatten van de situatie tegen de achtergrond van zijn zich veranderende ervaring gaat steeds ook een emotionele waardering gepaard. Deze emotionele waardering is de grondslag voor het intuïtief, 'vanuit het gevoel' handelen. Als lid van zijn samenleving denkt en handelt de mens bovendien steeds in relatie tot zijn maatschappelijk bestaan en in verbinding met andere individuen, wier sociale relaties omgekeerd zijn beleving stempelen Communicatie hoort dus tot zijn basisbehoeften [Niesser 1979; Volpert 1984b].

De schema's van gestolde ervaring zijn zeker niet volledig en strak vastgelegd naar de wijze van algoritmen (= rekenschema's)[2], maar gedeeltelijk onbepaald, veranderlijk en op andere situaties overdraagbaar. Hierdoor zijn mensen in staat om van de telkens actuele werkelijke situatie te abstraheren, in het bijzondere het algemene te onderkennen. Dit is een wezenlijke bron van de menselijke creativiteit. Daarom is de mens ook in staat zelfs onder onzekerheid doelgericht te handelen. De schema's zijn - hoe beperkt ook - toegankelijk voor begripsmatige analyse. De mens kan in zijn handelingen en denkprocesen (als in het hoofd gesimuleerde proefhandelingen) terugkerende objecten of processsen losmaken van de telkens bijzondere situaties, waarin zij optreden, ze als abstracte begrippen vatten (objecten en hun relaties) en ze daarmee objectiveren [Volpert 1984a].

Het resultaat van deze analyses is: er ontstaat een door abstractie verkregen analytisch model van de terugkerende algemene momenten van een serie situatiespecifieke handelingen. Dit abstractievermogen veronderstelt dat er terugkerende momenten in situatiespecifieke handelingen te onderkennen zijn. Zolang deze voor het individu verborgen zijn, beschikt het weliswaar over een interne representatie van de processen waarmee het intuïtief kan handelen, maar die het niet kan objectiveren. Deze 'tacit knowledge' staat niet in geobjectiveerde vorm van abstracte begrippen ter beschikking, en laat zich ook niet communiceren, in ieder geval niet tussen individuen met een verschillende ervaringsachtergrond [Jones 1984].

Er bestaat dus een principieel verschil tussen de interne representaties van hun handelen en de theoretische modellen die mensen zich van hun handelingen vormen. De interne representaties zijn 'totale' (gestolde) ervaringen die voortvloeien uit de levenssamenhang. De theoretische modellen komen voort uit begripsmatige analyse: door abstractie worden objecten of handelingen losgemaakt uit de context van de levensamenhang; zij representeren dus geobjectiveerde kennis in de vorm van begrippen of zelf datastructuren en algoritmen. In theoretische modellen wordt afgezien van de bijzonderheden van de situationele context; bovendien is niet alle gestolde ervaring voor deze analyse toegankelijk is. Daarom geven theoretische modellen slechts een onvolledig beeld van de werkelijke processen en kunnen zij onze handelingen slechts ontoereikend sturen. We hebben eerder gezien dat de discrepantie tussen het werkelijke arbeidsproces en zijn theoretisch model objectieve grenzen stelt aan de controle [hoofdstuk I: Theoretische uitgangspunten en stellingen].

Tegenstrijdige eigenschappen van mens en machine =

  1. Mens kan ook handelen in onbekend terrein. Hoewel vaak met weinig indrukwekkende snelheid en opslagcapaciteit in informatieverwerking.
    Machines met enorma capaciteit van dataverwerking hebben voor omzetting van inputgegevens in outputdata programma's nodig die alleen het produkt van van menselijke hoofdarbeid zijn.
  2. Mens is ingesnoerd in specifieke situaties en kan globale beelden vormen van complexe samenhangen.
    Machines hebben abstracte modellen nodig om gegevens uit hun omgeving analytisch te vatten en situatiespecifiek te verwerken (voorzover de modellen dat toelatten).
  3. De flexibiliteit van de menselijke schema's maakt het mogelijk om zonder regels toch doelgericht te werken en creatief te zijn (ook al gaat men daarbij onsystematisch en inconsistent te werk).
    Het gedrag van machines is systematisch en consistent, maar wel strikt aan de regels gebonden en dus niet flexibele noch creatief.
  4. De intenties en acties van de mens zijn gericht op communicatie met zijn medemens en op actieve omgang/confrontatie/uitwisseling met zijn omgeving.
    De machine is beperkt tot geprogrammeeerde interactie en gegevensuitwisseling met zijn omgeving.

Functies tussen mens en computer kunnnen niet schematisch opgedeeld in geformaliseerde en gereglementeerde processen in de computer en vrije scheppingen van het 'zuivere verstand' in het menselijk hoofd. Het gaat erom de functionele deling en interactie tussen mens en computer vorm te geven volgens specifieke criteria:

Figuur 9.1 Criteria van menswaardige vormgeving van de arbeid

Persoonlijkheid wordt primair door arbeidsleven gestempelt. Wordt vooral bepaald door arbeidsinhoud, gevraagde kwalificaties en sociale relaties. Zij bepalen of persoonlijkheid wordt ontwikkeld of geremd. Drie dimensies = diversiteit van arbeidstaken, beslissingsspeeluimte, diversiteit van sociale relaties. Arbeidspalatsen met zeer kleine handelingsspeelruimte leiden meestal tot verstoringen van welzijn en tot psychische en somatische klachten, tot afbraak van intellectueel prestatievermogen, tot passief gedrag in vrje tijd en tot een opvoedingsgedrag dat bij kinderen weer tot onzelfstandigheid en conformisme leid.

Om regulatiestoringen te voorkomen moeten de arbeidstaken (en dus de functionele deling tussen mens en computer) de mens in staat stellen tot 'volledige arbeidstaken' die veelzijdige eisen stellen aan de handelingsregulatie in alle dimensies van zijn handelingsspeelruimte. Computer kan benut worden als arbeidsmiddel (i.p.v. hem slechts te bedienen). De produktietechnische functies en gedragswijze van de computer moeten daarom volledig transparant zijn. De reacties van de computer op bepaalde inputs in een gegeven situatie moeten 'vanzelfsprekend' (zichzelf verklaren) zijn [-> Brödner 1985: 142 e.v.].

1.2 Automaat

1.3 Principes

top


2 Pro-theoretisch raamwerk

2.1 Inventie

Een inventie is het geheel van activiteiten dat leiden tot "een idee of een prototype van een nieuw produkt, proces of systeem" [Roobeek 1988:39]: revolutionarie uitvindingen vs schaven binnen een paradigma.

2.2 Innovatie

Innovatie: wanneer het nieuwe produkt of proces voor het eerst op grote schaal op de markt wordt gebracht. In organisatietheorie tot nu toe weinig aandacht voor innovatie; efficiency kreeg meestal alle aandacht [Clark/Staunton 1989/94: 21]. Er zijn vier typen innovaties:
  1. Technologische revoluties zijn innovaties die leiden tot verandering, een aflossing van het bestaande techno-economisch paradigma.[3] Het zijn generieke innovaties die een nieuw techno-paradima scheppen van clusters van innovaties die voortvloeien uit een nieuw kernproces dat vele produktiesectoren en -stadia doorsnijdt.
    Bijv.: technologische en wetenschappelijke doorbraken die hebben geleid tot de microelektronica (halfgeleider en software), de biotechnologie (de r-DNA-techniek, de monoclonale antilichamen en de bioprocestechniek) en de nieuwe materialen (diverse doorbaken in materiaal-technisch en proces-technisch opzicht). Oudere voorbeelden: stoommachines, electriciteit, interne verbrandingsmotoren.
    Technologische revoluties veranderen zowel de globale kostenstructuur van de input als de produktie- en distributievoorwaarden. Er ontstaat een nieuw 'technologisch regime'.
  2. Radicale basisinnovaties: radicaal nieuw produkt of proces dat zelf het uitgangspunt vorm voor nieuwe technologische ontwikkelingen en toepassingen in diverse sectoren.
    Bijv. microprocessor kan in uiteenlopende systeen worden toegepast, zoals telecommunicatiesystemen, flexibele produktieprocessen of ontwerpsystemen.
    Toepassing van basisinnovatie in nieuw produktiesysteem + nieuwe organisatorische en management principe = technologisch systeem.
  3. Produkt- of procesinnovaties: produktinnovaties (ritssluiting, ball-point, hovercraft) en procesinnovaties die niet leiden tot ingrijpende veranderingen van de economische en sociale structuur.
  4. Verbeteringsinnovaties: produkt-, proces- of organisatieverbeteringen die ertoe leiden dat een zelfde soort produkt op dezelfde of een grotere markt worden gebracht. Lagere risico's. Deze 'incrementele' innovatie' komt veelvuldig voor tijdens levensyclus van een produkt.

2.3 Diffusie- of innovatieproces

Diffusie is het proces van verspreiding van innovaties. Van een innovatie is sprake wanneer een nieuw produkt of proces voor het eerst op grote schaal op de markt gebracht wordt. Veel inventies bereiken nooit het stadium van innovatie omdat ze "op de lange weg van idee tot commercieel produkt" [Roobeek 1988: 40] ten ondergaan. Voorbeeld: video-recorder was al sinds jaren '50 bekend, maar werd pas in begin jaren '70 als massaprodukt op de markt gebracht. Kenmerkend voor een innovatie is dat het door de massaconsument als nieuw wordt waargenomen [Piatier 1984:22-3]. Een innovatieproces omvat dus het gehele proces van inventie tot geslaagde diffusie.

2.4 Sleuteltechnologieën en technologiewebben

Sleuteltechnologieën zijn technologieën die een systematisch verloop kennen. Een sleuteltechnologie beïnvloedt nieuwe activiteiten of toepassingen in verschillende delen van de economie en dwingt veranderingen af in de richting van een nieuw techno-economisch paradigma [Roobeek 1988:44].

Industriële revoluties zijn het resultaat van de interactie van een aantal basistechnologieën [Rosenberg 1979: 28]. Voorbeelden van een dergelijke klustervorming zijn de stoomkracht, de metallurgie en de exploitatie van minerale brandstoffen. Aan het eind van de 19e eeuw klustervorming rondde elektrificatie, in het begin van de 20e eeuw rond de verbrandingsmotor en later rond de plastics en de elektronica. Na WO II rond petrochemie, elektronica en recent rond micro-elektronica, biotechnologie en de nieuwe materialen.

Micro-elektronica (informatie-technologie) heeft bijzonder betekenis voor kwaliteit van de arbeid, voor arbeidsorganisatie enz. Biotechnologie en nieuwe materialen hebben 'slechts' te maken met 'gezondheid' en controlesystemen. Introductie van micro-elektronica in arbeidsorganisaties heeft impact op alle aspecten van arbeid en arbeidsorganisatie.

Figuur 9.2 Het web rond de micro-elektronica


Bron: Roobeek [1988:76]

Biotechnologie = geïntegreerde gebruik van biochemie, moleculaire genetica, microbiologie en procestechnologie. Doel = toepassing van mogelijkheden van micro-organismen, celculturen of delen van micro-organismen of cellen. Dus groep van verschillende technieken uit diverse disciplines rondom de biologie en de chemische technologie. Gebaseerd op fundamentele doorbraken in biotechnologie: erfelijkheidsonderzoek (recombinant DNA-techniek en celfusietechniek), celkweektechniek, enzymologie, immunologie en procestechnolgie.

Figuur 9.3 Het web rond de biotechnologie


Bron: Roobeek [1988:81 e.v.]

Figuur 9.4 Het web rond de nieuwe materialen


Bron: Roobeek [1988:88 e.v.]

2.5 Technologische systemen en techno-economische paradigmata

Technologisch systeem = klustering van produktieve technieken rondom enkele leidende technologieën [Gille 1978]. Of specifieker: technologisch systeem is toepassing van basisinnovatie in een nieuw produktiesysteem, samen met nieuwe organisatorische en management principes [Freeman; Roobeek 1988:41] Bijv.: stoommachine (als sleuteltechnologie) leidde tot ingrijpende verandering van transport per schip (stoomschepen) en over land (stoomtrein), van machinebouw (textielmachines), ontwerp van nieuwe gereedschappen (stoomhamer) en tot ander energieverbruik.

Techno-economische paradigma = interpenetratie van 'webben' [vgl. Roobeek 1988:44; Freeman/Soete 1985:40; Freeman/Perez 1987].

2.6 Ongelijke technologische ontwikkeling

Tegen deze achtergrond kunnen we discussieëren over de ongelijke ontwikkeling binnen sectoren, tussen sectoren en staten; leidende sectoren en strategische sectoren; lange cyclische beweging [Roobeek 1988:42].

top


3 Ars, nieuwe techniek en technologie

In de techniekgeschiedenis is het gebruikelijk een onderscheid te maken tussen drie hoofdstadia: ars, techniek en technologie.

Ars is de traditionele techniek-notie (lees: kunst, gilde-achtige handvaardigheid). Ars, de techniek van de pre-industriële fase verwijst naar overgeleverde ambachtelijke kennis, de oude gilde-structuren met hun nauwe verbinding tussen arbeid en bewerktuiging, het goeddeels ontbreken van wiskunde of empirische natuurwetenschap. Het Engelse 'art' wordt opgesplitst in twee verschillende nieuwe betekenissen: 'artistic' (artistiek) en 'artisan' (werkman), en ook het Frans maakt een onderscheid tussen 'artiste' en 'artisan' [Pieterson 1981:15].

De nieuwe techniek, die de proto-industrialisatie achter zich laat, impliceert: machines in plaats van gereedschap, vergroting van energiegebruik, verscherping van de onderlinge concurrentie, benadering van natuur en natuurkrachten in termen van maakbaarheid, vluchtige verkenning van de natuurwetenschap als mogelijke kennisleverancier.

De trial and error techniek raakt op het derde en vierde kwart van de 19e eeuw uitgeput als producent van nieuwe kennis. Vooral op gebied van chemie en elektriciteit leverden theoretisch en empirisch onderzoek de natuurwetenschappelijke 'voeding' voor de geboorte van echter technologie. Tevens ontstond voor toenadering tussen werkvloer en rationele arbeidsanalyse. Pas na de 1e WO werd eerste brug geslagen tussen organisatie-ervaring, sociale wetenschappen, fysiologie en technische kennis (trefwoord: planning). Na 2e WO techniek-verwetenschappelijking drong door op sociaal en biologisch terrein. Automatisering, gecentreerd rond informatie, terugkoppeling en 'self control', kreeg haar moderne start, eerst conceptueel, daarna ook in de hard-ware vorm. De ontwikkeling van de computer en transistor markeren definitief de sprong naar een hogere fase in de technologie.

Piore/Sabel maken een onderscheid tussen twee 'industrial divides'. De eerste industriële scheidslijn deed zich voor in de 19e eeuw. De opkomst van massaproduktie-technologieën beperkte de groei van minder rigide ambachtelijke ('manufacturing') technologieën, die vooral in verschillende regio's van West-Europa bestonden. Deze minder rigide produktietechnologieën waren ambachtelijke systemen. In de meest geavanceerde systemen gebruikten gekwalificeerde arbeiders verfijnde general-purpose machinerie om een breed en telkens veranderend assortiment van goederen te maken voor grote maar permanent wisselende markten. Deze lijn van gemechaniseerde ambachtelijke produktie werd bijna overal vervangen door ondernemingen gebaseerd op massaproduktie. We beleven nu een tweede industriële waterscheiding.


Literatuur over technologiegeschiedenis:

Derry/Williams [1960/1] Triomftocht van de techniek.

Hartenberg/Denavit [1956] Men and Machines.

Daumas [1962] Les origines de la civilisation technique.

Lintsen e.a. [1995] Geschiedenis van de Techniek in Nederland

Kranzberg/Pursell [1975] Technology in Western Civilization.

Mumford[1934/63] Technics and Civilisation.

Mumford [1964/70] The Myth of the Machine.

Pieterson [1981] Het technisch labyrint. Een maatschappijgeschiedenis van drie industriële revoluties.

Sonnemann [1978] Geschichte der Technik.

Singer e.a. [1967-1970] A History of Technology.


Noten

[1] Volgens Marx bestaat de machine uit drie wezenlijk verschillende onderdelen: de machine voor de beweging, het mechanisme voor de overbrenging van de beweging en de werktuig- of arbeidsmachine.
  1. De machine voor de beweging werkt als drijfkracht voor het gehele mechanisme: zij brengt zelf haar eigen bewegingskracht voort (zoals de stoommachine, de hete-lucht-machine, de elektro-magnetische machine) of ontleent energie aan een reeds bestaand, buiten haar zelf liggende natuurkracht (zoals het waterrad en het stromende water, de molenwiek en de wind).
  2. Het mechanisme voor de overbrenging is samengesteld uit vliegwielen, drijfassen, tandraderen, riemschuiven, drijfstanden, bindtouwen, riemen en verschillende soorten mechanische overbrengers): zij regelt de beweging en verandert zonodig de vorm van de beweging (bijv. van een op-en-neer-gaande in een ronddraaiende beweging), verdeelt te beweging en brengt haar over op de werktuigmachine.
  3. Deze beide delen van het mechanisme zijn slechts aanwezig om de beweging over te dragen op de werktuigmachie, waardoor het arbeidsvoorwerp wordt aangepakt en doelmatig wordt veranderd. Dit deel van de machine, de 'arbeidsmachine' vormde het uitgangspunt van de industriële revolutie van de 18e eeuw.
[2] Rekenschema = voorschrift voor het uitvoeren van rekenkundige operaties en de volgorde daarvan. 'Meneer Van Dale Wacht Op Antwoord'.

[3] Vgl. Freeman [1982], Perez [1983], Roobeek [1988:39], Clark/Staunton [1989/94: 10].

[4] Zie van Marx t/m Pieterson 38 e.v.: 'energie en stoommachine'; p. 147; 'energie en de verbrandingsmotor'; p. 278 e.v.: kernenergie.

[5] Zie Marx, Brödner [1986:28 e.v., 35], Pieterson [46 Katoenindustrie].

top


VIII Ontwikkeling van technologie <= Index => X Microelektronica

TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact