TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact
Techniek - Arbeid - Organisatie
Albert Benschop
Sociologisch Instituut
Universiteit van Amsterdam

VIII. Ontwikkeling van nieuwe technologieën

  1. Kwaliteit en macht
  2. NC-techniek versus Record Play Back
  3. IBM 360/Fortran
  4. Benzinemotor
  5. Marktmacht versus efficiency
VII <= Index => IX


1. Kwaliteit en macht

We hebben hiervoor de technologie telkens als een gegeven beschouwd. Daaruit konden twee conclusies worden getrokken:

We concentreren ons nu op de technologie zelf. Want ook de techniek komt ergens vandaan en wordt ergens door veroorzaakt. Voor het technologisch determinisme is dit uiteraard een oninteressante vraag: wanneer technologische ontwikkeling in zichzelf bepaald is (en dus louter volgens technische criteria verloopt) kan deze niet maatschappelijk worden beïnvloed en ook niet sociologisch worden bestudeerd; alleen het tempo ervan en niet de vorm van maatschappelijk worden beïnvloed.

Piore/Sabel laten zien dat zowel de recente patronen van industriële innovatie als die van de 19e eeuw de empirische plausibiliteit van het 'many-worlds model' bevestigen. Studies over de microcosmos van innovatie in specifieke industrieën laten zien dat in de formatieve fasen van de auto-, vliegtuig en computerindustrieën de overvloed van concurrerende mogelijke oplossingen voor technische problemen zo groot was dat zij de feitelijke vooruitgang blokkeerden. Elke variant was potentieel beter op bepaalde dimensies dan de ander; zijn voordelen reflecteerden de specifieke omstandigheden en bevoordeelden de belangen van zijn sponsor over de andere concurrenten. Geen enkele producent was bereid om zijn voorstel te verlaten, uit angst om de concurrentie in de kaart te spelen. De uitoefening van economische macht eindigde vaak in een impasse: sommige (groepen) ondernemingen met genoeg controle over de opkomende markt om een minimumvraag voor zijn oplossing te verzekeren, en genoeg kapitaal om de kosten van zijn vergissingen te dekken, drukten naar voren en leggen hun plan op. Een klassiek voorbeeld is de manier waarop IBM haar ontwerp heeft opgelegd aan de computer-industrie (zie onder). Toen haar produkt eenmaal gevestigd was, hadden concurrenten reden om ze min of meer volledig te emuleren. De ontwikkeling van veelbelovende alternatieve ontwerpen was uiterst duur, en de verwachtingen dat kostbare innovaties beloond zouden worden werden verkleind toen consumenten gewend raakten aan bestaande oplossingen.

De groei in de auto-, vliegtuig- en computerindustrieën verliep dus langs lijnen die bepaald werden door de gevestigde oplossing. Ondernemingen konden hun positie verbeteren door het verfijnen van bestaande ontwerpen. Slechts een plotselinge verschuiving in de concurrentieverhoudingen - zoals de ontdekking van een nieuwe technologie, een verandering in de prijs van grondstoffen, of een herschikking van de vraag - heropende het debat over de definitie van het produkt. Het winnende ontwerp moest aan bepaalde minimum prestatiestandaarden voldoen (dus niet: 'anything goes', 'it's all politics'. 'it's sheer contigent history'). De omvang van het succes was echter geen bewijs van 'technische superioriteit zonder rivalen', en ook niet van het bestaan van een smal pad van progressie: andere varianten zouden ook gebruikt kunnen worden. De rivaliteit werd beslist door marktmarkt en niet door efficiency (in de zin van een perfecte toepassing van een superieure techniek).

top


2 NC-techniek versus Record Play Back

Door kritiek op de mystificaties van het TD komt een nieuwe ruimte vrij waardoor we weer gaan zien dat er keuzemogelijkheden zijn. Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van de numeriek gestuurde gereedschapsmachine.[1]

De NC-technologie (Numerical Control) is de voorloper van de CNC-technologie (Computer Numerical Control). CNC machines zijn uitgerust met een computer die het mogelijk maakt om aan de machine zelf te programmeren en programma's te wijzigen. Bij NC machines is dit niet mogelijk. Het gaat daarbij om verspanende machines, zoals draai- en freesbanken. De machines bestaan uit 'snijgereedschappen' zoals beitels e.d. met behulp waarvan 'spaanders' van metalen werkstukken worden afgesneden, zodanig dat een werkstuk ontstaat dat de gewenste vorm, maat en afwerking heeft. Het automatiseren van dergelijke machines is zeer ingewikkeld.

David Noble heeft laten zien dat er rond 1950 twee principes waren volgens welke men te werk kon gaan bij het automatiseren van deze machines: het Record Play Back (RPB) en het numerieke besturing (NC) principe.

Record-playback was de eerste levensvatbare oplossing voor het vastleggen van informatie. Het werd in 1946-7 ontwikkeld door General Electric en Gisholt en een paar kleinere firma's. RPB-principe = men laat een machinebankwerker een onderdeel maken, waarbij de bewegingen die de door hem bestuurde machine maakt wordt vastgelegd op een magneetband. Na voltooiing van eerste werkstuk kan men vervolgens identieke onderdelen automatisch vervaardigen door de band 'opnieuw af te spelen' en zo de bewegingen van de machine te reproduceren. De machinebediener behoudt op deze manier zijn verspanende technische kennis en vaardigheid: de machine doet hem gewoon na (imitatie-principe). Deze fameuze technische oplossing kreeg weinig sympathie van het management, omdat zij de oplossing van het controleprobleem geen stap verder hielp. Net als voorheen had de gekwalificeerde arbeidskracht het heft in eigen hand en bepaald het verloop en de efficiëntie van de bewerking. Het was een antwoord van de oude op vakarbeiders gerichte werkplaats op de tekorten van de half getayloriseerde fabriek [Noble 1979].

De andere variant, de numerieke sturing van gereedschapsmachines werd door de firma Parsons uitgewerkt bij de produktie van rotorbladen voor helicopters. NC-principe = op basis van een nauwkeurige analyse van de wijze waarop het werkstuk gemaakt moet worden (wat is de baan van het gereedschap, welke snelsnijheden worden gebruikt, hoe lang duurt elk handeling enz.) wordt een programma gemaakt. Dit programma instrueert de machine precies wat het moet doen. Nadeel van deze werkwijze is de complexiteit van het maken van een dergelijk programma. Voordeel is de mate van precisie die daarmee bereikt kan worden.

Noble laat zien hoe het komt dat alleen het NC-principe verder is ontwikkeld, in welke bedrijven het op welke wijze werd toegepast en wat de gevolgen ervan waren. Schematisch weergegeven:

Figuur 8.1

a) Ontwikkelen. Eerste reden voor verder ontwikkelen van principes van numerieke besturing ligt bij de opdrachtgever: de luchtmacht. Voor luchtmacht is precisie van aangeleverde onderdelen zeer belangrijk. Daarom gaf zij voorkeur aan de mogelijkheden die door NC-besturing werden geboden. Luchtmacht investeerde tussen 1949 en 1959 zo'n 62 miljoen dollar in het onderzoek, de ontwikkeling en verspreiding van de NC.

Tweede oorzaak ligt in voorkeur van grote bedrijven: CN bestudering bood - in tegenstelling tot RPB - de mogelijkheid zich uiteindelijk onafhankelijk te maken van een bijzonder lastige groep werknemers: de geschoolde machinebankwerkers. Een van de ontwerpers van de NC formuleerde dit als volgt:

"Kijk, met record playback blijft de macht over de machine in handen van de machinebankwerker. Hij regelt de voeding en de snijsnelheid, hij bepaalt het aantal bewerkingen en de grootte van de produktie; met NC verschuift de macht naar de bedrijfsleiding. De bedrijfsleiding is niet langer afhankelijk van de machinebediener en kan dus het gebruik van de machine optimaliseren. Met NC krijgt de bedrijfsleiding de macht over het proces stevig in handen - en waarom zouden wij die macht niet hebben?" [ws. uit Noble]

b) Toepassing: waar? RPB zou een ideale technologie voor de kleine bedrijven geweest zijn: het is een relatief eenvoudige technologie die geen investering vereist in programmeurs en computers met behulp waarvan de ingewikkelde programma's gemaakt moeten worden. Ook voor grote bedrijven zou NC echter een kostbare zaak geworden zijn als de luchtmacht deze kosten niet in belangrijke mate voor haar rekening nam. In 1955 verplichtte de luchtmacht zich tot betalen van aanschaf, installatie en onderhoud van meer dan honderd NC machines. Pas daarna werd het voor machinefabrikanten interessant dit soort machines te maken. De afzet in de vliegtuigindustrie was immers op deze manier gegarandeerd. Zonder deze subsidiëring zou de NC technologie een bijzonder onrendabele investering zijn geweest.

c) Toepassing: hoe? In principe kan men ook bij NC-machines de machinebedieners betrekken bij het programmeren. Maar de aantrekkelijkheid van de NC-technologie was juist de mogelijkheid zich onafhankelijk te maken van de kennis en ervaring van de machinebediener. Aanvankelijk ging men er zelfs van uit dat men ongeschoolden aan de nieuwe NC-machine kon zetten.

d) Gevolgen. Dit bleekt niet haalbaar. Enerzijds omdat een dergelijke vervanging op nogal wat formeel en informeel verzet stuitte en anderzijds omdat bleek dat men vakbekwame machinebedieners nodig bleef houden: de programma's bevatten zoveel onvolkomenheden en fouten, dat alleen een geschoolde vakman is staat is op tijd in te grijpen en programma's op hun fouten te beoordelen en eventueel te corrigeren.

Algemene conclusies:

top


3. IBM 360/Fortran

Het tweede voorbeeld is de ontwikkeling van de computer in het begin van de jaren zestig.[2] De computer werd slechts aan een beperkt aantal gebruikers verkocht en was toegesneden op hun individuele behoeften. Dit betekende niet dat elke computer uniek was: de markt werd opgesplitst in diverse segmenten. Om een produkt dat voor het ene segment ontwikkeld was in een andere toepassing te gebruiken waren aanvullende programma's vereist, wat omslachtig en duur was.

Technologische ontwikkelingen en consumentengewoontes wezen in de richting van een integratie van de markten. Toen commerciële klanten meer ervaren werden, werden zakelijke toepassingen van computers even verfijnd als wetenschappelijke toepassingen; en toen technici meer ervaring kregen, werd de conversie van machines van het ene gebruik naar het andere goedkoper. In 1961 fuseerde deze trends en besloot IBM één produkt te maken dat de hele markt zou integreren en waardoor de weg naar massaproduktie open kwam te liggen (zoals rond de eeuwwisseling Henry Ford begon met de voorlopers van het T-Model).

Het nieuwe, alles-omvattende produkt werd de 360 genoemd (voor alle graden van het kompas). Het was bedoeld als een machine voor iedereen en alles. In de 360 werden alle hard- en software elementen in een produkt geïntegreerd. Het was bedoeld als het T-model van de computer-industrie.

De IBM verdiende geldt aan de 360, maar het succes ervan was beperkt. Het bleek onmogelijk om de vraag te concentreren op een enkel geïntegreerd computersysteem. De markt fragmenteert. In 1967 beheerste IBM nog 70 procent van de markt, maar dit aandeel begon te dalen. De daling van het marktaandeel van de dominante producent was niet het gevolg van de intrede van een andere massaproducent, maar van de interne desintegratie van de massamarkt zelf. Een oorzaak van deze desintegratie was het vermogen van gespecialiseerde producenten om substituten te leveren voor onderdelen van de 360 bundel. Deze substituten waren goedkoper, beter geschikt voor specifieke doeleinden, of technisch meer geavanceerd dan het IBM-model. Een tweede oorzaak was het vermogen van andere producenten om complete alternatieve systemen te produceren, die of iets deden dat het IBM-systeem niet kon (bijv. presteren met buitengewone snelheid) of iets dat het IBM-systeem wel deed, maar goedkoper (zoals mini- en micro- of homecomputers). Het leek wel alsof het T-Model thuis geassembleerd kon worden met onderdelen van diverse fabrikanten,

IBM moest haar marketing strategie veranderen. In 1982 begaf zij zich in de markt voor micro-computers. De home-computer presteert op lagere snelheden en tegen geringere kosten dan de grotere machines. Zij werd in 1977 uitgevonden door Steve Jobs c.s. van Apple. Dit werd mogelijk door een dramatische daling van de kosten van halfgeleiders. In 1981 was de markt voor micro-computers 1.6 miljard dollar; in 1983 al van 5.4 miljard. Een 'specialty item' dat aanvankelijk een curiositeit of hybbyistisch speeltje leek, werd in een paar jaar een potentiële massamarkt voor consumentengoederen.

IBM's intrede in deze markt reflecteert de lessen van haar ervaring met de 360: IBM ontwierp en verkocht haar home-computers zo dat alle producenten er hun eigen hard- en software aan konden verbinden. IBM werd dus niet de fabrikant van één geïntegreerd systeem, maar het organiserende centrum van een gemeenschap van computer ondernemingen. IBM presenteert zich als de infrastructuur van de home-computer industrie. De kracht van haar strategie is dat zij een 'policy of self-limitation' voert.

top


4. (eventueel) Benzinemotor

De overwinning van benzine- over de stoommotor voor de auto in het eerste decennium van de 20e eeuw was zeer waarschijnlijk geen gevolg van technische efficiëntie. Een van de specialisten op dit gebied concludeert:

top


5. Marktmacht versus efficiency

Er is niet veel sociologische fantasie voor nodig om de centrale conclusie uit deze overwegingen te trekken: de marktmacht en niet de efficiëntie (in de zin van een perfecte toepassing van een superieure technologie) is beslissend is voor de vraag welke technologie uiteindelijk overwint. Dit is natuurlijk geen nieuwe conclusie. We bevinden ons hiermee in gezelschap van scherpzinnige sociale wetenschappers zoals Marx, Braverman, Noble, Priore & Sabel. Deze laatsten concluderen terecht dat er men veeleer aandacht moet schenken aan twee andere politieke factoren(bundels), aan: a. Nationale stijlen van technologische progressie
De economische ontwikkeling in kapitalistische landen is de resultante van rivaliserende pogingen om een specifieke variant van industriële technologie te ontwikkelen die past bij de eigenaardigheden van nationale omstandigheden. Door de in elk land bestaande politieke figuratie krijgen de binnenlandse markten een specifieke vorm: winstmaximaliserende ondernemingen passen de opkomende machinetechnologie aan lokale omstandigheden aan; het patroon van adaptatie verklaart waarom 'industriële districten' in sommige landen vaker voorkomen dan in andere landen; de beperkingen van de concurrentie verhindert de volledige ontwikkeling van flexibele produktiesystemen [Piore/Sabel 1984: 40 e.v.].[3]

b. Technologische paradigma's van ontwerpers
We hebben gezien dat er een correlatie bestaat tussen de verdeling van economisch relevante belangen en de oriëntatie van technologie op ambachtelijke of massaproduktie. Machinemakers/bouwers reageren echter niet direct op marktimpulsen. Technologie ontstaat dus niet direct in reactie op markttransacties.

Technologische 'branching points' (of 'divides') markeren niet alleen de momenten waarop politieke contexten en de daaraan verbonden markten de industriële ontwikkeling langs een divergent pad drukt, zij markeren ook de consolidatie van nieuwe visies van efficiënte produktie - nieuwer technologische paradigma's of trajecten. Een nieuw technologisch paradigma brengt orde in de verwarrende praktische activiteit van de voorafgaande periode. Het paradigma schept de voorwaarden voor een nieuwe orthodoxie doordat het het relevante van het irrelevante onderscheid in conflicterende tendenzen. Deze nieuwe orthodoxie wordt duidelijk in modelmachines en bedrijven die door de producenten en eigenaars worden gepropageerd en haar structurerende principes worden in technische scholen gepropageerd in leerboeken en voorbeelden. Technologen negeren de hints van alternatieve mogelijkheden die telkens de grond onder de voeten wordt weggeslagen door hun ervaringen met markten en machines. - zolang de economie die zij bouwen voldoet aan de test van de internationale concurrentie. De constellatie van factoren die domineerden op het 'branching point' van de technologische geschiedenis van een nationale economie blijven hun stempel drukken op de ontwikkelingen - zelfs wanneer deze factoren beginnen te veranderen en technologische progressie zelf de mogelijkheid voor een andere ontwikkelingslijn creëert. Dit is de verklaring voor de coëxistentie van onderscheiden, stabiele nationale typen van technologie in de negentiende eeuw.

Het aura van onvermijdelijkheid van lokale praktijken wordt weggeslagen door de schok van de oorlog, op het slagveld of in de markt. Het stelt technologisch paradigma tegenover technologisch paradigma, in 'a gladiatorial enactment of scientific debate' [Piore/Sabel 1984: 44].


Noten

[1] Vgl. Noble [1983: 86 e.v.]. Ik beperk me hier tot de eerste generaties vn de NC; de latere ontwikkelingen, zoals CNC (Computer Numerical Control), DNC (Direct Numerical Control), FMS (Flexible Manufacturing Systems) en andere aspecten van CAD/CAM (Computer Aided Design/Computer Aided Manufacture) blijven hier buiten beschouwing. Zij komen uitvoeriger aan de orde in hoofdstuk XI: Op weg naar de automatische fabriek? (in voorbereiding).

[2] Gebaseerd op Piore/Sabel [1984:202 e.v.]. Preciezere bron: Frederick Phillips Brooks , Jr. [1975] The Mythical Man-Month: Essays on Software Engineering. Reading, Mass.: Addision-Wesley. Zie voor ontwikkeling van Fortran (FORmula TRANslating program language]: John Backus [1979] The History of Fortran I, II, and III. In: Annals of the History of Computing 1: 21-37. Vgl. ook: Pieterson e.a [1988:273 e.v.].

[3] Zie voor technologie-geschiedenis in Nederland: H.W. Lintsen e.a. [1995] Geschiedenis van de Techniek in Nederland - De wording van een moderne samenleving. 1800-1890.

top


VII Toepassing van technologie <= Index => IX Machine, mechanisering, automatisering

TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact