TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact
Techniek - Arbeid - Organisatie
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

VII. Techniektoepassing en -gevolgen

  1. Interactieniveau
  2. Organisatieniveau
  3. Maatschappelijke (sub)systemen
VI <= Index => VIII


Het technologisch determinisme is inmiddels in talloze onderzoeksprojecten empirisch weerlegd. De procedure daarvoor is in principe eenvoudig: in plaats van twee of meer organisaties met een verschillende technologie neem je twee of meer organisaties met dezelfde technologie. Wanneer er verschillen worden geconstateerd in de sociale en organisationele structuren, dan worden die door andere dan technologische factoren bepaald. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat de technologie geen determinerende factor is en dat er bij hantering van eenzelfde technologie organisationele speelruimtes en keuzevrijheden bestaan. Hier beginnen de moeilijkheden pas echt: welke factoren bepalen deze speelruimte en hoe kunnen we deze factoren integreren in een consistent theoretisch programma?

Om zicht te krijgen op de samenhang tussen sociale en technologische factoren maken we een eenvoudig onderscheid tussen:

  1. de ontwikkeling van nieuwe technologieën en

  2. de toepassing en gevolgen van nieuwe technologieën.
De toepassing en de gevolgen van nieuwe technologieën is altijd al onderwerp geweest van de arbeidssociologie. Maar de sociaal-economische en politiek-culturele contexten waarbinnen nieuwe technologieën ontwikkeld worden, zijn tot nu toe stiefmoederlijk behandeld. Er is nog maar weinig onderzoek waarin het hele ontwikkelingsproces van nieuwe technologieën, de betrokken actoren, organisaties en subsystemen worden beschreven en verklaard. Een van de redenen daarvoor is dat een dergelijk onderwerp de grenzen van de arbeidssociologie en de capaciteiten van arbeidssociologen ver te boven gaat. Nodig is een interdisciplinaire aanpak waarin in ieder geval: economie van innovatie, fabricage strategie, macro-organisatie gedrag, industriële marketing, en het management van technology.

Conclusies vooraf:

De procedure waarmee het technologisch determinisme weerlegd wordt en een alternatief interpretatiekader kan worden ontwikkeld is die van vergelijkend onderzoek, waarbij de variabele technologie constant wordt gehouden. Verschillen treden op in de niveaus waarop de weerlegging plaats vindt en de alternatieve interpretatiekaders die geboden worden. Hier onderscheid maken tussen: interactioneel, organisationeel en maatschappelijk niveau

top


1 Interactieniveau

Interactionele studies richten zich op de informele organisatie resp. de 'shopfloor politics and culture'. Zij laten zien dat organisaties die overeenkomen in toegepaste technologie en formele organisatiestructuur aanzienlijk van elkaar kunnen afwijken in de feitelijke manier waarop het werk wordt uitgevoerd. In de dagelijkse praktijk: Al deze vormen van informele organisatie kunnen een positief effect hebben op de efficiency en effectiviteit van de organisatie: het 'werken volgens de regels' is een bekend actiemiddel dat het in effectiviteit niet voor een staking hoeft onder te doen. De feitelijke organisatiestructuur is dus ten eerste niet hetzelfde als de formele en verschilt ten tweede bij organisaties die door eenzelfde technologie gekenmerkt word

Een voorbeeld van een dergelijk onderzoek is het door Fricke e.a. uitgevoerde onderzoek in de mijnbouw. In de mijnbouw bestaan grote verschillen in de wijze waarop het technisch middenkader het werk organiseert en uitvoert. Zij beschikken over innovatieve kwalificaties. Dat zijn vermogens die hen in staat stellen om op eigen initiatief veranderingen in het werk aan te brengen. De vraag is hoe deze verschillen verklaard kunnen worden.

Natuurlijk heeft ook de technologie wel enige invloed op de informele organisatie. Technologie biedt als context variabele zowel mogelijkheden (fascilitatie) als legt beperkingen op (limitatie). Technologieën verschillen van elkaar in de mate dat zij fasciliteren of limiteren.

Interactiesystemen kennen een eigen dynamiek, maar worden mede beïnvloed door hun organisationele en maatschappelijke contexten, d.w.z. door systemen op een hoger niveau (de structuur van de organisatie en van maatschappelijke subsystemen).

a) Eigen dynamiek. Kenmerkend voor interactiesystemen is dat daarin 'persoonlijkheden' een grote rol spelen. Het gaat immers om 'face to face' relaties. Het onderzoek moet zich derhalve concentreren op de handelingsoriëntaties van de leden van de interactiegroep die bepalend zijn voor de aard van de interactieverhoudingen (bijv. van concurrerend tot solidair) en de gevolgen ervan voor de informele (of beter: feitelijke) organisatiestructuur. De handelingsoriëntaties van personen is verbonden met sociale of sociologisch relevante persoonskenmerken: bestaat de interactiegemeenschap bijvoorbeeld alleen uit mannen of uit mannen en vrouwen of uit autochtonen en allochtonen of uit actieve vakbondsleden enz.

b) Inbedding in hoger integratieniveau. Interactiesystemen worden mede beïnvloed door hun maatschappelijke en organisationele context. Een eenvoudig voorbeeld: zet twee mensen bij elkaar en laat ze onder tijdsdruk werken. Binnen de kortste keren hebben zij ruzie met elkaar, niet door hun agressieve karakter, niet door hun irritante persoonlijkheid, maar door de omstandigheid dat ze onder tijdsdruk moeten werken. Deze context variabelen kunnen betrekking hebben op de aard en de structuur van de organisatie, bijv. de daarin toegepaste technologie, het gehanteerde beloningssysteem, het stelsel van toezicht en controle enz. Ze kunnen ook betrekking hebben op maatschappelijke subsystemen. Zo worden verschillen in de informele organisatiestructuur van Engelse en West-Duitse bedrijven verklaard uit het verschil in beider systeem van industriële verhoudingen. top


2 Organisatieniveau

In organisationele studies wordt dezelfde procedure gevolgt: neem meerdere organisaties met eenzelfde technologie, inventariseer de verschillen in arbeidsorganisatorisch opzicht en zoek hiervoor verklaringen.

Voorbeeld: toepassing van CNC technologie. Dat zijn machines zoals draaibanken en freesbanken die niet door de mens maar door een computer worden gestuurd. Vroeger bedacht oude machinebediener zelf - voor en tijdens het produktieproces - de methode waarmee de werkstukken gedraaid of gefreesd konden worden. Tegenwoordig moet dat van te voren gebeuren en in een computerprogramma worden vertaald. Globaal onderscheid maken tussen programmeren, testen en corrigeren van programma's en het bedienen van machines. Arbeidsorganisatorisch bestaan er dan de volgende mogelijkheden:

1 2 3 4 5 6
Programmeren P P P V/I V/I B
Testen/Corrigeren P V/I B V/I B B
Bedienen B B B B B B
P = programmeur; B = machinebediener; V = voorman; I = inrichter.

Al deze mogelijkheden komen in de praktijk voor. Als men ze bekijkt vanuit het perspectief van de machinebediener dan krijgen we drie mogelijkheden:

Dit heeft grote gevolgen voor de taakinhoud en voor de aard en het niveau van de hiervoor vereiste kwalificaties. Dit heeft op haar beurt weer invloed op de vraag of bedrijven hun mensen moeten bijscholen voor dit werk of dat ze hiervoor nieuwe mensen van een ander kwalificatie- of opleidingstype moeten werven.

In structurele verklaringsmodellen worden de arbeidsorganisatorische keuzen hoofdzakelijk gerelateerd aan organisatiekenmerken. Vooral in kleine bedrijven met een gering aantal CNC machines laat men de machinebedieners programmeren. Pas wanneer een activiteit op voldoende grote schaal wordt uitgevoerd, wordt het zinvol om arbeidsdeling toe te passen. Dit verklaard echter nog niet waarom er toch een aantal kleine bedrijven zijn die hun bedieners niet en een aantal grote bedrijven die hun machinebedieners wel laten programmeren.

In handelingstheoretische verklaringsmodellen wordt gekeken naar de handelingsoriëntaties van de betrokken actoren. Het strategisch (belangengerichte of utilitaire) handelen van ondernemingsleidingen kan betrekking hebben op de kostprijs, op de doorlooptijden of op het beheersen van hun werknemers. Deze verschillen kunnen leiden tot verschillende arbeidsorganisatorische keuzen. Bedrijven kunnen zich echter ook - al dan niet complementair aan de strategische oriëntatie - laten leiden door andere handelingsoriëntaties. In die mate dat men zich door traditionele handelingsoriëntaties laat leiden zullen bedrijven geneigd zijn de bestaande arbeidsdeling te handhaven of verder uit te werken omdat men dat nu eenmaal altijd gedaan heeft.

In onderhandelings- of machtstheoretische verklaringsmodellen worden bedrijfsstrategieën geanalyseerd als het resultaat van bedrijfsinterne onderhandelings- en machtsprocessen tussen verschillen actoren. Of er besloten wordt tot werkplekprogrammeren bij CNC machines kan afhankelijk zijn van de strijd tussen het management van de fabricage en van de werkvoorbereiding, of van de strijd tussen het management en in beroepsbonden georganiseerde arbeids.

top


3 Maatschappelijke (sub)systemen: sectoren, staten

a Sectoren

Er is relatief veel onderzoek waarin economische sectoren met elkaar worden vergeleken. Uit deze studies blijkt o.a. dat het proces van technologische vernieuwing in de grafische industrie anders is (en met andere gevolgen) dan in andere sectoren, door het voor Nederland afwijkende type van industriële verhoudingen in deze sector. Hetzelfde geldt voor verschillen in procesindustrie en de machinebouw, die mede verklaard worden uit de verschillende wijzen waarop in deze sectoren het onderwijssysteem is afgestemd op de bedrijfspraktijk: in de procesindustrie zijn de vereiste kwalificaties bedrijfsspecifieker van aard en moet dus (ook) bij de introductie van nieuwe technologieën op grotere schaal bedrijfsintern leren plaats vinden. Daarom bestaat er in deze sector een andere arbeidsdeling.

b Landen

Zoals men sectoren binnen een land kan vergelijken zo kan men ook landen onderling vergelijken. Een voorbeeld hiervan is het onderzoeksproces van Maurice e.a. [1982] in Frankrijk en Lutz voor Duitsland en Sorge voor Duitsland en Engeland [1982, 1986]. Zij weerleggen de stelling dat landen met eenzelfde industriële techniek ook in overige opzichten op elkaar zullen gaan lijken.

In het technologisch deterministisch model wordt de technologische ontwikkeling als een universele factor voorgesteld, die maatschappijen, organisaties en personen voor dezelfde soort problemen stelt en tot hetzelfde soort oplossingen dwingt. Volgens dit model worden de verschillen tussen maatschappijen en organisaties veroorzaakt (a) door een verschil in technologische ontwikkeling of (b) door een culturele achterstand: tradities vertragen de culturele aanpassing aan de universele trend. Voor de onderzoeksmethodologie betekent dit dat verschillen in eerste instantie verklaard worden door technologie, bedrijfsgrootte, aard van de markt enz. (de 'contingency variabelen'). Wat er dan nog overblijft aan verschillen wordt, als restwaarde, verklaard door culturele verschillen (d.w.z. achterstanden). In schema ziet dat er als volgt uit:

Figuur 7.1 Technologisch deterministisch verklaringsmodel

Zodra het bestaan van arbeidsorganisatorische speelruimte wordt erkend (d.w.z. het bestaan van arbeidsorganisatorische alternatieven die functioneel equivalent of gelijkwaardig zijn) krijgt de 'cultuur' als verklarende factor een nieuwe betekenis: van restvariabele wordt het de belangrijkste variabele. De stelling is dan dat de cultuur bepalend is voor wat als probleem waargenomen wordt, hoe het gedefinieerd wordt, wat als (mogelijke) oplossing beschouwd wordt. Schematisch ziet dit er als volgt uit:

Figuur 7.2 Culturalistisch verklaringsmodel

Maurice, Sorge e.a. constateerden aanzienlijke verschillen in organisatievormen tussen Frankrijk, West-Duitsland en Engeland, ondanks overeenkomsten in technologie, bedrijfsgrootte e.d. Zij laten zien dat deze samenhangen met verschillen in het onderwijssysteem en in het systeem van industriële verhoudingen.

Figuur 7.3 Vergelijking Franse en Duitse arbeidssystemen

Natuurlijk is deze indeling nog een veel te grof [Nashold 1992]. Maar zij laat wel een paar opvallende culturele verschillen zien tussen de arbeidsorganisatorische patronen van landen met een gelijk of gelijksoortig technologisch niveau. Bovendien laat het zien dat het onderzoeksgebied zeer breed is en wat de componenten zijn die hierbij een rol spelen. Het onderzoeksgebied valt in ieder geval uiteen in drie domeinen:

Samen vormen deze drie domeinen een voor elk land uniek patroon. Cultuur is hier geen afhankelijke variabele meer (cultuur als vertraagde aanpassing aan de technologische ontwikkeling) maar ook geen onafhankelijke variabele (cultuur wordt opgevat als attribuut van alle maatschappelijke verschijnselen en kan niet meer als aparte variabele worden geïsoleerd).

top


VI Sociale Structurering <= Index => VIII Ontwikkeling nieuwe technologieëen

TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact