TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact
Techniek - Arbeid - Organisatie
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

V. Model van een technieksociologie
- diachronisch perspectief -

  1. Postulaten van technieksociologie
  2. Gefaseerde keuzemomenten
IV     Index     VI


We hebben hiervoor de twee extreme gevaren geschetst: technologisch determinisme en organisationele keuze. Enerzijds hebben we een afbakening gegeven ten opzichte van het technologisch determinisme volgens welke de vormen van arbeidsorganisaties eenduidig worden bepaald door technische mogelijkheden. Anderzijds hebben we ons afgebakend tegen arbeidspolitiek voluntarisme, volgens welke de vormen van arbeidsorganisatie onbeperkt variabel zijn. Deze polarisatie is kenmerkend voor de dominante denkrichtingen in het veld. De statische en steriele oppositie van begrippen is echter ongeschikt om analytisch greep te krijgen op de essentiële dynamische karakter van de relatie tussen technologie en arbeidsorganisatie. Tussen technologisch determinisme en arbeidspolitiek voluntarisme ligt nog een breed veld dat nauwkeuriger onderzocht moet worden.

We betreden nu de smalle weg tussen deterministische en voluntaristische benaderingen. Wie voor deze weg kiest moet systematisch rekening houden met de aard van sociale, culturele en technologische beperkingen ('constraints') die men in specifieke situaties tegenkomt om zo nauwkeurig mogelijk de keuzemogelijkheden aan te geven en de manieren waarop deze gebruikt kunnen worden.[1]

top


1 Postulaten van techniek-sociologie

De moderne techniek-sociologie vertrekt vanuit drie postulaten:[2]
  1. Openheid
    Elke kennisbestand over de manipulatie van de natuur kan op verschillende manieren worden uitgewerkt en toegepast in arbeidsprocessen.

  2. Ongelijkheid
    Welke technologische mogelijkheden worden gerealiseerd is afhankelijk van de verdeling van macht en rijkdom: wie de bronnen en de returns from investment controleert, kiest uit de beschikbare technologieën degene die het meest gunstig zijn voor hun belangen.

  3. Lock-in
    Wanneer technologische keuzes eenmaal zijn gemaakt, brengen zij grote investeringen in uitrusting en know-how met zich mee, waarvan de afschrijving andere keuzes ontmoedigt.
Figuur 5.1 Postulaten van techniek-sociologie

In dit model wordt sterk de nadruk gelegd op de rol van politiek en van concurrentie.[3]

  1. Politiek
    In de klassieke visie wordt 'politiek' als extern aan de economische ontwikkeling opgevat (behalve wanneer de economische groei limiteert door het beperken van de markt). Zowel de snelheid als de richting van de economische groei is afhankelijk van de verdeling van economische rechten. En deze verdeling is direct verbonden aan de staatsmacht om groepen en activiteiten te privilegiëren of bestraffen. De economische ontwikkeling reflecteert dus de politiek.

  2. Concurrentie
    In de klassieke visie leidt concurrentie ertoe dat de mensheid de beste van alle mogelijke werelden ontdekt; de overwinnaar van elke strijd is een held van universele efficiëntie. In de wereld van alle mogelijke werelden leidt concurrentie ertoe dat er één potentiële weg van combinatie van machines en vaardigheden wordt gekozen en dat andere wegen worden afgesloten; de weg die overwint - de technologische doorbraak - doet dit vanwege de condities van het moment - en niet omdat dit noodzakelijkerwijs de enige beste weg is. Een voorsprong in een bepaalde richting kan beloftevolle experimenten met alternatieven blokkeren, omdat bedreigde concurrenten proberen de bewezen benadering te beschermen, eerder dan het missen van de kans om een oplossing te vinden die nog beter geschikt is. Er zijn dus geen garanties dat concurrentie de maatschappij vooruitdrijft naar de grens van haar produktieve capaciteiten. Zelfs de overwinnaars in dit soort concurrentie kunnen er niet zeker van zijn dat zij hun lot verbonden hebben aan een benadering die het beste past bij hun belangen.
    • In een 'wereld van mogelijke werelden' worden relatief korte periodes van technologische diversificatie afgewisseld door langere perioden van uniformiteit. De technologische kennis die geaccumuleerd wordt tijdens de tussenliggende periodes van diversiteit scheppen de mogelijkheid van divergente doorbraken.
    • Op deze 'technological divides' bewegen de verschillende politieke omstandigheden in verschillende regionale of nationale economieën de technologie naar corresponderende verschillende paden.
    • Door onderlinge concurrentie worden sommige van deze technologische experimenten geëlimineerd terwijl andere worden omgebogen naar een gemeenschappelijk doel.
    • Omdat er steeds meer investeringen gedaan worden in de dominante technologie worden de 'grenzen van de concurrentie' versterkt: degenen die eens tegen haar introductie waren, hebben belang bij haar continuering.
    • Deze trend tot uniformiteit wordt alleen omgekeerd wanneer er een combinatie van ontwikkelingen in de markt en in het vermogen om natuur te controleren. Soms wordt het hierdoor economisch mogelijk om de 'verzonken kosten' te negeren en technisch mogelijk om een nieuwe richting in te slaan.
    • In de wereld van de klassieke politieke economie wordt de geschiedenis afgebeeld als een smal spoor. In de wereld van de mogelijke werelden is de geschikte metafoor een zigzag pad of 'branching tree', een zich vertakkende boom.

Commercialisering van genetica

    Hans Galjaard (onze meest bekende geneticus in De Groene van 5 april 1995):

      "Ik ervaar de commercialisering van de genetica als heel negatief. Die gaat steeds vaker gepaard met geheimhouding van informaties en dat is funest. In de Verenigde Staten is die ontwikkeling al veel verder dan hier".
    Hij illustreert dit aan een paar Amerikaanse instituten waarheen hij vroeger zijn medewerkers stuurde om kennis op te doen. Deze instituten zijn inmiddels sterk verkleind omdat de veelbelovende onderzoekers tegenwoordig allemaal gaan werken voor privé-klinieken. Deze mensen vertellen niet meer waar ze mee bezig zijn.
      "Als je vroeger zo'n instituut bezocht werd er meteen een seminar gehouden waarop iedereen zijn nieuwste ontdekkingen presenteerde, maar nu zijn de commerciële belangen zo groot dat die gegevens worden achtergehouden".
    De commercialisering van de genetica heeft niet alleen gevolgen voor de en toegankelijkheid van wetenschappelijke onderzoeksresultaten en de openheid van wetenschappers, maar ook voor de inhoud van de wetenschap.

      "Het onderzoek heeft ook geen betrekking meer op voorkomen van de geboorte van gehandicapten. De genetica bevindt zich al in de fase van de voorspellende geneeskunde, waarbij het gaat om het testen van mensen op de grote volksziekten: kanker, hart- en vaatziekten, dementie, diabetes. Dat onderzoek is niet gericht op het bereiken van het grootste geluk voor zoveel mogelijk mensen, maar op het maken van zoveel mogelijk winst. Net als bij het ontwikkelen van de pil of vaccins ten behoeve van de derde wereld is de concurrentie een rem op de ontwikkeling. Er worden geen erfelijkheidstests ontwikkeld op grond van uw en mijn idealen, bijvoorbeeld om de bevolking in Afrika te testen op sikkelcelanemie, een ziekte waaraan één op de vier Afrikanen lijdt. Zulke tests verkopen niet en dus wordt er niet in geïnvesteerd. Bedrijven ontwikkelen alleen tests die ze in de geïndustrialiseerde wereld voor veel dollars kunnen verkopen".
    Kortom:
      "Voor de wetenschap en vooral voor aankomende wetenschappers is die competitie fnuikend, ook in Nederland".

Dit sociologisch techniek-model gaat niet uit van de stelling 'dat alles mogelijk is omdat alles politiek is'. Het bevat dus geen pleidooi voor een extreem voluntarisme waarin alle factoren die onze keuzes beperken terzijde worden geschoven en gesteld wordt dat we vrij zijn om onze maatschappij naar eigen wensen in te richten - omdat alles 'politiek' is, d.w.z. afhankelijk van de keuzes die we als politieke gemeenschappen maken. We moeten daarentegen de aard en de variëteit van beperkingen in het maatschappelijke (technische, politieke, sociale, culturele enz) leven analyseren en systematisch kijken naar keuzemogelijkheden [Berting 1990: 27,33].

De ontwikkeling en toepassing van technologieëen kunnen zowel procesmatig (dyachronisch) als inhoudelijk (synchronisch) worden gethematiseerd. Eerst zullen we de ontwikkeling en toepassing van technologieën procesmatig bekijken en daarna inhoudelijk. In het procesmatige perspectief concentreren we ons op de fasen waarin sociale factoren de ontwikkeling en toepassing van technologieën kunnen beïnvloeden. In het inhoudelijke perspectief concentreren we ons op de manieren waarop deze beïnvloeding plaats kan vinden (op de 'structureringsmodi').

Figuur 5.2 Proces en inhoud van sociale structurering

top


2 Gefaseerde keuzemomenten

Wanneer we de ontwikkeling en toepassing van technologieën procesmatig bekijken, kunnen we onderscheid maken tussen vijf fasen:
  1. Keuze van wetenschappelijk onderzoek (prioriteiten) gericht op inventies binnen de grenzen van bestaande wetenschapspraktijk (en financiering).
    Wetenschappers maken hun keuzes binnen grenzen van (a) subsidiemogelijkheden, fondsen, (b) de door overheden of bedrijfsleidingen gestelde prioriteiten van R&D.

  2. Keuze van te ontwikkelen technologieën binnen de grenzen van wat wetenschappelijk mogelijk is of lijkt.
    • Geïnternatliseerde design-waarden. Een ontwerpfilosofie die zoveel mogelijk de 'menselijke factor' elimineert (of degradeert) teneinde de regelmatigheid en voorspelbaarheid te bereiken die managers als noodzakelijk beschouwen voor rendabele operaties.
    • Niet alleen een ontwerp'filosofie', maar ook onbewuste vooronderstellingen over wat 'progressie' betekent

  3. Keuze van de commercieel op de markt te brengen technologieën binnen de grenzen van de ontwikkelde technologieën.
    Hierbij spelen vooral ook rentabiliteitsoverwegingen. Als voorbeeld: de 'making of the computer' door IBM.

  4. Keuze van een specifieke technologie door de leiding van een arbeidsorganisatie binnen de grenzen van de aangeboden technologieën.
    De druk van de markt determineert niet de keuze van de leiding, althans niet volledig. De keuzevrijheid van de managers wordt dus niet volledig beperkt door de behoefte om bepaalde technologische systemen te adopteren teneinde de concurrentie te kunnen weerstaan. Dit heeft twee redenen.
    1. Topmanagers kiezen de markten waarin hun ondernemingen opereren. Alle technologisch 'imperatieven' die uit de druk van de markt (kunnen) voortvloeien zijn in feite het gevolg van deze eerdere keuze van de leiding.
    2. Binnen een gegeven markt laat de druk van de markt altijd een zekere keuzeruimte tussen een bredere reeks produktieve technieken dan economen en ingenieurs vroeger geloofden. Voorbeeld: auto-industrie.

  5. Keuze van sociale arbeidsorganisatie binnen de grenzen van wat met de hardware mogelijk is.
    De arbeidsorganisatie (inclusief de specifieke sociale relaties die deze mogelijk maakt), wordt beïnvloed door de produktietechnologie, maar zij wordt hierdoor niet volledig gedetermineerd.
    1. Managers kunnen kiezen hoe de sociale organisatie van de produktie gestructureerd moet worden binnen de grenzen van wat haalbaar is, gegeven de specifieke aard van de produktie-hardware.
    2. Wanneer managers kiezen voor een bepaalde technologie kiezen zij ook hoe hun onderneming gecontroleerd moet worden. Verschillende technologieën incorporeren managementsbeleid ten aanzien van de adekwate organisatie van de de activiteiten binnen de onderneminge. Technologieën worden ontworpen met specifieke controlesystemen in het achterhoofd (dit is het omgekeerde van Blauner's stelling dat technologie gezag en controle determineert).
    3. Technologie structureert de sociale relaties op de werkvloer, maar legt deze niet vast (determineert ze niet).
Figuur 5.3 Gefaseerde keuzemomenten

Samenvattend:

  1. Afbakenen van vrijheidsmarges of handelingsspeelruimtes op het gestructureerde niveau die volgens de logica van structurering steeds nauwer wordt afgebakend.
  2. Gedifferenteerd beeld van de modaliteitten van structurele causaliteit: geen enkelvoudige causale relaties.


Noten

[1] Er zijn in principe drie manieren waarop dit veld kan worden ingeperkt: ontwikkelingslogisch, ontwikkelingsdynamisch en historisch. Vgl. Bader's kritiek op Kern/Schumann, [1987: 96]. In deze verhandeling concentreer ik mij op de ontwikkelingsdynamiek (fasen van proces van sociale structurering) en op de logica van structurering (modi van structurele causaliteit).

[2] Zie hiervoor Piore/Sabel [1984: hft 2, ihb p. 38 e.v.].

[3] Ook Berting [1990:32] benadrukt "the impact of social and political factors on the choice of specific scientific and technological trajectories and the exclusion of other possible lines of development".

top


IV Techniek & Technologie Index VI Sociale Structurering

TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact