TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact
Techniek - Arbeid - Organisatie
Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam

IV. Technologisch determinisne
&
Sociaal Voluntarisme

  1. Technologisch determinisme
  2. Varianten van technologisch determinisme
  3. Theoretische kritiek
  4. Politieke kritiek
  5. Sociaal voluntarisme: organisationele keuze
III     Index     V


Op welke manier kan de sociologie zich met het probleem van de techniek bezighouden? Oudere technieksociologische studies waren nogal eenzijdig van aard: men concentreerde zich op de sociale gevolgen van een technologie die zelf niet nader werd geanalyseerd. Daarbij bleef men binnen het referentiekader van het zgn. technologisch determinisme.

Het technologisch determinisme beschouwt technologie als een exogene en autonome ontwikkeling die sociale en economische organisaties en relaties dwingt en determineert.

De houdbaarheid en het nut van Ogburns notie van 'cultural lag' werd ter discussie gesteld. Zie hiervoor de bijdragen van: Lewis Mumford [1934] "Technics and Civilization", New York; Michael Choukas [1936] "The Concept of Cultural Lag," American Sociological Review 1: 752-60; Henry F. Frost [1939] "Functionalism in Anthropology and Sociology," Sociology and Social Research 23, 373-79; Abbott Herman [1937] "The Answer to Criticism of the Lag Concept," American Journal of Sociology 43:440-51; John H. Mueller [1938] "Present Status of the Cultural Lag Concept," American Sociological Review 3: 320-27; T.G. Standing [1959] "A Critique of the Concept of Cultural Lag," Social Science 14: 144-55; Joseph Schneider [1945] "Cultural Lag," American Sociological Review 10: 786-91; James W. Woodward [1932-33] "Critical Notes on the Nature of Sociology," Social Forces 11: 388-98, en [1936] "A New Classification of Culture," American Sociological Review 1: 89-102

Het technologisch determinisme is een familie van verwante opvattingen waarvoor de klassieke sociologische formulering al in de jaren 20 werd gegeven. De amerikaanse socioloog William F. Ogburn formuleerde de theorie van de 'cultural lag' tussen technische en sociale veranderingen: sociale verandering is altijd een vertraagd lopend (nahinkend) aanpassingsproces aan de technische ontwikkeling, die volgens een eigen technische rationaliteit verloopt; maatschappelijke systemen kunnen, door de snelheid waarmee ze zich aanpassen alleen het tempo, niet de vorm van de technische ontwikkeling beïnvloeden [Ogburn 1922 - Social Change]. Een - banaal - voorbeeld: wanneer verkeerstechnisch allerlei nieuwe mogelijkheden gerealiseerd zijn, komt men pas later tot de ontwikkeling van een verkeersethiek.

De stelling van Ogburn kan op twee manieren worden omgedraaid. Ten eerste kan de technologische ontwikkeling ook achter lopen bij het culturele niveau van een samenleving of het kan dit culturele niveau bedreigen. Ten tweede bepalen in de praktijk sociale structuren veeleer welke technologieën wel en niet tot ontwikkeling komen.

top


1 Technologisch determinisme: vooronderstellingen en verklaringsmodel

In de laatste twee eeuwen is het technologisch determinisme sterk verankerd in onze cultuur. "Het technologisch determinisme of imperialisme is onderdeel van maatschappelijke ontwikkelingsmodellen en die worden gedragen door belangrijke (innoverende) politieke en economische elites" [Berting 1992:66]. De ideologie van het technologisch determinisme is door David Noble als volgt gekarakteriseerd: De technologisch deterministische benadering kan in twee stellingen worden samengevat.

Stelling 1: De technologisch ontwikkeling is een 'gegeven' dat zichzelf voortbrengt en slechts één koers volgt.

Figuur 4.1     Technologisch determinisme: eenvoudig model
Hieraan ligt de vooronderstelling ten grondslag dat technologische ontwikkeling in wezen los staat van de maatschappelijke, organisationele en interactionele contexten waarbinnen zij figureert. Technologie is weliswaar een tijd- en plaatsgebonden gegeven, maar de vorm die ze aanneemt is geen weerspiegeling van deze specifieke historische omstandigheden maar van haar eigen innerlijke dynamiek. De technologische ontwikkeling verloopt dus volgens een eigen logica en volgens ontwikkelingswetten die technisch en niet sociaal bepaald zijn. Anders gezegd: technologische innovaties zijn zelf 'zonder oorzaken'.

Stelling 2: Het technologisch proces heeft 'externe effecten' of 'sociale effecten'.
Hieraan ligt de vooronderstelling ten grondslag dat de technologie haar oorzaak slechts in zichzelf vindt en dat zij eenduidige effecten heeft. De relatie tussen oorzaak en gevolg is automatisch (mono-causaal), onvermijdelijk (noodzakelijk of deterministisch) en enkelvoudig. De technologische ontwikkeling heeft eenduidige gevolgen, zowel op het macro niveau van de maatschappij, op het meso niveau van organisaties, als op het micro niveau van individuele arbeidsplaatsen.

Als startpunt voor een mee geavanceede techniek-sociologie beginnen we met een eenvoudig en dus onbevredigend model van technologische verandering.


Figuur 4.2     Produkt-cyclus visie
op technologische verandering
a) Het meest simpele model is het produkt-cyclus visie op technologische verandering. In deze visie op technologische verandering wordt het proces meestal in vijf fasen opgesplitst, in lineaire volgorde.

Kenmerkend voor dit model is:

b) In de meest beperkte effectstudies wordt zelfs dit model te ingewikkeld gevonden en wordt de inhoud van de eerste vier etappes in een black box ondergebracht. Het model wordt dan nog eenvoudiger.

c) In een betere, maar nog steeds inadequate vorm van onderzoek wordt het proces van adoptie of diffusie van een nieuwe technologie als een aparte fase behandeld, maar blijven de voorafgaande fasen nog steeds een black box.

c) Voor een beperkt onderzoek naar de sociale structurering van technologie lijkt het voldoende om de bovenste doos te openen. Maar ook dat is onbevredigend. Zelfs binnen de beperkte parameters van het produkt-cyclus model is het zowel praktisch als intellectueel van belang rekening te houden met feedback loops (wisselwerkingen) tussen de verschillende doosjes. Wat er gebeurt in de doosjes aan de onderkant van het diagram is immers mede bepalend voor wat er in de bovenste doosjes gebeurt. Een eenvoudig voorbeeld hiervan wordt ook erkend in de diffusiestudies. De effecten van een bepaalde technologie, hebben een belangrijke invloed op de snelheid van zijn adoptie. Het meest voor de hand liggende is bijv.: wanneer een van de effecten van een technologie is dat zij de winsten vergroot van degene die haar geaccepteerd hebben, zal dit het proces van haar diffusie versnellen. Er bestaat dus een feedback loop (terugkoppelingslus) van 'effecten' naar 'diffusie'.

d) In de literatuur wordt veel minder aandacht besteed aan het feit dat er ook feedbackloops bestaan tussen de andere onderdelen van het diagram (tot aan het fundamentele proces van inventie toe). Edison's uitvinding van de moderne vorm van elektrisch licht is hiervan een goed voorbeeld.[1] Edison was zich er scherp van bewust dat zijn elektrisch licht alleen op brede schaal gebruikt zou worden, wanneer het economisch kon concurreren met de bestaande gaslicht-systemen. Zijn onderzoek naar de waarschijnlijke kosten van een systeem voor elektriciteitsvoorziening mondde uit in de conclusie dat het sleutelprobleem de hoge kosten van koper voor conductoren was. De nieuwe technologische kennis die hij ontwikkelde - en die uitmondde in de vorm van elektrisch licht met een hoge-weerstand gloeidraad - werd gestructureerd door het doel van het zoeken naar een reductie van de hoeveelheid koper dat gebruikt werd in het systeem als geheel. De terugkoppelingslus zag er dus als volgt uit:

Het eenvoudige produkt-cyclus model moet dus minstens op een aantal punten worden gereviseerd. Als men het eerste diagram opnieuw tekent en alle feedback loops introduceert, krijgt men het volgende beeld:

Het uiteindelijke model voor een techniek-sociologie zal op een heel andere basis worden ontwikkeld.

Figuur 4.8 Het industriële ontwikkelingsmodel

Vgl. Berting 1994: 91

top


2 Varianten van technologisch determinisme

Zoals gezegd is het technologisch determinisme eerder een familie van verwante opvattingen dan een eenduidige theorie. We schetsen het portret van een aantal familieleden.

2.1 Marxisme

Er is vaak beweerd dat het marxisme een vorm van technologisch determinisme is. Het marxisme is geen technologisch determisme, maar binnen het marxisme bestaat wel een technologisch deterministische stroming. De basisgedachte daarvan is dat het verloop van de geschiedenis bepaald wordt door de ontwikkeling van de produktiekrachten: op een bepaald ontwikkelingsstadium van de produktiekrachten raken deze in tegenspraak met de produktieverhoudingen, hetgeen een revolutie noodzakelijk maakt om deze weer in overeenstemming te brengen met het ontwikkelingsniveau van de produktiekrachten.

Dit schema is ook binnen het marxisme sterk omstreden. Veel marxistische auteurs hebben laten zien dat Marx in feite het omgekeerde schema gebruikt. Marx heeft o.a. laten zien hoe binnen de feodale maatschappij (d.w.z. een door feodale arbeidswijze gedomineerde maatschappijformatie) nieuwe sociale verhoudingen ontstaan: de kapitalist neemt loonarbeiders in dienst en laat deze eerst thuis en vervolgens in de fabriek (de manufactuur) voor zich werken. In eerste instantie wordt binnen deze nieuwe sociale verhoudingen de traditionele techniek, nl. die van het handwerk toegepast (vandaar manufactuur). Pas later wordt binnen deze kapitalistische verhoudingen een nieuwe techniek ontwikkeld en toegepast die is aangepast aan de nieuwe sociale verhoudingen: de machinerie. Het technologisch-deterministische schema staat hier als het ware op zijn kop: eerst veranderingen in sociale verhoudingen en daarbinnen wordt vervolgens een nieuwe techniek ontwikkeld. Bovendien wijst Marx met grote nadruk op de specifieke aard van de nieuwe techniek: zij draagt het stempel van de verhoudingen waarbinnen zij wordt ontwikkeld en is dus in strikte zin een specifiek kapitalistische technologie.

2.2 Theorie van industriële maatschappij

In de algemene sociologie werd een variant van het technologisch determinisme ontwikkeld in de vorm van de theorie van de industriële maatschappij [representanten: Ellul, Schelsky, Forsthoff]. Deze theorie omvat twee leerstukken: De grondlegger van deze gedachtengang is Durkheim. Hij zag arbeidsdeling als het belangrijkste kenmerk van de moderne maatschappij. Arbeidsdeling veroorzaakt een maatschappij die gekenmerkt wordt door differentiatie, individualisering en dynamiek. Arbeidsdeling betekent dat er een enorme (horizontale) differentiatie ontstaat in sectoren, arbeidsorganisaties en beroepen die allemaal verschillende dingen doen en tegelijkertijd allemaal op elkaar zijn aangewezen. Deze arbeidsdeling is geen probleem, mits de mensen zich maar bewust zijn van hun onderlinge afhankelijkheid en inzicht hebben in hun plaats en functie in het geheel (organische solidariteit). Is dat niet het geval dan ontstaat normloosheid (anomie) en wanorde. Om dit te voorkomen moet niet de arbeidsdeling veranderd worden, maar moeten instanties gecreëerd worden die aangepast zijn aan deze arbeidsdeling. Daartoe behoren voor Durkheim o.a. het scheppen van gelijke voorwaarden bij de deelname aan het onderwijs en bij het afsluiten van arbeidscontracten. Bij afwezigheid van deze gelijke voorwaarden zullen gevoelens van onrechtvaardigheid het ontstaan van organische solidariteitbelemmeren.

Voor deze interpretatie van de moderne maatschappij bestonden en bestaan alternatieven. Zo was voor Marx de moderne maatschappij een kapitalistische klassenmaatschappij en voor Weber een bureaucratische maatschappij gekenmerkt door het typisch westerse fenomeen van een formele rationaliteit die alle levenssferen doordringt. Het verschil tussen deze 'vaders' van de sociologie ligt slechts gedeeltelijk in hun beschrijving van de moderne maatschappij: ze wisten alle drie dat arbeidsdeling, klassen en bureaucratische heerschappij er elementen van zijn. Wat hen onderscheidt is wat voor hen het belangrijkste probleem van die maatschappij was: anomie, uitbuiting of heerschappij.

2.3 Theorie van de drie fasen in arbeid en bewustzijn

In de arbeids- en organisatiesociologie komen we het technologisch determinisme tegen in verschillende drie fasen schema's in arbeid en bewustzijn. Een bekend voorbeeld is de indeling in handwerk, mechanisering en automatisering [Blauner 1964]. Hiermee wordt geprobeerd om de verschuivingen in arbeidsinhoud en arbeidsbewustzijn (vervreemding) te verklaren: handwerk gaat gepaard met hoge kwaliteit van de arbeid en lage vervreemding, mechanisering met lage kwaliteit en hoge vervreemding en automatisering weer met hoge kwaliteit en lage vervreemding.[2]

De werkwijze van dit technologisch determinisme is eenvoudig: (1e) men neme twee of meer bedrijven met een verschillende technologie en verklaar de verschillen tussen deze bedrijven (bijv. in arbeidsinhoud, hiërarchische niveaus, samenwerkingsvormen, beloningssystemen) uit de verschillen in technologie; (2e) vervolgens brengt men deze verschillende technologieën onder in een schaal die het niveau van technologische ontwikkeling aangeven (de mechaniserings- en automatiseringsschalen); (3e) voorspel met behulp van slechts enkele gevalstudies de toekomst.

Zie voor uitvoerige kritiek op Blauner: Hill [1981:94 e.v.]

2.4 Theorie van flexibele automatisering

De meest recente vorm van technologisch determinisme treffen we aan in de vorm van de theorie van de flexibele automatisering.[3] Kern/Schumann zetten zich verbaal af tegen het technologisch determinisme. Zij richten hun peilen echter niet op de invloed van economische, politiek-juridische en culturele voorwaarden op de vorm van technologieën, maar alleen op het meer of minder van hun toepassing. Enerzijds benadrukken Kern & Schumann dat het antagonisme van kapitaal en arbeid bepalend is voor de dynamiek van de bedrijfsmatige ontwikkeling en dus ook haar stempel drukt op de basispatronen van rationalisering. Zij laten dus zien hoe de algemene maatschappelijke basisverhouding door werkt in de bedrijfsmatige krachtsconstellatie (en geven hiervan een analytische reconstructie)/37/. Het uitgangspunt van hun hele analyse wordt gevormd door de rentabiliteitsvoorwaarden van het kapitaal (opgevat als technisch-materiële en economische grootheden), en de daarmee corresponderende kapitaalstrategieën en concrete maatregelen van bedrijfsmatige rationalisering /26/. Anderzijds spelen de bedrijfsmatige machts- en heerschappijverhoudingen en de controle van arbeidskrachten bij Kern & Schumann slechts een marginale rol. Dit heeft twee redenen. Ten eerste geven zij geen duidelijke uitwerking van het begrip kapitalistische rationalisering. Ten tweede geven zij geen gedifferentieerd beeld van de economische rationaliseringsparameters op het niveau van het afzonderlijke kapitaal. Dit zijn met name: optimalisering van rentabiliteit, overlevingsstrategieën, optimalisering van de voorwaarden waaronder het constante en variabele kapitaal worden ingegezet, kapitalismespecifieke voorwaarden van de vervanging van levende arbeid door machinerie (o.a. prijs van de arbeidskracht in situaties van conjuncturele/structurele werkloosheid en betekenis voor inzet van nieuwe arbeidsbesparende technologie en voor de aard en richting van automatisering).

Belangrijke bronnen worden behandeld:

voor de kant van het kapitaal en management:

voor de kant van de arbeiders: Deze bronnen worden echter niet op controleerbare wijze geaggregeerd en situatiespecifiek geïnterpreteerd.

top


3 Theoretische kritiek

Het begrip technologie wordt vaak zo ruim gedefinieerd dat een groot aantal sociale factoren al in de definitie besloten liggen. In dat geval wordt het moeilijk na te gaan wat bepaald wordt door wat [Berting 1992:138]. Wanneer technologie zo ruim wordt opgevat dat het álle aspecten van de arbeidsomgeving omvat dan heeft zij als onafhankelijke variabele geen verklarende waarde meer: wanneer alles wordt verklaard door alles, kan uiteindelijk niets meer worden verklaard [Grint 1991: 276 e.v.]

De wetenschappelijke kritiek op het technologisch determinisme volstrekt onhoudbaar richt zich op drie aspecten:

  1. Mono-causaliteit versus loops & feedbacks: relatie tussen technologie en maatschappij is een interactief, recursief proces.
  2. Determinisme ipv structureringslogica (false necessities)
  3. Complexiteit en contingentie: openheid, geschiedenis; 'it depends.
Dubbele weerlegging van technologisch determinisme: (a) ontwikkeling van technologieën zelf en (b) de toepassing en de sociale gevolgen ervan [zie hft. VII: Techniektoepassing en -gevolgen]. Polemisch: it's all politics. Versus deterministische structuurtheorie en voluntaristische handelingstheorie. Hier het structureringstheorie van Bhaskar en Giddens en de systeemtheorie van Luhman. Geen causaliteitsverhouding tussen handelen en structuur, omdat beide elkaar impliceren (causaliteit veronderstelt dat causale factoren geïsoleerd kunnen worden in de tijd voorafgaan aan de effecten).

Technologie is alleen bepalend voor de economische organisaties wanneer (1) er slechts één technologie bestaat die duidelijk superieur is aan alle andere en (2) wanneer technologie een unieke organisatievorm impliceert. Dit is echter zelden het geval [Williamson 1985:87].

top


4 Politieke kritiek

Er kan niet genoeg op gewezen worden dat de wetenschappelijke onhoudbaarheid van deze benadering en denkwijze niet betekent dat zij uit het maatschappelijk leven verdwijnt. Integendeel, ondanks alle wetenschappelijke kritiek is de technologisch deterministische denkwijze nog springlevend. Dat komt omdat zij als ideologie nog steeds nuttige diensten bewijst. De functie van het technologische determinisme is niet alleen - en ook niet in de eerste plaats! - dat zij wetenschappelijke inzichten blokkeert, maar vooral dat zij als blokkade fungeert voor bepaalde politieke inzichten en daaraan gekoppelde handelingsstrategieën.

De functies van het technologisch determinisme kunnen in zes punten worden samengevat:

  1. Het TD mystificeert de technologie zelf: technologische innovatie als black box.
  2. Het TD blokkeert het zicht op de complexe samenhang tussen technologische, sociaal-economische en politiek culturele processen en structuren, en in het bijzonder op de samenhang tussen technologische ontwikkeling, produktiestructuur en arbeidsorganisaties.
  3. Het TD verdoezelt en legitimeert het doen en laten (de eigen beslissingen, keuzen)van de machthebbers, elites
  4. het TD blokkeert het zich op alternatieve ontwikkelingsmogelijkheden.
  5. Het TD kweekt passiviteit en cynisme: stimuleert gevoel van machteloosheid en ondergraaft het zelfvertrouwen van de werkenden.
  6. Het TD blokkeert daarmee politieke mobilisatie en organisatie 'van onderop'.

De empirische kritiek op het technologisch determinisme komt uitvoerig aan de orde in hoofdstuk VII.

5 Sociaal voluntarisme: organisationele keuze

Technologisch determinisme is dus een analytische weg die we beter kunnen mijden. De andere - eveneens doodlopende - weg is die van het sociaal voluntarisme waarin de nadruk wordt gelegd op het principe van de organisationele keuze (Grint 1991:282 noemt dit sociaal determinisme anderen spreken over managerial choice). De vooronderstelling van deze benadering is: De belangrijkste vertegenwoordigers van deze stroming zijn: Gallie [1978], Silverman [1970], Goldthorpe e.a. [1968, 1969].

De technologisch deterministen nemen vaak uitgebreide machinesystemen als referentiepunt. De voorstanders van het sociaal voluntarisme nemen vaak de IT als prototypische technische vorm. IT is immers een uiterst 'plooibare' (of buigzame) technologie: zij is geminiaturiseerd, draagbaar en programmeerbaar. IT biedt een enorme informatieverwerkende kracht en kan toch snel worden gemodelleerd naar de wensen van haar gebruikers.

De basisstelling van het sociaal voluntarisme is dat de technologie zelf primair wordt bepaald door actoren binnen de organisatie:

Hieruit volgt dat in elke gegeven context de relatie tussen technologie en organisatie grotendeels wordt bepaald door de intenties en waarden van het management [Buchanan/Boddy 1983] en door het organisationele politiek/beleid [Pettigrew 1973] dat kenmerkend is voor de organisatie. Technologie is dus eenvoudig een 'belichaming' van de intenties en belangen van specifieke groepen [Child 1985].

Het is misleidend om organisationele besluitvorming te zien als een rationeel proces dat door een homogene sociale of politieke groep wordt gedragen [Mintzberg 1978; Pettigrew 1985]. Toch wordt vaak beweerd dat de beslissingen over technologische kwesties door 'het management' worden genomen. Daarbij wordt de heterogeniteit van het management en de invloed van inter-professionele competitie gewoon weer vergeten. Vergelijk hiervoor het onderzoek van Mueller e.a. [1986] en de hierop aansluitende uiteenzetting van Scarbrough/Corbett [1992:91].

De zwakte van het sociaal voluntarisme is niet dat erkend wordt dat subjectieve waarnemingen en handelingen belangrijk zijn voor de ontwikkeling van technologie op organisationeel niveau. De grote zwakte is dat de mate van autonomie en controle die organisaties hebben bij het ontwikkelen van technologie niet gereduceerd kan worden tot de subjectiviteit van haar managers/leidinggevenden. De discussie concentreert zich dus op de mate van keuzevrijheid of determinatie die bestaat tusssen technologie en organisatie.

De vraag is dus: hoe groot is de organisationele autonomie? Niemand zal ontkennen dat (leidingen van) organisaties een zekere invloed uitoefenen op de technologie die zij feitelijk hanteren. In de formele of passieve zin kiezen leidingen van organisaties immers hun eigen technologie:

  1. organisationele hiërarchieën zijn relatief afgescheiden ten opzichte van marktkrachten en beschikken hierdoor over een zekere keuzevrijheid,

  2. welke technologische of technologisch relevante keuzes uiteindelijk worden gemaakt is afhankelijk van de subjectieve waarnemingen en preferenties van managers.
Als organisaties een nieuw produkt of nieuwe produktieprocessen willen ontwikkelen staan hun vaak een groot aantal technologische alternatieven ter beschikking. De uitoefening van organisationele autonomie is echter niet beperkt tot de beslissing over de aankoop van technologische artefacten. We moeten echter ook rekening houden met het feit dat er kennis is belichaamd in of verbonden met het gebruik van een technologie. Dan wordt duidelijk dat zelfs het aanschaffen van een technologisch pakket keuzebeperkingen creëert. De aanschaf van een bepaald technologisch pakket impliceert een stilzwijgende instemming met de preëmptieve 'keuze' en kennis van de leverancier die in dat pakket zijn belichaamd. Deze mate van beperking (limitatie) is vooral groot in in sectoren waarin slechts een paar grote technologische leveranciers bestaan- zoals IBM in de financiële diensten. Veel nieuwe technologieën worden slechts door een paar ondernemingen als pakket geproduceerd en aan anderen verkocht. Hierdoor wordt de speelruimte voor lokaal management of werknemers aanzienlijk ingeperkt [Ramsay/Bierne 1992:4].

De conclusie =


Noten

[1] Zie de reconstructie van Hughes [1983 - Networks of Power; en zijn artikel uit 1985: Edison and electric light ] en van McGuire/Granovetter/Schwartz [1993].

[2] Blauner maakte een onderscheid tussen vier technologische stadia. Het karakter van twee technologische categorieën - grote-serie en massaproduktie - is echter zo gelijksoortig dat het vaak nuttiger is om deze categorieën te comprimeren dan ze te scheiden.

[3] Theorie van flexibele specialisatie werd oorspronkelijk ontwikkeld door Piore/Sabel [1984] en Sabel [1982]. Let op samenwerking tussen representanten van de 'nieuwe produktieconcepten' en die van de 'flexibele specialisatie': Kern/Sabel [1991].

top


III Techniek & Technologie   Index   V. Model van technieksociologie

TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact