Techniek - Arbeid - Organisatie
dr. Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
III. Techniek en Technologie
Wat is techniek en waarin onderscheidt zich deze van technologie? Het is niet eenvoudig om beide begrippen uit elkaar te houden, en meestal worden zij door elkaar heen gebruikt. We concentreren ons hier op het algemene verschil tussen moderne en voor-moderne techniek en op de ethische en politieke problemen die met dit verschil samenhangen.
'Techniek' stamt van het Griekse woord techne en had in eerste instantie de betekenis van een doelgerichte manier van doen of methode van handelen. Pas in tweede instantie werd de betekenis ervan uitgebreid tot de materiële middelen die men daarbij gebruik. Het begrip techniek heeft tot
op de dag van vandaag nog deze ambivalente betekenis. Wanneer wij bijv. spreken van voetbaltechniek, gebedstechniek, erotische techniek of de techniek van een chirurg, dan bedoelen wij de wijze waarop deze handelingen worden uitgevoerd en de efficiëntie en bekwaamheid of virtuositeit waarmee dat wordt gedaan.
'Techniek' is afgeleid van Griekse woord technikos = kunstig, kunstmatig. In materiële zin is techniek een verzameling creatieve uitingen van de mens waardoor hij zich van middelen weet te voorzien waarmee hij zijn bestaan kan veraangenamen en zich kan weren tegen al hetgeen dit bestaan bedreigt.
Techniek = doel-middel relatie: technische rationaliteit. Technische
rationaliteit kan beoordeeld worden vanuit: (a) technische efficiëntie,
(b) elegantie, (c) virtuositeit enz.
'Instrumentele rationaliteit' = met welke middelen kan ik een gegeven doel het
beste bereiken. Verschil met 'economie': alternatieve doelen: opportunity
costs.
|
Weber heeft erop gewezen dat technische rationaliseringen nooit alleen door technische juistheid als legitiem kunnen worden aangemerkt voor het forum van waarden.
"Überall und ausnahmelos haftet der in unseren Disziplinen legitime Fortschritsbegriff am 'Technischen', das soll hier wie gesagt, heissen: am 'Mittel für einen eindeutig gegebenen Zweck'. Nie erhebt er sich in die Sphäre der 'letzten' Wertungen"
[Weber, Methodologische Schriften. Frankfurt 1969: 268. Vgl. ook Weber, Soziologie, Weltgeschichtliche
Analysen. Politik. Stuttgart: Alfred Kröner Verlag. 1969: p. 350].
|
Technisering = overdragen van menselijke op machinefuncties. Gevolg:
verdwijnen van arbeidstaken, nieuwe komen erbij en andere veranderen
fundamenteel van karakter.
Niveaus van technische ontwikkeling =
- hanteren van gereedschap,
- bedienen (sturen en voeden) van een machine,
- het bewaken van een automaat.
Technologie is afgeleid van het Griekse technologia = wetenschap van de kunstvaardigheid. Technologie is een systematische behandeling of studie van een bepaald onderwerp, speciaal van de grammatica. Tegenwoordig betekent technologie het geheel van praktische kennis, steunend op de kennis van de verschillende natuurwetenschappen, dat aan een bepaald technisch proces ten grondslag ligt. Al naar gelang de hoofdbewerking die tijdens het proces wordt uitgevoerd, van chemische, natuurkundige, werktuigelijke of informationele aard is, spreekt men van chemische, fysische, mechanische of informatie-technologie. Zo omvat de chemische technologie de gehele leer van ruwe, natuurlijke produkten (bijv. aardolie, steenkool, erts) tot gebruiksklare technische produkten (bijv. kunststoffen).
|
De term 'technologie' werd al in 1777 geïntroduceerd door een Duitse hoogleraar in de staatswetenschappen, Beckmann. Hij gebruikte de term voor het nieuwe vak dat hij doceerde. Zijn boek Anleitung zur Technologie bevatte echter helemaal geen wetenschappelijk onderbouwde techniek -- die pas in het laatste kwart van de 19e eeuw furore maakte -- maar gilde- en manufactuur-techniek. Daarmee was de terminologische verwarring gezaaid: de term 'technology' kreeg in het Engels de dubbele betekenis van zowel techniek (soms 'technics' genoemd) als 'science based technology'. In het Duits, Frans en Nederlands kwamen wel twee verschillende termen in gebruik.
|
'Technologie' is een tamelijk recente term. Zij werd in het Nederlands rond 1950 via de Angelsaksische en vooral de Amerikaanse literatuur
geïntroduceerd. In het begrip technologie weerspiegelen zich de
ingrijpende veranderingen die de technische factor in moderne samenlevingen ondergaat.
De moderne technologie is een (1) verwetenschappelijkte, (2) dynamische, (3) verzelfstandigde en (4) riskante techniek.
Figuur 3.1 Moderne techniek
Technologie is meer dan het geheel van gereedschappen, machines en procedures waarover een samenleving beschikt en waarmee goederen en diensten worden geproduceerd.
"Technologie verwijst vooral naar de accumulatie van kennis waardoor het mogelijk wordt theoretische oplossingen te vinden voor technische vraagstukken in plaats van het verbeteren of aanpassen van bestaande instrumenten in concrete taaksituaties" [Berting 1992:19].
Ik hanteer geen smal begrip van technologie als geheel van technische artefacten, maar ook geen oeverloos ruim begrip waarbij technologie alle vormen van doelrationeel handelen omvat. Ik pleit voor een breed, maar niet oeverloos opgerekt begrip van technologie.
Technologie is de techniek die zich ontwikkelt via de wetenschap en via het samengaan van het werk van onderzoeksgroepen met het werk van ondernemingen [Salomon 1992:70; Pieterson 1981:15]. Technologie is op wetenschap gebaseerde techniek, d.w.z. 'moderne' techniek. Men zou ook kunnen zeggen: technologie is verwetenschappelijkte techniek.
Technologie refereert dus aan:
- Combinatie van fysieke objecten die door mensen zijn ontworpen en geconstrueerd: machines die technische kennis vereisen voor hun ontwerp en produktie.
- Menselijke activiteiten in samenhang met het gebruik van technische artefacten.
- Het geheel van kennis dat noodzakelijk is om nieuwe oplossingen te genereren op het gebied van ontwerp, constructie en toepassing van technische
mogelijkheden [Berting 1992: 19].
Figuur 3.2 Drie aspecten van technologie
Moderne, op wetenschap gebaseerde techniek is ondenkbaar zonder de resultaten van de experimentele natuurwetenschap. In de voor-moderne tijd waren techniek en wetenschap overwegend twee gescheiden levensgebieden. Deze aanvankelijk losse verhouding komt tot uiting in de periode van mechanisering en mechanica. De vervlechting tussen wetenschap en techniek is steeds hechter geworden. Bijvoorbeeld:
- Chemische technologie: het op kunstmatige wijze produceren van natuurlijke stoffen.
- Elektriciteit als onzichtbare energiebron die alleen maar door de wetenschap (electrodynamica) ontdekt kon worden en in moderne elektronica is voortgezet
- Kernenergie als nieuw ontdekte krachtbron.
- Moleculaire biologie stelt ons in staat organismen te creëren die nog
nooit bestaan hebben.
Door deze hechte vervlechting tussen wetenschap en
techniek is ook de tijdsperiode steeds korter geworden van
wetenschappelijke uitvinding t/m praktijk van toepassing.
Deze intieme verbinding tussen wetenschap en techniek werd mogelijk gemaakt
door de verandering van de klassieke natuurwetenschap. Door deze verandering
zijn beide gebieden gebaseerd op eenzelfde principe: dat van het
construeren. Het constructieve principe heeft altijd al ten grondslag
gelegen aan de techniek: met behulp van de techniek plaatsen we ons tegenover
de natuur en dwingen haar in zodanige banen dat een gewenst resultaat ontstaat.
Dit zelfde principe ligt ten grondslag aan de experimentele natuurwetenschap.
Haar doel is het verklaren van de natuur uit algemene natuurwetten, en zij
volgt het constructieve principe om deze wetten te ontdekken. Men bedenkt eerst
hoe de natuur zich in een ideale, storingsvrije situatie zou gedragen als een
bepaalde natuurwet werkelijk zou bestaan (ideële constructie). In de
natuur bestaan dergelijke ideale situaties niet en daarom worden deze
kunstmatig geproduceerd in de vorm van een experiment (praktische constructie).
Als men er in een experiment in slaag om de natuur voor zich te laten werken,
kan dat daarbuiten ook. De produktie van kennis in een experiment en de
toepassing ervan in bijv. produktieprocessen liggen dus logisch in elkaars
verlengde -hoewel er in de praktijk tal van moeilijkheden overwonnen moeten
worden om dit te realiseren.
De intieme verwantschap of 'structurele affiniteit' (Ullrich) tussen
techniek en experimentele natuurwetenschap bestaat dus omdat zij beide op
eenzelfde principe zijn gebaseerd (en daarom a.h.w. voor elkaar voorbestemd
zijn). Maar net als in onze menselijke liefdesrelaties is er meer voor nodig
voordat mensen die 'voor elkaar gemaakt zijn' elkaar ook daadwerkelijk vinden.
Een wetenschappelijke uitvinding wordt niet altijd omgezet in een technologisch ontwerp (zoals de oorspronkelijk stoommotor) en een technologie waaraan behoefte is, vindt niet automatisch de wetenschappelijke uitvinding die noodzakelijk is om deze technologie te kunnen ontwikkelen (zoals het zoeken naar een effectief aids-vaccin heeft geleerd).
De voor-moderne techniek was een bestand van 'dingen die blijven'. De moderne techniek is een proces waarin voortdurend nieuwe dingen verschijnen. Ook de voor-moderne techniek ontwikkelde zich niet lineair, maar kende technische sprongen: de uitvinding van de vuurbeheersing (in de prehistorie), van de ploeg en het wiel (in de predynastische tijd), het ijzer en staal (door de Hettieten), het scheppen van papier (ca. 105 n. Chr. in China) waren technische revoluties van de eerste orde. De moderne techniek onderscheid zich van voor-moderne echter door:
- het tempo waarin nieuwe ontdekkingen worden gedaan en in
technologieën worden omgezet
- de schaal waarop deze nieuwe technologieën zich verspreiden en worden
toegepast;
- de veelheid van technische principes die in één technologie
worden verwerkt.
Dit dynamische karakter is mogelijk geworden door de specifieke verbinding van techniek en wetenschap. Dit dynamisch potentieel kon echter alleen maar worden gerealiseerd in een economisch stelsel waarin technologische vernieuwing een van de meest cruciale voorwaarden is geworden om economisch te kunnen overleven. Het hele proces heeft tussen twee gezichten: de verwetenschappelijking van de industrie gaat hand in hand met de industrialisering van de wetenschap. Steeds meer wetenschappelijk onderzoek wordt bedreven in industriële of semi-industriële laboratoria en wordt georganiseerd volgens principes die aan de industriële produktie-organisaties zijn ontleend.
Figuur 2.4 Het technologieproces
"De uitvoering van het genetisch onderzoek is in Nederland voorbeeldig
geregeld, maar de introductie van nieuwe technieken niet. Daar is geen goed forum voor. Het ontbreekt ons ook aan de politieke moed om grenzen te stellen aan toepassingen. Het is bijna onmogelijk om nieuwe technologieën tegen te houden, ook zogenoemde halfwastechnologieën die nog niet klaar zijn en eigenlijk een onvoldoende antwoord op een probleem bieden" [Galjaard, De
Groene 3.4.95].
De moderne technische ontwikkeling heeft een verzelfstandigd karakter gekregen dat slechts één criterium kent: technische perfectie, en slechts één rationaliteit: de technische doel-middel rationaliteit. Ook de voor-moderne techniek kende dit criterium en deze rationaliteit, maar zij waren ingebed in en beperkt door een sociale omgeving waarin andere criteria en rationaliteiten golden. Wat men produceerde, hoeveel men produceerde en op welke wijze en met welke middelen men dat deed was bijv. in het gildewezen aan
strenge normatieve regels onderworpen.
Het wegvallen van deze normatieve inbedding heeft het mogelijk gemaakt dat de doel-middel rationaliteit op hol is geslagen en diverse irrationaliteiten voortbrengt. Deze irrationaliteiten komen het scherpst tot uiting in de contra-produktiviteit van veel van onze - technisch perfecte - technische systemen en in de destructivitiet van onze - eveneens technisch perfecte - kerntechnologie waarmee we elkaar in oorlogssituaties kunnen vernietigen, of vreedzaam kunnen vergiftigen. Het verzelfstandigde karakter van de technologische ontwikkeling komt verder tot uitdrukking in de ongehoorde moeizaamheid waarmee wetgeving tot stand komt die men kan gebruiken om deze ontwikkeling te sturen.
Zoals gezegd bezit de moderne techniek een risicokarakter dat onvergelijkbaar is met de voor-moderne techniek. Dit is het gevolg van de algemene regel: in die mate dat onze technische vermogens toenemen kunnen wij ook grotere fouten maken. Wie zich ooit actief met technologische innovatie heeft beziggehouden weet dat er altijd risico's zijn. Het is altijd een soort weddenschap omdat men alle gevolgen van iets nieuws nooit van te voren kan voorspellen. De inzet van die weddenschap is echter veel en veel groter geworden. Dit heeft verschillende redenen:
- de schaal waarop en het tempo waarin de moderne techniek wordt toegepast.
- het cumulatieve karakter van de gevolgen van uiteenlopende technologieën.
- het verschijnsel dat deze gevolgen vaak pas na lange tijd zichtbaar worden.
- en - last but not least - het verschijnsel dat de gevolgen (wanneer ze zichtbaar zijn) onomkeerbaar zijn geworden.
De algemene conclusie is deze: omdat de inzet van de technologische weddenschap zo hoog is staan wij voor vragen die nieuw zijn - en die dus niet met oude interpretatiekaders beantwoord kunnen worden. De cruciale vraag die hier uit voortvloeit luidt: kunnen we deze weddenschap ethisch verantwoorden, of moeten we naar vormen zoeken waarin deze weddenschap politiek gereguleerd en normatief ingebed kan worden?
Automatisering kan zeer uiteenlopende vormen aannemen: star (mechanisch vastgelegd in de constructie van machines en de koppeling daarvan) of flexibel (vrij programmeerbaar).
- Starre automatisering in de massaproduktie wordt vervangen door flexibele automatisering mbv op micro-elektronica gebaseerde technologieën (bijv. in automobielindustrie)
- Flexibele automatisering van gemechaniseerde serieproduktie (bijv. in machinebouw)
- Automatiseren informatieverwerkende processen (rekenkundige bewerkingen van gegevensbestanden). bijv in administratie.
- Automatiseren van probleemoplossingsprocessen: bijv. in
expertsystemen.
De vormen van automatisering worden zowel binnen procesdelen toegepast als gebruikt om de procesdelen te integreren [Brödner 1985].
II. Technologie als probleem
Index
IV. Technologisch determinisme