Techniek - Arbeid - Organisatie
Albert Benschop
Afdeling Sociologie
Universiteit van Amsterdam
Inleiding
"De technologie onthult het actieve handelen van de mens ten opzichte van de
natuur, onthult het directe produktieproces van zijn leven en daardoor ook zijn
maatschappelijke levensomstandigheden en de geestelijke voorstellingen, die hij
zich hierbij maakt. Zelfs iedere godsdienstgeschiedenis, die van deze
materiële basis abstraheert, is niet kritisch" [Marx, MEW 23: 393 ; vert.
275].
Actualiteit
Automatisering is een hot topic. Ook bij sociale
wetenschappers is de laatste jaren een toenemende aandacht voor de voorwaarden,
vormen en gevolgen van automatiserings- en informatiseringsprocessen. Maar zij
interpreteren dit thema op zeer uiteenlopende en tegenstrijdige manieren.
Sommige onderzoekers zijn gefascineerd door de wonderbaarlijke werkingen van
moderne micro-elektronica en leven zich uit in het lanceren van uiterst
speculatieve toekomstvoorspellingen.
- De derde industriële revolutie zou een einde maken aan de
traditionele 'arbeidsmaatschappij' die binnen de enkele jaren vervangen zou
worden door een volledig nieuw type 'informatiemaatschappij'.
- De micro-elektronische revolutie zou tot een zodanige omwenteling van
traditionele vormen van arbeidsdeling leiden dat niet allen het 'einde van de
monotone arbeid', maar zelfs het 'einde van de arbeidsdeling' - en misschien
ook wel van 'de arbeid als zodanig' - in zicht komt.
- We zouden rechtstreeks afstevenen op een maatschappij waarin een ongekend
hoog niveau van materiële welvaart gecombineerd wordt met minimale sociale
ongelijkheden. Een maatschappij waarin de computers het werk verrichten,
terwijl de mensen genieten van hun vrije tijd - een gouden tijdperk van een
geautomatiseerde vrije-tijdsmaatschappij.
|
De ironie is "that technologies which are seen as representing freedom of choice for the consumer come to embody forms of control and constraint for the worker" [Scarbrough/Corbett 1992:35]. Een voorbeeld hiervan is de autotelefoon: voor particuliere consumenten biedt zij tal van nieuwe mogelijkheden, voor veel beroepsmatige autorijders betekent zij echter dat reistijd in auto's wordt veranderd in produktieve tijd [Wallace 1989: 366].
|
Wetenschap en techniek vervullen nog steeds een dubbelrol. In de ene rol bieden zij een uitzicht op vrijheid, op vooruitgang en positieve ontwikkelingen. In de andere rol bieden zij een uitzicht op knechtschap, op vernietiging van natuur en milieu en onbeheersbaarheid der ontwikkelingen.
Het is het beeld van de hydra die in elke verdere vooruitgang van de technische
beheersing schuil gaat. De 'ironie van de automatisering' (Bainbridge) is dat
zij zowel grotere vrijheid als vergaande knechtschap mogelijk maakt en dat zij
dus zowel in het perspectief van emancipatie als van beheersing benaderd kan
worden. Dat resulteert in tegenstrijdige verwachtingen en in contrasterende
toekomstbeelden.
Vragen
Volgens een oude paradox is voorpellen een hachelijke zaak,
vooral als het de toekomst betreft. Het extrapoleren van ontwikkelingstendensen
is echter vooral moeilijk als men nog maar aan het begin staat van een nieuwe
ontwikkeling. De micro-elektronische revolutie verkeert in zekere zin nog in
haar lanceringsfase ('lift off'). Toch hebben we al een kwart eeuw
de tijd gehad om te observeren welke nieuwe produktie- en organisatievormen zich in het voetspoor van deze technologische omtwentelingen hebben aangediend. We zouden dus inmiddels in staat moeten zijn een meer gedifferentieerd antwoord te geven op de volgende zeven vragen:
- Worden de actuele ontwikkelingen beheerst door de push van
wetenschap en technologie of de pull van de samenleving? De discussie
over determinanten van technische verandering in geïndustrialiseerde
landen was lange tijd gesplitst in twee kampen: technology-push versus
demand-pull. Volgens de aanhangers van de technoloy-push heeft de technologie
een eigen logica en autonome dynamiek en oefenen wetenschap en technologie een
toenemend sterke invloed op innovatieprocessen. Volgens de aanhangers van de
demand-pull daarentegen bepalen de markt en andere economische en sociale
invloeden primair de schaal, de snelheid en de richting van inventie- en
innovatie-activiteiten, en soms zelfs van de wetenschap zelf. Zie voor 'demand-pull' en 'technology-push' theorieën: Freeman [1987 - The Case for Technological Determinism].
- Wat is het relatieve belang van verschillen in culturele en politieke
instituties voor de ontwikkeling en implementatie van nieuwe
technologieën? Spelen zij een centrole rol - zoals de institutionalisten
beweren - of juist niet, zoals de technologisch deterministen beweren?
- Hoe heeft de micro-elektronische revolutie ingegrepen op patronen van
arbeidsdeling? We weten dat sommige taken verdwijnen (omdat ze door machines
worden overgenomen), dat er nieuwe taken ontstaan en dat sommige taken van
karakter veranderen. Alle drie deze verschuivingen manifesteren zich op de
arbeidsmarkt. Maar welke globale effecten dit zal hebben op de kwalitatieve
structuur van de werkgelegenheid is niet duidelijk. Leidt dit tot een
degradatie, tot regradatie of tot polarisatie? Wordt de exterme arbeidsdeling
teruggedrongen of misschien zelf opgeheven, of wordt zij op een ander niveau
gereproduceerd of misschiens zelfs versterkt?
- Hoe heeft zij produktie- en distributiestructuren gewijzigd? Is er meer of
juist minder inkomensongelijkheid?
- Welke veranderingen heeft zij gegenereerd in de vormen van
arbeidsorganisatie? Leidt zij tot meer of minder controle van bovenaf of biedt
zij juist nieuwe mogelijkeden voor controle van onderaf? Vergroten de huidige
technologische ontwikkelingen de kansen van beheersing en controle of juist van
emancipatie?
- Hoe heeft zij de ontwikkeling van sociale structuren en maatschappelijke
instituties beïnvloed?
- Welke mogelijkheden zijn er om bij de reorganisatie van onze instituties
te steunen op 'modellen' die in andere landen bestaan?
What's new?
Sinds het einde van de jaren '70 is er onderzoek gedaan naar
voorwaarden en vormen van opkomende neo-industriële
produktiepatronen en nieuwe ondernemingsvormen. Het
gemeenschappelijk kenmerk van de nieuwe ondernemingen was dat zij in staat
waren superieure concurrentieposities op de wereldmarkt te veroveren (a)
door een verfijnde toepassing van nieuwe produktie- en
informatietechnologieën op micro-elektronische grondslag, (b) door het
aanbieden een gediversifieerd produktenpakket, en (c) door het volgen van
marktstrategieën die niet zozeer waren gericht op prijsconcurrentie, maar
op kwaliteitsconcurrentie. Bovendien wisten de nieuwe ondernemingen hun
geavanceerde marktpositie te combineren met hoge lonen voor gekwalificeerde
arbeidskrachten en een flexibele, niet-tayloristische arbeidsorganisatie.
Het werd al snel duidelijk dat er op het gebied van de industriële
sociale structuren en arbeidsvormen 'iets nieuws' aan het ontstaan was. Maar
wat? Daarover liepen en lopen de meningen uiteen.
- Er zijn tekenen dat we aan het 'einde van de industriële
massaproduktie' [Poire/Sabel 1984] staan. Maar betekent dit ook dat we op weg
zijn naar een 'post-industriële samenleving' [Jaikumur 1986].
|
Einde van arbeidsdeling?
De centrale stelling van Kern/Schumann is dat de ontwikkeling van de produktiekrachten op een punt is aangekomen waarvanaf een verdere toename van de efficiëntie alleen nog bereikt kan worden wanneer de arbeidsdeling weer stapsgewijs wordt teruggedrongen. "The end of the division of labour: that is what development in an important part of industrial production could lead to under the influence of the new production concepts"
[Kern/Schumann 1987: 163].
|
- Er zijn tekenen dat we aan het 'einde van de tayloristische
arbeidsorganisatie' staan. Maar betekent dit nu ook dat het 'einde van de
arbeidsdeling' in het verschiet ligt [Schumann 1986; Kern/Schumann 1984].[3]
- Er tekenen zich dus zowel nieuwe produktiestructuren als nieuwe vormen van
arbeidsorganisatie af. Maar hoe zullen die produktiestructuren eruit zien en
hoe moeten we deze benoemen?
Voor de nieuwe produktiepatronen werden zeer
uiteenlopende namen gesuggereerd. Auteurs die zich zich fixeerden op de nieuwe
technologieën lanceerden een serie adjectieven die nog steeds populair
zijn: 'high tech'-produktie, 'op kennis gebaseerde produktie' of
'post-industriële produktie'. Andere auteurs probeerden de nieuwe
produktiestructuren te vangen in termen als 'flexibele specialisatie'
(Piore/Sabel), 'nieuwe produktieconcepten' (Kern/Schumann), 'gediversifieerde
kwaliteitsproduktie' (Streeck/Sorge) of 'slanke produktie'.
Veel studies
Er verschijnen steeds meer empirische studies over de
gevolgen van de invoering van op micro-elektronica gebaseerde
technologieën. Daarin wordt onder andere in kaart gebracht wat de gevolgen
zijn voor:
- de patronen van arbeidsdeling,
- de produktie- en arbeidsorganisatie,
- de kwaliteit van de arbeid,
- de arbeidspolitiek in de bedrijven en instellingen,
- de collectieve arbeidsverhoudingen.
Het zal niemand verbazen dat de resultaten van deze studies sterk uiteenlopen. Dat is niet alleen een gevolg van de verschillende normatief-politieke en analytisch-methodolodische perspectieven waarvanuit deze studies worden opgezet en waarmee de resultaten worden geïnterpreteerd. Het is ook een gevolg van disciplinaire fragmentatie in de aanpak waardoor telkens slechte enkele aspecten van het hele complex worden uitvergroot terwijl andere aspecten onderbelicht blijven.
Tenslotte wordt de diversiteit van onderzoeksresultaten mede bepaald door de
daadwerkelijke complexiteit van het thema techniek-arbeid-organisatie.
Protheorie van techniek-arbeid-organisatie
Het probleem is dat er geen
meer omvattend protheoretisch interpretatiekader bestaat waarmee we (a)
de basisbegrippen die in theorievorming en onderzoek worden gebruikt kunnen
verduidelijken en definiëren, en waarmee we (b) het hele onderzoeksveld
van de relatie tussen techniek-arbeid-organisatie op een overzichtelijke en
gedifferentieerde wijze kunnen structureren.
Als er uit de studies over nieuwe ondernemingsvormen een ding duidelijk is
geworden dan is het wel dat veel gehanteerde basisbegrippen zoals
'produktiestructuur' en 'arbeidsorganisatie' zeer slecht zijn afgebakend en dat
er mede daardoor zoveel taalkundige ekwivalenten voor in omloop zijn. Het
gevolg hiervan is dat onderzoekers elkaar vaak niet goed begrijpen omdat zij
met hetzelfde woord iets heel anders bedoelen, of omdat zij juist verschillende
woorden voor hetzelfde gebruiken. Met slecht afgebakende basisbegrippen is het
bovendien zeer moeilijk om theoretische verklaringsmodellen te construeren
waarin de logische relaties tussen begrippen worden geëpliciteerd en
waarin causale of structureringsrelaties tussen de essentiële factoren of
processen worden gehypothetiseerd.
Voor het ontwerpen van goede heuristische modellen is een duidelijke en
gedifferentieerde probleemstructurering nodig. Bij
probleemstructurering gaat het erom een zo duidelijk mogelijk onderscheid te
maken tussen de analytische niveaus waarop de problemen onderzocht
kunnen worden. Hierdoor krijgt men beter zich op de factoren en processen die
relevant zijn voor verklaringen van (veranderingen) in de vormen technische,
produktie- en arbeidsstructuren. Bij het uit elkaar halen van analytische
niveaus spelen natuurlijk ook theoretische overwegingen een rol. Een goede
probleemstructurering vereist dat men deze theoretische overwegingen noties
expliciet maakt en dat men ze ook aannemelijk maakt. Probleemstructureringen
zijn dus wel degelijk theoretisch geladen, maar zij leggen geen (verklarende)
theorieën vast. Zij bieden echter wel een aantal criteria om 'echte'
theorieën te beoordelen. Probleemstructureringen kunnen in dit opzicht
twee functies vervullen: als steiger en als opzichter.
- Enerzijds functioneert een probleemstructurering als een soort
steiger waaraan men verschillende theorieën kan ophangen: zij biedt
een raamwerk waarbinnen men theorieën kan ontwerpen en waarmee men
bestaande theorieën kan beoordelen op hun complexiteit en reikwijdte. Met
behulp van een goede probleemstructurering kan men bijvoorbeeld de blinde
vlekken laten zien in organisationele theorieën die zich volledig
concentreren op bedrijfsinterne vormen van arbeidsdeling en -coördinatie,
maar die geen oog hebben voor de - daaraan in structureel opzicht
veronderstelde - maatschappelijke vormen van arbeidsdeling en de op dit niveau
gesitueerde instituties (zoals arbeidsmarkten). Een bekend voorbeeld hiervan is
de socio-technische benadering.
- Anderzijds functioneert een probleemstructurering als een soort
opzichter die theorieën onder druk zet om expliciete onderbouwingen
te geven: zij biedt een kader waarmee men kan achterhalen wat de theoretische
premissen zijn van de verschillende verklaringsmodellen. In theorieën over
de samehang tussen techniek, arbeid en organisatie wordt vaak uitgegaan van het
- functionele, structurele of historisch-causale - primaat van specifieke
factoren of factorenbundels. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de
technologisch deterministische theorieën wordt uitgegaan van het primaat
van de wetenschappelijke en technische innovaties. Technische ontwikkelingen
zouden zich volledig autonoom voltrekken: zij volgen hun eigen, principieel
niet te beïnvloeden logica. De technologie die in de produktie wordt
ingezet zou bovendien bepalend zijn voor de arbeidsorganisatie en dus ook voor
kwalificatie-eisen die aan arbeiders worden gesteld. In voluntaristische
theorieën wordt de zaak op z'n kop gezet: de handelingsstrategieën
van werkgevers en werknemers worden als autonome factoren beschouwd die in
wisselwerking met elkaar resulteren in bepaalde vormen of typen van
arbeidsorganisaties. Arbeids- en organisatiestructuren verschijnen in dit soort
verklaringsmodellen altijd slechts als resultaat, maar nooit als
vooronderstelling van de feitelijke handelingsstrategieën van actoren. Een
protheoretische probleemstructurering stelt ons in staat om deze vaak
impliciete premissen expliciet te maken. Met een goede probleemstructurering
kan men dus laten zien op welke punten er theoretische beslissingen worden
genomen en wat hiervoor de argumenten zijn. Op deze manier kunnen we niet
alleen ondeugdelijke theoretische fundamenten kritiseren of reviseren, maar
kunnen we ook proberen om zwakke theoretische fundamenten te versterken of om
de geldigheidsclaims van theorieën te beperken.
Bescheidenheid van doel
Er is al eerder aangetoond dat pro-theorieën deze functies alleen maar kunnen vervullen op basis van een tamelijk vergaande analytische differentiatie en desaggregatie van het probleemveld [Bader/Benschop 1988; Bader 1991; Benschop 1993, 1994]. Deze studie heeft slechts een bescheiden doel. Er wordt geen nieuwe allesomvatende en verklarende theorie gepresenteerd van de samenhang tussen techniek, arbeid en organisatie; wel wordt er uitvoerig ingegaan op het bestaande
theorie-aanbod. Er wordt geen historisch of vergelijkend empirisch onderzoek
gepresenteerd waarin de ontwikkelingen produktie- en arbeidsorganisaties in
kaart worden gebracht; wel wordt er gebruikt gemaakt van een aantal empirische
onderzoeksresultaten. Het is veeleer een systematische terreinverkenning. Die
verkenning is gericht op de constructie van een protheoretisch referentiekader.
Zo'n onderneming is pas succesvol wanneer de contouren van zo'n protheorie
helder naar voren komen.
De voorgestelde protheoretische strategie (van afbakening van basisbegrippen en
desaggregatie van probleemcomplexen) is zeker niet de enige methode om onze
inzichten in de veranderende wereld van techniek-arbeid-organisatie te
verdiepen. Het is zeker ook geen verhulde vorm van imperialisme in de
wetenschapspolitiek. Een protheorie kan - gelukkig - niet voorschrijven hoe
anderen moeten denken: zij schrijft niet voor welke specifieke begrippen er
gebruikt moeten worden, hoe men theorieën moet construeren of welk
empirisch onderzoek met moet doen. Theorieën en hypothesen voor empirisch
onderzoek zijn immers op een ander abstractieniveau geformuleerd dan
protheorieën. Protheorieën staat niet 'boven' theorieën zoals
schoolmeester boven hun leerlingen staan. Zij zijn een belangrijk onderdeel van
het proces van wetenschappelijke theorievorming en derhalve net als andere
onderdelen - theorieën, deeltheorieën, hypothesen, taxonomieën,
classificaties - principieel feilbaar. Ook protheorieën kunnen dus 'beter'
of 'slechter' zijn omdat zij zelf beoordeeld kunnen worden op het criterium van
consistentie, niveaudifferentiatie, analytische differentiatie en precisie. Zij
zouden vooral ook beoordeeld kunnen worden op de manier waarop zij complexe
samenhangen op een niet-reductionistische en toch overzichtelijke wijze
toegankelijk maken.
Van de hier beoogde protheorie van techniek-arbeid-organisatie kan men niet
zeggen dat ze 'waar' of 'onwaar' is. Men kan wel zeggen dat ze meer of minder
zinvol of vruchtbaar is en hoe groot haar heuristische kracht is.
Index
I. Uitgangspunten