TAO Program Onderwerpen Samenleven Home Zoek Contact

Techniek - Arbeid - Organisatie

Albert Benschop
Afdeling Sociologie
Universiteit van Amsterdam

Inleiding

  1. Actualiteit
  2. Vragen
  3. What's new?
  4. Vragen
  5. Veel studies
  6. Protheorie
  7. Bescheiden doel
Index     I. Uitgangspunten


Actualiteit
Automatisering is een hot topic. Ook bij sociale wetenschappers is de laatste jaren een toenemende aandacht voor de voorwaarden, vormen en gevolgen van automatiserings- en informatiseringsprocessen. Maar zij interpreteren dit thema op zeer uiteenlopende en tegenstrijdige manieren. Sommige onderzoekers zijn gefascineerd door de wonderbaarlijke werkingen van moderne micro-elektronica en leven zich uit in het lanceren van uiterst speculatieve toekomstvoorspellingen.

De ironie is "that technologies which are seen as representing freedom of choice for the consumer come to embody forms of control and constraint for the worker" [Scarbrough/Corbett 1992:35]. Een voorbeeld hiervan is de autotelefoon: voor particuliere consumenten biedt zij tal van nieuwe mogelijkheden, voor veel beroepsmatige autorijders betekent zij echter dat reistijd in auto's wordt veranderd in produktieve tijd [Wallace 1989: 366].
Wetenschap en techniek vervullen nog steeds een dubbelrol. In de ene rol bieden zij een uitzicht op vrijheid, op vooruitgang en positieve ontwikkelingen. In de andere rol bieden zij een uitzicht op knechtschap, op vernietiging van natuur en milieu en onbeheersbaarheid der ontwikkelingen. Het is het beeld van de hydra die in elke verdere vooruitgang van de technische beheersing schuil gaat. De 'ironie van de automatisering' (Bainbridge) is dat zij zowel grotere vrijheid als vergaande knechtschap mogelijk maakt en dat zij dus zowel in het perspectief van emancipatie als van beheersing benaderd kan worden. Dat resulteert in tegenstrijdige verwachtingen en in contrasterende toekomstbeelden.

top


Vragen
Volgens een oude paradox is voorpellen een hachelijke zaak, vooral als het de toekomst betreft. Het extrapoleren van ontwikkelingstendensen is echter vooral moeilijk als men nog maar aan het begin staat van een nieuwe ontwikkeling. De micro-elektronische revolutie verkeert in zekere zin nog in haar lanceringsfase ('lift off'). Toch hebben we al een kwart eeuw de tijd gehad om te observeren welke nieuwe produktie- en organisatievormen zich in het voetspoor van deze technologische omtwentelingen hebben aangediend. We zouden dus inmiddels in staat moeten zijn een meer gedifferentieerd antwoord te geven op de volgende zeven vragen:

  1. Worden de actuele ontwikkelingen beheerst door de push van wetenschap en technologie of de pull van de samenleving? De discussie over determinanten van technische verandering in geïndustrialiseerde landen was lange tijd gesplitst in twee kampen: technology-push versus demand-pull. Volgens de aanhangers van de technoloy-push heeft de technologie een eigen logica en autonome dynamiek en oefenen wetenschap en technologie een toenemend sterke invloed op innovatieprocessen. Volgens de aanhangers van de demand-pull daarentegen bepalen de markt en andere economische en sociale invloeden primair de schaal, de snelheid en de richting van inventie- en innovatie-activiteiten, en soms zelfs van de wetenschap zelf. Zie voor 'demand-pull' en 'technology-push' theorieën: Freeman [1987 - The Case for Technological Determinism].

  2. Wat is het relatieve belang van verschillen in culturele en politieke instituties voor de ontwikkeling en implementatie van nieuwe technologieën? Spelen zij een centrole rol - zoals de institutionalisten beweren - of juist niet, zoals de technologisch deterministen beweren?

  3. Hoe heeft de micro-elektronische revolutie ingegrepen op patronen van arbeidsdeling? We weten dat sommige taken verdwijnen (omdat ze door machines worden overgenomen), dat er nieuwe taken ontstaan en dat sommige taken van karakter veranderen. Alle drie deze verschuivingen manifesteren zich op de arbeidsmarkt. Maar welke globale effecten dit zal hebben op de kwalitatieve structuur van de werkgelegenheid is niet duidelijk. Leidt dit tot een degradatie, tot regradatie of tot polarisatie? Wordt de exterme arbeidsdeling teruggedrongen of misschien zelf opgeheven, of wordt zij op een ander niveau gereproduceerd of misschiens zelfs versterkt?

  4. Hoe heeft zij produktie- en distributiestructuren gewijzigd? Is er meer of juist minder inkomensongelijkheid?

  5. Welke veranderingen heeft zij gegenereerd in de vormen van arbeidsorganisatie? Leidt zij tot meer of minder controle van bovenaf of biedt zij juist nieuwe mogelijkeden voor controle van onderaf? Vergroten de huidige technologische ontwikkelingen de kansen van beheersing en controle of juist van emancipatie?

  6. Hoe heeft zij de ontwikkeling van sociale structuren en maatschappelijke instituties beïnvloed?

  7. Welke mogelijkheden zijn er om bij de reorganisatie van onze instituties te steunen op 'modellen' die in andere landen bestaan?

top


What's new?
Sinds het einde van de jaren '70 is er onderzoek gedaan naar voorwaarden en vormen van opkomende neo-industriële produktiepatronen en nieuwe ondernemingsvormen. Het gemeenschappelijk kenmerk van de nieuwe ondernemingen was dat zij in staat waren superieure concurrentieposities op de wereldmarkt te veroveren (a) door een verfijnde toepassing van nieuwe produktie- en informatietechnologieën op micro-elektronische grondslag, (b) door het aanbieden een gediversifieerd produktenpakket, en (c) door het volgen van marktstrategieën die niet zozeer waren gericht op prijsconcurrentie, maar op kwaliteitsconcurrentie. Bovendien wisten de nieuwe ondernemingen hun geavanceerde marktpositie te combineren met hoge lonen voor gekwalificeerde arbeidskrachten en een flexibele, niet-tayloristische arbeidsorganisatie.

Het werd al snel duidelijk dat er op het gebied van de industriële sociale structuren en arbeidsvormen 'iets nieuws' aan het ontstaan was. Maar wat? Daarover liepen en lopen de meningen uiteen.

Voor de nieuwe produktiepatronen werden zeer uiteenlopende namen gesuggereerd. Auteurs die zich zich fixeerden op de nieuwe technologieën lanceerden een serie adjectieven die nog steeds populair zijn: 'high tech'-produktie, 'op kennis gebaseerde produktie' of 'post-industriële produktie'. Andere auteurs probeerden de nieuwe produktiestructuren te vangen in termen als 'flexibele specialisatie' (Piore/Sabel), 'nieuwe produktieconcepten' (Kern/Schumann), 'gediversifieerde kwaliteitsproduktie' (Streeck/Sorge) of 'slanke produktie'.

top


Veel studies
Er verschijnen steeds meer empirische studies over de gevolgen van de invoering van op micro-elektronica gebaseerde technologieën. Daarin wordt onder andere in kaart gebracht wat de gevolgen zijn voor:

Het zal niemand verbazen dat de resultaten van deze studies sterk uiteenlopen. Dat is niet alleen een gevolg van de verschillende normatief-politieke en analytisch-methodolodische perspectieven waarvanuit deze studies worden opgezet en waarmee de resultaten worden geïnterpreteerd. Het is ook een gevolg van disciplinaire fragmentatie in de aanpak waardoor telkens slechte enkele aspecten van het hele complex worden uitvergroot terwijl andere aspecten onderbelicht blijven. Tenslotte wordt de diversiteit van onderzoeksresultaten mede bepaald door de daadwerkelijke complexiteit van het thema techniek-arbeid-organisatie.

top


Protheorie van techniek-arbeid-organisatie
Het probleem is dat er geen meer omvattend protheoretisch interpretatiekader bestaat waarmee we (a) de basisbegrippen die in theorievorming en onderzoek worden gebruikt kunnen verduidelijken en definiëren, en waarmee we (b) het hele onderzoeksveld van de relatie tussen techniek-arbeid-organisatie op een overzichtelijke en gedifferentieerde wijze kunnen structureren.

Als er uit de studies over nieuwe ondernemingsvormen een ding duidelijk is geworden dan is het wel dat veel gehanteerde basisbegrippen zoals 'produktiestructuur' en 'arbeidsorganisatie' zeer slecht zijn afgebakend en dat er mede daardoor zoveel taalkundige ekwivalenten voor in omloop zijn. Het gevolg hiervan is dat onderzoekers elkaar vaak niet goed begrijpen omdat zij met hetzelfde woord iets heel anders bedoelen, of omdat zij juist verschillende woorden voor hetzelfde gebruiken. Met slecht afgebakende basisbegrippen is het bovendien zeer moeilijk om theoretische verklaringsmodellen te construeren waarin de logische relaties tussen begrippen worden geëpliciteerd en waarin causale of structureringsrelaties tussen de essentiële factoren of processen worden gehypothetiseerd.

Voor het ontwerpen van goede heuristische modellen is een duidelijke en gedifferentieerde probleemstructurering nodig. Bij probleemstructurering gaat het erom een zo duidelijk mogelijk onderscheid te maken tussen de analytische niveaus waarop de problemen onderzocht kunnen worden. Hierdoor krijgt men beter zich op de factoren en processen die relevant zijn voor verklaringen van (veranderingen) in de vormen technische, produktie- en arbeidsstructuren. Bij het uit elkaar halen van analytische niveaus spelen natuurlijk ook theoretische overwegingen een rol. Een goede probleemstructurering vereist dat men deze theoretische overwegingen noties expliciet maakt en dat men ze ook aannemelijk maakt. Probleemstructureringen zijn dus wel degelijk theoretisch geladen, maar zij leggen geen (verklarende) theorieën vast. Zij bieden echter wel een aantal criteria om 'echte' theorieën te beoordelen. Probleemstructureringen kunnen in dit opzicht twee functies vervullen: als steiger en als opzichter.

  1. Enerzijds functioneert een probleemstructurering als een soort steiger waaraan men verschillende theorieën kan ophangen: zij biedt een raamwerk waarbinnen men theorieën kan ontwerpen en waarmee men bestaande theorieën kan beoordelen op hun complexiteit en reikwijdte. Met behulp van een goede probleemstructurering kan men bijvoorbeeld de blinde vlekken laten zien in organisationele theorieën die zich volledig concentreren op bedrijfsinterne vormen van arbeidsdeling en -coördinatie, maar die geen oog hebben voor de - daaraan in structureel opzicht veronderstelde - maatschappelijke vormen van arbeidsdeling en de op dit niveau gesitueerde instituties (zoals arbeidsmarkten). Een bekend voorbeeld hiervan is de socio-technische benadering.

  2. Anderzijds functioneert een probleemstructurering als een soort opzichter die theorieën onder druk zet om expliciete onderbouwingen te geven: zij biedt een kader waarmee men kan achterhalen wat de theoretische premissen zijn van de verschillende verklaringsmodellen. In theorieën over de samehang tussen techniek, arbeid en organisatie wordt vaak uitgegaan van het - functionele, structurele of historisch-causale - primaat van specifieke factoren of factorenbundels. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de technologisch deterministische theorieën wordt uitgegaan van het primaat van de wetenschappelijke en technische innovaties. Technische ontwikkelingen zouden zich volledig autonoom voltrekken: zij volgen hun eigen, principieel niet te beïnvloeden logica. De technologie die in de produktie wordt ingezet zou bovendien bepalend zijn voor de arbeidsorganisatie en dus ook voor kwalificatie-eisen die aan arbeiders worden gesteld. In voluntaristische theorieën wordt de zaak op z'n kop gezet: de handelingsstrategieën van werkgevers en werknemers worden als autonome factoren beschouwd die in wisselwerking met elkaar resulteren in bepaalde vormen of typen van arbeidsorganisaties. Arbeids- en organisatiestructuren verschijnen in dit soort verklaringsmodellen altijd slechts als resultaat, maar nooit als vooronderstelling van de feitelijke handelingsstrategieën van actoren. Een protheoretische probleemstructurering stelt ons in staat om deze vaak impliciete premissen expliciet te maken. Met een goede probleemstructurering kan men dus laten zien op welke punten er theoretische beslissingen worden genomen en wat hiervoor de argumenten zijn. Op deze manier kunnen we niet alleen ondeugdelijke theoretische fundamenten kritiseren of reviseren, maar kunnen we ook proberen om zwakke theoretische fundamenten te versterken of om de geldigheidsclaims van theorieën te beperken.

top


Bescheidenheid van doel
Er is al eerder aangetoond dat pro-theorieën deze functies alleen maar kunnen vervullen op basis van een tamelijk vergaande analytische differentiatie en desaggregatie van het probleemveld [Bader/Benschop 1988; Bader 1991; Benschop 1993, 1994]. Deze studie heeft slechts een bescheiden doel. Er wordt geen nieuwe allesomvatende en verklarende theorie gepresenteerd van de samenhang tussen techniek, arbeid en organisatie; wel wordt er uitvoerig ingegaan op het bestaande theorie-aanbod. Er wordt geen historisch of vergelijkend empirisch onderzoek gepresenteerd waarin de ontwikkelingen produktie- en arbeidsorganisaties in kaart worden gebracht; wel wordt er gebruikt gemaakt van een aantal empirische onderzoeksresultaten. Het is veeleer een systematische terreinverkenning. Die verkenning is gericht op de constructie van een protheoretisch referentiekader. Zo'n onderneming is pas succesvol wanneer de contouren van zo'n protheorie helder naar voren komen.

De voorgestelde protheoretische strategie (van afbakening van basisbegrippen en desaggregatie van probleemcomplexen) is zeker niet de enige methode om onze inzichten in de veranderende wereld van techniek-arbeid-organisatie te verdiepen. Het is zeker ook geen verhulde vorm van imperialisme in de wetenschapspolitiek. Een protheorie kan - gelukkig - niet voorschrijven hoe anderen moeten denken: zij schrijft niet voor welke specifieke begrippen er gebruikt moeten worden, hoe men theorieën moet construeren of welk empirisch onderzoek met moet doen. Theorieën en hypothesen voor empirisch onderzoek zijn immers op een ander abstractieniveau geformuleerd dan protheorieën. Protheorieën staat niet 'boven' theorieën zoals schoolmeester boven hun leerlingen staan. Zij zijn een belangrijk onderdeel van het proces van wetenschappelijke theorievorming en derhalve net als andere onderdelen - theorieën, deeltheorieën, hypothesen, taxonomieën, classificaties - principieel feilbaar. Ook protheorieën kunnen dus 'beter' of 'slechter' zijn omdat zij zelf beoordeeld kunnen worden op het criterium van consistentie, niveaudifferentiatie, analytische differentiatie en precisie. Zij zouden vooral ook beoordeeld kunnen worden op de manier waarop zij complexe samenhangen op een niet-reductionistische en toch overzichtelijke wijze toegankelijk maken.

Van de hier beoogde protheorie van techniek-arbeid-organisatie kan men niet zeggen dat ze 'waar' of 'onwaar' is. Men kan wel zeggen dat ze meer of minder zinvol of vruchtbaar is en hoe groot haar heuristische kracht is.

top


Index     I. Uitgangspunten