Organisatie & Beleid Onderzoek Sociologie in Amsterdam Home Subject Areas Commentaar

UvA Universiteit van Amsterdam
Vakgroep Sociologie
Sectie Organisatie en Beleid
oct. '97
Luuk Wijmans

FLEXIBILISERING VAN DE ARBEID EN SOCIALE COHESIE

  1. Inleiding

  2. Wat is flexibilisering?

  3. Flexibilisering als oud fenomeen

  4. Flexibiliserende verzorgingsstaat

  5. Arbo-wet

  6. Meer vrijheid door technologie?

  7. Flexibel consumeren

  8. Literatuur


1. INLEIDING

Arbeidssociologisch programma
Trends op het gebied van de arbeid worden heden ten dage zelden beschreven zonder verwijzing naar het fenomeen flexibiliteit of flexibilisering. Daarom is bij het formuleren van een onderzoekprogramma voor arbeidssociologie gekozen voor het begrip flexibilisering als het prisma waardoor historische, huidige en toekomstige ontwikkelingen op het gebied van de arbeid bekeken worden. Dit werkdocument beoogt een aanzet te zijn voor een dergelijk inhoudelijk kader, zodat afsudeerprojecten van studenten en werkzaamheden van onderzoekers van arbeidssociologie tot meer eenheid kunnen worden gesmeed.

Dit project probeert een antwoord te geven op de vraag waar het met werken naar toe gaat. Werken lijkt steeds minder zekerheden te bieden. De 'omgeving' is turbulenter geworden. Het verschijnsel flexibilisering wordt in het bredere kader geplaatst van de moderne welvaarts- of verzorgingsstaat. Hierbij wordt het thema van sociale cohesie dat zowel bij theoretici als practijkmensen in de belangstelling staat betrokken [Schuyt 1997: 15]. Door de flexibilisering van de arbeid in een dergelijk macro-kader te plaatsen, moet het mogelijk zijn om tot uitspraken te komen omtrent de huidige en toekomstige ontwikkeling van de arbeid en haar betekenis als (des)integrerende sociale factor.

Thema's
De problematiek komt hier aan de orde door het formuleren van vragen en thema's op het gebied van flexibilisering: Wat is flexibilisering? (2) , de omvang en betekenis van de verschillende vormen van flexibilisering (3), de relatie tussen flexibilisering en de aard van de verzorgingsstaat (4), de Arbo-wet als specimen van de verzorgingsstaat in een flexibiliserende omgeving (5), de effecten van de technologische ontwikkelingen op de arbeid(sverhoudingen (6), en de voor- en nadelen van flexibiliseringsvormen voor de consument (7).

Sociale kwestie
De hedendaagse politieke stromingen onderscheiden zich in oorsprong vooral van elkaar door hun standpunten over vraagstukken die te maken hebben met arbeid. Zij zijn voor het merendeel terug te voeren op sociale bewegingen rondom 'de sociale kwestie' van de 19e eeuw. Die sociale kwestie betrof de kwetsbare positie van een groot deel van de werknemers die tegelijkertijd tot de potentiële armen behoorden . Die sociale kwestie werd door iedere richting zo serieus genomen, omdat deze direct te maken had met het probleem van de (de)stabiliteit van de samenleving. De sociale cohesie was in gevaar. Door ontwikkelingen op het terrein van de arbeid met name werden de bindingen met ondernemingen en overheden ondermijnd.

Is er thans sprake van een ontwikkeling naar een nieuwe 'sociale kwestie'? We vragen ons af of er door de huidige verdeling van lasten en lusten van de arbeid een categorie aan het ontstaan is, die bij gebrek aan vast werk geen noemenswaardige binding heeft met een beroep of bedrijf. Voor langdurig werklozen is dit probleem al veel eerder gesignaleerd: werkloosheid en normvervaging worden in één adem genoemd [Godschalk 1986]. Aangenomen wordt dat normvervaging en marginalisering op de arbeidsmarkt verband met elkaar houden. Het gevoel er niet bij te horen wordt bevorderd door scherpe maatschappelijke scheidslijnen.

Traditioneel is er in het denken over maatschappelijke eenheid en integratie steeds een stroming waar te nemen die uitgaat van het uit elkaar groeien van groeperingen door een gepolariseerde arbeidsmarkt. In het moderne spraakgebruik heet dat "tweedeling". Het debat wordt thans vooral gevoerd onder de noemer 'sociale cohesie'. Het beeld van een samenleving die steeds minder een eenheid vormt, omdat top en bodem uit elkaar groeien is al eeuwenoud [Wijmans 1987].

Ten aanzien van de arbeidsmarkt wordt veelvuldig het begrip segmentatie gebezigd. Het zou steeds moeilijker worden van het ene deel van de arbeidsmarkt in het andere te geraken.

Het beeld van de tweedeling, in wetenschappelijke terminologie de dichotomisering,is altijd bijzonder aansprekend geweest. Het staat niet zonder meer voor de ontwikkeling van potentieel antagonistische groeperingen. Het staat thans voor de angst dat er een delen van de bevolking zijn, die op de arbeidsmarkt zo'n zwakke positie hebben, dat er van een geinternaliseerde binding met werk geen sprake is. Dit gebrek aan binding zou dan leiden tot een gevoel er niet bij te horen in veel algemenere zin. Kennelijk wordt werk nogal altijd gezien als fundamenteel integratiemechanisme [Een werkend perspectief 1990], dat het gezamenlijk delen van normen en waarden doet uitmonden in sociale saamhorigheid. Het probleem staat thans als 'sociale cohesie' op de agenda. Dit leidt tot de volgende vragen:

top

2. WAT IS FLEXIBILISERING?

Arbeid is de schakel in de keten van verschijnselen die met het verdelingsvraagstuk, dus met sociale ongelijkheid samenhangen. Nog altijd is de centrale betekenis van arbeid onaangetast. We leven niet in de fase van de post-industriële samenleving in die zin dat werken aan betekenis heeft ingeboet. Het einde van de arbeidsmaatschappij is vooralsnog nog niet in zicht. Er is geen verminderde behoefte aan werk.

Ook onder werklozen en arbeidsongeschikten heeft het arbeidsethos nauwelijks terrein verloren. De meeste mensen willen nog steeds met werken realiseren wat ze in hun leven wensen te bereiken. De binding met de samenleving en haar instituties loopt voor een belangrijk deel via het werk. De vraag is dan ook:

Actieve en passieve flexibiliteit
Flexibiliteit en flexibilisering zijn uiterst "zwangere' termen. Ze zijn veelomvattend en worden in vele verschillende contexten gebruikt. Flexibilisering is als begrip nauw verbonden met concepten als decentralisatie en individualisering. Regels, organisaties, produkten en diensten dienen op de maat van de individuele vraag te worden toegesneden in een wereld(markt) zonder grenzen (globalisering).

Als een maatschappijvorm (met name het arbeidsbestel) als flexibel wordt aangeduid of een organisatie dan wel een persoon, dan kan dat twee dingen inhouden. Die samenlevingsvorm, onderneming of individu kan zelf flexibel, buigzaam zijn ten opzichte van wat tegenwoordig vaak als 'de omgeving' wordt aangeduid. In deze zin wordt flexibiliteit ook wel 'responsiviteit' genoemd [Commissie SER 1987]. Hier betekent flexibiliteit soepel en adequaat ingaan op impulsen van buitenaf. Dit heet ook wel 'passieve' flexibilisering.

Tegenover dit conformeren aan veranderingen van buitenaf, staat actieve flexibilisering. Hier gaat het om het initiëren van veranderingen, om verruiming van kansen en mogelijkheden.

Niveaus
Flexibilisering vindt op verschillende niveaus plaats. Flexibilisering van nationale markten in de richting van internationale wordt als globalisering aangeduid.

Voorts wordt het begrip op nationale samenlevingen toegepast. Dan gaat het om een situatie waarin individuele burgers en instellingen vrij zijn om naar eigen inzicht te kiezen en te handelen. Aldus zijn zij ook verantwoordelijk voor hun eigen welzijn [De Haan cs: 20]. Flexibilisering betekent hier ongeveer hetzelfde als deregulering: het streven naar het afschaffen van formele en informele regels, die met name de marktwerking in de weg staan. Een dergelijke flexibiliseringsstrategie is vaak in anti-corporatistische termen verwoord.

De flexibiliteit van de arbeidsmarkt betreft de snelheid waarmee vraag, aanbod en prijzen op elkaars veranderingen reageren [De Haan ea: 7].

Verder is er de flexibiliteit van de organisatie. Het gaat hier om de aanpassing van de arbeidsorganisatie aan veranderende omstandigheden door verandering in de produktie-, organisatie- en personeelsstructuur.

Flexibel ondernemerschap
Hiermee is nauw verbonden het concept van dynamisch of flexibel ondernemerschap. Dit ondernemerschap wordt niet langer ingeperkt door allerlei regels en 'afgesloten' voor nieuwkomers door allerlei regels. Deregulering maakt de toegang tot het zelfstandig ondernemerschap gemakkelijker. Een zelfstandige economische positie wordt hiermee in een flexibeler samenleving een reëel alternatief voor loonarbeid.

Flexibiliteit van de arbeid
Flexibiliteit van de arbeid verwijst naar de mogelijkheid tot variatie in de inzet van arbeid, al naar gelang wijzigingen in de vraag naar goederen of diensten. Flexibilisering hangt vaak samen met het streven de arbeidskosten en de behoeften van de arbeidsorganisatie afhankelijk te maken van de bedrijfsdrukte en productieveranderingen. Vanuit het bedrijf gezien is flexibilisering het geheel van maatregelen ter vergroting van het aanpassingsvermogen van het bedrijf aan de veranderingen op de markt waarop de onderneming opereert.

Vormen van flexibilisering van de arbeid
Flexibilisering van de arbeid is een veelgebruikt begrip. Om te weten waarover we het precies hebben, maken we onderscheid tussen verschillende soorten flexibele arbeid. Een zeer algemeen gehanteerd onderscheid is dat tussen externe en interne flexibiliteit.

Bij externe flexibiliteit wordt aan de behoefte aan een variabele inzet van het personeel tegemoet gekomen door werknemers die niet tot de onderneming zelf behoren. Uitzendarbeid, thuiswerk, oproepkrachten, arbeidspools, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, detachering en advisering behoren tot deze externe flexibilisering.

Bij interne flexibiliteit gaat het om de inzet van het vaste personeelsbestand van de organisatie. Het betreft enerzijds multi-craft (inzetbaarheid in meerdere functies), functie-combinaties en functieroulatie. Bij deze laatste vorm van flexibilisering gaat het dus om flexibilisering van de arbeidstijd, door Breedveld [1995] aangeduid als 'gespreide tijden'. Anderzijds gaat het om deeltijd en variabele arbeidstijden.

Tevens wordt er een soortgelijk onderscheid gemaakt tussen numerieke en functionele flexibiliteit [De Haan cs: 56]. Ook bij numerieke flexibiliteit gaat het vooral om arbeidsvoorwaarden: de aard van de (contractuele) relatie van werkgever en werknemer. Bij functionele flexibiliteit gaat het vooral om de arbeidsinhoud. De mate van arbeidsdeling speelt daarbij een belangrijke rol.

We treffen enerzijds een zeer ruime opvatting van flexibele arbeid: alle arbeidspatronen buiten de baan van 9 tot 5. Anderzijds wordt flexibilisering beperkt tot arbeidsvormen die werkelijk de arbeidsorganisatie en het arbeidsleven in een situatie van continue verandering brengen.
Dat heeft natuurlijk consequenties voor de benoeming van een flexibele structuur.

top

3. FLEXIBILISERING ALS OUD FENOMEEN.

De neergang en opkomst van flexibilisering
Het is een merkwaardige weg: van flexibele arbeid via gereguleerde arbeid naar gereguleerde flexibele arbeid (of flexibele gereguleerde arbeid).
Aan de hand van de ontwikkeling om arbeid collectief te regelen na oorlogen en crises, typeren wij ideaaltypsche flexibele arbeid als overheersend patroon als pre-modern. Het moderne van allerlei flexibiliteitsvormen wordt niettemin in debatten en beleidsonderbouwingen benadrukt.

In het begin van de jaren tachtig stond flexibilisering van de arbeid in het teken van het streven naar herverdeling van de arbeid door flexibilisering van arbeidstijden. Afwijken van het patroon van negen tot vijf geeft werknemers de mogelijkheid om hun werk meer af te stemmen op hun persoonlijke behoeften. Daarbij gaat het vooral om vrouwen die door gezinstaken aan de kant moeten blijven.

In de loop van de jaren tachtig wordt de discussie over arbeidspatronen en herverdeling van arbeid omgebogen naar flexibilisering van de arbeid uit werkgeversoogpunt [Van Straten 1996]. De omslag in de machtsverhoudingen tussen de aanbodzijde en de vraagzijde van de arbeid maakt een dergelijke verandering mogelijk. Collectieve arbeidstijdverkorting, het streven van de werknemers en hun organisaties, moet bestreden worden door flexibilisering; het management wil versoepeling van regelingen van arbeidsvoorwaarden. Ontslagrecht, arbeidstijden en beloningen staan hierbij voorop.

Steeds wordt in de arbeidssociologie geconstateerd, dat er op het terrein van het werk "breukvlakken" te constateren zijn [Ter Hoeven, reeds in 1972], of dat de arbeidsverhoudingen "kantelen" [Reynaerts 1985]. Of de hedendaagse flexibilisering de arbeid, arbeidsverhoudingen en arbeidsbestel diepgaand zal veranderen, is een cruciaal probleem.

Of flexibilisering van de arbeid gestructureerd wordt in voor de werknemers passieve of actieve zin, is natuurlijk een belangrijke vraag. Voorlopig lijkt empirisch onderzoek erop te wijzen, dat er in deze grote verschillen bestaan tussen de commerciële bedrijven en ondernemingen die behoren tot de (semi)overheid. Flexibilisering in de zin van 'gespreide tijden' die de keuzemogelijkheden voor de werknemer vergroten, lijken in de particuliere sector aanzienlijk minder voor te komen [De Lange cs 1995].

Tevens hebben werkgevers de hoop op de 'nieuwe werknemer' gevestigd. Door diens grote, breed inzetbare capaciteiten is hij flexibel inzetbaar. Voor hem geen vaste baan-op-langere-termijn meer. Hij moet het hebben van zijn 'employability' in een periode van 'flexibel afslanken van vele ondernemingen [Bolweg en Maenhout 1995].

Een andere weg als alternatief voor de vaste baan is het flexibel ondernemen. De werknemer die zijn baanzekerheid verliest kan toetreden tot de rijen van startende ondernemers. Dit is ook in de pers een populair beeld [zie Van der Horst 1997]. top

4. IS DE FLEXIBILISERENDE VERZORGINGSSTAAT NOG VERZORGINGSSTAAT ?

De relatie tussen het karakter van de verzorgingsstaat en flexibilisering is een veel besprokene. De filosofie achter de tendens naar de verzorgingsstaat is het streven naar continuïteit, naar zekerheid en voorspelbaarheid in de zin van Weber.

Nederland wordt wel geschetst als prototype van de doorgeschoten verzorgingsstaat. Denk maar aan de populaire term "van de wieg tot het graf verzorgd". En dat in veel te grote mate, waarbij niet naar de kosten gekeken wordt. "Maar de bomen groeien niet (meer) tot in de hemel". Dit is de leus van het hegemoniale neo-liberale denken. Het Rijnlandse model, de verzorgingsstaat en het Angelsaksische model worden op hun effectiviteit en flexibiliteit met elkaar vergeleken [Esping-Andersen 1990, De Nederlandse verzorgingsstaat in internationaal en economisch perspectief 1996, Visser 96,97].

Het debat richt zich vooral op de voor- en nadelen van collectieve regelingen op verschillende niveaus. Het neo-corporatisme staat ter discussie. De aanvallen op de algemeen verbindend verklaring van CAO's, een wezenstrek van het 'poldermodel' koent van verscheidene kanten.

top

5. ARBO-WET IN TIJDEN VAN FLEXIBILISERING

De Arbo-wet kan beschouwd worden als sluitstuk van de Nederlandse verzorgingsstaat, op een moment dat er geen draagvlak meer voor bestaat. De visie op arbeid achter de Arbo-wet stamt nog uit de tijd dat de humanisering van de arbeid voorop stond: geen marktbeoordeling van werk, maar een die voortkomt uit klassieke waarden. De wet schrijft samenwerking voor tussen de directie en de werknemers op de terreinen veiligheid, gezondheid en welzijn. De belangrijkste vernieuwing in de wet is de aandacht voor de organisatie van het werk: het bevorderen van autonomie en vakbekwaamheid en het terugdringen van 'kortcyclische' arbeid. Welzijn moet beoordeeld worden naar de kans op psychische over- of onderbelasting en de aanwezigheid van leer- en ontwikkelingsmogelijkheden. Welzijn slaat dus direct op arbeidsinhoud. met deze wet kunnen de werknemers zich voor het eerst begeven op het traditionele domein van de werkgevers: taakbeheersing [Mok 1990].

Over de Arbo-wet bestaat nogal wat scepsis. Zij is tot stand gekomen in een periode, dat juist de roep om deregulering aan kracht won. Het welzijn van de werknemer heeft bij particuliere ondernemers noch bij de overheid beleidsmatig prioriteit gekregen. De vrees bestaat, dat de wet een dode letter zal blijven waar werknemers zwak georganiseerd zijn in vakbonden en waar de ondernemingsraad niet of slecht functioneert.

top

6. MEER VRIJHEID DOOR TECHNOLOGIE?

De micro-elektronische revolutie en de vergroting van de flexibiliseringsmogelijkheden. De flexibele werkplaats.
De fabriek en het kantoor werden gekenmerkt door eenheid van tijd en plaats. Door de moderne informatietechnologie is er sprake van het doorbreken van deze tijd-ruimtelijke structuren turen van de arbeid [Benschop 1997 Telewerk: een omgekeerde industriële revolutie?]. Mensen die van 9 tot 5 op een vaste werkplek werken komen steeds minder voor. Mensen die niet op de collectieve werkplek arbeid verrichten, nemen in aantal toe.

De stopwatch beperkt zich niet meer tot de werkplaats. De autotelefoon, e-mail en thuiswerk rukken op. Telewerk kan gelden als voorbeeld van op afstand gecontroleerd werk.

De opmars van de chips heeft uiteraard effect op de autonomie van de werkenden.

top

7. FLEXIBEL CONSUMEREN

Het is niet alleen in toenemende mate een kwestie van flexibel werken. Het gaat ook om flexibel consumeren: wordt het leven van consumenten er beter op?

Consumeren in de zin van niet-werken
Treden we met de 24-uurs-economie het rijk der ongekende consumptiemogelijkheden binnen? Vergroot dit het menselijk geluk? Wat betekent flexibilisering van het werkleven voor een jong gezinnetje? Ook de regering maakt zich hierover druk. De instelling van de commissie Dagindeling is hiervan een duidelijk teken.

Een belangrijk deel van de instellingen van de verzorgingsstaat zijn verbonden met arbeid. De kwaliteit van de (gezondheids)zorg, het onderwijs en heeft alles te maken met de kwaliteit van het werk-, gezins- en ontspanningsleven.

Kinderopvang en arbeidsparticipatie, crèche-voorzieningen en arbeidsmarktposities van vrouwen zijn nauw met elkaar verbonden.

Alom is verhoging van de kwaliteit van de dienstverlening, grotere klantgerichtheid het doel. Zeker als deze diensten voorheen (semi)overheidsdiensten waren? Deregulering, privatisering en flexibilisering gaan hand in hand. De gevolgen voor de kwaliteit van het niet-werken, consumptie en gezinsleven zijn niet mis. Kijk maar eens naar de zorg, met name de bejaardenzorg in een vergrijzend Europa. De flexibele vechtmaatschappij met het daarbij behorende geloof in de markt botst op de idealen van de verzorgingsstaat en de zorgzame samenleving. De overheersing van de markt en de calculerende burger gaan hand in hand. Maar de loyale burger met zijn geïnternaliseerde binding met de samenleving en haar instellingen wordt steeds spaarzamer. De roep om meer waarden en normen vanuit de politiek wordt hiermee steeds sterker.

top

LITERATUUR

  1. Beck, Ulrich [1994] Risk Society. Towards a new modernity.
  2. Beetstra, G.M. [1997] Flexibilisering van de arbeid: "well done" of "not done"? Onderzoek naar de gevolgen van flexibilisering voor werknemers, doctoraalscriptie Vakgroep Sociologie, sectie Organisatie en Beleid, Universiteit van Amsterdam.
  3. Benschop, Albert [1996] Arbeid - een lastig en omstreden begrip. 60 blz., 236 Kbytes Uit: idem [1995/7] Naar een nieuwe economische sociologie - een transformationeel perspectief. 4,9 Mbytes.
  4. Benschop, Albert [1997] Telewerk: een omgekeerde industriële revolutie?
  5. Berting, Jan [1995] Het kwetsbare maatschappelijke midden. Amsterdam Meppel.
  6. Blauner, R. [1964] Alienation and freedom: The factory worker and his industry. Chicago.
  7. Breedveld, K. [1995] Gespreide tijden: is Nederland wel zo flexibel? Paper, Tilburg.
  8. Breedveld, K. [1996] The double myth of flexibilization:Trends in scattered work hours, and differences in time-sovereignity. Paper, Universiteit van Tilburg.
  9. Bolweg,J. en J. Maenhout[1995] Full employability: economisch noodzakelijk, sociologisch naïef? Kanttekeningen bij het fenomeen arbeidsflexibiliteit, in: L. Faase en M. Ott, Nieuwe breukvlakken in het arbeidsbestel?, Utrecht
  10. Bos, T. en F. Vaas (red.)[1986], Flexibilisering & segmentering. Vakbeweging en flexibele arbeid, Utrecht
  11. Buitelaar, Wout L., P. Vos [1996], Arbeidsorganisatie en arbeidsverhoudingen in beweging: een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, Den Haag
  12. Commissie Economische deskundigen SER [1987] Rapport flexibiliteit van de arbeidsmarkt en werkloosheid, SER Den Haag
  13. Dankbaar, B. [1996] Organiseren in een turbulente omgeving. De creatieve onderneming op de drempel van de 21ste eeuw, Nijmegen 1996
  14. Delsen,L. en E. de Jong [1997], in: Economisch Statistische Berichten
  15. Dekker,R., A. de Grip en J. Heijke [1996], Arbeidssegmenten in Nederland, in: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 4, pp 338-351
  16. Delsen,L. [1995] Atypical employment: an international perspective, Groningen
  17. Esping-Andersen, G. [1990] The three worlds of welfare capitalism, Cambridge
  18. Flap, H. en W. Arts [1988] De flexibele arbeidsmarkt, Theorie en praktijk, Deventer
  19. Flexibele inzet van arbeidskrachten [1987], Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Eindrapport van de SZW-werkgroep Flexibele Arbeidsrelaties, Den Haag
  20. Flexibele arbeid: vormen, motieven en effecten [1994] OSA
  21. Geuns, R. van, J.Mevissen, J. Neve [1987] De andere kant van flexibilisering. Een onderzoek naar achtergronden, motieven en oordelen van flexibele werknemers, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag
  22. Godschalk, Jan [1986] Werkloosheid en normvervaging, Amersfoort
  23. Gorsel, S. van en M. Verweij [1996] Balans in beweging. Het (de)centralisatievraagstuk in Nederland, Doctoraalscriptie, Universiteit van Amsterdam, Vakgroep Sociologie, Arbeid en Organisatie
  24. Goslinga, S. en B. Klandermans [1996] Flexibiliseing en individualisering van arbeidsvoorwaarden. Een onderzoek naar opvattingen en wensen van werknemers, in: Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 2, pp 155-164
  25. Haan, E. de, P. Vos en P. de Jong [1994], Flerxibiliteit van de arbeid, Op zoek naar zekerheid, Amsterdam
  26. Hoeven, P. ter (red.)[1972], Breukvlakken in het arbeidsbestel, Alphen aan de Rijn
  27. Hoof, J. van [1987] De arbeidsmarkt als arena: Arbeidsmarktproblemen in sociologisch perspectief, Amsterdam
  28. Hoof, J. van [1990] Vernieuwing en restauratie. Ontwikkelingen in het arbeidsbestel en in de arbeidssociologie, Amsterdam
  29. Heroriëntatie Arbobeleid en arbowet [1996] Adviesaanvraag aan SER. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag
  30. Horst, A. van der [1997] Eigen baas, in: HP/De Tijd 3-1, pp 30-35
  31. Kam, C. de, J. de Haan [1991] Terugtredende overheid. Realiteit of retoriek? Een evaluatie van de grote operaties, Schoonhoven
  32. Kerckhove, J. van de [1995] Van voorkomingsbeleid naar welzijn op het werk. Op zoek naar nieuwe breukvlakken in het arbeidsomstandighedenbeleid in België, in: L. Faase, M. Ott en C. Vos, Nieuwe breukvlakken in het arbeidsbestel?, Utrecht, pp 113-27
  33. Klomp, L. en R. Thurik [1997] Kleine bedrijven als banenmotor?
  34. Kloosterman R.C. en T. Elfrink [1991] Werken in Nederland, Schoonhoven
  35. Kloosterman R.C. en R. Knaack [1992] Het Nederlandse model, kansen en bedreigingen van de verzorgingsstaat.
  36. Kluytmans, F. [1990] Human Resource Management: verzakelijking of vernieuwing? Heerlen/Deventer
  37. Koedijk, K., C. Kool en A. van Witteloostuijn [1997] Ondernemer gedraagt zich als rentenier, Volkskrant, 10 sept,p 11
  38. Lange, W. de, M. van Eijk, J. NG-A-Tham [1995] Bij de Tijd, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag
  39. Meeus,M. [1989] Wat betekent arbeid? Over het ontstaan van de westerse arbeidsmoraal, Assen, Maastricht
  40. Mok, A.L. [1990] In het zweet uws aanschijns...; Inleiding in de arbeidssociologie, Leiden/Antwerpen
  41. Nederlandse verzorgingsstaat in internationaal en economisch perspectief, De [1996], Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag
  42. Noord, M. van [1995] Flexibilisering van de arbeid. Een onderzoek naar de gevolgen van flexibilisering voor personeelsgroepen binnen de gemeente Gouda, doctoraalscriptie, Universiteit van Amsterdam, Vakgroep Sociologie
  43. Nijhoff, H. [1996] Flexibilisering van de arbeid. Ontwikkelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt, doctoraalscriptie, Universiteit van Amsterdam, Vakgroep Sociologie, Studierichting Organisatie en Beleid
  44. Poolman, M. [1994] Dames, waarom gaat U niet gezellig thuis werken? De gevolgen van telethuiswerk voor de positie van vrouwen op de interne arbeidsmarkt: een casestudie-vergelijking, doctoraalscriptie, Universiteit van Amsterdam
  45. Reynaerts, W. [1985], Kantelende posities, arbeidsverhoudingen in een keertijd; preadvies Organisatie voor strategisch arbeidsmarktonderzoek, Den Haag
  46. Ruysseveldt, J. van, J. von Grumbkow [1989] Kwaliteit van de arbeid. Hedendaagse stromingen, Assen/Maastricht
  47. Rij, C. van [1995] Flexibilisering van de arbeid. Een opiniepeiling onder het FNV-ledenpanel, Cesar Amsterdam
  48. Schuyt, Kees [1997] Sociale cohesie en sociaal beleid, Drie publiekscolloges in de Balie, De Balie, Amsterdam
  49. Schuyt, Kees [1996] Epiloog. De verzorgingsstaat met het oog op morgen, in: De verdeelde samenleving, red. K. Schuyt, R. van der Veen, pp. 243-248, Leiden/Antwerpen 1990
  50. Sociaal Cultureel Rapport [1996] CPB, Den Haag
  51. Sociale nota 1997, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag
  52. Steenbakkers, A. [1994] Flexibele arbeid en effectiviteit van ondernemingen, Enschede
  53. Stoutjesdijk, A. [1995] Het klokje rond? Onderzoek naar de effecten van ruimere winkelopenstellingstijden, toegespitst op de Gemeente Den Haag, doctoraalscriptie, Universiteit van Amsterdam, Vakgroep Sociologie
  54. Straten, P. van [1996] Van herverdeling naar flexibilisering. Prioriteiten in het arbeidsmarktbeleid tussen 1975 en nu, Universiteit van Amsterdam, doctoraalscriptie Nationale Politieke Stelsels
  55. Tijdreeksen Arbeidsrekeningen 1969-1993
  56. Tweedeling in perspectief [1997] Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag 1
  57. Vilrokx, J. [1995] Economische herstructurering en werkgelegenheidscrisis. Een de-institutionalisering van het arbeidsbestel? In: L. Faase, M. Ott en C. Vos, Nieuwe breukvlakken in het arbeidsbestel?, Utrecht , pp 100-112
  58. Visser,J. [1996] Two cheers for corporatism, One for the market. Industrial relations, unions, wages and labour markets in the Netherlands, Amsterdam, Keulen december 1996
  59. Visser, J. en A. Hemerijck [1997], A Dutch miracle. Job growth, welfare reform, and corporatism in the Netherlands
  60. Vreeman, R. [1984] Flexibele arbeid. Flexibilisering als vorm van herstrukturering van de arbeidsverhoudingen, in: Tijdschrift voor Politieke Ekonomie, dec, pp 7-25
  61. Vriend, B., J.Korpel [1990] Flexibele arbeidsrelaties in relatie tot sociale zekerheid, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag
  62. Watson, T.J.[1995] Sociology, work and industry, London (3e)
  63. Een werkend perspectief, Arbeidsparticipatie in de jaren '90 [1990] Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, SDU uitgeverij, Den Haag
  64. Wijmans, Luuk [1987] Beeld en betekenis van het maatschappelijke midden. Oude en nieuwe middengroepen 1850 tot heden, Amsterdam
  65. Wijmans, Luuk, A. Goudzwaard, U. Nuess [1988] Flexibilisering in de burgerluchtvaart. Een onderzoek naar flexibilisering van de arbeid bij twee luchtvaartmaatschappijen op Schiphol, Amsterdam
  66. Wijmans, Luuk (red. met J.Duyvendak, H. van der Heijden, R. Koopmans) [1991] Tussen verbeelding en macht. 25 jaar nieuwe sociale bewegingen in Nedeland, SUA Amsterdam
  67. Wijmans, Luuk [1993] Werken aan een bindende bond, in: Voorbode van de toekomst. Onderzoek naar werk in de dienstensector, Woerden
  68. Wijmans, Luuk [1993] Arbeid: last of lust. Om de kwaliteit van het arbeidsbestaan, Amsterdam
  69. Wijmans, Luuk [1996] Arbeidsverhoudingen nog niet aan het kantelen, in: Zeggenschap, 7e jrg 2,pp 39-42
  70. Wijmans, Luuk [1996] Zeggenschap over arbeidstijden, Research paper nr 6 van het FMO-onderzoek, Amsterdam oct 1996
  71. Zwan, A. van der [1997] Verlicht nationalisme als uitdaging voor paars, Socialisme en democratie,1, pp 15-26
top
Organisatie & Beleid Onderzoek Sociologie in Amsterdam Home Subject Areas Commentaar