| Organisatie & Beleid | Onderzoek | Sociologie in Amsterdam | Home | Subject Areas | Commentaar |
Universiteit van Amsterdam
Vakgroep Sociologie
Sectie Organisatie en Beleid
oct. '97
Luuk Wijmans
Dit project probeert een antwoord te geven op de vraag waar het met werken naar toe gaat. Werken lijkt steeds minder zekerheden te bieden. De 'omgeving' is turbulenter geworden. Het verschijnsel flexibilisering wordt in het bredere kader geplaatst van de moderne welvaarts- of verzorgingsstaat. Hierbij wordt het thema van sociale cohesie dat zowel bij theoretici als practijkmensen in de belangstelling staat betrokken [Schuyt 1997: 15]. Door de flexibilisering van de arbeid in een dergelijk macro-kader te plaatsen, moet het mogelijk zijn om tot uitspraken te komen omtrent de huidige en toekomstige ontwikkeling van de arbeid en haar betekenis als (des)integrerende sociale factor.
Thema's
De problematiek komt hier aan de orde door het formuleren van vragen en thema's op het gebied van flexibilisering: Wat is flexibilisering? (2) , de omvang en betekenis van de verschillende vormen van flexibilisering (3), de relatie tussen flexibilisering en de aard van de verzorgingsstaat (4), de Arbo-wet als specimen van de verzorgingsstaat in een flexibiliserende omgeving (5), de effecten van de technologische ontwikkelingen op de arbeid(sverhoudingen (6), en de voor- en nadelen van flexibiliseringsvormen voor de consument (7).
Sociale kwestie
De hedendaagse politieke stromingen onderscheiden zich in oorsprong vooral van elkaar door hun standpunten over vraagstukken die te maken hebben met arbeid. Zij zijn voor het merendeel terug te voeren op sociale bewegingen rondom 'de sociale kwestie' van de 19e eeuw. Die sociale kwestie betrof de kwetsbare positie van een groot deel van de werknemers die tegelijkertijd tot de potentiële armen behoorden . Die sociale kwestie werd door iedere richting zo serieus genomen, omdat deze direct te maken had met het probleem van de (de)stabiliteit van de samenleving. De sociale cohesie was in gevaar. Door ontwikkelingen op het terrein van de arbeid met name werden de bindingen met ondernemingen en overheden ondermijnd.
Is er thans sprake van een ontwikkeling naar een nieuwe 'sociale kwestie'? We vragen ons af of er door de huidige verdeling van lasten en lusten van de arbeid een categorie aan het ontstaan is, die bij gebrek aan vast werk geen noemenswaardige binding heeft met een beroep of bedrijf. Voor langdurig werklozen is dit probleem al veel eerder gesignaleerd: werkloosheid en normvervaging worden in één adem genoemd [Godschalk 1986]. Aangenomen wordt dat normvervaging en marginalisering op de arbeidsmarkt verband met elkaar houden. Het gevoel er niet bij te horen wordt bevorderd door scherpe maatschappelijke scheidslijnen.
Traditioneel is er in het denken over maatschappelijke eenheid en integratie steeds een stroming waar te nemen die uitgaat van het uit elkaar groeien van groeperingen door een gepolariseerde arbeidsmarkt. In het moderne spraakgebruik heet dat "tweedeling". Het debat wordt thans vooral gevoerd onder de noemer 'sociale cohesie'. Het beeld van een samenleving die steeds minder een eenheid vormt, omdat top en bodem uit elkaar groeien is al eeuwenoud [Wijmans 1987].
Ten aanzien van de arbeidsmarkt wordt veelvuldig het begrip segmentatie gebezigd. Het zou steeds moeilijker worden van het ene deel van de arbeidsmarkt in het andere te geraken.
Het beeld van de tweedeling, in wetenschappelijke terminologie de dichotomisering,is altijd bijzonder aansprekend geweest. Het staat niet zonder meer voor de ontwikkeling van potentieel antagonistische groeperingen. Het staat thans voor de angst dat er een delen van de bevolking zijn, die op de arbeidsmarkt zo'n zwakke positie hebben, dat er van een geinternaliseerde binding met werk geen sprake is. Dit gebrek aan binding zou dan leiden tot een gevoel er niet bij te horen in veel algemenere zin. Kennelijk wordt werk nogal altijd gezien als fundamenteel integratiemechanisme [Een werkend perspectief 1990], dat het gezamenlijk delen van normen en waarden doet uitmonden in sociale saamhorigheid. Het probleem staat thans als 'sociale cohesie' op de agenda. Dit leidt tot de volgende vragen:
Is er sprake van een groeiend onderscheid tussen mensen die vooral te maken hebben met gunstige, actieve vormen van flexibilisering en degenen die hoofdzakelijk in passieve vormen van flexibilisering hun werkleven leiden?
Ook onder werklozen en arbeidsongeschikten heeft het arbeidsethos nauwelijks terrein verloren. De meeste mensen willen nog steeds met werken realiseren wat ze in hun leven wensen te bereiken. De binding met de samenleving en haar instituties loopt voor een belangrijk deel via het werk. De vraag is dan ook:
Als een maatschappijvorm (met name het arbeidsbestel) als flexibel wordt aangeduid of een organisatie dan wel een persoon, dan kan dat twee dingen inhouden. Die samenlevingsvorm, onderneming of individu kan zelf flexibel, buigzaam zijn ten opzichte van wat tegenwoordig vaak als 'de omgeving' wordt aangeduid. In deze zin wordt flexibiliteit ook wel 'responsiviteit' genoemd [Commissie SER 1987]. Hier betekent flexibiliteit soepel en adequaat ingaan op impulsen van buitenaf. Dit heet ook wel 'passieve' flexibilisering.
Tegenover dit conformeren aan veranderingen van buitenaf, staat actieve flexibilisering. Hier gaat het om het initiëren van veranderingen, om verruiming van kansen en mogelijkheden.
Voorts wordt het begrip op nationale samenlevingen toegepast. Dan gaat het om een situatie waarin individuele burgers en instellingen vrij zijn om naar eigen inzicht te kiezen en te handelen. Aldus zijn zij ook verantwoordelijk voor hun eigen welzijn [De Haan cs: 20]. Flexibilisering betekent hier ongeveer hetzelfde als deregulering: het streven naar het afschaffen van formele en informele regels, die met name de marktwerking in de weg staan. Een dergelijke flexibiliseringsstrategie is vaak in anti-corporatistische termen verwoord.
De flexibiliteit van de arbeidsmarkt betreft de snelheid waarmee vraag, aanbod en prijzen op elkaars veranderingen reageren [De Haan ea: 7].
Verder is er de flexibiliteit van de organisatie. Het gaat hier om de aanpassing van de arbeidsorganisatie aan veranderende omstandigheden door verandering in de produktie-, organisatie- en personeelsstructuur.
Flexibel ondernemerschap
Hiermee is nauw verbonden het concept van dynamisch of flexibel ondernemerschap. Dit ondernemerschap wordt niet langer ingeperkt door allerlei regels en 'afgesloten' voor nieuwkomers door allerlei regels. Deregulering maakt de toegang tot het zelfstandig ondernemerschap gemakkelijker. Een zelfstandige economische positie wordt hiermee in een flexibeler samenleving een reëel alternatief voor loonarbeid.
Flexibiliteit van de arbeid
Flexibiliteit van de arbeid verwijst naar de mogelijkheid tot variatie in de inzet van arbeid, al naar gelang wijzigingen in de vraag naar goederen of diensten. Flexibilisering hangt vaak samen met het streven de arbeidskosten en de behoeften van de arbeidsorganisatie afhankelijk te maken van de bedrijfsdrukte en productieveranderingen. Vanuit het bedrijf gezien is flexibilisering het geheel van maatregelen ter vergroting van het aanpassingsvermogen van het bedrijf aan de veranderingen op de markt waarop de onderneming opereert.
Vormen van flexibilisering van de arbeid
Flexibilisering van de arbeid is een veelgebruikt begrip. Om te weten waarover we het precies hebben, maken we onderscheid tussen verschillende soorten flexibele arbeid. Een zeer algemeen gehanteerd onderscheid is dat tussen externe en interne flexibiliteit.
Bij externe flexibiliteit wordt aan de behoefte aan een variabele inzet van het personeel tegemoet gekomen door werknemers die niet tot de onderneming zelf behoren. Uitzendarbeid, thuiswerk, oproepkrachten, arbeidspools, arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, detachering en advisering behoren tot deze externe flexibilisering.
Bij interne flexibiliteit gaat het om de inzet van het vaste personeelsbestand van de organisatie. Het betreft enerzijds multi-craft (inzetbaarheid in meerdere functies), functie-combinaties en functieroulatie. Bij deze laatste vorm van flexibilisering gaat het dus om flexibilisering van de arbeidstijd, door Breedveld [1995] aangeduid als 'gespreide tijden'. Anderzijds gaat het om deeltijd en variabele arbeidstijden.
Tevens wordt er een soortgelijk onderscheid gemaakt tussen numerieke en functionele flexibiliteit [De Haan cs: 56]. Ook bij numerieke flexibiliteit gaat het vooral om arbeidsvoorwaarden: de aard van de (contractuele) relatie van werkgever en werknemer. Bij functionele flexibiliteit gaat het vooral om de arbeidsinhoud. De mate van arbeidsdeling speelt daarbij een belangrijke rol.
We treffen enerzijds een zeer ruime opvatting van flexibele arbeid: alle arbeidspatronen buiten de baan van 9 tot 5. Anderzijds wordt flexibilisering beperkt tot arbeidsvormen die werkelijk de arbeidsorganisatie en het arbeidsleven in een situatie van continue verandering brengen.
Dat heeft natuurlijk consequenties voor de benoeming van een flexibele structuur.
Moet vaste, steeds op hetzelfde tijdstip plaats hebbende deeltijdarbeid ook tot flexibele arbeid gerekend worden?
In het begin van de jaren tachtig stond flexibilisering van de arbeid in het teken van het streven naar herverdeling van de arbeid door flexibilisering van arbeidstijden. Afwijken van het patroon van negen tot vijf geeft werknemers de mogelijkheid om hun werk meer af te stemmen op hun persoonlijke behoeften. Daarbij gaat het vooral om vrouwen die door gezinstaken aan de kant moeten blijven.
In de loop van de jaren tachtig wordt de discussie over arbeidspatronen en herverdeling van arbeid omgebogen naar flexibilisering van de arbeid uit werkgeversoogpunt [Van Straten 1996]. De omslag in de machtsverhoudingen tussen de aanbodzijde en de vraagzijde van de arbeid maakt een dergelijke verandering mogelijk. Collectieve arbeidstijdverkorting, het streven van de werknemers en hun organisaties, moet bestreden worden door flexibilisering; het management wil versoepeling van regelingen van arbeidsvoorwaarden. Ontslagrecht, arbeidstijden en beloningen staan hierbij voorop.
Steeds wordt in de arbeidssociologie geconstateerd, dat er op het terrein van het werk "breukvlakken" te constateren zijn [Ter Hoeven, reeds in 1972], of dat de arbeidsverhoudingen "kantelen" [Reynaerts 1985]. Of de hedendaagse flexibilisering de arbeid, arbeidsverhoudingen en arbeidsbestel diepgaand zal veranderen, is een cruciaal probleem.
Of flexibilisering van de arbeid gestructureerd wordt in voor de werknemers passieve of actieve zin, is natuurlijk een belangrijke vraag. Voorlopig lijkt empirisch onderzoek erop te wijzen, dat er in deze grote verschillen bestaan tussen de commerciële bedrijven en ondernemingen die behoren tot de (semi)overheid. Flexibilisering in de zin van 'gespreide tijden' die de keuzemogelijkheden voor de werknemer vergroten, lijken in de particuliere sector aanzienlijk minder voor te komen [De Lange cs 1995].
Tevens hebben werkgevers de hoop op de 'nieuwe werknemer' gevestigd. Door diens grote, breed inzetbare capaciteiten is hij flexibel inzetbaar. Voor hem geen vaste baan-op-langere-termijn meer. Hij moet het hebben van zijn 'employability' in een periode van 'flexibel afslanken van vele ondernemingen [Bolweg en Maenhout 1995].
Nederland wordt wel geschetst als prototype van de doorgeschoten verzorgingsstaat. Denk maar aan de populaire term "van de wieg tot het graf verzorgd". En dat in veel te grote mate, waarbij niet naar de kosten gekeken wordt. "Maar de bomen groeien niet (meer) tot in de hemel". Dit is de leus van het hegemoniale neo-liberale denken. Het Rijnlandse model, de verzorgingsstaat en het Angelsaksische model worden op hun effectiviteit en flexibiliteit met elkaar vergeleken [Esping-Andersen 1990, De Nederlandse verzorgingsstaat in internationaal en economisch perspectief 1996, Visser 96,97].
Het debat richt zich vooral op de voor- en nadelen van collectieve regelingen op verschillende niveaus. Het neo-corporatisme staat ter discussie. De aanvallen op de algemeen verbindend verklaring van CAO's, een wezenstrek van het 'poldermodel' koent van verscheidene kanten.
Wat is de invloed van de collectieve en individuele machtsverhoudingen van werkgevers , werknemers en werklozen ?
En omgekeerd:
Wat zijn de effecten van deze machtsverhoudingen op de mate en vormen van flexibilisering?
Betekent voortgaande flexibilisering van de arbeid het einde van de verzorgingsstaat?
Worden arbeidsvoorwaarden in toenemende mate flexibeler, dwz individueler geregeld?
Over de Arbo-wet bestaat nogal wat scepsis. Zij is tot stand gekomen in een periode, dat juist de roep om deregulering aan kracht won. Het welzijn van de werknemer heeft bij particuliere ondernemers noch bij de overheid beleidsmatig prioriteit gekregen. De vrees bestaat, dat de wet een dode letter zal blijven waar werknemers zwak georganiseerd zijn in vakbonden en waar de ondernemingsraad niet of slecht functioneert.
Is de Arbo-wet gunstig voor alle categorieën werknemers of vergroot zij de kloof tussen 'kern' en geflexibiliseerde periferie?
De stopwatch beperkt zich niet meer tot de werkplaats. De autotelefoon, e-mail en thuiswerk rukken op. Telewerk kan gelden als voorbeeld van op afstand gecontroleerd werk.
De opmars van de chips heeft uiteraard effect op de autonomie van de werkenden.
Wat is de omvang en kwaliteit van telewerk?
Is er onder telewerkers sprake van een tweedeling wat de kwaliteit van het werk betreft?
Consumeren in de zin van niet-werken
Treden we met de 24-uurs-economie het rijk der ongekende consumptiemogelijkheden binnen? Vergroot dit het menselijk geluk? Wat betekent flexibilisering van het werkleven voor een jong gezinnetje? Ook de regering maakt zich hierover druk. De instelling van de commissie Dagindeling is hiervan een duidelijk teken.
Een belangrijk deel van de instellingen van de verzorgingsstaat zijn verbonden met arbeid. De kwaliteit van de (gezondheids)zorg, het onderwijs en heeft alles te maken met de kwaliteit van het werk-, gezins- en ontspanningsleven.
Kinderopvang en arbeidsparticipatie, crèche-voorzieningen en arbeidsmarktposities van vrouwen zijn nauw met elkaar verbonden.
Alom is verhoging van de kwaliteit van de dienstverlening, grotere klantgerichtheid het doel. Zeker als deze diensten voorheen (semi)overheidsdiensten waren? Deregulering, privatisering en flexibilisering gaan hand in hand. De gevolgen voor de kwaliteit van het niet-werken, consumptie en gezinsleven zijn niet mis. Kijk maar eens naar de zorg, met name de bejaardenzorg in een vergrijzend Europa. De flexibele vechtmaatschappij met het daarbij behorende geloof in de markt botst op de idealen van de verzorgingsstaat en de zorgzame samenleving. De overheersing van de markt en de calculerende burger gaan hand in hand. Maar de loyale burger met zijn geïnternaliseerde binding met de samenleving en haar instellingen wordt steeds spaarzamer. De roep om meer waarden en normen vanuit de politiek wordt hiermee steeds sterker.
Ontstaat er in de dienstverlening en consumptie een scheidslijn tussen ondernemingen die met flexibel personeel werken en firma's die dat niet doen.
| Organisatie & Beleid | Onderzoek | Sociologie in Amsterdam | Home | Subject Areas | Commentaar |