UvA-logo
Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

De ondernemingsgeschiedenis van Alfred Chandler

door: Albert Benschop


Alfred D. Chandler Jr. is een bekende 'business historian'. Praktisch zijn hele werk is gericht op het beschrijven en analyseren van grote ondernemingen. Zijn eerste belangrijke werk Strategy and Structure: Chapters in the History of the American Industrial Enterprise [1962] behandelt de overname van het multidivisionele vorm van organisatie met case studies van Du Pont, General Motors, Oil Company, en Sears Roebuck. Hij werkte deze analyse uit in The Visible Hand: The Managerial Revolution in American Business [1977], waarin de opkomst van professionele managers en de groei van een 'wetenschap' van management wordt behandeld. Zijn meest recente boek, Scale and Scope: The Dynamics of Industrial Capitalism [1990], is een internationaal vergelijkende uitwerking van de argumentatie in The Emergence of Managerial Capitalism [1984]. Hij analyseert daarin de strategieën van 200 leidinggevende industriële ondernemingen in de Verenigde Staten, Groot Brittannië en Duitsland in de 20e eeuw en geeft een beschrijving van verschillen tussen de landen in hun 'stijl' van industrieel kapitalisme.[1]

Chandler onderzoekt hoe pre-industriële, kleinschalige ondernemingen die nog in familiebezit zijn en slechts rudimentair door managers worden gerund, werden getransformeerd in grootschalige, bureaucratische multi-divisionele structuren in de 20 eeuw van de Verenigde Staten. Het verhaal is dat tot de opkomst van het continentale spoorwegsysteem in Amerika ondernemingen klein bleven, meestal onder het contract van handelaren. Door de opkomst van het spoorwegsysteem vanaf het midden van de 19e eeuw veranderde dit. De eerste verandering was het gevolg van de enorme geografische diversiteit van de spoorwegen zelf. De uitbreiding van het spoorwegstelsel, maar ook de opkomst van het telegrafiesysteem en de aanleg van nieuwe kanalen bracht een aanzienlijke daling van de transportkosten voor waren met zich mee waardoor de ondernemingen hun operatieschaal konden vergroten. De omvang van de ondernemingen nam toe en de produktie- en distributiekosten daalden. De grootste producenten werden ook de meest efficiënte (waarbij de term efficiëntie refereert aan de 'economics of scale'). De mogelijkheden van controle door persoonlijk toezicht van een eigenaar-controleur werden beperkt door de enorme spreiding van de operaties van de organisaties. De spoorwegen moesten een alternatief ontwikkelen om hier mee om te gaan. Het alternatief werd gevonden in de overname van militaire modellen van bureaucratie en een moderne 'multi-unit' ondernemingsvorm. Deze verandering werd opgeroepen door de markten die door de spoorwegen werden geopend. De mogelijkheden van een massamarkt konden nu worden aangepast, door organisaties die in staat waren om het volume van hun produktie te verhogen.

Chandler beweert dat naarmate ondernemingen groter werden zij het efficiënter vonden om de verscheidende diensten die zij daarvoor van commisie-agenten op de markt gekocht hadden, onder één raamwerk te incorporeren. Dit geldt voor diensten zoals: de aankoop van grondstoffen, schuldfinanciering, marketing en distributie. Administratieve coördinatie begon de marktruil te vervangen als het belangrijkste controlemechanisme, omdat het een technisch efficiëntere manier was om op grote schaal zaken te doen. Produktiviteit en winsten waren hoog en de kosten waren lager waar organisatie door rudimentaire bureaucratisering de fragmentatie van markten verving.

Door fusies worden verschillende groeipatronen bereikt. Organisaties 'groeien' niet allen in omgang; zij worden vaak groter dank zij 'assertieve acties' ten opzichte van andere organisaties: zij nemen ze over. Er zijn verschillende perioden van toenemende fusies.

Aan het einde van de negentiende eeuw deed zich een golf van horizontale, diversificerende fusies en verticale fusies voor. Hierdoor werden leveranciers, afzetgebieden enz. geïncorporeerd.[2] Het resultaat daarvan was dat voormalige familiebedrijven worden gereconstitueerd onder een centrum van organisationele controle. Voormalige eigenaren werden vaak behouden als meer of minder onafhankelijke managers in de nieuwe organisaties. Hun intieme kennis van de lokale zaken was van onschatbare waarde voor de nieuwe eigenaars, die vaak weinig afwisten van de specificiteiten van de zaken die zij nu controleerden. Deze mensen waren in staat om persoonlijke macht uit te oefenen op basis van precieze technische kennis van het werk. Bovendien stonden zij nog voldoende dicht bij de werkvloer om een effectief toezicht te kunnen uitoefenen. Het was toezicht gebaseerd op zowel technische kennis als ruimtelijk-zichtbare nabijheid. Deze voorwaarden werden vaak gerepliceerd binnen nieuwe gefuseerde organisaties, door het incorporeren van een interne markt in de grotere organisatie. Het systeem dat dit bewerkstelligt, is bekend onder de naam 'internal contracting' [Littler 1980] of als 'inside contracting' [Clawson 1980].[3]

In Chandlers visie op de geschiedenis van de grote moderne ondernemingen worden drie fasen onderscheiden waarin verschillende efficiëntienormen werden gehanteerd.

  1. In de eerste fase van de massaproduktie betekende efficiëntie vooral het realiseren van een grootschalige produktie ('economics of scale) en verlaging van produktie- en distributiekosten om op markten te concurreren.

  2. De grootschalige produktie vereiste enorme hoeveelheden kapitaal. De onzekerheden bij het aankopen van inputs en het verkopen van de outputs vormden de belangrijkste barrières voor verdere expansie. Deze onzekerheden werden gereduceerd doordat ondernemingen begonnen hun leveranciers en klanten te controleren door meer functies te absorberen [Chandler 1977, ch. 1]. De grote moderne onderneming werd in twee opzichten het model efficiëntie: het maximaliseerde produktieve capaciteiten door het gebruik van de beste en goedkoopste technologie en door zichzelf te verzekeren van leveranciers en klanten.

  3. In de volgende fase werd een hogere efficiëntie bereikt door het scheppen van de multidivisionele multiproduktonderneming. Ook deze transformatie werd door de markt beïnvloed omdat het ondernemingen de mogelijkheid bood om meerdere gerelateerde produkten te produceren en hierdoor nieuwe markten te betreden. Om de nieuwe multiprodukt-onderneming te controleren werd de multidivisionele vorm uitgevonden. Deze organisatievorm was efficiënt in een nieuw opzicht: het stelde de groei en de rentabiliteit van de onderneming veilig door het spreiden van het risico in diverse zaken.
Deze theoretische noties suggereren dat marktprocessen buiten sociale processen staan en daarom geen verklaring behoeven. In Chandlers verklaring wordt voorbij gegaan aan het feit dat de constructie van sociale instituties de belangen van machtige groepen reflecteert. Er wordt verondersteld dat het prijsmechanisme permanent meer en meer efficiënte vormen van sociale organisatie stimuleert. De efficiëntietypen die in dit perspectief worden behandeld, zijn het resultaat van interacties tussen producenten en consumenten op de markt.[4]


VII Markt Index
Index

Noten

[1] Een schets van het leven en werk van Chandler geeft Thomas McCRAW (ed.) [1988]. Dit boek bevat een kritische discussie over Chandlers werk tussen de econoom Oliver E. Williamson and de socioloog Charles Perrow. Daarin verdedigt Perrow de stelling dat veranderingen in industriële organisatievormen niet worden aangedreven door de efficiency-overwegingen die Chandler benadrukt, maar door het feit dat grote ondernemingen naar macht en overheersing streven.
Andere kritische bijdragen over Chandler's werk zijn Richard DOBOFF en Edward HERMAN [1980], en Arthur STINCHCOMBE [1990; hft. 4]. Zie voor een beoordeling van Chandler vanuit de optiek van industriële organisatie, Richard CAVES [1990]. Een poging om Chandlers benadering van de opkomst van de multidivisionele onderneming met behulp van organisatietheorie en nieuwe historische gegeven te toetsen, is gedaan door Neil FLIGSTEIN [1985 en 1990]. Zijn beoordeling van de opkomst van grote ondernemingen in andere landen is bekritiseerd door Gary HAMILTON en Nicole BIGGART [1988]. In Chandlers werk wordt ook het thema van de rol van de multinationale onderneming aan de orde gesteld. Zie voor een overzichtsartikel over de belangrijkste literatuur hierover Peter EVANS [1981].

[2] In veel industrieën "existing marketers were unable to sell and distribute products in the volume they were produced. ... Once the inadequacies of existing marketers became clear, manufacturers integrated forward into marketing" [CHANDLER 1977:287]. Dit wil niet zeggen dat alle ondernemingen vooruit integreerden en ook niet dat zij dit in dezelfde mate deden. Sommige industrieën koppelden manufactuur alleen met reclame en groothandel; integratie van detailhandel werd niet eens geprobeerd. Dit gold bijvoorbeeld voor de producenten van niet-duurzame goederen: sigaretten, ingeblikt voedsel. graan [idem: 287].

[3] Het interne contractstelsel werd op brede schaal gebruikt door organisaties in de negentiende eeuw en het wordt tegenwoordig in leidende kapitalistische naties zoals Japan, de VS en Engeland nog gebruikt [LITTLER 1982]. De kern van het systeem is dat een ondernemer en eigenaar van kapitaal een aantal interne onderaannemers inhuurt. De individuele onderaannemer onderhandelt met de kapitalist over een totaalbedrag in een contract waarin zij overeenkomen op een bepaalde datum een hoeveelheid goederen te leveren. De onderaannemer huurt hiervoor arbeiders in die binnen de organisatie werken, gebruik maken van haar technologie, grondstoffen e.d. om voor de organisatie waren te produceren.
Het interne contract is de basiseenheid van economische analyse: een economische transactie gedefinieerd als de ruil van goederen en diensten over technologische grenzen. De kosten van de transactie werden vastgesteld door de kapitalist in het initiële contract waarover met de interne onderaannemer wordt onderhandeld. Daarna wordt het overgelaten aan de interne contractant om te bepalen onder welke voorwaarden (hoe, door wie en met welke winst of verlies voor de contractant) de transactie wordt voltooid. In de termen van Williamson: alle kosten van de transactie lijken van de kapitalist verschoven te zijn naar de interne contractant. De onderaannemer moet zelf zorgen voor het toezicht op het werk.
Door horizontale integratie worden de verschillende organisaties onderworpen aan het kader van een omvattende organisatie, waarin het medium van coördinatie het interne contract is. Binnen een organisatie worden de mogelijkheden van eenvoudige, persoonlijke controle gereproduceerd die altijd kenmerkend waren voor kleinere organisaties. Het winstmotief wordt in de interne contractor geïnstitutionaliseerd: het wordt aan de individuele onderaannemer overgelaten om binnen de contractuele verplichtingen aan de moedermaatschappij zijn winst te behalen. Vanuit kapitalistisch gezichtspunt heeft het interne contract een aantal voordelen: het is flexibel in termen van vraagfluctuaties en hun gevolgen voor werkgelegenheid; het verschuift risico's die inherent zijn aan de arbeidsorganisatie, arbeidskwaliteit, grondstoffen enz. naar de contractant; het ontslaat de kapitalist van gedetailleerde kapitaalrekeningen door het mechanisme van de betaling van een vast totaalbedrag ('lump sum contract'); het biedt mogelijkheden voor arbeiders die zelf contractanten willen worden; het genereert een mechanisme waardoor innovatie een kans krijgt in methoden van werkdesign en organisatie.
Ondanks deze duidelijke voordelen begint onderaanneming in het laatste kwart van de negentiende eeuw af te nemen (in VS en Engeland; in Japen pas aan begin van de twintigste eeuw). De transactiekosten begonnen de voordelen te overtreffen. Deze kosten waren verbonden met het controleren van de contracten ('monitoring contracts'). Zij boden bijvoorbeeld weinig controle over kwaliteit of diefstal. Sommige interne contractanten handelden 'opportunistically with guile', d.w.z. zij deden niet precies wat de kapitalisten en de onderaannemers van het hen verwachtten.
Een efficiënter gebruik van de arbeidskracht van de arbeiders vereiste meer gereguleerde contractuele relaties tussen de individuele arbeider en de organisatie. De bureaucratisering van de arbeidsverhoudingen in organisaties werd gestimuleerd door de ontwikkeling van verschillende typen van 'rationaliseringsbewegingen', zoals scientific management [CLEGG/DUNKERLEY 1980:94-6]. Strategisch geplaatste actoren in organisaties zochten naar mogelijkheden om de onzekerheden van de interne markt te vervangen door het scheppen van beheersstructuren die transacties internaliseren, de kosten daarvan reduceren, en dus vanuit een kapitalistische optiek, efficiëntie verhogen [WILLIAMSON 1985:158-61]. Zij probeerden tevens de onzekerheden van externe markten te vermijden door het uitkopen van concurrenten, leveranciers en verkopers.

[4] Zie voor een uitvoerige kritiek op deze benadering FLIGSTEIN [1990: 299 e.v.]. Neil Fligstein vertrekt vanuit een heel ander perspectief. Zijn kernstelling is dat de vormen van sociale organisatie markten produceren en niet omgekeerd. Interessant zijn uitwerking van het onderscheid tussen controle-concepten: direct control, manufacturing control, sales and marketing control, finance control.

Index


Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?