| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|
|
VII Markt Index
|
Het hiervoor bekritiseerde neoklassieke paradigma heeft inmiddels niet alleen een sleutelrol verworven in de sociologie ('rational choice sociology' en ruiltheorie), de politieke wetenschappen ('public choice theory'),[1] het recht (zoals Posner 1977) en de geschiedenis (de nieuwe institutionalistische historici zoals North 1981), maar ook in de psychologie ('balanstheorie')[2] en de antropologie (waar zelfs ongeletterde primitieve stammen worden zo beschreven dat zij hun gedrag conformeren aan de wetten van de neoklassieke economie).[3] Een reden te meer om de kritieken op dit paradigma nog eens op een rijtje te zetten en de contouren van een alternatieve benadering aan te geven.
De neoklassieke economische concept van het eigenbelang is een 'koude leer van de hebzucht'. Zij bevat welbeschouwd een vijfvoudige reductie.
Figuur 8·1 Trechtermodel: reducties van het rationalistisch utilitarisme

Het meest wezenlijke verschil tussen economie en sociologie betreft hun vooronderstellingen over de menselijke natuur. De beroemde homo economicus is een rationele, egoïstische, instrumentele maximaliseerder met vaste preferenties.
De homo economicus is iemand die altijd en onder alle omstandigheden zijn keuzes maakt op basis van zijn welbegrepen eigenbelang. Het probleem met deze opvatting is niet dat er zoveel nadruk wordt gelegd op het feit dat mensen hun eigen belangen nastreven en dat zij hierbij berekenend te werk gaan, dat wil zeggen dat zij hun beslissingen baseren op een meer of minder rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes. Het probleem is dat in deze opvatting wordt verondersteld dat mensen alleen maar rationeel handelen wanneer zij hun eigenbelang dienen met uitsluiting van al het andere. Elke afwijking van het maximaliseren van het eigenbelang wordt daarom als irrationaliteit afgedaan. Universeel egoïsme wordt als definiërend kenmerk en voorwaarde van rationaliteit gezien. Dat is niet alleen absurde opvatting van rationaliteit, maar ook - zoals Amartya Sen benadrukt - een nogal contraproduktieve bewijsvoering. Eerst wordt maximalisering van eigenbelang gelijkgesteld met rationaliteit en vervolgens wordt actueel gedrag geïdentificeerd met rationeel gedrag. Dit is contraproduktief wanneer men een redelijk argument wil geven voor de vooronderstelling in het actueel gedrag de maximalisering van het eigenbelang primair is. Sen vergelijkt dit met een cavalerie aanval op een lamme ezel.
Hoe sterk is de vooronderstelling dat het maximaliseren van individueel eigenbelang het allesoverheersende of primaire kenmerk is van ons feitelijk handelen in economische kwesties?[8] Het is meer dan opvallend dat de aanhangers van deze standaardvooronderstelling in de economische theorie zich zo weinig hebben ingespannen om deze stelling te onderbouwen. George Stigler is hierop een uitzondering. Hij heeft een poging gedaan om de visie te verdedigen dat "we live in a world of reasonably well-informed people acting intelligently in pursuit of their self-interests" [Stigler 1991:190]. Voor de bewijsvoering beperkt hij zich echter tot de volgende voorspelling:
Stigler geeft niet aan op welke gronden hij zijn voorspelling baseert. Hij beweert slechts dat het overheersende geloof van economen is dat mensen zich feitelijk op een exclusief egoïstische wijze gedagen. In werkelijkheid zijn er eigenlijk geen serieuze empirische toetsingen van de nutsmaximaliserende hypothese, noch in de economie, noch in kwesties als huwelijksrelaties of religieus gedrag. Bezweringen van geloofsartikelen zijn er volop, maar empirische data zijn zeldzaam. De claim dat de theorie van het eigenbelang 'will win' is niet gebaseerd op empirische verificatie, maar op een speciaal soort theoretiseren. Het is een type theoretiseren dat moeilijk te onderscheiden is van het propageren van geloofsartikelen. Een voorbeeld uit Dennis Mueller's toespraak als voorzitter van de Public Choice Society: "And, I submit, the only assumption essential to a descriptive and predictive science of human behavior is egoïsm" [Mueller 1986:18]. Amen.
Tegenover de rationalistische en individualistische utilitaire benaderingen kan op heuristische gronden tot een pleidooi worden gehouden voor een strategische handelingsanalyse. Ter verduidelijking van dit perspectief grijpt ik terug op het eerder gemaakte onderscheid tussen traditionele, affectieve, strategische en normatieve handelingsoriëntaties. De feitelijke handelingen en handelingsoriëntaties van actoren in economische instituties zijn altijd complexe mengvormen van deze typen. Om de afstand met instrumentalistische benaderingen te vergroten, zou men kunnen opteren voor een benadering die uitgaat van de genoemde vier handelingsoriëntaties (en hun samenhang met handelingstypen en mechanismen van handelingscoördinatie). Toch zijn er goede inhoudelijke en methodologische redenen om dit niet te doen en uit te gaan van de strategische oriëntatie, strategisch handelen en van de hierdoor geconstitueerde belangensituatie.
Het grote voordeel hiervan is dat de aandacht geconcentreerd word op verschijnselen die anders te gemakkelijk ontsnappen aan de onkritische alledaagse en sociologische blik. Ten eerste kunnen strategische handelingsanalyses van economische instituties een nieuw licht werpen op de ongelijke beschikkingsmacht over produktieve en andere bronnen, en op de bewuste en onbewuste strategieën die leiden tot het ontstaan en de verandering van heersende waardepatronen, normen, culturen en leefwerelden. Ten tweede richten strategische handelingsanalyses de aandacht op de manier waarop culturele bronnen worden gebruikt in strategieën van particularistische belangenbehartiging en juist niet voor processen van consensusvorming.
Figuur 8·2 Strategische handelingsanalyse

De nadelen van benaderingen die uitgaan van op consensus
georiënteerde handelingsmodellen zijn inmiddels goed bekend.
Meestal wordt daarin veel te makkelijk en te snel een autonome
ontwikkelingslogica en dynamiek toegekend aan waarden, normen,
culturen en leefwerelden. Bovendien wordt over deze culturele
aspecten veel te weinig in meervoud gesproken in termen van 'gedeelde'
waarden, culturen enz., in plaats van over rivaliserende, concurrerende,
dominerende en gedomineerde culturen en leefwerelden.
|
Ook Coleman [1990:31] pleit op heuristische gronden voor een strategisch handelingsmodel. Aan het begin van zijn handelingstheorie staat actoren die niet alleen rationeel zijn (hoewel zonder perfecte intelligentie - p. 503], maar ook streven naar hun eigenbelang zonder zich door normen te laten hinderen. "I begin with norm-free, self-interested persons as elements of the theory". Ook hij benadrukt dat men juist vanuit een strategisch handelingsperspectief een beter zicht krijgt op de problematiek van het ontstaan en reproduktie van normen, de aanhankelijkheid van mensen aan normen, de ontwikkeling van een morele code, de identificatie van het eigenbelang met het lot van anderen en de identificatie met collectiviteiten.
|
Voor het onderzoek naar economische instituties en organisaties lijkt het mij daarom het meest vruchtbaar uit te gaan van een strategische handelingsanalyse. Hiertegen is vaak het bezwaar aangevoerd (van Parsons 1937 tot Lockwood 1992) dat strategische handelingsanalyses onlosmakelijk verbonden (of zelfs identiek) zijn met rationalistische of utilitaristische vooroordelen. Dit bezwaar raakt weliswaar een groot deel van de 'mainstream economics', de transactiekosten-economen, de publieke-keuze politicologen, de rationeel-keuze sociologen, maar gaat zeker niet in het algemeen op. De belangrijkste kritiekpunten op het rationalistische utilitarisme zijn inmiddels bekend: de reductie van rationaliteit tot strategische rationaliteit; de theoretische en vaak ook feitelijke miskenning van traditionele, affectieve en normatieve oriëntaties; de grofmaterialistische reductie van de prikkels voor collectief handelen tot materiële of monetaire prikkels; en de egoïstische variant van het utilitarisme.
Een strategische handelingsanalyse is niet per definitie reductionistisch [Bader/ Benschop 1988:71].
Ter verduidelijking van de mogelijkheden en problemen van een strategische handelingsanalyse geef ik een eenvoudig voorbeeld. Stel er zijn twee mensen die samen een restaurant bezitten. De één werkt als kok in de keuken, de ander speelt ober in de bediening. Zij kunnen elkaar beide oplichten. Zij weten echter ook dat als ze daaraan beginnen, hun collega zich de volgende dag zal revancheren door hetzelfde te doen. Het gevolg hiervan is dat het restaurant failliet gaat. Het verlies van gemeenschappelijke toekomstige verdiensten dwingt hen elkaar vandaag niet te bedonderen. Deze uitkomst is niet zozeer het resultaat van gemeenschappelijk waarden (de moraal dat men collega's of medeëigenaren niet mag bedriegen), maar van een min of meer rationele en bewuste calculatie van het eigenbelang, waarbij zowel een afweging wordt gemaakt tussen het individuele en collectieve eigenbelang, als tussen korte- en lange-termijn belangen.
In de uitwerking van dit voorbeeld wordt niet uitgegaan van de vooronderstellingen zoals deze in de speltheorie en de 'rational choice' traditie worden gehanteerd. Ten eerste wordt niet verondersteld dat belangenafwegingen zich slechts uitstrekken tot het strikt individuele belang. In het gegeven voorbeeld zijn de actoren bij voorbaat sociaal gesitueerd en zijn daarom in staat hun eigen belangen als collectieve of gemeenschappelijke belangen te definiëren. Ten tweede wordt niet verondersteld dat de actoren het spel slechts één keer spelen en dat zij daarom bij de articulatie en realisatie van hun eigen belangen geen geheugen, en dus ook geen historisch besef of toekomstperspectief hebben. In het gegeven voorbeeld krijgen de actoren hun weer geheugen terug. Hierdoor zijn zij enerzijds in staat om van oude ervaringen te leren: bij de definitie van hun actuele ervaringen kunnen zij gebruik maken van ervaringen in het verleden. Anderzijds zijn zij mede hierdoor ook weer in staat om hun definities van het eigenbelang in een tijdsperspectief te plaatsen: zij kunnen een onderscheid maken tussen belangen op korte en op lange termijn, en zij maken weer min of meer rationele en bewuste afwegingen tussen hun perspectivisch gedefinieerde eigenbelang op lange termijn, en hun in de actuele verhoudingen gesitueerde eigenbelang op korte termijn. De actoren krijgen dus zowel hun historisch besef als hun anticipatievermogen weer terug.
Wanneer de zowel de kok als de ober uitsluitend hardgekookte opportunisten zouden zijn, dan zouden zij elkaar bij voorbaat van bedrog verdenken: zij zouden beiden vanaf de eerste dag tegenmaatregelen nemen door zelf de boel te bedriegen (beiden zijn uit op het 'first mover advantage'). En omdat zij aan het eind van de eerste dag van elkaar ontdekken dat de ander inderdaad de boel belazerd heeft, zullen zij dat beide volgende dag opnieuw doen. Zonder gemeenschappelijke waarden of moraal en zonder dwang van buitenaf, zouden zij elkaar steeds weer opnieuw belazeren. Het resultaat daarvan is zelfdestructie. Vanuit de individualistische en ahistorische vooronderstellingen van de 'rational choice'- en speltheorie kan dit zelfdestructieve proces alleen worden doorbroken wanneer betrokken actoren een gemeenschappelijke moraal aanvaarden of wanneer zij door dwang van buitenaf verplicht worden om meer rekening te houden met de belangen van anderen. De schadelijke gevolgen van de 'rationeel' calculerende egoïstische nutsmaximaliseerders moeten dus worden beteugeld door een specifieke combinatie van innerlijke overtuiging (fatsoensmoraal e.d.) en uiterlijke dwang (rechtsregels en juridische of politionele sancties).
We hebben gezien dat de verklaringsstrategie aanzienlijk verandert wanneer men de actoren toestaat om bij de definitie van hun eigen belangen afwegingen te maken tussen individuele en collectieve belangen en tussen korte- en lange-termijnbelangen. De kok en de ober kunnen hun restaurant in stand houden omdat zij beseffen dat zij een gezamenlijk belang hebben bij het realiseren van toekomstige winsten (resp. het voorkomen van toekomstige verliezen). Zij ervaren en definiëren dit economische doel elk afzonderlijk als hun eigenbelang. Het besef van dit gemeenschappelijke en perspectivische belang is op zichzelf al een voldoende motief om elkaar niet opportunistisch met list en bedrog tegemoet te treden. Hun louter strategische handelingsmotivatie is dus in eerste instantie krachtig genoeg om elkaar juist niet te belazeren. Door de duurzaamheid van hun werkrelatie zullen zij op basis daarvan waarschijnlijk ook gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen. Zij hebben er zelfs strategisch belang bij om elkaar fatsoenlijk en respectvol te bejegenen.
Dit voorbeeld illustreert dat het hanteren van rationalistische
en utilitaristische vooronderstellingen een aanzienlijke blokkade
vormen voor een nuchtere strategische handelingsanalyse. Door
uit te gaan van een gereduceerde opvatting van het eigenbelang
is men gedwongen om het streven naar collectieve belangen resp.
naar perspectivisch gedefinieerde lange-termijn belangen buiten
de strategische handelingsoptiek te plaatsen. Zij komen - zoals
bij Coleman - alleen weer vertekend in het vizier onder de noemer
van het normatief/moreel gemotiveerde onbaatzuchtige handelen.
Het voorbeeld geeft bovendien een indruk van de mogelijkheden
van een niet reductionistische handelingsanalyse. Het laat zien
(a) hoe men kan verklaren dat er ondanks differentiële en
mogelijk conflicterende individuele belangen toch relatief stabiele
samenwerkings- en vertrouwensrelaties kunnen ontstaan die gebaseerd
zijn op welbegrepen (en dus niet individualistisch of actualistisch
verkorte) definities van het eigenbelang. Het laat bovendien zien
(b) dat men juist door een strategische handelingsanalyse beter
in staat is om aan te geven hoe de uit strategische handelingsoriëntaties
resulterende belangenconstellaties bepalend zijn voor andere typen
handelingsmotivaties. We kunnen hierdoor een beter inzicht krijgen
in de manier waarop geconsolideerde belangensituaties invloed
uitoefenen op gewoontes, zeden en morele codes, op solidariteiten,
en op legitimaties en rechtvaardigheidsopvattingen. En tenslotte
krijgt men hierdoor ook een betere analytische greep op de vraag
(c) op welke punten rekening gehouden moet worden met de (relatief
autonome) werking van traditionele, affectieve en normatieve handelingstypen
en -oriëntaties. Want uiteindelijk zijn ook de ober
en de kok altijd meer dan economische actoren. Het zijn mensen
met een verleden, met eigen tradities, gewoontes en morele codes
die doorwerken in hun werkrelaties en persoonlijke omgang. Het
zijn mensen die zich met sommige andere mensen heel verwant voelen
en die gepassioneerd betekenis hechten aan vriendschap, solidariteit
en collegialiteit. En het zijn mensen die er eigen opvattingen
op nahouden over wat er in hun grote en kleine wereld rechtvaardig
en onrechtvaardig is, en die door hun eigen optreden (of door
hun passiviteit) laten merken wat werkelijk waard is om verdedigd
te worden, en wat veranderd of besteden moet worden omdat het
niet strookt met hun normatieve opvattingen. Strategisch handelingsanalyse
is geen toverwoord waarmee men in één klap alle
complexiteiten en tegenstrijdigheden van het sociale handelen
inzichtelijk kan maken. Het is wel een benadering waarmee men
het meervoudig sociaal gestructureerde handelen van mensen en
de institutionele contexten waarbinnen zij figureren, stapsgewijze
kan ontcijferen.
Index
Eventueel samenvatting van vooronderstellingen van public choice, a la Etzioni, p. 57 e.v. Ook in AM-manuscript.
[2] In de balanstheorie worden groepsleden voorgesteld als individuen die voortdurend de kosten en baten van het lidmaatschap van de betreffende groep berekenen en afwegen. In de balanstheorie komen geen 'betrokken' of 'geïnvolveerde' leden meer voor, er zijn alleen nog maar op eigen voordeel berekenende individualisten. Zie vooral Fritz HEIDER [1958 -The Psycology of Interpersonal Relations], NEWCOMB [1961 - The Aquantance Process]. Ook GRANOVETTER [1973 - The Strength of Weak Ties] maakt gebruik van de psychologische balanstheorie. Zie voor een sociologische verklaring van balansmechanismen: DAVIS [1968548] en KRACKHARDT [1992].
[3] Vgl. SCHNEIDER [1974].
[4] De laatste jaren hebben ook economen meer gedifferentieerde modellen van sociaal handelen ontworpen waarin o.a. meer ruimte is voor coöperatieve handelingspatronen. Zo suggereren bijv. MAITAL/ MAITAL [1981] dat geschikte socialisatie of sanctioneringsmechnanismen ervoor kunnen zorgen dat coöperatie een effectieve lange-termijstrategie voor optimalisering is. SCHOTTER [1981] heeft laten zien dat gewoontes en zeden (customs & habits) een efficiëntere oplossing kunnen zijn voor sommige coördinatieproblemen dan de markt. En NORTH [1981] benadrukt dat gedeelde idealen een van de meest belangrijke mechanismes van coöperatie is dat kan helpen om het 'zwartrijdersprobleem' te overwinnen. Feministische historici - zoals WELTER [1973], COTT [1977], RYAN [1977] - hebben laten zien dat de ontwikkeling van idealen zoals 'manhood' of 'womanhood' een grote invloed hebben op zowel het huiselijke als het arbeidsleven van mensen.
[5] Onder een 'prikkel' (incentive) versta ik de geanticipeerde beloning van een handelingstraject dat een behoeftebevredigend potentieel biedt.
[6] Williamson beschouwt opportunisme als een fundamenteel kenmerk van menselijk handelen. "Economic man ... is thus a more subtle and devious creature than the usual self-interest seeking assumption reveals" [WILLIAMSON 1985:255]. Hij beroept zich hierbij op KNIGHT's [1922/72] analyse van 'moral hazard' (een technische variant van opportunisme); hij zag opportunisme als een endemische conditie waarmee economische organisaties rekening moeten houden. Verder refereert hij aan de analyses van opportunistisch strategisch handelen van GOFFMAN [1969] en SCHELLING [1960]. In mijn reconstructie van de transactiekostentheorie van Williamson heb ik uitvoerige kritiek geleverd op het opportunisme-theorema.
[7] Vgl. BADER/BENSCHOP [1988: 289 -noot 73] en BADER [1991: 28 e.v.]. Zie voor een uitvoerige analyse van het concept van 'rational economic man' en de opkomst van het kapitalisme: HUNG [1986], ELSTER [1979], HIRSCHMAN [1977]. Zie voor een analyse van de samenhang tussen de retoriek van het eigenbelang en 'the rethoric of gender': FALBRE/HARTMAN [1988]. Zij laten zien dat de karikatuur van de rationele economische man altijd zijn pendent heeft gehad in de karikatuur van de irrationele, niet-economische vrouw.
[8] De vraag is dus niet of mensen zich egoïstisch (als individuele nutsmaximaliseerders) gedragen, maar of zij zich onder alle omstandigheden en altijd slechts oriënteren op hun strikt individueel gedefinieerde eigenbelang. De cruciale vraag is dus of er een diversiteit van handelingsmotivaties bestaat, of dat mensen alleen door hun eigenbelang worden gedreven. Men kan het utilitarisme overigens ook vanuit een andere vraag attaqueren: stel dat mensen zich daadwerkelijk op exclusief egoïstische manier zouden gedragen, zouden zij er dan in slagen specifieke gewenste successen behalen, zoals een of andere vorm van efficiëntie?
[9] Een strategisch handelingsmodel (of theorie van rationaliteit) vertrekt vanuit pre-analytische noties over wat actoren in verschillende situaties zouden moeten doen wanneer zij er voor zichzelf het beste van willen maken. (Men kan dit vergelijken met Rawls startpunt voor de constructie van zijn theorie van rechtvaardigheid: we beginnen met intuïties over wat eerlijk of rechtvaardig zou zijn om te doen in specifieke gevallen.) De theorie zelf kan ons dwingen een aantal van onze intuïtieve oordelen te laten vallen of te modificeren, doordat zij ons helpt om overeenkomsten of verschillen te zien die ons anders niet waren opgevallen.
[10] De extreme cognitieve en informationele vooronderstellingen van dit normatieve model zijn uitvoerig bekritiseerd door Veit Bader. Hij wijst er terecht op dat in deze theorietradities veel te weinig aandacht wordt besteed aan de verschillende graden van rationaliteit en met name aan de betekenis van de traditionele en affectieve strategische oriëntatie voor empirisch-historische analyses en daarop gericht theorievorming [BADER 1991:61 e.v., 134].
[11]
Vgl. ook de kritiek van WHITE [1992:298 e.v.] op de 'rationele
keuze theorie' die gemodelleerd is naar neoklassieke micro-economie en dus
exclusief geconcentreerd is op het 'individu'. Zij neemt individuen en
identiteiten voor lief en is gebaseerd op de mythe van het individu als een
elementair deeltje, als een vast gegeven. Individun zijn echter altijd ingebed
in relaties, in series van interactionele, organisationele en maatschappelijke
verbanden. En daarom: "Persons should be derived from, rather than being
presupposed in, basic principles of social action" [idem:8].
EVENTUEEL: uitvoeriger over individualisme (actor perspectief).
[12] Vgl. DAWE [1978:404] over het vermeende analytische primaat van 'instrumentele' handelingsoriëntaties bij Weber.
[13] ETZIONI [1988] introduceert een nieuw beslissingsmodel waarin veronderstelt wordt "that people typically choose means largely on the basis of emotions and value judgements and only secondarily on the basis of locial-empirical considerations" [p. xi], "That people typically select means, nogt just goals, first and foremost on the basis of their values and emotions" [p. 4]. Etzioni zet de neoklassieke leer dus direct op z'n kop: in plaats van het primaat van de rationele nutmaximaliseerder komt het primaat van de gevoelige en ethische mens. Dit primaat heeft m.i. echter dezelfde status als haar spiegelbeeld in de utilitaristische traditie: het is een geloofsartikel en mist derhalve elke empirische grondslag of bewijsvoering.
| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|