| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|
Marktperspectieven op organisaties
VI Transformatie Index VIII Gene zijde
|
De meeste economen die zich tot nu toe op het pad van de organisatiestudies hebben bewogen, zijn daarbij uitgegaan van neo-klassieke economische premissen. De gemeenschappelijke vooronderstellingen van de neo-klassieke economische organisatietheorieën kunnen in een aantal punten worden samengevat.
Het Walrasiaanse model biedt een specifieke visie op ruilverhoudingen en economische instituties. Dit model kan in vier stellingen worden samengevat: (a) anonimiteit van de markt; (b) onverenigbaarheid van concurrerende markten en hiërarchie; (c) afwezigheid van substantiële hiërarchie, en (d) decentralisatie van effectieve macht aan consumenten.
De anonimiteit van de markt zorgt ervoor dat concurrerende markten
onverenigbaar zijn met discriminatie.
Er wordt verondersteld dat elke vorm van substantiële
hiërarchie afwezig is. Volgens Armen Alchian en Harold Demsetz
heeft een onderneming
Het resultaat van deze overwegingen is dat de effectieve macht
naar de consumenten wordt gedecentraliseerd. Deze stelling werd
al door Joseph Schumpeter geformuleerd:
Welke gevolgen heeft dit model nu voor de opvatting van de moderne onderneming als organisatie? In de orthodoxe (neoklassieke) benadering worden ondernemingen beschreven als een produktiefunctie
waaraan een doel van winstmaximalisering kan worden toegeschreven. De allocatie tussen onderneming en markt ('whether
to make or buy') wordt als een gegeven opgevat. De onderneming
wordt dus beschouwd als een monade. Ondernemingen
worden als holistische entiteiten opgevat. Dit betekent dat een
onderneming wordt opgevat als een enkelvoudig verenigd geheel.
In de standaard micro-economische theorie wordt feitelijk geen
onderscheid gemaakt tussen de producenten (de arbeiders die werken
voor loon) en de onderneming. Er wordt verondersteld dat ondernemingen
één doel hebben. Meestal wordt verondersteld
dat het doel is om de winsten of de waarde van de onderneming
op de aandelenmarkt te maximaliseren. Bovendien wordt verondersteld
dat iedereen over perfecte informatie beschikt.
Iedereen weet alles wat relevant is voor besluitvorming over hoeveel
en hoe te produceren (producenten) en hoeveel van wat te kopen
van alle consumptiegoederen (consumenten).
|
In de standaard micro-economie wordt de onderneming beschreven als een (economische of organisatorische) eenheid die een objectieve functie maximaliseert. De objectieve functie van een onderneming beschrijft het doel of de doelen die de onderneming nastreeft. Meestal is dit winst of de waarde van de onderneming op de aandelenmarkt. De objectieve functie kan alleen worden gemaximaliseerd binnen de grenzen die door de produktiefunctie aan de onderneming zijn gesteld. De produktiefunctie beschrijft de relatie tussen een bepaalde combinatie van inputs en de maximale output die een onderneming met deze inputs kan produceren. Stel dat K de hoeveelheid kapitaal is, A de hoeveelheid arbeid, en G de hoeveelheid grondstoffen waarover een onderneming kan beschikken. K kan gemeten worden als het aantal machines, A als het aantal arbeidsuren per periode (aantal werknemers maal het aantal gewerkte uren per periode) en G als het volume of gewicht van grondstoffen. Stel dat Q de maximale kwantiteit van de output is die de onderneming kan produceren bij een gegeven combinatie van K, A en G. De relatie tussen Q en K, A en G als gegeven door Q = Q (K, A, G) wordt de produktiefunctie genoemd. De produktiefunctie beschrijft hoeveel output geproduceerd kan worden met elke combinatie van inputs. Voor gegeven waarden van K en G, neemt Q in het algemeen toe wanneer A toeneemt. Voor een factor met een gegeven aantal machines en een gegeven hoeveelheid grondstoffen, kan de output dus worden verhoogd door meer arbeiders in te huren of door hen te laten overwerken. Op deze wijze kan de output echter niet oneindig worden verhoogd: een verdere stijging van de produktie door het toevoegen van steeds meer arbeid wordt voorkomen door de hoeveelheid grondstoffen die per periode beschikbaar is of door de hoeveelheid kapitaalgoederen. Om de voor de produktie beschikbare inputs te verhogen of te verlagen is tijd nodig. Op korte termijn kunnen slechts bepaalde inputs worden gevarieerd; op lange termijn kunnen alle inputs worden gevarieerd. In veel gevallen is het relatief gemakkelijk om de hoeveelheid grondstoffen die de onderneming in een bepaalde periode koopt te variëren. Om een nieuwe fabriek te bouwen is meestal meer tijd nodig, en daarom kan men stellen dat K slechts op de lange termijn kan variëren. De variabiliteit van arbeid ligt daar ongeveer tussenin. Dit is afhankelijk van het gemak waarmee arbeiders kunnen worden aangenomen en ontslagen of gestimuleerd/gedwongen kunnen worden tot overwerk. Of het mogelijk is de hoeveelheid arbeid te variëren, is ook afhankelijk van het type arbeid. Het is in de regel gemakkelijker om ongeschoolde arbeiders op korte termijn in te huren of te ontslaan dan hoog gekwalificeerde arbeiders. Er is dus een belangrijk onderscheid tussen inputfactoren die zowel op korte als lange termijn gevarieerd kunnen worden en inputfactoren die alleen op lange termijn gevarieerd kunnen worden. Met het onderscheid van deze twee soorten inputs kan de theorie verder worden ontwikkeld. Inputfactoren die op korte termijn gevarieerd kunnen worden, zal ik aanduiden als K, en inputfactoren die alleen op lange termijn gevarieerd kunnen worden met L (in het Engels wordt deze benoeming meestal omgekeerd). K staat dus voor alle inputfactoren die zowel op korte als lange termijn kunnen variëren, zoals grondstoffen en een bepaald deel van de arbeid, terwijl L staat voor alle inputs die alleen op lange termijn kunnen variëren, zoals kapitaalgoederen en andere soorten arbeid. De produktiefunctie met twee inputs is Q = Q (K,L). |
3·1 Hayek: een pilaarheilige van nieuw rechts
In het voetspoor van Max Weber gaan veel sociologen ervan uit dat organisaties noodzakelijk zijn. Vanuit een marginalistisch economisch perspectief hoeft de maatschappelijk orde echter niet te worden georganiseerd. Volgens Hayek is orde iets dat spontaan ontstaat, wanneer 'het wonder van de markt' niet wordt onderworpen aan externe interferentie. Organisaties - particuliere en publieke bureaucratieën - vernietigen de 'spontane orde' waarin markten voorzien [Hayek 1967]. Organisaties staan dus haaks op markten.
De markt wordt dus als een bron van spontane orde opgevat. Het Hobbesiaanse mysterie (hoe komt het dat degenen die hun eigenbelang najagen dit niet voornamelijk doen door geweld en fraude?) wordt door de markt opgelost. Sociale orde komt tot stand door talloze vrije en onafhankelijke beslissingen om te kopen en verkopen op een vrije markt die gecoördineerd wordt door het prijsmechanisme. Dit effect zou door geen enkel systeem van centrale planning bereikt kunnen worden. Organisaties zijn dus een second-best alternatief voor markten (en 'eerlijke' markten worden door organisaties vernietigd).
In The Use of Knowledge in Society [1945] maakt Hayek een vergelijking tussen een marktsysteem en een centraal planningsgezag:
De marktorde is gebaseerd op de vrije beslissingen van vele onverbonden individuen: zij worden met elkaar in relatie gebracht door beslissingen om te kopen en te verkopen. Deze beslissingen worden geëffectueerd door het prijsmechanisme.
Hayek is een van de meest vooraanstaande advocaten van de 'vrijheid door de markt' en een pilaarheilige van 'nieuw rechts'.[6] Natuurlijk keert hij zich niet tegen het bestaan van ondernemingsorganisatie als zodanig. Hij erkent dat organisaties doelgerichte systemen zijn, zeker waar het winstgerichte ondernemingen betreft. Alle andere doelen van een organisatie moeten rigoreus ondergeschikt worden gemaakt aan "the profitable use of the capital entrusted to the management by the stockholders". Dit is nodig om "the single aim" veilig te stellen van het verkrijgen van "the largest return in terms of lon-run profits". Zonder deze toewijding "the case for private enterprise breaks down" [Hayek 1967:300,313]. Organisaties zijn een produkt van het werk van de duivel omdat zij altijd geneigd zijn de 'vrije markteconomie' te vernietigen. Voor winstgerichte ondernemingen maakt Hayek echter een uitzondering. Die uitzondering wordt gebruikt voor een retorische verheerlijking van de zegeningen van het ongebreidelde liberalisme en van de zuiverheid van de markt als de meest heilige van alle instituties. Grote organisaties zijn toelaatbaar zolang elk aspect van hun functioneren ondergeschikt is aan de het marktprincipe van winst als een allesomvattend doel.
Het centrale concept van Hayek is 'vrijheid'. Planning moet worden vermeden omdat het 'de vrijheid' inperkt. De organisationele basis van de calculaties van de kapitalistische ondernemingen worden echter niet opgevat als een reductie van vrijheid. Werknemers die formeel-juridisch niet worden gehinderd om ontslag te nemen en die dus altijd op zoek kunnen gaan naar een andere baan zijn echter wel degelijk onderworpen aan ondernemersdwang. Hayek heeft geen oog voor het asymmetrische karakter van marktrelaties en van contracten. Hij is volledig blind het feit dat marktrelaties tussen loonarbeid en kapitaal tevens asymmetrische machts- en gezagsrelaties zijn. Van Max Weber zou hij hebben kunnen leren dat de uitbreiding van de contractvrijheid in een maatschappij gepaard kan gaan met de ontwikkeling van structureel autoritaire sociale relaties in de arbeidsverhoudingen. De blindheid voor dit probleem is geen idiosyncratische afwijking van Hayek - het is een specifieke kwaal waaraan praktisch alle traditionele marktbenaderingen van de organisatie-analyse leiden.
3·2 Weber: vrijheid en dwang in de contractmaatschappij
De formele juridische gelijkheid in burgerlijke maatschappijen is het gecombineerde effect van de uitbreiding van de markteconomie en de bureaucratisering van de politieke instellingen. Hierdoor werden de feodale particuliere machten en de privileges van groepen die steunden op monopolistische posities afgebroken. Max Weber [WG 419] belicht hiervan het tweeledige resultaat. Enerzijds wordt de autonomie van 'verenigingen' erkend, die formeel universeel toegankelijk zijn, maar praktisch sterk gereguleerd (verenigingsvrijheid: iedereen kan 'zonder aanziens des persoons' een naamloze vennootschap stichten). Anderzijds krijgt iedere burger de macht om zijn eigen 'wet' te creëren door middel van het aangaan van particuliere legale transacties (contractvrijheid: iedereen kan met iedereen een willekeurig contract sluiten). De politieke drijvende factoren achter deze ontwikkeling zijn de machtsbehoeften van de heersers en beambten van de zich versterkende staat. De economische drijvende factoren zijn de belangen van die segmenten van de maatschappij die gericht zijn op verwerving van marktmacht, d.w.z. personen die economisch zijn geprivilegieerd in de formeel 'vrije' concurrentiestrijd van de markt, dank zij hun positie als eigenaren.
De juridisch geregelde relaties hebben zich ontwikkeld tot de 'contractmaatschappij' en het recht zelf tot de 'contractvrijheid', en in het bijzonder tot een systeem van vrije beschikking binnen gereglementeerde transactievormen. Deze ontwikkeling wordt meestal zo geïnterpreteerd dat dit een afname van gebondenheid en een toename van individualistische vrijheid betekent. Volgens Weber is deze opinie in zekere zin formeel correct. In het moderne recht zijn de mogelijkheden om contractuele relaties met anderen aan te gaan waarvan de inhoud volledig wordt bepaald door individuele overeenstemming, en de mogelijkheden om daarbij gebruik te maken van een toenemend aantal rechtsschema's ten opzichte van het verleden immers enorm sterk uitgebreid. Dit geldt in ieder geval voor het gebied van het zakelijke goederenverkeer en voor de persoonlijke arbeids- en dienstrelaties.
De vraag is echter in hoeverre hierdoor nu ook in de praktijk de individuele vrijheid is toegenomen om invloed uit te oefenen op de voorwaarden van het eigen leven of in hoeverre desondanks en deels misschien juist in verband daarmee "de dwangmatige schematisering van de levenswijze" is toegenomen [Weber WG:439]. Uit de ontwikkeling van de rechtsvormen alleen kan men dit in ieder geval niet aflezen.
3·3 De arbeidskrachtenmarkt als voorbeeld
In de 'contractmaatschappij' worden de traditionele persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen teruggedrongen en ontstaat een nieuw type formele persoonlijke vrijheid op basis van zakelijke afhankelijkheidsverhoudingen. De relaties op de 'arbeidsmarkt' zijn hiervan het meest typerende en doorslaggevende voorbeeld. Voordat we overgaan tot een bespreking van marktgerichte organisatietheorieën, zal ik daarom eerst een korte typering geven van de 'arbeidsmarkt'.[7]
De 'vrije arbeidsmarkt' is een markt voor 'vrije' arbeiders (het is geen slavenmarkt). Elke marktdeelnemer treedt op als 'vrije persoon': iedereen heeft volledige beschikkingsmacht beschikt over het eigen arbeidsvermogen. Juist daarom kan iedereen ook alleen zichzelf, d.w.z. zijn/haar eigen arbeidsvermogen verhuren. Het bestaan van een arbeidsmarkt genereert echter op zichzelf al een paar inherente belangentegenstellingen en fundamentele conflicten tussen aanbieders en vragers van arbeidkracht. Arbeidskrachtbezitters trachten hun recht als verkopers tot gelding de brengen: het recht op een arbeidsplaats (zo groot mogelijke werkzekerheid op de werkgelegenheidsmarkt), het recht op een rechtvaardig inkomen (zo hoog mogelijk beloning op de loonmarkt), en het recht op een humaan gebruik van hun arbeidskracht (kwalitatief goed en interessant werk in de arbeidsorganisatie). Ondernemers trachten daarentegen hun recht als kopers tot gelding te brengen: het recht op vrijheid om arbeidsplaatsen naar eigen voorkeur in te vullen (zo soepel mogelijke in- en uitschakeling van arbeidskrachten), het recht om marktconforme lonen te betalen (zo laag mogelijke arbeidskosten), het recht om maximaal gebruik te maken van de ingehuurde arbeidskracht (dispositierecht: flexibiliteit), en het recht op de volledige opbrengst van de arbeidsprestaties (vruchtgebruik: efficiency). Het arbeidscontract waarmee de ruil op de arbeidsmarkt wordt afgesloten institutionaliseert dus een antinomie/asymmetrie tussen tegengestelde belangen, een antinomie/asymmetrie die bekrachtigd wordt door de wetten die de warenruil reguleren. Dit betekent niet dat compromissen kopers en verkopers van arbeidskracht onmogelijk zijn, maar wel dat een duurzame harmonie is uitgesloten.
Het onkritische gebruik van marktmodellen in de analyse van organisaties heeft tot grote logische en empirische fouten geleid [Robins 1987:68]. Natuurlijk zijn niet alle auteurs die een marktgerichte benadering voorstaan ervan overtuigd dat organisaties een produkt zijn van het werk van de duivel. De meeste moderne auteurs doen organisaties niet af als illegitieme entiteiten, maar proberen juist hun ontstaan, reproduktie en transformatie te verklaren. Zij nemen daarbij enige afstand van 'de fictieve fenomenologie van de markt' (Clegg) met zijn vrije, ongebonden en perfecte rationaliteit omdat dit zo'n weinig overtuigende voorstelling geeft van het merendeel van de economische transacties. Het uitgangspunt van deze auteurs is niet de vrije ruil, maar georganiseerde transacties. Het sleutelbegrip van deze theoretici is efficiëntie.
4·1 Vooronderstellingen van marktmodellen
In marktgerichte referentiekaders wordt uitgegaan van een aantal specifieke vooronderstellingen. Deze kunnen in de volgende punten worden samengevat.
|
Aan Adam Smith worden meestal twee basisideeën toegeschreven. Ten eerste dat mensen zich feitelijk rationeel oriënteren op hun strikt individuele eigenbelang (ubiquiteit van egoïstisch handelen). Ten tweede dat zij hierdoor een bepaalde efficiëntie bereiken en een algemeen belang dienen (efficiëntie van egoïstisch handelen). Ik zal deze beide opvattingen kort refereren en daarbij een paar kritische kanttekeningen plaatsen. In Wealth of Nations keert Smith zich tegen bureaucratische barières en andere legale en traditionele beperkingen voor economische transacties die handel en produktie op kapitalistische grondslag in de weg staan. Hij wil laten zien waarom en hoe normale transacties in de markt worden uitgevoerd en hoe arbeidsdeling werkt. Daarbij benadrukt hij dat wederzijdse voordelige transacties zeer gewoon zijn. Mensen gaan niet werken uit sociale gedrevenheid of naastenliefde, maar om geld te verdienen. Om dat te bereiken kan iemand als zelfstandig producent optreden en zijn produkten op de goederenmarkt verkopen, of hij kan zijn arbeid op de arbeidsmarkt aanbieden en loon ontvangen. Als er veel vraag is en weinig aanbod, zal de prijs of het loon hoog zijn, en omgekeerd. Door de hoge prijzen zullen zich echter nieuwe producenten op de markt melden, en zullen meer mensen een bepaald beroep kiezen als de beloning daarvoor hoog is. Op deze wijze wordt het geringe aanbod van een bepaald produkt of een soort arbeid sterk uitgebreid, zodat aan de hoge vraag kan worden tegemoet gekomen. Door dit grote aanbod gaan de prijzen dalen tot een evenwichtsprijs is bereikt. Bij deze prijs zijn aangeboden en gevraagde hoeveelheid aan elkaar gelijk. De gerichtheid op het eigenbelang zorgt er toch voor dat het algemeen belang gediend wordt. De grondgedachte van Smith's Smith's Wealth of Nations is inderdaad misleidend eenvoudig: "de genialiteit van Smith schuilt in de erkenning dat de prijzen de activiteiten van miljoenen mensen die ieder hun eigenbelang nastreven, kunnen samenbundelen, zodat tenslotte iedereen ervan profiteert. De economische orde komt tot stand als een niet bedoeld gevolg van de handelingen van mensen die hun eigenbelang nastreven" [Friedman 1981:33].[13] I n het marktsysteem gebeurt alles automatisch, alsof het gedreven wordt door een onzichtbare hand (Maar in het gezin zou volgens Smith de 'helpende hand' moeten prevaleren; egoïsme zou daar onnatuurlijk, ineffiënt en onfatsoenlijk zijn). Het anonieme marktmechanisme zorgt ervoor dat er precies in de maatschappelijke behoefte aan een bepaald produkt of bepaald soort arbeid wordt voorzien. Een fundamentele en noodzakelijke voorwaarde hiervoor is wel dat er voldoende concurrentie bestaat. Door de werking van een op volledige concurrentie gebaseerd prijzenstelsel ontstaat er een optimale economische orde. Het marktsysteem leidt in dit concept niet tot machtsconcentratie maar tot machtsverdamping. Smith werd sinds het begin van de 19e eeuw aangeroepen als de patroonheilige van de homo economicus. Zijn visie op de zelfregulerende markte maakte hem tot grondlegger van het economisch conservatisme. Liberale economen beriepen zich op zijn werk om het najagen van individueel eigenbelang in een 'vrije' markt te legitimeren. Toch zou men ook op dit punt niet voorbij gaan moeten gaan aan de eigenzinnigheid van Smith. Want tegenover de verheerlijking van het kapitalisme als efficiëntste accumulatie van rijkdom staat zijn pessimisme over het dehumaniserende potentieel van het industrieel kapitalisme (dat volgens sommige auteurs een anticipatie is van Marx's theorie van de vervreemding).[14] Bovendien is het nogal problematisch om Smith als grondlegger te beschouwen van de idee van de ubiquiteit en efficiëntie van egoïstisch gedrag. Smith erkende dat veel van onze handelingen (vooral in economische transacties) feitelijk worden gemotiveerd door eigenbelang. Maar aan het najagen van het eigenbelang kende hij geen superieure rol toe.[15] Bovendien is het streven naar eigenbelang volgens hem niet voldoende voor het totstandbrengen en reproduceren van een 'good society'. Hij hecht in dit verband veel meer waarde aan 'prudence' (prudentie, wijsheid), dat hij beschouwde als een combinatie van 'reason and understanding' en 'self-command' (dat niet geïdentificeerd moet worden met 'self-love' en zeker niet met 'self-interest').[16] Voor Smith zelf gaat prudentie veel verder dan het maximaliseren van het eigenbelang. Onder bepaalde omstandigheden is het ook volgens hem om redenen van prudentie (waaronder 'menselijkheid, rechtvaardigheid, generositeit en geest voor de publieke zaak') noodzakelijk het eigenbelang op te offereren. |
4·2 Kritieken op marktgerichte benaderingen
De problemen met en bezwaren tegen dit soort benaderingen zijn
grotendeels bekend.[17] Ik zal me hier beperken tot een paar hoofdpunten.
Ten eerste is natuurlijk niet alle interactie contractueel. De ruil van goederen of diensten moet dus niet worden geïdentificeerd met een contract. Een belangrijk deel van het economisch handelen is niet-contractueel.[18] De vraag is dus veeleer onder welke voorwaarden bij economische transacties de contractuele relaties zullen domineren. Contracten zijn instrumenten voor het geleiden van ruil. Een contract moet ook niet worden geïdentificeerd met een tekst waarin een overeenkomst wordt vastgelegd. Een contract is een meer of minder geformaliseerde en geïnstitutionaliseerde regeling tussen twee of meer actoren die gebaseerd is op wederzijdse gedragsverwachtingen (concreter: beloftes). Een contract impliceert twee onderscheiden elementen: (i) een rationele planning van de transactie rekening houdend met alle eventualiteiten (toekomstige contingenties) die voorzien kunnen worden, en (ii) het bestaan of gebruik van actuele of potentiële juridische sancties om naleving van het contract te induceren of niet-naleving te compenseren [Macaulay 1963/92:266; vgl. ook Macaulay 1977].[19]
Ten tweede wordt er te eenzijdige nadruk gelegd op het verschijnsel van vertrouwen dat marktpartijen in elkaar stellen. Niet alleen het verschijnsel van vertrouwen, maar ook dat van de schending van vertrouwen vereist echter een aparte verklaring.[20] Hoe ontstaat de fides bona, het goede vertrouwen en het eerlijk optreden in zuiver economische transacties. In de meeste marktmodellen wordt vertrokken vanuit het neoklassiek geïnspireerde model van elkaar wantrouwende egoïstische nutscalculatoren die altijd bereid zijn elkaar met list en bedrog te overtroeven, indien dit heimelijk kan gebeuren en/of indien de mogelijke sancties bij ontdekking kleiner zijn dan de door opportunistisch gedrag verworven voordelen.[21] In deze constructies - die populair zijn bij zowel rational choice sociologen (zoals Coleman 1980) als bij speltheoretici (zoals Dasgupta 1990 - verschijnt vertrouwen slechts als resultaat van voorafgaande transacties, gebaseerd op rationele calculaties, efficiënte stelregels en wantrouwen. Wanneer bijvoorbeeld een ondernemer de kredietwaardigheid van een klant bij een aantal transacties heeft nagetrokken, wordt het rationeel om dit daarna niet meer te doen, ervan uitgaande dat de transacties relatief klein zijn en dat de kosten van deze controle relatief hoog zijn. Het relatief hoog niveau van vertrouwen wordt niet geïnterpreteerd als resultaat van een goede socialisatie of van affiniteit met morele standaarden, maar als resultaat van eerder herhaalde controles op betrouwbaarheid, van zeer kleine verliesricico's, of van te hoge verificatiekosten. De institutionele beheersvormen en de duurzaamheid van contractuele relaties maken het eenvoudig te duur om zich van malversaties te bedienen: zij produceren dus geen vertrouwen, maar een functioneel substituut daarvoor.[22] In andere economische en organisatiesociologieën wordt daarentegen een bepaalde mate van vertrouwen verondersteld omdat institutionele regelingen alleen niet in staat zijn om geweld en fraude, list en bedrog te voorkomen. Meestal blijft echter onduidelijk wat de oorzaak is van dit vertrouwen.[23]
|
Er is een toenemende tendens om vertrouwen te beschijven in calculernde terem. Zowel voor de rational choice sociologen als de speltheoretici wordt vertrouwen opgevat als een subklasse van risico. Het ontstaan van institutionele en persoonlijke vertrouwensrelaties wordt in de tranactiekosteneconomie omschreven als een aspect van de 'fundamentele transformatie' [Williamson 1985:61 e.v.]. Wanneer handelspartners substantiële investeringen doen in transactiespecifieke bronnen worden zij sterk van elkaar afhankelijk en gaan zijn grote waarde hechten aan de continuïteit van de handelsrelatie.
|
Ten derde wordt er onvoldoende afstand genomen van de oude individualistisch-utilitaristische opvatting waarin economische actoren worden gereduceerd tot egoïstische nutsmaximaliseerders, tot mensen altijd en alleen maar één doel voor ogen staat: maximale bevrediging van het strikt individuele eigenbelang.[24] Er wordt hierbij impliciet of expliciet een (minstens) drieledige reductie doorgevoerd. Eerst wordt menselijke rationaliteit inhoudelijk gereduceerd tot strategische (op eigenbelang gerichte) rationaliteit, vervolgens worden de prikkels die het strategisch handelen van individuen motiveren, gereduceerd tot materiële of monetaire prikkels, en tenslotte wordt de beroemde homo economicus ook nog eens gereduceerd tot een egoïst van het zuiverste water in wiens antropologische inborst geen enkele ruimte is voor collectieve handelingsmotieven of voor solidariteit. Deze grofmaterialistische en egoïstische variant van het utilitarisme vormt het hart en de ziel van de neoklassieke economische en sociologische modellen en werd door Oliver Williamson met kracht in het organisatietheoretische debat geïntroduceerd.[25]
Ten vierde wordt evenals in het traditionele marktperspectief het asymmetrische karakter van marktrelaties en van contracten verwaarloosd. Marktruil impliceert meestal geen ruil of transactie tussen gelijken: een of meer partijen hebben machtsvoordeel dat in de 'ruil'relaties wordt gereflecteerd. Dit manifesteert zich in het feit dat er een verschil is in de hoeveelheid bronnen die één actor moet investeren om een vergelijkbare eenheid van een andere actor te verwerven. Er wordt dus voorbij gegaan aan het feit dat marktrelaties zeer vaak tevens asymmetrische machts- en gezagsrelaties zijn. Gezagsrelaties zijn meestal veel complexer dan contractrelaties. Het is moeilijker zich uit een gezagsrelatie terug te trekken ('exit optie'). Bovendien bevat een gezagsrelatie een bredere reeks activiteiten dan die in een contract zijn gespecificeerd.
Tenslotte is het opvallend dat ondanks alle empirische en theoretische kritiek het geïdealiseerde beeld van markten met volledige concurrentie nog steeds in leven wordt gehouden. Dat komt niet alleen omdat zelfregulerende economische structuren voor velen politiek zo aantrekkelijk zijn. Het heeft ook te maken met het feit dat men door de eliminatie van de maatschappelijke, organisationele en interactionele contexten uit economische analyses het ordeprobleem uit de intellectuele agenda kan schrappen, althans in de economische sfeer: in competitieve markten die geweld en fraude uitsluiten, zouden repressieve politieke structuren overbodig zijn.
Er zijn twee marktgerichte benaderingen die een verklaring geven
voor de vraag waarom, waar en wanneer bureaucratische organisatiestructuren
overheersen. De economische historicus Alfred DuPont Chandler
[1977,1984] benadrukt dat organisatie een efficiënt antwoord
was op marktdruk. De andere benadering is de transactiekosten-economie
Oliver E. Williamson [1975, 1981, 1985]. Hij interpreteert het
ontstaan van (grote) organisaties als een antwoord op marktfalen.
In een ander artikel heb ik de transactiekosten benadering van
Williamson onder de loupe genomen.
Index
VIII. Gene zijde
[2] "A market populated by such homines economic is an anonymous and impersonal place. Gone are the sentimental considerations and personal obligations that might dilute or confound the relentless logic of profit-seeking. Social relations are subordinated to the cash-nexus and become commodified and commercialized. The rational market appears to be a truly Hobbesian world" [CARRUTHERS 1994:165]. Onder ideale marktcondities (zoals homogene goederen, afdwingbare contracten, lage transactiekosten, en goed geïnformeerde handelaren) treedt volgens JEVONS [1931: 90 e.v.] de Law of Indifference in werking: degenen die op de markt kopen zouden onverschillig zijn t.o.v. de specifieke waren die zij aanschaffen en t.o.v. degenen van wie zij deze kopen. Economisch rationele actoren zouden alleen maar aandacht besteden aan kwantiteit en prijs en zouden alle andere kenmerken negeren.
[3] Volgens Hayek zullen er altijd ongelijkheden blijven bestaan die onrechtvaardig lijken voor degenen die daaronder lijden. De teleurstellingen die daarvan het gevolg zijn worden als 'onverdiend' ervaren. Wanneer deze ongelijkheden optreden in een centraal geleid economisch systeem zullen mensen daarop heel andere reageren dan in een stelsel waarin zij niet het gevolg zijn van iemands bewuste keuze. "Inequality is undoubtedly more readily borne, and affects the dignity of the person much less, if it is determined by impersonal forces, than when it is due to design. In a competitive society it is no slight to a person, no offense to his dignity, to be told by any particular firm that it has no need for his servives, or that it cannot offer him a better job" [HAYEK 1944:79].
[4] Ook BECKER [1968, 1971] beschouwt discriminatie als irrationeel vanuit het standpunt van winstgevendheid. Wanneer werkgevers bijv. weigeren om vrouwelijke werknemers in dienst te nemen, ook al zijn zij net zo produktief als mannen, drukt dit de rentabiliteit. Rationele werkgewers zouden onverschillig moeten zijn voor het 'ras' of gelsacht van werknemers. Een rationele ondernemer maakt zich zorgen over de marginale produktiviteit van de arbeid, en niet over de huidskleur, het geslacht of het geloof van zijn werknemers.
[5] In zijn latere analyses is DEMSETZ [1988:145] op dit punt aanzienlijk kritischer. Hij neemt daarin afstand van het economische model van volledige concurrentie waarin gezagsverhoudingen geen rol spelen bij de coördinatie van bronnen. Hij onderkent het problematische gehalte van deze rationalisering van de economische functie van (management) gezag.
[6] Hayek formuleerde zijn meest geruchtmakende en invloedrijke bijdragen als in de jaren '30 en '40. In zijn meer recente bijdragen heeft hij zijn visie op een aantal punten geamendeerd, maar niet wezenlijk gewijzigd. Vergelijk hiervoor zijn boek The Fatal Conceit: The Errors of Socialism uit 1988.
[7] Zie voor een uitvoeriger analyse: BENSCHOP [1994c - Arbeidskrachten tussen markt en macht]. Ms.
[8]Deze samenhang tussen arbeids- en gezagsverhouding werd door diverse auteurs uitgewerkt. Met betrekking tot de kapitalistische arbeidswijze sprak Adam Smith van 'command over labour', Marx van 'Disposition über Arbeitsvermögen' en 'Autorität des Kapitalisten' [MEW 23:377; Resultate: 19; Grundrisse: 165] en Weber van 'autoritäre Befehlsgewalt', 'Unterwerfung unter eine Herrschaft' en 'Untertanenbeziehung' [WG: 123, 388, 439 e.v., 543]. Vgl. RENNER [1926/65:88]. Zie voor de controverse over het criterium van 'command over labour': MEEK [1973:60 e.v.], KORVER [1989:3,289 e.v. en boekuitgave 1990:1,173].
[9] Gezagsverhoudingen zijn specifiek geformaliseerde en gestabiliseerde machtsverhoudingen. Vgl. BADER/BENSCHOP [1988:223].
[10] "Arbeidsvermogen en arbeidsprestatie blijven altijd gekoppeld; ze kunnen niet van de persoon, de mens, gescheiden worden" [JUNGGEBURT 1989:77]. Vgl. MOLLEMANS/ PROOS [1983:10], STROOSNIJDER [1983: 12].
[11] Deze gedachte van Adam Smith is sindsdien in alle toonaarden en tot op vervelens toe herhaald. Zoals o.a. blijkt uit dit citaat gebruikt Smith de term 'self love' in plaats van 'self-interest'. Sinds Rousseau wordt onder 'self-love' ('amour de soi-même', 'zelfliefde', 'liefde voor zichzelf') verstaan de instinctief verankerde behoefte aan zelfhandhaving, dat elk levend wezen hecht aan zijn eigen voortbestaan en dat onder specifieke omstandigheden in tegenspraak kan komen te staan met de zelfhandhavingsdrift van anderen. ROUSSEAU [1755/1983:47 e.v., 104, 128, 158] noemt de 'liefde voor zichzelf' het natuurlijke prioriteitsgevoel. Dit wordt gecontrasteerd met 'vanity' ('amour propre', 'eigenliefde', 'ijdelheid'). Daarmee worden behoeften aangeduid die pas door vergelijkende referentie aan anderen worden geconstitueerd en die daarom pricipieel in tegenstelling staan tot hun behoeften aan 'eigenliefde'. Zie voor een nadere analyse van deze problematiek: BADER/BENSCHOP [1988:108 e.v.].
[12] Zie de kritieken van CLEGG [1989b], CLEGG/BOREHAM/DOW [1986], ETZIONI [1988], SEN [1987/ 92].
[13] Het eigenbelang is voor Smith een krachtige verbindingsschakel tussen het etisch en het economisch handelen van mensen. Zijn stelling is dat het dat het op eigenbelang gerichte individu onbedoeld de rijkdom van een maatschappij voor al haar leden maximaliseert: "by directing that industry in such a manner as its produce may be of the greatest value, he intends only his own gain, and he is in this, as in many other cases, led by an invisible hand to promote an end which was no part of his intention. Nor is it, always the worse for the society that it was no part of it. By pursuing his own interest he frequently promotes that of the society more effectually than when he really intends to promote it" [SMITH 1776/1993:292]. De gedachte van de onbedoelde maatschappelijke uitkomsten was voor veel denkers van de Schotse Verlichting gebruikelijk.
[14] In de Wealth of Nations worden daadwerkelijk een aantal van de belangrijkste nadelen van het kapitalisme geanticipeerd. Smith maakt zich nog geen zorgen om het feit dat de machinerie de menselijke arbeidskracht vervangt, maar wel over de bedreiging van individuele integriteit en sociale harmonie. De repetetieve deelarbeid die mensen mensen die onder restrictieve voorwaarden verrichten, leidt volgens Smith tot een 'mentale verminking' [SMITH 1776/1993:435]. Wanneer de arbeider vanaf zijn vroege kindheid voor het grootste deel van elke dag telkens weer een beperkte reeks eenvoudige handelingen verricht, heeft "no occasion to exert his understanding, or to exercise his invention. ... He naturally loses, therefore, the habit of such exertion, and generally becomes as stupid and ignorant as it is possible for a human creature to become ... His dexterity at his own particular trade seems, in this manner, to be acquired at the expence of his intellectual, social, and martial virtues." [idem:429 e.v.]. Het beeld dat hij schetst van het nieuwe type ondernemer, van 'those who live by profit' is al evenmin rooskleurig. De koopman of 'master-manufacturer van Smith is in het gunstigste geval een amorele figuur, egoïstisch, beperkt gemotiveerd, en niet te vertrouwen. Hij behoort tot "an order of men, whose interest is never exactly the same with that of the the publick, who have generally an interest to deceive and even to oppress the publick, and who accordingly have, upon many occacions, both deceived and oppressed it" [idem:157-8].
[15] Dit in tegenstelling tot George Stigler's be(z)wering van dat de visie van Adam Smith kan worden samengevat in de simpele leuze: "self-interest dominates the majority of man" [STIGLER 1975:237]. Ik kom hieronder (in hoofdstuk VIII, § 1) nog terug op de bewijsvoering die Stigler aanvoert voor de stelling van het ubiquitaire egoïsme.
[16] De notie van 'self-command' wordt uitgewerkt in zijn Theory of Moral Sentiments. Hij ontleende dit begrip aan de stoïcijnse folosofen. Smith maakt zeer duidelijk hoever 'self-command' afstaat van 'self-interest'. Volgens de Stoïcijnse leer moet de mens zichzelf niet beschouwen als "something seperated and detached", maar als "a citizen of the world, a member of the vast commonwealth of nature". In het belang van deze grote gemeenschap "he ought at all times to be willing that his own little interest should be sacrificed" [SMITH 1790: 140].
[17] In mijn kritiek op de transactiekosten benadering van Williamson ben ik uitvoerig op deze bezwaren ingegaan [BENSCHOP 1994b].
[18] Vgl. in dit verband al DURKHEIM's uiteenzetting over de non-contractuele basis van contracten [1933:211,215 - The Division of Labor in Society. New York: Free Press].
[19]
Macneil's concept van relationele contracten vertoont
hiermee veel verwantschap. Hij benadrukt dat contracten zich uitstrekken over
een bepaalde tijdsperiode (en niet ad-hoc). Dit wordt het meest uitvoerig
behandeld door MACNEIL [1980]. Williamson probeert Macneil's benadering in zijn
eigen werk over transactiekosten te integreren. [WIILLIAMSON 1985: hft. 2 en 3;
1979].
De relatie tussen economie en recht is door vele auteurs onderzocht.
DURKHEIM's beroemde analyse van het contract ('in a contract not everything is
contractual') staat in The Division of Labor in Society [Eng. vert.
1984], pp. 154-165. De opkomst van het moderne contract analyseert hij in
Professional Ethics and Civic Morals [eng. vert. 1965]. Zie voor moderne
rechtssociologie de literatuur die wordt aangehaald door Lawrence M. FRIEDMAN,
Litigation and Society [1989]. Zie voor recht en maatschappij in
marxistisch perspectief: Karl RENNER, The Institutions of Private Law and
Their Social Functions [eng. vert: 1949]. en Steven SPITZER, Marxist
Perspectives in the Sociology of Law [1983]. Zie voor recht en economie.
R.H. COASE, The Firm , the Market, and the Law [1988] en Richard POSNER,
The Economics of Justice [1988]. Een algemeen leerboek is dat van Robert
COOTER en Thomas ULEN, Law and Economics [1988]. Zie voor een algemene
kritiek op de beperkingen van contractuele analyses: Alan FOX, Beyond
Contract: Work, Power and Trust Relations [1974].
[20] Zie voor een algemene analyse van vertrouwensrelaties: COLEMAN [1990:91-116], LUHMANN [1979 -Trust and Power. New York: John Wiley]. Vgl. ook GRANOVETTER [1985:59].
[21] Zie voor een theoriehistorische reconstructie van deze gedachte: HIRSCHMAN [1977].
[22] Vgl. GRANOVETTER [1985:487]. Inmiddels heeft ook WILLIAMSON [1994:97] zich aangesloten bij deze kritiek: "Albeit vitally important to economic oranization, such substitutes should not be confinded with (real) trust." Hij wijst er daarbij terecht op dat (echt) vertrouwen, dat in duurzame relaties kan ontstaan, naar twee kanten kan uitwerken: de ervaring kan immers goed zijn (meer vertrouwen), maar ook slecht (minder vertrouwen). Wanneer de contracten van beide soorten worden vernieuwd, zal dit zich manifesteren in differentiële contracten [CROCKER/REYNOLDS 1993[. Ev. verder met Williamson 1994:97.
[23] Vgl. AKERLOF [1983] over de oorsprong van 'eerlijkheid' en ARROW [1974:26] over het ontstaan van een 'gegeneraliseerde moraliteit'. GRANOVETTER [1985:60] wijst erop dat er inderdaad zoiets zoals als een 'gegeneraliseerde moraliteit' bestaat. Anders zou men al bang zijn om een winkelier een briefje van 25,- te geven indien men iets gekocht heeft dat maar 20,- kost. Het probleem is echter dat men een beroep doet op een gegeneraliseerde en automatische reactie, terwijl moreel handelen in het economisch leven nauwelijks automatisch of universeel is. Granovetter stelt daar tegenover dat economische ruilrelaties zijn ingebed in concrete persoonlijke relaties en structuren ('netwerken') en dat hierdoor vertrouwen ontstaat en malversaties worden ontmoedigd. "The widespread preference for transacting with individuals of known reputation implies that few are actually content to rely on either generalized morality or institutional arrangements to guard against trouble." De meeste economen beweren echter dat er een belangrijke prikkel is om niet te malverseren, nl. de kosten van het beschadigen van de eigen reputatie [zie in plaats van velen: WILLIAMSON 1985: 121, 138, 181, 194, 259 e.v., 376 e.v., 395 e.v., 406 e.v.]. Granovetter noemt dit "an undersocialized conception of reputation as a generalized commodity, a ratio of cheating to opportunities for doing so".
[24]
De Nederlandse sociaal-liberaal Van Houten (van het kinderwetje)
had hierbij al zo zijn bedenkingen. "De theorie, dat elk individu, aan
zichzelven overgelaten, het noodige inzicht en de vereischten geestkracht bezit
om zijn belangen 't best te dienen, is slechts juist voor de economisch
uitstekenden, onjuist daarentegen voor de groote menigte, voor het middenslag,
dat zonder bijzondere organisatie het slachtoffer der vrijheid wordt. De leer
dat ieder, door voor zichzelven te zorgen 't best het algemeen belang
bevordert, m.a.w. de leer der harmonie der belangen, - is onwaar. Op de staat
rust de plicht in dien strijd der belagen ervoor te waken, dat de zwakken niet
onderdrukt worden" [Van HOUTEN 1875:75 - "Over den invloed van wetgeving op
de verdeling van rijkdom", in: Vragen des Tijd]. Zie BERVOETS [1993: hft. 4
over de sociale kwestie en het sociaal-liberale schuldbesef].
Het blijft opmerkelijk dat veel hedendaagse sociale wetenschappers nog
steeds alles willen afleiden uit (of terugvoeren naar) het eigenbelang alsof
het een natuurlijk of noodzakelijk startpunt is. "It is a perculiar feature of
the sociology of present-day economics that this odd ambition should be so
prevalent" [McPHERSEN 1984:77-8].
[25] "Why should it be uniquely rational to pursue one's own self-interest to the exclusion of everything else? It may not, of couse, be at all absurd to claim that maximization of self-interest is not irrational, at least not necessarily so, but to argue that anything other than maximizing self-interest must be irrational seems althogether extraordinary" [SEN 1987/92:15].
| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|