UvA
Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

VI
Transformatie

§ 4 Conventies, recht en geweld

door: Albert Benschop

  1. Economische zeden en gewoontes
  2. Solidariteiten
  3. Belangen
  4. Conventies, recht en geweld
    4·1 Privileges, rechten en eigendom
    4·1·1 Privileges en rechten
    4·1·2 Sociale begrenzing
    4·1·3 Temporele begrenzing
    4·1·4 Eigendom
    4·2 Conventies en wetten
    4·2·1 Conventies
    4·2·2 Rechten
    4·3 Fysiek geweld
  5. Legitimiteit

V Integratie Index VII Markt


4 Conventies, recht en geweld

De mechanismen van handelingscoördinatie die we hiervoor hebben behandeld reproduceren en transformeren de bestaande economische structuren en instituties op een min of meer onbewuste wijze. Zeden en gewoontes, solidariteiten en belangen zijn niet als zodanig gericht op het instandhouden of veranderen van de bestaande verhoudingen, maar hebben wel aanzienlijke gevolgen voor hun stabiliteit. We stappen nu over naar een aantal mechanismen van handelingscoördinatie die wel direct en bewust gericht zijn op het instandhouden of veranderen van economische structuren en instituties. In deze paragraaf komen de zogenaamde 'uiterlijke' mechanismen van handelingscoördinatie aan de orde: conventies, recht en geweld aan de orde. In de paragraaf 6 wordt het 'innerlijke' mechanisme van handelingscoördinatie behandeld: legitimiteit.

4·1 Economische privileges, rechten en eigendom

4·1·1 Privileges en rechten
Door de conventionele of wettelijke normering van feitelijk toegeëigende economische kansen wordt zowel de intra- als intergenerationele reproduktie van economische verhoudingen uiterlijk gegarandeerd. Ik heb deze vorm van garantie uiterlijk' genoemd omdat men niet in de legitimiteit van conventionele of rechtsregels hoeft te geloven om rekening te houden met de maatschappelijke geldigheid ervan. Ook dieven houden rekening met het feit dat de eigendoms- en strafwet geldig is. Deze erkenning van de geldigheid van de eigendoms- en strafwetten komt tot uiting in het feit dat de dief zijn criminele praktijken zoveel mogelijk probeert te verheimelijken. Dit 'rekening houden met' betekent niet dat de dief normatief instemt met deze eigendomsregels.

Economische privileges zijn het resultaat van een zodanige ongelijke verdeling van feitelijke beschikkingsmacht over bronnen en beloningen dat een effectieve (en dus afdwingbare) claim op economische kansen mogelijk is. Of en zo ja door wie en in welke mate deze claims als legitiem of legaal worden erkend doet hierbij niet ter zake. Economische privileges zijn dus gedefinieerd als feitelijk toegeëigende economische kansen. In de economische en sociologische literatuur worden voor de feitelijke beschikkingsmacht vaak andere termen gebruikt zoals 'bezit' of 'economisch eigendom' (in onderscheid van 'juridisch eigendom'). Het nadeel van het begrip 'bezit' is dat het enerzijds refereeert aan 'feitelijke beschikkingsmacht', anderzijds aan 'juridisch bezit'. Om deze slingerbeweging tussen sociologische en juridische connotaties te vermjiden, zal hier het begrip 'feitelijke beschikkingsmacht' en 'economische privileges' worden gebruikt. Het nadeel van het begrip 'economisch eigendom' is dat het vooral gebruikt wordt als een rechtsbegrip. In deze analyse gaat het er juist om te laten zien dat er een essentieel verschil bestaat tussen economische privileges (gedefinieerd in termen van 'feitelijke beschikkingsmacht') en juridisch gegarandeerde beschikkingsmacht (economische rechten en eigendom).[1]

Wanneer economische privileges uiterlijk worden gegarandeerd door conventies en/of door recht nemen zij de vorm aan van economische rechten. Economische rechten zijn dus gedefinieerd als conventioneel of wettelijk gegarandeerde economische privileges. Economische rechten kunnen zowel in sociaal als in temporeel opzicht beperkt zijn.

4·1·2 Sociale begrenzing: differentiatie, delegatie en limitatie
In sociaal opzicht kunnen economische rechten op drie manieren worden begrensd: door differentiatie, door delegatie en door externe limitatie.

  1. Differentiatie van economische rechten
    De beschikkingsmacht over economische objecten is in werkelijkheid een complexe bundel van verschillende deelbeschikkingsmachten of afzonderlijke bevoegdheden. De beschikkingsmacht over objecten beperkt zijn tot (een bepaalde combinatie van) het recht op gebruik, het recht op genot, het recht op dispositie of het recht op veruiterlijking of overdracht. In verkoopcontracten worden meestal alle rechten van de koper overgedragen op de koper. In sommige koopcontracten wordt echter het beding opgenomen dat men het betreffende object niet mag doorverkopen (zoals bij sommige wapencontracten), niet mag verhuren of kopiëren (zoals bij vidio's of computerprogramma's). In alle pacht-, huur- en leencontracten worden voorwaarden opgenomen waarin de beschikking over het gebruik, het genot, de dispositie en de veruiterlijking wordt verdeeld tussen verpachters en pachter, verhuurders en huurders, verleners en leners. Gepachte, gehuurde en geleende objecten mogen niet aan derden worden doorverkocht of overgedragen. Men mag huurhuizen niet voor bedrijfsdoeleinden gebruiken en men mag bedrijfspanden niet als particuliere woning inrichten. Men mag particulier gehuurde video's niet voor commerciële doeleinden gebruiken. Men mag ingehuurde arbeidskrachten niet niet met fysiek geweld disciplineren en men mag ze niet misbruiken voor seksuele genotsdoeleinden. Men universitaire gezagsposities niet gebruiken om zich op koste van studenten te verrijken. Enzovoort, enzovoort.

    Een van de in dit kader meest besproken onderwerpen is de vraag inhoeverre de 'klassieke' kapitalistische eigendomsvorm zich empirisch heeft gedifferentieerd. In de klassieke kapitalistische eigendom waren het genotsrecht en het dispositierecht geïntegreerd. Het in kapitaaleigendom geïmpliceerde genotsrecht is een erfelijk overdraagbaar recht op een regulier arbeidsloons inkomen in de vorm van interest of dividend ('kapitaal als eigendom'). Het dispositierecht resp. de controlebevoegdheid in kapitalistisch georganiseerde arbeidsprocessen is afgeleid van de feitelijke en juridisch gegarandeerde beschikkingsmacht over directe of produktieve bronnen ('kapitaal als functie'). Genots- en dispositierecht zijn in de loop der tijd tot op zekere hoogte empirisch gedifferentieerd. Door de opkomst van naamloze en besloten vennootschappen heeft enerzijds geleid tot een spreiding van het aandelenbezit. Hierdoor is een er categorie van genieters van eigendommelijke genotsrechten ontstaan wier controlerende en of disponerende macht verwaarloosbaar klein of louter fictief is. Anderzijds bleven de strategisch relevante beschikkings- en beslissingsmachten over kapitalistische ondernemingen in handen van grote preferentiële aandelenbezitters. Het privé-eigendom van de afzonderlijke aandeelhouders is gereduceerd tot het inkasseren van dividenden (beperkt genotsrecht of recht op vruchtgebruik) en het verhandelen van bezitstitels (recht op overdracht). Hieraan is slechts een uiterst geringe juridische beschikkingsmacht verbonden die feitelijke irrelevant is. De kleine niet-preferente aandeelhouders zijn couponknippers' zonder enige controlerende of dispositiemacht. Hun beperkte genotrecht zou door een (egalitair of meritocratisch gemotiveerde) stevige dividendpolitiek en een drastische belastingheffing zo ver kunnen worden teruggebracht dat zij als juridische eigenaars geen enkele beschikkingsmacht meer kunnen uitoefenen. Hun eigendomstitels zouden hierdoor tot lege, papieren rechtstitels worden teruggebracht, terwijl de institutionele beleggers en banken de enige feitelijke economische eigenaars zouden blijven. De definitieve beslissingsmacht over kapitalistische arbeidsorganisaties kan dus niet alleen intern worden gedelegeerd, (zie onder) maar ook extern worden gerealiseerd. In dat geval berust de definitieve strategische beslissingmacht (inclusief het selecteren, aanstellen en ontslaan van topmanagers) in handen van eigendomsbelangen buiten de betreffende arbeidsorganisatie en worden zij gecontroleerd door handels- en financiële ondernemingen (institutionele beleggers en handelsbanken). De feitelijke beheerders zijn immers altijd de beheerders van de beheerders. De feitelijke dispositie- of controlebevoegdheden zijn dus verdeeld tussen coalities van grote aandeelhouders, raden van commissarissen, en diverse afdelingen van de ondernemingsleiding [Scott 1979:38; Zeitlin 1979, 1989; Bader/Benschop 1988: 260,380; Bottomore/Brym 1989].

  2. Delegatie van economische rechten
    De economische rechten kunnen aan anderen worden gedelegeerd. Dit geldt met voor het dispositierecht. Het meest bekende voorbeeld hiervan is de wijze waarop in het moderne kapitalisme de ondernemersfuncties (toezicht op en leiding van het arbeidsproces) worden gedelegeerd. We hebben hiervoor gezien dat de feitelijke dispositierechten of controlerende bevoegdheden worden verdeeld over grote aandeelhouders, raden van commissarissen en de ondernemingsleiding. Deze bevoegdheden kunnen op hun beurt weer formeel en feitelijk in verschillende mate worden gedelegeerd [White 1992].[2] Door de toenemende complexiteit van kapitalistische arbeidsorganisaties waren kapitaaleigenaars genoodzaakt steeds meer ondernemersfuncties te delegeren naar een specifieke categorie van loonafhankelijken. De met toezichthoudende en leidinggevende functies belaste employés ('managers') genieten een bijzonder vertrouwen en krijgen een aantal privileges (toezichtsloon of loyaliteitsrente) en bijzonder volmachten. De beschikkingsmachten of bevoegdheden van managers zijn echter niet volledig ('nominaal') gedelegeerd, want zij kunnen desgewenst door kapitalisten/eigenaars worden teruggenomen. Deze bevoegdheden zijn ingebouwd in de maatschappelijke organisatie van de arbeid en daaraan ontlenen managers binnen zekere grenzen werkelijke autonomie en macht

    Empirische vragen
    Het empirisch onderzoek naar positie en levensstijl van het management concentreert zich op de volgende vragen:
      Structurele positie
    1. Hoe en op grond van welke criteria worden leden van het topmanagement gerekruteerd?

    2. Hoe sterk is de burgerlijke bias in het rekruteringspatroon?

    3. Hoe relevant zijn verwantschapscriteria (sociale herkomst) in vergelijking met individuele prestatiekwalificaties of de diploma's die deze moeten indiceren?

      Levensstijl

    4. In hoeverre genereren deze eliteposities in arbeidsorganisaties een specifieke, van traditionele kapitalistische eigenaars onderscheiden habitus en levensstijl, handelingsmotivaties en belangendefinities, zelfopvatting en collectieve identiteit?

    5. In hoeverre laten managers zich meer dan kapitalistische eigenaren inspireren door een sociaal verantwoordelijkheidsbesef (geen streven naar winst maar naar groei, geen persoonlijk gewin maar continuïteit)?
    Zie voor een analyse van de structurele positie van managers: Benschop [1993: hft. viii] en voor een analyse van hun werk- en levensstijlen: Scase/Goffee 1989].

    Om inzicht te krijgen in de relatie tussen de feitelijke machtskansen in ondernemingen en de geformaliseerde delegatie van beslissingscompetenties moeten twee onderscheidingen worden gemaakt.

    1. Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de afzonderlijke bevoegdheden en de relevante bevoegdheden moeten nauwkeurig worden omschreven. De meest cruciale thema's in organisatiestudies zijn daarom gericht op de vraag 'waarover worden feitelijk en/of rechtmatig beslist?' en op de vraag 'wat is de relevantie van de genomen beslissingen?' In dit verband wordt meestal een onderscheid gemaakt tussen strategische en operationele beslissingen. Strategische beslissingen leggen de fundamentele parameters vast waarbinnen bedrijven als onderdeel van kapitalistische ondernemingen moeten handelen. Het zijn beslissingen over investeringen en financiering, over de juridische structuur van de onderneming en over de rekrutering van topmanagement. Operationele beslissingen betreffen het dagelijkse bestuur van afzonderlijke bedrijven. Het zijn beslissingen over verkoop en budgettering, de selectie van middenmanagement, en over de planning, inrichting en controle van de produktie.[3]
    2. Ten tweede moet er een onderscheid worden gemaakt tussen geformaliseerde en feitelijke delegatie van bevoegdheden. In goede organisatiestudies wordt daarom altijd aandacht besteed aan de vraag in welke mate strategische beslissingsbevoegdheden ('echte managementsfuncties' of gezagsfuncties) feitelijk dan wel formeel zijn gedelegeerd. Bovendien moet daarbij worden onderzocht in welke mate managementsfuncties functioneel gespecialiseerd zijn, d.w.z. hoe sterk de professionalisering van leiding, toezicht en controle is voortgeschreden. Tenslotte moet er - vooruitlopend op het volgende thema - onderzocht worden in welke mate de (meer of minder gedifferentieerde en gedelegeerde) beslissingmachten extern gelimiteerd worden door 'derden', zoals door wetgeving op gebied van arbeidsvoorwaarden, medezeggenschap en milieu.

  3. Externe limitatie van economische rechten
    Economische rechten kunnen extern worden gelimiteerd. Zij kunnen extern worden gelimiteerd door de feitelijke of juridische beschikkingsmacht van anderen particuliere rechthouders en door boven particuliere actoren staande soevereine politieke eenheden. De actoren worden bij de uitoefening van hun economische rechten extern beperkt door de rechten van andere actoren: het gebruiksrecht van een landbezitter wordt extern beperkt door het gebruiksrecht van de naburige landbezitter (bijvoorbeeld in verband met de risico's van zich verbreidende grondvervuiling), het recht op gebruik van huur- of koopwoning wordt beperkt door het vergelijkbare recht van de buren. De houders van economische rechten worden bovendien beperkt door algemene conventionele of wettelijke regelingen: de economische rechten van alle actoren worden extern gelimiteerd door belastingverplichtingen (afroming van genotrecht van inkomens- en vermogenstrekkers), door premieverplichtingen, door onteigeningscondities (bij verwaarlozing van de eigendom of bij aanleg van wegen of spoorlijnen), door wettelijke reguleringen van de arbeidsverhoudingen (met betrekking tot arbeidstijden, kinderarbeid, sluitingstijden, medezeggenschap), door de economische politiek van lokale en nationale overheden (van lokale bestemmingsplannen tot nationale investeringsvoorschriften), en - helaas zowel 'last' als 'least' - door milieuwetgeving. Alle economische transacties voltrekken zich expliciet of impliciet onder het bekende voorbehoud: 'behoudens de wet'. Ik beperk met tot een bekend voorbeeld. Een ondernemer die een werknemer in dienst neemt verwerft daarmee het gebruiks-, dispositie- en genotrecht over deze arbeidskracht. In de uitoefening van deze rechten wordt de ondernemer enerzijds beperkt door de rechten van de werknemer: werkneners behouden hun onvervreemdbaar recht op beschikking over de eigen persoon (het is geen slavernij), maar ook over de eigen arbeidskracht (de werknemer heeft het recht zijn arbeidscontract te verbreken om met een willekeurige andere ondernemers een nieuw contract af te sluiten). Anderzijds wordt de ondernemer in zijn handelen extern beperkt door conventionele of wettelijke regelingen ten aanzien van arbeidstijden, minimale hoogte van het te betalen arbeidsloon en minimale omvang van het aantal arbeidsdagen, uitsluiting van kinderarbeid en bepalingen ten aanzien van minimum-jeugdlonen, regelingen met betrekking tot openings- en sluitingstijden, voorschriften met betrekking tot medezeggenschap (zoals wet op ondernemingsraden en medezeggenschapscommissies), bepalingen ten aanzien van oneigenlijk gebruik van arbeidskrachten (zoals dreigen of toepassen van fysiek geweld, seksueel misbruik) informatieverplichtingen bij fusies en bedrijfsluitingen, verplichte afdracht van sociale premies enzovoort.

Economische privileges (feitelijke beschikkingsmacht over economische bronnen en beloningen) zijn in moderne kapitalistische economieën zelden totaal dichotoom verdeeld en economische rechten (conventioneel of wettelijk gegarandeerde privileges) zijn nooit 'volledig' of 'absoluut'. Integendeel, de economische rechten vertonen juist een groot aantal gradaties: zij zijn bijna zonder uitzondering in meer of mindere mate gedifferentieerd, gedelegeerd en extern gelimiteerd. Dit betekent omgekeerd dat uitsluiting van de feitelijke en juridische beschikkingsmacht over bronnen en beloningen in de regel gradueel en slechts bij uitzondering totaal is. Een volledig dichotome structurering van de beschikkingsmachten is slechts een ideaaltypische denkconstructie. Volledige economische rechteloosheid is hoogstens een ideaaltypisch grensgeval - meestal is het een produkt van verhitte agitatie en overtrokken propagandisme.

4·1·3 Temporele begrenzing
In temporeel opzicht kan de beschikkingsmacht over objecten al dan niet beperkt zijn tot een bepaalde tijdsperiode.[4] Bij een temporeel beperkte toeëigening kan de termijn van het recht al dan niet van te voren zijn vastgelegd. Bij een getermineerd recht wordt de periode van de toeëigening bij voorbaat vastgelegd. Deze periode kan zeer kort, maar ook zeer lang zijn. Een voorbeeld van een kortdurend recht is het gebruiks- en dispositierecht dat men verwerft bij het huren van een auto of video, of door het kopen van een kaartje voor een filmvoorstelling. Een voorbeeld van een langdurend is een pacht- of huurcontract van honderd jaar of een hypotheekcontract van dertig jaar.

Sommige economische privileges en rechten zijn echter helemaal niet aan een specifieke, van te voren bepaalde tijdsperiode gebonden. Ook bij een ongetermineerd recht kan de termijn van de toeëigening zeer kort of zeer lang zijn. Wanneer in een onderneming een bepaalde beslissingsbevoegdheid 'tot opzegging' wordt gedelegeerd, kan deze bevoegdheid na zeer korte tijd weer worden teruggenomen; ook leverantie- of huurovereenkomsten zonder contractueel vastgelegde tijdslimieten kunnen onder bepaalde voorwaarden snel en eenzijdig worden verbroken. Een ongetermineerd recht kan echter ook zeer lang duren, zoals bijvoorbeeld bij benoemingen voor het leven. De meest vergaande vorm van een ongetermineerde recht zijn de rechten die in geval van overlijden van de actuele eigenaar worden overgedragen aan een of meerdere personen die door verwantschappelijke of andere sociale relaties met de houder van de rechten verbonden zijn, of aan anderen die door hem/haar worden aangewezen. Dit is niet alleen kenmerkend voor intergenerationeel verwantschaps- of familie-eigendom, maar ook voor onbeperkt organisatie-eigendom (zoals corporatief en staatseigendom). Erfelijke overdracht kan dus zowel plaatsvinden via intergenerationele overdracht op basis van verwantschap als op basis van coöptatie. Dit laatste geldt in het bijzonder voor de houders van topfuncties van ondernemingen die een feitelijk en juridisch verankerd monopolie op de ondernemingsmacht hebben. Zij zijn vergelijkbaar met de vorsten en koninklijke families die hun 'sublieme macht' aan hun troonsopvolgers doorgeven en met het Centraal Comité van de voormalige Sovjet-Unie die haar nieuwe leden selecteerde lang de weg van coöptatie.

In temporeel opzicht bieden erfelijke rechten een maximaal bereikbare stabiliteit van economische structuren en instituties. De reden hiervan is dat door erfelijke rechten de intra- en intergenerationele mobiliteit aanzienlijk wordt beperkt. Dit impliceert dat economische posities langdurig door dezelfde personen worden bezet of dat zij bij overlijden van de actuele houder door hun opvolgers worden geërfd. Door deze overerving worden niet alleen economische rechten overgedragen (gecontinueerd en gestabiliseerd), maar wordt tevens een continue grondslag gelegd voor het ontstaan van een gemeenschappelijk habitus, collectieve levensstijlen, gemeenschappelijke levenservaringen en hechte collectieve identiteiten. De temporele dimensie van economische rechten heeft dus een enorme invloed op de blokkering van sociale mobiliteit (het schept harde mobiliteitsbarrières) en daarmee op de consolidering van in sociaal-cultureel opzicht relatief homogene collectiviteiten. Het meest bekende resultaat hiervan is de relatieve stabiliteit meer of minder sterk gehomogeniseerde beroepsgroepen, organisationele elites en sociale klassen.

4·1·4 Eigendom
Eigendom wordt vaak gedefinieerd als een 'bundel rechten' [Macpherson 1978:3,5]. Dit betekent echter niet dat elke bundel rechten ook als 'eigendom' kan worden beschouwt. Van eigendom is slechts sprake wanneer economische rechten in temporeel opzicht onbeperkt (niet-getermineerd) zijn en erfelijk kunnen worden overgedragen. Eigendom is dus gedefinieerd als een temporeel onbeperkte en erfelijk overdraagbare bundel economische rechten.[5] Daarbij wordt erfelijke overdracht niet beperkt tot het criterium van verwantschap en dus in eerder omschreven betekenis breed opgevat. Eigendom kan in principe twee vormen aannemen: privé-eigendom en gemeenschapseigendom. Privé-eigendom is een bundel rechten die het mogelijk maakt om binnen een bepaald economisch systeem andere actoren van dit systeem van bepaalde objecten uit te sluiten.[6] Gemeenschaps- of maatschappelijk eigendom is het individuele recht van alle actoren binnen het systeem om niet te worden uitgesloten, althans niet van de objecten waarvan geproclameerd is dat zij binnen dit systeem gemeenschappelijk eigendom zijn [Bader/Benschop 1988: 258].

Economische structuren en instituties veranderen zodra er wijziging optreden in de verdeling van de structuur van de privileges, rechten en eigendommen. Verandering van economische structuren en instituties vindt plaats door een bewuste en als zodanig nagestreefde verandering van de conventies en met name van het gepositiveerde recht.

Index


4·2 Conventies en wetten

De reproduktie van economische structuren en instituties wordt uiterlijk gegarandeerd door conventies en wetten. De normering van economische structuren en instituties kan vanuit drie optieken worden onderzocht: de normering van de verdeling van bronnen, beloningen en actoren.
  1. Normering van verdeling van bronnen
    De conventionele en/of wettelijke normering van de duurzaamheid van beschikkingsmacht (getermineerde en niet getermineerde beschikkingsmachten), van de mate van beschikkingsmacht (differentiatie, delegatie en externe limitatie van beschikkingsmachten) en van de objecten van beschikkingsmacht (inclusie van personen of juist beperkt tot goederen of 'zaken'). Economische structuren en instituties worden vooral gegarandeerd door een conventionele of wettelijke normering van de wijze waarop de beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen is verdeeld ('eigendomsrecht') en door de wijze waarop beschikkingsmacht over produktieve bronnen en rijkdommen kan worden verkregen en overgedragen ('erfrecht'). Door deze geïnstitutionaliseerde normering worden niet alleen de bestaande eigendomsverhoudingen gegarandeerd, maar wordt tevens de specifieke vorm van het recht op toeëigening van meerarbeid, dat wil zeggen het recht op exploitatie verankerd en verduurzaamd. De conventionele en wettelijke normeringen zijn echter niet tot eigendoms- en erfrecht beperkt. Er zijn nog andere aspecten van de economische structuren en instituties die conventioneel en/of wettelijk worden genormeerd.
  2. Normering van verdeling van beloningen
    Conventionele en/of wettelijke normering van de beloningen en in het bijzonder de conventies en wetten die de inkomens- en inkomstenverdeling reguleren: normering van tribuut of belastingverplichting, van minimum- en maximuminkomen, van bijdragen aan het sociale zekerheidsfonds en van aanspraken op uitkeringen uit dit fonds.
  3. Normering van verdeling van actoren
    Conventionele en wettelijke normering van economische verhoudingen heeft niet alleen betrekking op de reproduktie van economische posities, maar ook op de allocatie van individuen op economische posities. Het gaat dus ook om de directe normering van economische subjecten en de allocatiecriteria: normering van eigendomssubjecten (individuen, families, stammen, formele organisaties en instellingen, niet-formele georganiseerde groepen van gediscrimineerden) en normering van criteria van sociale sluiting (zoals racistische, seksistische, gerontocratische, regionalistische, nationalistische, clericalistische, meritocratische, expertocratische normeringen).

4·2·1 Conventies

Conventie is een specifiek type van garantie van economische structuren en instituties. Kenmerkend voor conventies is de wijze waarop de geldigheid van de normen uiterlijk wordt gegarandeerd: conventionele regels worden gegarandeerd door het feit dat degene die van de gedragsregels afwijkt de kans loop op "een betrekkelijk algemene en praktisch voelbare afkeuring" [Weber WG:17]. We hebben eerder gezien wat het mechanisme van sociale controle is dat voor economische zeden kenmerkend is. Anders dan bij zeden worden bij conventies de regelmatigheden expliciet opgevat als normen of normerende regels. Conventies objectiveringen van een specifiek soort normatieve gedragsverwachtingen. De normerende regels worden gegarandeerd door het dreigen met of toepassen van negatieve sociale sancties zoals openbare afkeuring en verdachtmaking ('infamia'), uitsluiting, boycot of staking. Conventies worden dus gestabiliseerd door de vrees voor externe sociale sancties die het voor een actor individueel rationeel maken om de in conventies geïmpliceerde normen te respecteren.[7] Om te verklaren waarom mensen soms lijken te handelen tegen hun eigen materiële eigenbelang, hoeft men geen beroep te doen op 'interne variabelen' zoals emotionele gevoelens of rechtvaardigheidsopvattingen. Het is voldoende wanneer men kan aantonen dat het alternatief nog slechter is, d.w.z. dat de tasbare kosten van het schenden van een conventie groter zijn dan de tastbare kosten om ze te respecteren.[8]

Er is al eerder op gewezen dat de normen die het economisch handelen van actoren beïnvloeden in meer of minder vergaande mate zijn geïnstitutionaliseerd. Geïnstitutionaliseerde normen vormen de morele context van de lokale, bedrijfsspecifieke, nationale of internationale economische verhoudingen. Deze morele context bestaat uit een serie dwingende normen en voorkeuren met betrekking tot de relaties tussen economische actoren, en worden grotendeels uitgedrukt in het idioom van patronage, ondersteuning, welwillenheid en hulpvaardigheid. Deze normen worden niet alleen toegepast op gezagsuitoefening ('eerlijke behandeling'), arbeidsrelaties ('verantwoorde beroepsuitoefening'), beloning ('rechtvaardig loon voor fatsoenlijke arbeid'), en alle vormen van economische transacties ('bonafide handel'), maar ook op liefdadigheid (van heersenden of rijken wordt verwacht dat zij 'charitas' bedrijven), het geven van feesten en op het gedrag in de alledaagse omvang (zoals de gepaste wijze van begroeting en de afstand die men daarbij geacht wordt te houden). Actoren die aan deze normatieve verwachtingen voldoen kunnen rekenen op 'respect' en 'sociale erkenning' en worden 'loyaal' behandeld. Het is een 'politics of reputation' (Bailey): in ruil voor steun aan een bepaalde gedragscode krijgt men een goede naam [J.C. Scott 1985:185].

De keerzijde daarvan is een politiek van sociale sancties. Actoren die afwijken van de normen die in de morele context zijn geïnstitutionaliseerd verliezen niet alleen het respect en de loyaliteit van degenen waarmee zij transacties plegen, maar vaak ook van de leden van de eigen economische categorie. Hier volgen een paar voorbeelden.

  1. Het oudste en waarschijnlijk ook het meest voorkomende egaliserende mechanisme in de hele geschiedenis van de mensheid is deeldwang. In primitieve familie-, stam- en clanverbanden werden individuen die door toeval (een uiterst succesvolle jacht) of door persoonlijke kwaliteiten (een zeer behendige jager) een zekere extra rijkdom verwierven, moreel gedwongen om dit met andere leden van de verwantschapseenheid te delen. Vooral de voedingsmiddelen staan onder een sterke deeldwang. De antropoloog Evans-Pritchard [1950:35] heeft in zijn studie over de Afrikaanse stam van de Nuer laten zien dat de plicht om verwanten die minder hebben te helpen er toe leidt dat een Nuer op den duur niet meer bezit dan anderen. Een Nuer die meerdere speren en bijlen bezit, verliest deze op den duur. Dit leidt er onder andere toe dat bijzonder begeerde objecten vaak worden verstopt om later als tegenprestatie voor bijzondere diensten te worden weggegeven. Ook bij andere onderzochte stammen bestaan sterke generositeitsnormen. Wie daarvan afwijkt kan zelfs met de dood worden bestraft [Worsley 1984:88]. In segmentaire maatschappijen bestaat wel ongelijkheid in rijkdom, maar deze is meestal slechts tijdelijk en wordt nog niet duurzaam gestabiliseerd. Verschillen in rijkdom worden intragenerationeel genivelleerd door deeldwang en intergenerationeel door erfelijke overdracht (bezittingen die ouders tijdens hun leven vergaren worden slechts verspreid of gedeeld aan hun kinderen overgedragen). De bezitsverschillen zijn dus transitief omdat zij via sociale herverdeling (deeldwang) of natuurlijke nivellering telkens weer verdwijnen en niet geaccumuleerd kunnen worden.
    Diepverankerde generositeitsverwachtingen zijn ook verantwoordelijk voor het feit dat vooral ook stamhoofden conventioneel verplicht waren hun overtollige rijkdom met anderen te delen, waardoor hun accumulatiemogelijkheden werden beperkt. Voor een aantal Zuid-Amerikaanse stammen is dit verschijnsel gedocumenteerd door Lévi-Strauss.

    "De vrijgevigheid is bij haast alle primitieve volkeren en vooral in Amerika een essentieel attribuut van macht; ze speelt zelfs in deze elementaire samenlevingen, wier materiële cultuur nauwelijks ontwikkeld is, een belangrijke rol. Ofschoon het opperhoofd, wat de materiële bezittingen betreft, geen bevoorrechte positie schijnt in te nemen, moet hij toch altijd over voedingsmiddelen, gereedschap, wapens en sieraden kunnen beschikken, die al zijn ze nog zo armzalig, ten overstaan van de algemene armoede toch een aanzienlijke waarde hebben. Als een individu, een gezin of een hele groep een wens heeft of een bepaalde behoefte gevoelt, doet men een beroep op het opperhoofd om eraan te voldoen. Zo is vrijgevigheid de belangrijkste eigenschap die men van een nieuw opperhoofd verwacht. Het al of niet aanwezig zijn van deze eigenschap beslist over instemming of afkeuring. Men behoeft er dan ook niet aan te twijfelen dat in dit opzicht het opperhoofd tot het uiterste toe wordt uitgebuit" [Lévi-Strauss 1955/85:305 e.v.].

    Kenmerkend voor voor segmentaire maatschappijen is het dominante gelijkheidsbewustzijn en het bewuste streven om de bestaande gelijkheid (met uitzondering van die van vrouwen) in stand te houden.[9] Antropologisch studies bieden opmerkelijke illustraties van egalitair geïnspireerde reacties tegen prominenten (rijke mannen en instanties) en van intimidatie van patriarchen door (vrouwelijke) hekserij. Dorpsroddel, verdachtmakingen en hekserij tegen rijke en machtige individuen zijn een sanctie op de schending van de verwantschappelijke ondersteuningsplichten. Het centrale motief voor reacties tegen rijke, machtige of prominente personen is afgunst en wordt gevoed door de overtuiging dat bijvoorbeeld rijkdom het gevolg is van een onrechtmatige toeëigening [Sigrist 1979:130,190]. Hekserij is het agressieve antwoord van de minder tegenover de meer geprivilegieerden. "Hekserij is het wapen van de zwakkeren en de armen. De rijken en de leiders hebben veel meer te vrezen van hekserij dan de arme man en de volgeling" [E Winter, geciteerd bij Sigrist]. Verdachtmakingen, roddel en karaktermoord zijn sociale sancties waarmee het overtreden conventies wordt bestraft[10] In veel traditionele stammen beheerst men tot op de dag van vandaag zeer goed de kunst om al te autoritaire figuren een toontje lager te laten zingen. Het feit dat gezagsposities buiten het huishouden niet voorkomen, wil niet zeggen dat er geen streven naar distinctie, macht en prestige bestaat. Het streven naar distinctie, macht en prestige wordt echter beperkt door de angst voor sancties. In segmentaire maatschappijen wordt sociale gelijkheid dus beperkt en gestabiliseerd door de empirische gelding van gelijkheidsnormen: gelijkheidsgedrag vloeit niet voort uit een gebrek aan alternatieven, maar uit gelijkheidsnormen. Daarom reageren de leden van segmentaire samenlevingsverbanden zelf op overtredingen van de gelijkheidsnormen. En daarom is het niet tautologisch om te zeggen dat de oriëntatie op gelijkheidsnormen in segmentaire maatschappijen de sociale gelijkheid reproduceert en stabiliseert.@

  2. Zelfs een patrimoniale of feodale heer is iets aan zijn onderhorigen verschuldigd, niet juridisch, maar volgens de traditionele gebruiken, gewoontes en conventies. De heer wordt geacht externe bescherming, in geval van nood hulp te bieden, en zijn onderhorigen op een 'menselijke' wijze te behandelen. Er wordt vooral van hem verwacht dat hij zich bij zijn uitbuiting houdt aan de 'gebruikelijke' of 'normale' beperkingen. Dergelijke normen spelen met name een belangrijke rol in economische formaties die (nog) niet zijn gericht op het verwerven of accumuleren van geld, maar op de bevrediging van de behoeften van de heer. In patromoniale of feodale verhoudingen kan de uitbuiting van onderhorigen worden beperkt zonder de belangen van de heer te schenden, omdat deze nog niet worden gedicteerd door het in principe ongelimiteerde winststreven [Weber WG:583; J.C. Scott 1976]. De landheer die zijn conventionele verplichtingen ten opzichte van zijn pachters verwaarloost, wordt een object van hartgrondige verachting en verliest zijn goede naam. Een kleine pachter die zijn landheer deemoediger dan noodzakelijk bejegent en meer diensten verleend dan waartoe hij conventioneel verplicht is, wordt door zijn dorpsgenoten 'met de nek aangekeken'.

  3. In alle industrialisatieprocessen maakt de opkomende klasse van ondernemers voor eigen doeleinden gebruik van de traditionele onderschikking van de arbeiders, terwijl zij zich in theorie en praktijk proberen te onttrekken aan de daarvan verbonden conventionele verplichtingen ten opzichte van hun arbeiders. Voor de vroege fase van de industrialisatie in Engeland en Rusland is dit uitvoerig behandeld door Bendix [1956]. Een recenter voorbeeld is het verloop van de zogenaamde 'groene revoluties' in Zuid-Oost Azië. De klassenconflicten tussen rijke boeren en arme pachters in Maleisië worden uitgevochten binnen een een traditionele morele context. J.C. Scott [1985] heeft in detail laten zien hoe beide partijen zich strategisch oriënteren op conventies. Ook de rijke boeren in 'Sedaka' zijn niet in staat om zich volledig te onttrekken aan de prekapitalistische normatieve context van het dorpsleven. Daarom proberen zij de toepasbaarheid van deze waarden - waarin zij eens een veel groter gevestigd belang hadden - radicaal te beperken. Wanneer zij zich volledig aan deze waarden zouden houden, zouden zij zich niet meer kunnen onttrekken aan de sociale verplichtingen deze met zich meebrengen en zouden zij de winsten van de 'groene revolutie' aan hun neus voorbij zien gaan [idem:185]. Om de morele context aan te passen aan hun ongelimiteerde winststreven hanteren de rijke boeren verschillende strategieën; maar ook de kleine pachters proberen in hun moleculaire verzet hiertegen juist de traditionele conventies te reactiveren. Zowel de rijke boeren als de arme pachters proberen een zodanige interpretatie van de situatie te geven dat deze prekapitalistische waarden in dienst staan van hun eigen partijdige klassedoelen. Normatieve verwachtingen (i) dat degenen die relaties 'in goede doen' zijn 'genereus' moeten zijn aan hun minder gefortuneerde burren en verwanten (ii) dat dergelijke generositeit zou niet in een vernederende vorm geuit moest worden en (iii) dat nog de rijke noch de arme zich op arrogante of schaamteloze manier gedragen. De inhoud van dit normatieve drama is dit: 'wie is in goede doen?', 'hoe genereus moeten zij zijn?', 'welke vormen moet hun generositeit aannemen?', 'welke vormen van ondersteuning/hulp zijn verenigbaar met waardigheid?', 'welk gedrag is arrogant en schaamteloos?' Binnen deze brede context hebben zowel rijken als armen praktische stategieën ontwikkeld om de normatieve principes zoveel mogelijk in hun eigenbelangen te laten werken [idem: 198].

  4. Prekapitalistische verwachtingspatronen spelen ook in het moderne kapitalisme nog een belangrijke rol en worden in conflictsituatie vaak weer gereactiveerd. Ideologisch worden deze traditionele en conventionele verwachtingen en verplichtingen gearticuleerd in de politieke taal van 'de vaderlijke ondernemer' (als patroon) en 'de fatsoenlijke arbeider' (als cliënt).[11] Ondernemers die zich 'onvaderlijk' gedragen lopen evenzeer kans op algemene afkeuring zo niet verachting binnen een bedrijfsgemeenschap als arbeiders die zich 'onfatsoenlijk' gedragen. Arbeiders en ondernemers kunnen zich strategisch oriënteren op (het bestaan van) conventies. De morele context biedt een kader waarbinnen rivaliserende normatieve definities van wederzijds verplichtingen worden ontwikkeld en waarbinnen de conflicten tussen werkgevers en werknemers worden uitgevochten.

  5. Conventies spelen een belangrijke rol in het gedrag van consumenten. De normerende beïnvloeding van consumentengedrag verloopt via specifieke referentiegroepen (dat wil zeggen personen of groepen die een significante invloed hebben op het gedrag van individuele consumenten). De conformiteitsdrang wordt sterker wanneer er zowel een positieve motivatie is om groepsidentiteit te handhaven als een negatieve motivatie van de dreiging van sancties in de vorm van beloningen en straffen. Conformiteitsdruk beïnvloedt koopbeslissingen, vooral wanneer het gaat om produkten die opvallend in zijn in aanschaf en gebruik en wanneer sociale acceptatie door een groep een sterke motivatie is. Zo krijgen mode-bewuste vrouwen duidelijke signalen van hun referentiegroep waardoor zij geen verdere informatie meer hoeven te zoeken; bij het aanschaffen van nieuwe kleren hebben zoeken velen echter toch bevestiging dat hun keuze 'sociaal correct' is.[12] Reclame-specialisten weten wat de kracht is van het appeleren aan dingen die 'in' zijn. In veel Westerse landen lijkt het effect van conventionalisme (normatieve volgzaamheid) te zijn afgenomen.[13] Maar het afgenomen respect voor sociale normen betekent allerminst dat hun bestaan of effect volledig wordt genegeerd. Symbolen van achting en goedkeurig van verworven consumptiemiddelen bieden nog steeds beloningen en prikkels waardoor mensen in hun bestaande gedrag worden bevestigd en waardoor herhaling van dit gedrag wordt aangemoedigd.

  6. Een trouwe werknemer die zijn ondergeschiktheid zo sterk heeft verinnerlijkt en de normen van de heersende partij als vanzelfsprekend heeft overgenomen dat hij 'de hielen van de baas likt' of zich uitslooft om het gebruikelijke arbeidstempo op te voeren, wordt door zijn medearbeiders niet meer als loyale collega beschouwd en dienovereenkomstig behandeld. Een arbeider die zijn baas niet op een conventionele respectvolle wijze bejegent, wordt door zijn ondernemer met ontslag bedreigd of feitelijk ontslagen. De ondernemer die deze werknemer daadwerlijk ontslaat, loopt het risico hiervoor een staking aan zijn broek te krijgen, omdat hij hiermee andere conventies schendt, of omdat zijn personeel een geheel andere waardering heeft van de in eerste instantie geschonden conventie.

  7. Een ondernemer die een andere ondernemer belazert verliest niet alleen zijn goede naam bij deze handelspartner, maar loopt het risico om binnen de hele bedrijfstak als 'malafide' te worden uitgestoten. Een ondernemer die slechte (onbetrouwbare, gevaarlijke, besmette) waren verkoopt zal voor de betreffende klant zijn reputatie verliezen. Het gevaar is niet denkbeeldig dat zijn dubieuze reputatie zich verspreid en dat waren door een veel bredere, min of meer georganiseerde klantenkring geboycott zullen worden. Daarom is het voor handelspartners van wederzijds belang om garanties in te bouwen waarmee de reputatie-effecten nauwkeuriger en betrouwbaarder worden vastgelegd en ervaringen gedeeld onder belanghebbende partijen [Williamson 1985:121,158, 259 e.v., 376 e.v.]. Dit kan door door collectieve organisatie worden gerealiseerd. Consumenten hebben dit onderkend en hebben hiervoor consumentenorganisaties in het leven geroepen. Toyota en zijn onderaannemers hebben dit eveneens onderkend en hebben hiervoor associaties van leveranciers georganiseerd.

  8. Ondernemers die hun arbeiders slecht behandelen en hen regelmatig een 'lesje' probeert te leren door enige arbeiders te schrobberen, schaden daarmee niet alleen hun reputatie bij hun eigen personeel. Arbeiders zoeken bij andere arbeiders naar informatie over de prestaties die een ondernemer in het verleden heeft geleverd. Sollicitanten beoordelen de ondernemer gedeeltelijk op hun reputatie [Okun 1981: 51]. Ondernemingen met een betere reputatie zijn hierdoor waarschijnlijk in staat om arbeiders tegen betere voorwaarden aan te trekken, en omgekeerd. Reputatie-effecten zijn dus subtiele kwesties. Ondernemingen kunnen hun reputatie op een strategische wijze gebruiken [Williamson 1985:260].

  9. Reputatie-effecten spelen ook een belangrijke rol voor leden van geprofessionaliseerde beroepsgroepen die er een eigen systeem van gedragscontrole op nahouden. Het schenden van de binnen een professionele gemeenschap geldende beroepscodes wordt sociaal gesanctioneerd door het min of meer openlijk aan de kaak stellen van het laakbare gedrag van de betreffende professional. Beroepscodes en -ethieken zijn enerzijds gericht op competentie, vertrouwelijkheid, integriteit en objectiviteit:
    • competentie: het handhaven van een hoog niveau van professionele competentie door voortdurende ontwikkeling van hun kennis en vaardigheden; het uitvoeren van professionele verplichtingen in overeenstemming met relevante wetten, regels en technische standaarden;
    • vertrouwelijkheid: onthouding van ontsluiting van vertrouwelijke informatie, behalve wanneer men hiertoe wettelijk verplicht is; onthouding van misbruik (onethisch of illegaal gebruik) van vertrouwelijke informatie die tijdens beroepsuitoefening is verworven om zichzelf of derde partijen te bevoordelen;
    • integriteit: vermijden van actuele of schijnbare belangenconflicten; onthouding van activiteiten die het onmogelijk maken om de eigen verplichtingen op een ethisch verantwoorde wijze en onbevooroordeeld na te komen; het onderkennen en doorgeven van informatie over de grenzen van de professionele mogelijkheden welke een goede beoordeling of succesvolle uitvoering van een activiteit belemmeren; onthouding van alle handelingen die de professie in diskrediet brengen;
    • objectiviteit: eerlijk en objectief doorgeven van informatie; ontsluiting van alle relevante informatie waarvan men kan verwachten dat deze invloed heeft op het begrip van een gebruiker/cliënt/patiënt van de rapporten, commentaren en aanbevelingen van professionals.
    Beroepscodes zijn anderzijds gericht op meer profane kwesties: door de beperking of regulering van de onderlinge concurrentie worden de door de beroepsgroep gemonopoliseerde kansen beschermd. Door het verbieden van prijscurrentie (door prijsafspraken) is de beroepsgroep in staat beloningen te bedingen die boven de theoretische competetieve marktwaarde van hun marktwaarde van hun diensten ligt.
    Medische en psychotherapeutische specialisten proberen de kwaliteit en betrouwbaarheid van hun diensten te bewaken door zich af te schermen van 'kwakzalvers' en 'charlatans' (achter deze zorg voor goede prestaties gaat meestal het belang schuil dat zij hebben bij beperking van het aanbod van kandidaten voor de privileges en het prestige die aan dit beroep verbonden zijn).[14] Collega's die de regels van de medische ethiek overschrijden riskeren een openlijke reprimande en kunnen zelfs volledig worden uitgesloten van verdere uitoefening hun beroep. Dit kan ook gelden voor artsen die prijsafspraken doorbreken of openlijk gaan concurreren om patiënten. Advocaten die de regels van vertrouwelijkheid doorbreken kunnen evenals accountants die valsheid in geschrifte plegen door hun betreffende ordes op hun vingers worden getikt of uit hun respectievelijke ordes worden verstoten. Bankdirecteuren en beursfunctionarissen die misbruik maken van voorwetenschap om zich persoonlijk te verrijken lopen een - overigens kennelijk geringe - kans om binnen de financiële wereld hun integriteit te verliezen en door collega's als onbetrouwbaar te worden gebrandmerkt.

Het waarborgen van fair play op de effectenmarkt
Misbruik van voorwetenschap komt zelden voor de rechter. In Amerika, waar misbruik van voorwetenschap al sinds 1934 strafbaar is, werd de eerste daadwerkelijke vervolging pas in 1980 ingesteld. In Nederland ligt dat niet veel anders. Een opmerkelijke uitzondering was het unieke strafproces dat in 1992-4 werd gevoerd tegen een aantal financiers van het HCS. Joep Van den Nieuwenhuyzen, Eric Albada Jelgersma, paardenmiljonair Léon Melchior en het effectenkantoor Suez Kooijman werden strafrechtelijk vervolgd voor het feit dat zij over 'koersgevoelige' informatie beschikten voordat zij besloten op 31 juli 1991 vier miljoen aandelen HCS te verkopen. Zij wisten dat de emissie (voor 127,5 miljoen) onderhands zou zijn en dat de uitgiftekoers zou zijn gebaseerd op de koersontwikkeling van de daarop volgende dagen. Dat was geheime informatie. Met deze voorwetenschap probeerden zij zichzelf te verrijken. De hoofdverdachte Van Nieuwenhuyzen zou met de beschikking over geheime informatie ruim 4 miljoen aandelen van het automatiseringsbedrijf HCS op de beurs hebben gedumpt. Bovendien zou hij valsheid in geschrifte hebben gepleegd om dat feit te verdoezelen. Jelgersma, de eigenaar van de levensmiddelengroothandel Unigro, vergoeilijkte zijn optreden door erop te wijzen dat zijn beslissing om HCS aandelen te kopen gebaseerd was op "een vals jaarverslag met een opgeblazen winst en een accountantsrapport vol list en bedrog". Hij meende dat zijn handelwijze "in dit rattennest van list en bedrog" [Volkskrant 25‚3‚94] de enige juiste was. De verdachten werden na tweeënhalf jaar door de Amsterdamse vrijgesproken omdat misbruik van voorwetenschap bij de verkoop van HCS-aandelen niet wettig en overtuigend bewezen kon worden.

Veel juristen trokken hieruit de conclusie dat de in 1989 ingevoerde 'Wet Misbruik Voorwetenschap' bij het oud vuil kan worden bijgezet. Onder druk van de beurs werd door de regering een wettelijke regeling in elkaar gedraaid die de indruk moest wekken dat beleggers in Amsterdam, evenals in New York en Londen met gelijke kansen opereerden. Sinds de introductie van deze wet werden tientallen zaken voortijdig geseponeerd. Bij de enige zaak waar tot nu toe daadwerkelijk strafvervolging werd ingezet, overspeelde het Openbaar Ministerie haar hand tegenover drie van de rijkste mannen van Nederland. De toch al beperkte wetsbepaling werd door de Amsterdamse rechter zo beperkt geïnterpreteerd dat koersorkestratie onder valse naam in Nederland kennelijk geoorloofd is, althans dat de opdrachtgevers vrijuit kunnen gaan. Het proces heeft in ieder geval duidelijk gemaakt hoe moeilijk het is om misbruik van voorwetenschap wettig en overtuigend te bewijzen. Wanneer beleggers met duidelijke voorkennis handelen onder eigen naam of die van een familielid, kunnen zij zich tamelijk gemakkelijk indekken tegen mogelijke strafvervolging. De opsporing en bewijsvoering van misbruik van voorwetenschap wordt door veel factoren bemoeilijkt. Ten eerste lijkt het een slachtofferloos delict omdat beurstransacties massaal en anoniem tot stand komen. Daarom is justitie bijna helemaal aangewezen op aangifte door de toezichthouders op de beurs. Deze toezichthouders kunnen een onderzoek instellen naar verdachte koersbewegingen die een indicatie zouden kunnen zijn van misbruik van voorkennis en koersmanipulatie. Een dergelijk onderzoek loopt echter snel vast, vooral wanneer beursmanipulatoren op professionele wijze gebruik hebben gemaakt van het inschakelen van tussenpersonen in het buitenland. Ten tweede laten beurstransacties weinig sporen na die bovendien gemakkelijk zijn uit te wissen. Het Openbaar Ministerie staat daarom voor enorme problemen om de bewijslast rond te krijgen. Deze problemen zijn alleen maar groter geworden sinds de Amsterdamse rechtbank de bewijslast heeft verzwaard door de eis dat ook de richting van de koersbeweging voorspelbaar moet zijn.

Tot veler verrassing werd Van den Nieuwenhuyzen uiteindelijk toch in hoger beroep veroordeeld. Het Amsterdamse hof achtte misbruik van voorwetenschap in aandelen HCS bewezen en veroordeelde hem op 17 oktober 1994 tot 6 maanden gevangenisstraf (waarvan 3 maanden voorwaardelijk) en een geldboete van 100.000 gulden. Volgens de vice-president J. Willems - die hiermee zijn bijnaam als 'Beul van Amsterdam' bevestigde - heeft de topman van Begemann "het internationale en nationale vertrouwen in de Amsterdamse effectenbeurs geschaad. Ook heeft Van den Nieuwenhuyzen grote financiële voordelen gehad". Het effectenkantoor Suez Kooijman - dat de verkooptransactie voor Van den Nieuwenhuyzen in 1991 uitvoerde - werd door het hof veroordeeld tot een boete van 50.000 gulden. De rechters achtten het bewezen dat het kantoor zich schulig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte om de transactie in HCS-aandelen te verdoezelen. Het onderzoek van het controlebureau van de beurs naar de HCS-transactie werd tegengewerkt door het verspreiden van een valse affairelijst en effectennota, waarin de indruk werd gewekt dat de transactie was gedaan door een buitenlands effectenhuis. De twee andere financiers van de HCS, Albada Jelgersma en Melchoir, waren in dit hoger beroep niet gedagvaard. Het lijkt echter waarschijnlijk dat het Openbaar Ministerie ook deze twee alsnog ter berechting voor het hof zal brengen.

Het Openbaar Ministerie was uiteraard tevreden over de uitspraak. Zij beschouwt de uitspraak van het hof als 'eerherstel voor de officier van justitie' (die tijdens het proces in april nog werd uitgemaakt voor incompetente sufferd). Ook de Amsterdamse beurs - die eind 1991 als eerste haar nek uitstak en zelf aangifte deed van misbruik in de HCS-zaak - reageerde positief op de uitspraak. Het beursbestuur is vooral tevreden over het feit dat het hof op essentiële punten helderheid heeft verschaft in voorkenniszaken.

Dat het hof dit keer de werking van de Wet Misbruik Voorwetenschap aanzienlijk heeft verruimd, is uiteraard niet naar de zin van de veroordeelde multimiljonair, die eind jaren tachtig nog de meest populaire en bewonderde ondernemer van Nederland was.[15] In zijn verdediging had Van den Nieuwenhuyzen aangevoerd dat hij met de transactie de koers van het aandeel HCS slechts had willen 'orkesteren', 'regisseren' of 'stabiliseren' (wat in Nederland niet wettelijk strafbaar is). Tijdens het proces gaf hij toe dat hij niet alleen met aandelen van HVS had gemanipuleerd, maar ook met aandelen van vele andere fondsen. De veroordeelde beursrommelaar is er zelf van overtuigd dat de Hoge Raad hem uiteindelijjk vrij zal spreken. Door zijn strafrechtelijke veroordeling is de reputatie van Begemann topman Van den Nieuwenhuyzen echter zwaar geschonden: wie zal het nog wagen geld te steken in een bedrijf waarvan de eerste man schuldig is bevonden aan misbruik van voorwetenschap?

Economische structuren worden niet alleen uiterlijk gegarandeerd door conventies (sociaal gesanctioneerde normen), maar ook door rechten (juridisch gesanctioneerde regelsregels). De volgorde waarin zij hier behandeld worden impliceert niet dat gevestigde conventies altijd het fundament van rechtsregels zijn en dat de rechtsregels per definitie historisch secundaire of van conventies afgeleide fenomenen zijn. Sommige conventies ontstaan pas nadat er bepaalde rechtsregels langere tijd zijn geïnstitutionaliseerd - conventies kunnen dus ook van het recht zijn afgeleid.

4·2·2 Rechten

Economische structuren en instituties worden uiterlijk gegarandeerd door juridisch gesanctioneerde normerende regels, dat wil zeggen door rechtsverhoudingen. Recht is een specifiek type van garantie. Bij het recht wordt instandhouding van normen en de bestraffing van hun overtreders gegarandeerd door een specifiek type negatieve sancties: het dreigen met of het toepassen van fysiek geweld. Deze sancties worden opgelegd door een disciplinaire ambtelijke staf: justitie, politie, leger, detentie. De juridisch gesanctioneerde regels die een economisch systeem normeren, kunnen in wetten worden gecodificeerd. Dit dat geval wordt het tevens mogelijk dat de in wetboeken vastgelegde rechtsregels zich tot op zekere hoogte losmaken van de normen zoals deze empirisch in de dagelijkse praktijk gelden. Er kan dus een verschil ontstaan tussen de feitelijke empirische gelding van rechtsregels en hun juridisch-dogmatische gelding.

Rechten zijn niet per definitie legitieme rechten en kunnen dus in eerste instantie los van de empirische legitimiteit van rechtsnormen worden geanalyseerd. De empirische legitimiteit van rechtsnormen is altijd een graduele kwestie. De normen die in rechtsregels zijn vervat zijn empirisch gezien immers alleen maar geldig voorzover het handelen van actoren feitelijk in overeenstemming is met de subjectief bedoelde zin van rechtsregels.[16] Bovendien moet er rekening worden gehouden met het feit dat ook de rechtsnormen die in parlementair-democratische rechtsstaten gelden op een aantal punten op gespannen voet staan met de normen van een democratische ethiek. De empirische legitimiteit van rechtsnormen is dus slechts één, in meer of mindere mate relevante grondslag van de rechtsgelding. "Recht is dus niet eenvoudig legitiem, ze is dat niet empirisch en ook niet in de zin van ethische theorieën" [Bader/Benschop 1988:271]. Daarom wordt er in de transformationele economische sociologie niet met een ethisch rechtsbegrip geopereerd, maar met een kritisch sociaal-wetenschappelijk rechtsbegrip.

Dat economische structuren en instituties door rechtsregels worden gegarandeerd is historisch gezien tamelijk evident. Er werd hiervoor al op gewezen dat rechtsregels niet alleen de bestaande verdelingen van bronnen en beloningen sanctioneren (door eigendoms- en erfrecht, door belasting- en sociale zekerheidsrecht), maar ook de verdeling van de actoren over economische posities. Het recht kan echter ook fungeren als een mechanisme waarmee economische verhoudingen en instituties veranderd kunnen worden. De seculiere strijd tussen de economische belangengroepen wordt immers uiteindelijk uitgevochten op het politieke niveau van de maatschappij. Zij wordt uitgevochten in de strijd om de institutionalisering van rechten, d.w.z. om mensenrechten, burgerrechten en sociale rechten.

De politieke strijd tussen de maatschappelijke klassen concentreert zich telkens weer rond de rechten die uitbuitingsverhoudingen gegandereen. Het politieke handelen van leden of vertegenwoordigers van exploiterende klassen is direct of indirect gericht op het behouden en bestendigen van hun gelegaliseerde en gepantserde beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en daarmee van hun aanspraken op de meerarbeid van producerende klassen. Wanneer leden en vertegenwoordigers van geëxploiteerde en afhankelijke klassen de politieke arena betreden dan treden zij meestal op voor het versoepelen of beperken van de rechten die hun exploitatie garanderen en voor het uitbreiden van hun participatie- en democratische beslissingsrechten.

Natuurlijk is zo'n schets van de politieke strijd over rechten die uitbuitingspraktijken en klassenverhoudingen garanderen geen vervanging voor historisch onderzoek naar de concrete politiek-juridische vormen van sociaal-economische strijd. Ze moet echter zeker niet worden verward met een normatieve onderbouwing van concrete democratiseringsprogramma's. Toch wil ik hier attenderen op één bijdrage waarin normatieve perspectieven juist wel een centrale rol spelen. Roberto Unger heeft een stimulerende poging gedaan om een onorthodox programma voor radicale democratisering uit te werken. Met betrekking tot de arbeidsverhoudingen formuleert hij een aantal algemene rechten die erop gericht zijn de tegenstelling tussen toewijding aan gemeenschappelijke belangen ('the common good') en het najagen van particuliere belangen te verzachten en flexibele vormen van arbeidsorganisatie ('softening of contrast between supervisors and supervised') te realiseren [Unger 1987:506-39]. Ik geef in vier punten een impressie van zijn normatieve schets.

  1. Marktrechten zijn de rechten die de economische ruilverhoudingen in de maatschappij moeten garanderen. In tegenstelling tot het bestaande marktstelsel pleit Unger voor conditionele en provisionele rechten die de toegang tot een sociaal kapitaalfonds reguleren. De regels die het gebruik van dit kapitaal regelen moeten in democratische besluitvorming worden bepaald. Ondernemingen zijn vrij om transacties met andere bedrijven aan te gaan binnen limieten van tijd en gebruik zoals voorgeschreven door centrale politieke instanties. Deze marktrechten zouden zodanig moeten worden geïnstitutionaliseerd dat zij verhinderen dat een der marktpartijen een monopolistische (of anderszins democratisch niet te legitimeren) positie kan verwerven.
  2. Immuniteitsrechten moeten het individu beschermen tegen onderdrukking en exploitatie door geconcentreerde publieke of particuliere machten, tegen uitsluiting van belangrijke besluiten die zijn leven beïnvloeden, en tegen extreme economische en culturele deprivatie: vrijheid van geweld, dwang, onderwerping en (absolute en relatieve) armoede. Zij moeten individuen stimuleren om te participeren in collectieve besluitvorming.
  3. Destabilisatierechten moeten het belang van de burgers bij het openbreken van verstarde organisaties beschermen. Zij geven een juridische garantie dat alle instituties en praktijken bekritiseerd en gereviseerd kunnen worden en moeten voorkomen dat deze veranderingsinitiatieven met geweld of repressie worden beantwoord.
  4. Solidariteitsrechten moeten een juridische vorm geven aan sociale vertrouwensrelaties. Zij zouden mensen in staat moeten stellen een meer levensvatbare en verdedigbare versie van 'het communale ideaal' te realiseren dat niet meer in contrast met conflicten of particuliere belangen is gedefinieerd (dus niet als harmonie en altruïsme). "People bound by solidarity rights are prevented from taking refuge in an area of absolute discretion within which they can remain deaf to the claims others make upon them" [idem: 537]. Solidariteitsrechten kunnen natuurlijk voor een belangrijk deel niet formeel worden afgedwongen.

    "The whole constitutional scheme takes away the legal basis for concentrating in a few hands the power to direct other people's labor: its goals, forms and rewards. To prevent the emergence of economic entitlements that enable individuals to control large amounts of labor, property must be disaggregated …: not handed over lock, stock, and barrel to the capitalist, the government, or the enterprise work force. Disaggegrate property (rather than transfer it) is what the reformed regime of capital does" [idem: 508].

In de volgende figuur zijn de typen gedragsverwachtingen en bijbehorende sancties van gewoonten/zeden, conventies en rechten ideaaltypisch in kaart gebracht. @

Figuur 6·2 Handelingscoördinatie, gedragsverwachtingen en sancties


Type gedragsverwachtingen Type sancties
Gewoonten & Zeden Geobjectiveerde gedragsverwachtingen Lichte sociale sancties:
grotere of kleinere ongemakken zoals pesten en treiteren, vaderlijke vermaning
Conventies Geobjectiveerde normatieve gedragsverwachtingen Zware sociale sancties:
betrekkelijk algemene afkeuring d.m.v. verdachtmakingen, en roddel, karaktermoord en hekserij, verstoting en uitsluiting, staking en boykot
Rechten Geobjectiveerde en geformaliseerde normatieve gedragsverwachtingen Juridische sancties:
dreigen met of toepassen van fysiek geweld (politioneel en justitieel geweld; lijfstraffen en detentie

Index


4·3 Fysiek geweld

Het voortbestaan van economische structuren en instituties wordt niet alleen uiterlijk 'gedekt' door conventies en wetten, maar ook door fysiek geweld. Het dreigen met of toepassen van sperieur fysiek geweld door een staf van geweldsspecialisten is de laatste 'dekkingsgarantie' van economische verhoudingen die juridisch en statelijk zijn gegarandeerd. Een werkelijke of dreigende aantasting van de bestaande economische eigendomsverhoudingen en kerninstituties kan met legaal, semi-legaal of illegaal fysiek geweld effectief worden bestreden. Het feitelijke gebruik van of de dreiging met fysiek geweld is daarbij primair, en niet of het gewelddadige optreden legaal of illegaal is. Stakingen die wettelijk gezien legaal waren, werden maar al te vaak gebroken doordat ondernemers hun toevlucht namen tot niet-legaal particulier geweld.

4·3·1 Fysiek geweld als garantiemechanisme
De kans om met legaal geweld een (dreigende) aantasting van de bestaande economische structuren en instituties te bedwingen, berust op het effectieve monopolie op superieure fysieke geweldsmiddelen. De in economisch opzicht krachtigste groepen hebben vaak een geprivilegieerde toegang tot de staatsmacht. In die mate dat dit daadwerkelijk het geval is, en zij dus daadwerkelijk ook als politiek 'heersende klasse' optreden, kunnen de door eigendom en geld geprivilegieerde groepen altijd van dit geweldsmonopolie gebruik maken om een aantasting van hun privileges en rechten te voorkomen en indien nodig rechtstreeks te onderdrukken.

Zo fungeerde destijds het absolutisme als een machtsapparaat van feodale gezags- en uitbuitingsverhoudingen. Het absolutisme was vooral ontworpen om de boeren met geweld terug te dringen in hun traditionele sociale en politieke afhankelijkheidspositie - ondanks en tegenover de winst die zij behaald hadden door de verzachting van hun schulden. De absolutistische staat fungeerde niet als arbiter tussen de oude aristocratie en de bourgeoisie, en was ook zeker geen instrument van de opkomende bourgeoisie tegenover de aristocratie. Het was veeleer het nieuwe politieke schild van de bedreigde adel [Anderson 1974:18 e.v.]. Het politieke regime van de absolute monarch was erop gericht de feodale heerschappij en exploitatie te handhaven in een periode waarin de wareneconomie zich begon te ontplooien. De bloedige geschiedenissen van de onderdrukking van opstandige boeren, en van lokale, regionale en nationale boerenopstanden zijn het gevolg geweest.

Superieur geweld was een doorslaggevende factor voor het ontstaan van zeer uiteenlopende nieuwe uitbuitings- en klassenverhoudingen.

Geweld vormt in zekere zin het uitgangspunt van de kapitalistische arbeidswijze en speelt in ieder geval een prominente rol in de periode van de zogenaamde oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal.[17] Zodra de kapitalistische economische verhoudingen en instituties eenmaal zijn gestabiliseerd en genormaliseerd, treedt het gebruik van direct fysiek geweld meer en meer naar de achtergrond. Dit betekent natuurlijk niet dat er in uitzonderingssituaties geen geweld meer wordt gebruikt om het voortbestaan van de kapitalistische klassenverhoudingen te garanderen. De reproduktie van deze verhoudingen wordt echter primair veroorzaakt door het formeel vreedzame proces van kapitaalaccumulatie en de formeel geweldloze toeëigening van de door loonarbeiders geproduceerde meerwaarde.

De genese van een specifieke arbeidswijze en van de daarin verankerde klassenverhoudingen moet duidelijk worden onderscheiden van haar economische structuur en dus ook van de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de reproduktie en transformatie van deze structuur. Marx' retrospectieve analyse van de oorspronkelijke accumulatie is hiervan het klassieke voorbeeld. Het is een genealogie van de elementen die de structuur van de kapitalistische arbeidswijze vormen. Bruut geweld speelt een cruciale rol om het scheidingsproces tussen arbeiders en arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen en aan de ene pool de maatschappelijke produktie- en bestaansmiddelen in kapitaal om te zetten en aan de andere pool de volksmassa te veranderen in loonarbeiders. Zoals het geld 'met natuurlijke bloedvlekken op de ene wang ter wereld komt' (Augier), zo 'wordt het kapitaal geboren van kop tot teen, uit alle poriën, druipend van bloed en vuil' (Marx). Het verschil tussen de gewelddadige oorzaken van het ontstaan en de reproduktieve oorzaken van het bestaan van de kapitalistische arbeidswijze werd door Marx als volgt samengevat.

Zodra de kapitalistische arbeidswijze op haar eigen benen staat, treedt bij haar uitgebreide reproduktie het geweld naar de achtergrond. "Buiten-economisch, direct geweld wordt weliswaar nog altijd toegepast, maar slechts bij wijze van uitzondering" [Marx MEW 23:765; vert. 575]. In Marx' visie wordt het voortbestaan van de kapitalistische verhoudingen en instituties primair veroorzaakt door het formeel vreedzame economische proces van kapitaalaccumulatie. Wanneer de loonarbeid-kapitaalverhouding zich eenmaal historisch heeft ontwikkeld, creëert het haar eigen bestaansvoorwaarden. Het kapitaal schept zijn eigen vooronderstellingen, namelijk die van de beschikkingsmacht over objectieve arbeidsvoorwaarden voor de toeëigening van meerwaarde. Zo wordt geld pas kapitaal als gevolg van vooronderstellingen die extern aan het kapitaal zijn. Zodra het kapitaal als zodanig bestaat, schept het zijn eigen bestaansvoorwaarden middels zijn eigen produktieproces [idem:363].[18] Dit wijst er eens te meer op dat het onderzoeksstrategisch van belang is een inhoudelijk-methodisch onderscheid te maken tussen de structurele vooronderstellingen van de kapitalistische arbeidswijze en de specifieke historische voorwaarden waaronder deze vooronderstellingen kunnen worden gerealiseerd.

In gestabiliseerde en genormaliseerde economische structuren treden de mechanismen op de voorgrond die verantwoordelijk zijn voor hun continue reproduktie en hun langzame, vaak onopgemerkte transformatie. De dominante mechanismen van handelingscoördinatie in alledaagse of normale situaties zijn de - door opvoeding en socialisatie getransmitteerde - tradities, gewoontes en zeden in combinatie met 'de stomme dwang van de economische verhoudingen' [Marx, Mew 23:765]. In buitengewone of crisissituaties, waarin het labiele evenwicht in de krachtsverhoudingen tussen de klassen is verbroken, neemt daarentegen de betekenis van geweld en legitimiteit toe [Bader/Benschop 1988:274]. Perioden van 'verhitte' klassebotsingen zijn culminatiepunten van politiek klassehandelen die ingrijpende sociaal-economische structuurveranderingen tot gevolg kunnen hebben. De oorzaken die leiden tot een meer of minder snelle verandering van economische structuren en instituties zijn dus niet noodzakelijkerwijze identiek met die van hun 'normale' reproduktie.

In het kapitalistisch systeem heeft zich in bepaalde periodes een verharding van de staatsmacht voorgedaan die men kan vergelijken met die tijdens de absolutistische monarchieën. Dit gebeurde vooral in situaties waarin er tussen de politiek gemobiliseerde sociaal-economische klassen een labiel krachtsevenwicht bestond en geen der betrokken partijen in staat was hun centrale doelstellingen te realiseren. Het gaat grof gezegd om situaties waarin de progressieve actoren niet meer in staat zijn verdergaande hervormingen af te dwingen respectievelijk de hiervoor noodzakelijk macht in de staatsapparaten te veroveren, terwijl de 'actoren van behoud' niet meer in staat zijn het georganiseerde verzet te breken of zodanig te reguleren (pacificeren en institutionaliseren) dat de continuïteit van de oude economische structuren en instituties weer veiliggesteld worden. Het progressieve 'oppositionele blok' kan haar bronnen niet meer verder mobiliseren omdat zij onvoldoende greep heeft op de centrale machtsapparaten van de staat. Het het conservatieve 'blok aan de macht' is daarentegen niet meer in staat om de reeds verworven rechten ongedaan te maken. De geschiedenis leert dat in dergelijke situaties de 'normale' burgerlijke gezagsvormen (republiek en constitutionele monarchie) vaak vervangen worden door de zogenaamde uitzonderingsregimes. Dat wil zeggen door extreem autoritaire of totalitaire regimes zoals militaire, bonapartistische of fascistische dictaturen. De geblokeerde krachtsverhouding tussen de elkaar bestrijdende politeke krachten wordt door deze dictaturen op een specifieke wijze ingevuld:

Ook werkgevers kunnen onder dergelijke uitzonderingsregimes een aantal politieke rechten verliezen. Werknemers verliezen echter verreweg het meest. Zij verliezen niet alleen het recht op vrijheid van meningsuiting en politieke communicatie, maar ook het recht op vrije zelforganisatie. Daardoor zijn zij meestal niet meer in staat om op nationaal, sectoraal en bedrijfsniveau effectief te onderhandelen over hun arbeidsvoorwaarden. Het gevolg daarvan is dat hun eerder verworven sociale rechten worden beperkt of afgebroken, zoals ontslagbescherming, regeling arbeidstijden, minimum inkomen of uitkering. Bovendien worden door introductie van rigidere gezagsverhoudingen binnen arbeidsorganisaties hun rechten op informatie, inspraak en medezeggenschap verpulverd.

Dergelijke uitzonderingsregimes zijn natuurlijk (per definitie) niet maatgevend voor het economisch systeem van het kapitalisme. Het zijn tot op zekere hoogte 'abnormale' fenomenen die zich in West-Europa voordeden tijdens het Duitse en Italiaanse fascisme en onder de iets recentere militaire dictaturen in Portugal, Griekenland en Spanje. Men hoeft echter het vizier maar iets meer te openen om te beseffen dat zich op wereldschaal toch zeer veel 'abnormale' situaties voordoen, waarbij het fysieke geweld een prominente rol speelt.

In alle maatschappijformaties die op kapitalistische leest geschoeid zijn, werd en wordt in veel landen nog steeds fysiek geweld gebruikt om zelforganisatie van werknemers te onderdrukken.
Ook in Nederland was het verbod om zich te organiseren en te staken lange tijd geen dode letter. In 1869 werd in Rotterdam een man tot 2 jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij spoorwegarbeiders tot staking had aangezet. Hij werd veroordeeld "terzake van onderlinge samenspanning of vereeniging van de zijde der werklieden (spoorwegwerkers) om tegelijkertijd het werk te doen ophouden en duurder te maken, door een begin van uitvoering achtervolgd en door dezen beklaagde als hoofd- en aanlegger gepleegd" [Hudig 1904:121 - De vakbeweging in Nederland (1866-1878) Amsterdam]. Volgens Harmsen [1974:46] betrof de veroordeling wegen het aanzetten tot staking altijd ongeschoolde arbeiders en liet men stakende vakarbeiders ongemoeid. In 1872 formeel het coalitie-verbod ingetrokken: stakingen waren daarna niet meer strafrechtelijk vervolgbaar, behalve in het geval van overheidspersoneel en spoorwegemployés.
Het recht op vakbondsorganisatie en het stakingsrecht moest overal letterlijk met bloed, zweet en tranen worden bevochten. Ik zal hier zelfs geen poging wagen om van deze geschiedenissen een overzicht te geven en de desbetreffende uitgebreide historische literatuur te refereren. Ik wil er in dit verband slechts nadrukkelijk op wijzen dat economische structuren en instituties niet alleen door legaal overheidsgeweld in stand worden gehouden, maar ook door illegaal fysiek geweld. Zoals gezegd werden stakingen die wettelijk gezien legaal waren, zeer vaak gebroken door ondernemers die het recht in eigen hand namen, d.w.z. die hiervoor gebruik maakten van illegaal geweld. Ook uit de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging zijn voorbeelden van ondernemersterreur bekend (gecombineerd zaalafdrijving, uitsluiting, intimidatie e.d.). Men hoeft hiervoor dus niet naar altijd naar het buitenland te verwijzen. Toch staat vooral de Amerikaanse 'labor history' bekend om zijn uiterst gewelddadige karakter. Om 'de wil van het kapitaal' kracht bij te zetten werd daar zeer regelmatig gebruik gemaakt van militair en paramilitair geweld. Ondernemers probeerden de vakbonden niet alleen bij herhaling te breken met behulp van federale troepen en de nationale garde, maar vooral ook door de Pinkertons, particuliere militias en door ingehuurde misdadigersbendes. Plaatsen als Coeur d'Alene, Cripple Creek, Everett, Homestead en Flint zijn hierdoor over de hele wereld bekend geworden [Montgomery 1979; Bendix 1956; Fantasia 1988].[19] Ook het paramilitaire geweld tegen vakbonden, de bloedige terreur tegen haar leden en de fysieke eliminatie van haar leiders fungeren dus als feitelijke garantie voor de instandhouding van de ondernemersmacht en -privileges.[20]

In de officiële arbeidsverhoudingen zoals wij die in Nederland kennen speelt fysiek geweld als zodanig een relatief geringe rol. De dreiging van fysiek geweld blijft echter als laatste dekkingsgarantie op de achtergrond altijd aanwezig. Na 1872 konden stakingen waren stakingen in principe niet meer strafrechtelijk vervolgbaar, behalve in het geval van overheidspersoneel en spoorwegemployés. De werkstaking wordt als een gegeven feit, als een soort niet wettelijk geregeld sociaal grondrecht aanvaard [Panhonlibco-arrest]. Stakingen vallen niet meer onder het strafrecht, maar kunnen nog wel civielrechtelijk aanhangig worden gemaakt. Rechters kunnen met een beroep op 'het algemeen belang' of op de 'onevenredigheid van doel en middelen' een staking een verbieden of een stakingsverbod opleggen. Vakbonden kunnen voor de rechter worden gedaagd wanneer zij een niet-rechtmatige staking organiseren. Stakers kunnen individueel ter verantwoording worden geroepen wanneer zij meedoen aan een onrechtmatige staking of bedrijfsbezetting.[21] Stakende arbeiders gebruiken in Nederland zelden fysiek geweld tegen halstarrige ondernemers of tegen stakingsbrekers. Het met fysiek geweld bedreigen van 'onderkruipers' komt waarschijnlijk frequenter voor, hoewel daarover maar weinig gegevens bekend zijn.

Panhonlibco-arrest

In 1960 probeerde de Hoge Raad in het zogenaamde Panhonlibcoarrest nog vast te leggen dat de staking in principe een wanprestatie van de individuele arbeider is en dat een vakorganisatie die tot staking aanzet zich daarom schuldig maakt aan een onrechtmatige daad jegens de ondernemer. Het uitgangspunt van haar beoordeling van de stakingshandeling was de verhouding tussen de staking en de verplichtingen in het individuele arbeidscontract.
    De Hoge Raad beriep zich daarbij op de wet van 1953 op de arbeidsovereenkomsten. Daarin werd voor werknemers de verplichting vastgelegd zij goed werk voor goede beloning zou verrichten, en op de juiste (wettelijk bepaalde) wijze zouden melden dat zij ontslag namen. Een staking werd in strijd met deze verplichtingen geacht: stakende werknemers zouden een daad van niet-nakomen van hun verplichtingen plegen (een individuele wanprestatie) en vakbonden die stakingen leidden zetten aan tot contractbreuk. Beide waren onrechtmatige daden waartegen volgens de Hoge Raad met juridische middelen kon worden opgetreden. Volgens het arrest was er slechts één uitzondering op deze regel: staking is geen wanprestatie wanneer "de omstandigheden, waaronder zulk een werkweigering plaatsdint, van dien aard zijn, dat naar de heersende rechtsovertuiging in redelijkheid van de wernemers niet kan worden gevergd de arbeid voort te zetten of bepaalde werkzaamheden te verrichten".

Fysiek geweld speelt echter nog steeds een belangrijke rol in criminele en zwart-grijze arbeidsverhoudingen. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de drugseconomieën. Drugshandelaren blijven altijd proberen hun lokale of internationale territorium met geweld uit te breiden. In de sloppenwijken van Rio de Janeiro probeerde de eerste generatie drugsbazen hun clientèle nog aan zich te binden door het verdelen van voedsel, het aanleggen van voetbalvelden en het betalen van doktersrekeningen. Deze door de Italiaanse mafioso beproefde veelvuldig beproefde strategie wordt door de nieuwe generatie niet meer gevolgd: zij hebben daarvoor niet het natuurlijke gezag en doen niet meer aan 'sociaal werk'. Het aantal verkooppunten niet door vreedzame concurrentie uitgebreid, maar met naakt geweld. Men hoeft zelf geen veldonderzoek in Rio de Janeiro te verrichten om de werking van geweld in drugseconomieën te begrijpen. Een oplettende waarnemer kan bijvoorbeeld in veel buurten in Amsterdam dagelijks zien hoe dit in z'n werk gaat. Geweldsdreiging en daadwerkelijk fysiek geweld zijn onderdeel van de dagelijkse routines. Dat geldt in extreme mate voor de zelf verslaafde stakker die op de hoek van de straat zijn spullen aan andere verslaafden probeert te verkopen.

De geschiedenis en actualiteit van de diverse maffia's laat zien hoe effectief de gecombineerde inzet van sociale relaties en (de dreiging met) fysiek geweld is voor het realiseren van speciale uitbuitings- en afpersingspraktijken. Een groot deel van het inkomen van de maffia wordt nog steeds vergaard uit afpersing en het innen van schulden bij wanbetalers. De favoriete methode van afpersing is het aanbieden of beter opleggen van 'bescherming' aan kleine winkeliers, café- en restauranthouders en vaak ook aan middelgrote en grote ondernemingen. Dit gebeurt onder het sinds Once Upon a time in America bekende motto: 'I made him an offer he can't refuse'. Naast deze vorm van georganiseerde afpersing ontleent de maffia haar gigantische jaaromzet overwegend aan de illegale sectoren, waar rechteloosheid de enige vanzelfsprekende regel lijkt te zijn. De klassieke sectoren zijn die van de prostitutie, het gokwezen, de woeker, de porno en de wapenhandel. Illegale exploitatiepraktijken zijn de laatste decennia echter steeds sterker geconcentreerd op de uiterst lucratieve drugshandel. In de mate dat de maffia de officiële staatsinstellingen heeft gepenetreerd kan tegenwoordig soms nog meer verdiend worden met de aanbesteding op openbare werken (het zonder noemenswaardige tegenprestatie achteroverdrukken van overheidsgelden). De praktijken van de Siciliaanse maffia en de Napolitaanse camorra staan hiervoor model. De recente pogingen om in Italië het werkgebied van de maffia in te perken, hebben in ieder geval laten zien dat de maffia werkelijk een gewelddadig lichaam is dat is uitgegroeid tot een octopus (piovra) die met al z'n tentakels in het raderwerk van de officiële maatschappij vastzicht [Van Royen 1991; Benschop 1993:253-65].

Drugs, geweld en economie
De ironie van de drugsgeschiedenis wil dat een groot aantal landen waarin tegenwoordig met alle politioneel-justitieel geweld tegen drugshandel wordt opgetreden destijds koloniale grootmachten waren die het opium met grof geweld introduceerden in landen die zij overheersten. De consumptie van opium werd op de Molukken door de V.O.C. geïntroduceerd en aangemoedigd in de hoop daarmee de veerkracht van de Ambonezen te ondermijnen [Knaap 1987 - Kruidnagelen en christenen. Dordrecht]. Het Engelse imperium deed hetzelfde met China. Tot aan de 18e eeuw was opium als genotmiddel evenmin bekend in China als in Europa. Door de Europese 'ontwikkelingshulp' kregen de Chinezen dit wondermiddel opgedrongen. In de loop van de 18e eeuw legt de Oost-Indische Compagnie haar handelsdictaat op te leggen met behulp van een eigen militaire strijdmacht. In plaats van de Chinese produkten contant te betalen, biedt de Compagnie een eigen handelsartikel aan, het opium. Het opium is voor de Compagnie een goedkope stof omdat zij deze op grote schaal laat produceren op plantages van de Compagnie in Indië Voor historici van de koloniale geschiedenis is het geen toeval dat de belangrijkste data in de geschiedenis van het opiumvraagstuk in tijd samenvallen met de belangrijkste date van de geschiedenis van het verlies van zelfbepaling van de oostaziatische volken.
    "De opiumhandel is voor de europese koloniale geschiedenis een klap waarmee twee vliegen tegelijk worden gevangen: het opium levert onmetelijke winsten op, en het laat de volkeren waaraan men het verkoopt inslapen. Wie zijn opiumroes droomt, komt niet op antikoloniale gedachten, om van acties maar helemaal niet te spreken" [Schivelbusch 1983:231 - Das Paradies, der Geschmack und die Vernunft. Eine Geschichte der Genußmittel. Frankfurt].
Door het jagen op handelaren in drugs is het strafrechtelijk apparaat in Nederland inmiddels volkomen overbelast geraakt. De strafbaarstelling van de produktie en handel in drugs heeft ertoe geleid dat er exorbitant hoge winsten gerealiseerd kunnen worden met de handel in deze illegale goederen, en dat politie en justitie ongeveer de helft van hun activiteiten inzetten op drugsgerelateerde vormen van criminaliteit. De mogelijkheid om in deze sector exorbitante winstmarges te behalen is het gevolg van het bestaan van een omvangrijke vraag naar verdovende middelen (waarvan het gebruik feitelijk wordt gedoogd) in combinatie met het verbod op produktie, import en handel. De onmogelijkheid van een effectieve politionele en justitiële bestrijding van deze handel is het gevolg van het bestaan van zeer krachtige en geïnternationaliseerde misdaadorganisaties in combinatie met de snelheid waarmee de 'gaten in de markt' worden opgevuld na het oppakken van dealers en pushers.
De chefs van de grote politiekorpsen, veel officieren van justitie en bijna alle criminologen zijn inmiddels van mening dat de 'oorlog tegen de drug' niet gewonnen kan worden. De opheffing van de strafbaarstelling van drugshandel zou er toe kunnen leiden dat het probleem van het drugsmisbruik groter wordt, net zoals ook het alcoholmisbruik na d opheffig van de Drooglegging in de Verenigde Staten. Stel je voor dat hetzelfde bedrijfsleven dat thans met formidabele reclamecampagnes grote markten heeft geschapen voor tabak en alcohol zich ook van de drugs meester maakt. Dat zal een ander effect hebben dan de huidige pusher bij het schoolplein. Over de moraliteit van het bedrijfsleven hoeven we ons weinig illusies te maken. Een excursie langs de oncologische afdelingen van ziekenhuizen zal de tabaksfabrikanten even weinig overtuigen van de noodzaak geen sigaretten meer te verkopen als de smartelijke lotgevallen van Ivonne Keuls' drugshoertje Floortje Bloem handelaren in drugs ertoe overhalen een eerbaar beroep te zoeken. Er bestaat een gerede kans dat het probleem van de criminaliteit verschuift naar de volksgezondheid [Fr. Bovenkerk 1994 - Wat gebeurt er als drugs legaal wordt? In: Tijdschrift voor Criminologie, april 1994].
Legalisering van drugs betekent in ieder geval dat voormalige bendeleden hun vermogens (nog meer) in het legale zakenleven zullen investeren en daarmee in de bonafide ondernemersklasse worden geïntegreerd. Het strafrechtelijk apparaat zou zich niet meer hoeven in te laten met handelingen waarmee mensen zichzelf iets aandoen. Politie en justitie zouden zich volledig kunnen concentreren op criminele handelingen waarmee mensen anderen benadelen, zoals op vrouwenhandel, milieucriminaliteit, belastingontduiking, fraude en andere illegale economische activiteiten.

4·3·2 Fysiek geweld als transformatiemechanisme
Superieur fysiek geweld is niet alleen een doorslaggevend mechanisme om vigerende economische structuren en instituties in stand te houden. Fysiek geweld was immers altijd ook een belangrijk middel om de economische verhoudingen te veranderen. Controle over relevante geweldsmiddelen was en is daarom een belangrijk thema voor politieke conflictorganisaties en leidingen van uitgebuite of gedeprivilegieerde groepen die een vergaande omwenteling van de economische structuren in hun vaandel hebben geschreven. Dit geldt ook voor hervormende of revolutionaire bewegingen die om principiële en/of pragmatische redenen streven naar een geweldloze omwenteling van de economische structuren en voor bewegingen: wanneer zij geen aandacht besteden aan de controle over geweldsapparaten van de staat of de militaire geweldsverhoudingen verkeerd inschatten, worden zij vaak op een hardhandige en bloedige wijze op deze fout geattendeerd. Om een understatement van Aristoteles te gebruiken: men wordt er dan aan herinnnerd 'dat een heersende klasse niet altijd humaan is'.

De reproduktie van economische basisstructuren en instituties wordt 'in laatste instantie' altijd mede gegarandeerd door legaal en illegaal geweld. Daarom is superieur fysiek geweld 'in laatste instantie' ook het doorslaggevende mechanisme dat tot een omwenteling van de gegeven economische structuren kan leiden. Wanneer en in welke vorm waarin het uur van deze 'laatste instantie' zal slaan, is moeilijk te voorspellen. Niet alleen om het doen van sociaal-wetenschappelijke voorspelllingen zowiezo een hachelijk zaak is, maar vooral omdat bewegingen die het economisch systeem fundamenteel willen veranderen zich meestal inspannen om 'het uur van de laatste instantie' op een niet-gewelddadige wijze te laten slaan. Omdat zij geen toegang hebben tot superieure superieure geweldsmiddelen proberen zij zodanig te opereren dat directe confrontaties met de gewapende staatsmacht worden vermeden. Dit is de inmiddels bekende ratio van de strategie van 'de zichzelf beperkende revolutie' zoals deze destijds in Polen door de woordvoerders van de democratische oppositie werd bepleit, en van de strategie die in Zuid-Afrika door het ANC van Mandela in praktijk werd gebracht om het economisch apartheidssysteem te breken.[22]

Geweld is niet de enige garantie van economische systemen. Geweld is zeker ook niet de enige reden waarom er rechten bestaan die de bestaande economische verhoudingen beschermen. Rechtsnormen worden immers ook nog op andere manieren gestabiliseerd. Rechten kunnen traditioneel en affectief zijn gestabiliseerd, zij kunnen op gemeenschappelijke belangen berusten, en zij kunnen door een grote groep mensen als legitiem worden gezien. Hieraan ontlenen rechtsnormen een specifieke meerwaarde: zij krijgen een surplus aan traditionele, affectieve, utlitaire en waarderende instemmende stabiliteit. Het dreigen met of toepassen van fysiek geweld door een disciplinaire staf is dus niet de enige dekkingsgarantie - het is echter wel de 'laatste' dekkingsgarantie die specifiek is voor de juridische garantie [Bader/Benschop 1988: 271].



V Integratie Index § 4 Legitimiteit
Index

Noten

[1] Angelsaksische auteurs gebruiken in aansluiting bij ALCHIAN [1965] vaak de term property rights. Dit begrip wordt meestal in een heel algemene betekenis gebruikt en correpondeert niet met zijn betekenis in de juridische theorie. De term 'eigendomsrechten' refeert daarbij aan de feitelijke controle van waardevolle bronnen door een individu. Ook deze term wordt dus in (verwarrende) beweging gehouden door de slingerbeweging tussen sociologische en juridische connotaties.

[2] Het onderscheid tussen differentiatie en delegatie van beschikkingsmachten/rechten is zeer vloeiend. Men zou de delegatie het dispositierecht in naamloze vennootschappen immers ook kunnen behandelen als een vorm van vergaande desaggregatie/differentiatie in afzonderlijke bevoegdheden. Zo kan bijv. het dispositierecht worden opgesplitst in afzonderlijke bevoegdheden: dispositie over investeringen, over inkoop, verkoop, reklame, technische en organisatorische vormgeving van het arbeidsproces enz. tot aan het toezicht en de controle. In dat geval wordt de delegatie van (feitelijke of juridische) beschikkingsmachten een onderdeel van de differentiatie van beschikkingsmachten. Bij differentiatie van beschikkingsmachten/rechten worden de deelbeschikkingsmachten verdeeld over actoren die meestal niet tot eenzelfde organisatie eenheid behoren, terwijl bij delegatie de beschikkingsmachten/rechten door de delegerende actor worden overgedragen aan actoren die in de regel tot hetzelfde organisatie behoren. Bij delegatie kan de overgedragen beschikkingsmacht desgewenst gemakkelijk door de delegerende actor worden teruggenomen omdat deze in een superieure positie staat ten opzichte van de delegatair. Bij differentiatie van beschikkingamachten is dit meestal niet het geval. Daarom lijkt het mij verstandig vast te houden aan het onderscheid tussen differentiatie en delegatie van beschikkingsmachten/rechten.

[3] Vgl. DE VROEY [1973:82], SCOTT [1979:36], MINTZBERG [1979:59]. De bestaande typologieën van organisationele beslissingen zijn overwegend begripsmatig van aard en zijn niet gebaseerd op empirisch onderzoek naar de feitelijke beslissingsprocessen van arbeidsorganisaties. Mintzberg maakt een onderscheid tussen operationele, administratieve en strategische beslissingen. Zijn typologie is gebaseerd op een combinatie van twee criteria: (a) het funtionele belang van beslissingen voor de organisatie en (b) het routineuze dan wel exceptionele karakter van beslissingen. Hij wijst er terecht op dat beslissingen niet inherent strategisch zijn, maar alleen binnen een bepaalde context. Zo is de introductie van een nieuw produkt wel een belangrijke (op strategische beslissingen gebaseerde) gebeurtenis voor een bierbrouwerij, terwijl het voor een uitgeverij een bijna alledaagse gebeurtenis is.

[4] Vgl. WEBER [WG: 202] over de 'stadia van appropriatie' en BADER/BENSCHOP [1988:250-1].

[5] Het verschil tussen rechten en eigendom wordt hier dus niet vanuit de sociale dimensie van stabilisering benaderd, maar vanuit de tijdsdimensie. De afbakening van het eigendomsbegrip wordt uitvoerig beargumenteerd in BADER/BENSCHOP [1988:253-64].

[6] MACPHERSON [1973:123] definieert privé-eigendom als "the right of an individual (or a corporate entity) to exclude others from some use or benefit of something". Zie voor een kritische typering van zijn eigendomstheorie: BADER/BENSCHOP [1988:382, noot 49].

[7] George HOMANS [1961 - Social Behavior] heeft een uitvoerige analyse gemaakt van de dynamiek van normatieve volgzaamheid ('compliance'). Hij construeerde een vergelijking van menselijke ruil die gebaseerd is op de relatie tussen de beloningen van volgzaamheid (conformiteit) in vergelijking met de kosten. Symbolen van achting en goedkeuring kunnen beloningen en prikkels bieden, die het bestaande gedrag bevestigen en de herhaling daarvan aanmoedigen. Er zijn echter ook kosten aan verbonden zoals de associatie met bepaalde ongewenste personen, verloren tijd, of beperkingen van de keuzevrijheid.

[8] In het laatste hoofdstuk zal ik uitvoeriger ingaan om lokale theorieën van rationaliteit. De hier gesuggereerde rationaliteit van conventioneel handelen is een vorm van lokale rationaliteit. Vgl. ook de poging van ELSTER [1993:186] om conventioneel gemotiveerd gedrag op te nemen in de 'theory of rational behavior'.

[9] Zie voor vrouwenruil en exploitatie van vrouwen in segmentaire samenlevingen en huishoudelijke gemeenschappen: BENSCHOP [1993:154-63] en de aangehaalde literatuur.

[10] J.C. SCOTT [1985: 228, 234 e.v.,262, 282, 284,290], GESCHIERE [1983:608].

[11] Vgl. THOMPSON [1971], BRIDGES [1986], BENSCHOP [1993:251-65].

[12] MIDGLEY/DOWLING/MORRISON, Consumer Types, Social Influence, Information Search and Choice, in: Thomas K. SRULL (ed.) [1989 - Advances in Consumer Reaearch 16:137-43].

[13] ENGEL/BLACKWELL/MINIARD [1993:140] laten zien hoe er in de reclamewereld wordt ingespeeld op dit afnemend conventionalisme. Een uitgesproken voorbeeld hiervan is de Subaru-advertentie waarin Brian Klein er stichtelijk op wijst dat het kopen van dit produkt "won't make you handsome, or prettier, or younger. And if it improves your standing with the neighbors, then you live among snobs with distorted values".

[14] Ook gemeenschappen van asceten hebben belang bij hoogwaardige prestaties omdat de goden en demonen hun toorn over valse manipulaties kunnen richten tegen alle leden. In bijna alle primitieve stammen werden daarom personen die vals zongen tijden een rituele dans gestraft. De ridderordes hadden belang bij goede prestaties vanwege hun professionele reputatie, maar ook direct voor hun militaire veiligheid. Lokale ambachtslieden staan erop goede prestaties te leveren om de goede naam van hun waren hoog te houden

[15] De opmerkelijke carrière van deze charmante 'wonderboy' begon in 1983 toen hij van zijn schoonvader Gerrit van der Valk de bankroete machinefabriek Stramproy cadeau kreeg. Binnen één jaar slaagde hij erin dit bedrijf winstgevend te maken (onder het motto: "Er bestaan geen slechte bedrijven, alleen slechte managers"). In twee jaar tijd koopt hij er 13 bedrijven bij. In 1985 neemt hij het beursfonds Begemann in Helmond over. Al zijn eigen bedrijven brengt hij over naar dit beursfonds. De methodiek van de 'wonderdoktor' is eenvoudig: hij koopt noodlijdende bedrijven op, saneert hen, ontslaat de directie, maakt de schuldeisers duidelijk dat zij naar hun geld kunnen fluiten, stelt een ondernemersplan op en kroont zichzelf tot nieuwe topman. De overnames worden steeds groter en spectaculairder. Na 1989 koopt hij Holec, Brederto Price, Smit Transformatoren, RDM, Volvo Car, Sint Truiden (en lonkt naar DAF Trucks, Grasso, Cindu Key en de gezonde overblijfdselen van het automatiseringsbedrijf HCS). Het Begemann-concern maakt een ongekende expansie door: in totaal kocht Van den Nieuwenhuyzen meer dan 150 bedrijven voor Begemann. Hij realiseert uiteindelijk een omzet van meer dan 2 miljard gulden, en heeft ruim 20.000 in dienst. Begin jaren negentig komt Van den Nieuwenhuyzen in de problemen. De overnames worden steeds groter en branchevreemder worden, maar ook de deuken in het beurskoers van Begemann. In 1991 is koers van Begemann gedaald van 170 naar 120 gulden. Het jaar daarop zou volgens de charismatische wonderboy een oogstjaar worden, maar wordt een rampjaar: Holec en RDM lopen orders mis, de groei in de milieusector blijft achterwege, en in Rusland worden eveneens verliezen geleden omdat het daar niet goed gaat met de economische hervormingen. Begemann begint verliezen te lijden (de schuldenlast loopt op tot 800 miljoen) en moet uitverkoop houden. Op dit moment bestaat de kern van Begemann nog uit Holec Systemen en Componenten, Holec Machines & Apparaten, het Belgische bedrijf Volvo Car Sint Truiden en de scheepswerven RDM en Boelwerf. Tot de kleinere activiteiten behoren het hightechbedrijfje DOCdata, de machinefabriek Stamproy en Windmaster (windenergie). Begemann is nog in onderhandeling met de Treuhandanstalt (verantwoordelijk voor de privatisering van Oostduitse staatsbedrijven) over de aankoop van Deutschae Waggonbau (DWA). Door de veroordeling van de topman van Begemann lijkt het principe-akkoord dat met deze treinenbouwer is bereikt echter op losse schroeven te staan.

[16] Dit werd al zeer duidelijk uitgewerkt door WEBER [WG 17; WL:444 e.v.].

[17] De geschiedenis van onze Gouden Eeuw biedt hiervoor nog steeds een onuitputtelijke bron van voorbeelden. Het vroege handelskapitalisme in Holland was niet alleen 'de kapitalistische modelnatie van de zeventiende eeuw' (Marx), ook in de meest letterlijke zin van het woord een gouden eeuw voor kooplieden die op hun transacties meer dan 100% winst wilden en konden maken [Van ZANDEN 1991]. Het scheepsproletariaat, dat in belangrijke mate bijdroeg tot de welvaart van deze Gouden Eeuw leidde een hard leven vol ontberingen en gevaren. De zeelieden moesten zich met een een schamel bestaan tevreden stellen [HARMSEN 1975:29]. Uit angst voor onrust en opstandigheid onder de varensgezellen organiseerde de kooplieden de kaapvaart en andere expedities om hen aan werk te helpen. 'Zeeroof als werkverschaffing' noemt Presser dit in zijn geschiedenis van De Tachtigjarige Oorlog. "Want de matroos hield zijn handen niet altijd thuis en het kon wel eens gebeuren, dat een hoge sinjeur van de admiraliteit op straat werd lastig gevallen door werkloos bootsvolk; men kon ze dan nog beter het zeegat uitsturen. Het is geen wonder dat deze slecht behandelde, slecht betaalde en door hun kapiteins bovendien vaak bestolen lieden, die tenslotte op de onderbemande schepen werden afgebeuld, zich buitengaats dikwijls op ergerlijke wijze misdroegen; zij ontzagen zich niet, in Schotland de kerken te plunderen, in Oost-Friesland de arme mensen van alles te beroren; bij het onderzoek van Franse en Engelse koopvaarders deinsden zij niet terug voor moord en diefstal; vooral de kaapvaart droeg ... tot deze verruwing bij. En doordat hier voortdurend groot aanbod van zeelieden bestond, vooral ook van buiten: 'slaafachtige en ondeugende arme vreemdelingen' die in slappe tijden de dorpen afbedelden, was er hier steeds een arbeidsreserve, waaruit de reders tegen hongerlonen konden putten" [PRESSER 1941:199, aangehaald door Harmsen].

[18] Overigens argumenteert Max Weber methodisch gezien op precies dezelfde manier als Marx. Vgl. WEBER PE:169,285; RS:36 e.v., 55 e.v., 204]. Zie voor een korte interpretatie: BADER/BENSCHOP [1988:57].

[19] Tegenwoordig concentreren de Amerikaanse ondernemers zich op het met behulp van formele procedures laten verbieden vakbonden. De formele procedures voor 'union decertification' werden ingevoerd onder de Taft-Hartley wet van 1947. Door deze wet werden alle effectieve vormen van solidariteit en georganiseerd protest illegaal verklaard. Ondernemers roepen tegenwoordig de hulp in van zo'n duizend advokatenkantoren en adviesbureaus die zich gespecialiseerd hebben in de vernietiging van bestaande vakbonden en de onderdrukking van hun opvolgers. Uit onderzoek is gebleken dat daarin zeer succesvol zijn. Zij verdienen jaarlijks honderden miljoenen dollars aan buitenspel zetten van lokale vakbonden. De strategieën en tactieken van de moderne Pinkertons worden beschreven door CHERNOW [1980 - The New Pinkertons], GEORGINE [1980 - From Brass Knuckles to Briefcases ].

[20] Een ander voorbeeld van illegaal fysiek geweld in arbeidsverhoudingen is seksueel misbruik van vrouwen. Verkrachting is een uiting van superieur fysiek geweld pur sang. Seksueel misbruik in arbeidsverhoudingen kan plaatsvinden onder dreiging van fysiek geweld, maar gebeurt meestal onder dreiging van 'zachtere' economische sancties zoals ontslag, verhindering van promoties e.d. In de arbeidsrelaties tussen de pooier en zijn hoeren speelt in veel gevallen de dreiging met fysiek geweld een belangrijke rol.

[21] Bij arbeidsconflicten gaan weinig werkgevers over tot een rechtszaak wegens contractbreuk om op deze manier een schadevergoeding te claimen. Wanneer dat mogelijk was ontsloegen ondernemers liever de stakers en namen ze anderen in dienst. Zie voor een analyse van de ontwikkeling van opvattingen over het stakingsrecht na 1945: V.D. BERG/FORTUYN/JASPERS [1978]. Vgl. ook: WINDMULLER/DE GALAN [169:46 e.v.].

[22] De zgn. 'derde kracht' in de Zuidafrikaanse politiek was een netwerk van geheime eenheden van de politie dat er bijna in slaagde de toenadering tussen het ANC van Mandele en de Nationale Partij van De Klerk te saboteren. De hoogste leiding van de Zuidafrikaanse politie was betrokken bij een netwerk van samenzweerders dat moorden pleegden, terreur zaaide in zwarte gemeenschappen, mensen afperste, de justitie dwarsboomde, en waren verkocht aan de Zulu-aanhangers van de Inkatha Vrijheidspartij om de Zuid-Afrika te destabiliseren. De veiligheidstroepen waren bijv. direct betrokken bij het bloedbad dat op 17 juni 1992 werd aangericht in het zwarte woonoord Boipatong. Het bestaan van deze geheimzinnige 'derde kracht' in de Zuidafrikaanse politiek werd in maart 1994 aangetoond dor de commissie-Goldstone.

Index


Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?