| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|
§ 4 Conventies, recht en geweld
De mechanismen van handelingscoördinatie die we hiervoor hebben behandeld reproduceren en transformeren de bestaande economische structuren en instituties op een min of meer onbewuste wijze. Zeden en gewoontes, solidariteiten en belangen zijn niet als zodanig gericht op het instandhouden of veranderen van de bestaande verhoudingen, maar hebben wel aanzienlijke gevolgen voor hun stabiliteit. We stappen nu over naar een aantal mechanismen van handelingscoördinatie die wel direct en bewust gericht zijn op het instandhouden of veranderen van economische structuren en instituties. In deze paragraaf komen de zogenaamde 'uiterlijke' mechanismen van handelingscoördinatie aan de orde: conventies, recht en geweld aan de orde. In de paragraaf 6 wordt het 'innerlijke' mechanisme van handelingscoördinatie behandeld: legitimiteit.
Economische privileges zijn het resultaat van een zodanige ongelijke verdeling van feitelijke beschikkingsmacht over bronnen en beloningen dat een effectieve (en dus afdwingbare) claim op economische kansen mogelijk is. Of en zo ja door wie en in welke mate deze claims als legitiem of legaal worden erkend doet hierbij niet ter zake. Economische privileges zijn dus gedefinieerd als feitelijk toegeëigende economische kansen. In de economische en sociologische literatuur worden voor de feitelijke beschikkingsmacht vaak andere termen gebruikt zoals 'bezit' of 'economisch eigendom' (in onderscheid van 'juridisch eigendom'). Het nadeel van het begrip 'bezit' is dat het enerzijds refereeert aan 'feitelijke beschikkingsmacht', anderzijds aan 'juridisch bezit'. Om deze slingerbeweging tussen sociologische en juridische connotaties te vermjiden, zal hier het begrip 'feitelijke beschikkingsmacht' en 'economische privileges' worden gebruikt. Het nadeel van het begrip 'economisch eigendom' is dat het vooral gebruikt wordt als een rechtsbegrip. In deze analyse gaat het er juist om te laten zien dat er een essentieel verschil bestaat tussen economische privileges (gedefinieerd in termen van 'feitelijke beschikkingsmacht') en juridisch gegarandeerde beschikkingsmacht (economische rechten en eigendom).[1]
Wanneer economische privileges uiterlijk worden gegarandeerd door conventies en/of door recht nemen zij de vorm aan van economische rechten. Economische rechten zijn dus gedefinieerd als conventioneel of wettelijk gegarandeerde economische privileges. Economische rechten kunnen zowel in sociaal als in temporeel opzicht beperkt zijn.
4·1·2 Sociale begrenzing: differentiatie, delegatie en limitatie
In sociaal opzicht kunnen economische rechten op
drie manieren worden begrensd: door differentiatie, door delegatie en door externe limitatie.
Een van de in dit kader meest besproken onderwerpen is de vraag inhoeverre de 'klassieke' kapitalistische eigendomsvorm zich empirisch heeft gedifferentieerd. In de klassieke kapitalistische eigendom waren het genotsrecht en het dispositierecht geïntegreerd. Het in kapitaaleigendom geïmpliceerde genotsrecht is een erfelijk overdraagbaar recht op een regulier arbeidsloons inkomen in de vorm van interest of dividend ('kapitaal als eigendom'). Het dispositierecht resp. de controlebevoegdheid in kapitalistisch georganiseerde arbeidsprocessen is afgeleid van de feitelijke en juridisch gegarandeerde beschikkingsmacht over directe of produktieve bronnen ('kapitaal als functie'). Genots- en dispositierecht zijn in de loop der tijd tot op zekere hoogte empirisch gedifferentieerd. Door de opkomst van naamloze en besloten vennootschappen heeft enerzijds geleid tot een spreiding van het aandelenbezit. Hierdoor is een er categorie van genieters van eigendommelijke genotsrechten ontstaan wier controlerende en of disponerende macht verwaarloosbaar klein of louter fictief is. Anderzijds bleven de strategisch relevante beschikkings- en beslissingsmachten over kapitalistische ondernemingen in handen van grote preferentiële aandelenbezitters. Het privé-eigendom van de afzonderlijke aandeelhouders is gereduceerd tot het inkasseren van dividenden (beperkt genotsrecht of recht op vruchtgebruik) en het verhandelen van bezitstitels (recht op overdracht). Hieraan is slechts een uiterst geringe juridische beschikkingsmacht verbonden die feitelijke irrelevant is. De kleine niet-preferente aandeelhouders zijn couponknippers' zonder enige controlerende of dispositiemacht. Hun beperkte genotrecht zou door een (egalitair of meritocratisch gemotiveerde) stevige dividendpolitiek en een drastische belastingheffing zo ver kunnen worden teruggebracht dat zij als juridische eigenaars geen enkele beschikkingsmacht meer kunnen uitoefenen. Hun eigendomstitels zouden hierdoor tot lege, papieren rechtstitels worden teruggebracht, terwijl de institutionele beleggers en banken de enige feitelijke economische eigenaars zouden blijven. De definitieve beslissingsmacht over kapitalistische arbeidsorganisaties kan dus niet alleen intern worden gedelegeerd, (zie onder) maar ook extern worden gerealiseerd. In dat geval berust de definitieve strategische beslissingmacht (inclusief het selecteren, aanstellen en ontslaan van topmanagers) in handen van eigendomsbelangen buiten de betreffende arbeidsorganisatie en worden zij gecontroleerd door handels- en financiële ondernemingen (institutionele beleggers en handelsbanken). De feitelijke beheerders zijn immers altijd de beheerders van de beheerders. De feitelijke dispositie- of controlebevoegdheden zijn dus verdeeld tussen coalities van grote aandeelhouders, raden van commissarissen, en diverse afdelingen van de ondernemingsleiding [Scott 1979:38; Zeitlin 1979, 1989; Bader/Benschop 1988: 260,380; Bottomore/Brym 1989].
|
Om inzicht te krijgen in de relatie tussen de feitelijke machtskansen in ondernemingen en de geformaliseerde delegatie van beslissingscompetenties moeten twee onderscheidingen worden gemaakt.
Economische privileges (feitelijke beschikkingsmacht over economische bronnen en beloningen) zijn in moderne kapitalistische economieën zelden totaal dichotoom verdeeld en economische rechten (conventioneel of wettelijk gegarandeerde privileges) zijn nooit 'volledig' of 'absoluut'. Integendeel, de economische rechten vertonen juist een groot aantal gradaties: zij zijn bijna zonder uitzondering in meer of mindere mate gedifferentieerd, gedelegeerd en extern gelimiteerd. Dit betekent omgekeerd dat uitsluiting van de feitelijke en juridische beschikkingsmacht over bronnen en beloningen in de regel gradueel en slechts bij uitzondering totaal is. Een volledig dichotome structurering van de beschikkingsmachten is slechts een ideaaltypische denkconstructie. Volledige economische rechteloosheid is hoogstens een ideaaltypisch grensgeval - meestal is het een produkt van verhitte agitatie en overtrokken propagandisme.
4·1·3 Temporele begrenzing
In temporeel opzicht kan de beschikkingsmacht over objecten al dan niet beperkt zijn tot een bepaalde tijdsperiode.[4] Bij een temporeel beperkte toeëigening kan de termijn van het recht al dan niet van te voren zijn vastgelegd. Bij een getermineerd recht wordt de periode van de toeëigening bij voorbaat vastgelegd. Deze periode kan zeer kort, maar ook zeer lang zijn. Een voorbeeld van een kortdurend recht is het gebruiks- en dispositierecht dat men verwerft bij het huren van een auto of video, of door het kopen van een kaartje voor een filmvoorstelling. Een voorbeeld van een langdurend is een pacht- of huurcontract van honderd jaar of een hypotheekcontract van dertig jaar.
Sommige economische privileges en rechten zijn echter helemaal niet aan een specifieke, van te voren bepaalde tijdsperiode gebonden. Ook bij een ongetermineerd recht kan de termijn van de toeëigening zeer kort of zeer lang zijn. Wanneer in een onderneming een bepaalde beslissingsbevoegdheid 'tot opzegging' wordt gedelegeerd, kan deze bevoegdheid na zeer korte tijd weer worden teruggenomen; ook leverantie- of huurovereenkomsten zonder contractueel vastgelegde tijdslimieten kunnen onder bepaalde voorwaarden snel en eenzijdig worden verbroken. Een ongetermineerd recht kan echter ook zeer lang duren, zoals bijvoorbeeld bij benoemingen voor het leven. De meest vergaande vorm van een ongetermineerde recht zijn de rechten die in geval van overlijden van de actuele eigenaar worden overgedragen aan een of meerdere personen die door verwantschappelijke of andere sociale relaties met de houder van de rechten verbonden zijn, of aan anderen die door hem/haar worden aangewezen. Dit is niet alleen kenmerkend voor intergenerationeel verwantschaps- of familie-eigendom, maar ook voor onbeperkt organisatie-eigendom (zoals corporatief en staatseigendom). Erfelijke overdracht kan dus zowel plaatsvinden via intergenerationele overdracht op basis van verwantschap als op basis van coöptatie. Dit laatste geldt in het bijzonder voor de houders van topfuncties van ondernemingen die een feitelijk en juridisch verankerd monopolie op de ondernemingsmacht hebben. Zij zijn vergelijkbaar met de vorsten en koninklijke families die hun 'sublieme macht' aan hun troonsopvolgers doorgeven en met het Centraal Comité van de voormalige Sovjet-Unie die haar nieuwe leden selecteerde lang de weg van coöptatie.
In temporeel opzicht bieden erfelijke rechten een maximaal bereikbare stabiliteit van economische structuren en instituties. De reden hiervan is dat door erfelijke rechten de intra- en intergenerationele mobiliteit aanzienlijk wordt beperkt. Dit impliceert dat economische posities langdurig door dezelfde personen worden bezet of dat zij bij overlijden van de actuele houder door hun opvolgers worden geërfd. Door deze overerving worden niet alleen economische rechten overgedragen (gecontinueerd en gestabiliseerd), maar wordt tevens een continue grondslag gelegd voor het ontstaan van een gemeenschappelijk habitus, collectieve levensstijlen, gemeenschappelijke levenservaringen en hechte collectieve identiteiten. De temporele dimensie van economische rechten heeft dus een enorme invloed op de blokkering van sociale mobiliteit (het schept harde mobiliteitsbarrières) en daarmee op de consolidering van in sociaal-cultureel opzicht relatief homogene collectiviteiten. Het meest bekende resultaat hiervan is de relatieve stabiliteit meer of minder sterk gehomogeniseerde beroepsgroepen, organisationele elites en sociale klassen.
4·1·4 Eigendom
Eigendom wordt vaak gedefinieerd als een 'bundel rechten' [Macpherson 1978:3,5]. Dit betekent echter niet dat elke bundel rechten ook als 'eigendom' kan worden beschouwt. Van eigendom is slechts sprake wanneer economische rechten in temporeel opzicht onbeperkt (niet-getermineerd) zijn en erfelijk kunnen worden overgedragen. Eigendom is dus gedefinieerd als een temporeel onbeperkte en erfelijk overdraagbare bundel economische rechten.[5] Daarbij wordt erfelijke overdracht
niet beperkt tot het criterium van verwantschap en dus in eerder omschreven betekenis breed opgevat. Eigendom kan in principe twee vormen aannemen: privé-eigendom en gemeenschapseigendom. Privé-eigendom is een bundel rechten die het mogelijk maakt om binnen een bepaald economisch systeem andere actoren van dit systeem van bepaalde objecten uit te sluiten.[6] Gemeenschaps- of maatschappelijk eigendom is het individuele recht van alle actoren binnen het systeem om niet te worden uitgesloten, althans niet van de objecten waarvan geproclameerd is dat zij binnen dit systeem gemeenschappelijk eigendom zijn [Bader/Benschop 1988:
258].
Economische structuren en instituties veranderen zodra er wijziging optreden in de verdeling van de structuur van de privileges, rechten en eigendommen. Verandering van economische structuren en instituties vindt plaats door een bewuste en als zodanig nagestreefde verandering van de conventies en met name van het gepositiveerde recht.
Conventie is een specifiek type van garantie van economische structuren en instituties. Kenmerkend voor conventies is de wijze waarop de geldigheid van de normen uiterlijk wordt gegarandeerd: conventionele regels worden gegarandeerd door het feit dat degene die van de gedragsregels afwijkt de kans loop op "een betrekkelijk algemene en praktisch voelbare afkeuring" [Weber WG:17]. We hebben eerder gezien wat het mechanisme van sociale controle is dat voor economische zeden kenmerkend is. Anders dan bij zeden worden bij conventies de regelmatigheden expliciet opgevat als normen of normerende regels. Conventies objectiveringen van een specifiek soort normatieve gedragsverwachtingen. De normerende regels worden gegarandeerd door het dreigen met of toepassen van negatieve sociale sancties zoals openbare afkeuring en verdachtmaking ('infamia'), uitsluiting, boycot of staking. Conventies worden dus gestabiliseerd door de vrees voor externe sociale sancties die het voor een actor individueel rationeel maken om de in conventies geïmpliceerde normen te respecteren.[7] Om te verklaren waarom mensen soms lijken te handelen tegen hun eigen materiële eigenbelang, hoeft men geen beroep te doen op 'interne variabelen' zoals emotionele gevoelens of rechtvaardigheidsopvattingen. Het is voldoende wanneer men kan aantonen dat het alternatief nog slechter is, d.w.z. dat de tasbare kosten van het schenden van een conventie groter zijn dan de tastbare kosten om ze te respecteren.[8]
Er is al eerder op gewezen dat de normen die het economisch handelen van actoren beïnvloeden in meer of minder vergaande mate zijn geïnstitutionaliseerd. Geïnstitutionaliseerde normen vormen de morele context van de lokale, bedrijfsspecifieke, nationale of internationale economische verhoudingen. Deze morele context bestaat uit een serie dwingende normen en voorkeuren met betrekking tot de relaties tussen economische actoren, en worden grotendeels uitgedrukt in het idioom van patronage, ondersteuning, welwillenheid en hulpvaardigheid. Deze normen worden niet alleen toegepast op gezagsuitoefening ('eerlijke behandeling'), arbeidsrelaties ('verantwoorde beroepsuitoefening'), beloning ('rechtvaardig loon voor fatsoenlijke arbeid'), en alle vormen van economische transacties ('bonafide handel'), maar ook op liefdadigheid (van heersenden of rijken wordt verwacht dat zij 'charitas' bedrijven), het geven van feesten en op het gedrag in de alledaagse omvang (zoals de gepaste wijze van begroeting en de afstand die men daarbij geacht wordt te houden). Actoren die aan deze normatieve verwachtingen voldoen kunnen rekenen op 'respect' en 'sociale erkenning' en worden 'loyaal' behandeld. Het is een 'politics of reputation' (Bailey): in ruil voor steun aan een bepaalde gedragscode krijgt men een goede naam [J.C. Scott 1985:185].
De keerzijde daarvan is een politiek van sociale sancties. Actoren die afwijken van de normen die in de morele context zijn geïnstitutionaliseerd verliezen niet alleen het respect en de loyaliteit van degenen waarmee zij transacties plegen, maar vaak ook van de leden van de eigen economische categorie. Hier volgen een paar voorbeelden.
"De vrijgevigheid is bij haast alle primitieve volkeren en vooral in Amerika een essentieel attribuut van macht; ze speelt zelfs in deze elementaire samenlevingen, wier materiële cultuur nauwelijks ontwikkeld is, een belangrijke rol. Ofschoon het opperhoofd, wat de materiële bezittingen betreft, geen bevoorrechte positie schijnt in te nemen, moet hij toch altijd over voedingsmiddelen, gereedschap, wapens en sieraden kunnen beschikken, die al zijn ze nog zo armzalig, ten overstaan van de algemene armoede toch een aanzienlijke waarde hebben. Als een individu, een gezin of een hele groep een wens heeft of een bepaalde behoefte gevoelt, doet men een beroep op het opperhoofd om eraan te voldoen. Zo is vrijgevigheid de belangrijkste eigenschap die men van een nieuw opperhoofd verwacht. Het al of niet aanwezig zijn van deze eigenschap beslist over instemming of afkeuring. Men behoeft er dan ook niet aan te twijfelen dat in dit opzicht het opperhoofd tot het uiterste toe wordt uitgebuit" [Lévi-Strauss 1955/85:305 e.v.].
Kenmerkend voor voor segmentaire maatschappijen is het dominante gelijkheidsbewustzijn en het bewuste streven om de bestaande gelijkheid (met uitzondering van die van vrouwen) in stand te houden.[9] Antropologisch studies bieden opmerkelijke illustraties van egalitair geïnspireerde reacties tegen prominenten (rijke mannen en instanties) en van intimidatie van patriarchen door (vrouwelijke) hekserij. Dorpsroddel, verdachtmakingen en hekserij tegen rijke en machtige individuen zijn een sanctie op de schending van de verwantschappelijke ondersteuningsplichten. Het centrale motief voor reacties tegen rijke, machtige of prominente personen is afgunst en wordt gevoed door de overtuiging dat bijvoorbeeld rijkdom het gevolg is van een onrechtmatige toeëigening [Sigrist 1979:130,190]. Hekserij is het agressieve antwoord van de minder tegenover de meer geprivilegieerden. "Hekserij is het wapen van de zwakkeren en de armen. De rijken en de leiders hebben veel meer te vrezen van hekserij dan de arme man en de volgeling" [E Winter, geciteerd bij Sigrist]. Verdachtmakingen, roddel en karaktermoord zijn sociale sancties waarmee het overtreden conventies wordt bestraft[10] In veel traditionele stammen beheerst men tot op de dag van vandaag zeer goed de kunst om al te autoritaire figuren een toontje lager te laten zingen. Het feit dat gezagsposities buiten het huishouden niet voorkomen, wil niet zeggen dat er geen streven naar distinctie, macht en prestige bestaat. Het streven naar distinctie, macht en prestige wordt echter beperkt door de angst voor sancties. In segmentaire maatschappijen wordt sociale gelijkheid dus beperkt en gestabiliseerd door de empirische gelding van gelijkheidsnormen: gelijkheidsgedrag vloeit niet voort uit een gebrek aan alternatieven, maar uit gelijkheidsnormen. Daarom reageren de leden van segmentaire samenlevingsverbanden zelf op overtredingen van de gelijkheidsnormen. En daarom is het niet tautologisch om te zeggen dat de oriëntatie op gelijkheidsnormen in segmentaire maatschappijen de sociale gelijkheid reproduceert en stabiliseert.@
|
Veel juristen trokken hieruit de conclusie dat de in 1989 ingevoerde 'Wet Misbruik Voorwetenschap' bij het oud vuil kan worden bijgezet. Onder druk van de beurs werd door de regering een wettelijke regeling in elkaar gedraaid die de indruk moest wekken dat beleggers in Amsterdam, evenals in New York en Londen met gelijke kansen opereerden. Sinds de introductie van deze wet werden tientallen zaken voortijdig geseponeerd. Bij de enige zaak waar tot nu toe daadwerkelijk strafvervolging werd ingezet, overspeelde het Openbaar Ministerie haar hand tegenover drie van de rijkste mannen van Nederland. De toch al beperkte wetsbepaling werd door de Amsterdamse rechter zo beperkt geïnterpreteerd dat koersorkestratie onder valse naam in Nederland kennelijk geoorloofd is, althans dat de opdrachtgevers vrijuit kunnen gaan. Het proces heeft in ieder geval duidelijk gemaakt hoe moeilijk het is om misbruik van voorwetenschap wettig en overtuigend te bewijzen. Wanneer beleggers met duidelijke voorkennis handelen onder eigen naam of die van een familielid, kunnen zij zich tamelijk gemakkelijk indekken tegen mogelijke strafvervolging. De opsporing en bewijsvoering van misbruik van voorwetenschap wordt door veel factoren bemoeilijkt. Ten eerste lijkt het een slachtofferloos delict omdat beurstransacties massaal en anoniem tot stand komen. Daarom is justitie bijna helemaal aangewezen op aangifte door de toezichthouders op de beurs. Deze toezichthouders kunnen een onderzoek instellen naar verdachte koersbewegingen die een indicatie zouden kunnen zijn van misbruik van voorkennis en koersmanipulatie. Een dergelijk onderzoek loopt echter snel vast, vooral wanneer beursmanipulatoren op professionele wijze gebruik hebben gemaakt van het inschakelen van tussenpersonen in het buitenland. Ten tweede laten beurstransacties weinig sporen na die bovendien gemakkelijk zijn uit te wissen. Het Openbaar Ministerie staat daarom voor enorme problemen om de bewijslast rond te krijgen. Deze problemen zijn alleen maar groter geworden sinds de Amsterdamse rechtbank de bewijslast heeft verzwaard door de eis dat ook de richting van de koersbeweging voorspelbaar moet zijn. Tot veler verrassing werd Van den Nieuwenhuyzen uiteindelijk toch in hoger beroep veroordeeld. Het Amsterdamse hof achtte misbruik van voorwetenschap in aandelen HCS bewezen en veroordeelde hem op 17 oktober 1994 tot 6 maanden gevangenisstraf (waarvan 3 maanden voorwaardelijk) en een geldboete van 100.000 gulden. Volgens de vice-president J. Willems - die hiermee zijn bijnaam als 'Beul van Amsterdam' bevestigde - heeft de topman van Begemann "het internationale en nationale vertrouwen in de Amsterdamse effectenbeurs geschaad. Ook heeft Van den Nieuwenhuyzen grote financiële voordelen gehad". Het effectenkantoor Suez Kooijman - dat de verkooptransactie voor Van den Nieuwenhuyzen in 1991 uitvoerde - werd door het hof veroordeeld tot een boete van 50.000 gulden. De rechters achtten het bewezen dat het kantoor zich schulig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte om de transactie in HCS-aandelen te verdoezelen. Het onderzoek van het controlebureau van de beurs naar de HCS-transactie werd tegengewerkt door het verspreiden van een valse affairelijst en effectennota, waarin de indruk werd gewekt dat de transactie was gedaan door een buitenlands effectenhuis. De twee andere financiers van de HCS, Albada Jelgersma en Melchoir, waren in dit hoger beroep niet gedagvaard. Het lijkt echter waarschijnlijk dat het Openbaar Ministerie ook deze twee alsnog ter berechting voor het hof zal brengen. Het Openbaar Ministerie was uiteraard tevreden over de uitspraak. Zij beschouwt de uitspraak van het hof als 'eerherstel voor de officier van justitie' (die tijdens het proces in april nog werd uitgemaakt voor incompetente sufferd). Ook de Amsterdamse beurs - die eind 1991 als eerste haar nek uitstak en zelf aangifte deed van misbruik in de HCS-zaak - reageerde positief op de uitspraak. Het beursbestuur is vooral tevreden over het feit dat het hof op essentiële punten helderheid heeft verschaft in voorkenniszaken. Dat het hof dit keer de werking van de Wet Misbruik Voorwetenschap aanzienlijk heeft verruimd, is uiteraard niet naar de zin van de veroordeelde multimiljonair, die eind jaren tachtig nog de meest populaire en bewonderde ondernemer van Nederland was.[15] In zijn verdediging had Van den Nieuwenhuyzen aangevoerd dat hij met de transactie de koers van het aandeel HCS slechts had willen 'orkesteren', 'regisseren' of 'stabiliseren' (wat in Nederland niet wettelijk strafbaar is). Tijdens het proces gaf hij toe dat hij niet alleen met aandelen van HVS had gemanipuleerd, maar ook met aandelen van vele andere fondsen. De veroordeelde beursrommelaar is er zelf van overtuigd dat de Hoge Raad hem uiteindelijjk vrij zal spreken. Door zijn strafrechtelijke veroordeling is de reputatie van Begemann topman Van den Nieuwenhuyzen echter zwaar geschonden: wie zal het nog wagen geld te steken in een bedrijf waarvan de eerste man schuldig is bevonden aan misbruik van voorwetenschap? |
Economische structuren worden niet alleen uiterlijk gegarandeerd door conventies (sociaal gesanctioneerde normen), maar ook door rechten (juridisch gesanctioneerde regelsregels). De volgorde waarin zij hier behandeld worden impliceert niet dat gevestigde conventies altijd het fundament van rechtsregels zijn en dat de rechtsregels per definitie historisch secundaire of van conventies afgeleide fenomenen zijn. Sommige conventies ontstaan pas nadat er bepaalde rechtsregels langere tijd zijn geïnstitutionaliseerd - conventies kunnen dus ook van het recht zijn afgeleid.
Rechten zijn niet per definitie legitieme rechten en kunnen dus in eerste instantie los van de empirische legitimiteit van rechtsnormen worden geanalyseerd. De empirische legitimiteit van rechtsnormen is altijd een graduele kwestie. De normen die in rechtsregels zijn vervat zijn empirisch gezien immers alleen maar geldig voorzover het handelen van actoren feitelijk in overeenstemming is met de subjectief bedoelde zin van rechtsregels.[16] Bovendien moet er rekening worden gehouden met het feit dat ook de rechtsnormen die in parlementair-democratische rechtsstaten gelden op een aantal punten op gespannen voet staan met de normen van een democratische ethiek. De empirische legitimiteit van rechtsnormen is dus slechts één, in meer of mindere mate relevante grondslag van de rechtsgelding. "Recht is dus niet eenvoudig legitiem, ze is dat niet empirisch en ook niet in de zin van ethische theorieën" [Bader/Benschop 1988:271]. Daarom wordt er in de transformationele economische sociologie niet met een ethisch rechtsbegrip geopereerd, maar met een kritisch sociaal-wetenschappelijk rechtsbegrip.
Dat economische structuren en instituties door rechtsregels worden gegarandeerd is historisch gezien tamelijk evident. Er werd hiervoor al op gewezen dat rechtsregels niet alleen de bestaande verdelingen van bronnen en beloningen sanctioneren (door eigendoms- en erfrecht, door belasting- en sociale zekerheidsrecht), maar ook de verdeling van de actoren over economische posities. Het recht kan echter ook fungeren als een mechanisme waarmee economische verhoudingen en instituties veranderd kunnen worden. De seculiere strijd tussen de economische belangengroepen wordt immers uiteindelijk uitgevochten op het politieke niveau van de maatschappij. Zij wordt uitgevochten in de strijd om de institutionalisering van rechten, d.w.z. om mensenrechten, burgerrechten en sociale rechten.
De politieke strijd tussen de maatschappelijke klassen concentreert zich telkens weer rond de rechten die uitbuitingsverhoudingen gegandereen. Het politieke handelen van leden of vertegenwoordigers van exploiterende klassen is direct of indirect gericht op het behouden en bestendigen van hun gelegaliseerde en gepantserde beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en daarmee van hun aanspraken op de meerarbeid van producerende klassen. Wanneer leden en vertegenwoordigers van geëxploiteerde en afhankelijke klassen de politieke arena betreden dan treden zij meestal op voor het versoepelen of beperken van de rechten die hun exploitatie garanderen en voor het uitbreiden van hun participatie- en democratische beslissingsrechten.
Natuurlijk is zo'n schets van de politieke strijd over rechten die uitbuitingspraktijken en klassenverhoudingen garanderen geen vervanging voor historisch onderzoek naar de concrete politiek-juridische vormen van sociaal-economische strijd. Ze moet echter zeker niet worden verward met een normatieve onderbouwing van concrete democratiseringsprogramma's. Toch wil ik hier attenderen op één bijdrage waarin normatieve perspectieven juist wel een centrale rol spelen. Roberto Unger heeft een stimulerende poging gedaan om een onorthodox programma voor radicale democratisering uit te werken. Met betrekking tot de arbeidsverhoudingen formuleert hij een aantal algemene rechten die erop gericht zijn de tegenstelling tussen toewijding aan gemeenschappelijke belangen ('the common good') en het najagen van particuliere belangen te verzachten en flexibele vormen van arbeidsorganisatie ('softening of contrast between supervisors and supervised') te realiseren [Unger 1987:506-39]. Ik geef in vier punten een impressie van zijn normatieve schets.
"The whole constitutional scheme takes away the legal basis for concentrating in a few hands the power to direct other people's labor: its goals, forms and rewards. To prevent the emergence of economic entitlements that enable individuals to control large amounts of labor, property must be disaggregated : not handed over lock, stock, and barrel to the capitalist, the government, or the enterprise work force. Disaggegrate property (rather than transfer it) is what the reformed regime of capital does" [idem: 508].
Figuur 6·2 Handelingscoördinatie, gedragsverwachtingen en sancties
| Type gedragsverwachtingen | Type sancties | |
|---|---|---|
| Gewoonten & Zeden | Geobjectiveerde gedragsverwachtingen | Lichte sociale sancties: grotere of kleinere ongemakken zoals pesten en treiteren, vaderlijke vermaning |
| Conventies | Geobjectiveerde normatieve gedragsverwachtingen | Zware sociale sancties: betrekkelijk algemene afkeuring d.m.v. verdachtmakingen, en roddel, karaktermoord en hekserij, verstoting en uitsluiting, staking en boykot |
| Rechten | Geobjectiveerde en geformaliseerde normatieve gedragsverwachtingen | Juridische sancties: dreigen met of toepassen van fysiek geweld (politioneel en justitieel geweld; lijfstraffen en detentie |
4·3·1 Fysiek geweld als garantiemechanisme
De kans om met legaal geweld een (dreigende) aantasting van de
bestaande economische structuren en instituties te bedwingen,
berust op het effectieve monopolie op superieure fysieke geweldsmiddelen.
De in economisch opzicht krachtigste groepen hebben vaak een geprivilegieerde
toegang tot de staatsmacht. In die mate dat dit daadwerkelijk
het geval is, en zij dus daadwerkelijk ook als politiek 'heersende
klasse' optreden, kunnen de door eigendom en geld geprivilegieerde
groepen altijd van dit geweldsmonopolie gebruik maken om een aantasting
van hun privileges en rechten te voorkomen en indien nodig rechtstreeks
te onderdrukken.
Zo fungeerde destijds het absolutisme als een machtsapparaat van feodale gezags- en uitbuitingsverhoudingen. Het absolutisme was vooral ontworpen om de boeren met geweld terug te dringen in hun traditionele sociale en politieke afhankelijkheidspositie - ondanks en tegenover de winst die zij behaald hadden door de verzachting van hun schulden. De absolutistische staat fungeerde niet als arbiter tussen de oude aristocratie en de bourgeoisie, en was ook zeker geen instrument van de opkomende bourgeoisie tegenover de aristocratie. Het was veeleer het nieuwe politieke schild van de bedreigde adel [Anderson 1974:18 e.v.]. Het politieke regime van de absolute monarch was erop gericht de feodale heerschappij en exploitatie te handhaven in een periode waarin de wareneconomie zich begon te ontplooien. De bloedige geschiedenissen van de onderdrukking van opstandige boeren, en van lokale, regionale en nationale boerenopstanden zijn het gevolg geweest.
Superieur geweld was een doorslaggevende factor voor het ontstaan van zeer uiteenlopende nieuwe uitbuitings- en klassenverhoudingen.
De genese van een specifieke arbeidswijze en van de daarin verankerde klassenverhoudingen moet duidelijk worden onderscheiden van haar economische structuur en dus ook van de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de reproduktie en transformatie van deze structuur. Marx' retrospectieve analyse van de oorspronkelijke accumulatie is hiervan het klassieke voorbeeld. Het is een genealogie van de elementen die de structuur van de kapitalistische arbeidswijze vormen. Bruut geweld speelt een cruciale rol om het scheidingsproces tussen arbeiders en arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen en aan de ene pool de maatschappelijke produktie- en bestaansmiddelen in kapitaal om te zetten en aan de andere pool de volksmassa te veranderen in loonarbeiders. Zoals het geld 'met natuurlijke bloedvlekken op de ene wang ter wereld komt' (Augier), zo 'wordt het kapitaal geboren van kop tot teen, uit alle poriën, druipend van bloed en vuil' (Marx). Het verschil tussen de gewelddadige oorzaken van het ontstaan en de reproduktieve oorzaken van het bestaan van de kapitalistische arbeidswijze werd door Marx als volgt samengevat.
In gestabiliseerde en genormaliseerde economische structuren treden de mechanismen op de voorgrond die verantwoordelijk zijn voor hun continue reproduktie en hun langzame, vaak onopgemerkte transformatie. De dominante mechanismen van handelingscoördinatie in alledaagse of normale situaties zijn de - door opvoeding en socialisatie getransmitteerde - tradities, gewoontes en zeden in combinatie met 'de stomme dwang van de economische verhoudingen' [Marx, Mew 23:765]. In buitengewone of crisissituaties, waarin het labiele evenwicht in de krachtsverhoudingen tussen de klassen is verbroken, neemt daarentegen de betekenis van geweld en legitimiteit toe [Bader/Benschop 1988:274]. Perioden van 'verhitte' klassebotsingen zijn culminatiepunten van politiek klassehandelen die ingrijpende sociaal-economische structuurveranderingen tot gevolg kunnen hebben. De oorzaken die leiden tot een meer of minder snelle verandering van economische structuren en instituties zijn dus niet noodzakelijkerwijze identiek met die van hun 'normale' reproduktie.
In het kapitalistisch systeem heeft zich in bepaalde periodes een verharding van de staatsmacht voorgedaan die men kan vergelijken met die tijdens de absolutistische monarchieën. Dit gebeurde vooral in situaties waarin er tussen de politiek gemobiliseerde sociaal-economische klassen een labiel krachtsevenwicht bestond en geen der betrokken partijen in staat was hun centrale doelstellingen te realiseren. Het gaat grof gezegd om situaties waarin de progressieve actoren niet meer in staat zijn verdergaande hervormingen af te dwingen respectievelijk de hiervoor noodzakelijk macht in de staatsapparaten te veroveren, terwijl de 'actoren van behoud' niet meer in staat zijn het georganiseerde verzet te breken of zodanig te reguleren (pacificeren en institutionaliseren) dat de continuïteit van de oude economische structuren en instituties weer veiliggesteld worden. Het progressieve 'oppositionele blok' kan haar bronnen niet meer verder mobiliseren omdat zij onvoldoende greep heeft op de centrale machtsapparaten van de staat. Het het conservatieve 'blok aan de macht' is daarentegen niet meer in staat om de reeds verworven rechten ongedaan te maken. De geschiedenis leert dat in dergelijke situaties de 'normale' burgerlijke gezagsvormen (republiek en constitutionele monarchie) vaak vervangen worden door de zogenaamde uitzonderingsregimes. Dat wil zeggen door extreem autoritaire of totalitaire regimes zoals militaire, bonapartistische of fascistische dictaturen. De geblokeerde krachtsverhouding tussen de elkaar bestrijdende politeke krachten wordt door deze dictaturen op een specifieke wijze ingevuld:
Dergelijke uitzonderingsregimes zijn natuurlijk (per definitie) niet maatgevend voor het economisch systeem van het kapitalisme. Het zijn tot op zekere hoogte 'abnormale' fenomenen die zich in West-Europa voordeden tijdens het Duitse en Italiaanse fascisme en onder de iets recentere militaire dictaturen in Portugal, Griekenland en Spanje. Men hoeft echter het vizier maar iets meer te openen om te beseffen dat zich op wereldschaal toch zeer veel 'abnormale' situaties voordoen, waarbij het fysieke geweld een prominente rol speelt.
In alle maatschappijformaties die op kapitalistische leest geschoeid zijn, werd en wordt in veel landen nog steeds fysiek geweld gebruikt om zelforganisatie van werknemers te onderdrukken.
| Ook in Nederland was het verbod om zich te organiseren en te staken lange tijd geen dode letter. In 1869 werd in Rotterdam een man tot 2 jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij spoorwegarbeiders tot staking had aangezet. Hij werd veroordeeld "terzake van onderlinge samenspanning of vereeniging van de zijde der werklieden (spoorwegwerkers) om tegelijkertijd het werk te doen ophouden en duurder te maken, door een begin van uitvoering achtervolgd en door dezen beklaagde als hoofd- en aanlegger gepleegd" [Hudig 1904:121 - De vakbeweging in Nederland (1866-1878) Amsterdam]. Volgens Harmsen [1974:46] betrof de veroordeling wegen het aanzetten tot staking altijd ongeschoolde arbeiders en liet men stakende vakarbeiders ongemoeid. In 1872 formeel het coalitie-verbod ingetrokken: stakingen waren daarna niet meer strafrechtelijk vervolgbaar, behalve in het geval van overheidspersoneel en spoorwegemployés. |
In de officiële arbeidsverhoudingen zoals wij die in Nederland kennen speelt fysiek geweld als zodanig een relatief geringe rol. De dreiging van fysiek geweld blijft echter als laatste dekkingsgarantie op de achtergrond altijd aanwezig. Na 1872 konden stakingen waren stakingen in principe niet meer strafrechtelijk vervolgbaar, behalve in het geval van overheidspersoneel en spoorwegemployés. De werkstaking wordt als een gegeven feit, als een soort niet wettelijk geregeld sociaal grondrecht aanvaard [Panhonlibco-arrest]. Stakingen vallen niet meer onder het strafrecht, maar kunnen nog wel civielrechtelijk aanhangig worden gemaakt. Rechters kunnen met een beroep op 'het algemeen belang' of op de 'onevenredigheid van doel en middelen' een staking een verbieden of een stakingsverbod opleggen. Vakbonden kunnen voor de rechter worden gedaagd wanneer zij een niet-rechtmatige staking organiseren. Stakers kunnen individueel ter verantwoording worden geroepen wanneer zij meedoen aan een onrechtmatige staking of bedrijfsbezetting.[21] Stakende arbeiders gebruiken in Nederland zelden fysiek geweld tegen halstarrige ondernemers of tegen stakingsbrekers. Het met fysiek geweld bedreigen van 'onderkruipers' komt waarschijnlijk frequenter voor, hoewel daarover maar weinig gegevens bekend zijn.
|
In 1960 probeerde de Hoge Raad in het zogenaamde Panhonlibcoarrest nog vast te leggen dat de staking in principe een wanprestatie van de individuele arbeider is en dat een vakorganisatie die tot staking aanzet zich daarom schuldig maakt aan een onrechtmatige daad jegens de ondernemer. Het uitgangspunt van haar beoordeling van de stakingshandeling was de verhouding tussen de staking en de verplichtingen in het individuele arbeidscontract. De Hoge Raad beriep zich daarbij op de wet van 1953 op de arbeidsovereenkomsten. Daarin werd voor werknemers de verplichting vastgelegd zij goed werk voor goede beloning zou verrichten, en op de juiste (wettelijk bepaalde) wijze zouden melden dat zij ontslag namen. Een staking werd in strijd met deze verplichtingen geacht: stakende werknemers zouden een daad van niet-nakomen van hun verplichtingen plegen (een individuele wanprestatie) en vakbonden die stakingen leidden zetten aan tot contractbreuk. Beide waren onrechtmatige daden waartegen volgens de Hoge Raad met juridische middelen kon worden opgetreden. Volgens het arrest was er slechts één uitzondering op deze regel: staking is geen wanprestatie wanneer "de omstandigheden, waaronder zulk een werkweigering plaatsdint, van dien aard zijn, dat naar de heersende rechtsovertuiging in redelijkheid van de wernemers niet kan worden gevergd de arbeid voort te zetten of bepaalde werkzaamheden te verrichten". |
De geschiedenis en actualiteit van de diverse maffia's laat zien hoe effectief de gecombineerde inzet van sociale relaties en (de dreiging met) fysiek geweld is voor het realiseren van speciale uitbuitings- en afpersingspraktijken. Een groot deel van het inkomen van de maffia wordt nog steeds vergaard uit afpersing en het innen van schulden bij wanbetalers. De favoriete methode van afpersing is het aanbieden of beter opleggen van 'bescherming' aan kleine winkeliers, café- en restauranthouders en vaak ook aan middelgrote en grote ondernemingen. Dit gebeurt onder het sinds Once Upon a time in America bekende motto: 'I made him an offer he can't refuse'. Naast deze vorm van georganiseerde afpersing ontleent de maffia haar gigantische jaaromzet overwegend aan de illegale sectoren, waar rechteloosheid de enige vanzelfsprekende regel lijkt te zijn. De klassieke sectoren zijn die van de prostitutie, het gokwezen, de woeker, de porno en de wapenhandel. Illegale exploitatiepraktijken zijn de laatste decennia echter steeds sterker geconcentreerd op de uiterst lucratieve drugshandel. In de mate dat de maffia de officiële staatsinstellingen heeft gepenetreerd kan tegenwoordig soms nog meer verdiend worden met de aanbesteding op openbare werken (het zonder noemenswaardige tegenprestatie achteroverdrukken van overheidsgelden). De praktijken van de Siciliaanse maffia en de Napolitaanse camorra staan hiervoor model. De recente pogingen om in Italië het werkgebied van de maffia in te perken, hebben in ieder geval laten zien dat de maffia werkelijk een gewelddadig lichaam is dat is uitgegroeid tot een octopus (piovra) die met al z'n tentakels in het raderwerk van de officiële maatschappij vastzicht [Van Royen 1991; Benschop 1993:253-65].
De chefs van de grote politiekorpsen, veel officieren van justitie en bijna alle criminologen zijn inmiddels van mening dat de 'oorlog tegen de drug' niet gewonnen kan worden. De opheffing van de strafbaarstelling van drugshandel zou er toe kunnen leiden dat het probleem van het drugsmisbruik groter wordt, net zoals ook het alcoholmisbruik na d opheffig van de Drooglegging in de Verenigde Staten. Stel je voor dat hetzelfde bedrijfsleven dat thans met formidabele reclamecampagnes grote markten heeft geschapen voor tabak en alcohol zich ook van de drugs meester maakt. Dat zal een ander effect hebben dan de huidige pusher bij het schoolplein. Over de moraliteit van het bedrijfsleven hoeven we ons weinig illusies te maken. Een excursie langs de oncologische afdelingen van ziekenhuizen zal de tabaksfabrikanten even weinig overtuigen van de noodzaak geen sigaretten meer te verkopen als de smartelijke lotgevallen van Ivonne Keuls' drugshoertje Floortje Bloem handelaren in drugs ertoe overhalen een eerbaar beroep te zoeken. Er bestaat een gerede kans dat het probleem van de criminaliteit verschuift naar de volksgezondheid [Fr. Bovenkerk 1994 - Wat gebeurt er als drugs legaal wordt? In: Tijdschrift voor Criminologie, april 1994]. Legalisering van drugs betekent in ieder geval dat voormalige bendeleden hun vermogens (nog meer) in het legale zakenleven zullen investeren en daarmee in de bonafide ondernemersklasse worden geïntegreerd. Het strafrechtelijk apparaat zou zich niet meer hoeven in te laten met handelingen waarmee mensen zichzelf iets aandoen. Politie en justitie zouden zich volledig kunnen concentreren op criminele handelingen waarmee mensen anderen benadelen, zoals op vrouwenhandel, milieucriminaliteit, belastingontduiking, fraude en andere illegale economische activiteiten. |
4·3·2 Fysiek geweld als transformatiemechanisme
Superieur fysiek geweld is niet alleen een doorslaggevend mechanisme om vigerende economische structuren en instituties in stand te houden. Fysiek geweld was immers altijd ook een belangrijk middel om de economische verhoudingen te veranderen. Controle over relevante geweldsmiddelen was en is daarom een belangrijk thema voor politieke conflictorganisaties en leidingen van uitgebuite of gedeprivilegieerde groepen die een vergaande omwenteling van de economische structuren in hun vaandel hebben geschreven. Dit geldt ook voor hervormende of revolutionaire bewegingen die om principiële en/of pragmatische redenen streven naar een geweldloze omwenteling van de economische structuren en voor bewegingen: wanneer zij geen aandacht besteden aan de controle over geweldsapparaten van de staat of de militaire geweldsverhoudingen verkeerd inschatten, worden zij vaak op een hardhandige en bloedige wijze op deze fout geattendeerd. Om een understatement van Aristoteles te gebruiken: men wordt er dan aan herinnnerd 'dat een heersende klasse niet altijd humaan is'.
De reproduktie van economische basisstructuren en instituties wordt 'in laatste instantie' altijd mede gegarandeerd door legaal en illegaal geweld. Daarom is superieur fysiek geweld 'in laatste instantie' ook het doorslaggevende mechanisme dat tot een omwenteling van de gegeven economische structuren kan leiden. Wanneer en in welke vorm waarin het uur van deze 'laatste instantie' zal slaan, is moeilijk te voorspellen. Niet alleen om het doen van sociaal-wetenschappelijke voorspelllingen zowiezo een hachelijk zaak is, maar vooral omdat bewegingen die het economisch systeem fundamenteel willen veranderen zich meestal inspannen om 'het uur van de laatste instantie' op een niet-gewelddadige wijze te laten slaan. Omdat zij geen toegang hebben tot superieure superieure geweldsmiddelen proberen zij zodanig te opereren dat directe confrontaties met de gewapende staatsmacht worden vermeden. Dit is de inmiddels bekende ratio van de strategie van 'de zichzelf beperkende revolutie' zoals deze destijds in Polen door de woordvoerders van de democratische oppositie werd bepleit, en van de strategie die in Zuid-Afrika door het ANC van Mandela in praktijk werd gebracht om het economisch apartheidssysteem te breken.[22]
Geweld is niet de enige garantie van economische systemen. Geweld is zeker ook niet de enige reden waarom er rechten bestaan die de bestaande economische verhoudingen beschermen. Rechtsnormen worden immers ook nog op andere manieren gestabiliseerd. Rechten kunnen traditioneel en affectief zijn gestabiliseerd, zij kunnen op gemeenschappelijke belangen berusten, en zij kunnen door een grote groep mensen als legitiem worden gezien. Hieraan ontlenen rechtsnormen een specifieke meerwaarde: zij krijgen een surplus aan traditionele, affectieve, utlitaire en waarderende instemmende stabiliteit. Het dreigen met of toepassen van fysiek geweld door een disciplinaire staf is dus niet de enige dekkingsgarantie - het is echter wel de 'laatste' dekkingsgarantie die specifiek is voor de juridische garantie [Bader/Benschop 1988: 271].
Index
§ 4 Legitimiteit
[2] Het onderscheid tussen differentiatie en delegatie van beschikkingsmachten/rechten is zeer vloeiend. Men zou de delegatie het dispositierecht in naamloze vennootschappen immers ook kunnen behandelen als een vorm van vergaande desaggregatie/differentiatie in afzonderlijke bevoegdheden. Zo kan bijv. het dispositierecht worden opgesplitst in afzonderlijke bevoegdheden: dispositie over investeringen, over inkoop, verkoop, reklame, technische en organisatorische vormgeving van het arbeidsproces enz. tot aan het toezicht en de controle. In dat geval wordt de delegatie van (feitelijke of juridische) beschikkingsmachten een onderdeel van de differentiatie van beschikkingsmachten. Bij differentiatie van beschikkingsmachten/rechten worden de deelbeschikkingsmachten verdeeld over actoren die meestal niet tot eenzelfde organisatie eenheid behoren, terwijl bij delegatie de beschikkingsmachten/rechten door de delegerende actor worden overgedragen aan actoren die in de regel tot hetzelfde organisatie behoren. Bij delegatie kan de overgedragen beschikkingsmacht desgewenst gemakkelijk door de delegerende actor worden teruggenomen omdat deze in een superieure positie staat ten opzichte van de delegatair. Bij differentiatie van beschikkingamachten is dit meestal niet het geval. Daarom lijkt het mij verstandig vast te houden aan het onderscheid tussen differentiatie en delegatie van beschikkingsmachten/rechten.
[3] Vgl. DE VROEY [1973:82], SCOTT [1979:36], MINTZBERG [1979:59]. De bestaande typologieën van organisationele beslissingen zijn overwegend begripsmatig van aard en zijn niet gebaseerd op empirisch onderzoek naar de feitelijke beslissingsprocessen van arbeidsorganisaties. Mintzberg maakt een onderscheid tussen operationele, administratieve en strategische beslissingen. Zijn typologie is gebaseerd op een combinatie van twee criteria: (a) het funtionele belang van beslissingen voor de organisatie en (b) het routineuze dan wel exceptionele karakter van beslissingen. Hij wijst er terecht op dat beslissingen niet inherent strategisch zijn, maar alleen binnen een bepaalde context. Zo is de introductie van een nieuw produkt wel een belangrijke (op strategische beslissingen gebaseerde) gebeurtenis voor een bierbrouwerij, terwijl het voor een uitgeverij een bijna alledaagse gebeurtenis is.
[4] Vgl. WEBER [WG: 202] over de 'stadia van appropriatie' en BADER/BENSCHOP [1988:250-1].
[5] Het verschil tussen rechten en eigendom wordt hier dus niet vanuit de sociale dimensie van stabilisering benaderd, maar vanuit de tijdsdimensie. De afbakening van het eigendomsbegrip wordt uitvoerig beargumenteerd in BADER/BENSCHOP [1988:253-64].
[6] MACPHERSON [1973:123] definieert privé-eigendom als "the right of an individual (or a corporate entity) to exclude others from some use or benefit of something". Zie voor een kritische typering van zijn eigendomstheorie: BADER/BENSCHOP [1988:382, noot 49].
[7] George HOMANS [1961 - Social Behavior] heeft een uitvoerige analyse gemaakt van de dynamiek van normatieve volgzaamheid ('compliance'). Hij construeerde een vergelijking van menselijke ruil die gebaseerd is op de relatie tussen de beloningen van volgzaamheid (conformiteit) in vergelijking met de kosten. Symbolen van achting en goedkeuring kunnen beloningen en prikkels bieden, die het bestaande gedrag bevestigen en de herhaling daarvan aanmoedigen. Er zijn echter ook kosten aan verbonden zoals de associatie met bepaalde ongewenste personen, verloren tijd, of beperkingen van de keuzevrijheid.
[8] In het laatste hoofdstuk zal ik uitvoeriger ingaan om lokale theorieën van rationaliteit. De hier gesuggereerde rationaliteit van conventioneel handelen is een vorm van lokale rationaliteit. Vgl. ook de poging van ELSTER [1993:186] om conventioneel gemotiveerd gedrag op te nemen in de 'theory of rational behavior'.
[9] Zie voor vrouwenruil en exploitatie van vrouwen in segmentaire samenlevingen en huishoudelijke gemeenschappen: BENSCHOP [1993:154-63] en de aangehaalde literatuur.
[10] J.C. SCOTT [1985: 228, 234 e.v.,262, 282, 284,290], GESCHIERE [1983:608].
[11] Vgl. THOMPSON [1971], BRIDGES [1986], BENSCHOP [1993:251-65].
[12] MIDGLEY/DOWLING/MORRISON, Consumer Types, Social Influence, Information Search and Choice, in: Thomas K. SRULL (ed.) [1989 - Advances in Consumer Reaearch 16:137-43].
[13] ENGEL/BLACKWELL/MINIARD [1993:140] laten zien hoe er in de reclamewereld wordt ingespeeld op dit afnemend conventionalisme. Een uitgesproken voorbeeld hiervan is de Subaru-advertentie waarin Brian Klein er stichtelijk op wijst dat het kopen van dit produkt "won't make you handsome, or prettier, or younger. And if it improves your standing with the neighbors, then you live among snobs with distorted values".
[14] Ook gemeenschappen van asceten hebben belang bij hoogwaardige prestaties omdat de goden en demonen hun toorn over valse manipulaties kunnen richten tegen alle leden. In bijna alle primitieve stammen werden daarom personen die vals zongen tijden een rituele dans gestraft. De ridderordes hadden belang bij goede prestaties vanwege hun professionele reputatie, maar ook direct voor hun militaire veiligheid. Lokale ambachtslieden staan erop goede prestaties te leveren om de goede naam van hun waren hoog te houden
[15] De opmerkelijke carrière van deze charmante 'wonderboy' begon in 1983 toen hij van zijn schoonvader Gerrit van der Valk de bankroete machinefabriek Stramproy cadeau kreeg. Binnen één jaar slaagde hij erin dit bedrijf winstgevend te maken (onder het motto: "Er bestaan geen slechte bedrijven, alleen slechte managers"). In twee jaar tijd koopt hij er 13 bedrijven bij. In 1985 neemt hij het beursfonds Begemann in Helmond over. Al zijn eigen bedrijven brengt hij over naar dit beursfonds. De methodiek van de 'wonderdoktor' is eenvoudig: hij koopt noodlijdende bedrijven op, saneert hen, ontslaat de directie, maakt de schuldeisers duidelijk dat zij naar hun geld kunnen fluiten, stelt een ondernemersplan op en kroont zichzelf tot nieuwe topman. De overnames worden steeds groter en spectaculairder. Na 1989 koopt hij Holec, Brederto Price, Smit Transformatoren, RDM, Volvo Car, Sint Truiden (en lonkt naar DAF Trucks, Grasso, Cindu Key en de gezonde overblijfdselen van het automatiseringsbedrijf HCS). Het Begemann-concern maakt een ongekende expansie door: in totaal kocht Van den Nieuwenhuyzen meer dan 150 bedrijven voor Begemann. Hij realiseert uiteindelijk een omzet van meer dan 2 miljard gulden, en heeft ruim 20.000 in dienst. Begin jaren negentig komt Van den Nieuwenhuyzen in de problemen. De overnames worden steeds groter en branchevreemder worden, maar ook de deuken in het beurskoers van Begemann. In 1991 is koers van Begemann gedaald van 170 naar 120 gulden. Het jaar daarop zou volgens de charismatische wonderboy een oogstjaar worden, maar wordt een rampjaar: Holec en RDM lopen orders mis, de groei in de milieusector blijft achterwege, en in Rusland worden eveneens verliezen geleden omdat het daar niet goed gaat met de economische hervormingen. Begemann begint verliezen te lijden (de schuldenlast loopt op tot 800 miljoen) en moet uitverkoop houden. Op dit moment bestaat de kern van Begemann nog uit Holec Systemen en Componenten, Holec Machines & Apparaten, het Belgische bedrijf Volvo Car Sint Truiden en de scheepswerven RDM en Boelwerf. Tot de kleinere activiteiten behoren het hightechbedrijfje DOCdata, de machinefabriek Stamproy en Windmaster (windenergie). Begemann is nog in onderhandeling met de Treuhandanstalt (verantwoordelijk voor de privatisering van Oostduitse staatsbedrijven) over de aankoop van Deutschae Waggonbau (DWA). Door de veroordeling van de topman van Begemann lijkt het principe-akkoord dat met deze treinenbouwer is bereikt echter op losse schroeven te staan.
[16] Dit werd al zeer duidelijk uitgewerkt door WEBER [WG 17; WL:444 e.v.].
[17] De geschiedenis van onze Gouden Eeuw biedt hiervoor nog steeds een onuitputtelijke bron van voorbeelden. Het vroege handelskapitalisme in Holland was niet alleen 'de kapitalistische modelnatie van de zeventiende eeuw' (Marx), ook in de meest letterlijke zin van het woord een gouden eeuw voor kooplieden die op hun transacties meer dan 100% winst wilden en konden maken [Van ZANDEN 1991]. Het scheepsproletariaat, dat in belangrijke mate bijdroeg tot de welvaart van deze Gouden Eeuw leidde een hard leven vol ontberingen en gevaren. De zeelieden moesten zich met een een schamel bestaan tevreden stellen [HARMSEN 1975:29]. Uit angst voor onrust en opstandigheid onder de varensgezellen organiseerde de kooplieden de kaapvaart en andere expedities om hen aan werk te helpen. 'Zeeroof als werkverschaffing' noemt Presser dit in zijn geschiedenis van De Tachtigjarige Oorlog. "Want de matroos hield zijn handen niet altijd thuis en het kon wel eens gebeuren, dat een hoge sinjeur van de admiraliteit op straat werd lastig gevallen door werkloos bootsvolk; men kon ze dan nog beter het zeegat uitsturen. Het is geen wonder dat deze slecht behandelde, slecht betaalde en door hun kapiteins bovendien vaak bestolen lieden, die tenslotte op de onderbemande schepen werden afgebeuld, zich buitengaats dikwijls op ergerlijke wijze misdroegen; zij ontzagen zich niet, in Schotland de kerken te plunderen, in Oost-Friesland de arme mensen van alles te beroren; bij het onderzoek van Franse en Engelse koopvaarders deinsden zij niet terug voor moord en diefstal; vooral de kaapvaart droeg ... tot deze verruwing bij. En doordat hier voortdurend groot aanbod van zeelieden bestond, vooral ook van buiten: 'slaafachtige en ondeugende arme vreemdelingen' die in slappe tijden de dorpen afbedelden, was er hier steeds een arbeidsreserve, waaruit de reders tegen hongerlonen konden putten" [PRESSER 1941:199, aangehaald door Harmsen].
[18] Overigens argumenteert Max Weber methodisch gezien op precies dezelfde manier als Marx. Vgl. WEBER PE:169,285; RS:36 e.v., 55 e.v., 204]. Zie voor een korte interpretatie: BADER/BENSCHOP [1988:57].
[19] Tegenwoordig concentreren de Amerikaanse ondernemers zich op het met behulp van formele procedures laten verbieden vakbonden. De formele procedures voor 'union decertification' werden ingevoerd onder de Taft-Hartley wet van 1947. Door deze wet werden alle effectieve vormen van solidariteit en georganiseerd protest illegaal verklaard. Ondernemers roepen tegenwoordig de hulp in van zo'n duizend advokatenkantoren en adviesbureaus die zich gespecialiseerd hebben in de vernietiging van bestaande vakbonden en de onderdrukking van hun opvolgers. Uit onderzoek is gebleken dat daarin zeer succesvol zijn. Zij verdienen jaarlijks honderden miljoenen dollars aan buitenspel zetten van lokale vakbonden. De strategieën en tactieken van de moderne Pinkertons worden beschreven door CHERNOW [1980 - The New Pinkertons], GEORGINE [1980 - From Brass Knuckles to Briefcases ].
[20] Een ander voorbeeld van illegaal fysiek geweld in arbeidsverhoudingen is seksueel misbruik van vrouwen. Verkrachting is een uiting van superieur fysiek geweld pur sang. Seksueel misbruik in arbeidsverhoudingen kan plaatsvinden onder dreiging van fysiek geweld, maar gebeurt meestal onder dreiging van 'zachtere' economische sancties zoals ontslag, verhindering van promoties e.d. In de arbeidsrelaties tussen de pooier en zijn hoeren speelt in veel gevallen de dreiging met fysiek geweld een belangrijke rol.
[21] Bij arbeidsconflicten gaan weinig werkgevers over tot een rechtszaak wegens contractbreuk om op deze manier een schadevergoeding te claimen. Wanneer dat mogelijk was ontsloegen ondernemers liever de stakers en namen ze anderen in dienst. Zie voor een analyse van de ontwikkeling van opvattingen over het stakingsrecht na 1945: V.D. BERG/FORTUYN/JASPERS [1978]. Vgl. ook: WINDMULLER/DE GALAN [169:46 e.v.].
[22] De zgn. 'derde kracht' in de Zuidafrikaanse politiek was een netwerk van geheime eenheden van de politie dat er bijna in slaagde de toenadering tussen het ANC van Mandele en de Nationale Partij van De Klerk te saboteren. De hoogste leiding van de Zuidafrikaanse politie was betrokken bij een netwerk van samenzweerders dat moorden pleegden, terreur zaaide in zwarte gemeenschappen, mensen afperste, de justitie dwarsboomde, en waren verkocht aan de Zulu-aanhangers van de Inkatha Vrijheidspartij om de Zuid-Afrika te destabiliseren. De veiligheidstroepen waren bijv. direct betrokken bij het bloedbad dat op 17 juni 1992 werd aangericht in het zwarte woonoord Boipatong. Het bestaan van deze geheimzinnige 'derde kracht' in de Zuidafrikaanse politiek werd in maart 1994 aangetoond dor de commissie-Goldstone.
| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|