| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|
Transformatie:
economische instituties als sociale constructies
Prijzen zijn evenzeer sociale constructies als de structuur van een industrie of de professies.[1] Economische instituties ontstaan niet automatisch in reactie op economische behoeften. Economische instituties worden sociaal geconstrueerd door individuen wier actie zowel wordt mogelijk gemaakt als beperkt door de bronnen waarover zij kunnen beschikken en door de (maatschappelijke, organisationele en interactionele) structuren waarin zij zijn ingebed en waardoor hun economisch handelen wordt geïntegreerd en gecoördineerd. De transformationele economische sociologie houdt zich niet alleen bezig met micro-economische gebeurtenissen, maar ook met macro-economische gebeurtenissen, processen en structuren, zoals 'business cycles', staatsinterventies in de economie.
Waarom accepteren mensen de economische structuren en instituties die ongelijkheden en exploitaties reproduceren, en waarom verzetten zij zich hiertegen? Hoe ontstaan economische structuren en instituties, welke mechanismen zorgen ervoor dat zij kunnen voortbestaan en welke mechanismen leiden tot structurele veranderingen? Ik wil me hier concentreren op de reproduktieve en transformatieve oorzaken, d.w.z op de mechanismen die bepalend zijn voor het voortbestaan dan wel de verandering van economische structuren en instituties. De ontstaansoorzaken zullen dus grotendeels buiten beschouwing blijven.
Bij de thematisering van economische structuren en instituties wordt niet uitgaan van de vooronderstelling dat zij in een statisch evenwicht verkeren. Er wordt juist grote nadruk gelegd op dynamiek van instituties respectievelijk op het proces van institutionalisering. In culturalistische benaderingen worden economische instituties verklaard vanuit de culturele overtuiging ('geloof') dat een groep is voorbestemd tot het gedrag dat zij feitelijk vertoont. Een voorbeeld hiervan is de claim dat er in de Japanse cultuur grote nadruk gelegd wordt op 'organische' eenheid en hiërarchische loyaliteit en dat dit leidt tot probleemloze industriële organisaties. Deze 'ideologie van het Japans-zijn' kan echter ook en veel produktiever worden geïnterpreteerd als een heersende legitimatielegende, als "een excuus voor systematische uitbuiting, voor gerechtelijke misstanden, voor gangsterpraktijken en andere vormen van onbeteugelde machtsuitoefening" [Van Wolferen 1991:406].[2] Het zich fatalistisch neerleggen bij bestaande exploitatie- en gezagsverhoudingen is meestal een specifieke combinatie van louter strategische calculatie, traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en (in veel geringere mate) normatieve instemming.[3] In functionalistische benaderingen wordt omgekeerd geredeneerd vanuit de kenmerken van instituties naar de redenen waarom zij aanwezig moeten zijn. Een moderne vertegenwoordiger van deze benadering is Andrew Schotter [1981]. Functionele verklaringen zijn teleologische of finalistische verklaringen (zij geven 'opdat'-antwoorden) en geen oorzakelijke of historisch-causale verklaringen (zij geven geen 'omdat'-antwoorden). Een functionalist zegt bijv. dat beloningen ongelijk verdeeld zijn 'opdat' de meest belangrijke economische posities vervuld worden door de meest gekwalificeerde personen. De oorzakelijke verklaring kan luiden: de beloningen zijn ongelijk verdeeld 'omdat' de beschikkingsmacht over bronnen asymmetrisch verdeeld is. Een functionalist zegt bijv. dat organisaties hiërarchisch of ondemocratisch zijn gestructureerd 'opdat' daarmee de hoogste efficiëntie bereikt kan worden. De oorzakelijke verklaring kan luiden dat ondernemingen ondemocratisch zijn opgebouwd 'omdat' de eigenaren hierdoor een maximale winst kunnen genereren.
In de gangbare economische sociologieën wordt een nogal eenzijdig beeld gegeven van de wijze waarop economische structuren en instituties worden gereproduceerd en getransformeerd. Dit heeft mijns inziens vier redenen.
Zoals gezegd zal ik mij hier beperken tot het laatste punt. De vraag is dus: wat zijn de mechanismen waardoor eenmaal uitgekristalliseerde en tot op zekere hoogte gestabiliseerde economische structuren worden gereproduceerd en getransformeerd? Ik grijp daarvoor terug op de eerder geschetste typologie van handelingsoriëntaties [zie IV:2·3]. Daarbij werd een analytisch onderscheid gemaakt tussen traditionele, affectieve, strategische en normatieve motivaties voor economisch handelen en van de daarmee ideaaltypisch corresponderende mechanismen van handelingscoördinatie: gewoontes/zeden, solidariteiten, belangen en legitimaties.
Deze vier mechanismen van handelingscoördinatie zijn geobjectiveerde verwachtingsstructuren die in het feitelijke economisch handelen worden geconstitueerd. Zij coördineren het economisch handelen van actoren en zijn dus verantwoordelijk voor het feit dat hun economisch handelen op elkaar wordt afgestemd. Ik gebruik deze typologische indeling als referentiekader om zowel de reproduktie als de transformatie van economische structuren en instituties te verklaren.
De vier mechanismen coördineren niet alleen het economisch handelen,
maar fungeren tegelijkertijd als mechanismen van reproduktie en
transformatie van economische verhoudingen. Zij doen dit echter
niet allemaal op dezelfde wijze. Sommige mechanismen van handelingscoördinatie
reproduceren en transformeren de bestaande economische structuren
en instituties min of meer onbewust, als niet gewilde en onbedoelde
nevengevolgen van economische oriëntaties en handelingen.[5]
Ik noem dit de mechanismen van stabilisering of destabilisering.
Andere mechanismen van handelingscoördinatie zijn daarentegen
direct en als zodanig bewust gericht op de instandhouding of verandering
van economische verhoudingen. Ik noem dit de mechanismen
van garantie of van bewuste, actieve en
gerichte transformatie.[6] In de volgende figuur zijn
deze beide mechanismen in beeld gebracht.
Figuur 6·1 Mechanismen van reproduktie en transformatie
Het ontstaan, voortbestaan en de verandering van gestabiliseerde economische structuren zijn het gevolg van de feitelijke regelmatigheden van het economisch handelen. Deze regelmatigheden vloeien voort uit het feit dat mensen hun economisch handelen op meer of minder bewuste wijze op elkaar afstemmen. De schijnbaar meest elementaire, maar in hun werking uiterst effectieve traditionele handelingsoriëntaties genereren een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie: economische gewoontes en zeden. Economische structuren worden dus gereproduceerd door groeps-, functie-, kwalificatie-, beroeps-, afdelings-, bedrijfs- of klassespecifieke gewoontes en zeden die door traditionele oriëntaties en handelingen worden geconstitueerd.
De economische gewoontes en zeden van een groep zijn niet geldig in de zin dat er van mensen geëist wordt dat zich houden aan bepaalde regels die uiterlijk zijn gewaarborgd, d.w.z. die door een conventie of wet, bedrijfsreglement of superieur worden bekrachtigd. Zij zijn (nog) niet als conventionele of wettelijke regels geformuleerd waaraan men zich moet houden. Door de ingeleefde praktijk van een economische zede - zoals een bepaalde arbeidsritme - kunnen economische structuren worden gestabiliseerd, ook indien de regels waaraan de actoren zich vrijwillig houden nog niet of niet meer conventioneel worden verlangd of door bedrijfsreglementen of wettelijk zijn gesanctioneerd. In de alledaagse economische praktijk spelen traditionele gewoontes en zeden een zeer dominante rol.
a) Continuïteit en stabiliteit
De continuïteit en stabiliteit van economische
zeden wordt veroorzaakt door een specifiek mechanisme van sociale
controle. Wanneer iemand zijn economisch handelen niet op een
geldende zede oriënteert, zich niet conform de heersende
zeden en dus 'onaangepast' gedraagt, zal deze actor kleine of
grote ongemakken op de koop moeten toenemen zolang de meerderheid
van de mensen in zijn directe omgeving wél rekening houdt
met het bestaan van deze zeden en zich daarop blijft oriënteren.[8]
Wanneer economische gewoontes en zeden bij een bepaalde groep eenmaal goed zijn ingeburgerd, leiden zij een uiterst hardnekkig bestaan. Zelfs wanneer deze routines wettelijk worden bestreden of door directe superieuren worden verboden, zullen zij niet onmiddellijk verdwijnen. Sociale gewoontes die voor het individu kostbaar zijn om te volgen blijven vaak toch bestaan. De bindende kracht die deze persistentie veroorzaakt is de sociale sanctie die wordt opgelegd door het reputatieverlies dat optreedt als men breekt met de gewoonte. "A custom, once established, will persist, provided that disobedience of the custom results in sufficient loss of reputation, and provided that the cost of disobedience is sufficiently high" [Akerlof 1984/93:71].
Uitgekristalliseerde gewoontes en zeden fungeren als stabilisatiemechanismen van economische structuren en worden als hun ongewilde en onbedoelde resultaten gereproduceerd. Een economisch systeem of een arbeidsorganisatie dat alleen maar door strategische motieven of belangenconstellaties wordt gereproduceerd is meestal veel labieler dan een stelsel dat tevens steunt op traditionele oriëntaties en daarmee corresponderende routines.[9]
Een formele organisatie is door zijn functieverdeling en procedures zelf een van de belangrijkste stabilisatiemechanismen. Zowel in de organisatiepraktijk als in de organisatietheorie speelt de constructie van collectieve geheugenstructuren een cruciale rol: zij zorgen voor de reproduktie van het organisationele gedrag en voor handhaving van de geselecteerde organisatiestructuren en -processen.
|
Een bekend voorbeeld hiervan is de nucleaire ramp bij Harrisburg (Three Miles Island) in de V.S. Voordat de ramp plaats vond, waren er een aantal signalen die wezen op gevaar. Deze werden echter door het bedienend personeel niet doorgegeven omdat zij deze signalen niet geloofde. De hang aan routines (de regelgerichtheid) zorgde ervoor dat er niet op tijd de juiste maatregelen werden genomen om de nieuwe situatie het hoofd te bieden. De direct betrokkenen gaven een verkeerde interpretatie van de situatie en onderkenden niet dat er iets nieuws aan de hand was. In een case-studie van dit nucleaire ongeval merkt Perrow [1981:17] op dat dit de betekenis is van het commentaar: "if only they had a simple, understandable thing like a pipe break they would have know what to do". |
In economische zeden zijn specifieke verwachtingsstructuren geobjectiveerd. Zij veronderstellen immers een zekere gelijksoortigheid van de verwachtingen die de leden van eenzelfde groep van elkaar hebben. De afzonderlijke actoren houden zich vrijwillig aan de regels die in een economische zede geïmpliceerd zijn en verwachten dat de andere actoren zich om dezelfde redenen aan deze regels zullen houden. Door zeden worden dus in eerste instantie de verhoudingen binnen de afzonderlijke (functie-, beroeps- enz.) groepen gestabiliseerd. In die mate dat de traditionele gewoontes en zeden van subalterne groepen zijn 'aangepast' aan de bestaande gezags- en uitbuitingsverhoudingen, stabiliseren zij echter tevens de verhouding tussen de afzonderlijke groepen. De economische gewoontes en zeden van subalterne groepen (zoals lagere functie- en kwalificatiegroepen, ondergeschikte personeelsleden, marginale afdelingen, gemarginaliseerde arbeidsmarktcategorieën) vertonen vaak een hoge mate van habitueel verankerde aangepastheid en conformiteit. Dat wil echter niet zeggen dat hun routines altijd conformistisch of irrationeel zijn.[11] Ook nonconformistische gewoontes en rebelse zeden behoren immers tot de tradities die in sommige subalterne groepen zeer hoog worden gewaardeerd.
b) Destabilisatie
Ingeleefde en diepverankerde tradities fungeren dus niet alleen
als stabilisator van economische verhoudingen en arbeidsorganisaties,
maar onder bepaalde omstandigheden ook als een uiterst krachtige
destabiliserende factor. Zo vormde bijvoorbeeld
de pre-industriële of voorkapitalistische tradities van ambachtslieden
een belangrijke voedingsbodem voor het ontstaan van de eerste
verdedigings- en verzetsorganisaties van de arbeidersbeweging.
Ook tegenwoordig ontstaan er veel arbeidsconflicten omdat ondernemers
proberen een tot gewoonte geworden arbeidstempo op te voeren,
omdat de voor het personeel gebruikelijke kleine rustpauzes en
handelingsspeelruimtes worden weggerationaliseerd, of omdat hun
diepverankerde en jarenlange bedrijfsloyaliteit (die vaak van
vader op zoon wordt overgedragen) plotsklaps wordt verpletterd
door een aangekondigde bedrijfssluiting [Benschop/ Kee 1974; J.C.
Scott 1985]. In de meer of minder elastische marges van de moderne
arbeidsorganisaties vinden werknemers een ruimte om hun eigen
tradities en routine vorm te geven: van het gezamenlijk beperken
van de arbeidsprestaties ('remmen'), het toeëigenen van gereedschappen
en produkten ('snaaien'), het maskeren van ongeoorloofde afwezigheid
('ziekvieren') tot aan de meest subtiele vormen van zelfbeschermende
sabotage. Hoe dit in detail in z'n werk gaat werd op zeer indringende
en plastische wijze beschreven in de roman van Rivethead
van Ben Hamper.
Ook harde vormen van sabotage behoren tot het overlevings- en verzetsrepertoire.
|
Dergelijke alledaagse overlevings- en verzetsstrategieën behoren tot de op brede schaal ingeburgerde tradities die gericht zijn op verzachting van bestaande exploitatie- en gezagsverhoudingen. In die mate dat dergelijke strategieën op brede schaal gepraktiseerd worden, kunnen zij echter tevens de stabiliteit van het economisch systeem of van een afzonderlijke onderneming ondergraven (vooral wanneer dergelijke praktijken diep in een bedrijfs- of volkscultuur verankerd raken). Wanneer ondernemers hun traditionele verplichtingen ten opzichte van hun personeel niet meer (kunnen of willen) nakomen en zich hierdoor in de ogen van het personeel onzedelijk (arrogant, vrekkig, schaamteloos, gemeen, hardvochtig) gaan gedragen, kan een moeizaam opgebouwd evenwicht van compromissen worden afgebroken.
De conclusie ligt voor de hand: groepsspecifieke economische tradities (gewoontes, gebruiken en zeden) werken niet alleen als stabilisator van de economische relaties binnen (en soms tussen) deze groepen, maar onder bepaalde condities - en vooral wanneer zij op elkaar botsen - ook als transformator.
Het ideaaltypisch met affectieve oriëntaties en handelingen corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is solidariteit. Solidariteit is een specifieke geobjectiveerde verwachtingsstructuur welke louter en alleen geconstitueerd wordt door gevoelsmatige of affectieve oriëntaties.[12] Economische structuren en instituties worden gestabiliseerd of gedestabiliseerd door solidariteit.
a) Stabilisatie
Economische
structuren worden aanzienlijk stabieler wanneer actoren ondanks
hun tegengestelde belangen toch gemeenschappelijke affectieve
of emotionele oriëntaties hebben (bindende solidariteiten).
Zij kunnen echter ook worden gestabiliseerd wanneer de leden van
eenzelfde economische categorie ondanks hun gemeenschappelijke
belangen toch tegengestelde affectieve oriëntaties
hebben en zich slechts solidair voelen met bepaalde delen van
hun eigen economische categorie (verdelende solidariteiten).
Een bekend voorbeeld hiervan is dat werknemers zich alleen maar verwant voelen met hun mannelijke collega's of hun 'witte' lotgenoten. Werknemers kunnen zich meer solidariseren met hun superieuren dan met hun collega's: "the working class can kiss my arse, I've got the foreman's job at last". Uit deze voorbeelden wordt al duidelijk dat er zeer uiteenlopende vormen van solidaire bindingen zijn:
b) Destabilisatie
Solidariteit kan echter ook als destabiliserende factor fungeren,
d.w.z. als een factor die de gevestigde economische structuren
en instituties instabieler maken. Een duidelijk voorbeeld hiervan
is de klassesolidariteit van uitgebuitenen zoals deze tot uiting
komt in een breed scala van expressieve acties (vooral in solidariteitsacties)
en symbolen die onmiskenbaar laten zien tot welke klasse men behoort
of gerekend wil worden. Historici benadrukken dat onder de Nederlandse
arbeidersklasse in de 19e eeuw een grote mate van onderlinge solidariteit
en hulpvaardigheid bestond [Giele 1976:87]. Deze onderlinge solidariteit
leidde tot een zeker gevoel van lotsverbondenheid binnen bepaalde
groepen van de arbeidende klasse. In eerste instantie bleef deze
solidariteit beperkt tot de medearbeiders die zij persoonlijk
kenden, hetzij op het werk, hetzij in de buurt waar men woonde:
zij zich primair verbonden met degenen die in dezelfde arbeids-
en levensomstandigheden verkeerden als zij zelf. Het gevoel van
lotsverbondenheid was het sterkst waar de bekendheid met elkaar
in werk- en woonsituatie samenvielen. Deze onderlinge solidariteit
vormde "de mogelijke kiem van de ontwikkeling van groepsbewustzijn
naar klassebewustzijn" [idem: 98].[13] Deze ontwikkeling is omstreeks de eeuwwisseling in volle gang. Zij werd niet alleen gestimuleerd
door de economische ontwikkeling in de tweede helft van de 19e
eeuw (die een toenadering tussen de groepen binnen de arbeidersklasse
bewerkstelligde), maar ook door de invloed van de socialistische
propaganda van de Nederlandse sectie van de Eerste Internationale
en de Sociaal-Democratische Bond.
Solidariteitsculturen zijn meer of minder sterk affectief gebonden groeperingen die een collectieve identiteit kunnen ontwikkelen. Zij zijn de actieve uitdrukking van solidariteit tussen werknemers binnen een industrieel systeem en een maatschappij die daar vijandig tegenover staat. Het zijn geen abstracte solidariteitsideeën of bureaucratische vakbondsactiviteiten, maar culturele formaties die in conflicten geboren worden [Fantasia 1988:19]. Solidariteitsculturen genereren en bestendigen onderlinge solidariteit tegenover de dominante structuur.
Evenals economische gewoontes en zeden blijven solidariteiten meestal voor een belangrijk deel on- of voorbewust. Mede daarom kunnen veranderingen die daarin optreden lange tijd onopgemerkt blijven. Het tempo van deze veranderingen en de richting waarin de onderhuidse en moleculaire verschuivingen van de solidariteitsculturen zich voltrekken, zijn slechts in beperkte mate manipuleerbaar. Solidariteit is weliswaar universeel inzetbaar, maar men kan er niet over beschikken of haar strategisch controleren. Zeker op korte termijn kunnen eenmaal gevestigde solidariteiten niet of nauwelijks worden beïnvloed. Bovendien is er een altijd een zeker gevaar verbonden aan het strategisch gebruik van gevestigde solidariteitsculturen: wanneer zij strategisch worden gebruikt kunnen zij - net zoals tradities en legitimiteitsopvattingen - worden uitgehold. Wanneer authentieke solidariteitsculturen hierdoor eroderen, worden zij op den duur als strategisch inzetbare bronnen veel minder waard [Bader 1991:277].
Men kan zich dus ook strategisch oriënteren op het bestaan van solidariteitsculturen en in de planning van economische acties rekening houden met het feit dat anderen met elkaar of met een bepaalde organisatie of institutie solidair zullen zijn. Zo houden ondernemers en managers bij de uitwerking van reorganisatieplannen rekening met het feit dat er bij het personeel meer of mindere sterke gevoelsmatige bindingen bestaan met hun 'eigen' afdeling of sector. Bovendien kunnen zij bij harde reorganisaties en restrictieve maatregelen een beroep doen op het 'samen in een boot' gevoel, d.w.z. op de solidariteit van werknemers met 'hun' bedrijfsorganisatie. Omgekeerd wordt er bij de uitwerking van vakbondsstrategieën cognitief rekening gehouden met het saamhorigheidsgevoel van het personeel van bedrijven, en van werknemers in de betreffende bedrijfssectoren of regio's. Reclame-specialisten spelen bij de presentatie van de produkten die zij moeten aanbevelen in op bestaande emotionele 'wij-gevoelens' van de doelgroep. Wanneer deze strategische oriëntaties dominant (en dus opzichtig) worden, gaat solidariteit over in een zuivere belangenpositie. Het gevolg hiervan is meestal dat het mogelijke surplus aan stabiliteit dat met affectieve oriëntaties verbonden is, verloren gaat.
Economisch gebonden zeden en solidariteiten vertonen niet alleen in traditionele maatschappijen een relatief grote continuïteit. Samen met economische belangen leveren zij een doorslaggevende bijdrage aan de stabilisatie van de economische structuren en instituties. Bovendien spelen zij een essentiële rol bij hun destabilisatie.
Economische belangen worden geconstitueerd door zuiver strategische handelingsoriëntaties van individuen op basis van gelijksoortige verwachtingen van anderen en door zuiver strategisch gemotiveerde handelingen. Strategische handelingen zijn handelingen die het resultaat zijn van een meer of minder rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes. Gemeenschappelijke belangen binnen en tussen economische categorieën fungeren als een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie.
In de economische sociologieën die aansluiten bij Weber's algemene handelingstypologie wordt het mechanisme van handelingscoördinatie dat voortvloeit uit 'doelrationele' handelingsoriëntanties en handelingen aangeduid als belangenpositie. Een regelmatig voorkomende handelingsoriëntatie wordt door Weber "bepaald door belangenpositie (belangenbepaald)" genoemd "wanneer en voorzover de empirische kans dat sociaal handelen optreedt uitsluitend bepaald is door zuiver doelrationele oriëntatie van individuen op gelijksoortige verwachtingen" [WG:15].[14] De term 'belangenpositie' refereert weliswaar aan objectieve levensposities, maar is hiervan ook voor Weber geen synoniem. Het nadeel van de term belangenpositie is dat daarin vaak twee aspecten samenvloeien die uit elkaar gehouden zouden moeten worden, namellijk positionele aspecten (structurele posities) en motivationele aspecten (handelingsoriëntaties en -doelen). Belangen zijn door objectieve levensposities, habitus en levensstijlen, culturen en collectieve identiteiten gestructureerde en handelingsmotiverende particuliere doelen. Belangen zijn dus niet identiek met objectieve levensposities en zijn hiervan ook geen loutere reflectie. Belangen zijn handelingsmotiverende krachten, het zijn causaal effectieve motieven of redenen van handelen [Bader 1991:132]. De ratio van de term 'belangenpositie' is dat hierin de positionele bepaaldheid van belangen tot uitdrukking wordt gebracht. Om misverstanden te voorkomen zou men in in plaats van belangenpositie ook van 'eigenbelangen' kunnen spreken (zoals o.a. door Roth/Wittich, de Engelse vertalers van Wirtschaft und Gesellschaft is gedaan). Het nadeel hiervan is dat het bij 'eigenbelangen' altijd gaat om ongelijksoortige, tegenstrijdige verwachtingen en oriëntaties van individuele of collectieve actoren. Bij 'belangenpositie' ligt het accent juist op de gelijksoortigheid of gemeenschappelijkheid van de wederzijdse gedragsverwachtingen en oriëntaties. Om dit probleem te vermijden geef ik hier de voorkeur aan het algemene begrip 'belangen'. De bonus voor het gebruik van de term 'belangen' is dat hiermee terminologisch afstand wordt gehouden van de eerder genoemde identifcatie van 'belangenpositie' met 'objectieve levenspositie' of met 'economische positie'.
Belangen dragen bij aan de continuïteit en stabiliteit van economische structuren en instituties, maar bewerkstelligen tevens de discontinuïteit en instabiliteit daarvan. Ook economische belangen fungeren dus tegelijkertijd als mechanisme van reproduktie en transformatie van gevestigde economische verhoudingen.
a) Stabilisatie
Een eenmaal gevestigd gemeenschappelijk
belang fungeert als een stabilisatiemechanisme wanneer en voorzover
het bijdraagt aan de feitelijke reproduktie van economische structuren
en instituties. Actuele economische belangen zijn specifieke geobjectiveerde
verwachtingsstructuren: zij veronderstellen een gelijksoortigheid
van de wederzijdse strategische verwachtingen en oriëntaties
van actoren die tot eenzelfde economische categorie behoren. De
leden van een economische categorie oriënteren zich strategisch
op hun eigen economische doelen en verwachten dat alle andere
leden zich op dezelfde manier op deze doelen oriënteren.
Bovendien veronderstellen zij dat alle andere leden van hen verwachten
dat zij zich strategisch oriënteren en dienovereenkomstig
handelen [Bader/Benschop 1988:267; Bader 1991: 135]. Economische
belangen stabiliseren dus in de eerste plaats de verhoudingen
binnen de economische categorieën, dat wil
zeggen tussen de leden van eenzelfde economische categorie. Economische
structuren en instituties worden echter met name gereproduceerd
wanneer verschillende economische categorieën gemeenschappelijke
belangen definiëren of wanneer zij daadwerkelijk gemeenschappelijke
belangen hebben, dat wil zeggen wanneer er tussen
afzonderlijke categorieën een (partieel globaal, tijdelijk
of duurzaam) belangencompromis tot stand komt. Zolang de verschillen
en stellingen tussen de belangen van afzonderlijke economische
categorieën niet duidelijk voor iedereen zichtbaar naar voren
komen, dragen deze gemeenschappelijke belangen feitelijk bij aan
de stabiliteit van economische structuren en instituties.
Ondanks en naast hun tegengestelde klassebelangen hebben loonarbeiders en ondernemers bijvoorbeeld beide belang bij het afsluiten van arbeidscontracten. Elk arbeidscontract dat wordt afgesloten reproduceert kapitalistische loonafhankelijkheid, of dit nu bewust bedoeld is of niet. De belangen van loonarbeiders en ondernemers zijn dus niet monolitisch gepolariseerd (zoals in primitief marxistische en conflictsociologische benaderingen beweerd wordt). Onder 'normale' omstandigheden, waarin klassebelangen niet sterk zijn gepolitiseerd, hebben werknemers een positief belang bij de rentabiliteit en overleving van het bedrijf waarvoor zij werken. De acceptatie van bestaande klassenverhoudingen door loonarbeiders is gedeeltelijk gebaseerd op strategische overwegingen, en niet alleen op de internalisering van 'burgerlijke normen' en misleiding. Zo hebben ook producenten en consumenten ondanks en naast hun tegengestelde belangen er beide belang bij dat er een koopcontract wordt gesloten. Bovendien hebben consumenten van duurzame gebruiksgoederen een specifiek belang bij de continuïteit van de leverantie door de producent. Wie een personal computer koopt van een bepaald merk of systeemtype heeft er op korte termijn direct belang bij dat het betreffende concern het door hem gekochte produkt en bijbehorende uitbreidingselementen blijft leveren; op langere termijn is dit van belang omdat de consument bij vervanging van de apparatuur verwacht dat de betreffende firma rekening houdt met compatibiliteitsproblemen en hoopt dat er geen lange leertijden meer nodig zijn. 'Trouw' zijn aan een bepaald merk heeft dus niet alleen traditionele en effectieve redenen, maar ook nuchter becalculeerde strategische voordelen. De consument is onder bepaalde condities en voor bepaalde produkten wel degelijk in staat tot een min of meer rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes.
b) Destabilisatie
Belangen fungeren echter ook als een
mechanisme van destabilisering van economische structuren en instituties.
Wanneer de leden van een economische categorie (afdeling, beroep-
of inkomensgroep enz.) zich strategisch oriënteren op hun
eigen specifieke doelen verwachten zij immers ook dat de leden
van een andere of tegenovergestelde economische categorie zich
eveneens op hun eigenbelangen oriënteren (en van de eerste
categorie verwachten dat zij hetzelfde doen). Eenmaal gevestigde
en duurzaam gearticuleerde groepsbelangen zijn intrinsiek conflictueus
omdat zij tegenovergestelde belangen genereren. De realisatie
van de belangen van de ene categorie impliceert in veel gevallen
verzet tegen de realisatie van de belangen van een andere categorie.
Bij belangenantagonismen is dit altijd het geval. Dit betekent
niet dat er geen compromis mogelijk is tussen tegengestelde belangen.
Het impliceert wel dat bij dergelijke compromissen meestal één
specifiek belang domineert over (en gerealiseerd wordt tegen)
de belangen van andere groepen. Niet het compromis is onmogelijk,
maar harmonie [Wright 1985:36]. Belangenconflicten en belangencompromissen
sluiten elkaar dus niet uit en moeten ook niet abstract tegenover
elkaar worden gesteld. Ten eerste worden belangencompromissen
gegenereerd door belangenconflicten. Het sluiten van een compromissen
onderstreept de conflictualiteit van de daaraan ten grondslag
liggende belangenconstellaties. Ten tweede is een belangenconflict
van essentieel belang om de 'regels van het spel' te handhaven
waardoor belangencompromissen gereproduceerd kunnen worden.
Tegengestelde economische belangen zijn een uitermate krachtige conflictbron. Zij genereren permanent impulsen die tot een destabilisering van de krachtsverhoudingen tussen de verschillende individuele en collectieve actoren leiden. Economische structuren en instituties worden met name gedestabiliseerd wanneer de tegenstellingen tussen de economische belangen op een directe, ondubbelzinnige en dus voor iedereen zichtbare wijze naar voren komen. Er doen zich permanent veelal niet opgemerkte moleculaire veranderingen voor in de objectieve posities van de economische actoren die doorwerken in hun habitus en levensstijlen. Hierdoor treden ook wijzigingen op in hun belangen op lange termijn, die meestal onbewust en niet bedoeld zijn. Het zijn juist deze wijzigingen in de actuele en gedeeltelijk bewust gearticuleerde economische belangen op lange termijn waardoor er telkens opnieuw economisch conflicten uitbreken en waardoor bestaande economische structuren en instituties worden gedestabiliseerd. Een voorbeeld hiervan zijn de verschuivingen in de internationale marktverhoudingen voor de scheepsbouw, die voor Nederland geleid hebben tot een tamelijk snelle afbraak van deze bedrijfstak, met alle sociaal deraillerende gevolgen voor de betreffende regio's van dien. Een verstrekkender voorbeeld zijn de werkgelegenheidsimplicaties van de introductie van steeds geavanceerde informatietechnologieën waardoor een complete 'revolutie van de kantoorarbeid' ingang werd gezet: van bureauwerk naar beeldschermwerk, afbraak van traditionele administratieve functies en beroepen, ontstaan van tele-thuiswerkers en export van volledige bedrijfsadministraties naar lage-lonen-landen.
Index
§ 4 Conventies, recht & geweld
[2] In zijn informatieve en scherpzinnige analyse van de Japanse verhoudingen heeft Van Wolferen laten zien hoe miserabel de 'cultuurlijke verklaring' is die niet alleen in Japan zelf, maar ook onder Westerse sociale wetenschappers zo populair geworden is. Zijn politiek-sociologische analyse van de Japanse arbeidsverhoudingen behoort met afstand tot het beste van wat er op dit gebied gelezen kan worden. Hij laat o.a. zien dat de buitengewone disciplinering en conformering van de doorsnee Japanner tot stand kwam door een uitermate massieve onderdrukking van autonome arbeidersorganisaties [116 e.v], in stand gehouden wordt door een systematisch bijgebracht gedrag van onderdanigheid [p. 410 e.v.], en gecultiveerd wordt door een ondubbelzinnige ideologie van Japanse superioriteit [p. 412 e.v.]. De mythe van de homogeniteit, de beeldvorming van Japan als een klasseloze maatschappij met geringe verschillen tussen rijk en arm, speelt bij dit laatste een cruciale rol [p. 442 e.v.]. Voor intercultureel geïnteresseerde arbeids- en organisatiesociologen is Van Wolferen's studie een ongekende informatie- en inspiratiebron.
[3] Het verschil tussen existentieel (primair strategisch gemotiveerd) fatalisme en ethisch (primair religieus gemotiveerd) fatalisme is uitgewerkt in § 5·5·4. In BENSCHOP [1993:466 e.v] wordt uitvoeriger ingegaan op het verschijnsel dat leden van subalterne klassen en groepen de bestaande orde tot op zekere hoogte 'accepteren' en op de theoretische en empirische problemen om dit verschijnsel te onderzoeken.
[4] Ik heb er al eerder op gewezen dat ook Etzioni zich vastlegt op een dichotoom model van utilitaire en morele of normatieve factoren. Het dichotome model van 'geweld' versus 'legitimiteit' speelt in cruciale rol in de marxistisch en functionalistisch geïnspireerde economische sociologieën.
[5] Ook BHASKAR [1989:80 - Reclaiming Reality] gaat uit van een concept waarin mensen in hun bewuste menselijke activiteiten voor het grootste deel onbewust de structuren reproduceren (of soms transformeren) die hun substantiële produktie-activiteiten reguleren. Mensen trouwen niet om het instituut huwelijk te reproduceren en zij werken niet om de kapitalistische economie te reproduceren. Maar het is niettemin het onbeoogde gevolg (en onverbiddelijk resultaat) van hun activiteit, zoals het ook de noodzakelijke voorwaarde voor hun activiteit is.
[6] De basisgedachte die aan het onderscheid tussen deze mechanismen ten grondslag ligt, werd uitgewerkt door BADER [1981, 1991]. Zie voor een algemene analyse van de reproduktie en transformatie van sociale ongelijkheden: BADER/BENSCHOP [1988; hft. X] en van klassenverhoudingen: BENSCHOP [1993: hft. XVI].
[7] Zedelijkheid wordt door HABERMAS [1984:178] gedefinieerd als "einer fraglos eingelebten partikularen Lebensform".
[8] Traditionele samenlevingen zijn een soort confectiemaatschappij waarin essentiële dingen in het persoonlijk leven lijken voorbestemd: je komt in een bepaald beroep terecht dat vaak het beroep van je vader is; je trouwt met iemand die vaak uit je eigen directe sociale en geografische omgeving komt (en waarbij je familie een grote invloed heeft); je krijgt kinderen: je verzorgt je ouders als ze oud zijn. Er is weinig ruimte om daarvan af te wijken - wie dat toch probeert is onaangepast. Moderne samenlevingen zijn daarentegen veeleer een meerkeuze-maatschappij: je kunt binnen bepaalde grenzen kiezen wat voor opleiding je wilt volgen en welk werk je wilt gaan doen en zit daar niet je hele leven aan vast; je kunt zelf je partner uitkiezen; je kunt je eigen seksuele voorkeuren kenbaar maken; je beslist zelf of je wel of geen kinderen wilt.
[9] BADER [1989:311] heeft erop gewezen dat actoren zich ook affectief, normatief of zuiver strategisch kunnen oriënteren op het (veronderstelde) bestaan van gewoontes en zeden. Wanneer een van deze oriëntaties empirisch dominant worden, gaan gewoontes en zeden over in solidariteit, legitimiteit of in belangen. Economische verhoudingen die daarop gebaseerd zijn, verliezen hierdoor echter juist de niet geringe extra stabiliteit die meestal met traditionele oriëntaties en ingeslepen routines is verbonden.
[10] "Routines are the skills of organization" [NELSON/WINTER 1982:124]. In hun evolutionaire theorie van economische verandering gaan zij - in hoofdstuk 5 - uitvoerig in op de sleutelrol die routines in organisaties vervullen. Zij sluiten aan bij de door Michael POLANYI [1962, 1967] ontwikkelde concept van 'tacit knowledge'. De grote zwakte van hun analyse is dat zij het begrip routine zelf niet afbakenen, waardoor het begrip veel te ver wordt opgeblazen.
[11] Leden van subalterne groepen houden vaak hardnekkig vast aan hun traditionele levenswijze, niet omdat zij tegen verandering als zodanig zijn (zoals sommige moderniteitstheoretici en organisatiekundigen ons willen doen geloven), maar omdat de voorgestelde veranderingen voor hen meer problemen en nieuwe risico's scheppen dan zij oplossen. Achter een schijnbaar 'traditionalistische' of zo men wil 'conservatieve' houding gaat dus zeer vaak een nuchtere afweging van kosten en baten schuil. Ingeslepen gewoontes en zeden kunnen dus uiterst rationeel zijn: het zijn gesedimenteerde ervaringen uit het verleden, en impliceren sociaal geaggregeerde kennis.
[12] Wanneer dit mechanisme van handelingsoriëntatie eenmaal bestaat, kan men zich op solidariteit ook anders dan affectief oriënteren: men kan zich ook op een traditionele, normatieve of strategische wijze op het bestaan van solidariteit oriënteren [BADER 1989]. Solidariteit komt hierdoor echter niet tot stand en economische structuren en instituties die daarop berusten, verliezen het surplus aan stabiliteit dat meestal het resultaat is van affectieve oriëntaties en solidaire bindingen zoals vriendschap of kameraadschap.
[13] De ontwikkeling van groeps- naar klassebewustzijn is overigens zeker geen automatisch proces. geen Praktische vormen van solidariteit (of rivaliteit) die stoelen op persoonlijke contacten en directe interacties (in arbeidscollectieven en nabuurschap) kunnen immers ook een obstakel vormen voor de constructie van solidariteitsvormen die berusten op nabijheid in de organisationele en maatschappelijke ruimte. Het empirisch onderzoek van FANTASIA [1988] laat zien hoe complex en tegenstrijdig de ontwikkeling van soldariteitsculturen verloopt. Zie voor een theoretische behandeling: BADER [1991:117 e.v.].
[14] Waarom ik in tegenstelling tot Weber niet de term 'doelrationeel' maar 'strategisch' handelen gebruik is eerder behandeld in hft. IV:2.
| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|