UvA
Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

VI

Transformatie:
economische instituties als sociale constructies

door: Albert Benschop

    Introductie
  1. Economische zeden en gewoontes
  2. Solidariteiten
  3. Belangen
  4. Conventies, recht en geweld
    4·1 Privileges, rechten en eigendom
    4·2 Conventies en wetten
    4·2·1 Conventies
    4·2·2 Rechten
    4·3 Fysiek geweld
  5. Legitimiteit
    5·1 Innerlijke garantie door normatieve instemming
    5·2 Waarom is legitimatie noodzakelijk?
    5·3 Legitimatielegendes en legitimiteitsgeloof
    5·4 Verscheidenheid van legitimatielegendes
    5·5 Legitimiteitsgeloof van negatief geprivilegieerden
    5·5·1 Morele ordes in meervoud
    5·5·2 Van symbolische universa tot alledaagse humor
    5·5·3 Aanvaarding van economische structuren en instituties
    5·5·4 Existentieel en ethisch fatalisme
    5·5·5 Methodische problemen: vertekening van bronnen
    5·6 Strategieën van delegitimatie

V Integratie Index VII Markt


Introductie

Economische instituties zijn (net als alle andere instituties) geen automatisch gevolg van specifieke externe omstandigheden, maar worden sociaal geconstrueerd. Sociale constructie refereert aan de permanente creatie van de sociale wereld door handelende individuen - door middel van interactie met elkaar en door middel van het vormen en hervormen van institutionele structuren. Organisatievormen zijn onderdeel van deze sociale wereld. De centrale kenmerken van organisaties - zoals doelen, structurele condities, technologie, formele regelgeving, informele relaties - zijn het resultaat van de sociale constructie. Organisatie-analyse moet het ontstaan, de reproduktie en transformatie van organisationele vormen verklaren. De taak van een transformationele economische sociologie is breder, zij moet het ontstaan, de reproduktie en transformatie van economische structuren en instituties verklaren.

Prijzen zijn evenzeer sociale constructies als de structuur van een industrie of de professies.[1] Economische instituties ontstaan niet automatisch in reactie op economische behoeften. Economische instituties worden sociaal geconstrueerd door individuen wier actie zowel wordt mogelijk gemaakt als beperkt door de bronnen waarover zij kunnen beschikken en door de (maatschappelijke, organisationele en interactionele) structuren waarin zij zijn ingebed en waardoor hun economisch handelen wordt geïntegreerd en gecoördineerd. De transformationele economische sociologie houdt zich niet alleen bezig met micro-economische gebeurtenissen, maar ook met macro-economische gebeurtenissen, processen en structuren, zoals 'business cycles', staatsinterventies in de economie.

Waarom accepteren mensen de economische structuren en instituties die ongelijkheden en exploitaties reproduceren, en waarom verzetten zij zich hiertegen? Hoe ontstaan economische structuren en instituties, welke mechanismen zorgen ervoor dat zij kunnen voortbestaan en welke mechanismen leiden tot structurele veranderingen? Ik wil me hier concentreren op de reproduktieve en transformatieve oorzaken, d.w.z op de mechanismen die bepalend zijn voor het voortbestaan dan wel de verandering van economische structuren en instituties. De ontstaansoorzaken zullen dus grotendeels buiten beschouwing blijven.

Bij de thematisering van economische structuren en instituties wordt niet uitgaan van de vooronderstelling dat zij in een statisch evenwicht verkeren. Er wordt juist grote nadruk gelegd op dynamiek van instituties respectievelijk op het proces van institutionalisering. In culturalistische benaderingen worden economische instituties verklaard vanuit de culturele overtuiging ('geloof') dat een groep is voorbestemd tot het gedrag dat zij feitelijk vertoont. Een voorbeeld hiervan is de claim dat er in de Japanse cultuur grote nadruk gelegd wordt op 'organische' eenheid en hiërarchische loyaliteit en dat dit leidt tot probleemloze industriële organisaties. Deze 'ideologie van het Japans-zijn' kan echter ook en veel produktiever worden geïnterpreteerd als een heersende legitimatielegende, als "een excuus voor systematische uitbuiting, voor gerechtelijke misstanden, voor gangsterpraktijken en andere vormen van onbeteugelde machtsuitoefening" [Van Wolferen 1991:406].[2] Het zich fatalistisch neerleggen bij bestaande exploitatie- en gezagsverhoudingen is meestal een specifieke combinatie van louter strategische calculatie, traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en (in veel geringere mate) normatieve instemming.[3] In functionalistische benaderingen wordt omgekeerd geredeneerd vanuit de kenmerken van instituties naar de redenen waarom zij aanwezig moeten zijn. Een moderne vertegenwoordiger van deze benadering is Andrew Schotter [1981]. Functionele verklaringen zijn teleologische of finalistische verklaringen (zij geven 'opdat'-antwoorden) en geen oorzakelijke of historisch-causale verklaringen (zij geven geen 'omdat'-antwoorden). Een functionalist zegt bijv. dat beloningen ongelijk verdeeld zijn 'opdat' de meest belangrijke economische posities vervuld worden door de meest gekwalificeerde personen. De oorzakelijke verklaring kan luiden: de beloningen zijn ongelijk verdeeld 'omdat' de beschikkingsmacht over bronnen asymmetrisch verdeeld is. Een functionalist zegt bijv. dat organisaties hiërarchisch of ondemocratisch zijn gestructureerd 'opdat' daarmee de hoogste efficiëntie bereikt kan worden. De oorzakelijke verklaring kan luiden dat ondernemingen ondemocratisch zijn opgebouwd 'omdat' de eigenaren hierdoor een maximale winst kunnen genereren.

In de gangbare economische sociologieën wordt een nogal eenzijdig beeld gegeven van de wijze waarop economische structuren en instituties worden gereproduceerd en getransformeerd. Dit heeft mijns inziens vier redenen.

Zoals gezegd zal ik mij hier beperken tot het laatste punt. De vraag is dus: wat zijn de mechanismen waardoor eenmaal uitgekristalliseerde en tot op zekere hoogte gestabiliseerde economische structuren worden gereproduceerd en getransformeerd? Ik grijp daarvoor terug op de eerder geschetste typologie van handelingsoriëntaties [zie IV:2·3]. Daarbij werd een analytisch onderscheid gemaakt tussen traditionele, affectieve, strategische en normatieve motivaties voor economisch handelen en van de daarmee ideaaltypisch corresponderende mechanismen van handelingscoördinatie: gewoontes/zeden, solidariteiten, belangen en legitimaties.

Deze vier mechanismen van handelingscoördinatie zijn geobjectiveerde verwachtingsstructuren die in het feitelijke economisch handelen worden geconstitueerd. Zij coördineren het economisch handelen van actoren en zijn dus verantwoordelijk voor het feit dat hun economisch handelen op elkaar wordt afgestemd. Ik gebruik deze typologische indeling als referentiekader om zowel de reproduktie als de transformatie van economische structuren en instituties te verklaren.

De vier mechanismen coördineren niet alleen het economisch handelen, maar fungeren tegelijkertijd als mechanismen van reproduktie en transformatie van economische verhoudingen. Zij doen dit echter niet allemaal op dezelfde wijze. Sommige mechanismen van handelingscoördinatie reproduceren en transformeren de bestaande economische structuren en instituties min of meer onbewust, als niet gewilde en onbedoelde nevengevolgen van economische oriëntaties en handelingen.[5] Ik noem dit de mechanismen van stabilisering of destabilisering. Andere mechanismen van handelingscoördinatie zijn daarentegen direct en als zodanig bewust gericht op de instandhouding of verandering van economische verhoudingen. Ik noem dit de mechanismen van garantie of van bewuste, actieve en gerichte transformatie.[6] In de volgende figuur zijn deze beide mechanismen in beeld gebracht.

Figuur 6·1 Mechanismen van reproduktie en transformatie


Index


1 Economische zeden en gewoontes

Het ontstaan, voortbestaan en de verandering van gestabiliseerde economische structuren zijn het gevolg van de feitelijke regelmatigheden van het economisch handelen. Deze regelmatigheden vloeien voort uit het feit dat mensen hun economisch handelen op meer of minder bewuste wijze op elkaar afstemmen. De schijnbaar meest elementaire, maar in hun werking uiterst effectieve traditionele handelingsoriëntaties genereren een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie: economische gewoontes en zeden. Economische structuren worden dus gereproduceerd door groeps-, functie-, kwalificatie-, beroeps-, afdelings-, bedrijfs- of klassespecifieke gewoontes en zeden die door traditionele oriëntaties en handelingen worden geconstitueerd.

De overgang tussen gewoontes/gebruiken en zeden is per definitie vloeiend omdat hier strikt genomen alleen de tijdsfactor een rol speelt: economische gewoontes en gebruiken worden zeden wanneer zij worden verduurzaamd. In dit verband wordt vaak de term routines gebruikt. Ik definieer routines als door gebruiken/gewoontes en zeden geregeld gedrag, d.w.z. als gedrag waarvan de feitelijke regelmatigheden het gevolg zijn van een traditionele handelingsoriëntatie.

De economische gewoontes en zeden van een groep zijn niet geldig in de zin dat er van mensen geëist wordt dat zich houden aan bepaalde regels die uiterlijk zijn gewaarborgd, d.w.z. die door een conventie of wet, bedrijfsreglement of superieur worden bekrachtigd. Zij zijn (nog) niet als conventionele of wettelijke regels geformuleerd waaraan men zich moet houden. Door de ingeleefde praktijk van een economische zede - zoals een bepaalde arbeidsritme - kunnen economische structuren worden gestabiliseerd, ook indien de regels waaraan de actoren zich vrijwillig houden nog niet of niet meer conventioneel worden verlangd of door bedrijfsreglementen of wettelijk zijn gesanctioneerd. In de alledaagse economische praktijk spelen traditionele gewoontes en zeden een zeer dominante rol.

a) Continuïteit en stabiliteit
De continuïteit en stabiliteit van economische zeden wordt veroorzaakt door een specifiek mechanisme van sociale controle. Wanneer iemand zijn economisch handelen niet op een geldende zede oriënteert, zich niet conform de heersende zeden en dus 'onaangepast' gedraagt, zal deze actor kleine of grote ongemakken op de koop moeten toenemen zolang de meerderheid van de mensen in zijn directe omgeving wél rekening houdt met het bestaan van deze zeden en zich daarop blijft oriënteren.[8]

Wanneer economische gewoontes en zeden bij een bepaalde groep eenmaal goed zijn ingeburgerd, leiden zij een uiterst hardnekkig bestaan. Zelfs wanneer deze routines wettelijk worden bestreden of door directe superieuren worden verboden, zullen zij niet onmiddellijk verdwijnen. Sociale gewoontes die voor het individu kostbaar zijn om te volgen blijven vaak toch bestaan. De bindende kracht die deze persistentie veroorzaakt is de sociale sanctie die wordt opgelegd door het reputatieverlies dat optreedt als men breekt met de gewoonte. "A custom, once established, will persist, provided that disobedience of the custom results in sufficient loss of reputation, and provided that the cost of disobedience is sufficiently high" [Akerlof 1984/93:71].

Uitgekristalliseerde gewoontes en zeden fungeren als stabilisatiemechanismen van economische structuren en worden als hun ongewilde en onbedoelde resultaten gereproduceerd. Een economisch systeem of een arbeidsorganisatie dat alleen maar door strategische motieven of belangenconstellaties wordt gereproduceerd is meestal veel labieler dan een stelsel dat tevens steunt op traditionele oriëntaties en daarmee corresponderende routines.[9]

Een formele organisatie is door zijn functieverdeling en procedures zelf een van de belangrijkste stabilisatiemechanismen. Zowel in de organisatiepraktijk als in de organisatietheorie speelt de constructie van collectieve geheugenstructuren een cruciale rol: zij zorgen voor de reproduktie van het organisationele gedrag en voor handhaving van de geselecteerde organisatiestructuren en -processen.
Een routineuze ramp
In elke arbeidsorganisatie bestaat een groot aantal regels en routines. Deze regels en routines veranderen wel, maar passen zich vaak zeer langzaam en onvoldoende aan gewijzigde omstandigheden aan. Routines en ingeslepen vuistregels kunnen zich dus wel aanpassen aan nieuwe problemen, maar deze aanpassing is vaak niet optimaal. Wanneer ervaren leidinggevenden met onbekende, nieuwe en complexe problemen worden geconfronteerd zijn zij meestal geneigd om deze in onderdelen op te splitsen en de elementen die hun bekend voorkomen aan te pakken. Het is praktisch niet mogelijk om organisaties zo in te richten dat er bij voorbaat rekening wordt gehouden met alle eventualiteiten. Wanneer zich iets volledig onbekends en onbegrijpelijks voordoet, nemen organisatieleden daarom vaak aan dat er iets anders gebeurt, nl. iets dat wij wel begrijpen.
Een bekend voorbeeld hiervan is de nucleaire ramp bij Harrisburg (Three Miles Island) in de V.S. Voordat de ramp plaats vond, waren er een aantal signalen die wezen op gevaar. Deze werden echter door het bedienend personeel niet doorgegeven omdat zij deze signalen niet geloofde. De hang aan routines (de regelgerichtheid) zorgde ervoor dat er niet op tijd de juiste maatregelen werden genomen om de nieuwe situatie het hoofd te bieden. De direct betrokkenen gaven een verkeerde interpretatie van de situatie en onderkenden niet dat er iets nieuws aan de hand was. In een case-studie van dit nucleaire ongeval merkt Perrow [1981:17] op dat dit de betekenis is van het commentaar: "if only they had a simple, understandable thing like a pipe break they would have know what to do".
Voor de analyse van het interne functioneren van een organisatie is routine een kernbegrip. Routines refereren naar alle regelmatig voorkomende en voorspelbare gedragspatronen van en binnen arbeidsorganisaties. De wijze waarop organisaties functioneren wordt voor het overgrote deel bepaald door routinematige gedragingen en niet door weloverwogen keuzen. Routines (door gewoontes en zeden geregeld gedrag) doen zeer veel dingen in een organisatie: zij beschermen en beperken, zij coördineren en blokkeren; zij kanaliseren inspanningen en beperken deze; zij maken universalisme mogelijk en zijn een vijgeblad voor incompetenties; zij handhaven stabiliteit en houden veranderingen tegen; zij maken diversiteit mogelijk en beperken deze. Zij zijn het geheugen van de organisatie en de middelen voor verandering [Perrow 1986:26]. Het bestaan van routines verklaart waarom organisaties zo moeilijk tot verandering te bewegen zijn. Routines bieden echter ook aanknopingspunten voor innovaties. Zonder routines is men niet in staat om de moeilijkheden te ontdekken die buiten de routines vallen. Afwijkingen van routines zijn vaak aanleiding voor het opnieuw onderzoeken van de inputs, de markten en de bestaande routines en kunnen tot innovaties leiden [Nelson/ Winter 1982:129]. Routines zijn veelal belichaamd in stilzwijgende kennis en immateriële bedrijfsmiddelen.[10] Zij fungeren als het geheugen van de organisatie. Routines worden vooral gevormd via 'leren door doen'. Door te doen zijn organisaties in staat te onthouden. Routines die enige tijd buiten gebruik blijven, raken in de vergetelheid [Schreuder/van Witteloostuijn 1992:259].

In economische zeden zijn specifieke verwachtingsstructuren geobjectiveerd. Zij veronderstellen immers een zekere gelijksoortigheid van de verwachtingen die de leden van eenzelfde groep van elkaar hebben. De afzonderlijke actoren houden zich vrijwillig aan de regels die in een economische zede geïmpliceerd zijn en verwachten dat de andere actoren zich om dezelfde redenen aan deze regels zullen houden. Door zeden worden dus in eerste instantie de verhoudingen binnen de afzonderlijke (functie-, beroeps- enz.) groepen gestabiliseerd. In die mate dat de traditionele gewoontes en zeden van subalterne groepen zijn 'aangepast' aan de bestaande gezags- en uitbuitingsverhoudingen, stabiliseren zij echter tevens de verhouding tussen de afzonderlijke groepen. De economische gewoontes en zeden van subalterne groepen (zoals lagere functie- en kwalificatiegroepen, ondergeschikte personeelsleden, marginale afdelingen, gemarginaliseerde arbeidsmarktcategorieën) vertonen vaak een hoge mate van habitueel verankerde aangepastheid en conformiteit. Dat wil echter niet zeggen dat hun routines altijd conformistisch of irrationeel zijn.[11] Ook nonconformistische gewoontes en rebelse zeden behoren immers tot de tradities die in sommige subalterne groepen zeer hoog worden gewaardeerd.

b) Destabilisatie
Ingeleefde en diepverankerde tradities fungeren dus niet alleen als stabilisator van economische verhoudingen en arbeidsorganisaties, maar onder bepaalde omstandigheden ook als een uiterst krachtige destabiliserende factor. Zo vormde bijvoorbeeld de pre-industriële of voorkapitalistische tradities van ambachtslieden een belangrijke voedingsbodem voor het ontstaan van de eerste verdedigings- en verzetsorganisaties van de arbeidersbeweging. Ook tegenwoordig ontstaan er veel arbeidsconflicten omdat ondernemers proberen een tot gewoonte geworden arbeidstempo op te voeren, omdat de voor het personeel gebruikelijke kleine rustpauzes en handelingsspeelruimtes worden weggerationaliseerd, of omdat hun diepverankerde en jarenlange bedrijfsloyaliteit (die vaak van vader op zoon wordt overgedragen) plotsklaps wordt verpletterd door een aangekondigde bedrijfssluiting [Benschop/ Kee 1974; J.C. Scott 1985]. In de meer of minder elastische marges van de moderne arbeidsorganisaties vinden werknemers een ruimte om hun eigen tradities en routine vorm te geven: van het gezamenlijk beperken van de arbeidsprestaties ('remmen'), het toeëigenen van gereedschappen en produkten ('snaaien'), het maskeren van ongeoorloofde afwezigheid ('ziekvieren') tot aan de meest subtiele vormen van zelfbeschermende sabotage. Hoe dit in detail in z'n werk gaat werd op zeer indringende en plastische wijze beschreven in de roman van Rivethead van Ben Hamper.

Een boodschap van de werkvloer
Het bewuste remmen beschrijft Hamper als volgt:
    "I could have easily painted two units per day but, with the way these pricks were payin' me, I felt it only jystified to give them the lowest accountable output for their louse three bucks an hour. … They weren't gettin' anything extra out of me" [Hamper 1992: 24].
De werknemers van de General Motor fabriek in Detroit proberen in het industriële arbeidsregime, dat zij als 'georganiseerde barbarij' /102/ ervaren, te overleven door het elkaars werk over te nemen ('doubling up'), door ruimte te bevechten voor hun drinkgewoontes. De zwaarte en monotonie van hun arbeid maakt hen ontevreden.
    "We hated our jobs and our bosses and our union reps. We hated Miss America and sunlight, and Christmas. We were discontented and bored" /98/.
Door de dodelijke verveling zien zij 'Father Time' /151/ als hun grootste vijand:
    "My ascension into this new sense of dominance dind't rid me of the age-old plight that came to haunt every screw jockey: what the fuck do you do to kill the clock?" /95/.

Ook harde vormen van sabotage behoren tot het overlevings- en verzetsrepertoire.

    "Sabotage was rather drastic; however it was an effective way of getting the point across. We simply had no other recourse. Sometimes these power-gods had to be reminded that it was we, the workers, who kept the place runnin' If you started reamin' your men at every turn, sooner or later it was all gonna come back to you" /206/.

Dergelijke alledaagse overlevings- en verzetsstrategieën behoren tot de op brede schaal ingeburgerde tradities die gericht zijn op verzachting van bestaande exploitatie- en gezagsverhoudingen. In die mate dat dergelijke strategieën op brede schaal gepraktiseerd worden, kunnen zij echter tevens de stabiliteit van het economisch systeem of van een afzonderlijke onderneming ondergraven (vooral wanneer dergelijke praktijken diep in een bedrijfs- of volkscultuur verankerd raken). Wanneer ondernemers hun traditionele verplichtingen ten opzichte van hun personeel niet meer (kunnen of willen) nakomen en zich hierdoor in de ogen van het personeel onzedelijk (arrogant, vrekkig, schaamteloos, gemeen, hardvochtig) gaan gedragen, kan een moeizaam opgebouwd evenwicht van compromissen worden afgebroken.

De conclusie ligt voor de hand: groepsspecifieke economische tradities (gewoontes, gebruiken en zeden) werken niet alleen als stabilisator van de economische relaties binnen (en soms tussen) deze groepen, maar onder bepaalde condities - en vooral wanneer zij op elkaar botsen - ook als transformator.

Index


2 Solidariteiten

Het ideaaltypisch met affectieve oriëntaties en handelingen corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is solidariteit. Solidariteit is een specifieke geobjectiveerde verwachtingsstructuur welke louter en alleen geconstitueerd wordt door gevoelsmatige of affectieve oriëntaties.[12] Economische structuren en instituties worden gestabiliseerd of gedestabiliseerd door solidariteit.

a) Stabilisatie
Economische structuren worden aanzienlijk stabieler wanneer actoren ondanks hun tegengestelde belangen toch gemeenschappelijke affectieve of emotionele oriëntaties hebben (bindende solidariteiten). Zij kunnen echter ook worden gestabiliseerd wanneer de leden van eenzelfde economische categorie ondanks hun gemeenschappelijke belangen toch tegengestelde affectieve oriëntaties hebben en zich slechts solidair voelen met bepaalde delen van hun eigen economische categorie (verdelende solidariteiten).

Een bekend voorbeeld hiervan is dat werknemers zich alleen maar verwant voelen met hun mannelijke collega's of hun 'witte' lotgenoten. Werknemers kunnen zich meer solidariseren met hun superieuren dan met hun collega's: "the working class can kiss my arse, I've got the foreman's job at last". Uit deze voorbeelden wordt al duidelijk dat er zeer uiteenlopende vormen van solidaire bindingen zijn:

Bij al deze vormen van solidariteit spelen natuurlijk in werkelijkheid niet alleen zuiver affectieve handelingsoriëntaties een rol. Toch geven deze meervoudig gemotiveerde politieke houdingen een indicatie van de stabiliserende werking die uitgaat van solidariteitsvormen.

b) Destabilisatie
Solidariteit kan echter ook als destabiliserende factor fungeren, d.w.z. als een factor die de gevestigde economische structuren en instituties instabieler maken. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de klassesolidariteit van uitgebuitenen zoals deze tot uiting komt in een breed scala van expressieve acties (vooral in solidariteitsacties) en symbolen die onmiskenbaar laten zien tot welke klasse men behoort of gerekend wil worden. Historici benadrukken dat onder de Nederlandse arbeidersklasse in de 19e eeuw een grote mate van onderlinge solidariteit en hulpvaardigheid bestond [Giele 1976:87]. Deze onderlinge solidariteit leidde tot een zeker gevoel van lotsverbondenheid binnen bepaalde groepen van de arbeidende klasse. In eerste instantie bleef deze solidariteit beperkt tot de medearbeiders die zij persoonlijk kenden, hetzij op het werk, hetzij in de buurt waar men woonde: zij zich primair verbonden met degenen die in dezelfde arbeids- en levensomstandigheden verkeerden als zij zelf. Het gevoel van lotsverbondenheid was het sterkst waar de bekendheid met elkaar in werk- en woonsituatie samenvielen. Deze onderlinge solidariteit vormde "de mogelijke kiem van de ontwikkeling van groepsbewustzijn naar klassebewustzijn" [idem: 98].[13] Deze ontwikkeling is omstreeks de eeuwwisseling in volle gang. Zij werd niet alleen gestimuleerd door de economische ontwikkeling in de tweede helft van de 19e eeuw (die een toenadering tussen de groepen binnen de arbeidersklasse bewerkstelligde), maar ook door de invloed van de socialistische propaganda van de Nederlandse sectie van de Eerste Internationale en de Sociaal-Democratische Bond.

Solidariteitsculturen zijn meer of minder sterk affectief gebonden groeperingen die een collectieve identiteit kunnen ontwikkelen. Zij zijn de actieve uitdrukking van solidariteit tussen werknemers binnen een industrieel systeem en een maatschappij die daar vijandig tegenover staat. Het zijn geen abstracte solidariteitsideeën of bureaucratische vakbondsactiviteiten, maar culturele formaties die in conflicten geboren worden [Fantasia 1988:19]. Solidariteitsculturen genereren en bestendigen onderlinge solidariteit tegenover de dominante structuur.

Evenals economische gewoontes en zeden blijven solidariteiten meestal voor een belangrijk deel on- of voorbewust. Mede daarom kunnen veranderingen die daarin optreden lange tijd onopgemerkt blijven. Het tempo van deze veranderingen en de richting waarin de onderhuidse en moleculaire verschuivingen van de solidariteitsculturen zich voltrekken, zijn slechts in beperkte mate manipuleerbaar. Solidariteit is weliswaar universeel inzetbaar, maar men kan er niet over beschikken of haar strategisch controleren. Zeker op korte termijn kunnen eenmaal gevestigde solidariteiten niet of nauwelijks worden beïnvloed. Bovendien is er een altijd een zeker gevaar verbonden aan het strategisch gebruik van gevestigde solidariteitsculturen: wanneer zij strategisch worden gebruikt kunnen zij - net zoals tradities en legitimiteitsopvattingen - worden uitgehold. Wanneer authentieke solidariteitsculturen hierdoor eroderen, worden zij op den duur als strategisch inzetbare bronnen veel minder waard [Bader 1991:277].

Men kan zich dus ook strategisch oriënteren op het bestaan van solidariteitsculturen en in de planning van economische acties rekening houden met het feit dat anderen met elkaar of met een bepaalde organisatie of institutie solidair zullen zijn. Zo houden ondernemers en managers bij de uitwerking van reorganisatieplannen rekening met het feit dat er bij het personeel meer of mindere sterke gevoelsmatige bindingen bestaan met hun 'eigen' afdeling of sector. Bovendien kunnen zij bij harde reorganisaties en restrictieve maatregelen een beroep doen op het 'samen in een boot' gevoel, d.w.z. op de solidariteit van werknemers met 'hun' bedrijfsorganisatie. Omgekeerd wordt er bij de uitwerking van vakbondsstrategieën cognitief rekening gehouden met het saamhorigheidsgevoel van het personeel van bedrijven, en van werknemers in de betreffende bedrijfssectoren of regio's. Reclame-specialisten spelen bij de presentatie van de produkten die zij moeten aanbevelen in op bestaande emotionele 'wij-gevoelens' van de doelgroep. Wanneer deze strategische oriëntaties dominant (en dus opzichtig) worden, gaat solidariteit over in een zuivere belangenpositie. Het gevolg hiervan is meestal dat het mogelijke surplus aan stabiliteit dat met affectieve oriëntaties verbonden is, verloren gaat.

Economisch gebonden zeden en solidariteiten vertonen niet alleen in traditionele maatschappijen een relatief grote continuïteit. Samen met economische belangen leveren zij een doorslaggevende bijdrage aan de stabilisatie van de economische structuren en instituties. Bovendien spelen zij een essentiële rol bij hun destabilisatie.

Index


3 Belangen

Economische belangen worden geconstitueerd door zuiver strategische handelingsoriëntaties van individuen op basis van gelijksoortige verwachtingen van anderen en door zuiver strategisch gemotiveerde handelingen. Strategische handelingen zijn handelingen die het resultaat zijn van een meer of minder rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes. Gemeenschappelijke belangen binnen en tussen economische categorieën fungeren als een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie.

In de economische sociologieën die aansluiten bij Weber's algemene handelingstypologie wordt het mechanisme van handelingscoördinatie dat voortvloeit uit 'doelrationele' handelingsoriëntanties en handelingen aangeduid als belangenpositie. Een regelmatig voorkomende handelingsoriëntatie wordt door Weber "bepaald door belangenpositie (belangenbepaald)" genoemd "wanneer en voorzover de empirische kans dat sociaal handelen optreedt uitsluitend bepaald is door zuiver doelrationele oriëntatie van individuen op gelijksoortige verwachtingen" [WG:15].[14] De term 'belangenpositie' refereert weliswaar aan objectieve levensposities, maar is hiervan ook voor Weber geen synoniem. Het nadeel van de term belangenpositie is dat daarin vaak twee aspecten samenvloeien die uit elkaar gehouden zouden moeten worden, namellijk positionele aspecten (structurele posities) en motivationele aspecten (handelingsoriëntaties en -doelen). Belangen zijn door objectieve levensposities, habitus en levensstijlen, culturen en collectieve identiteiten gestructureerde en handelingsmotiverende particuliere doelen. Belangen zijn dus niet identiek met objectieve levensposities en zijn hiervan ook geen loutere reflectie. Belangen zijn handelingsmotiverende krachten, het zijn causaal effectieve motieven of redenen van handelen [Bader 1991:132]. De ratio van de term 'belangenpositie' is dat hierin de positionele bepaaldheid van belangen tot uitdrukking wordt gebracht. Om misverstanden te voorkomen zou men in in plaats van belangenpositie ook van 'eigenbelangen' kunnen spreken (zoals o.a. door Roth/Wittich, de Engelse vertalers van Wirtschaft und Gesellschaft is gedaan). Het nadeel hiervan is dat het bij 'eigenbelangen' altijd gaat om ongelijksoortige, tegenstrijdige verwachtingen en oriëntaties van individuele of collectieve actoren. Bij 'belangenpositie' ligt het accent juist op de gelijksoortigheid of gemeenschappelijkheid van de wederzijdse gedragsverwachtingen en oriëntaties. Om dit probleem te vermijden geef ik hier de voorkeur aan het algemene begrip 'belangen'. De bonus voor het gebruik van de term 'belangen' is dat hiermee terminologisch afstand wordt gehouden van de eerder genoemde identifcatie van 'belangenpositie' met 'objectieve levenspositie' of met 'economische positie'.

Belangen dragen bij aan de continuïteit en stabiliteit van economische structuren en instituties, maar bewerkstelligen tevens de discontinuïteit en instabiliteit daarvan. Ook economische belangen fungeren dus tegelijkertijd als mechanisme van reproduktie en transformatie van gevestigde economische verhoudingen.

a) Stabilisatie
Een eenmaal gevestigd gemeenschappelijk belang fungeert als een stabilisatiemechanisme wanneer en voorzover het bijdraagt aan de feitelijke reproduktie van economische structuren en instituties. Actuele economische belangen zijn specifieke geobjectiveerde verwachtingsstructuren: zij veronderstellen een gelijksoortigheid van de wederzijdse strategische verwachtingen en oriëntaties van actoren die tot eenzelfde economische categorie behoren. De leden van een economische categorie oriënteren zich strategisch op hun eigen economische doelen en verwachten dat alle andere leden zich op dezelfde manier op deze doelen oriënteren. Bovendien veronderstellen zij dat alle andere leden van hen verwachten dat zij zich strategisch oriënteren en dienovereenkomstig handelen [Bader/Benschop 1988:267; Bader 1991: 135]. Economische belangen stabiliseren dus in de eerste plaats de verhoudingen binnen de economische categorieën, dat wil zeggen tussen de leden van eenzelfde economische categorie. Economische structuren en instituties worden echter met name gereproduceerd wanneer verschillende economische categorieën gemeenschappelijke belangen definiëren of wanneer zij daadwerkelijk gemeenschappelijke belangen hebben, dat wil zeggen wanneer er tussen afzonderlijke categorieën een (partieel globaal, tijdelijk of duurzaam) belangencompromis tot stand komt. Zolang de verschillen en stellingen tussen de belangen van afzonderlijke economische categorieën niet duidelijk voor iedereen zichtbaar naar voren komen, dragen deze gemeenschappelijke belangen feitelijk bij aan de stabiliteit van economische structuren en instituties.

Ondanks en naast hun tegengestelde klassebelangen hebben loonarbeiders en ondernemers bijvoorbeeld beide belang bij het afsluiten van arbeidscontracten. Elk arbeidscontract dat wordt afgesloten reproduceert kapitalistische loonafhankelijkheid, of dit nu bewust bedoeld is of niet. De belangen van loonarbeiders en ondernemers zijn dus niet monolitisch gepolariseerd (zoals in primitief marxistische en conflictsociologische benaderingen beweerd wordt). Onder 'normale' omstandigheden, waarin klassebelangen niet sterk zijn gepolitiseerd, hebben werknemers een positief belang bij de rentabiliteit en overleving van het bedrijf waarvoor zij werken. De acceptatie van bestaande klassenverhoudingen door loonarbeiders is gedeeltelijk gebaseerd op strategische overwegingen, en niet alleen op de internalisering van 'burgerlijke normen' en misleiding. Zo hebben ook producenten en consumenten ondanks en naast hun tegengestelde belangen er beide belang bij dat er een koopcontract wordt gesloten. Bovendien hebben consumenten van duurzame gebruiksgoederen een specifiek belang bij de continuïteit van de leverantie door de producent. Wie een personal computer koopt van een bepaald merk of systeemtype heeft er op korte termijn direct belang bij dat het betreffende concern het door hem gekochte produkt en bijbehorende uitbreidingselementen blijft leveren; op langere termijn is dit van belang omdat de consument bij vervanging van de apparatuur verwacht dat de betreffende firma rekening houdt met compatibiliteitsproblemen en hoopt dat er geen lange leertijden meer nodig zijn. 'Trouw' zijn aan een bepaald merk heeft dus niet alleen traditionele en effectieve redenen, maar ook nuchter becalculeerde strategische voordelen. De consument is onder bepaalde condities en voor bepaalde produkten wel degelijk in staat tot een min of meer rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes.

b) Destabilisatie
Belangen fungeren echter ook als een mechanisme van destabilisering van economische structuren en instituties. Wanneer de leden van een economische categorie (afdeling, beroep- of inkomensgroep enz.) zich strategisch oriënteren op hun eigen specifieke doelen verwachten zij immers ook dat de leden van een andere of tegenovergestelde economische categorie zich eveneens op hun eigenbelangen oriënteren (en van de eerste categorie verwachten dat zij hetzelfde doen). Eenmaal gevestigde en duurzaam gearticuleerde groepsbelangen zijn intrinsiek conflictueus omdat zij tegenovergestelde belangen genereren. De realisatie van de belangen van de ene categorie impliceert in veel gevallen verzet tegen de realisatie van de belangen van een andere categorie. Bij belangenantagonismen is dit altijd het geval. Dit betekent niet dat er geen compromis mogelijk is tussen tegengestelde belangen. Het impliceert wel dat bij dergelijke compromissen meestal één specifiek belang domineert over (en gerealiseerd wordt tegen) de belangen van andere groepen. Niet het compromis is onmogelijk, maar harmonie [Wright 1985:36]. Belangenconflicten en belangencompromissen sluiten elkaar dus niet uit en moeten ook niet abstract tegenover elkaar worden gesteld. Ten eerste worden belangencompromissen gegenereerd door belangenconflicten. Het sluiten van een compromissen onderstreept de conflictualiteit van de daaraan ten grondslag liggende belangenconstellaties. Ten tweede is een belangenconflict van essentieel belang om de 'regels van het spel' te handhaven waardoor belangencompromissen gereproduceerd kunnen worden.

Tegengestelde economische belangen zijn een uitermate krachtige conflictbron. Zij genereren permanent impulsen die tot een destabilisering van de krachtsverhoudingen tussen de verschillende individuele en collectieve actoren leiden. Economische structuren en instituties worden met name gedestabiliseerd wanneer de tegenstellingen tussen de economische belangen op een directe, ondubbelzinnige en dus voor iedereen zichtbare wijze naar voren komen. Er doen zich permanent veelal niet opgemerkte moleculaire veranderingen voor in de objectieve posities van de economische actoren die doorwerken in hun habitus en levensstijlen. Hierdoor treden ook wijzigingen op in hun belangen op lange termijn, die meestal onbewust en niet bedoeld zijn. Het zijn juist deze wijzigingen in de actuele en gedeeltelijk bewust gearticuleerde economische belangen op lange termijn waardoor er telkens opnieuw economisch conflicten uitbreken en waardoor bestaande economische structuren en instituties worden gedestabiliseerd. Een voorbeeld hiervan zijn de verschuivingen in de internationale marktverhoudingen voor de scheepsbouw, die voor Nederland geleid hebben tot een tamelijk snelle afbraak van deze bedrijfstak, met alle sociaal deraillerende gevolgen voor de betreffende regio's van dien. Een verstrekkender voorbeeld zijn de werkgelegenheidsimplicaties van de introductie van steeds geavanceerde informatietechnologieën waardoor een complete 'revolutie van de kantoorarbeid' ingang werd gezet: van bureauwerk naar beeldschermwerk, afbraak van traditionele administratieve functies en beroepen, ontstaan van tele-thuiswerkers en export van volledige bedrijfsadministraties naar lage-lonen-landen.


V Integratie Index § 4 Conventies, recht & geweld
Index

Noten

[1] Ook bij Weber treft men al dergelijke opvattingen aan. Hij interpreteert prijzen als de zichtbare tekens van de veel minder zichtbare macht van de deelnemers aan de marktstrijd. Hij analyseert prijzen (inclusief de prijs voor de waar arbeidskracht) als resultaten van marktstrijd tussen economische eenheden die op de markt verschillende macht hebben. "Geldprijzen zijn produkten van strijd en compromis; zij vloeien dus voort uit machtsconstellaties. 'Geld' is geen loutere 'aanwijzing voor onbepaalde utiliteiten' die men zomaar kan veranderen zonder fundamentele uitschakeling van het karakter van de prijzen als een systeem dat bepaald wordt door de onderlinge strijd van mensen. 'Geld' is primair een strijdmiddel en prijzen zijn uitdrukkingen van strijd; geld is alleen een calculatiemiddel in de vorm van een gekwantificeerde schatting van de relatieve kansen in deze machtsstrijd" [WEBER WG 58].

[2] In zijn informatieve en scherpzinnige analyse van de Japanse verhoudingen heeft Van Wolferen laten zien hoe miserabel de 'cultuurlijke verklaring' is die niet alleen in Japan zelf, maar ook onder Westerse sociale wetenschappers zo populair geworden is. Zijn politiek-sociologische analyse van de Japanse arbeidsverhoudingen behoort met afstand tot het beste van wat er op dit gebied gelezen kan worden. Hij laat o.a. zien dat de buitengewone disciplinering en conformering van de doorsnee Japanner tot stand kwam door een uitermate massieve onderdrukking van autonome arbeidersorganisaties [116 e.v], in stand gehouden wordt door een systematisch bijgebracht gedrag van onderdanigheid [p. 410 e.v.], en gecultiveerd wordt door een ondubbelzinnige ideologie van Japanse superioriteit [p. 412 e.v.]. De mythe van de homogeniteit, de beeldvorming van Japan als een klasseloze maatschappij met geringe verschillen tussen rijk en arm, speelt bij dit laatste een cruciale rol [p. 442 e.v.]. Voor intercultureel geïnteresseerde arbeids- en organisatiesociologen is Van Wolferen's studie een ongekende informatie- en inspiratiebron.

[3] Het verschil tussen existentieel (primair strategisch gemotiveerd) fatalisme en ethisch (primair religieus gemotiveerd) fatalisme is uitgewerkt in § 5·5·4. In BENSCHOP [1993:466 e.v] wordt uitvoeriger ingegaan op het verschijnsel dat leden van subalterne klassen en groepen de bestaande orde tot op zekere hoogte 'accepteren' en op de theoretische en empirische problemen om dit verschijnsel te onderzoeken.

[4] Ik heb er al eerder op gewezen dat ook Etzioni zich vastlegt op een dichotoom model van utilitaire en morele of normatieve factoren. Het dichotome model van 'geweld' versus 'legitimiteit' speelt in cruciale rol in de marxistisch en functionalistisch geïnspireerde economische sociologieën.

[5] Ook BHASKAR [1989:80 - Reclaiming Reality] gaat uit van een concept waarin mensen in hun bewuste menselijke activiteiten voor het grootste deel onbewust de structuren reproduceren (of soms transformeren) die hun substantiële produktie-activiteiten reguleren. Mensen trouwen niet om het instituut huwelijk te reproduceren en zij werken niet om de kapitalistische economie te reproduceren. Maar het is niettemin het onbeoogde gevolg (en onverbiddelijk resultaat) van hun activiteit, zoals het ook de noodzakelijke voorwaarde voor hun activiteit is.

[6] De basisgedachte die aan het onderscheid tussen deze mechanismen ten grondslag ligt, werd uitgewerkt door BADER [1981, 1991]. Zie voor een algemene analyse van de reproduktie en transformatie van sociale ongelijkheden: BADER/BENSCHOP [1988; hft. X] en van klassenverhoudingen: BENSCHOP [1993: hft. XVI].

[7] Zedelijkheid wordt door HABERMAS [1984:178] gedefinieerd als "einer fraglos eingelebten partikularen Lebensform".

[8] Traditionele samenlevingen zijn een soort confectiemaatschappij waarin essentiële dingen in het persoonlijk leven lijken voorbestemd: je komt in een bepaald beroep terecht dat vaak het beroep van je vader is; je trouwt met iemand die vaak uit je eigen directe sociale en geografische omgeving komt (en waarbij je familie een grote invloed heeft); je krijgt kinderen: je verzorgt je ouders als ze oud zijn. Er is weinig ruimte om daarvan af te wijken - wie dat toch probeert is onaangepast. Moderne samenlevingen zijn daarentegen veeleer een meerkeuze-maatschappij: je kunt binnen bepaalde grenzen kiezen wat voor opleiding je wilt volgen en welk werk je wilt gaan doen en zit daar niet je hele leven aan vast; je kunt zelf je partner uitkiezen; je kunt je eigen seksuele voorkeuren kenbaar maken; je beslist zelf of je wel of geen kinderen wilt.

[9] BADER [1989:311] heeft erop gewezen dat actoren zich ook affectief, normatief of zuiver strategisch kunnen oriënteren op het (veronderstelde) bestaan van gewoontes en zeden. Wanneer een van deze oriëntaties empirisch dominant worden, gaan gewoontes en zeden over in solidariteit, legitimiteit of in belangen. Economische verhoudingen die daarop gebaseerd zijn, verliezen hierdoor echter juist de niet geringe extra stabiliteit die meestal met traditionele oriëntaties en ingeslepen routines is verbonden.

[10] "Routines are the skills of organization" [NELSON/WINTER 1982:124]. In hun evolutionaire theorie van economische verandering gaan zij - in hoofdstuk 5 - uitvoerig in op de sleutelrol die routines in organisaties vervullen. Zij sluiten aan bij de door Michael POLANYI [1962, 1967] ontwikkelde concept van 'tacit knowledge'. De grote zwakte van hun analyse is dat zij het begrip routine zelf niet afbakenen, waardoor het begrip veel te ver wordt opgeblazen.

[11] Leden van subalterne groepen houden vaak hardnekkig vast aan hun traditionele levenswijze, niet omdat zij tegen verandering als zodanig zijn (zoals sommige moderniteitstheoretici en organisatiekundigen ons willen doen geloven), maar omdat de voorgestelde veranderingen voor hen meer problemen en nieuwe risico's scheppen dan zij oplossen. Achter een schijnbaar 'traditionalistische' of zo men wil 'conservatieve' houding gaat dus zeer vaak een nuchtere afweging van kosten en baten schuil. Ingeslepen gewoontes en zeden kunnen dus uiterst rationeel zijn: het zijn gesedimenteerde ervaringen uit het verleden, en impliceren sociaal geaggregeerde kennis.

[12] Wanneer dit mechanisme van handelingsoriëntatie eenmaal bestaat, kan men zich op solidariteit ook anders dan affectief oriënteren: men kan zich ook op een traditionele, normatieve of strategische wijze op het bestaan van solidariteit oriënteren [BADER 1989]. Solidariteit komt hierdoor echter niet tot stand en economische structuren en instituties die daarop berusten, verliezen het surplus aan stabiliteit dat meestal het resultaat is van affectieve oriëntaties en solidaire bindingen zoals vriendschap of kameraadschap.

[13] De ontwikkeling van groeps- naar klassebewustzijn is overigens zeker geen automatisch proces. geen Praktische vormen van solidariteit (of rivaliteit) die stoelen op persoonlijke contacten en directe interacties (in arbeidscollectieven en nabuurschap) kunnen immers ook een obstakel vormen voor de constructie van solidariteitsvormen die berusten op nabijheid in de organisationele en maatschappelijke ruimte. Het empirisch onderzoek van FANTASIA [1988] laat zien hoe complex en tegenstrijdig de ontwikkeling van soldariteitsculturen verloopt. Zie voor een theoretische behandeling: BADER [1991:117 e.v.].

[14] Waarom ik in tegenstelling tot Weber niet de term 'doelrationeel' maar 'strategisch' handelen gebruik is eerder behandeld in hft. IV:2.

Index


Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?