| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|
"The extreme version of methodological individualism that dominates much of modern economics makes it difficult to recognize how economic action is constrained and shaped by the structures of social relations in which all real economic actors are embedded" [Granovetter 1992:4].
Het probleem is echter dat Granovetter bij het ingebed zijn van het economisch handelen exclusieve nadruk legt op het feit dat economisch handelen is ingebed in 'netwerken van persoonlijke relaties'. Onder netwerken verstaat hij zoals gebruikelijk "a regular set of contacts or similar social connections among individuals or groups". Het economisch handelen van een lid van een netwerk is ingebed omdat het zich manifesteert in interacties men andere mensen [Swedberg/Granovetter 1992:9].
Uit deze en vergelijkbare formuleringen (met name Granovetter 1985) krijgt men sterk de indruk dat Granovetter de sociale inbedding van economisch handelen wil reduceren tot de integratie op het niveau van de directe sociale interacties, dat wil zeggen tot 'face-to-face' relaties in persoonlijke netwerken. Hierdoor schiet niet alleen zijn (terechte) kritiek op de geatomiseerde, ondergesocialiseerde opvatting van menselijk handelen in de utilitaristische traditie te kort, maar geeft hij ook een veel te beperkt beeld van niveaus waarop het economisch handelen wordt geïntegreerd. Ik zal dit interactioneel reductionisme noemen.
In zijn meest recente publicatie lijkt hij deze reductie te corrigeren. Inbedding refereert niet meer uitsluitend aan het feit dat economisch handelen en instituties worden beïnvloed door "actors' dyadic (pairwise) relations", maar ook door "the structure of the overall network of relations" [Granovetter 1994:33 - concept]. Er wordt een onderscheid gemaakt relationele en structurele aspecten van inbedding van economisch handelen.
Door de introductie van het onderscheid tussen relationele en structurele inbedding wordt het eerder genoemde interactioneel reductionisme van Granovetter wel opgerekt maar niet doorbroken. Granovetter's analyse van de inbedding van economisch handelen laat niet alleen zien wat de mogelijkheden zijn een netwerktheoretisch perspectief, maar ook wat haar grenzen zijn.
Ik heb elders een poging gedaan om de mogelijkheden en beperkingen van netwerkanalyses af te bakenen in een klassentheoretisch perspectief [Benschop 1993:251 e.v.]. Mijn kritiek richt zich ook hier natuurlijk niet op netwerkbenaderingen als zodanig, maar op de verabsolutering van het netwerkperspectief. Mijn stelling is dat aan de positieve bijdragen van netwerktheoretici afbreuk wordt gedaan zodra men het specifieke niveau van handelingsintegratie waarop netwerkanalyses zijn gesitueerd, gaat verabsoluteren. Dit gebeurt wanneer men veronderstelt of suggereert dat netwerken van persoonlijke relaties het énige en dus allesomvattende niveau van handelingsintegratie is en dat van daaruit alle structureringsprocessen van sociaal handelen kunnen worden verklaard. Een dergelijke verabsolutering van het netwerkperspectief is alleen verdedigbaar wanneer men bereid is het begrip 'netwerk' zo ver op te rekken dat het identiek wordt met het begrip 'sociale structuur'. Het gevolg hiervan is slechts dat het begrip 'netwerk' van elke precieze inhoud wordt ontdaan (het omvat zowel persoonlijke netwerken, organisaties als maatschappijen) en dus als analytische categorie voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek onbruikbaar wordt. Bovendien wordt de spannende vraag naar de analytisch te onderscheiden niveaus van handelingsintegratie alleen maar verschoven, en niet opgelost.[1]
|
Ik pleit voor een meer beperkt en afgebakend (en zeker ook meer bescheiden) netwerkbegrip. Ik ga echter niet mee met auteurs als Powell [1990] en Thorelli [1986] die het begrip netwerk willen reserveren voor een nieuw ideaaltype van organisatie dat gekenmerkt wordt door relaties die niet gebaseerd zijn op hiërarchisch gezag en ook niet op markttransacties. En ook niet met auteurs als Forester [1987] die het netwerkbegrip wil reserveren voor nieuwe organisatievormen die mogelijk gemaakt worden door moderne informatie- en telecommunicatietechnieken. Kortom: men moet netwerken niet reduceren tot netwerkorganisaties, en men moet netwerkorganisaties niet reduceren tot elektronische netwerken. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met het feit dat interacties die vroeger face-to-face verliepen steeds meer door computers worden gemedieerd. Sociale interactie en communicatie kunnen met behulp van de huidige computer- en telecomtechnieken digitaal worden gerepliceerd. Hierdoor zullen de grenzen tussen face-face en computergemedieerde interacties steeds meer vervagen. De ontwikkeling van computergemedieerde netwerken impliceert mijns inziens dat het traditionele sociologisch begrip van (netwerken van) persoonlijke sociale relaties aan een grondige revisie toe is. In Netwerken van de toekomst laat ik zien waarom de klassieke 'co-presence' conditie van van interactionele analyses moet worden verruimd. |
Het program voor een transformationele economische sociologie is wat betreft de 'inbedding' van economisch handelen veel breder van opzet dan bij Granovetter. Het transformationele model van handelingsanalyse gaat uit van de vooronderstelling dat economisch handelen is ingebed of geïntegreerd in drie contexten:
Ik stel dus voor om drie niveaus te onderscheiden waarop economisch handelen geïntegreerd is: het interactionele, het organisationele en het maatschappelijke niveau.[2]
| Niveau van maatschappij-analyse |
Systeemniveau | Handelingsniveau |
|---|---|---|
| Maatschappelijk niveau |
Omvattend sociaal systeem: maatschappelijke arbeidsverhoudingen |
Maatschappelijk arbeidshandelen |
| Organisatie- niveau |
Organisaties: organisationele arbeidsverhoudingen |
Organisationeel arbeidshandelen |
| Interactie- niveau |
Directe sociale interacties: interactionele arbeidsverhoudingen |
Rolhandelen |
Het interactionele niveau is het minst omvattende sociale systeem van alle economische handelingen en economisch relevante communicaties die zich voltrekken in directe - fysieke of elektronisch bemiddelde - sociale aanwezigheid van de actoren.[3] De netwerken van selectieve associaties worden zowel gestructureerd door economische arbeidsverhoudingen als door organisationele verhoudingen gestructureerd (gelimiteerd en gefaciliteerd), maar zij worden hierdoor niet volledig vastgelegd, gedetermineerd. Men kan deze niet-deterministische vorm van causaliteit vergelijken met de werking van grammaticale regels. Grammaticale regels stellen grenzen aan de taalhandelingen die wij kunnen verrichten, maar zij determineren niet ons feitelijke spreken. Exclusieve posities in interactienetwerken kunnen daarom niet volledig worden gereduceerd tot ongelijke machtskansen in arbeidsorganisaties of tot structurele economische posities, en zij kunnen dus van daaruit ook niet volledig worden verklaard. De posities in netwerken van sociale relaties worden dus wel door maatschappelijke arbeidsverhoudingen en organisatieposities gestructureerd, maar het zijn als zodanig geen objectieve economische posities of organisatieposities.
Selectieve associaties zijn het resultaat van processen van sociale discriminatie. Dat is een type van asymmetrische macht waardoor de - op democratisch illegitieme wijze - uitgeslotenen worden beroofd van relatiekansen en van de daaraan verbonden materiële en immateriële, sociaal-economische, psychische, culturele, politieke, symbolische en strategische voordelen. De relaties tussen selectieve associaties en uitgeslotenen zijn asymmetrisch en potentieel antagonistisch. Dit betekent niet dat selectieve associaties per definitie in een exploitatieve relatie ten opzichte van uitgeslotenen staan. Discriminatie in persoonlijke interacties kan echter onder bepaalde voorwaarden wel degelijk leiden tot of bijdragen aan uitbuitingsrelaties. Dit is met name waarschijnlijk in netwerken van sociale relaties tussen individuen of groepen die over substantieel ongelijke bronnenpotentiëlen beschikken, d.w.z. in patronageverhoudingen, tussen (bronrijke en machtige) patroons en hun (bronarme en afhankelijke) clientèle. Patronage is een netwerk van sociale relaties tussen individuele of collectieve actoren die over substantieel ongelijke bronnenpotentiëlen beschikken. Patronageverhoudingen zijn als zodanig geen uitbuitingsrelaties, maar "asymmetrische, persoonlijke relaties van loyaliteit tussen twee personen of groepen die tot verschillende sociale categorieën behoren en in verschillende mate toegang hebben tot schaarse hulpbronnen" [Rooduijn 1987:7].[4]
Netwerken van sociale relaties ontstaan niet alleen in primaire interactiegroepen zoals families en lokale gemeenschappen, maar ook in formele organisaties, ruilrelaties en zakelijke transacties. Zij ontstaan dus zowel in als in aansluiting op arbeids- als in consumptieverhoudingen. De handelingsintegratie komt tot stand middels de institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen: sociale relaties impliceren altijd een serie relatief duurzame verplichtingen, zoals een verplichting tot respect en piëteit (overwegend traditioneel gemotiveerd), een verplichting tot genegenheid, vriendschap of liefde (overwegend emotioneel gemotiveerd), een verplichting tot trouw (overwegend normatief gemotiveerd), een verplichting tot wederzijdse steun (overwegend strategisch gemotiveerd), of een verplichting tot loyaliteit, collegialiteit en kameraadschap (meestal meervoudig gemotiveerd). De institutionalisering van deze wederzijdse gedragsverwachtingen en het verplichtende karakter dat deze hierdoor krijgen is nooit alleen strategisch gemotiveerd, maar heeft meestal wel strategische intenties en altijd strategische implicaties.[5]
| Aard van interactionele handelingscontext |
Handelingen en communicaties die zich voltrekken in directe, fysieke aanwezigheid van de actoren of in computergemedieerde sociale aanwezigheid. |
|---|---|
| Integratie komt tot stand door |
Posities in interactienetwerken |
| Kenmerken van relationele inbedding |
|
| Kenmerken van netwerken |
Exclusieve onderlinge relaties |
| Mechanisme | Sociale discriminatie: insluiting en uitsluiting (beroving van relatiekansen en van daaraan verbonden voordelen) |
| Typen netwerken |
|
a. Dyadische relaties
De interactionele inbedding heeft een aantal directe en indirecte
effecten op het economisch handelen van individuen. Dyadische
of paarsgewijze relaties hebben meestal direct waarneembare
effecten op economisch relevante beslissingen van actoren (Granovetter
noemt dit de 'relationele inbedding'). Of een werknemer voor een
bepaalde ondernemer, baas of chef wil werken is niet alleen afhankelijk
van zuiver economische overwegingen van kosten en baten (beloning,
arbeidstijden, arbeidsomstandigheden en dergelijke), maar kan
mede worden bepaald door een heel persoonlijk sympathie of voorkeur
-'het is een aardige man', 'ik mag hem wel' , 'ik kan hem niet
uitstaan'. En omgekeerd: of een ondernemer, manager of chef iemand
wil aannemen is evenmin alleen afhankelijk van puur zakelijke
overwegingen, zoals geschiktheid voor de betreffende in termen
van kennis, kunde en ervaring. Ook hier bij speelt de persoonlijke
relatie die zij hebben een belangrijke rol, die mede bepaald wordt
door de geschiedenis van hun interacties - 'ik ken haar nog van
dat feestje', 'ik ben ben op die vergadering al geschrokken van
zijn agressieve manier van optreden'. De manier waarop een arbeider
en een baas met elkaar omgaan wordt niet alleen bepaald door de
functie die zij vervullen in de technische arbeidsdeling en door
de positie die zij innemen binnen de arbeidsorganisatie, maar
ook door het soort persoonlijke relatie dat zij hebben. Dit karakter
van hun persoonlijke relatie wordt grotendeels bepaald door de
geschiedenis van hun interacties (hoelang zij elkaar al kennen,
wat zij met elkaar hebben meegemaakt, in welke situaties zij elkaar
regelmatig ontmoeten enzovoort).
De neoklassieke economen proberen deze relationele inbedding van economisch handelen gedeeltelijk verklaren door gebruik te maken van 'interdependente utiliteitsfuncties', waarbij de utiliteit van actor B een argument wordt van de utiliteitsfunctie van actor A - het welzijn van de ander wordt onderdeel van je eigen welzijn. Granovetter heeft er terecht op gewezen dat men op deze manier toch geen volledig zicht krijgt op dyadische relaties. Met interdependente utiliteitsfuncties krijgt men immers geen greep op het feit dat ons gedrag ten opzichte van anderen berust op een structuur van wederzijdse gedragsverwachtingen welke een constitutief element van de relatie is geworden.
Ons economisch handelen wordt niet alleen beïnvloed door specifieke persoonlijke relaties, maar ook door de samengestelde invloed van álle persoonlijke relaties. Ons economisch handelen wordt mede bepaald en gemodificeerd door het feit dat we traditioneel, emotioneel of normatief aan andere mensen verbonden zijn - we voelen ons verbonden met onze ouders, met onze geliefden en geloofsgenoten, met onze collega's en beroepsgenoten. Een bekend voorbeeld hiervan is dat werknemers voor een bepaalde onderneming blijven werken hoewel zij elders meer kunnen verdienen omdat zij sterk aan bepaalde collega's gehecht zijn, of omdat zij niet op grote afstand van hun geliefden, kinderen of vrienden willen gaan werken. De niet-economische waarde van dergelijke persoonlijke bindingen verklaart gedeeltelijk waarom ondernemers geneigd zijn om mensen aan te nemen die zij al kennen, zelfs wanneer daaraan geen zuivere economische voordelen verbonden zijn [Granovetter 1992:35]..
b. Netwerken van sociale relaties
Ons economisch handelen is echter niet alleen ingebed in specifieke
paarsgewijze relaties maar ook in meer omvattende netwerken van
relaties. Netwerken van sociale relaties hebben subtielere
en minder directe effecten op economisch handelen (Granovetter
noemt dit 'structurele inbedding'). Een werknemer kan gemakkelijker
een vriendschappelijke relatie onderhouden met zijn baas wanneer
deze ook goede relaties heeft met de andere werknemers. Wanneer
deze baas echter op gespannen voet staat met de andere collega's
wordt dit veel moeilijker, vooral wanneer deze collega's zelf
erg vriendschappelijk met elkaar omgaan. Zij kunnen het leven
van die ene werknemer die dicht bij de baas staat erg lastig maken
en zullen hem waarschijnlijk onder druk zetten om wat meer afstand
te nemen van zijn baas. Wanneer de andere werknemers geen coherente
groep vormen, kunnen zij maar weinig pressie uitoefenen. De sociale
controlemogelijkheden zijn dus afhankelijk van de mate van sociale
cohesie van de betreffende referentiegroep. Dit voorbeeld maakt
duidelijk dat paarsgewijze contacten onderling met elkaar verbonden
zijn, dat hierdoor meer informatie wordt verspreid over wat leden
van het paar doen, dat deze informatie over grotere sociale afstanden
wordt verspreid, en dat er derhalve meer mogelijkheden zijn om
het gedrag van mensen te beïnvloeden. Groepen met een sterke
sociale cohesie verspreiden niet alleen betere informatie of grotere
sociale afstanden, maar genereren ook normatieve, symbolische
en culturele structuren (geïnstitutionaliseerde gedragsverwachtingen)
die het handelen van economische actoren beïnvloeden. In
dergelijke situaties veronen de netwerken een hoge intensiteit
en dichtheid. Dit kan ertoe leiden dat werknemers een zodanige
reeks zedelijke, affectieve, strategische of normatieve gedragsregels
van de groep absorberen dat een 'warme' relatie met de baas letterlijk
ondenkbaar wordt. Hoe de institutionalisering van wederzijdse
gedragsverwachtingen precies in z'n werk gaat zal hieronder nog
worden behandeld.
In situaties waarin mensen op rekening houden met het welzijn van anderen kan men met utiliteitsfuncties nog wel uit de voeten. Utiliteitsfuncties zijn echter niet geschikt voor de interpretatie van gedrag dat (onder)deel wordt van een duurzame relatie, en zeker niet voor de analyse van de samengestelde netwerk-effecten. Granovetter geeft hiervoor het volgende argument:
|
Er bestaan geen eenduidige en algemene maatstaven op grond waarvan mensen de redelijkheid van hun eigen inkomens kunnen beoordelen. Loonwaarderingen zijn - net als prestigewaarderingen - altijd subjectieve, aan tijd, plaats en perspectief gebonden hiërarchisch-vergelijkende waarderingen.
|
Het geaggregeerde economisch handelen van individuen kan zodanig vormen aannemen dat er meer of minder duurzame en gestabiliseerde instituties ontstaan. Of dit daadwerkelijk gebeurt en welke vormen deze instituties aannemen, wordt in hoge mate gekanaliseerd door de netwerken van sociale relaties waarin economische handelingen zijn ingebed. Een eenvoudig voorbeeld hiervan is de manier waarop een prijsevenwicht tot stand komt. Dit is geen institutionele kwestie in de zin dat prijsevenwichten het gevolg zijn van stabiele normatieve gedragsverwachtingen (behalve in situtaties waarin ideeën over 'rechtvaardige prijzen' belangrijk worden). Een prijsevenwicht ontstaat uit een aggregatie van individuele handelingen [White 1981a; zie eerder hft. I: 2·2]. Volgens de traditionele economische benadering worden markten meer competitief en prijzen meer stabiel wanneer het aantal handelaren toeneemt. Prijsschommelingen kunnen echter sterk toenemen wanneer de omvang van de groep handelaren toeneemt. In zijn empirische studie van aandelenhandel heeft But Baker [1984] hoe dit in z'n werk gaat.[7] Wanneer de omvang van een groep toeneemt, neemt het aantal handelsrelaties dat de gemiddelde handelaar kan onderhouden niet toe. In een grotere groep is het daarom moeilijker een overzicht te hebben over alle transacties: de informatiestroom wordt beperkt door de omvang en door de daaruit voorvloeiende fragmentatie van het handelsnetwerk. Hierdoor wordt de convergentie naar één evenwichtsprijs bemoeilijkt. De onvolledigheid van de informatie is een gevolg van de fundamentele cognitieve beperkingen van menselijke actoren ('beperkte rationaliteit') in combinatie met de noodzakelijk integratie van handel in netwerken van sociale relaties. Granovetter [1992:36] destileert hieruit het algemene principe "dat de fragmentatie van de netwerkstructuur de homogeniteit van het gedrag zal reduceren." Dit principe heeft niet alleen gevolgen voor het ontstaan van normen, maar ook voor de prijsvorming. Het is een louter structureel principe dat zelf niet voorspelt welke prijzen verschillende groepsfragmenten zullen benaderen.
Marktprijzen worden vaak beïnvloed door het feit dat transacties niet in loco-markten plaatsvinden, maar tussen actoren die elkaar al langer kennen.[8] Tribale en boerenmarkten zijn typische 'klantenmarkten' waarin kopers en verkopers duurzame continue relaties onderhouden. Dit leidt tot stabiele prijzen. Kopers en verkopers reageren in dergelijke situaties immers niet op prijsprikkels om met onbekende partners in zee te gaan. De inelasticiteit van de prijzen leidt ertoe dat aanpassingen in kwantiteiten gemaakt moeten worden waardoor de markt niet in evenwicht komt. Okun [1981] heeft laten zien dat dit niet alleen van belang is voor tribale en boerensamenlevingen. Ook in moderne markten vinden de meeste transacties niet op veilingmarkten plaats maar in 'klantenmarkten' met duurzame relaties.
Ik heb er hiervoor al op gewezen dat groepen met een relatief hoge sociale cohesie (interactienetwerken en selectieve associaties) gedragsregels genereren die ons handelen als economische actoren beïnvloeden.[9] Daarmee is in principe al een antwoord gegeven op de algemene vraag hoe economische instituties ontstaan. Zij ontstaan als gevolg van de institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen.[10] Economische instituties zoals goederen-, geld- en arbeidsmarkten, prijsevenwichten, beroepen bestaan alleen voorzover de verwachtingen van een actor gebaseerd kunnen worden op de veronderstelde gedragsverwachtingen van andere interactiedeelnemers. Wanneer ik een brood wil kopen dan veronderstel ik dat de bakker mij een vers brood zal geven wannneer ik daarom vraag, zoals de bakker op zijn beurt veronderstelt dat ik netjes zal betalen als ik om een brood vraag. Ik veronderstel dus dat de bakker als verkoper aan zijn verplichting zal voldoen, zoals de bakker ervan uitgaat dat ik als koper aan mijn verplichting zal voldoen. Het loco-contract tussen mij en de bakker is dus gebaseerd op wederzijdse gedragsverwachtingen en reciproke verplichtingen (resp. verwachtingen dat de ander zijn verplichtingen zal nakomen). Hierdoor wordt de transactie mogelijk, die samen met alle andere soortgelijke transacties leiden tot een broodmarkt met bepaalde evenwichtsprijzen. Wanneer een werkneemster haar arbeidskracht voor een bepaalde tijdsperiode aan een ondernemer wil verhuren, dan veronderstelt zij dat deze werknemer bereid is om aan zijn verplichtingen als werkgever te voldoen, zoals deze veronderstelt dat haar arbeidsverplichtingen als werkneemster zal nakomen. Door de relatieve stabiliteit en duurzaamheid van deze wederzijdse verwachtingspatronen kan uiteindelijk een geïnstitutionaliseerde arbeidskrachtenmarkt ontstaan.
Deze voorbeelden maken al duidelijk dat het geïnstitutionaliseerde karakter van deze sociale ruilrelaties niet zonder meer berust op een consensus onder de interactiedeelnemers. Ook geïnstitutionaliseerde netwerken van persoonlijke relaties leiden niet tot een grote, laat staan onbeperkte mate van consensus. De functie van institutionalisering is juist dat de concensus geconcentreerd wordt op maatschappelijk belangrijke betekenissen en doelen en dat zij geanticipeerd wordt in 'het verwachten van verwachtingen'. De consensus fungeert dus primair 'krachtens een veronderstelling'. Daarom hoeft deze binnen een interactiegemeenschap normaliter helemaal niet meer concreet ter discussie te worden gesteld [Luhmann 1972:65-8].
2·2 Organisationele handelingscontext
Op het middenniveau van handelingsintegratie wordt economisch
handelen gespecificeerd in termen van structurele posities in
arbeidsorganisaties of economische instellingen. Arbeidsorganisaties
worden gekenmerkt door een ongelijke verdeling van beslissingscompetenties
waardoor een duurzaam en geïnstitutionaliseerd gezag over
ondergeschikte organisatieleden mogelijk is. Op dit tussenniveau
van handelingsintegratie is het economisch handelen feitelijk
en communicatief op elkaar betrokken via de geformaliseerde regels
welke voortvloeien uit het (al dan niet vrijwillige) lidmaatschap
van een arbeidsorganisatie of van een economische instelling.
De grenzen van deze handelingen en communicaties worden bepaald
door de aard en de specifieke eigenschappen van het lidmaatschap.[11]
De kansen voor illegitiem gezag en onderdrukking in geformaliseerde
arbeidsorganisaties worden voorgestructureerd door de - daaraan
logisch (en dus niet chronologisch) gezien voorafgaande - posities
in maatschappelijke arbeidsverhoudingen, maar kunnen hiertoe niet
worden gereduceerd en kunnen dus van daaruit ook niet volledig
worden afgeleid.
Formele organisaties zijn sociale systemen die gekenmerkt
worden door (a) het gedwongen of vrijwillig lidmaatschap; (b)
de regeling van toelatingsbeperkingen en opnamevoorwaarden; (c)
de op doelrealisatie gerichte programma's; (d) een interne beslissingsstructuur:
hiërarchische competentieverdeling en statuten; (e) de verschillende
graden van interne arbeidsdeling en functionele differentiatie.
Een economische arbeidsorganisatie is een rationeel gearticuleerde
structuur binnen een niet formeel gerationaliseerde context van
maatschappelijke arbeidsverhoudingen. Voor een samenvattende typering
van economische organisaties kan gebruik worden gemaakt van de
algemene organisatiedefinitie van Lammers [1987:29]. Economische
organisaties zijn samenlevingsverbanden (systemen of collectiviteiten),
(i) die op het organisationele niveau van economisch handelen
zijn geïntegreerd of worden gecoördineerd, (ii) zij
zijn bewust geconstrueerd en worden min of meer regelmatig gereconstrueerd
(sociale constructie); (iii) met het oog op processen van functionalisatie,
coördinatie en finalisatie (doelspecificiteit of gecoördineerde
doelgerichtheid); (iv) waaraan een formeel vastgelegd en qua intentie
rationeel ontwerp ten grondslag ligt (hiërarchisch karakter);
(v) waardoor bijna altijd een differentiatie tussen superieuren
en ondergeschikten optreedt (machts- en afhankelijkheidsverhoudingen;
sociale machtsverhoudingen).
Actoren die een gezagspositie in arbeidsorganisaties innemen kunnen
heerschappij over daaraan ondergeschikte organisatieleden uitoefenen.
Gezag of heerschappij wordt hierbij opgevat als
een meer of minder scherp afgebakende verhouding van bevel en
gehoorzaamheid. Gezagsposities zijn het resultaat
van geformaliseerde verdelingen van beslissingscompetenties. Gezag
impliceert altijd dominantie- en afhankelijkheidsverhoudingen,
maar niet noodzakelijk ook onderdrukking. Onderdrukking
is een specifieke vorm van gezag: het is democratisch illegitiem
gezag dat het resultaat is van het dreigen met of het toepassen
van fysiek geweld.[12] Van onderdrukking is sprake zodra de basisprincipes van democratische beslissingsprocessen (vrijheid, gelijkheid,
mondigheid en participatie) feitelijk, conventioneel of juridisch
worden geschonden. Eliteposities worden hier gedefinieerd
als gezagsposities die tevens onderdrukkingsposities zijn [Bader/Benschop
1988:233-4].
Door de toenemende betekenis van geformaliseerde organisatieposities
en -structuren hebben de handelingen en communicaties in
arbeidsorganisaties zich tot op bepaalde hoogte kunnen losmaken
van de daaraan ten grondslag liggende (en dus structureel veronderstelde)
maatschappelijke arbeidsverhoudingen en economische basisstructuren.
De functionele differentiatie en relatieve scheiding tussen 'eigendom'
en 'beheer' is hiervan niet alleen het meest kenmerkende, maar
ook het meest besproken voorbeeld. In hoofdstuk VI: 4 wordt dit uitvoeriger behandeld.[13]
2·3 Maatschappelijke handelingscontext
Op het hoogste niveau van handelingsintegratie wordt economisch
handelen gespecificeerd in termen van structurele posities in
maatschappelijke arbeidsverhoudingen, die gekenmerkt worden
door een ongelijke beschikkingsmacht over directe maatschappelijke
bronnen, waardoor een duurzame en geïnstitutionaliseerde
toeëigening van meerarbeid mogelijk is. Het maatschappelijke
karakter van arbeidsverhoudingen is afhankelijk van drie factoren:
de verdeling van beschikkingsmacht over directe bronnen, het dominante
of overheersende doel van de arbeid, en de hierdoor gestructureerde
sociale afhankelijkheidsrelaties in arbeidsarbeidsverhoudingen,
speciaal in het directe produktieproces.[14]
Maatschappelijke arbeidsverhoudingen zijn het meest omvattende
sociale systeem van economische handelingen en handelingscontexten
die feitelijk en communicatief op elkaar betrokken zijn. Het is
een handelingssysteem waarin elke actor een potentiële partner
is voor transacties met elke andere actor. Het is sociale structuur
waarin de relaties tussen actoren slechts gefaciliteerd en gelimiteerd
wordt door de bronnen waarover elke actor beschikt en zijn (hierdoor
bepaalde) individuele en collectieve belangen.
De economische posities die door de maatschappelijke arbeidsverhoudingen
worden gestructureerd kunnen niet tot ongelijke organisatie- en
interactiekansen worden gereduceerd en kunnen van daaruit ook
niet worden verklaard. Gezagsposities en interactieposities worden
door economische posities gestructureerd en niet omgekeerd.
Economisch handelen en de hierdoor geconstitueerde economische
relaties kunnen dus op verschillende niveaus van handelingsintegratie
worden geanalyseerd. Zowel voor de precisering van het begrip
economisch handelen als voor het ontwerpen van empirische onderzoeksstrategieën
is het mijns inziens vruchtbaar om vast te houden aan het algemene
inzicht dat er een analytisch onderscheid gemaakt kan worden tussen
maatschappelijke, organisationele en interactionele niveaus van
economische handelingsintegratie.
Wat zijn de mogelijkheden van een dergelijke differentiatie van
niveaus van handelingsintegratie voor de economische sociologie
en welke problemen brengt dit met zich mee? Ik zal eerst een aantal
voordelen van deze benadering aangeven.
Voordat ik inga op de problemen die aan deze benadering verbonden
zijn, wil ik de voorgaande abstracte uiteenzetting iets concretiseren.
Aard van
organisationele
handelingscontextFeitelijk en communicatief op elkaar betrokken handelingen via geformaliseerde regels die voortvloeien uit lidmaatschap van arbeidsorganisatie.
Integratie door
Formele posities in arbeidsorganisaties
Kenmerken
van organisatiesOngelijke verdeling van beslissingscompetenties: duurzaam en geïnstitutionaliseerd gezag over ondergeschikte organisatieleden
Mechanisme
Gezagsuitoefening en onderdrukking
Typen
organisatiesHecht/los, centraal/decentraal, autoritair/democratisch enz.
Aard van
maatschappelijke
handelingscontextAlle feitelijk en communicatief op elkaar betrokken handelingen en handelingssystemen voorzover zij interactiesystemen en organisaties overstijgen; bijv. het kapitalistisch economisch systeem, de arbeidsmarkt.
Integratie door:
Posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen
Kenmerken
van arbeid-
verhoudingen
Mechanisme:
Exploitatie: Duurzame en geïnstitutionaliseerde toeëigening van meerarbeid
Typen arbeids-
verhoudingenAntagonistische (exploitatieve) en niet-antagonistische (solidaire) arbeidsverhoudingen
3 Theoriestrategische voordelen
Als we hier eenmaal zijn aangeland, krijgen we vanzelf de 'achterkant
van het gelijk' te zien: het thema is of er een diversiteit van
motiviaties is, of dat mensen alleen door eigenbelang worden gemotiveerd.
Het hogere integratieniveau
structureert het lagere doordat het de handelingsmogelijkheden en -vrijheden op dit lagere niveau limiteert; het limiteert dus de reeks opties die op dit lagere niveau beschikbaar zijn.[16]
Structurele limitatie is een wijze van structurering waarbij een
hoger niveau van handelingsintegratie de grenzen vastlegt waarbinnen
structuren en processen op lagere niveaus van handelingsintegratie
kunnen variëren, en tegelijkertijd bínnen deze grenzen
de kans (structurele waarschijnlijkheid) bepaalt dat specifieke
structuren of processen zich daadwerkelijk op dit lagere niveau
voordoen.[17] Door de specifieke structuren en processen op het maatschappelijke niveau van economische handelingsintegratie worden bijvoorbeeld
bepaalde mogelijkheden voor de organisationele verhoudingen (als
gestructureerde structuur) volledig uitgesloten en zijn bepaalde
mogelijke organisatiestructuren en -processen waarschijnlijker
dan andere.[18] In de transformationele benadering van arbeidsorganisaties wordt de maatschappelijke handelingscontext niet verdund tot een
'externe omgeving'.[19]
De stelling is dus per
sé niet dat economische structuren en instituties de organisatiestructuren
volledig vastleggen of dat organisatiestructuren volledig bepalend
zouden zijn voor directe interactiesystemen en netwerkpatronen.
Integendeel: op het lagere integratieniveau zijn actoren altijd
in staat om 'anders te handelen', zij hebben altijd transformatieve
mogelijkheden. Actoren zijn dus altijd in staat om hun interactionele
handelingsmogelijkheden en -vrijheden zodanig te benutten
dat zij de door de formele organisatie gestelde handelingslimieten
verschuiven of doorbreken (en daarmee de organisatiestructuur
zelf veranderen). Actoren zijn bovendien ook in staat om hun organisationele
handelingsmogelijkheden en -vrijheden zodanig te benutten
dat zij de 'externe', door de economische structuren en instituties
gestelde handelingslimieten verschuiven of doorbreken (en daarmee
de economische structuren en processen zelf veranderen). Op de
wijze kan rekening worden gehouden met de speelruimtes voor en
de eigensoortige dynamiek van organisationele en interactionele
structureringen.
Er bestaat dus een zeer
complexe relatie tussen de niveaus van economische handelingsintegratie.
De maatschappelijke, organisationele en interactionele handelingscontexten
vormen een geneste hiërarchie waarbij het hogere niveau de
aanwezigheid van het lagere niveau veronderstelt en waarbij de
structurering van het gehele handelingscomplex wordt weerspiegeld
in zijn onderdelen.
Dit betekent niet dat de specifieke structuren
en processen van het hogere integratieniveau zich op een lager
niveau eenvoudig herhalen, zodat er op de verschillende integratieniveaus
identieke patronen ontstaan. Ook in dit opzicht kan men de maatschappij
niet vergelijken met een sneeuwklokje, varen of bloemkool, waarin
een bepaald organisatiepatroon zich telkens binnen dezelfde structuur
herhaalt [Abbott 1990]. De samenhang tussen de niveaus van economische
handelingsintegratie volgt dus niet de principes van 'zelfgelijkvormigheid'
zoals deze in door de Mandelbrot-verzamelingen (fractals) worden
gedemonstreerd [Lauwerier 1990].
Toch kunnen we gebruik maken
van een aantal inzichten uit de algemene theorie van de 'vormvelden'
zoals deze in aansluiting op Einstein's relativiteitstheorie door
Rupert Sheldrake is geformuleerd. In Einstein's relativiteitstheorie
wordt een veld gedefinieerd als een bepaalde toestand waarin de
ruimte zich bevind. Een veld bepaalt de kans dat op een
specifiek punt in de ruimte een energiedeeltje (quantum) zal worden
aangetroffen. Vormvelden zijn dus intrinsiek probabilistisch:
het zijn geen scherp van elkaar afgebakende velden, maar waarschijnlijkheidsstructuren.
In Sheldrake's natuurkundige theorie van de vormvelden wordt deze
gedachte verder uitgewerkt [Sheldrake 1988:113 e.v.]. Hij veronderstelt
dat een bepaalde organisatie van de materie ontstaat via een veld
dat de materie vormt. Dit heeft twee implicaties:
Terug naar ons onderwerp. De structuren ('velden') van economisch
handelen zijn op elk niveau van handelingsintegratie probabilistisch
van aard. De hogere niveaus van handelingsintegratie werken zodanig
in op lagere niveaus dat hierdoor hun waarschijnlijkheidsstructuren
worden gemodificeerd. Men kan zich dit voorstellen als een beperking
van hun 'ongedetermineerdheid' of als een inperking van hun 'vrijheidsgraden':
van de vele mogelijke patronen van gebeurtenissen die zouden kunnen
plaatsvinden, worden er sommige nu veel waarschijnlijker als vanwege
de door het hogere integratieniveau opgelegde ordening. Het telkens
hogere niveau van handelingsintegratie modificeert dus de onbepaaldheid
dat de lagere integratieniveaus zouden vertonen wanneer zij geïsoleerd
zouden bestaan. De transformationele benadering laveert tussen
de Scylla van het structureel-determinisme (waarin op de lagere
integratieniveaus geen handelingsspeelruimtes meer overblijven)
en de Charibdis van het handelingsvolutarisme (waarin wordt voorbijgegaan
aan de structurele begrenzing van handelingsmogelijkheden op lagere
inegratieniveaus). Er is dus wel degelijk een begaanbare weg tussen
het 'alles is gedetermineerd' en het 'alles is mogelijk'.
4 Bij wijze van voorbeeld
a. Maatschappelijke en organisationele arbeidsverhoudingen
De ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over materiële bronnen in de maatschappelijke arbeidsverhoudingen stelt structurele grenzen aan de posities die in arbeidsorganisaties kunnen worden ingenomen. Degenen die op maatschappelijk niveau effectief beschikken over materiële arbeidsvoorwaarden
hebben op het niveau van arbeidsorganisatie structureel de mogelijkheid
om de ondernemerspositie te bezetten en daarmee de uiteindelijke
beslissingsmacht in de betreffende organisatie uit te oefenen,
of deze aan anderen te delegeren. Voor degenen die van deze beschikkingsmacht
zijn verstoken, is het structureel uitgesloten dat
zij de ondernemerspositie innemen; loonafhankelijken kunnen als
zodanig slechts gedelegeerde - operationele - ondernemersfuncties
uitoefenen. Het is structureel waarschijnlijker
dat zij de positie van afhankelijke loonarbeider zullen innemen,
dat wil zeggen dat zij in de formele beslissingshiërarchie
een ondergeschikte positie vervullen en niet democratisch kunnen
meebeslissen over de structuur en doelstellingen van hun arbeidsorganisatie.
Deze limitering van organisationele patronen legt echter de handelingsmogelijkheden
en -vrijheden binnen de arbeidsorganisatie niet volledig
vast.[20] Ondernemers kunnen hun positie in de arbeidsorganisatie
door anderen laten bezetten of zij kunnen hun formele bevoegdheden
aan anderen delegeren. Zij kunnen zelfs hun werknemers laten participeren
in operationele beslissingen. Werknemers kunnen de speelruimte
voor organisationele variatie benutten om feitelijke machts- en
tegenmachtsposities op te bouwen en meer of minder vergaande zeggenschaps-
en controlerechten af te dwingen.
b. Organisationele en interactionele arbeidsverhoudingen
De organisationele verdeling van beslissingscompetenties stelt
op haar beurt grenzen aan de mogelijke en waarschijnlijke sociale
relaties die binnen deze organisatie kunnen worden aangeknoopt.
Het ontstaan van afdelings-, bedrijfs- beroeps- of klassespecifieke
netwerken van sociale relaties binnen arbeidsorganisaties wordt
vooral beïnvloed door de rigiditeit of flexibiliteit van
de gezagsverhoudingen, de vrijheid van communicatie en informatie
binnen en tussen arbeidscollectieven, en van de bewegingsvrijheid
op de werkplek. Ook deze limitatie van collegiale interacties
is echter geen deterministische aangelegenheid. Zelfs de meest
rigide structuur van een arbeidsorganisatie laat altijd speelruimtes
open voor collegiale contacten die 'anders', dat wil zeggen tégen
deze organisatiestructuur gebruikt kunnen worden. In een analyse van de sociogenese van klassegebonden lichaamstalen heb ik laten zien hoe deze speelruimtes juist in extreem
restrictieve arbeidssituaties benut worden [Benschop 1993:362-71].
De netwerken
van sociale contacten kunnen dienen als grondslag of uitvalsbasis
voor transformatieve activiteiten die de organisationele
limieten en daarmee de organisatiestructuur zelf veranderen. In
het verlengde hiervan en op analoge wijze kunnen transformatieve
activiteiten op het niveau van de arbeidsorganisatie er uiteindelijk
toe leiden dat de parameters van het maatschappelijke integratieniveau
worden gewijzigd, dat wil zeggen dat de ongelijke verdeling van
beschikkingsmacht over materiële bronnen wordt hervormd of
omgewenteld. Niet alleen het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie,
maar ook de organisationele en interactionele niveaus kunnen dus
worden gethematiseerd vanuit het dubbele perspectief van reproduktie
en transformatie. Of anders gezegd: transformatieve én
reproduktieve activiteiten worden gelijktijdig op maatschappelijk,
organisationeel en interactioneel niveau geïntegreerd.
c. Tegenstrijdigheden
Het niet-deterministische karakter van de structurering van lagere
door hogere niveaus van handelingsintegratie impliceert dat de
structureel mogelijke en waarschijnlijke figuraties op het lagere
integratieniveau niet per sé functioneel
hoeven te zijn voor de structuur van het bepalende hogere integratieniveau:
"
the range of structurally limited possibilities and
the range of functional possibilities do not necessarily coincide"
[Wright 1978:16]. Het is heel goed denkbaar (en niet louter denkbeeldig
zoals de geschiedenis van arbeidsverhoudingen en arbeidersbeweging
heeft laten zien) dat er netwerken van sociale relaties tussen
werknemers ontstaan die niet functioneel of reproduktief zijn
voor de structuur van de arbeidsorganisatie. Het is eveneens mogelijk
dat er typen arbeidsorganisaties ontstaan die de dominante structuur
van maatschappelijke arbeids- en klassenverhoudingen juist niet
reproduceren. Er kunnen dus structurele contradicties
ontstaan tussen maatschappelijke arbeidsverhoudingen en organisatievormen.
Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, zal er ofwel een
transformatie van de arbeidsverhoudingen optreden, of zullen de
structuren van de arbeidsorganisatie zodanig worden veranderd
dat zij weer reproduktief zijn voor de arbeids- en klassenverhoudingen.
Dit is ook het geval wanneer het gaat om structurele contradicties
tussen de formele arbeidsorganisatie en de interactionele netwerken:
de arbeidsorganisatie zal op den duur zodanig veranderd moeten
worden dat zij weer 'past' bij de krachtsverhoudingen die op interactioneel
niveau zijn ontwikkeld, of de interactionele netwerken moeten
zodanig worden veranderd (afgebroken, afgezwakt, afgeleid) dat
zij de reproduktie van de structuren van de arbeidsorganisatie
niet meer in gevaar brengen.
Met dergelijke overwegingen zal met name sterk rekening gehouden moeten worden wanneer men vergelijkingen wil maken tussen processen van belangenorganisatie in verschillende nationale contexten. Het is bijvoorbeeld bekend dat de politiek-culturele formatie van de arbeidersklasse tot zeer uiteenlopende uitkomsten heeft geleid en dat dit sterk samenhangt met
Een ander voorbeeld is het - inmiddels ook bij economen doorgedrongen - besef dat het institutionele milieu waarin ondernemingen opereren een van de belangrijkste reden is voor de verschillen in produktiviteit tussen Europese, Japanse en Amerikaanse ondernemingen.[21] Door de specifieke combinatie van de oude traditie van ondernemingen onder beheer van uitgebreide families (de Zaibutsu) met ruime overheidssteun zijn uiterst sterke economische corporaties ontstaan. Vier institutionele kenmerken staan hierbij centraal.
Ik heb met deze voorbeelden slechts aannemelijk willen maken dat het om meerdere redenen van belang is om verder onderzoek te verrichten naar de mate waarin de niveaus van economische handelingsintegratie ook empirisch zijn gedifferentieerd. We beschikken mijns inziens echter nog steeds niet over goede maatstaven om dergelijke empirische differentiatieprocessen te analyseren.
Veel discussies tussen vertegenwoordigers van de 'oude' en 'nieuwe' economische sociologie lopen stuk omdat de niveaus van handelingsstructurering en van handelingsintegratie niet duidelijk van elkaar worden onderscheiden. Bovendien wordt veelal geopereerd met impliciete vooronderstellingen ten aanzien van de afzonderlijke niveaus waarop economisch handelen is gestructureerd en ten aanzien van de niveaus waarop het is geïntegreerd. Voor de uitwerking van deze ingewikkelde theoretische en methodische zullen nieuwe generaties economische sociologen nog veel werk moeten verzetten.
Index
VI. Reproductie
[2] De maatschappijtheoretische onderbouwing en theorie-historische afbakening van dit onderscheid in niveaus van handelingsintegratie kunnen hier niet uitvoerig worden behandeld. Ter compensatie verwijs ik naar twee goede aanknopingspunten: de scherpzinnige reconstructie die SCHLUCHTER [1979: 51 e.v.] heeft gemaakt van Weber's maatschappijgeschiedenis, en de uitwerking van niveaudifferentiaties door LUHMANN [1975:9-25; 1985:130]. Het onderscheid tussen maatschappelijke, organisationele en interactionele niveaus van handelingsintegratie werd voor het eerst geïntroduceerd in de analyse van sociale ongelijkheden door BADER/BENSCHOP [1988:62,201] en voor de klassenanalyse uitgewerkt door BENSCHOP [1993:127 e.v., 139 e.v., 227 e.v., 249 e.v.].
[3] Een vruchtbaar aanknopingspunt voor onderzoek naar het interactionele niveau van handelingsintegratie is het werk van Erving Goffman. Hij concentreert zijn onderzoek op een specifiek type van regulatie, nl. "the type that governs a person's handling of himself and others during, and by virtue of, his immediate physical presence among them; what is called face-to-face or immediate interaction will be involved" [GOFFMAN 1963:8]. Het interactionele niveau van handelingsintegratie veronderstelt condities van fysieke nabijheid: een tijd-ruimtelijke verbinding tussen minstens twee personen. Deze conditie van 'copresence' wordt door Goffman als volgt omschreven: "persons must sense that they are close enough to be perceived in whatever they are doing, including their experiencing of others, and close enough to be perceived in this sensing of being perceived" [idem: 17]. Mijn stelling is dat door de opkomst van computergemedieerde directe interacties en 'electronic networking' deze conditie van fysieke nabijheid moet worden losgelaten. Zij moet worden vervangen door de conditie van 'sociale aanwezigheid'. In Netwerken van de toekomst laat ik zien waarom.
[4] Zie voor een uitvoerige analyse van het ontstaan en de werking van patronageverhoudingen: BENSCHOP [1993: 249-65]. Vgl. in dit verband ook bijdrage van OUCHI [1980] over clanvorming.
[5] Wanneer door selectieve associaties de wederzijdse gedragsverwachtingen worden geïnstitutionaliseerd heeft dit altijd een aantal relevante gevolgen. Zie voor een overzicht van de functies van institutionalisering van selectieve associaties: BADER/BENSCHOP [1988:329].
EVENTUEEL: de vier functies noemen. Zie ook: BENSCHOP [1993:255].
[6] Zie voor onderzoek naar rechtvaardigheidscriteria bij inkomensverschillen: HERMKENS [1985], HERMKENS/WIJNGAARDEN [1987], WIJNGAARDEN/HERMKENS/KNIPPERS [1988], SZIRMAI [1988], GARTRELL [1982], HEADLEY [1991], KELLEY/EVANS [1993]. Zie voor het onderzoek naar beroepsprestige: KAHL [1957: 237], COXON e.a. [1986: 16, 35, 39, 70 e.v.] en voor een samenvattende kritiek: BADER/BENSCHOP [1988:154 e.v.].
[7] Als de homo economicus ergens gevonden kan worden, en als de neo-klassieke economische theorie ergens kan worden toegepast, dan is het wel in efficiënte kapitaalmarkten. De meeste factoren die egoïstische economische oriëntaties induceren treft men aan op de aandelenmarkten [DIMAGGIO 1990:117 e.v.]. Het onderzoek van Baker is interessant omdat het laat zien dat ook op aandelenbeurzen nog heel andere factoren in het geding zijn dan die men van een zuivere homo economicus mag verwachten. Zie voor een historische illustratie van de stelling dat kapitalistische aandelenmarkten door méér (of ándere) mensen worden bevolkt dan de homo economicus: CARRUTHERS [1994]. Hij geeft een uitvoerige analyse van de niet-economische rationaliteit op de Londense aandelenmarkt in de vroege 18e eeuw.
[8] Een loco-markt ('spot market') is een warenmarkt waarop goederen direct tegen contanten worden verkocht. Een loco-contract is een contract waarin alle verplichtingen 'ter plekke' ('on the spot') worden vervuld, zoals de direct ruil van geld voor een bepaalde waar. In een 'contingent claims' contract worden daarentegen niet alle verplichtingen 'ter plekke' vervuld. Goederen en diensten worden niet ter plekke worden geleverd, maar op een later tijdstip. In dergelijke contracten worden de verplichtingen van elke bij de ruil betrokken partij afhankelijk ('contingent') gemaakt van mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Bijvoorbeeld: een boer komt overeen om zijn graan aan een warenhuis te verkopen wanneer de prijs niet onder een gespecificeerd bedrag per ton daalt. Wanneer de toekomst complexer of onzekerder wordt, wordt het steeds moeilijker en kostbaarder om contracten te sluiten die rekening houden met alle mogelijke gebeurtenissen. Zie voor relationele contracten: MACNEIL [1974, 1978, 1980], WILLIAMSON [1985: 58 e.v.]. Ik kom hier in hft. VII: 4·2 nog op terug.
[9] Zie voor begrip en werking van selectieve associaties: BADER/BENSCHOP [1988: 148 e.v.], BENSCHOP [1993: 254 e.v., 336 e.v.].
[10] Zie voor institutionalisering in organisaties: MEYER/ROWAN [1977], ZUCKER [1977, 1987].
[11] Chester BARNARD [1938 - The functions of the Executive] was waarschijnlijk de eerste die probeerde om organisationele handelingscontexten als een relatief zelfstandig niveau van handelingsintegratie te thematiseren. Hij definieerde organisaties als 'nonpersonal': organisaties bestaan uit relatief zelfstandige 'forces' die weliswaar door personen worden gegenereerd, maar die toch ook eigensoortige effecten sorteren op het handelen van menselijke individuen. Barnard maakt een onderscheid tussen organistionele en persoonlijke aspecten van individuen. Hij suggereert "that every participant in an organization may be regarderd as having a dual personality - an individual personality and an individual personality" [idem: 88]. PERROW [1979/96: 67] heeft gewezen op de verwantschap met het concept van een organisationele functie, waarin bepaalde verplichtingen en verantwoordelijkheden zijn voorgeschreven. De persoon bezet een bepaalde positie of vervult een bepaalde functie. Maar de persoon wordt geen functie en de functie is ook geen equivalent van een persoonlijkheid. Voor Barnard is de identificatie echter veel sterker: de organisationele persoonlijkheid doordringt het hele leven van de persoon als lid van een organisatie.
[12] De functie van het dreigen met en het toepassen van fysiek geweld voor de instandhouding of verandering van economische verhoudingen en instituties komt uitvoerig aan de orde in hft. VI: 4·2.
[13] Zie voor een kritische analyse van deze ontwikkeling: ZEITLIN [1989]. Hij gaat uitvoerig in op de specifieke samentelling en ontwikkeling van het aandelenpakket binnen een onderneming en de hierin versleutelde verbindingen met andere ondernemingen; de specifieke vormen van personele unies (netwerken van dubbelfuncties) tussen directies van ondernemingen, en tussen managers, directeuren en preferente aandeelhouders; de connecties met banken die niet alleen als financiële instituties figureren maar ook als actoren van gespecificeerde eigendomsbelangen (inclusief degenen die de banken zelf controleren); het netwerk van 'intercorporate' en 'principal common stockholdings' enz.
[14] In BADER/BENSCHOP [1988:176 e.v.] is deze stelling uitvoerig onderbouwd. Ik beperk me hier tot een korte toelichting van een aantal basisbegrippen.
[15] Voor wie hecht aan een 'plaatsbepaling' in de sociologische tradities merk ik op dat men deze basisgedachte net zo goed 'marxistisch' als 'weberiaans' kan noemen. Voor Weber was in ieder geval duidelijk dat elke organisatie van de economie altijd de een of andere feitelijke verdeling van beschikkingsmachten impliceert en dat daarom het begrip beschikkingsmacht niet mag ontbreken als sociologisch begrip van het economisch handelen [WEBER WG:33]. Helaas heeft Weber zich niet erg ingespannen om het begrip 'beschikkingsmacht' en de 'objecten' waarover deze kan worden uitgeoefend, nauwkeurig uit te werken. Sociologen hebben te lang nagelaten om dit als uitdaging te zien om deze noodzakelijke preciseringen 'met het eigen hoofd' uit te werken. In mijn studie over Max Weber's bijdrage aan de sociale stratificatietheorie worden deze kwesties zeer uitvoerig behandeld: Sociale ongelijkheid en klassen
[16] Het hogere integratieniveau limiteert de controle over bronnen die bepalend zijn voor de structuren en processen op het lagere niveau; dit impliceert meestal een asymmetrische toegang tot en ongelijke mobilisatiekansen van bronnen waardoor actoren elkaars handelen kunnen beïnvloeden.
[17] Ik sluit hierbij aan op de pogingen van STINCHCOMBE [1968] en WRIGHT [1978:15 e.v.] om een onderscheid te maken tussen verschillende modi van structurele causaliteit.
[18] ZOLLBERG [1986:400] heeft deze gedachte uitgewerkt in een historisch-vergelijkende macro-analyse.
[19] In aansluiting op KUDERA [1977] en JURKOVICH [1974] levert ook LAMMERS [1987:296] kritiek op de gangbare organisatiesociologieën waarin de maatschappelijke handelingscontext wordt verdund tot 'omgeving', d.w.z. tot "een restcategorie bestaande uit voor de organisatie niet-beïnvloedbare en bovendien nog zeer formeel en grof geclassificeerde factoren". Deze 'omgeving' wordt meestal niet grondig geanalyseerd, maar slechts getypeerd aan de hand van nogal abstracte dimensies of factoren zoals homogeniteit, veranderlijkheid, complexiteit, georganiseerdheid enz.
[20] De transformationele benadering wordt gewerkt met niet-deterministisch verklaringsprincipes. Een niet-deterministische theorie doet geen exacte voorspellingen, maar heeft wel verklaringskracht wanneer zij ten minste een (aantal) abstract mogelijke gebeurtenissen of toestanden uitsluit. Als men geloof hecht aan deterministische verklaringsmodellen zou men dus kunnen zeggen dat deze theorie 'zwak' is. Als dit waar is, betekent dit echter nog niet dat zij nutteloos is. Een transformationele theorie komt pas in serieuze moeilijkheden wanneer zich gebeurtenissen of toestanden voordoen die in de theorie worden uitgesloten.
[21] Het institutionele milieu waarin de Japanse ondernemingen produceren is volgens sommige auteurs een van de primaire redenen dat zij tegenwoordig een voorsprong hebben op de Amerikaanse ondernemingen [FLIGSTEIN 1990:311]. De grootste Japanse firma's opereren onder een multidivisionele organisatievorm en rivaliseren met Amerikaanse ondernemingen wat betreft hun omvang. In 1980 werden 37 van de 102 grootste Japanse ondernemingen geclassificeerd als produkt-dominant, 59 als produkt-gerelateerd en 6 als produkt-ongerelateerd [KONO 1984:80]. Deze niveaus van deze diversificatie liggen lager dan in de Verenigde Staten, met name in termen van produkt-ongerelateerde firma's. De Japanse ondernemingen onderscheiden zich echter in één opzicht van de Amerikaanse: de expansie in nieuwe produktlijnen verloopt bijna altijd door interne groei, niet door fusies.
| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|