| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|
|
|
III Arbeid Index V Integratie
|
3.1 Traditionele oriëntaties
Traditionele oriëntaties constitueren traditionele vormen van economisch
bewustzijn en motiveren traditionele vormen van economisch handelen. Het
ideaaltypisch met traditionele handelingsoriëntaties en handelingen
corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is de (economische)
zede en gewoonte. Dit mechanisme van handelingscoördinatie
wordt behandeld in VI: 1.
Actoren kunnen zich traditioneel oriënteren op de specifieke zeden en gewoonten die in de loop van de geschiedenis van hun eigen afdeling, bedrijf, sector, beroep of sociale klasse zijn ontstaan. De traditionele dimensie van de identiteit van economische actoren zal ik aanduiden als traditioneel of historisch bewustzijn.[1] Traditioneel bewustzijn manifesteert zich in geroutiniseerde vormen van economisch handelen:
Ondernemers en managers handelen meestal zoals zij al eerder handelden onder gelijksoortige omstandigheden zonder dat zij daarbij bewuste keuzes maken tussen alternatieve handelingsopties. Zij opereren veelal volgens geroutiniseerde procedures en passen vuitsregels toe waarin eerdere ervaringen in gelijksoortige omstandigheden zijn gesedimenteerd of waarin algemene 'achtergrondkennis' is neergeslagen.[5] Het economisch handelen van actoren is veel sterker gehabitualiseerd dan in de meeste economische theorieën - als er überhaupt al aandacht aan wordt besteed - wordt verondersteld. Bovendien zijn dergelijke routines veel rationeler dan in de meeste economische modellen wordt aangenomen (voorzover er überhaupt enige rationaliteit aan traditionele handelingspatronen wordt toegekend).[6]
@
3.2 Affectieve oriëntaties
Affectieve oriëntaties constitueren solidaire vormen van economisch
bewustzijn en motiveren expressieve vormen van economisch handelen. Het
ideaaltypisch met affectieve economische oriëntaties en handelingen
corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is solidariteit.
Dit mechanisme wordt in VI: 2 uitvoeriger behandeld.
Actoren kunnen zich gevoelsmatig oriënteren op de collegialiteit van een arbeidscollectief, op solidariteit van een inkomens-, kwalificatie- of beroepsgroep, op het saamhorigheidsgevoel van bepaalde groepen producenten, consumenten, gebruikers of cliënten, op de lotsverbondenheid van profiteurs, zakkenvullers en afzetters, of op de meer omvattende solidariteit van een klassegemeenschap. Gevoelsmatige oriëntaties vormen de basis voor bepaalde gemeenschaps- of saamhorigheidsgevoelens. Deze emotionele dimensie van de identiteit van economische actoren zal ik solidair bewustzijn noemen. Solidair bewustzijn uit zich in expressieve vormen van economisch handelen:
a. Koop- en consumptiegedrag
Ik heb er hiervoor al op gewezen dat consumenten hun produkten en diensten zeer
vaak niet aanschaffen op grond van eenduidige preferenties en rationele
afweging van de prijs-kwaliteit verhouding. Zij kopen veelal routineus (uit
'gewoonte') of omdat zij affiniteit hebben met een bepaald merkprodukt (uit
'solidariteit'). Consumenten identificeren zich niet alleen met bepaalde
produkten of diensten, maar ontlenen daaraan ook een bepaalde identiteit. Door
de aanschaf van een bepaald merk auto of kleding geven zij symbolisch
uitdrukking aan het feit dat men tot een bepaalde sociale groep of klasse
behoort of dat men daartoe gerekend wil worden [zie IV:1.4 over habitus en
levensstijlen]. Produkten hebben voor consumenten niet alleen een
economisch-utilitaire waarde (waarover de homo economicus beslist), maar
ook sociaal-distinctieve waarde (waarover de homo sociologicus
beslist).[7] In studies over
consumentengedrag wordt in dit verband een onderscheid gemaakt tussen
'high-involvement' produkten en 'low-involvement' produkten
[Engel/Blackwell/Miniard 1993: 275-80]. High-involvement produkten
('positionele goederen', 'prestige-objecten') zijn goederen die door de
consumenten niet louter worden beschouwd als produkten die zij kunnen
gebruiken, maar ook als produkten die 'een bericht aan de wereld sturen' over
de persoon en die verbonden zijn aan het gevoel van persoonlijke eigenwaarde
(zij worden ook wel 'positionele goederen' of 'prestige-objecten' genoemd - zie
eerder over levensstijlen). Bij de aanschaf van deze prestigieuze goederen
(zoals auto's, huizen en vooral ook kleding) moeten maken consumenten
ingewikkelder afwegingen dan bij de aanschaf van alledaagse gebruiksgoederen
zonder prestigieuze betekenis (zoals ballpoints, wc-papier, suiker of
punaises).[8]
Het koopgedrag van economische actoren is dus ook in dit opzicht veel complexer dan in de neoklassieke modellen wordt verondersteld. De homo economicus heeft geen eenduidige preferenties, en wanneer hij deze wel heeft, moet deze preferentie concurreren met sociaal-distinctieve of prestigieuze voorkeuren. Simpel gezegd: consumenten maken bij de keuze van produkten en diensten in werkelijkheid complexe afwegingen tussen economisch en sociaal 'nut'. Het probleem is daarbij niet alleen dat hiervoor geen exacte afwegingsmaatstaven bestaan (in de geest van: x-hoeveelheid economisch nut = y-hoeveelheid sociaal nut), maar ook en vooral dat er geen intrinsiek verband is tussen het economische en het sociale nut van een produkt. Een produkt met een hoge prestigieuze en distinctieve functie, kan in economisch opzicht uiterst nutteloos zijn (en omgekeerd). De ondraagbaarheid van veel produkten van de 'haute culture' is hiervan het meest sprekende voorbeeld.
|
De betekenis van ongeplande of impulsieve aankopen wordt in de economische literatuur meestal zwaar onderschat. Sommige auteurs schatten dat 50% van de aankopen ongepland of impulsief zijn [Agnew 1987]. Er is sprake van impulsief kopen wanneer een consument een plotselinge, vaak krachtige en aanhoudende drang ervaart om iets direct te kopen.[9] "The impulse to buy is hodonically complex and may stimulate emotional conflict" [Rook 1987:191; vgl. Halbroek/Hirschman 1982]. Bij impulsief kopen wordt vaak geen rekening gehouden met de consequenties van de aankoop. Volgens Dennis Rook heeft impulsief kopen een of meer van de volgende kenmerken:
|
b. Ondernemen en vertrouwensrelaties
Affectieve overwegingen spelen in praktisch alle economische transacties een belangrijke en soms doorslaggevende rol. "Emotions are within the texture of organizing" [Fineman 1993:1]. Organisationele processen worden mede gevormd en richting gegeven door affectieve overwegingen. De organisationele ordening is gebaseerd op gevoelens van het bij elkaar horen en apart zijn, en de oranisationele controle is ondenkbaar zonder het vermogen om schaamte, angst, vreugde of teleurstelling te voelen. Zij zijn de motivationele bron voor zelfcontrole, zonder welke de meeste organisaties niet zouden kunnen functioneren [Scheff 1988]. Het zijn gevoelens die bepalen hoe we denken dat anderen ons zien of hoe onze prestaties worden beoordeeld. We voelen ons ongemakkelijk waneer we persoonlijk in verlegenheid worden gebracht. Deze gêne zorgt ervoor dat de meeste mensen min of meer het juiste organisationele handelen vertonen in hun omgang met klanten, collega's en bazen.
Ondernemers laten zich bij de selectie van leveranciers niet alleen leiden door zuiver economische calculaties, maar ook door affectieve bindingen met en persoonlijke voorkeuren voor bepaalde personen. Actoren waarmee men 'vertrouwd' is, die tot de 'vriendenkring' of de 'verwanten' behoren, krijgen veelal zonder nadere overwegingen de voorkeur [zie VII: 4.2 over vertrouwensrelaties].[10]
c. Arbeidsmarkt en arbeidsorganisatie
Ook het
economisch gedrag op de arbeidsmarkten en binnen de arbeidsorganisaties is
doortrokken met affectieve dimensies. Voordat men zich op de arbeidsmarkt
begeeft wordt de keuze van beroepsopleidingen of studierichtingen in veel
gevallen (mede) bepaald door de identificatie met een familielid dat dezelfde
keuze gemaakt heeft, of met een bijzonder sympathieke leraar.[11] Jongeren worden hierdoor 'gestempeld' voor
een specifieke beroepscarrière en sluiten alle andere alternatieven uit.
In de ogen van Ben Hamper die 'voorbestemd' was om lopende bandarbeider bij
General Motors te worden, ziet dit er als volgt uit:
De door sociologisch onderzoek tot in den treure gemeten hoge 'arbeidssatisfactie' kan derhalve niet of nauwelijks worden opgevat als een indicatie van de kwaliteit van de arbeidssituatie. Arbeidssatisfactie wordt immers bepaald door "de standaarden die men aanlegt, de aspiraties die men koestert en de verwachtingen die men heeft" [De Sitter 1988:144]. Zowel de standaarden als de aspiraties en verwachtingen worden echter in hoge mate bepaald door de arbeidspositie die men inneemt en door de loopbaan of arbeidsgeschiedenis zélf. De gemeten arbeidsvoldoening is dus slechts een indicatie van de mate van aanpassing aan de gegeven arbeidssituatie.[13]
d. Arbeidsprocessen
Affectieve overwegingen spelen vooral ook een prominente rol in de dagelijkse
arbeidsprocessen. De directe werkrelaties tussen collega's kunnen slechts tot
op bepaalde hoogte worden verzakelijkt. Het specifieke karakter van deze
relaties wordt in sterke mate bepaald door de affectieve bindingen tussen de
werknemers onderling. Deze informele persoonlijke bindingen zijn niet alleen
van betekenis voor het arbeidsklimaat en de bedrijfsatmosfeer, maar zijn ook
van cruciale betekenis voor het prestatievermogen en dus voor de produktiviteit
van een onderneming. Affectieve bindingen vormen de bouwstenen voor
solidariteitsculturen die zich in arbeidsconflicten ontwikkelen en daarin op
hun beurt de onderlinge solidariteit bestendigen.
Affectieve motieven spelen dus een belangrijke rol in al ons economische handelen. In de neoklassieke leer wordt deze rol meestal in negatieve termen omschreven omdat men ervan uitgaat dat menselijke gevoelens irrationele elementen zijn die een negatieve invloed hebben op rationele besluitvorming. Affectieve (en zoals we hieronder nog zullen zien ook normatieve) factoren zijn in het neoklassieke besluitvormingsmodel slechts hinderlijke factoren, die daarom meestal volledig worden genegeerd als het gaat om de doel- en middelenselectie. We hebben hiervoor echter gezien dat affectieve overwegingen een rol spelen bij alle soorten economisch handelen en bij alle typen economische of economisch relevante keuzes. Affectieve factoren beïnvloeden niet alleen de mate waarin informatie wordt verzameld, de wijze waarop die informatie wordt doorgegeven, en de conclusies die men uit deze informatie trekt, maar ook de opties die in overweging worden genomen en de opties die uiteindelijk gekozen worden [Etzioni 1988:94].
Er zijn veel discussies gevoerd over de vraag of en in hoeverre affectieve overwegingen 'rationeel' zijn. Het empirisch onderzoek van dit thema heeft in ieder geval twee algemene inzichten opgeleverd. Ten eerste is de rationaliteit van affectief gemotiveerd gedrag afhankelijk is van specifieke omgevingscondities en van de relatieve kracht van de emoties: we moeten dus telkens de specifieke voorwaarden benoemen waaronder affecten produktief zijn en waaronder zij rationele besluitvorming ondermijnen. Ten tweede lijkt er een curvilineaire relatie te bestaan tussen het niveau van affectie en dat van rationaliteit: wanneer het niveau van affectie erg laag is, worden er vaak geen beslissingen genomen wanneer het rationeel zou zijn om dit te doen; wanneer het affectieniveau te erg hoog is leidt dit vaak tot ontregeling van bewuste of rationele overwegingen; op gemiddelde niveaus van affectie wordt rationele besluitvorming vergemakkelijkt [Etzioni 1988:104, in aansluiting op Woodworth/Schlosberg 11954; Holsti 1971:57].
Een goed overzicht van het onderzoek naar de verschillende effecten van affecties op economisch handelen geven Rik Pieters en Fred van Raaij [1987]. Zij maken een onderscheid tussen vier significante functies.
3.3 Strategische oriëntaties
Strategische oriëntaties constitueren strategische vormen van
economisch bewustzijn en motiveren strategische vormen van economisch handelen.
Het daarmee ideaaltypisch corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is belangen. Dit mechanisme wordt behandeld in VI:3.
Strategisch economisch handelen is economisch handelen dat gericht is op het realiseren van eigen doelen die als particuliere doelen tegenover de doelen van andere actoren staat. Deze doelen worden gedefinieerd als tegenstrijdige belangen. Men kan zich bijvoorbeeld strategisch oriënteren op de eigen individuele, afdelings-, beroeps- of inkomensbelangen tegenover de belangen van andere individuen, afdelingen, beroepen of inkomensgroepen. Strategische oriëntaties vormen de grondslag voor gedeelde belangen en belangendefinities. Het geheel van groepsspecifieke belangendefinities kan als strategisch bewustzijn worden omschreven. Strategisch bewustzijn omvat zowel definities van de eigen individuele en/of collectieve belangen als die van andere individuen of groepen. Het omvat dus per definitie ook vergelijkingen, dat wil zeggen van verschillen en tegenstellingen tussen belangen. Strategisch bewustzijn manifesteert zich in strategische, dat wil zeggen op belangenbehartiging gerichte vormen van economisch handelen.
*
3.4 Normatieve oriëntaties
Normatieve oriëntaties constitueren ethisch of morele vormen van
economisch bewustzijn en motiveren normatief economisch handelen. Het daarmee
ideaaltypisch corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is
legitimiteit. Dit mechanisme wordt behandeld in VI:5.
Actoren kunnen zich normatief oriënteren op groeps-, beroeps- of klassespecifieke ethieken of op universalistische (humanitaire, communautaire, internationalistische, democratische, anti-discriminerende enz.) ethieken. Normatieve oriëntaties vormen de grondslag voor gedeelde waardepatronen en waarderingen en in het bijzonder voor gedeelde rechtvaardigheidsnormen. De normatieve dimensies van de identiteit van economische actoren zal ik als ethisch of moreel bewustzijn omschrijven.[14] Moreel economisch bewustzijn omvat het geheel van:
a) Uitsluiting van objecten van de markt
'Geld koopt in toenemende mate bijna alles' (Weber). Geld is een uiterst potente indirecte bron welke in de meest uiteenlopende maatschappelijke verhoudingen als machtsbron gebruikt kan
worden. Geld is net zoals geweld bijna universeel bruikbaar.
Er zijn nog meer items die de meeste actoren niet als legitieme objecten voor economische ruil beschouwen. Walzer [1983:100 e.v.] heeft een - overigens niet uitputtende - lijst opgesteld van 14 categorieën van geblokkeerde ruil, dat wil zeggen van goederen of diensten die op morele gronden beschermd worden tegen koop en verkoop. Naast de reeds eerder genoemde behoren daarbij ook huwelijk (er worden geen vergunningen voor polygamie verkocht), fundamentele vrijheden (individuele vrijheidsrechten mogen niet worden doorverkocht; iedereen heeft vrijheidsrechten zonder er voor te betalen), academische titels (men mag geen diploma's kopen of verkopen) en zieleheil (er mogen geen aflaten meer worden verkocht).[23] Al deze objecten worden niet meer of nog slechts marginaal verhandeld. De morele afkeuring van de handel in dergelijke objecten is in de meeste gevallen zo sterk, dat dit alleen nog gebeurt door 'amorele lieden' in de grijze en criminele marges van de burgerlijke maatschappij. Zij overtreden schaamteloos het morele taboe dat berust op commerciële uitbating van deze objecten. Zolang zij zich bovendien handig weten te onttrekken aan de op deze taboe's aansluitende wettelijke verboden en sancties, zijn zij in staat om uiterst lucratieve zaken te doen in de handel van mensen (slaven, vrouwen, baby's, kinderen), menselijke organen en menselijk bloed, heroïne en cocaïne, wapens enzovoort.[24]
Er zijn een groot aantal objecten die volledig of grotendeels aan de markt, en aan het vraag- en aanbod mechanisme worden onttrokken. Morele overwegingen spelen niet alleen een rol bij de uitsluiting van bepaalde goederen en diensten van de markt, maar hebben ook een belangrijke invloed op de manier waarop actoren zich op de goederen- , geld- en arbeidskrachtenmarkten gedragen.
c) Koop- en consumptiegedrag
Morele overwegingen spelen een rol in het koop- en consumptiegedrag. Een bekend voorbeeld van het eerste is dat mensen soms de voorkeur geven aan een produkt dat in hun directe omgeving of in hun eigen land vervaardigd is omdat zij zich moreel verplicht voelen om hun lokale of nationale producenten te steunen. Ortodoxe joden zullen geen varkensvlees kopen of verkopen ook al biedt met dit tegen nog zo'n lage prijs aan of al kan hier nog zo'n grote winst op gemaakt worden.
c) Leen- en investeringsgedrag
Morele overwegingen spelen een rol inhet leen- en investeringsgedrag. Het klassieke voorbeeld is het religieus verbod op woeker, d.w.z. het heffen van rente op geldleningen. Een bekend
modern voorbeeld is de voorkeur die veel mensen geven aan kredietkaarten en
bank-cheques boven het sluiten van een lening, ook al betaalt men voor leningen
een lagere rente. Veel mensen beschouwen de uitgaven die zij met kredietkaarten
of bankcheques financieren niet als een lening of het aangaan van een schuld,
maar als 'uitgestelde betalingen'. Daarmee overbruggen zij de dissonantie
tussen hun morele gevoel 'dat schulden maken verkeerd is' en hun wens om
krediet te gebruiken [Maital 1982:142 e.v.; Katona 1975:272 e.v.]. Ondernemers
kunnen op morele gronden besluiten om niet te investeren in nationale
economieën die opereren onder politiek verwerpelijke politieke regimes,
zoals het apartheidsregime, een fascistisch of een dictatoriaal regime.
Werknemers kunnen op morele gronden besluiten om geen goederen meer te
importeren uit landen met in hun ogen verwerpelijke regimes, of van specifieke
ondernemers die in een actueel conflict staan met hun personeel.
d) Gedrag op arbeidsmarkt en in arbeidsorganisatie
Morele overwegingen
werken door in de manier waarop arbeiders met ondernemers omgaan, en
omgekeerd.[25] Ondernemers kunnen besluiten om
bepaalde arbeiders niet aan te nemen omdat zij aanhangers zijn van een in hun
ogen moreel verwerpelijk geloof of politieke partij. Werknemers kunnen om
vergelijkbare reden besluiten om hun arbeidskracht niet aan te bieden aan
bepaalde ondernemers. Ondernemers voldoen aan hun morele verplichtingen ten
opzichte van hun personeel wanneer zij arbeiders die langdurig in dienst zijn
geweest een gouden horloge, een vakantie of een geldsom aanbieden, of wanneer
zij deze arbeiders een royalere aanzegperiode voor ontslag toestaan dan waartoe
zij wettelijk zijn verplicht. Werknemers voldoen aan hun morele verplichtingen
ten opzichte van hun ondernemers wanneer zij zonder gezeur een aantal extra
uren maken wanneer dit voor de bedrijfsvoering gewenst is, of wanneer zij hun
vrijwillige ontslag eerder aanmelden dan waartoe zij wettelijk verplicht zijn.
Juist in dit soort gevallen wordt duidelijk dat er een tamelijk diffuse relatie
bestaat tussen globale morele houding en het tamelijk brede scala van
specifieke handelingen waarmee mensen aan hun morele verplichtingen voldoen.[26] Ondernemers kunnen zich moreel verplicht
voelen om 'iets' te doen wanneer een werknemer hem 25 jaar trouw gediend heeft
- maar wat of hoeveel moet hij geven om aan deze verplichting te
voldoen?[27] Werknemers kunnen zich moreel
verplicht voelen om overuren te maken wanneer dit vanuit bedrijfseconomische
overwegingen noodzakelijk is - maar hoe regelmatig moet men hoeveel uur
overwerken tegen welke voorwaarden om deze morele verplichting gestand te doen?
Of algemener: werknemers hechten aan een 'rechtvaardig loon voor fatsoenlijke
arbeid' - maar hoe hoog moet het loon precies zijn om als 'rechtvaardig'
gedefinieerd te kunnen worden, en welke soorten arbeid zijn in moreel opzicht
niet meer fatsoenlijk? Dit maakt duidelijk dat de morele context van het
economisch handelen geen dwangbuis is, maar een context in de meest letterlijke
zin van het woord: het biedt een kader waarbinnen het concurrentiële
economische handelen zich voltrekt en waarbinnen de conflicten tussen
economische actoren worden uitgevochten.
De wijze waarop mensen binnen arbeidsorganisaties worden behandeld heeft een grote invloed op hun motivatie, hun coöperatieve houding, hun prestaties en hun produktiviteit. De wijze waarop de arbeid bedrijfsintern wordt verdeeld, georganiseerd en gecontroleerd heeft niet alleen morele kwaliteiten, maar ook morele consequenties. De morele kwaliteit van de wijze waarop de arbeid wordt verdeeld komt bijvoorbeeld tot uiting in het als 'onmenselijk' gedefinieerde karakter van kortcyclische, repetetieve deelarbeid en in de als 'discriminerend' ervaren deling tussen 'mannentaken' en 'vrouwentaken'. De morele kwaliteit van de wijze waarop de arbeid wordt gecoördineerd en gecontroleerd komt bijvoorbeeld tot uiting in het als 'onderdrukkend' ervaren karakter van autoritaire gezagsvormen en in het de als 'denigrerende' ondergane karakter van allesomvattende controlesystemen. Wat ondernemers en management als 'rationele', 'efficiënte' en 'doelmatige' arbeidsdelingen, organisatie- en gezagsvormen definiëren, kan door hun werknemers moreel worden gediscrediteerd als institutionalisering van exploitatie- en dwangverhoudingen. Wat door ondernemers gezien wordt als een noodzakelijk instrumentarium om arbeidsproduktiviteit af te dwingen, discipline tot stand te brengen, lijntrekken en bedrijfsdiefstal te voorkomen, kan door hun werknemers op morele gronden worden verworpen omdat zij deze hele disciplinaire machinerie ervaren als geïnstitutionaliseerd wantrouwen en als een schending van hun gevoel van eigenwaarde.[28] De morele consequenties daarvan zijn globaal wel bekend. Voor ondernemers en management kan het gevolg zijn dat zij zich steeds meer bevestigd voelen in hun opvatting dat men werknemers geen substantiële verantwoordelijkheden en beslissingsrechten kan toevertrouwen en zij zich zelf als industriële elite nog meer gaan toeleggen op het verfijnen van het controle-apparaat. Voor werknemers is het gevolg meestal dat hun gevoel van eigenwaarde gekrenkt wordt, zij hun zelfrespect verliezen en zich overgeven aan een soort 'gelatenheid' die het beste omschreven kan worden als existentieel en overwegend strategisch gemotiveerd fatalisme. Dit fatalisme moet niet worden verward met een normatieve instemming met de bestaande verhoudingen, zoals dit in het ethisch of religieus gemotiveerde fatalisme het geval is.[29] Het is geen 'naïef' maar een 'geïnformeerd' fatalisme dat in de sociologische literatuur meestal als 'resignatie', 'instrumentalisme' of 'pragmatisme' wordt omschreven. Existentieel fatalisme is een bijzondere vorm van het zich neerleggen bij de bestaan verhoudingen: het is een primair strategische gemotiveerde acceptatie van het bestaande, die onderscheiden moet worden van andere vormen, zoals traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en normatieve instemming.
Bij een deel van de moderne ondernemers, managers en organisatiedeskundigen begint het besef door te dringen dat er een specifiek verband bestaat tussen enerzijds de morele kwaliteiten van de arbeidsorganisatorische verhoudingen (of het gebrek daaraan) en anderzijds de enorme organisationele en transactionele kosten. In het algemeen kan men zeggen dat hoe sterker de morele verplichtingen zijn die werknemers ervaren ten aanzien van hun werksituatie, des te lager zijn de transactiekosten die nodig zijn voor het uitwerken van expliciete en gedetailleerde contracten en voor de toezichthoudende en disciplinaire taken en functionarissen die nodig zijn om deze contracten effectief af te dwingen. Of specifieker: hoe sterker de innerlijke morele binding met de bijzondere aard van de arbeid en met de organisationele verhoudingen waarbinnen deze verricht wordt, des te minder er geïnvesteerd hoeft te worden in uiterlijke dwang en beheersvormen die ervoor moeten zorgen dat de door ondernemers ingehuurde arbeidstijd van de werknemer ook daadwerkelijk wordt omgezet in arbeidsprestaties.[30] Het verband tussen productiviteit en moraliteit is het meest direct (hoewel meestal onzichtbaar) bij het 'snaaien' (diefstal van bedrijfsbronnen door werknemers en het 'lijntrekken', het 'lummelen in de tijd van de baas'. Studies over ziekteverzuim en absenteïsme wijzen in dezelfde richting.[31] Een slechte organisationele 'cultuur' of 'atmosfeer' wordt meestal geïndiceerd door een relatief laag motivatieniveau van organisatieleden en door een geringe identificatie met de dominante organisationele doelen. Daarom kan men veronderstellen dat er een negatieve correlatie bestaat tussen de beheersingskosten van een organisatie en de prestatie- en aspiratieniveaus van haar leden. Simpel gezegd: een in moreel opzicht slechte bedrijfscultuur of -atmosfeer brengt hogere beheersingskosten en een lagere productiviteit met zich mee.
e) Inkomensgedrag
Veel mensen die recht hebben op een uitkering maken
niet van dit recht gebruik omdat zij het ontvangen van een sociale uitkering
als een stigma ervaren. Zij kunnen hun uitkering weigeren omdat zij arbeidsloos
inkomen zelf als iets moreel verwerpelijks zien, of omdat zij aannemen dat dit
in de maatschappelijk dominante cultuur als iets immoreels wordt
gedefinieerd."De normen van de marktgeoriënteerde maatschappij, die
behoren bij het geloof in de markt, leiden ertoe dat het niet op eigen kracht
in het levensonderhoud kunnen voorzien als afkeurenswaardig wordt beschouwd"
[Van Oorschot 1989:12].[32] Er bestaat een
tamelijk grote discrepantie tussen de ideologie van het 'rechtskarakter' van de
verzorging en de ervaring van een 'gunstkarakter' in de praktijk [Schuyt 1976,
1991]. Het utilitaire idee 'dat meer inkomen beter is' en 'dat meer goederen
goed is' wordt kennelijk beperkt of soms zelfs genegeerd door de morele
overweging dat inkomen niet zomaar inkomen is, maar dat het belangrijk is waar
het vandaan komt [Moffit 1933, Foster 1983]. Geld stinkt dus soms wel. Er kan
aan geld 'een luchtje' zitten dat door betrokken actoren 'geroken', moreel
gewaardeerd en afgekeurd wordt. Dat kan bijvoorbeeld ook de reden zijn waarom
politieagenten weigeren om zich voor bepaalde diensten door particulieren te
laten betalen: zij vrezen dat de grens tussen eerlijke verdiensten en omkoping
vervaagt en laten zich ondanks de aantrekkelijkheid van het aanbod niet in met
corruptieve praktijken.
Moreel bewustzijn omvat niet alleen de in meer of mindere mate gedeelde normatieve maatstaven van kritiek op bestaande economische verhoudingen, maar ook de moreel gelegitimeerde visies op betere, rechtvaardiger toekomstige arbeids- en inkomensverhoudingen. Het morele bewustzijn van economische actoren manifesteert zich
Index
§ IV. Integratie
[1] Omdat het hier gaat om een oriëntatie op economische zeden zou men ook van zedelijk bewustzijn kunnen spreken. Zowel in het alledaagse als het wetenschappelijke taalgebruik wordt echter meestal met een zeer brede notie van 'zedelijk bewustzijn' geopereerd. Daarbij wordt 'zedelijk bewustzijn' of 'zedelijkheid' opgevat als een combinatie van gevoelsmatige, traditionele en normatieve of morele dimensies van maatschappelijk bewustzijn. Voor de analytische optiek van deze uiteenzetting is een dergelijk breed of samengesteld begrip onbruikbaar. Ik geef er onderzoeksstrategisch de voorkeur aan de met traditionele, affectieve en normatieve oriëntaties corresponderende bewustzijnsvormen zo 'zuiver' mogelijk (d.w.z. onafhankelijk van elkaar) te definiëren. Het voordeel van een dergelijke aanpak is dat men veel scherper zicht krijgt op de heterogeniteit van de elementen die in brede noties van zedelijkheid zijn vervat. Wanneer men om welke reden dan ook met een meer synthetisch begrip van zedelijkheid of zedelijk bewustzijn wil opereren, dan weet men tenminste wat men erin stopt. Empirisch-historisch gezien was moreel bewustzijn natuurlijk altijd zeer nauw verbonden met traditionele oriëntaties en affectieve gevoelens. Juist daarom geef ik de voorkeur aan een 'zuiver', d.w.z. van moreel en solidair bewustzijn afgebakend begrip van zedelijkheid. Om enige afstand te houden ten opzichte van de verwarring die er over deze geladen begrippen bestaat, gebruik ik hier de term 'zedelijk bewustzijn' maar 'historisch bewustzijn'.
[2] Vertrouwen speelt een cruciale rol in economisch handelen. Zonder vertrouwen zouden de actoren geen gebruik maken van geld, zou sparen geen zin hebben en zouden de transactiekosten enorm stijgen. Het is dus moeilijk om zich een concrete economie voor te stellen zonder dat daarin een sterk element van vertrouwen bestaat. We zullen in hft. VI: § 4.2 nog zien dat de neo-klassieke economen en hierop aansluitende rational choice sociologen niet goed raad weten met dit fenomeen - het past niet in hun rationalistisch-individualistische modelconstructie van de utiliteitsmaximaliserende homo economicus.
[3] Koopgewoontes kunnen gebaseerd zijn op merkloyaliteit of op inertia. Bij merkloyaliteit wordt de koopgewoonte gegenereerd door een positieve binding aan een specifiek merkprodukt: 'ik heb gemerkt dat ik produkt X kan vertrouwen en heb daarom geen enkele reden om naar een ander merk over te stappen'. Bij intertia wordt de koopgewoonte gegenereerd door het ontbreken van een persoonlijke betrokkenheid in de betreffende produktcategorie: 'alle merken tandpasta zijn min of meer hetzelfde en daarom kan ik net zo goed produkt Y blijven gebruiken'.
Voor ondernemers en reclamespecialisten is een hoge mate aan merkentrouw een van de sterktste troefkaarten. Men moet van zeer goede huize komen wil men een loyale koper van bijv. MacIntosh computers overhalen om een ander type computer aan te schaffen. Hun loyaliteit is vaak gebaseerd om de sterke betrokkenheid bij het type computer en op het geloof dat MacIntosh de beste computers fabriceert. Loyale kopers hebben geen redenen om op een ander merk over te stappen, tenzij andere computerfabrikanten een werkelijke en zichtbare competitieve doorbraak weten te forceren. Zoals bij alle gewoontes kan echter ook een merkloyaliteit slijten. Dat gebeurt vooral wanneer ondernemers en marketingspecialisten te zeer vertrouwen op de een eenmaal gevestigde merkloyaliteit en zich niet meer inspannen voor verhoging van kwaliteitseisen en innovatie.
[4] Merkloyaliteit of - trouw kan natuurlijk ook worden geïnterpreteerd als een uiting van een affectieve oriëntatie op economische situaties [zie § 3·2]. Alleen wanneer en voorzover deze 'trouwheid' van de consument/gebruiker/cliënt/afnemer gebaseerd is op een min of meer regelmatige of duurzame feitelijke praktijk kunnen we zeggen dat merkloyaliteit een uiting is van een traditionele oriëntatie op economische situaties. In werkelijkheid is de 'trouw' die consumenten/gebruikers enz. ten toon spreiden het effect van een combinatie van traditionele, affectieve, strategische en normatieve oriëntaties. Ik blijf produkt X kopen of van de diensten van professional Y gebruik maken (a) omdat ik dit altijd al gedaan heb en/of mijn ouders dit ook al deden, (b) omdat ik erg aan dit specifieke produkt of deze bijzondere dienst gehecht ben, (c) omdat deze producent of dienstverlener tegen relatief lage kosten een produkt van goede kwaliteit levert, én (d) omdat ik het onfatsoenlijk zou vinden om over te stappen naar een produkt dat door iemand anders wordt gemaakt - bijv. door een ondernemer die niet tot mijn buurt/regio/land of mijn etnisch-culturele groep behoort. @
[5] Vgl. de studies van HOUTHAKKER/TAYLOR [1970], KATONA [1975:218 e.v. - Psychological Economics], en het overzicht van ETZIONI [1988:161e.v., 166 e.v.], waarin tevens een aantal goede voorbeelden worden gegeven van de rol die gewoontes spelen bij de verklaring van de vaak uiterst minimale of zelfs ontbrekende effecten die wijzigingen in het overheidsbeleid hebben op het economisch handelen van particuliere actoren.
[6] Sommige neoklassieke auteurs beschouwen 'vuistregels' wel als rationeel omdat daarin een geaccumuleerde ervaring tot uitdrukking wordt gebracht dan wel de door evolutionaire ontwikkelingen begunstigden zijn. Actoren die niet-rationele regels volgen zouden worden weggedrukt door degenen die wel rationele regels volgen. De suggestie is dat hierdoor niet-rationele regels op den duur altijd verdrongen worden door rationele regels of routines.
[7] Dit inzicht werd al in de jaren 20 geformuleerd door de reclame-pionier Melvin COPELAND [1924 - Principles of Merchandising. Chicago: Shaw]. Hij benadrukte dat consumenten zowel gemotiveerd worden door rationele (utilitaire) als door emotionele overwegingen. De hierin veronderstelde identificatie van utilitaire overwegingen met rationaliteit en van emotionele overwegingen non- of irrationaliteit behoort nog steeds tot het standaard-vooroordeel van de marketing-wisdom.
[8] In dit verband wordt vaak de aan BARNARD [1947:167-9] ontleende term 'indifferentie zones' gebruikt [FURHAM/LEWIS 1986:207 e.v.; ETZIONI 1988:101]. Daarmee wordt aangegeven dat consumenten bij de aanschaf van bepaalde artikelen geen sociale of prestigieuze overwegingen mee laat spelen en dus tamelijk 'koel' zijn beslissingen kan nemen. Bij de aanschaf van een doosje lucifers is kan men onverschillig zijn ten opzichte sociale nutsoverwegingen.
[9] Vgl. de studie over consumentengedrag van ENGEL/BLACKWELL/MINIARD [1993:42, 561], KOLLAT/WILLET [1967].
[10] Zie in historisch perspectief: BENDIX [1956:56]: "Personal relations and personal artitrariness prevailed under these conditions of labour management. All the decisions converning wages, hours, discipline, and generally the organization of production were enmeshed in a web of personal loyalties. This would often have the result that the subcontractor or foreman could count on his workers to an extent which made him quite independent from the firm with which he himsel had a a contract." Zie voor moderne arbeidsmarktverhoudingen: GRANOVETTER [1974].
[11] In het studiekeuze onderzoek zijn hierover veel bewijzen verzameld. Zie o.a. de desbetreffende opstellen in de door DRONKERS en ULTEE geredigeerde bundel: Verschuivende ongelijkheid in Nederland, Assen: Van Gorcum, 1995.
[12] Ik volg hier de analyse van BOURDIEU [1979:123].
[13] De opvatting dat arbeidssatisfactie een 'aanpassingsfenomeen' is wordt door de huidige generatie van arbeidssociologen en -psychologen vrij algemeen aanvaard. Vgl. De SITTER [1988:146], FANTASIA [1988: 4 e.v.].
[14] Zoals eerder opgemerkt - zie noot 1 - geef ik de voorkeur aan zo 'zuiver', d.w.z. van zedelijkheid afgebakend begrip van moraliteit. Veel sociologen en historici opereren daarentegen met een samengesteld begrip waarin moraliteit (normatieve oriëntaties), zedelijkheid (traditionele oriëntaties) en sentimentaliteit (affectieve oriëntaties) versmelten tot een moeilijk te ontwarren amalgaam van 'waarden + gevoelens + zeden', die worden afgezet tegenover 'ideeën'. Zij willen daarmee tot uiting brengen dat moraliteit geen autonome regio van de menselijke rationaliteit is en niet onafhankelijk van het historisch proces ontstaat. De gemengde notie van 'morele sentimenten' van de historicus THOMPSON [1987:363] is hiervan een duidelijk voorbeeld. Moraliteit en sentimentaliteit liggen echter lang niet altijd in elkaars verlengde en vallen zeker niet altijd samen. Voor moraliteit en zedelijkheid geldt dit misschien wel in nog sterkere mate. In de conventionele ontwikkelingsfase van de maatschappij "had de moraliteit zich nog niet losgemaakt van de zedelijkheid ... en zich nog niet als moraliteit verzelfstandigd. De verplichtingen zijn nog zo sterk ingebed in concrete levensgewoontes, dat zij hun evidentie kunnen ontlenen aan achtergrondzekerheden. Vragen naar de rechtvaardigheid worden hier in de directe omgeving van de altijd al beantwoorde vraag van het goede leven gesteld" [HABERMAS 1984: 178]. Een scherp begrip van moraliteit kan pas in de postconventionele ontwikkelingsfase worden geformuleerd [vgl. HABERMAS 1985/9:78-109; 1988:40 e.v.]. Zowel vanuit dit sociaal-historisch ontwikkelingsperspectief als om theoriestrategische redenen geef de voorkeur aan een van zedelijkheid en solidariteit afgebakend begrip van moraliteit. De vruchtbaarheid daarvan kan uiteraard alleen in empirisch sociologisch en historisch onderzoek bewezen worden. Ik kan hier slechts proberen de theoriestrategische voordelen plausibel te maken.
[15] Beroepscodes voor artsen en advocaten zijn hiervan het meest bekend. Een minder bekende beroepscode is die van de management accountants. Het IMA (Institute of Managements Accountants) formuleerde de Standards of Ethical Conduct for Management Accountants. Daarin worden ethische gedragsregels geformuleerd ten aanzien van competentie, vertrouwelijkheid, integriteit en objectiviteit [HORNGREN/SUNDEM [1993:21]. Talloze beroepsgroepen zijn tegenwoordig bezig om gedragscodes op te stellen: gymnastiekleraren en vrachtrijders, rijschoolhouders en journalisten, soldaten en tolken, pastores en effectenhandelaren. Deze gedragscodes worden meestal opgesteld na een of ander schandaal: een leraar die zich aan een leerling vergrijpt, een notaris die zich verrijkt door misbruik van vertrouwelijke gegevens, een beroepsmilitair die vrouwen verkracht die hij geacht wordt te beschermen, een hoogleraar die zijn reputatie opvijzelt door middel van plagiaat enz. Gedragscodes spelen een belangrijke rol bij de constitutie van 'professies' en worden hoofdzakelijk ontworpen om de door de beroepsgroep gemonopoliseerde privileges te beschermen. Bij de analyse van de conventies in hft. VI: 4.1.1 wordt de betekenis en werking van deze gedragscodes besproken.
[16] Omdat Adam Smith meestal wordt aangeroepen als de grondlegger van de leer van de homo economicus is het in dit verband niet overbodig op te merken dat Smith zelf wel degelijk oog had voor de betekenis van morele gedragsregels in het economisch verkeer. "Those general rules of conduct, when they have been fixed in our mind by habitual reflection, are of great use in correcting misrepresentation of self-love concerning what is fit and proper to be done in our particular situation" [SMITH 1790:160].
[17] Zie voor een economische formulering van dit probleem: SCHELLING [1984b]. Zie voor een sociologische formulering: ETZIONI [1988:70]. Etzioni hanteert weliswaar een te eenvoudig dichotoom model waarin 'N/A factors' (normatieve & affectieve factoren) worden gecontrasteerd met 'L/E factors' (logische-empirische factoren), maar biedt door zijn inventieve en sensibele toepassing van dit model toch inzicht in meervoudige bepaaldheid en de tegenstrijdigheden van het economisch handelen. Zijn analyse van de conflictuele verhouding tussen morele en utilitaire preferenties behoort tot het beste wat er op dit gebied te lezen valt.
[18] Het is aan economen zoals BECKER [1976, 1981/91] en ZELIZER [1985] voorbehouden om bijv. ook het 'aanschaffen' van kinderen in te passen in een economisch kosten-batenmodel dat op de aanschaf van duurzame consumptiegoederen is gebaseerd. In hun 'new home economics' wordt niet alleen de deling van huishoudelijke taken tussen mannen en vrouwen, maar ook het krijgen van kinderen uitsluitend benaderd met een efficiëntie-criterium dat ontleend wordt aan de standaardeconomische vooronderstelling van het maximaliseren van huishoudelijk inkomn. Dit heeft een aantal verrassende resultaten opgeleverd, zoals het inzicht dat de toenemende vraag naar anticonceptiemiddelen eerder een gevolg is van de afnemende vraag naar kinderen dan omgekeerd. In een historisch exposé heeft Becker ook laten zien dat er een specifieke samenhang bestaat tussen de afnemende vraag naar kinderen en de toename van het inkomen: 'de effectieve prijs van kinderen' (in termen van andere niet aangeschafte goederen) stijgt wanneer het inkomen toeneemt. Ouders worden opgevat als utiliteitsmaximaliseerders. In hun utiliteitsfunctie wordt niet alleen het aantal kinderen opgenomen, maar ook de kwaliteit van elk kind (en wel zodanig dat kwaliteit en kwantiteit van kinderen elkaar partieel substitueren). Het gevolg hiervan is dat een verhoging van de prijs voor het krijgen en opvoeden van een kind (onafhankelijk van kwaliteit) leidt tot een substitutie van kwaliteit voor kwantiteit. Dat wil zeggen het aantal kinderen wordt verder gereduceerd en de kwaliteit van elk kind neemt toe (door grotere uitgaven voor onderwijs en training). Er vind dus een louter economisch gemotiveerde afweging plaats tussen kwantiteit en kwaliteit van kinderen. Deze afweging is zeer gevoeling voor de prijs per kind, d,w.z. van de kosten van het hebben en opvoeden van kinderen.
De keuze om al dan niet kinderen te nemen lijkt door deze economen slechts op een manier begrepen te kunnen worden: nl. door deze keuze te vergelijken met het kopen van duurzame consumptiegoederen resp. te reduceren tot een economische afweging ('trade-off') voor het kopen van andere goederen. De beslissing om een kind te nemen en de beslissing om een auto te kopen zijn echter totaal verschillend, juist omdat de er bij de eerste beslissing zwaarwegende morele overwegingen in het geding zijn. Men kan een auto kopen die volledig overeenkomt met de eigen voorkeuren m.b.t. prestatievermogen, grootte, kleur, assessoires en prestige. Als men een kind neemt spelen persoonlijke voorkeuren voor sekse, grootte, kleur van ogen en haar, fysieke en mentale gezondheid praktisch geen enkele rol (zolang men even abstraheert van de mogelijkheden van moderne genetische manipulatietechnieken). Als de gekochte auto mankementen vertoont, kan men bij de autodealer 'verhaal' halen (men krijgt niet voor niets 'garantie') en als de auto na een tijdje niet bevalt kan men hem inruilen of doorverkopen. Bij een kind ligt dit volstrekt anders, omdat aan het nemen van een kind voor de meeste mensen een levenslange morele verplichting verbonden is. Als de baby niet beantwoord aan de specifieke verwachtingen of een aantal mankementen vertoond, kan het niet meer worden teruggegeven (men krijgt geen enkele garantie). Als een kind vervelend gaat doen of niet meer in het eigen levenspatroon past dan kan het niet zomaar worden ingeruild en bestaan er grote morele en juridische blokkaders om het als 'tweedehands' kind door te verkopen. Om al deze redenen is de vergelijking tussen de aanschaf van duurzame consumptiegoederen en het nemen van een kind een misleidende metafoor - alleen in het gunstigste geval is het slechte poëzie.
[19] Om misverstanden te voorkomen legt ik nogmaals de nadruk op dat de empirische referenties in deze tekst slechts een illustratieve status hebben voor mijn theoretische stellingen - het zijn dus geen concluderende empirische bewijzen.
[20] Niet alleen de handel in slaven is verboden, maar ook de verkoop van jezelf als slaaf wordt uitgesloten. Dit laatste noemt OKUN [1975:20] "prohibitions on exchanges born of desperation."
[21] In burgerlijke maatschappijformaties worden de objecten van eigendom beperkt tot 'zaken'. Deze beperking werd door het liberalisme ingezet tegen feodale verhoudingen: tegen slavernij en lijfeigenschap (uitsluiting van eigendom van mensen) en vóór vrij en ongebonden privé-eigendom. Het andere leerstuk van het liberalisme was de radicale scheiding tussen 'egeindom' en 'heerschappij'. Deze werd ingezet tegen absolutistische verhoudingen: tégen de private toeëigening van politieke macht inabsolute monarchieën en vóór de verdediging van het publieke karakter van politieke rechten en ambten.
[22] In sommige landen, zoals de Verenigde Staten bestaat een levendige handel in bloed. In andere landen worden zijn commerciële bloedbanken verboden of wordt het ontstaan van 'bloedhandel' min of meer effectief ontmoedigd. Vgl. TITMUSS [1970].
[23] Zie voor een typering van de economische betekenis van aflaathandel: BENSCHOP [1988:168-70].
[24] De illegalisering van deze handel steunt op zwaarwegende morele gronden en werkt via strafdreiging die verbonden is met het positieve recht. Door deze dreiging zal men om strategische opportuniteitsredenen afzien van de inzet van geïllegaliseerde bronnen of men probeert deze wetten te ontduiken. In dit laatste geval zet men de geïllegaliseerde bronnen toch heimelijk in en maakt men er semi-officieel, inofficieel, of crimineel gebruik van [BADER/BENSCHOP 1988:170].
[25] Het klassieke voorbeeld van de betekenis van morele contexten voor het handelen van economische actoren is Weber's analyse van de werking van de protestantse ethiek. Zijn centrale stelling is dat religieus geloof een direct effect heeft op economische activiteiten van een sociale groep. Theologische leerstellingen schiepen een accuut gevoel van onzekerheid m.b.t. verlossing, waardoor de arbeidsgewoontes en het ascetisme van de parochianen werden geïntensiveerd. Dit puriteinse credo werd geseculariseerd naarmate de angst voor onzekerheid afnam en mensen meer vertrouwen kregen in het voorbestende samenvallen van deugd en succes. Vgl. WEBER [PE] en BENDIX [1956:202 e.v.].
[26] Vgl. vanuit algemeen sociologisch perspectief: PARSONS [1937], vanuit een economisch sociologisch perspectief: ETZIONI [1988:74 e.v. ], en vanuit een antropologisch perspectief: J. C. SCOTT [1985:198].
[27] ETZIONI [1988:74] wijst erop dat vooral in kleine ondernemingen vaak een slecht gedefinieerd, maar desalniettemin effectief gevoel bestaat dat men 'enige' verplichtingen heeft ten opzichte van loyale werknemers met een lange staat van dienst en dat men 'iets' voor hen 'hoort te' doen. Aan de verplichting kan worden voldaan door een groot aantal alternatieve handelingen die sterk in prijs verschillen. Wanneer er expliciete verplichtingen zijn, bestaat vaak het idee dat met 'meer' zou moeten doen. Ook in dat geval blijft echter diffuus wat 'meer' is of wanneer men 'meer dan zijn plicht' heeft gedaan.
[28] In zijn beroemde studie over het Hawthorne bedrijf heeft Elton Mayo al laten zien dat de norm van het arbeidscollectief een bepalende factor is voor de inspanning van de arbeiders. "The working group as a whole actually determined the output of individual workers by reference to a standard, predetermined but clearly stated, that represented the group's conception of a fair day's work. The standard was rarely, if ever, in accord with the standards of the efficiency engineers" [MAYO 1949: 70].
[29] Vgl. LOCKWOOD [1992:39 e.v., 51 e.v.] en in aansluiting daarop: BENSCHOP [1993: 12, 468 e.v.]
[30] "... to the extent that moral commitments enhance the resources that can be dedicated to economic activity rather than to supervision and verification, a higher level of morality increases productitivity and the GNP" [ETZIONI 1988:69].
[31] Zie voor de productiviteit beperkende invloed van 'snaaien' e.d.: DENISON [1979]. Ziekteverzuim en absenteïsme zijn de belangrijkste indicatoren van slechte arbeidskwaliteit.
[32] Dat personen of huishoudens niet of niet volledig de sociale zekerheidsprestatie(s) onvangen waar zij krachtens de wetgeving recht op hebben, heeft natuurlijk meerdere oorzaken. De oorzaken voor het niet-gebruik van sociale zekerheid liggen op het niveau van de sociale wetgeving (zoals complexiteit, grote regeldichtheid, het hanteren van van inkomens- of vermogenstoetsen, de vaagheid van begrippen), de uitvoering (vernederende behandeling, vermenging van hulp- en controlefuncties, gebrekkige communicatie met cliënten, hanteren van ingewikkelde formulieren, gebrekkige administratie) en op het niveau van de cliënten. Op cliëntniveau wordt niet-gebruik van sociale zekerheid o.a. bepaald door onbekendheid met het bestaan van de regeling, door onvoldoende kennis van de specifieke regelgeving, door problemen met het invullen van formulieren en met het verzamelen van de benodigde gegevens, door het niet de moeite waard vinden van de te verkrijgen uitkering of subsidie, en door de angst voor stigmatisering. Morele overwegingen en de angst voor stigmatisering zijn dus slechts twee elementen uit een hele serie van factoren die leiden tot niet-gebruik van sociale zekerheid.
Uit de spaarzame gegevens die op dit punt in Nederland voorhanden zijn, krijgt men in ieder geval de indruk dat niet-gebruik van sociale zekerheid een structureel en geen marginaal verschijnsel is. Representatieve cijfers bestaan er slechts voor de Wet Eenmalige Uitkering (niet-gebruik door zelfstandigen in 1982) en de Individuele huursubsidie. In beide gevallen is er sprake van verrassend hoge percentages van niet-gebruik: 43% respectievelijk 55%. Niet-gebruik komt waarschijnlijk bij elke sociale zekerheidsregeling in enigerlei mate voor [Van OORSCHOT/KLOKHUIS TANKE (1989) Niet-gebruik van sociale zekerheid]. De huidige praktijk om fraude te bestrijden door middel van gedetailleerde regelgeving en controle, verhoogt de drempels om van de betreffende regeling gebruik te maken. Hierdoor wordt immers niet alleen de regeling ingewikkelder, maar ontstaat ook een sterkere vermenging van hulp- en controlefuncties. Het sociale prestige van de uitkeringsgerechtigde wordt hierdoor negatief beïnvloed, waardoor de mogelijke angst voor stigmatisering wordt gestimuleerd.
[33] Zie in dit verband de nog steeds prachtige studie van BENDIX [1956] over de vroege fase van de industrialisatie in Engeland en Rusland.
| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|