| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|
|
|
III Arbeid Index V Integratie
|
In de transformationele analyse nemen belangen een centrale rol in: zij vormen de harde kern van de verklaring van het economisch handelen.[19] Ook James Coleman [1990:28 e.v. - Foundations of Social Theory] benadrukt de principiële rol van 'belang' in de sociologische theorie. Belangen fungeren als de drijvende kracht, net zoals utiliteiten in de neoklassieke economische theorie. In zijn formele model [idem: 775 e.v.] laat hij zien dat er een direct verband is tussen belang en utiliteit. Coleman definieert belang in termen van een specifieke utiliteitsfunctie welke in de economische theorie bekend staat als de Cobb-Douglas utiliteitsfunctie.[20]
Wat is een 'utiliteit'? Moderne economen verstaan onder utiliteit meestal de 'bevrediging' die consumenten ontlenen aan het gebruik/de consumptie van goederen of diensten.[21] Voor de onderbouwing van een transformationele benadering kan op dit punt echter beter worden aangeknoopt bij de inzichten van Max Weber. Zijn economische sociologie gaat er enerzijds van uit dat er 'een verlangen naar utiliteiten' bestaat en anderzijds dat er voorzieningen getroffen moeten worden om de middelen te verwerven die deze aan deze vraag voldoen. Daarmee ging Weber in tegen de gebruikelijke manier om economisch handelen af te bakenen, waarbij verondersteld werd dat het bij economisch handelen in laatste instantie altijd gaat om consumptieve behoeften en hun bevrediging. Met deze op zichzelf nog vage aanduiding van het doel van economisch handelen worden echter niet de moderne vormen van de kapitalistische economie gedekt.[22] In het kapitalistische economische stelsel gaat het immers niet alleen (en ook niet primair) om de bevrediging van consumptieve behoeften, maar om het feit "dat er utiliteiten worden begeerd" [WG:31].
Economisch handelen kan niet van andere handelingssoorten worden afgebakend door de specifieke doelen van de actoren (bijvoorbeeld materiële produktie). Utiliteiten zijn de specifieke en concrete - werkelijke of geïmagineerde - kansen voor actueel of toekomstig gebruik zoals deze door een of meer economische actoren worden gewaardeerd en tot object worden gemaakt van specifieke inspanningen en voorzieningen.[23] Het handelen van deze actoren is georiënteerd op de geschatte betekenis van dergelijke utiliteiten als middel voor doelen van hun economisch handelen [WG: 34]. Utiliteiten zijn dus de objecten van de begeerte van de actoren. Het zijn middelen die als schaars worden ervaren en die gebruikt kunnen worden voor niet nader gespecificeerde doelen. Omdat zij schaars zijn, worden zij gecultiveerd en gekoesterd - zij worden object van verzorging ('Fürsorge' noemt Weber dat). Onder deze categorie vallen niet alleen goederen en diensten, maar onder bepaalde omstandigheden ook sociale relaties, zoals klantenbinding.
Het utiliteitsbegrip van Weber heeft een vage connotatie met het begrip 'nut': men begeert wat op een of andere manier 'nuttig' is. Toch leidt dit niet tot een precisering van het begrip economisch handelen. Economisch handelen is een vorm van sociaal handelen welke zinmatig georiënteerd is op de schaarste van middelen voor alternatieve doelen. Utiliteiten zijn niets anders dan de schaarse middelen, waarvan de gebruiksmogelijkheden bij alternatieve (conflicterende of concurrerende) doelen worden afgewogen.
Het begrip utiliteiten omvat niet de concrete goederen, diensten of kansen, maar de subjectief gepercipieerde aanwendingsmogelijkheden van dergelijke goederen, diensten of kansen. Wanneer men om economische redenen een computer koopt, wordt deze strikt genomen niet als 'computer' begeerd. Begerenswaardig zijn de subjectief gewaardeerde of geïmagineerde gebruiksmogelijkheden, bijvoorbeeld als calculator, als tekstverwerker of als telecommunicatie medium.[24] Het zijn dus niet de intrinsieke eigenschappen van de objecten zelf, die hen tot utiliteiten maken. Objecten zijn niet als zodanig, maar alleen voor actoren nuttig. Weber's begrip van utiliteiten wordt dus radicaal gesubjectiveerd: over de objecten van het economisch handelen wordt alleen nog in relatie tot handelingsintenties gesproken. In de definitie van utiliteit wordt niet aangegeven wát er eigenlijk gebruikt wordt of kan worden. Wat het 'nut' is van bepaalde goederen of diensten kan niet buiten de individuele ervaringshorizon van de economische actoren worden vastgesteld. Objecten zijn utiliteiten wanneer zij subjectieve aanwendingsmogelijkheden hebben en wanneer subjectief wordt aangenomen dat zij schaars zijn. De implicatie hiervan is dat arbeid niet meer centraal staat: de produktie en dienstverlening wordt niet meer als fundamenteel element van het economisch handelen beschouwd, maar als onderdeel van inspanningen die het verlangen naar utiliteiten bevredigen ('der Fürsorge für einen Begehr nach Nutzleistungen').
Bentham, de grondlegger van het utilitarisme, veronderstelde dat utiliteiten eenvoudig kunnen worden opgeteld om het maximum aan geluk te vinden. Dit algemene principe vormde de basis voor de welvaartseconomieën van Pigou en Bergson. Voorwaarde voor interpersonele utiliteits- of nutsvergelijkingen is dat belangen van verschillende actoren op een of andere manier geaggregeerd moeten worden. Dit gaat in tegen de algemene maxime dat het nut van een goed voor een persoon niet direct vergeleken kan worden met het nut dat het voor een andere persoon heeft. Het is niet moeilijk om het nut dat een appel heeft voor een bepaalde actor te vergelijken met het nut dat een sinaasappel voor dezelfde actor heeft op basis van de preferentie die de actor voor de een heeft boven de ander. Het is echter niet mogelijk om het nut van een appel voor de ene actor te vergelijken met het nut dat het heeft voor een andere actor. De reden is simpel: er is geen gedrag via welke een dergelijke vergelijking gemaakt kan worden. Toch worden er in de praktijk telkens weer interpersonele vergelijkingen gemaakt.
De interpersoonlijke nutsvergelijkingen werden in de
jaren dertig al bekritiseerd door Lional Robbins [1935, 1938]. Volgens Robbins
zijn alle interpersoonlijke nutsvergelijkingen door en door normatief of
ethisch, en kunnen zij in ieder geval niet op wetenschappelijke gronden worden
gemaakt.
|
Collectieve belangen zijn belangen die individuen definiëren als belangen van hun collectief in onderscheid van hun individuele eigenbelangen en in tegenstelling tot de belangen van andere collectieven. Collectieve belangen ontstaan feitelijk slechts wanneer individuen zich bij de definitie van hun actuele eigenbelangen zodanig op een collectief oriënteren dat deze (i) prevaleren boven hun individuele belangen en (ii) in tegenstelling staan tot de belangen van andere collectieven. Collectieve belangen kunnen even reëel en empirisch handelingsmotiverend zijn als strikt individuele belangen. Collectieve belangen zijn echter alleen handelingsrelevant wanneer zij tegelijkertijd actuele belangen van individuen zijn en prevaleren boven andere belangen van dezelfde actoren. Ook collectieve belangen zijn dus altijd belangen van handelingsbekwame individuen (het zijn eigenbelangen die individuen als lid van een collectief definiëren). Een actueel collectief belang veronderstelt dat de leden van een bepaald collectief gelijksoortige wederzijdse gedragsverwachtingen hebben en impliceert tevens een tegenstrijdigheid ten opzichte van de gelijksoortige gedragsverwachtingen van de leden van een ander collectief.[27] De mate waarin economische actoren streven naar hun strikt individuele belangen (in onderscheid van hun collectieve belangen) kan voor bepaalde doeleinden, voor bepaalde mensen en onder bepaalde omstandigheden zeer gering zijn.
Ik wil dit kort verduidelijken aan de hand van het voorbeeld van de 'werknemersbelangen'. Het belang van werknemers bestaat als empirisch werkzaam collectief belang wanneer de individuele werknemers hun belangen zodanig definiëren dat deze prevaleren boven en/of in tegenstelling staan tot (1) hun individuele belangen, (2) de belangen van andere niet-formeel georganiseerde groepen of collectieven, en (3) de belangen van formele organisaties en instituties waartoe zij niet behoren.
|
1 Individuele belangen Loonarbeiders kunnen hun collectieve of gemeenschappelijke belangen zodanig definiëren dat deze prevaleren boven de strikt individuele belangen. Zij kunnen collectieve lotsverbetering stellen boven het najagen van een individuele carrière, zij kunnen collectieve loonsverhoging stellen boven individuele promotie. |
|
|
2a Belangen van andere groepen waartoe zij zelf behoren Loonarbeiders kunnen hun collectieve belangen zodanig definiëren dat deze prevaleren boven de belangen van hun eigen sociale klasse, boven de eigen sectorale, beroeps- of inkomensgroep, boven de belangen van hun eigen gezin, boven belangen van hun eigen geslachts-, kleur- of leeftijdsgroep, of boven die van hun eigen geloofs-, taal- of nationale gemeenschap. |
2b Belangen van klassen of groepen waartoe zij zelf niet behoren Loonarbeiders kunnen hun collectieve belangen zodanig definiëren dat zij niet alleen in tegenstelling staan tot de belangen van de ondernemers of kapitalistenklasse, van bepaalde klassefracties daarvan en van daarmee geassocieerde klassen, maar ook tot de belangen van andere sectorale, beroeps- of inkomensgroepen. Collectieve eigenbelangen prevaleren vaak ook boven de belangen van de andere sekse, van andere etnisch-culturele groepen, van andere naties (nationale minderheden) binnen de staat enzovoort. Een strategische definitie van het eigen klassebelang sluit dus zeker niet uit dat bijv. 'de belangen van de arbeidersklasse' op een volstrekt racistische of seksistische wijze worden gedefinieerd. [28] |
|
3a Belangen van formele organisaties en instellingen waartoe zij zelf behoren Collectieve belangen kunnen door loonarbeiders zodanig worden gedefinieerd dat zij in tegenstelling staan tot de belangen van de kapitalistische onderneming waartoe zij zelf behoren, of van hun 'eigen' kerk of staat. |
3a Belangen van formele organisaties en instellingen waartoe zij zelf
niet behoren Loonarbeiders die lid zijn van een bepaalde organisatie of instelling kunnen hun collectieve belangen zodanig definiëren dat zij in tegenstelling staan tot de belangen van andere ondernemingen, van andere kerken en van andere - vreemde of vijandige - staten. |
De hier gehanteerde definities van (individuele en collectieve) belangen impliceren een afbakening ten opzichte van benaderingen waarin wordt verondersteld dat er niet alleen particuliere, maar ook 'algemene belangen' bestaan. Belangen zijn echter altijd particuliere belangen. Een algemeen belang is in het meest gunstige geval een slechte metafoor voor een onomstreden menselijke behoefte, zoals het 'algemene belang' bij zuivere, niet-vervuilde lucht of bij het overleven van de mensheid.
Net als andere belangen zijn economische belangen positioneel bepaalde particuliere doelen. Economische belangen zijn belangen die geconstitueerd worden in en door de posities die actoren innemen in het geheel van de produktie-, distributie en ruilverhoudingen. Deze definitie van economische belangen kan met drie stellingen worden toegelicht.
2.3.1 Economisch handelen en doelrationaliteit
De rationele afweging van belangen strekt zich meestal niet uit tot de verschillende mogelijke doelen en
moet dus niet worden verward met doelrationaliteit. Economisch handelen
betekent in de praktijk altijd een afgewogen keuze tussen doelen. Deze
keuze is echter georiënteerd op de schaarste van middelen die voor
meerdere doelen beschikbaar zijn. Het bijzondere van de economische
oriëntatie is dat er rekening wordt gehouden met de schaarste van middelen
(dit in tegenstelling tot een louter technische oriëntatie). Economisch handelen
wordt dus gekenmerkt door reflectie over de relatieve schaarste van
middelen in relatie tot de totale behoefte [Weber WG 32, 34]. Schaarste
wordt daarbij niet naïef opgevat als een objectief natuurlijk gegeven,
maar veeleer geïnterpreteerd wordt als uitdrukking van sociale relaties
[Luhmann 1972]. Economisch handelen is alleen noodzakelijk wanneer de
beschikbare hoeveelheid utiliteiten (bronnen en beloningen) schaars is
respectievelijk als schaars wordt ervaren.[29]
Schaarste moet dus duidelijk worden onderscheiden van nood of
gebrek. Een actor handelt economisch wanneer voor een willekeurig
doel de middelen schaars lijken, zodat deze gedwongen is de middelen te
vermeerderen of bij bestaande middelen tussen alternatieve doelen te kiezen.
2.3.2 Graden van bewustheid en rationaliteit
In de algemene aanduiding van economisch handelen worden de graden van
bewustheid en rationaliteit opengelaten. Er wordt dus per sé
niet verondersteld dat economische actoren volledig bewust en rationeel
handelen. De mate van rationele calculatie kan voor bepaalde doeleinden, voor
bepaalde mensen en onder bepaalde omstandigheden zeer gering zijn. Dit geldt
natuurlijk tevens voor de informatie waarover economische actoren beschikken
wanneer zij bepaalde beslissingen nemen: zij beschikken in de regel niet over
volledige informatie en ook niet over gelijke informatie.[30] Kortom: economisch handelen moet niet worden
verward met rationeel economisch handelen in de strikte zin of sterke betekenis
van het woord 'rationeel'.
Het vermogen van mensen om complexe problemen te formuleren en op te lossen is beperkt. Beperkte rationaliteit refereert aan menselijk gedrag dat "intentioneel rationeel is, maar slechts op een beperkte wijze" [Simon 1961:xxiv].[31] Beperkte rationaliteit moet echter niet worden verward met nonrationaliteit of irrationaliteit.
De beperking van menselijke rationaliteit vloeit voort uit neurofysiologische en taallimieten.
Het cognitief vermogen is dus een schaarse bron. Zij is dat weliswaar niet voor de rationele homo economicus zoals deze in de neo-klassieke modellen figureert, maar wel voor mensen die in de huidige economische werkelijkheid leven. Voor deze laatsten ziet het er praktisch heel anders uit:
Wanneer mensen zich werkelijk zou gedragen volgens het standaardmodel van de neoklassieke leer en wij ons bij onze dagelijkse beslissingen alleen maar zouden laten leiden door die 'irrationele passie voor rationele calculatie' (J.M. Clark), dan zouden wij als ondernemer snel failliet gaan, als werknemer nooit een baan kunnen vinden, en als consument creperen van de honger.
Onzekerheid is van groot belang vanwege de beperkte menselijke capaciteit voor informatieverwerking [Simon 1945,1957]. Gezien deze onzekerheid kan de hypothese van een perfect geïnformeerde en perfect rationele beslisser - wat de fundamentele vereiste is van de ideale prestatie van markten - niet overeind gehouden worden.[34] Een toestand van onzekerheid is een type relatie tussen een actor en een beslissingscontext waarin het voor de actor per definitie logisch onmogelijk of te kostbaar is om een aantal logische operaties uit te voeren, zoals:
De markt is een vorm van regulatie van economische transacties. De markt vereist volledige transparantie in informatiestromen. Meer in het bijzonder is vereist dat prijzen alle informatie bieden die nodig is om een ruilbeslissing te nemen. Volgens Hayek [1945:525 e.v.] is het 'wonder' van het economisch systeem dat prijzen een voldoende statistiek vormen, zodat er geëconomiseerd wordt op beperkte rationaliteit.[36]Anders gezegd: het menselijke vermogen voor informatieverwerking is weliswaar beperkt, maar een marktsysteem kan de ruil besturen omdat (zo wordt althans verondersteld) economische kwantitatieve indicatoren (prijzen) alle attributen van goederen of diensten representeren die relevant zijn voor de betrokken partijen.
De markt faalt echter wanneer prijzen onbetrouwbare en ambigue informatie worden. Bovendien zijn nog andere voorwaarden waardoor markten niet in buurt komen van het model van volledige concurrentie. In de literatuur over marktfalen zijn deze voorwaarden uitvoerig geanalyseerd (de belangrijkste factoren die marktfalen veroorzaken werden al geanalyseerd door Bator 1958 en Marschak 1965). Afgezien van de factor van onzekerheid over de gevolgen van acties (als gevolg van onvoorspelbare contingenties en onbetrouwbaarheid of onbeschikbaarheid van prijsinformatie) kan marktfalen ook optreden door:
Voor de constructie van een realistische organisatietheorie is zinnig uit te
gaan van de vooronderstelling van beperkte rationaliteit. Hierdoor houdt men
voldoende afstand van de extreme rationaliteitspremisse van de neo-klassieke
economie, wordt men gedwongen om serieus rekening te houden met de fundamentele
onzekerheid bij (beslissingen over) economische transacties, en krijgt men veel
beter zich op de complexiteits- en onzekerheidreducerende functie van
organisaties. De transformationele economische sociologie gaat uit van de
inmiddels goed onderbouwde vooronderstelling dat rationaliteit principieel is
gelimiteerd en praktisch een continue variabele is. Economische actoren zijn
dus altijd in meer of mindere mate rationeel, afhankelijk van hun individuele
cognitieve vermogens, van de krachten die deze vermogens activeren, en van de
omgevingsomstandigheden die deze krachten stimuleren of belemmeren.[37]
Economisch handelen kan gedefinieerd worden als "een vreedzame uitoefening van beschikkingsmacht over bronnen welke primair georiënteerd is op economische doelen" [WG 31]. Economisch handelen wordt dus gekenmerkt door een min of meer bewuste, primaire oriëntatie op economische overwegingen, en door een vreedzame uitoefening van beschikkingsmacht over bronnen. Dit impliceert dat de term 'economisch handelen' niet van toepassing is op typen van sociaal handelen die mede, maar niet primair economisch gemotiveerd zijn, en ook niet op directe toeëigening van goederen en diensten door fysiek geweld en directe dwang van de andere partij door het dreigen met geweld.
Economisch georiënteerd handelen wordt gedefinieerd als handelen dat primair op andere doelen is gericht, maar bij het streven naar deze doelen rekening houdt met economische overwegingen en als handelen dat weliswaar primair gericht is op economische doelen, maar daarbij gebruik maakt van het middel van fysiek geweld. Alle typen van sociaal handelen kunnen economisch georiënteerd zijn. Ook militair handelen, zoals rooftochten en handelsoorlogen, is in de regel economisch georiënteerd, maar daarom is het nog geen economisch handelen.[39]
Rationeel economisch handelen wordt nog specifieker gedefinieerd als economisch handelen "dat doelrationeel, dus planmatig gericht is op economische doelen" [WG 31]. Het kenmerkende verschil tussen rationeel economisch handelen en het gewone economische handelen wordt door Weber aangeduid met de term 'doelrationeel of 'planmatig'.[40] Men kan zich echter - met Bader/Berger e.a. [1976:199] - afvragen of dit een juiste typering is. Economisch handelen dat op ervaren schaarste is georiënteerd, moet immers altijd tot op zekere hoogte planmatig zijn. De economische actor verkeert in een situatie waarin niet al zijn doelen gerealiseerd kunnen worden. Vanwege de schaarste van de middelen is de realisatie van meerdere doelen slechts alternatief mogelijk. De economische actor moet dus plannen welke specifieke doelen hij wil realiseren: handelen dat ongepland verloopt, is niet meer georiënteerd op ervaren schaarste. Economisch handelen is - ook voor Weber - altijd al rationeel economisch handelen. Het onderscheid tussen rationeel en gewoon economisch handelen is dus gradueel. Economisch handelen is voor Weber het paradigma voor rationeel handelen. De vraag is dus wat eigenlijk het verschil is tussen rationeel en economische handelen? We hebben gezien dat economisch handelen niet wordt afgebakend door specifieke doelen of specifieke objecten. Deze onduidelijkheid heeft in de ontwikkeling van de economische theorie tenslotte geleid tot de - hierboven bekritiseerde - opvatting dat economie niets anders is dan een zuivere, niet-ervaringswetenschappelijke theorie van rationeel handelen.[41]
Index
§ 3. Motivatie van economisch handelen
[20] De Cobb-Douglas utiliteitsfunctie gaat verder dan de aanname dat elke bron de eigenschap heeft om te gehoorzamen aan een afnemende marginale ratio van substitutie. De specifieke vooronderstelling luidt: de marginale ratio van substitutie van een bron is omgekeerd evenredig aan de hoeveelheid van de bron die men actueel heeft. De constante van proportionaliteit is het belang dat de actor heeft bij de bron. Wanneer belangen genormaliseerd zijn, representeren zij de fractie van de totale rijkdom van een individu welke gebruikt zal worden voor het verwerven en behouden van die bron. Bijvoorbeeld: stel dat een actor i begint met een bron waarin deze geen belang heeft, en er twee bronnen j en k zijn, waarin hij wel belang heeft (resp. xji en xki, waarbij xji + xki= 1.0). Volgens de Cobb-Douglas utiliteitsfunctie zal deze actor een fractie xji van zijn initiële bron besteden aan het verwerven van j en een fractie xki aan het verwerven vank.
[21] Binnen de economische traditie circuleren hiervan verschillende interpretaties. Hoewel utiliteit meestal wordt geïnterpreteerd in termen van welzijn ('well-being'), wordt zij ook wel geïnterpreteerd in termen van pleasure-pain, desire-fullfilment of choice (zoals uitgewerkt in de 'revealed preference' theorie).
[22] "Die Definition des 'Wirtschaftens' muß ... so gestaltet werden, daß sie die moderne Erwerbswirtschaft mit umfaßt, darf also ihrerseits zunächst nicht von 'Konsum-Bedürfnissen' und deren 'Befriedigung' ausgehen [WEBER WG:31].
[23] Weber gebruikt in dit verband de term 'Fürsorge' (Nederlands: 'verzorging'; Engels: 'provision') hetgeen zoveel betekent als het nemen van voorzorgsmaatregelen.
[24] Max Weber formuleerde deze gedachte als volgt: "'Gut' im Sinn von Nutzleistung im strengen Sprachgebrauch ist nicht das 'Pferd' oder etwa ein 'Eisenstab', sondern deren einzelne als begehrenswet geschätzte und geglaubte Verwendungsmöglichkeiten, z.B. als Zugkraft oder als Tragkraft, oder als was immer sonst" {WEBER WG 34].
[25] In aansluiting op ROBBINS [1939] heeft HAYEK [1944:67] er vanuit een volledig ander perspectief al op gewezen dat het naïef is om te geloven dat er 'zuiver economische doelen' bestaan die gescheiden zijn van de andere doelen van het leven. "The ultimate ends of the activities of reasonable beings are never economic. Strictly speaking there is no 'economic motive' but only economic factors conditioning our striving for other ends. What in ordinary language is misleadingly called the 'economic motive' means merely the desire for general opportunity, the desire for power to achieve unspecified ends".
[26] Het zijn de neoklassieke economen, de 'public choice' economen, de 'rational choice' sociologen en de organisatieanalysten die zich op Williamson's transactiekosten benadering oriënteren die het particularisme zondermeer identificeren met egoïsme. De verdienste van deze rationalistische utilitaristen is dat zij er (voor de zoveelste keer) op wijzen dat er in al het schijnbaar altruïstische gedrag van mensen een element van eigenbelang schuilgaat. Hun grote zwakte is dat zij geloven dat het individuele eigenbelang alles kan verklaren. Zie voor een kritisch onderzoek van de verschillende versies van 'ethisch egoïsme': WILLIAMS [1985:11 e.v. - Ethics and the Limits of Philosophy].
[27] Zie voor een analyse van de verhouding tussen individuele en collectieve belangen vanuit een klasse-optiek: BENSCHOP [1993:419e.v.] en algemener: BADER [1991:135,154 e.v.]. James Coleman is op dit punt nogal tegenstrijdig. Enerzijds definieert hij - zoals we hiervoor hebben gezien - belangen in termen van een specifieke utiliteitsfunctie. Deze utiliteitsfunctie wordt traditioneel economisch opgevat als een strikt individualistische functie. Het gevolg hiervan is dat het streven naar eigen belangen telkens weer abstract wordt geconfronteerd met de "identification of one's own interest with the fortunes of others, and identification with collectivities" [COLEMAN 1990:31]. In dit opzicht is zijn analyse slechts en reprise van de traditionele burgerlijke leerstuk van het menselijke egoïsme. Anderzijds beschouwt hij belangen juist als een schakel tussen individuele actoren ('natuurlijke personen') en corporatieve actoren [idem:509; vgl. 527 e.v., 553 e.v., 932 e.v.].
[28] Ondanks de vele zwaktes van Parkin's sociale sluitingstheorie is zijn behandeling van strategieën van duale sluiting van de kant van negatief geprivilegieerde groepen op dit punt empirisch en politiek zeer informatief. Hij laat o.a. zien hoe de georganiseerde arbeidersbeweging "usurpationary activities against employers and the state" combineerde met "exclusionary activities against other less organized groups of workers, including ethnic minorities and women" [PARKIN 1979:91]. Hij benadrukt enerzijds dat racisme, seksisme - en ook kolonialisme en imperialisme - in de arbeidersbeweging onderdeel zijn van een doelgerichte en op zichzelf doelrationele strategie van belangenbehartiging [idem: 97]. Hierdoor ontstaan effectieve barrières voor politiek-normatieve strategieën van klasse-eenheid. Deze tendens zal blijven bestaan zolang er nog groepen te vinden zijn die - om het eigenbelang te garanderen - uitgesloten kunnen worden van concurrentie om arbeidsplaatsen, beter betaalde banen enz. en zolang de tegenstelling tussen de heersende en onderdrukte klassen niet allesoverheersend wordt. Anderzijds maakt hij plausibel dat de negatief geprivilegieerde groepen in hun uitsluitingsstrategieën vaak aansluiten bij - oorspronkelijke of nog bestaande - discriminaties die politiek of door de staat zijn gesanctioneerd [idem:96]. Zie voor een historische analyse van de spanningsverhouding tussen klasse en etniciteit in de Amerikaanse arbeidersbeweging: SCHEFTER [1986]. Hij benadrukt dat klasse en etniciteit niet altijd tot exclusieve, elkaar beconcurrerende loyaliteiten leiden, maar dat zij elkaar vaak, vooral in het politieke leven, versterken.
[29] Niet elk doelrationeel of instrumenteel handelen is economisch handelen. Van economisch handelen is alleen sprake "wanneer de bevrediging van een behoefte of een complex van behoeften naar het oordeel van de actor afhangt van relatief schaarse bronnen en een beperkt aantal handelingsalternatieven, en wanneer deze toestand specifieke reacties oproept. Beslissend voor dit doelrationele handelen is daarbij natuurlijk het feit dat deze schaarste subjectief verondersteld is en dat het handelen daarop georiënteerd is" [WEBER WG: 199]. Men vind deze gedachte overigens ook al bij de grondleggers van de subjectieve waardetheorie: Menger, Jevons en Walras.
[30] Het standaard model van economisch gedrag is het algemene evenwichtsmodel van volledige concurrentie van Arrow-Debreu. Daarin wordt verondersteld dat informatie volledig en kostenloos is. In werkelijkheid is informatie echter nooit volledig noch kosteloos. "On the contrary, given the cost of information and the need for it, people typically make predictions about the behavior of the economy and the behavior of individuals based upon a limited nuber of easily observable characteristics" [AKERLOF 1984/93:24].
[31] "The capacity of the human mind for formulating and solving complex problems is very small compared with the size of the problems whose solution is required for objectively rational behavior in the real world" [SIMON 1957:198 - Models of Man]. 'Bounded rationality' refereert aan "the limits upon the ability of human beings to adapt optimally, or even satisfactorily, to complex environments" [SIMON 1991:132].
[32] Deze visie is verwant met die van MARCH/OLSON [1976], MINTZBERG [1973], ETZIONI [1988]. Zie voor een recente bijdrage over de relatie tussen beperkte rationaliteit en organisationeel leren: SIMON [1991].
[33] Dit is vergelijkbaar met het kopen van benzine. Wanneer ik bij een benzinestation benzine koop voor mijn auto is er niet veel complexiteit of onzekerheid. Het produkt is redelijk goed bekend, ik hoef me geen zorgen te maken over service achteraf, en de verkoper heeft geen informatie over mij nodig wanneer ik direct betaal. Om benzine te kopen hoef ik geen contract op te stellen en te ondertekenen.
[34] Zoals bekend wordt er in de neo-klassieke economie geopereerd met een maximaliserende oriëntatie. Dat is niet bezwaarlijk indien men alle relevante kosten zou kennen. Ondernemingen worden als produktiefuncties beschouwd, consumenten als consumptie- of utiliteitsfuncties. De allocatie van activiteit tussen alternatieve wijzen van organisatie wordt als een gegeven opgevat, en optimalisering is altijd en overal aanwezig.
[35] In de klassieke besluitvormingstheorie wordt uitgegaan van het model van de rationele mens. MARCH/ SIMON [1958-hft. 6] hebben laten zien dat er nogal wat bezwaren kleven aan dit model. Het belangrijkste bezwaar tegen dit model is dat het drie uitzonderlijk zware eisen stelt aan het besluitvormingsmechanisme: "(1) dat alle alternatieven in de keuzesituatie 'gegeven' zijn; (2) dat al de aan elk alternatief verbonden gevolgen bekend zijn...; (3) dat de rationele mens over een volledige nuttigheidsschaal (of kardinale functie) beschikt voor alle mogelijke reeksen gevolgen".
[36] De traditionele economische theorie benadrukt dat het prijssysteem een voldoende bron van informatie is. Volgens ARROW [1959:47] gaat dit wel op onder evenwichtsvoorwaarden, maar niet onder condities van onevenwichtigheid: dan staat er een premie op het verwerven van informatie uit andere bronnen dan de prijzen en kwantiteiten waartoe een onderneming direct toegang heeft.
[37] De neoklassieke auteurs hameren op de normatieve basis van het rationaliteitsbegrip: individuen 'moeten' rationeel zijn want zij 'moeten' in staat zijn om op volledig rationele wijze hun eigenbelang te articuleren. De neoklassieken gaat ervan uit dat men moet veronderstellen dat mensen rationeel zijn omdat men anders hun vrijheid ondermijnt. Wie twijfelt aan het vermogen van mensen om op rationele wijze hun eigenbelangen te definiëren, te articuleren en te behartigen, ontneemt hen volgens de neoklassieken automatisch het recht om zelf voor hun belangen op te komen en opent alle deuren voor het paternalisme, d.w.z. voor strategieën van politieke en pedagogische bevoogding. Mijn stelling is - net als bij ETZIONI [1988: 136 e.v.] en BADER [1991:146 e.v.] - dat men de beperkingen van de menselijke rationaliteit kan erkennen zonder te tornen aan individuele vrijheidsrechten, d.w.z. zonder afbreuk te doen aan de autonomie, mondigheid en aan de (definitieve) beslissing van actoren over hun eigen belangen. De notie van beperkte rationaliteit wordt pas paternalistisch wanneer de cognitieve en normatieve kritiek op de rationaliteit van subjectieve belangendefinities zodanig wordt misbruikt dat de actoren feitelijk of wettelijk worden verhinderd hun eigenbelangen zelf te formuleren en anderen (politici en/of pedagogen) in hun plaats gaan beslissen. Zie voor een kritische analyse van de rationaliteitsopvatting in de neoklassieke economie: ETZIONI [1988: 136 e.v.]. Hij gaat daarin o.a. uitvoerig in op de normatieve basis van het rationaliteitsbegrip.
[38] In de klassieke formulering van Lionel ROBBINS [1932/69:15]: "Economics is a science which studies human behavior as a relationship between [a given hierarchy of ] ends and scarce means which have alternative uses". BADER c.s. [1976:203 e.v.] hebben laten zien (a) dat deze objectbepaling van de economische theorie niet los staat van haar waardetheoretische grondslag (d.w.z. van de subjectieve waardetheorie en grensnutstheorie), en (b) dat ze ook niet direct geschikt is om een onderscheid te maken tussen economie en sociologie, voorzover deze laatste zich met economisch handelen bezighoudt.
[39] Vergelijk in dit verband Weber's onderscheid tussen (1) 'economische gebeurtenissen', (2) 'economisch relevante' verschijnselen en (3) 'economisch geconditioneerde verschijnselen'. Economische verschijnselen dekken hoofdzakelijk economische instituties. Economisch relevante verschijnselen zijn verschijnselen die niet economisch zijn, maar die belangrijke economische gevolgen hebben. Economisch geconditioneerde verschijnselen zijn niet-economische verschijnselen die door economische factoren worden beïnvloed [WEBER "'Objectiviteit' in de sociale wetenschappen" uit 1904].
[40] De meest typische maatregelen van rationeel economisch handelen zijn:
[41] In de neoklassieke theorieën wordt geopereerd met ideaaltypische modelconstructies van doelrationaliteit. De neoklassieke auteurs koesteren een rationalistische vooroordeel over de feitelijke dominantie van het rationele - van rationele nutscalculatie, maximaliserings- of optimaliseringsstrategieën enz. - voor het (economische) leven. Bekend is het onderscheid dat PARETO [1906/72] maakt tussen 'logische handelingen' en 'niet-logische handelingen'. Beide zijn het onderwerp van de sociale wetenschappen, maar het object van de economie zijn slechts "de logische, op grote schaal herhaalde handelingen, die mensen verrichten om dingen te verwerven die hun behoeften bevredigen".
| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|