| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|
|
|
III Arbeid Index V Integratie
|
Economisch handelen is een bijzondere vorm van sociaal handelen en is net als alle andere vormen van sociaal handelen meervoudig gestructureerd en gemotiveerd. Het streven naar economische doelen gaat meestal gepaard met het streven naar niet-economische doelen, zoals sociabiliteit, persoonlijke erkenning, sociaal prestige en macht.

1.1 Positie in arbeidsverhoudingen
Economisch handelen wordt
gestructureerd door de specifieke verdeling van de beschikkingsmacht over
economisch relevante bronnen en de hierdoor bepaalde ongelijke beloningen. Het
wordt dus primair bepaald door structuur van het economische systeem als geheel
van maatschappelijke arbeids-, distributie en ruilverhoudingen. Dit niveau van
handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de economische
systeemstructuur.
Posities in de economische systeemstructuur worden primair gedefinieerd door de mate van feitelijke beschikkingsmacht over economisch relevante bronnen en beloningen ('economische bezitsverhoudingen') en door de (hierdoor bepaalde) structurele kansen om substantiële meerarbeid van vreemde arbeidskrachten toe te eigenen ('economische toeëigeningsverhoudingen'). De basisintuïtie is simpel: gebrek aan beschikkingsmacht over materiële arbeidsvoorwaarden impliceert een dwang tot onzelfstandige arbeid (en daarmee de mogelijkheid om geëxploiteerde te worden), terwijl feitelijke beschikkingsmacht over materiële arbeidsvoorwaarden de kans op exploitatie impliceert, d.w.z. de mogelijkheid om substantiële meerarbeid aan vreemde arbeidskrachten te onttrekken en dus - vrijgesteld van de dwang tot arbeid - door uitbuiting in het eigen levensonderhoud te voorzien.[2]
Posities in de economische systeemstructuur worden echter mede gedefinieerd door de specifieke locaties in organisationele en interactionele arbeidsdelingen, dat wil zeggen door de structurele en verduurzaamde beschikkingsmacht over eliteposities in arbeidsorganisaties (als grondslag voor organisationele exploitatie en afhankelijkheid) en door controle over geïnstitutionaliseerde en tot op zekere hoogte geformaliseerde exclusieve posities in netwerken van persoonlijke interacties tussen economische actoren (als grondslag voor interactionele exploitatie en afhankelijkheid).[3]
De posities in het systeem van maatschappelijke arbeidsverhoudingen kunnen in eerste instantie zuiver structureel worden geanalyseerd zonder rekening te houden met de actoren die deze posities de arbeid- en toeëigeningsverhoudingen bekleden. Voor de identificatie van 'economische posities' is dit een te beperkt perspectief omdat daarbij zowel rekening gehouden moet worden met verschillen tussen mogelijke actoren als met de overlapping van verschillende arbeids- en toeëigeningsvormen.
1.2 Objectieve economische positie
Economisch handelen wordt gestructureerd door de objectieve posities die individuen of groepen innemen in de economische verhoudingen bevinden. Van objectieve economische posities is
pas sprake wanneer deze posities een zekere duurzaamheid en relatieve sociale
stabiliteit vertonen. De objectieve economische levensposities van individuen
of groepen worden op hun beurt gestructureerd door de ongelijke verdeling van
de beschikkingsmacht over economisch relevante bronnen en de hierdoor bepaalde
ongelijke beloningen. De positionele structuur van de economische verhoudingen
die hierdoor wordt vastgelegd is dus geen eerste verklaringsgrond waarachter
niet kan worden teruggegaan. Zij wordt immers zelf bepaald door de - in § 1.1
genoemde - economische systeemstructuur [vgl. Bader/Benschop 1988:64]. Dit
niveau van handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de
positionele structuur.
Objectieve economische posities omvatten niet alleen posities in de maatschappelijke arbeidsverhoudingen maar ook in de toeëigeningsverhoudingen. Zij omvatten niet alleen posities in de materiële produktie- of arbeidsverhoudingen, maar ook in de materiële consumptieverhoudingen, zoals in de woonsituatie. Zij omvatten bovendien niet alleen posities in de materiële produktie- en consumptieverhoudingen maar in alle maatschappelijke arbeidsverhoudingen, zoals in het onderwijs-, hulpverlenings-, rechts- en politieke systeem. Tenslotte gaat het bij objectieve economische posities niet alleen om ongelijkheid van directe bronnen (materiële arbeidsvoorwaarden, individuele prestatiekwalificaties, en vormen van coöperatie/leiding), maar ook om de ongelijkheid van beloningen.
Objectieve economische posities zijn dus het gecombineerde resultaat van de differentiële plaatsen die economische actoren innemen in de relatief gestabiliseerde structuur van

1.3 Sociale collectiviteiten
Economisch handelen wordt mede gestructureerd door de sociale collectiviteiten die ontstaan wanneer individuele of collectieve actoren min of meer duurzaam aan bepaalde
economische posities gebonden zijn. Wanneer individuen in staat zouden zijn om
naar believen van economische positie te wisselen en dus niet relatief duurzaam
aan een specifieke economische positie gebonden zouden zijn, zouden er geen
sociale collectiviteiten kunnen ontstaan die enige sociale cohesie of consistentie vertonen. Het ontstaan en voortbestaan van deze sociale collectiviteiten wordt primair bepaald doordat de mobiliteit tussen economische posities is geblokkeerd. Op deze wijze kunnen een groot aantal uiteenlopende sociale collectiviteiten of economische gemeenschappen ontstaan:
arbeidscollectieven, functionele en afdelingsgroepen, kwalificatie- en beroepsgroepen, inkomens- en vermogensgroepen, organisatie-interne elites en subalterne groepen, zelfstandige en loonafhankelijke groepen, sociale klassen en klassefracties, arbeidsmarktgroepen, selectieve associaties, prestigegroepen en ascriptieve groepen. Wanneer het behoren tot zo'n groep een minimum aan stabiliteit en duurzaamheid vertoont, ontstaan er tussen de leden van deze
groepen netwerken van sociale relaties ('sociale georganiseerdheid'). Dit niveau van handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de sociale of groepsstructuur.
1.4 Habitus en levensstijlen
Economisch handelen wordt mede
gestructureerd door de verschillen in habitus en levensstijlen. De habitus is
een specifieke combinatie van lichamelijke, pychische, normatieve en cognitieve
houdingen of disposities van individuen of groepen. De economische habitus
wordt gestructureerd door de (verschillen en ongelijkheden van de) objectieve
economische positie van de betreffende actoren. Deze structureert op haar beurt
de groepsspecifieke levenswijzen, handelingen en praktijken, evenals de
verschillende type van economisch bewustzijn. Dit niveau van
handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de
dispositionele structuur (ook wel het niveau van de 'alledaagse
cultuur' genoemd).
De economische habitus wordt niet alleen gestructureerd door de specifieke kenmerken van de economische verhoudingen, maar ook door culturele tradities, dat wil zeggen door de culturele erfenissen van specifieke (beroeps-, inkomens- enz.) groepen. De specifieke kenmerken van een economische positie worden in de habitus van de leden van een economische groep geïncorporeerd; de culturele tradities en historische ervaringen van een groep worden in de economische habitus gesubjectiveerd. De economische habitus is dus een samenstel van een belichaamde of ingelijfde economische structuur en een gesubjectiveerde groepscultuur.
Een eenmaal toegeëigende economisch habitus is weliswaar behoorlijk stabiel en onbuigzaam, maar blijft toch verbonden aan de specifieke economische structuur en is dus aan tijd en sociale ruimte verbonden. Daarom zal een habitustype op den duur toch veranderen wanneer zich in de hieraan ten grondslag liggende economische situatie belangrijke wijzingen voordoen. Deze 'structurering van onderaf' biedt echter zoveel speelruimte dat er zelfs hardnekkig kan worden vastgehouden aan een eenmaal verworven economische habitus wanneer de specifieke economische posities en situaties die deze habitus genereerde voor de betreffende individuen feitelijk een gepasseerd station zijn of in de maatschappij als geheel als verdwenen zijn.[5]
| Gehabitualiseerd gedrag is onbuigzamer en taaier dan niet-gehabitualiseerde gedragsvormen. Een sterk verzet tegen verandering (economen zouden zeggen: een onverwacht lage elasticiteit) is een indicatie van de hardnekkigheid die door habitualisering werd veroorzaakt. Een voorbeeld hiervan zijn de tot een vanzelfsprekende routine uitgekristalliseerde preferenties die bepalend zijn voor het alledaagse koopgedrag van consumenten. Wanneer zich in een bepaald land, een specifieke regio of binnen een bepaalde sociale klasse een habitueel verankerde voorkeur voor wijn in plaats van bier heeft ontwikkeld, laat deze preferentie zich niet zo snel veranderen. |
De economische habitus fungeert enerzijds als organisatieprincipe van sociaal-culturele levensstijlen en -praktijken, anderzijds fungeert hij als matrix voor actuele waarnemingen en ervaringen, bewegingen en emoties, duidingen en waarderingen van deze levensstijlen en -praktijken.
|
In onderzoek naar de voorwaarden van economisch handelen is het van belang dat de verschillende dimensies van habitus duidelijk worden onderscheiden, dat er een concreter zicht wordt verkregen op de aard van de disposities die hierdoor worden gestructureerd en dat het spectrum van elk van deze disposities wordt afbakend.
Lichamelijke habitus - lichaamshouding, lichamelijk gevoel, manieren van bewegen, van lijfelijke gewaarwording en ervaring.
Psychische habitus - diepverankerde en onbewuste
karakterstructuur, psychische disposities of houdingspatronen.[7]
Esthetische habitus - esthetische waarnemings- en
waarderingspatronen.
Cognitieve habitus - waarnemingspatronen,
denkhoudingen en duidingspatronen.
Normatieve habitus - normatieve duidings- en
oriëntatiepatronen. Taalhabitus - klassespecifieke taalpatronen, spreekstijlen.[13] De talige habitus structureert de omgang met de standaardtaal en het feitelijke taalgebruik, omlijnt de verschillende dialecten die door de leden van een sociale klasse waarschijnlijk gesproken zullen worden, en bepaalt de speelruimte voor hun actuele spreekstijlen. Het spectrum van taal- en spreekstijlen kan men laten beginnen bij een praktisch zwijgzame houding en een mompelende of hakkelende spreekstijl, die kenmerkend is voor situaties waarin een sociale klasse in vergaande mate gescheiden is van de taalmiddelen waarmee zij haar eigen ervaringen en belangen kan communiceren en articuleren. Deze geringe of grove taaluitrusting manifesteert zich niet alleen in taalarmoede, geringe taalvariëteit, lage verbaliseringsgraad, maar ook in een geringe lees- en schrijfvaardigheid (analfabetisme) en in het onvermogen om de standaardtaal actief te beheersen.[14] Via adaptatie aan de normen van het 'correcte' taalgebruik en assimilatie met de gestandaardiseerde taal komt een aangepaste, 'fatsoenlijke' taalhouding tot stand. Aan het andere einde van het spectrum staat een zelfbewuste en reflexieve taalhouding, die tot uiting komt in een kritische omgang met de beperkingen en mogelijkheden van de gestandaardiseerde dominante taal én subalterne dialecten en gerichte pogingen om posities op te bouwen in de strijd om de ideologische en utopische politieke talen.[15] |
De structurerende eigenschap van de economische of economisch gebonden habitus manifesteert zich in de organisatie van de sociaal-culturele praktijken en in hun waardering door een specifieke smaak. Hierdoor worden de handelings- en gedragspatronen van de verschillende afdelings- en beroepsgroepen, organisatie-interne elites en sociale klassen gesystematiseerd tot een bepaalde levensstijl. Eenvoudig gezegd: 'disposities scheppen gewoontes', of nog fraaier: 'habitus constitutes habits'. De habitus fungeert dus als een coördinerend centrum en de levensstijl is hiervan het uiterlijke tekensysteem. Levensstijlen en leefculturen zijn tekensystemen die uitdrukking geven aan feit dat men tot een bepaalde sociale groep of klasse behoort. De actoren (h)erkennen zich als lid van een specifieke sociale groep of klasse en baken zich tegelijkertijd af van andere groepen en sociale klassen.
In principe kunnen alle mogelijke produkten, gedrags- en denkwijzen worden gebruikt om deze distinctie- of prestigebehoefte te bevredigen. Luxe- en cultuurgoederen zijn echter bij uitstek geschikt om sociale bindingen uit te drukken. Het bezit of gebruik van luxe- en cultuurgoederen geeft aan dat men wil behoren bij een bepaalde afdeling, functiegroep, inkomens- of vermogenscategorie, elite of selectieve associatie, sociale klasse of klassefractie. Luxe- en cultuurgoederen hebben een groot distinctief vermogen dat bij elke toeëigening opnieuw wordt gereactiveerd. Meestal wordt verondersteld dat het bezit van dezelfde objecten of waren door verschillende groepen noodzakelijkerwijs een gelijksoortige levensstijl indiceert. Zoals bijvoorbeeld het bezit van een auto, ijskast of televisie een indicatie was voor de convergentie van levensstijlen van degenen die vroeger de geprivilegieerde bezitters van deze luxegoederen waren. Maar er moet ook rekening mee worden gehouden dat hetzelfde object of dezelfde gedragswijze in klassematig verschillende relaties figureert en daarom op uiteenlopende wijze cultureel gewaardeerd wordt. 'Positionele goederen' zijn goederen die in een specifieke sociaal-culturele conjunctuur bij uitstek fungeren als prestige-objecten: zij zijn prestigieus omdat en voorzover er een kunstmatige schaarste van aanbod bestaat welke in kapitalistische formaties wordt gereguleerd via de koopkrachtige vraag [Leiss 1983; Sobel 1982]. Relationele dynamiek van het veld komt tot stand door de introductie van nieuwe prestigegoederen of gedragswijzen of door de inflatie daarvan wanneer subalterne groepen de smaak van dominante groepen usurperen.
| Ondanks de economische recessie is er een snelgroeiende belangstelling voor badkamer- en sanitaire artikelen. De consumenten willen steeds meer wooncomfort en daarin past een hoogwaardige badkamercultuur. In 1994 werd er in Nederland bijna een miljard gulden uitgegeven aan sanitair (baden, douchebakken, closets, kranen en tegels). Niet alleen op de particuliere markt is er veel vraag naar sanitair, maar ook vanuit de kant van woningbouwcorporaties en projectontwikkelaars (voor huurwoningen, kantoorpanden e.d.). De omvang van deze zakelijke markt wordt geraamd op ongeveer een half miljard gulden. Branchedeskundigen gaan ervan uit dat de markt voor badkamerartikelen voorlopig met 5 à 10 procent per jaar blijft groeien. |
In analyses van de postmodernistische consumptiecultuur wordt uitvoerig aandacht besteed aan processen van stilering en esthetisering van het alledaagse leven. De postmodernistische 'depthless culture' (Jameson) wordt gekenmerkt door de volgende elementen.
1.5 Typen en graden van bewustzijn
Economisch handelen wordt mede bepaald door het subjectieve oriëntaties op en bewustzijn van economische verhoudingen. Handelingsoriëntaties en typen van bewustzijn omvatten niet alleen strategische, maar ook traditionele, affectieve en normatieve oriëntaties op objectieve levensposities [zie uitvoeriger § 3]. Deze oriëntaties worden gestructureerd door de objectieve economische positie, de habitus en de levensstijlen alsmede door de maatschappelijk heersende cognitieve en normatieve duidingspatronen. Handelingsoriëntaties zijn in meer of mindere mate bewust (voorbewust of onbewust). De verschillende graden
van bewustheid van economische belangentegenstellingen en ongelijkheden (collectieve identiteit, hervormend of revolutionerend conflictbewustzijn) zijn bepalend voor haar handelingsrelevantie. Dit niveau van handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de mentaliteitsstructuur.
1.6 Voorwaarden die de ontwikkeling van collectief bewustzijn en handelen
bepalen
Economisch handelen wordt dus in eerste instantie bepaald door de
verschillen en ongelijkheden in de systemische, positionele, sociale,
dispositionele en mentale structuren. Economisch handelen wordt dus in ieder
geval bepaald door:
Zoals gezegd kan het totale proces van economische handelingsstructurering methodisch-analytisch worden opgesplitst in zes op elkaar aansluitende en onderling nauw verbonden afzonderlijke structureringsprocessen. Ik heb daaraan eerder twee claims verbonden. De eerste claim was dat door deze specificatie van zes niveaus van handelingsstructurering (die elk afzonderlijk weer verder gedifferentieerd kunnen worden) betere - meer consistente en gedifferentieerde - economisch-sociologische theorieën ontworpen kunnen worden. De tweede claim was dat dit model van handelingsstructurering gebruikt kan worden om een aantal knelpunten in het empirische en historisch-vergelijkende onderzoek naar economische verhoudingen, processen en instituties op te lossen.
Om deze beide claims waar te maken moeten in de eerste plaats (a) de genoemde niveaus zo scherp mogelijk van elkaar worden afgebakend. Het voordeel van de transformationele benadering is dat het door de specificatie van de verschillende structureringsniveaus mogelijk wordt (b) het totale proces van structurering op te splitsen in een aantal mechanismen die vervolgens afzonderlijk onder de loupe genomen kunnen worden, terwijl het hierdoor tevens mogelijk wordt (c) de telkens specifieke resultaten van deze constitutieve mechanismen duidelijk van elkaar te onderscheiden:
In figuur 4.3 zijn de relaties tussen constitutieve processen, niveaus van handelingsstructurering en de hierdoor gegenereerde resultaten in beeld gebracht. @

§ 2. Economisch handelen
§ 3. Motivatie van economisch handelen
[2] Zie voor een uitvoeriger analyse van de relatie tussen bezits- en toeëigeningsverhoudingen en een kritische bepaling van het begrip 'meerarbeid': BENSCHOP [1993: 144 e.v., 182 e.v.].
[3] De kenmerken en werking van organisationele en interactionele afhankelijkheids- en exploitatieverhoudingen zijn uitvoeriger onderzocht in: BENSCHOP [1993: hft. VIII en IX].
[4] De manieren waarop mensen in verschillende maatschappelijke verbanden hun lichaam bewegen en gebaren maken, is een traditioneel aandachtsveld in de antropologie: Darwin, Boas, Mauss. Aan het eind van de jaren twintig heeft Sapir met zijn antropologisch-linguïstische aanpak de grondslag gelegd voor de latere structurele benadering van het gebruik van de fysieke ruimte. Antropologen hebben van diverse culturen de vormen van nonverbale communicatie in kaart gebracht. Zie voor cultureel-antropologische benaderingen: HALL [1959/81,1968,1976], BIRDWHISTELL [1952,1970,1978], en voor Nederlandse bijdragen: HOETINK [1962], VERRIPS/VERRRIPS [1990]. Zie voor een sociologisch-antropologische benadering: BOURDIEU [1979:84,193; 1989:115], voor een symbolisch-interactionistische benadering: GOFFMAN [1979], voor een historisch-sociologische benadering: ELIAS [1982: 179-232] en voor een sociaal-psychologische benadering: VRUGT/SCHABRACQ [1991].
[5] Deze informaties en boodschappen kunnen zeer gedifferentieerd zijn. Met lichaamshoudingen en -bewegingen kan bijv. informatie worden gegeven/ontvangen over de tijd en mentaliteit, over eigenschappen van personen en zaken, over gebeurtenissen en omstandigheden, over wensen en verlangens, over sociale relaties en seksuele intimiteiten.
[6] In studies over de cultuur van de arbeidersklasse is vaak aandacht besteed aan de cultus van masculiniteit. Bij de verklaring van dit verschijnsel moet rekening worden houden met een lange geschiedenis van de klassespecifiek gekleurde deling tussen hoofd- en handarbeid. In kapitalistische arbeidsverhoudingen is 'handarbeid' als zodanig weliswaar geen klassekenmerk, maar wel typerend voor het soort werk dat door een groot aantal leden van de arbeidersklasse wordt verricht. De masculine ethos was altijd het sterkst ontwikkeld bij delen van de arbeidersklasse die daadwerkelijk zware lichamelijke arbeid verrichten (havenwerkers, mijnarbeiders, bouwvakkers, metaalarbeiders e.d.). De fundamentele houdingen en waarden die met dergelijke banen zijn verbonden, zijn echter veel breder verspreid in de cultuur van de arbeidersklasse, en m.n. in de cultuur van de werkvloer. De hardheid van de klassenstructuur en vooral de restrictiviteit van de directe afhankelijkheidsrelaties binnen de arbeidsorganisatie zorgen ervoor dat loonarbeiders hun 'zachte' eigenschappen en gevoelens voor zichzelf houden. "Class ... makes it rational for men to keep their 'soft' feelings to themselves until they are very sure they won't be hurt; but in the long wait to be very sure, all sorts of opportunities for expressing affection - opportunities which to the outsider seem safe - may be lost" [SENNET/COBB 1973:219].
Verschillende auteurs hebben er op gewezen dat de opposities waarin de klassespecifieke (waardering van de) lichaamshexis worden uitgedrukt in essentie bijna volledig congruent zijn aan de taxonomie die georganiseerd wordt door seksespecifieke tegenstellingen [vgl. WILLIS 1977:45,52,148; BOURDIEU 1979; 1989:117 e.a.] In de dagelijkse praktijk is frequent en direct waarneembaar dat er een intiem verband bestaat tussen verbale en nonverbale uitingen van lichamelijke kracht (masculiniteit) en machismo (mannelijke waarden, stoerheid, hanerigheid enz.). Hetzelfde geldt voor het verband tussen gesymboliseerde/mentale kracht of emotionaliteit en vrouwelijkheid. Deze feitelijke fusie van klasse- en seksespecifieke mechanismen in de werking van de habitus is echter geen reden om het analytische verschil tussen beide structureringsmomenten uit het oog te verliezen. Vgl. DIELEMAN e.a. [1983], JANSEN [1990]. Zie voor de reproduktie van 'hegemoniale masculiniteit': CONNEL [1987].
[7] Vgl. in dit verband de analyses van psychische civilisatieprocessen in aansluiting bij ELIAS [1969, 1939/82] en de analyses van klassespecifieke karakterstructuren in aansluiting bij het psycho-marxisme van REICH [1933,1933a]. In zijn monumentale analyse van het civilisatieproces heeft Elias laten zien hoe het hele menselijke gevoelsleven(van de meest elementaire driftgevoelens, via de affectieve emoties tot aan het prestige- en schaamtegevoel) in en door de specifieke maatschappelijke verhoudingen ('figuraties') wordt gemodelleerd. Zie voor een recent overzicht van sociaal-psychologische studies: ARGYLE [1994].
[8] Zie voor een sensibele analyse van het resignatieve individuele levensperspectief in de arbeidersklasse als uiting van gesubjectiveerde, verinnerlijkte ervaring van gebrek aan kansen: ARGYRIS [1964:86-95], SENNET/COBB [1972]. Zie voor sociaal-psychologische studies: GROSKURT/VOLPERT [1975], GROSGURT [1979]. Zie voor het geïnternaliseerde kolonisme: NANDY [1983], FANON [1967].
[9] Om smaak te ontwikkelen moet men over vorming beschikken, en deze is op haar beurt afhankelijk van beschikbare vrije tijd, beschikkingsmacht over materiële goederen of geld. In burgerlijke maatschappijen worden specifieke individuen niet bij voorbaat van bepaalde consumptie- of genotsvormen uitgesloten. Zelfs de drastische ongelijke verdeling van vrije tijd, geld en onderwijskansen leiden in de regel niet tot directe uitsluiting. De uitsluiting werkt bemiddeld, via de toeëigening van een klassespecifieke habitus en de uiting daarvan in smaak. Zie voor een analyse van de culinaire smaak: FLANDRIN [1989].
[10] De grote verscheidenheid aan diëten en eetgewoonten zijn aanknopingspunten voor sociale distinctie en "de manieren van voedsel bereiden en de eetgewoonten [behoren] nog altijd tot de gedragswijzen waaraan leden van verschillende sociale klassen elkaar het eerst herkennen en op grond waarvan zij elkaar waarderen of verfoeien" [GOUDSBLOM 1992:54 e.v., in aansluiting op ELIAS 1969/82:120 e.v.].
[11] Dit geldt niet alleen voor esthetische waarderingen voor de 'hogere kunsten', maar wordt vooral ook zichtbaar op het gebied van de erotische stijlen, waar de heteronormaliteit leidt tot flikkerhaat en potenrammerij. Dat smaakverschillen tussen de sociale klassen tot enorme aversies ('classism') kunnen leiden, is niet alleen bekend uit de ongemeen kwaadaardige wijze waarop 'proleten' en 'bourgeois' elkaar over en weer bejegenen ('proletenhaat' en verafschuwing van het 'plebs' tegenover hartgrondige afkeer van 'alles wat naar burgerlijkheid ruikt'), maar ook uit de daarmee vervlochten geschiedenissen van intolerantie tegenover boeren ('boerenkinkels' of 'boerenpummels'), kleinburgers en intellectuelen. In Het boek van de lach en vergetelheid geeft Milan KUNDERA [1981] een onsterfelijke illustratie voor de laatste categorie: "Ze zei dat hij haar had genomen als een intellectueel. Het woord intellectueel was in het toenmalige politieke jargon een scheldwoord. Het sloeg op iemand die het leven niet begrijpt en die afgesneden is van het volk. Alle communisten die toen door andere communisten werden opgehangen, kregen dit scheldwoord toebedeeld. In tegenstelling tot hen die met beide benen op de grond stonden, zweefden ze, zei men, in de lucht. Daarom was het in zekere zin gerechtvaardigd dat hun tot straf de grond onder de voeten definitief werd ontnomen en dat zij een stukje daarboven bleven hangen. Maar wat bedoelde Zdena met haar beschuldiging dat hij als een intellectueel vrijde?"
[12] Zie voor studies over arbeidersbewustzijn waarin m.n. cognitieve waarnemingspatronen en denkhoudingen worden behandeld: LOCKWOOD [1966/75], BIERBAUM e.a. [1977], KUDERA [1979], ZOLL [1981], MARSHALL e.a. [1988]. Zie voor vergelijkbare studies over cognitieve oriëntaties van ondernemers: @@
[13] Bourdieu beschouwt taalhabitus niet als een apart type habitus, maar als een dimensie van de lichamelijke habitus. "Taal is een lichaamstechniek en de specifieke linguïstische, vooral de fonologische competentie is een dimensie van de lichaamshexis waarin iemands gehele relatie tot de sociale wereld tot uitdrukking komt. Dit betekent dat de voor een klasse typerende hexis een systematische verbuiging aanbrengt in het fonologische aspect van de taal via dat wat Pierre Guiraud 'articulatiestijl' noemt - een dimensie van het lichaamsschema dat een van de belangrijkste verbindingslijnen vormt tussen taal en sociale klasse. Zo is de articulatiestijl van de arbeidersklasse niet te scheiden van een algehele relatie tot het lichaam die wordt gedomineerd door afkerigheid van 'mooie manieren' en door een hoge waardering voor viriliteit" [BOURDIEU 1989:115]. Hij verwijst in dit verband naar het onderzoek van LABOV [1972:36-64] die de weerstand van de mannelijke leden van de arbeidersklasse in New York tegen de druk van de legitieme taal verklaart uit het feit dat zij hun eigen spreekwijze met de notie van mannelijkheid verbinden. Zie voor een kritische bespreking van de socio-linguïstische analyses van Bernstein (deficiet-hypothese) en Labov (differentiatie-hypothese): LENDERS e.a. [1976]. De samenhang tussen spreekwijze of articulatiestijl en lichaamshexis komt tot stand door de 'geprefereerde' vorm van de mondopening: deze is immers een onderdeel van het globale gebruik van de mond en daarmee de werkelijke basis van het 'accent' [vgl. BOURDIEU 1989:307 e.v.]. Ik heb geen enkel bezwaar tegen deze duidelijke accentuering van de samenhang tussen lichaamshexis en articulatiestijl - integendeel. Maar dit is m.i. geen voldoende reden om de taalhabitus niet als een aparte dimensie van habitus te onderscheiden (ook de esthetische habitus is bijvoorbeeld zeer nauw verbonden met de patronen van lichaamshouding en met de normatieve habitus).
[14] Een dialectspreker kan meestal wel de standaardtaal verstaan, maar niet produktief beheersen. Zo begrijpt een standaardtaalspreker uit de middenklasse vaak wel passief het dialect uit zijn directe geografische of sociale omgeving, maar beheerst deze niet actief. De positie van regionale dialecten werd vooral ondermijnd door de homogeniserende werking van nationale onderwijssystemen en de toegenomen geografische en arbeidsmobiliteit. De aanvaarding van een standaardtaal, het ABN werd bovendien gestimuleerd door de verbeterde mogelijkheden om over grotere afstand te communiceren (radio, televisie enz.), de militaire dienstplicht en door het ontstaan van landelijke organisaties (vakbonden en partijen, maar ook sportbonden, reisorganisaties enz.). Dezelfde factoren hebben bijgedragen aan de erosie van klassespecifieke sociale dialecten. Uit de taalatlassen van de dialectologen kan men opmaken dat de positie van de (sociale en regionale) dialecten sinds het laatste kwart van de vorige eeuw verder werden ondermijnd. "In steeds omvangrijkere gebieden en in steeds meer sociale lagen werd men zowel het dialect als de standaardtaal machtig (toestand van diglossie), terwijl het dialect steeds meer elementen en kenmerken van de standaardtaal ging overnemen" [KNIPPENBERG/ PATER 1988:174-5]. Dit betekent echter niet dat de regionale en sociale dialecten zijn gevaporiseerd [DAAN e.a. 1985]. Dialecten en standaardtaal worden in verschillende gesprekssituaties gehanteerd: het geografische en sociale dialect fungeert als informele 'thuistaal' (binnen gezin en vriendenkring, en onder buurt- en klassegenoten), het ABN fungeert als taal voor de meer formele maatschappelijke contacten (met ambtelijke instanties, met directeuren en chefs, met bestuurlijke autoriteiten). Met zou ook kunnen zeggen dat sociale dialecten floreren in interacties tussen sociaal gelijken, terwijl de standaardtaal fungeert als medium voor interacties tussen sociaal ongelijken (het is een gegeneraliseerd sociaal dialect van cultureel dominante klassen).
[15] Het onderzoek naar klassespecifieke taalpatronen en spreekstijlen in de arbeidersklasse heeft zich langs vier tot nu toe gescheiden lijnen ontwikkeld:
[16] Om dergelijke reducties te voorkomen zouden de dimensies waarin levensstijlen zich uiten duidelijk moeten worden onderscheiden. MÜLLER [198966 e.v.] maakt een bruikbaar onderscheid tussen vier dimensies: (1) het expressieve gedrag, dat zich manifesteert in vrijetijdsactiviteiten en consumptiepatronen; (2) het interactieve gedrag, dat direct tot uiting komt in vormen van gezelligheid en het huwelijksgedrag, en indirect in het gebruik van media; (3) het evaluatieve gedrag, de verschillende waarde-oriëntaties en houdingen die zich religieus uiten in kerkbinding en -traditie en politiek in stemgedrag; (4) het cognitieve gedrag, dat de zelfidentificatie, het behoren tot en de waarneming van de sociale wereld stuurt.
[17] In het onderzoek naar levensstijlen kunnen verschillende benaderingen worden onderscheiden. H.-P. MÜLLER [1989] maakt een onderscheid tussen: (1) waarden- en behoeftentypen (ontwikkelingspsychologische benadering), (2) consumptiepatronen (kwantitatieve sociaal-structurele benadering), (2) milieus (kwalitatieve leefwereld-benadering) en (4) smaakculturen (klassentheoretische benadering).
[18] De moderne jeugd(sub)culturen konden zich ontwikkelen door een ingrijpende herstructurering van de leeftijdsrelaties. De stijging van het welvaartsniveau, de wijzigingen in samenstelling van de arbeidskracht en de hierop geënte reorganisaties van het onderwijsstelsel hebben niet alleen de financiële autonomie van de jeugd binnen de gezinseconomie aanzienlijk vergroot en een zeer omvangrijke specifieke teenager- of jeugdmarkt doen ontstaan, maar hebben ook geleid tot de constructie van relatief autonome nieuwe vormen van jeugdculturen. De stilistische en symbolische repertoires van deze authentieke jeugdsubculturen worden uitgewerkt op het terrein van de klasseculturen. In de - vaak verhulde - sporen van deze klassebepaaldheid van de jeugdsubculturen manifesteert zich niet alleen de binding aan een specifieke klassecultuur, maar ook de mate waarin deze klassecultuur is geassimileerd door of ingesnoerd in een heersende of dominante cultuur. 'De cultuur' is immers altijd een geneste hiërarchie van diverse klassespecifieke culturen. Zie voor een overzicht en waardering van het jeugdcultuuronderzoek van het CCCS: Jeugdkulturen, Te Elfder Ure 35. Zie voor een analyse van jeugdculturen in Nederland: ABMA [1983].
| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|