Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

Naar een nieuwe economische sociologie

—Een transformationeel perspectief—

door: dr. Albert Benschop

X. Aan gene zijde van utilitarisme, rationalisme en individualisme

  1. Reducties van de koude leer van de hebzucht
  2. Strategische handelingsanalyse
  3. Tussen rationele belangencalculatie en moraal: de kok en de ober


Het hiervoor bekritiseerde neoklassieke paradigma heeft inmiddels niet alleen een sleutelrol verworven in de sociologie ('rational choice sociology' en ruiltheorie), de politieke wetenschappen ('public choice theory'),[1] het recht (zoals Posner 1977) en de geschiedenis (de nieuwe institutionalistische historici zoals North 1981), maar ook in de psychologie ('balanstheorie')[2] en de antropologie (waar zelfs ongeletterde primitieve stammen worden zo beschreven dat zij hun gedrag conformeren aan de wetten van de neoklassieke economie).[3] Een reden te meer om de kritieken op dit paradigma nog eens op een rijtje te zetten en de contouren van een alternatieve benadering aan te geven.

Index1. Reducties van de koude leer van de hebzucht

De neoklassieke economische concept van het eigenbelang is een 'koude leer van de hebzucht'. Zij bevat welbeschouwd een vijfvoudige reductie.

  1. Particularisme
    Sociaal handelen van mensen wordt gereduceerd tot strategisch of belangengericht handelen, d.w.z. handelen dat gericht is op handelingsdoelen die bepaald worden door behoeften die in tegenstelling tot de behoeften van andere actoren als eigen worden ervaren en gedefinieerd. Andere handelingsmotivaties en typen zoals traditionele, affectieve en normatieve oriëntaties worden theoretisch en vaak ook feitelijk miskend. Menselijke rationaliteit wordt gereduceerd tot strategische rationaliteit.[4]

  2. Economisme
    Strategisch of belangengericht handelen van mensen wordt gereduceerd tot economisch handelen. De homo economicus wordt gereduceerd tot een rationele maximaliseerder met vaste preferenties en de belangen die deze nastreeft zijn slechts economische (aan optimale allocatie van schaarse bronnen refererende) belangen. Strategische rationaliteit wordt gereduceerd tot economische rationaliteit.

  3. Grofmaterialisme
    Economisch handelen wordt gereduceerd tot louter calculerend handelen en de prikkels voor economisch handelen worden gereduceerd tot materiële of monetaire prikkels.[5] Economisch rationaliteit wordt gereduceerd tot monetaire rationaliteit.

  4. Individualisme/egoïsme
    Economisch handelen van individuen wordt gereduceerd tot louter individueel handelen, d.w.z. van het najagen van het louter individuele eigenbelang ('egoïsme', d.i. een specifieke vorm van particularisme dat slechts onder bepaalde maatschappelijke, organisationele en interactionele voorwaarden ontstaat en dominant wordt). Voor collectieve belangen van individuen is geen plaats. Economische rationaliteit wordt gereduceerd tot egoïstische rationaliteit.

  5. Opportunisme
    Het individualistische utilitarisme wordt bovendien vaak gereduceerd tot een zeer bijzondere vorm: het is een opportunisme variant van het egoïstische utilitarisme. 'Opportunisme' wordt gedefinieerd als het streven naar individueel eigenbelang waarbij ook list en bedrog een rol spelen. Opportunisme is 'self-interest seeking with guile' [Williamson 1985:255], het op slinkse of arglistige wijze najagen van het eigenbelang.[6] Het impliceert niet alleen zeer duidelijke vormen zoals liegen, stelen en bedriegen, maar ook meer subtiele vormen van misleiding. Opportunisme is meer dan het streven naar eigenbelang: opportunisme is de neiging om alle kansen te benutten om meer uit een ruil te slepen, zelfs wanneer de handelingen die hiervoor nodig zijn niet eerlijk of onethisch zijn. De centrale middelen van opportunisme zijn vertekening van informatie ('misleiding') en het doen van beloftes waarin men zelf niet gelooft ('bedrog'). Egoïstische rationaliteit wordt gereduceerd tot opportunistische rationaliteit.

Figuur 10·1 Trechtermodel: reducties van het rationalistisch utilitarisme



Het meest wezenlijke verschil tussen economie en sociologie betreft hun vooronderstellingen over de menselijke natuur. De beroemde homo economicus is een rationele, egoïstische, instrumentele maximaliseerder met vaste preferenties.

De homo sociologicus is veel moeilijker te definiëren.[7]

De homo economicus is iemand die altijd en onder alle omstandigheden zijn keuzes maakt op basis van zijn welbegrepen eigenbelang. Het probleem met deze opvatting is niet dat er zoveel nadruk wordt gelegd op het feit dat mensen hun eigen belangen nastreven en dat zij hierbij berekenend te werk gaan, dat wil zeggen dat zij hun beslissingen baseren op een meer of minder rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes. Het probleem is dat in deze opvatting wordt verondersteld dat mensen alleen maar rationeel handelen wanneer zij hun eigenbelang dienen met uitsluiting van al het andere.

Elke afwijking van het maximaliseren van het eigenbelang wordt daarom als irrationaliteit afgedaan. Universeel egoïsme wordt als definiërend kenmerk en voorwaarde van rationaliteit gezien. Dat is niet alleen absurde opvatting van rationaliteit, maar ook —zoals Amartya Sen benadrukt— een nogal contraproduktieve bewijsvoering. Eerst wordt maximalisering van eigenbelang gelijkgesteld met rationaliteit en vervolgens wordt actueel gedrag geïdentificeerd met rationeel gedrag. Dit is contraproduktief wanneer men een redelijk argument wil geven voor de vooronderstelling in het actueel gedrag de maximalisering van het eigenbelang primair is. Sen vergelijkt dit met een cavalerie aanval op een lamme ezel.

Hoe sterk is de vooronderstelling dat het maximaliseren van individueel eigenbelang het allesoverheersende of primaire kenmerk is van ons feitelijk handelen in economische kwesties?[8] Het is meer dan opvallend dat de aanhangers van deze standaardvooronderstelling in de economische theorie zich zo weinig hebben ingespannen om deze stelling te onderbouwen. George Stigler is hierop een uitzondering. Hij heeft een poging gedaan om de visie te verdedigen dat "we live in a world of reasonably well-informed people acting intelligently in pursuit of their self-interests" [Stigler 1991:190]. Voor de bewijsvoering beperkt hij zich echter tot de volgende voorspelling:

Stigler geeft toe dat het moeilijk is om de hypothese van de nutsmaximalisatie empirisch te toetsen. Volgens hem heeft dit niet zozeer te maken met de ambiguïteiten van deze hypothese, maar met het feit dat er geen geaccepteerd stelsel van ethische normen zou zijn waarvan de consistentie met de hypothse getest kan worden [idem:189 e.v.]. Waarom dit zo is, blijft het geheim van Stigler. Indien de definitie van 'the utility maximizing hypothesis' geen ambiguïteiten zou vertonen, is immers wel degelijk een toetsing mogelijk. Zo heeft Sen [1987/92:17] er terecht op gewezen dat het mogelijk is om de resultaten van die hypothese te toetsen ten opzichte van "directional departures towards the interests of others". Om de hypothese te toetsen is het bovendien helemaal niet nodig om ze te contrasteren met een specifiek geaccepteerd stelsel van ethische normen.

Stigler geeft niet aan op welke gronden hij zijn voorspelling baseert. Hij beweert slechts dat het overheersende geloof van economen is dat mensen zich feitelijk op een exclusief egoïstische wijze gedagen. In werkelijkheid zijn er eigenlijk geen serieuze empirische toetsingen van de nutsmaximaliserende hypothese, noch in de economie, noch in kwesties als huwelijksrelaties of religieus gedrag. Bezweringen van geloofsartikelen zijn er volop, maar empirische data zijn zeldzaam. De claim dat de theorie van het eigenbelang 'will win' is niet gebaseerd op empirische verificatie, maar op een speciaal soort theoretiseren. Het is een type theoretiseren dat moeilijk te onderscheiden is van het propageren van geloofsartikelen. Een voorbeeld uit Dennis Mueller's toespraak als voorzitter van de Public Choice Society: "And, I submit, the only assumption essential to a descriptive and predictive science of human behavior is egoïsm" [Mueller 1986:18]. Amen.

Index2. Strategische handelingsanalyse

Tegenover de rationalistische en individualistische utilitaire benaderingen kan op heuristische gronden tot een pleidooi worden gehouden voor een strategische handelingsanalyse. Ter verduidelijking van dit perspectief grijp ik terug op het eerder gemaakte onderscheid tussen traditionele, affectieve, strategische en normatieve handelingsoriëntaties. De feitelijke handelingen en handelingsoriëntaties van actoren in economische instituties zijn altijd complexe mengvormen van deze typen. Om de afstand met instrumentalistische benaderingen te vergroten, zou men kunnen opteren voor een benadering die uitgaat van de genoemde vier handelingsoriëntaties (en hun samenhang met handelingstypen en mechanismen van handelingscoördinatie). Toch zijn er goede inhoudelijke en methodologische redenen om dit niet te doen en uit te gaan van de strategische oriëntatie, strategisch handelen en van de hierdoor geconstitueerde belangensituatie.

Het grote voordeel hiervan is dat de aandacht geconcentreerd word op verschijnselen die anders te gemakkelijk ontsnappen aan de onkritische alledaagse en sociologische blik. Ten eerste kunnen strategische handelingsanalyses van economische instituties een nieuw licht werpen op de ongelijke beschikkingsmacht over produktieve en andere bronnen, en op de bewuste en onbewuste strategieën die leiden tot het ontstaan en de verandering van heersende waardepatronen, normen, culturen en leefwerelden. Ten tweede richten strategische handelingsanalyses de aandacht op de manier waarop culturele bronnen worden gebruikt in strategieën van particularistische belangenbehartiging en juist niet voor processen van consensusvorming.

Figuur 10·2 Strategische handelingsanalyse


De nadelen van benaderingen die uitgaan van op consensus georiënteerde handelingsmodellen zijn inmiddels goed bekend. Meestal wordt daarin veel te makkelijk en te snel een autonome ontwikkelingslogica en dynamiek toegekend aan waarden, normen, culturen en leefwerelden. Bovendien wordt over deze culturele aspecten veel te weinig in meervoud gesproken in termen van 'gedeelde' waarden, culturen enz., in plaats van over rivaliserende, concurrerende, dominerende en gedomineerde culturen en leefwerelden.
 

Coleman’s strategische handelingsmodel
Ook Coleman [1990:31] pleit op heuristische gronden voor een strategisch handelingsmodel. Aan het begin van zijn handelingstheorie staat actoren die niet alleen rationeel zijn (hoewel zonder perfecte intelligentie - p. 503], maar ook streven naar hun eigenbelang zonder zich door normen te laten hinderen. “I begin with norm-free, self-interested persons as elements of the theory”. Ook hij benadrukt dat men juist vanuit een strategisch handelingsperspectief een beter zicht krijgt op de problematiek van het ontstaan en reproduktie van normen, de aanhankelijkheid van mensen aan normen, de ontwikkeling van een morele code, de identificatie van het eigenbelang met het lot van anderen en de identificatie met collectiviteiten.
    “To begin with normative systems would preclude the construction of theory about how normative systems develop and are maintained. … To assume adherance to norms would impose a determinism that would reduce the theory to a description of automata, not persons engaged in voluntary action. To assume that persons come equipped with a moral code would exclude all processes of socialization from theoretical examination. And to assume altruism or unselfishness would prevent the construction of theory about how persons come to act on behalf of others or on behalf of a collectivity when it goes against their private interests” [idem:31-2].
De belangrijkste inhoudelijke zwakten van Coleman’s handelingstheorie zijn al de revue gepasseerd [→ V en VII § 6]. Voor een niet-reductionistische strategische handelingsanalyse is het van cruciale betekenis hoe eng of breed het door actoren nagestreefde eigenbelang wordt opgevat. We hebben eerder gezien dat Coleman het methodologische individualisme te ver doorvoert en daarom het streven naar collectieve belangen niet opvat als een vorm van het eigenbelang. Hij laat zich hierdoor verleiden het streven naar collectieve belangen die door actoren als eigenbelangen worden ervaren en gedefinieerd, buiten de strategische handelingsoptiek te plaatsen. Het streven naar het eigenbelang wordt verkort tot het streven naar strikt persoonlijke belangen. Daarom kan uiteindelijk het streven naar collectieve belangen niet anders worden gethematiseerd dan als (moreel/normatief gemotiveerd) onbaatzuchtig handelen (altruïsme). Men kan dus in ieder geval concluderen dat er verschillende varianten zijn van een strategische handelingsanalyse.

Voor het onderzoek naar economische instituties en organisaties lijkt het mij daarom het meest vruchtbaar uit te gaan van een strategische handelingsanalyse. Hiertegen is vaak het bezwaar aangevoerd (van Parsons 1937 tot Lockwood 1992) dat strategische handelingsanalyses onlosmakelijk verbonden (of zelfs identiek) zijn met rationalistische of utilitaristische vooroordelen. Dit bezwaar raakt weliswaar een groot deel van de 'mainstream economics', de transactiekosten-economen, de publieke-keuze politicologen, de rationeel-keuze sociologen, maar gaat zeker niet in het algemeen op. De belangrijkste kritiekpunten op het rationalistische utilitarisme zijn inmiddels bekend: de reductie van rationaliteit tot strategische rationaliteit; de theoretische en vaak ook feitelijke miskenning van traditionele, affectieve en normatieve oriëntaties; de grofmaterialistische reductie van de prikkels voor collectief handelen tot materiële of monetaire prikkels; en de egoïstische variant van het utilitarisme.

Een strategische handelingsanalyse is niet per definitie reductionistisch [Bader/ Benschop 1988:71].

  1. Handelingsoriëntaties en handelingen worden niet gefatsoeneerd naar het geïdealiseerde model van egoïstische strategische oriëntaties en handelingen. Een strategische handelingsanalyse is er juist op gericht de betekenis te laten zien van traditionele, affectieve en waarderende (normatieve) oriëntaties en motivaties in de strategische handelingscontext.[9] Een strategische handelingsanalyse hoeft dus niet te suggereren dat mensen altijd en overal uit zijn op de behartiging van hun eigen belangen en dat zij zich daarbij niet aantrekken van maatschappelijk dominante of subalterne gebruiken en zeden, solidariteiten, of legitimaties (normen en waarden). Ook traditionele zeden en gewoontes, emotionele solidariteiten, en morele verplichtingen en rechtvaardigheidsopvattingen zijn handelingsmotiverende en -veroorzakende factoren.

  2. Een strategische handelingsanalyse bevat geen rationalistische vooroordelen. Een volledig rationele en volledig bewuste oriëntatie - zoals verondersteld wordt in de neo-klassieke economie, speltheorie en de 'rational choice' theorie - is slechts een ideaaltypisch grensgeval.[10] In een strategische handelingsanalyse wordt sterk de nadruk gelegd op de beperktheid van menselijke rationaliteit, en op onvolledigheid en ongelijkheid van beschikbare informatie. Er hoeft ook niet te worden verondersteld dat traditionele, affectieve en waarderende oriëntaties uitsluitend integratief en conflictdempend werken. Een strategische handelingsanalyse van economische instituties gaat ervan uit dat conflicten juist ook bevorderd kunnen worden door 'strategisch irrationele' zeden, solidariteiten en legitimaties.
    Een strategische handelingsanalyse biedt zicht op de mogelijkheden om lokale theorieën van rationaliteit te construeren. Zo wordt het bijvoorbeeld mogelijk een theorie over rationaliteit in conventioneel handelen te construeren. Genormeerd gedrag wordt gestabiliseerd door de vrees van externe sancties die het voor een actor individueel rationeel maken om de norm te respecteren [Akerlof 1993:7o e.v.]. Men hoeft geen beroep te doen op 'interne variabelen' zoals gevoelens of rechtvaardigheidsopvattingen om te verklaren waarom mensen handelen tegen wat hun materiële eigenbelang lijkt te zijn: het is voldoende op te merken dat het alternatief nog slechter is. De tastbare kosten van het schenden van normen zijn in veel gevallen immers groter dan de tastbare kosten om ze te respecteren.

  3. In een strategische handelingsanalyse hoeven geen grofmaterialistische en egoïstisch-individualistische motieven te worden binnengesmokkeld. In strategisch handelen kunnen bijvoorbeeld ook heilsbelangen een rol spelen, evenals particularistische groeps- en collectieve belangen. Een strategische handelingsanalyse is dus niet noodzakelijk gebonden aan een ontologisch of methodologisch individualisme.
      De rationele keuzetheorie is gemodelleerd naar neoklassieke micro-economie en is dus exclusief geconcentreerd op het individu. Zij neemt individuen en identiteiten voor lief en is gebaseerd op de mythe van het individu als een elementair deeltje, als een vast gegeven. Individun zijn echter altijd ingebed in relaties, in series van interactionele, organisationele en maatschappelijke verbanden. En daarom: “Persons should be derived from, rather than being presupposed in, basic principles of social action” [White 1992:8, vgl. 298 e.v.].

  4. Strategische oriëntatie en strategisch handelen worden niet geontologiseerd, maar uitdrukkelijk gehanteerd als methodisch of heuristisch principe: het stategische handelingsmodel is geen voorspellende theorie. Elke totalisering en ontologisering van strategische oriëntatie is onverenigbaar met een rationeel onderbouwd normatief perspectief (en dus niet alleen met het mijne). Zoals gezegd wordt in een strategische handelingsanalyse niet uitgegaan van een ontologisch primaat van strategische oriëntaties en handelingen.[12] Er wordt dus niet verondersteld dat mensen hun keuzes altijd primair maken op basis van belangenoverwegingen. Er wordt evenmin uitgegaan van een ontologisch primaat van affectieve of normatieve oriëntaties en handelingen (zoals dit bij Etzioni gebeurt).
      Etzioni [1988] introduceert een nieuw beslissingsmodel waarin veronderstelt wordt “that people typically choose means largely on the basis of emotions and value judgements and only secondarily on the basis of locial-empirical considerations” [p. xi]. Zijn basisstelling is: “That people typically select means, not just goals, first and foremost on the basis of their values and emotions” [p. 4].
      Etzioni zet de neoklassieke leer dus direct op z’n kop: in plaats van het primaat van de rationele nutmaximaliseerder komt het primaat van de gevoelige en ethische mens. Dit primaat heeft mijns inziens echter dezelfde status als haar spiegelbeeld in de utilitaristische traditie: het is een geloofsartikel en mist derhalve elke empirische grondslag of bewijsvoering.

Index3. Tussen rationele belangencalculatie en moraal: de kok en de ober

Ter verduidelijking van de mogelijkheden en problemen van een strategische handelingsanalyse geef ik een eenvoudig voorbeeld. Stel er zijn twee mensen die samen een restaurant bezitten. De één werkt als kok in de keuken, de ander speelt ober in de bediening. Zij kunnen elkaar beide oplichten. Zij weten echter ook dat als ze daaraan beginnen, hun collega zich de volgende dag zal revancheren door hetzelfde te doen. Het gevolg hiervan is dat het restaurant failliet gaat. Het verlies van gemeenschappelijke toekomstige verdiensten dwingt hen elkaar vandaag niet te bedonderen. Deze uitkomst is niet zozeer het resultaat van gemeenschappelijk waarden (de moraal dat men collega's of medeëigenaren niet mag bedriegen), maar van een min of meer rationele en bewuste calculatie van het eigenbelang, waarbij zowel een afweging wordt gemaakt tussen het individuele en collectieve eigenbelang, als tussen korte- en lange-termijn belangen.

In de uitwerking van dit voorbeeld wordt niet uitgegaan van de vooronderstellingen zoals deze in de speltheorie en de 'rational choice' traditie worden gehanteerd. Ten eerste wordt niet verondersteld dat belangenafwegingen zich slechts uitstrekken tot het strikt individuele belang. In het gegeven voorbeeld zijn de actoren bij voorbaat sociaal gesitueerd en zijn daarom in staat hun eigen belangen als collectieve of gemeenschappelijke belangen te definiëren. Ten tweede wordt niet verondersteld dat de actoren het spel slechts één keer spelen en dat zij daarom bij de articulatie en realisatie van hun eigen belangen geen geheugen, en dus ook geen historisch besef of toekomstperspectief hebben. In het gegeven voorbeeld krijgen de actoren hun weer geheugen terug. Hierdoor zijn zij enerzijds in staat om van oude ervaringen te leren: bij de definitie van hun actuele ervaringen kunnen zij gebruik maken van ervaringen in het verleden. Anderzijds zijn zij mede hierdoor ook weer in staat om hun definities van het eigenbelang in een tijdsperspectief te plaatsen: zij kunnen een onderscheid maken tussen belangen op korte en op lange termijn, en zij maken weer min of meer rationele en bewuste afwegingen tussen hun perspectivisch gedefinieerde eigenbelang op lange termijn, en hun in de actuele verhoudingen gesitueerde eigenbelang op korte termijn. De actoren krijgen dus zowel hun historisch besef als hun anticipatievermogen weer terug.

Wanneer de zowel de kok als de ober uitsluitend hardgekookte opportunisten zouden zijn, dan zouden zij elkaar bij voorbaat van bedrog verdenken: zij zouden beiden vanaf de eerste dag tegenmaatregelen nemen door zelf de boel te bedriegen (beiden zijn uit op het 'first mover advantage'). En omdat zij aan het eind van de eerste dag van elkaar ontdekken dat de ander inderdaad de boel belazerd heeft, zullen zij dat beide volgende dag opnieuw doen. Zonder gemeenschappelijke waarden of moraal en zonder dwang van buitenaf, zouden zij elkaar steeds weer opnieuw belazeren. Het resultaat daarvan is zelfdestructie. Vanuit de individualistische en ahistorische vooronderstellingen van de 'rational choice'- en speltheorie kan dit zelfdestructieve proces alleen worden doorbroken wanneer betrokken actoren een gemeenschappelijke moraal aanvaarden of wanneer zij door dwang van buitenaf verplicht worden om meer rekening te houden met de belangen van anderen. De schadelijke gevolgen van de 'rationeel' calculerende egoïstische nutsmaximaliseerders moeten dus worden beteugeld door een specifieke combinatie van innerlijke overtuiging (fatsoensmoraal e.d.) en uiterlijke dwang (rechtsregels en juridische of politionele sancties).

We hebben gezien dat de verklaringsstrategie aanzienlijk verandert wanneer men de actoren toestaat om bij de definitie van hun eigen belangen afwegingen te maken tussen individuele en collectieve belangen en tussen korte- en lange-termijnbelangen. De kok en de ober kunnen hun restaurant in stand houden omdat zij beseffen dat zij een gezamenlijk belang hebben bij het realiseren van toekomstige winsten (resp. het voorkomen van toekomstige verliezen). Zij ervaren en definiëren dit economische doel elk afzonderlijk als hun eigenbelang. Het besef van dit gemeenschappelijke en perspectivische belang is op zichzelf al een voldoende motief om elkaar niet opportunistisch met list en bedrog tegemoet te treden. Hun louter strategische handelingsmotivatie is dus in eerste instantie krachtig genoeg om elkaar juist niet te belazeren. Door de duurzaamheid van hun werkrelatie zullen zij op basis daarvan waarschijnlijk ook gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen. Zij hebben er zelfs strategisch belang bij om elkaar fatsoenlijk en respectvol te bejegenen.

Dit voorbeeld illustreert dat het hanteren van rationalistische en utilitaristische vooronderstellingen een aanzienlijke blokkade vormen voor een nuchtere strategische handelingsanalyse. Door uit te gaan van een gereduceerde opvatting van het eigenbelang is men gedwongen om het streven naar collectieve belangen resp. naar perspectivisch gedefinieerde lange-termijn belangen buiten de strategische handelingsoptiek te plaatsen. Zij komen —zoals bij Coleman— alleen weer vertekend in het vizier onder de noemer van het normatief/moreel gemotiveerde onbaatzuchtige handelen. Het voorbeeld geeft bovendien een indruk van de mogelijkheden van een niet reductionistische handelingsanalyse.

Strategisch handelingsanalyse is geen toverwoord waarmee men in één klap alle complexiteiten en tegenstrijdigheden van het sociale handelen inzichtelijk kan maken. Het is wel een benadering waarmee men het meervoudig sociaal gestructureerde handelen van mensen en de institutionele contexten waarbinnen zij figureren, stapsgewijze kan ontcijferen.

Index


Noten

[1] Vgl. BUCHANAN/WAGNER [1977], BUCHANAN/TOLLISON [1972], DOWNS [1957], VISSER [1980], VAN DE DOEL [1978], DE GRAUWE [1986], SILK [1984], MISHRA [1985].
In de ‘public choice’ theorie worden vraagtekens gezet bij de mogelijkheid dat van overheidswege een anticyclische conjunctuurpolitiek ontworpen kan worden. Er wordt verondersteld dat politici en overheden op precies dezelfde manier besluiten nemen als zakenlieden en consumenten: in termen van het eigenbelang. De public choice aanhangers verklaren de groei van de overheidssector uit de concurrentie van politici en politieke partijen om de stemmen van de kiezer. Politici zijn geneigd om allerlei voordelen toe te kennen aan particuliere belangengroepen teneinde hun kiezersaanhang en daarmee hun eigen machtspositie te vergroten. Op korte termijn leidt dit voor elke groep afzonderlijk tot aanzienlijke voordelen en tot een verhoging van de overheidsuitgaven. Op langere termijn wordt de rekening gepresenteerd in de vorm van begrotingstekorten, toename van overheidsschuld, geldschepping en inflatie.
Het centrale probleem is dus niet zozeer 'market failure', maar 'government failure'. Een overheid die meer geld uitgeeft wordt hierdoor niet machtiger, maar veeleer een speelbal van pressiegroepen. De uitbreiding van de overheidsuitgaven wordt geïnterpreteerd als uiting van een verzwakte staat die niet meer in staat is om de druk van pressiegroepen te weerstaan. De politieke conclusie ligt voor de hand: "Government growth, government failure and government overload thus form an interveawing set of arguments in favour of a minimal state. Increasing state intervention in the ordening of economic and sociale affairs is neither necessary nor beneficial" [MISHRA 1985:41].

Eventueel samenvatting van vooronderstellingen van public choice, a la Etzioni, p. 57 e.v. Ook in AM-manuscript.

[2] In de balanstheorie worden groepsleden voorgesteld als individuen die voortdurend de kosten en baten van het lidmaatschap van de betreffende groep berekenen en afwegen. In de balanstheorie komen geen 'betrokken' of 'geïnvolveerde' leden meer voor, er zijn alleen nog maar op eigen voordeel berekenende individualisten. Zie vooral Fritz HEIDER [1958 -The Psycology of Interpersonal Relations], NEWCOMB [1961 - The Aquantance Process]. Ook GRANOVETTER [1973 - The Strength of Weak Ties] maakt gebruik van de psychologische balanstheorie. Zie voor een sociologische verklaring van balansmechanismen: DAVIS [1968548] en KRACKHARDT [1992].

[3] Vgl. SCHNEIDER [1974].

[4] De laatste jaren hebben ook economen meer gedifferentieerde modellen van sociaal handelen ontworpen waarin o.a. meer ruimte is voor coöperatieve handelingspatronen. Zo suggereren bijv. MAITAL/ MAITAL [1981] dat geschikte socialisatie of sanctioneringsmechnanismen ervoor kunnen zorgen dat coöperatie een effectieve lange-termijstrategie voor optimalisering is. SCHOTTER [1981] heeft laten zien dat gewoontes en zeden (customs & habits) een efficiëntere oplossing kunnen zijn voor sommige coördinatieproblemen dan de markt. En NORTH [1981] benadrukt dat gedeelde idealen een van de meest belangrijke mechanismes van coöperatie is dat kan helpen om het 'zwartrijdersprobleem' te overwinnen. Feministische historici - zoals WELTER [1973], COTT [1977], RYAN [1977] - hebben laten zien dat de ontwikkeling van idealen zoals 'manhood' of 'womanhood' een grote invloed hebben op zowel het huiselijke als het arbeidsleven van mensen.

[5] Onder een 'prikkel' (incentive) versta ik de geanticipeerde beloning van een handelingstraject dat een behoeftebevredigend potentieel biedt.

[6] Williamson beschouwt opportunisme als een fundamenteel kenmerk van menselijk handelen. "Economic man ... is thus a more subtle and devious creature than the usual self-interest seeking assumption reveals" [WILLIAMSON 1985:255]. Hij beroept zich hierbij op KNIGHT's [1922/72] analyse van 'moral hazard' (een technische variant van opportunisme); hij zag opportunisme als een endemische conditie waarmee economische organisaties rekening moeten houden. Verder refereert hij aan de analyses van opportunistisch strategisch handelen van GOFFMAN [1969] en SCHELLING [1960]. In mijn reconstructie van de transactiekostentheorie van Williamson heb ik uitvoerige kritiek geleverd op het opportunisme-theorema.

[7] Vgl. BADER/BENSCHOP [1988: 289 -noot 73] en BADER [1991: 28 e.v.]. Zie voor een uitvoerige analyse van het concept van 'rational economic man' en de opkomst van het kapitalisme: HUNG [1986], ELSTER [1979], HIRSCHMAN [1977]. Zie voor een analyse van de samenhang tussen de retoriek van het eigenbelang en 'the rethoric of gender': FALBRE/HARTMAN [1988]. Zij laten zien dat de karikatuur van de rationele economische man altijd zijn pendent heeft gehad in de karikatuur van de irrationele, niet-economische vrouw.

[8] De vraag is dus niet of mensen zich egoïstisch (als individuele nutsmaximaliseerders) gedragen, maar of zij zich onder alle omstandigheden en altijd slechts oriënteren op hun strikt individueel gedefinieerde eigenbelang. De cruciale vraag is dus of er een diversiteit van handelingsmotivaties bestaat, of dat mensen alleen door hun eigenbelang worden gedreven. Men kan het utilitarisme overigens ook vanuit een andere vraag attaqueren: stel dat mensen zich daadwerkelijk op exclusief egoïstische manier zouden gedragen, zouden zij er dan in slagen specifieke gewenste successen behalen, zoals een of andere vorm van efficiëntie?

[9] Een strategisch handelingsmodel (of theorie van rationaliteit) vertrekt vanuit pre-analytische noties over wat actoren in verschillende situaties zouden moeten doen wanneer zij er voor zichzelf het beste van willen maken. (Men kan dit vergelijken met Rawls startpunt voor de constructie van zijn theorie van rechtvaardigheid: we beginnen met intuïties over wat eerlijk of rechtvaardig zou zijn om te doen in specifieke gevallen.) De theorie zelf kan ons dwingen een aantal van onze intuïtieve oordelen te laten vallen of te modificeren, doordat zij ons helpt om overeenkomsten of verschillen te zien die ons anders niet waren opgevallen.

[10] De extreme cognitieve en informationele vooronderstellingen van dit normatieve model zijn uitvoerig bekritiseerd door Veit Bader. Hij wijst er terecht op dat in deze theorietradities veel te weinig aandacht wordt besteed aan de verschillende graden van rationaliteit en met name aan de betekenis van de traditionele en affectieve strategische oriëntatie voor empirisch-historische analyses en daarop gericht theorievorming [BADER 1991:61 e.v., 134].

[12] Vgl. DAWE [1978:404] over het vermeende analytische primaat van 'instrumentele' handelingsoriëntaties bij Weber.

Index

Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1996
Laatst gewijzigd: 05 January, 2017