Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

Naar een nieuwe economische sociologie

—Een transformationeel perspectief—

door: dr. Albert Benschop

IX. Marktperspectieven op organisaties

  1. Neo-klassieke economische organisatietheorie
  2. Het Walrasiaanse model
  3. Markten, vrijheid en sociale orde
    3·1 Hayek: een pilaarheilige van nieuw rechts
    3·2 Weber: vrijheid en dwang in de contractmaatschappij
    3·3 De arbeidskrachtenmarkt als voorbeeld
  4. Marktgerichte organisatietheorieën
  5. 4·1 Vooronderstellingen van marktmodellen
    4·2 Kritieken op marktgerichte benaderingen

1. Neo-klassieke economische organisatietheorie

De meeste economen die zich tot nu toe op het pad van de organisatiestudies hebben bewogen, gaan uit van neo-klassieke economische premissen. De gemeenschappelijke vooronderstellingen van de neo-klassieke economische organisatietheorieën kunnen in zes punten worden samengevat.

  1. Zij concentreren zich zeer sterk op het individu als eenheid van analyse, eerder dan op de groep, structuur, cultuur enzovoort. Het analytisch vertrekpunt is dus sterk individualistisch gekleurd.

  2. Het individu wordt opgevat als een rationeel wezen dat een enkele utiliteit maximaliseert, eerder dan als een gevoelig wezen met conflicterende doelen, vage waarden en persoonlijke bindingen aan anderen. Het nutsmaximaliserende individu maakt hoofdzakelijk afwegingen tussen geld en vrije tijd. De netto-utiliteit wordt gedefinieerd als beloningen (geld) minus inspanning.

  3. Er wordt uitgegaan van de vooronderstelling dat een arbeidsorganisatie/onderneming zich altijd toelegt op efficiency in de enge zin van het woord die de winst van de eigenaar maximaliseert, eerder dan op efficiëntie de bredere betekenis van welvaart van werknemers en gemeenschap, inclusief stabiliteit van werkgelegenheid en de conservering van natuurlijke bronnen.

  4. Er wordt aangenomen dat alle transacties en al het economisch handelen worden geregeerd door evenwichten en dat markten uiteindelijk in evenwicht komen zodat in de winstproductie een maximale efficiëntie overheerst.

  5. In het model van een perfecte markt wordt verondersteld dat transacties kosteloos en instantelijk zijn. Contracten zouden altijd in een uiterst korte tijdsperiode worden voltrokken: het ideaaltypische model van loco-contracten waarbij goederen tegen contanten worden verkocht en direct worden geleverd. Zie de omschrijving van het klassieke marktcontract in hoofdstuk II, § 6 van Transactiekosten in de Economische Sociologie.

  6. Er wordt aangenomen dat hoge winsten voor eigenaars een voldoende bewijs zijn voor efficiëntie en dat efficiëntie de maatschappij dient omdat bronnen niet worden verspild.
Deze zes geloofsartikelen —het zijn niet zomaar werkhypothesen— vormen de ratio van neoklassiek geïnspireerde economische benaderingen van economische organisaties. Hierbij wordt in sterke mate gesteund op het Walrasiaanse economische model.

Index2. Het Walrasiaanse model

Het Walrasiaanse model biedt een specifieke visie op ruilverhoudingen en economische instituties. Dit model is opgebouwd uit vier stellingen: (a) anonimiteit van de markt; (b) onverenigbaarheid van concurrerende markten en hiërarchie; (c) afwezigheid van substantiële hiërarchie, en (d) decentralisatie van effectieve macht aan consumenten.

  1. Anonimiteit van de markt
    Er wordt verondersteld dat de identiteit van de partner waarmee men ruilt irrelevant is en dat de claims die worden gedaan onaangevochten zijn. Transacties vinden plaats in “a veil of prices” [Bowles/Gintes 1991:173]. Deze vooronderstelling wordt vaak geïllustreerd met het voorbeeld van iemand die langs de weg fruit koopt bij een fruithandelaar.
      “I do not know the fruit salesman personally, and I have no particular interest in his well-being. He reciprocates this attitude … Yet the two of us are able to transact exchanges efficiently because both parties agree on the property rights relevant to them” [Buchanan 1975:17].

    De economische actoren zijn slechts geïnteresseerd in hun individuele eigenbelang (egoïsme) en zijn volstrekt onverschillig ten opzichte van de concrete menselijke kenmerken en eigenschappen van hun handelspartners (onpersoonlijk).

    “A market populated by such homines economic is an anonymous and impersonal place. Gone are the sentimental considerations and personal obligations that might dilute or confound the relentless logic of profit-seeking. Social relations are subordinated to the cash-nexus and become commodified and commercialized. The rational market appears to be a truly Hobbesian world” [Carruthers 1994:165].

    Onder ideale marktcondities (zoals homogene goederen, afdwingbare contracten, lage transactie-kosten, en goed geïnformeerde handelaren) treedt volgens Jevons [1931:90] de Law of Indifference in werking: degenen die op de markt kopen zouden onverschillig zijn t.o.v. de specifieke waren die zij aanschaffen en t.o.v. degenen van wie zij deze kopen. Economisch rationele actoren zouden alleen maar aandacht besteden aan kwantiteit en prijs en zouden alle andere kenmerken negeren.


    De ‘eerlijkheid’ van de markt bestaat hierin dat zij anoniem en in zekere zin blind is. Het oordelen zonder onderscheid des persoons goldt in de Klassieke Oudheid als een “attribuut van de god der gerechtigheid”. Zowel de concurrentie als de gerechtigheid strek het tot eer “dat zij zonder onderscheid des persoons oordelen” [Hayek 1944:76; vert. 1985:122].

    Friedman gaat daarin nog een stap verder. Aan de anonimiteit van het marktmechanisme verbindt hij de conclusie dat een dergelijk stelsel naar zijn aard politiek stabieler zal zijn omdat de mensen niet zo snel tegen een anoniem stelsel in verzet zullen komen.

      “Buurmans gras is altijd groener, dus wij geven de schuld aan het systeem. In een door de overheid geleide economie richt de afgunst en de onvrede zich op de politieke leiders. In de vrije markteconomie krijgt het marktmechanisme de schuld” [Friedman 1981:43]

    * Onverdiende pech
    Volgens Hayek zullen er altijd ongelijkheden blijven bestaan die onrechtvaardig lijken voor degenen die daaronder lijden. De teleurstellingen die daarvan het gevolg zijn worden als ‘onverdiend’ ervaren. Wanneer deze ongelijkheden optreden in een centraal geleid economisch systeem zullen mensen daarop heel andere reageren dan in een stelsel waarin zij niet het gevolg zijn van iemands bewuste keuze. “Inequality is undoubtedly more readily borne, and affects the dignity of the person much less, if it is determined by impersonal forces, than when it is due to design. In a competitive society it is no slight to a person, no offense to his dignity, to be told by any particular firm that it has no need for his servives, or that it cannot offer him a better job” [Hayek 1944:79].
    De neo-klassieken geven toe dat onder het stelsel van de vrije concurrentie de kansen niet voor ieder individu gelijk zijn (vanwege de particuliere eigendom en overerving). Toch menen zij dat dit stelsel het enige is, waarbij het succes van het individu uitsluitend van hem zelf afhangt en niet van de gunsten van de machthebbers.* Een stelsel van vrije concurrentie zal niet goed kunnen werken indien iedereen hetzelfde inkomen verdient. Dit betekent echter niet dat mensen geen gelijke kansen mogen hebben. Een marktsysteem werkt het best wanneer iedereen dezelfde kansen krijgt, wanneer er sprake is van volledige concurrentie. Gelijkheid in resultaat (in inkomen of maatschappelijke positie) is niet compatibel met het marktsysteem. De vraag is echter of het prijsmechanisme rechtvaardige en gelijke resultaten voor de burgers oplevert.

      “It depends on what you mean by equality. Equality before the law, certainly. Equality in material position is wholly impossible, because that would require a complete directed system. Freedom always produces inequality, and equality of a material kind can only be achieved by the abolition of freedom” [Hayek, in: Silk 1984:12].

    Particulier eigendom is en blijft in deze visie de belangrijkste garantie voor vrijheid, niet alleen voor de bezitters, maar “scarcely less for those who do not” [Hayek 1944: 78].

  2. Onverenigbaarheid van concurrerende markten en hiërarchie
    De anonimiteit van de markt zorgt ervoor dat concurrerende markten onverenigbaar zijn met discriminatie.
      “[A] free market separates economic efficiency from irrelevant characteristics … the puchaser of bread does not know whether it was made by a white man or a Negro, by a Christian or a Jew … A businessman … who expresses preferences in his business activity that are not related to productive efficiency … is in effect imposing higher costs on himself than are other individuals who do not have such preferences. Hence in a free market they will tend to drive him out” [Friedman 1962:109-110].

    In een Walrasiaans competitief evenwicht zou de kostenminimalisering ervoor zorgen dat discriminatie op basis van ras, geslacht, of andere ascriptieve kenmerken van overigens identieke actoren wordt uitgesloten. Van de kapitalistische concurrentie economie zou dus een principieel universalistische, anti-ascriptieve werking uitgaan.

      Ook Becker [1968, 1971] beschouwt discriminatie als irrationeel vanuit het standpunt van winstgevendheid. Wanneer werkgevers bijvoorbeeld weigeren om vrouwelijke werknemers in dienst te nemen, ook al zijn zij net zo productief als mannen, dan drukt dit de rentabiliteit. Rationele werkgewers zouden onverschillig moeten zijn voor het ‘ras’ of gelsacht van werknemers. Een rationele ondernemer maakt zich zorgen over de marginale productiviteit van de arbeid, en niet over de huidskleur, het geslacht of het geloof van zijn werknemers.

  3. Afwezigheid van substantiële hiërarchie
    Er wordt verondersteld dat elke vorm van substantiële hiërarchie afwezig is. Volgens Armen Alchian en Harold Demsetz heeft een onderneming
      “no power of fiat, no authority, no disciplinary action any different than the slightest degree from ordinary market contracting between any two people. I can ‘punish’ you only by withholding future business or by seeking redress in the courts for any failure to honor our exchange agreement. That is exactly all that any employer can do. He can fire or sue, just as I can fire my grocer by stopping purchases from him, or sue him for delivering faulty products” [Alchian/Demsetz 1972:777].

        In een latere publicatie is Demsetz [1988:145] op dit punt aanzienlijk kritischer. Hij neemt daarin afstand van het economische model van volledige concurrentie waarin gezagsverhoudingen geen rol spelen bij de coördinatie van bronnen. Hij onderkent het problematische gehalte van deze rationalisering van de economische functie van (management) gezag.

    In een Walrasiaans model wordt zelfs gesuggereerd dat het kapitaal zelfs geen formele macht over arbeid(ers) heeft. In zijn analyse van de inkomensverdeling in een kapitalistische economie merkte Paul Samuelson [1957:894] op: “in a perfectly competitive market it really doesn’t matter who hires whom: so let labor hire capital”. Grotere onzin is nauwelijks denkbaar.

  4. Decentralisatie van effectieve macht aan consumenten
    Het resultaat van deze overwegingen is dat de effectieve macht naar de consumenten wordt gedecentraliseerd. Deze stelling werd al door Joseph Schumpeter geformuleerd:

      “The people who direct business firms only execute what is prescribed for them by wants … Individuals have influence only in so far as they are consumers” [Schumpeter 1934:21].

    De consumenten zijn dus soeverein. In de modelwereld van de neoklassieke economen is geen plaats voor asymmetrische machtsverhoudingen, voor exploitatieve klassenrelaties en de economische actoren weten altijd wat het beste voor hen is — omdat zij gezegend zijn met ‘onbevlekt ontvangen’ preferenties. Het spreekt bijna vanzelf dat overheden daarin niet mogen interveniëren.

Ik zal hier niet de kritieken herhalen die er op deze stellingen naar voren zijn gebracht. Ik wil er slechts op wijzen dat er achter al deze stellingen van het Walrasiaanse model één centrale vooronderstelling schuil gaat, namelijk dat bij een competitief evenwicht de markten zich vereffenen (‘clearing’). De prijzen en het niveau van transacties zouden ervoor zorgen dat in elke markt een evenwicht ontstaat tussen vraag en aanbod. Evenwichtsprijzen worden gedefinieerd als prijzen die bestaan in een situatie waarin elke actor optimaliseert, gegeven de transacties van elke andere actor. In evenwichtssituaties zijn alle actoren zowel prijs-nemers die geen controle hebben over prijzen en kwantiteit-makers die elke hoeveelheid kunnen kopen of verkopen tegen de gangbare prijzen. Actoren hebben dus gelijke macht: geen macht over prijzen en volledige macht over kwantiteiten.

Welke gevolgen heeft dit model nu voor de opvatting van de moderne onderneming als organisatie? In de orthodoxe (neoklassieke) benadering worden ondernemingen beschreven als een productiefunctie waaraan een doel van winstmaximalisering kan worden toegeschreven. De allocatie tussen onderneming en markt (‘whether to make or buy’) wordt als een gegeven opgevat. De onderneming wordt dus beschouwd als een monade. Ondernemingen worden als holistische entiteiten opgevat. Dit betekent dat een onderneming wordt opgevat als een enkelvoudig verenigd geheel. In de standaard micro-economische theorie wordt feitelijk geen onderscheid gemaakt tussen de producenten (de arbeiders die werken voor loon) en de onderneming. Er wordt verondersteld dat ondernemingen één doel hebben. Meestal wordt verondersteld dat het doel is om de winsten of de waarde van de onderneming op de aandelenmarkt te maximaliseren. Bovendien wordt verondersteld dat iedereen over perfecte informatie beschikt. Iedereen weet alles wat relevant is voor besluitvorming over hoeveel en hoe te produceren (producenten) en hoeveel van wat te kopen van alle consumptiegoederen (consumenten).
 

Onderneming als productiefunctie
In de standaard micro-economie wordt de onderneming beschreven als een (economische of organisatorische) eenheid die een objectieve functie maximaliseert. De objectieve functie van een onderneming beschrijft het doel of de doelen die de onderneming nastreeft. Meestal is dit winst of de waarde van de onderneming op de aandelenmarkt. De objectieve functie kan alleen worden gemaximaliseerd binnen de grenzen die door de productiefunctie aan de onderneming zijn gesteld.

De productiefunctie beschrijft de relatie tussen een bepaalde combinatie van inputs en de maximale output die een onderneming met deze inputs kan produceren. Stel dat K de hoeveelheid kapitaal is, A de hoeveelheid arbeid, en G de hoeveelheid grondstoffen waarover een onderneming kan beschikken. K kan gemeten worden als het aantal machines, A als het aantal arbeidsuren per periode (aantal werknemers maal het aantal gewerkte uren per periode) en G als het volume of gewicht van grondstoffen. Stel dat Q de maximale kwantiteit van de output is die de onderneming kan produceren bij een gegeven combinatie van K, A en G. De relatie tussen Q en K, A en G als gegeven door Q = Q (K, A, G) wordt de productiefunctie genoemd.

De productiefunctie beschrijft hoeveel output geproduceerd kan worden met elke combinatie van inputs. Voor gegeven waarden van K en G, neemt Q in het algemeen toe wanneer A toeneemt. Voor een factor met een gegeven aantal machines en een gegeven hoeveelheid grondstoffen, kan de output dus worden verhoogd door meer arbeiders in te huren of door hen te laten overwerken. Op deze wijze kan de output echter niet oneindig worden verhoogd: een verdere stijging van de productie door het toevoegen van steeds meer arbeid wordt voorkomen door de hoeveelheid grondstoffen die per periode beschikbaar is of door de hoeveelheid kapitaalgoederen.

Om de voor de productie beschikbare inputs te verhogen of te verlagen is tijd nodig. Op korte termijn kunnen slechts bepaalde inputs worden gevarieerd; op lange termijn kunnen alle inputs worden gevarieerd. In veel gevallen is het relatief gemakkelijk om de hoeveelheid grondstoffen die de onderneming in een bepaalde periode koopt te variëren. Om een nieuwe fabriek te bouwen is meestal meer tijd nodig, en daarom kan men stellen dat K slechts op de lange termijn kan variëren. De variabiliteit van arbeid ligt daar ongeveer tussenin. Dit is afhankelijk van het gemak waarmee arbeiders kunnen worden aangenomen en ontslagen of gestimuleerd/gedwongen kunnen worden tot overwerk. Of het mogelijk is de hoeveelheid arbeid te variëren, is ook afhankelijk van het type arbeid. Het is in de regel gemakkelijker om ongeschoolde arbeiders op korte termijn in te huren of te ontslaan dan hoog gekwalificeerde arbeiders.

Er is dus een belangrijk onderscheid tussen inputfactoren die zowel op korte als lange termijn gevarieerd kunnen worden en inputfactoren die alleen op lange termijn gevarieerd kunnen worden. Met het onderscheid van deze twee soorten inputs kan de theorie verder worden ontwikkeld. Inputfactoren die op korte termijn gevarieerd kunnen worden, zal ik aanduiden als K, en inputfactoren die alleen op lange termijn gevarieerd kunnen worden met L (in het Engels wordt deze benoeming meestal omgekeerd). K staat dus voor alle inputfactoren die zowel op korte als lange termijn kunnen variëren, zoals grondstoffen en een bepaald deel van de arbeid, terwijl L staat voor alle inputs die alleen op lange termijn kunnen variëren, zoals kapitaalgoederen en andere soorten arbeid. De productiefunctie met twee inputs is Q = Q (K,L).

Index3. Markten, vrijheid en sociale orde

3·1 Hayek: een pilaarheilige van nieuw rechts
In het voetspoor van Max Weber gaan veel sociologen ervan uit dat organisaties noodzakelijk zijn. Vanuit een marginalistisch economisch perspectief hoeft de maatschappelijke orde echter niet te worden georganiseerd. Volgens Hayek is orde iets dat spontaan ontstaat, wanneer 'het wonder van de markt' niet wordt onderworpen aan externe interferentie. Organisaties —particuliere en publieke bureaucratieën— vernietigen de 'spontane orde' waarin markten voorzien [Hayek 1967]. Organisaties staan dus haaks op markten.

Hayek gaat niet uit van de noodzakelijkheid van organisatie, maar geeft de voorkeur aan decentralisatie en de-autorisatie van economisch handelen. Dit is erop gericht de spontane formatie van coalities te ondersteunen die worden aangegaan door vrij contracterende subjecten, die niet gehinderd worden door het gezag van enige organisatie.

De markt wordt dus als een bron van spontane orde opgevat. Het Hobbesiaanse mysterie (hoe komt het dat degenen die hun eigenbelang najagen dit niet voornamelijk doen door geweld en fraude?) wordt door de markt opgelost. Sociale orde komt tot stand door talloze vrije en onafhankelijke beslissingen om te kopen en verkopen op een vrije markt die gecoördineerd wordt door het prijsmechanisme. Dit effect zou door geen enkel systeem van centrale planning bereikt kunnen worden. Organisaties zijn dus een second-best alternatief voor markten (en 'eerlijke' markten worden door organisaties vernietigd).

In The Use of Knowledge in Society [1945] maakt Hayek een vergelijking tussen een marktsysteem en een centraal planningsgezag:

Een van de centrale problemen van economische coördinatie is inderdaad hoe er gebruik gemaakt wordt van verspreide kennis. Voor Hayek zijn er slechts twee manieren om kennis te communiceren en economische activiteiten te coördineren: middels geïndividualiseerde markten (prijsmechanisme) of middels gecentraliseerde planning (gezag).

De marktorde is gebaseerd op de vrije beslissingen van vele onverbonden individuen: zij worden met elkaar in relatie gebracht door beslissingen om te kopen en te verkopen. Deze beslissingen worden geëffectueerd door het prijsmechanisme.

Planning kan nooit de impliciete, stilzwijgende en gedifferentieerde basis van deze orde repliceren. Het is slechts een stap op The Road to Serfdom: Planning zal altijd falen omdat er geen almachtige actor kan bestaan die alle gegevens die noodzakelijk zijn voor beslissingen kan centraliseren. Dit is ook niet nodig: de markt doet immers alles doet wat een plan zou kunnen doen, alleen met minder inspanning en meer economisch. De orde die de markt schept, hoeft niet te worden bestuurd. Deze onbestuurde orde is het resultaat van de bekende 'verborgen hand' van de markt. Bovendien er is ook een morele orde in geïmpliceerd. Volgens Hayek [1960:62] heeft de vrijheid die de markt is "never worked without deeply ingrained moral beliefs … coercion can be reduced to a minimum only where individuals can be expected as a rule to conform voluntarily to certain principles".

Hayek formuleerde zijn meest geruchtmakende en invloedrijke bijdragen al in de jaren ’30 en ’40. In zijn meer recente bijdragen heeft hij zijn visie op een aantal punten geamendeerd, maar niet wezenlijk gewijzigd. Vergelijk hiervoor zijn boek The Fatal Conceit: The Errors of Socialism uit 1988.
Hayek is een van de meest vooraanstaande advocaten van de ‘vrijheid door de markt’ en een pilaarheilige van ‘nieuw rechts’. Natuurlijk keert hij zich niet tegen het bestaan van ondernemingsorganisatie als zodanig. Hij erkent dat organisaties doelgerichte systemen zijn, zeker waar het winstgerichte ondernemingen betreft. Alle andere doelen van een organisatie moeten rigoreus ondergeschikt worden gemaakt aan “the profitable use of the capital entrusted to the management by the stockholders". Dit is nodig om "the single aim” veilig te stellen van het verkrijgen van "the largest return in terms of lon-run profits". Zonder deze toewijding "the case for private enterprise breaks down" [Hayek 1967:300,313]. Organisaties zijn een product van het werk van de duivel omdat zij altijd geneigd zijn de ‘vrije markteconomie’ te vernietigen. Voor winstgerichte ondernemingen maakt Hayek echter een uitzondering. Die uitzondering wordt gebruikt voor een retorische verheerlijking van de zegeningen van het ongebreidelde liberalisme en van de zuiverheid van de markt als de meest heilige van alle instituties. Grote organisaties zijn toelaatbaar zolang elk aspect van hun functioneren ondergeschikt is aan de het marktprincipe van winst als een allesomvattend doel.

Het centrale concept van Hayek is ‘vrijheid’. Planning moet worden vermeden omdat het de vrijheid inperkt. De organisationele basis van de calculaties van de kapitalistische ondernemingen worden echter niet opgevat als een reductie van vrijheid. Werknemers die formeel-juridisch niet worden gehinderd om ontslag te nemen en die dus altijd op zoek kunnen gaan naar een andere baan zijn echter wel degelijk onderworpen aan ondernemersdwang. Hayek heeft geen oog voor het asymmetrische karakter van marktrelaties en van contracten. Hij is volledig blind het feit dat marktrelaties tussen loonarbeid en kapitaal tevens asymmetrische machts- en gezagsrelaties zijn. Van Max Weber zou hij hebben kunnen leren dat de uitbreiding van de contractvrijheid in een maatschappij gepaard kan gaan met de ontwikkeling van structureel autoritaire sociale relaties in de arbeidsverhoudingen. De blindheid voor dit probleem is geen idiosyncratische afwijking van Hayek - het is een specifieke kwaal waaraan praktisch alle traditionele marktbenaderingen van de organisatie-analyse leiden.

Index


3·2 Weber: vrijheid en dwang in de contractmaatschappij

De formele juridische gelijkheid in burgerlijke maatschappijen is het gecombineerde effect van de uitbreiding van de markteconomie en de bureaucratisering van de politieke instellingen. Hierdoor werden de feodale particuliere machten en de privileges van groepen die steunden op monopolistische posities afgebroken.

Max Weber [WG:419] belicht hiervan het tweeledige resultaat.

De politieke drijvende factoren achter deze ontwikkeling zijn de machtsbehoeften van de heersers en beambten van de zich versterkende staat. De economische drijvende factoren zijn de belangen van die segmenten van de maatschappij die gericht zijn op verwerving van marktmacht, d.w.z. personen die economisch zijn geprivilegieerd in de formeel vrije concurrentiestrijd van de markt, dank zij hun positie als eigenaren.

De juridisch geregelde relaties hebben zich ontwikkeld tot de ‘contractmaatschappij’ en het recht zelf tot de ‘contractvrijheid’, en in het bijzonder tot een systeem van vrije beschikking binnen gereglementeerde transactievormen. Deze ontwikkeling wordt meestal zo geïnterpreteerd dat dit een afname van gebondenheid en een toename van individualistische vrijheid betekent. Volgens Weber is deze opinie in zekere zin formeel correct. In het moderne recht zijn de mogelijkheden om contractuele relaties met anderen aan te gaan waarvan de inhoud volledig wordt bepaald door individuele overeenstemming, en de mogelijkheden om daarbij gebruik te maken van een toenemend aantal rechtsschema’s ten opzichte van het verleden immers enorm sterk uitgebreid. Dit geldt in ieder geval voor het gebied van het zakelijke goederenverkeer en voor de persoonlijke arbeids- en dienstrelaties.

De vraag is echter in hoeverre hierdoor nu ook in de praktijk de individuele vrijheid is toegenomen om invloed uit te oefenen op de voorwaarden van het eigen leven of in hoeverre desondanks en deels misschien juist in verband daarmee “de dwangmatige schematisering van de levenswijze” is toegenomen [Weber, WG:439]. Uit de ontwikkeling van de rechtsvormen alleen kan men dit in ieder geval niet aflezen.

Decentralisatie van het proces van rechtsschepping betekent niet dat de mate van dwang die in een rechtsgemeenschap wordt uitgeoefend automatisch afneemt. De toenemende betekenis van contractuele vrijheid en vooral van wetten die alles overlaten aan de ‘vrije’ overeenkomsten impliceert een reductie van het soort dwang dat voortvloeit uit gebods- en verbodsnormen. Voor Weber is het echter evident dat de voordelen hiervan toevallen aan degenen die economisch in staat zijn om van de volmachten gebruikt te maken.

De marktgemeenschap kent formeel geen directe dwang op basis van persoonlijk gezag. Een kapitalistische marktmaatschappij genereert een speciaal soort dwangsituatie die zonder enige discriminatie geldt voor zowel arbeiders als ondernemers, producenten als consumenten. Deze dwangsituatie bestaat in “de onpersoonlijke vorm van de onvermijdelijkheid zich aan te passen aan de zuivere economische ‘wetten’ van de markt” [idem]. De sancties bestaan in het verlies of de vermindering van economische macht en, onder bepaalde omstandigheden zelfs het verlies van de economische bestaansmogelijkheden als zodanig.

Weber ziet dus heel scherp wat Hayek en de meeste voorstanders van marktbenaderingen in de economische-sociologie juist ontgaat: marktrelaties en contracten hebben in kapitalistische georganiseerde arbeidssystemen in de regel een sterk asymmetrisch karakter, en dit geldt zeer in het bijzonder voor relaties en contracten op de arbeids(krachten)markt, waarin en waardoor ondernemers beschikkingsmacht verwerven over het arbeidsvermogen van ‘vrije’ arbeiders, d.w.z. van bezitslozen die geen objectieve productievoorwaaden controleren.

Index


3·3 De arbeidskrachtenmarkt als voorbeeld
In de ‘contractmaatschappij’ worden de traditionele persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen teruggedrongen en ontstaat een nieuw type formele persoonlijke vrijheid op basis van zakelijke afhankelijkheidsverhoudingen. De relaties op de arbeidsmarkt zijn hiervan het meest typerende en doorslaggevende voorbeeld. Voordat we overgaan tot een bespreking van marktgerichte organisatietheorieën, zal ik daarom eerst een korte typering geven van de arbeidsmarkt [zie voor een uitvoeriger analyse: Benschop 1994c - Arbeidskrachten tussen markt en macht].
  1. De term arbeidsmarkt is inmiddels sterk ingeburgerd, maar is strikt genomen ook nogal misleidend. Op de arbeidsmarkt wordt immers geen arbeid of een concrete arbeidsprestatie geruild, maar arbeidsvermogen. Wanneer een ondernemer een loonarbeider aanstelt dan koopt of liever gezegd huurt hij de dispositie over zijn arbeidsvermogen, d.w.z. hij verwerft voor een bepaalde periode het commando over deze arbeider. Ondanks de contractuele vorm moet de loonarbeider dus in een gezagsverhouding treden. Gedurende zijn gehele arbeidstijd staat de loonarbeider —wat hij ook doet— onder het gezag van de ondernemer.
      Gezagsverhoudingen zijn specifiek geformaliseerde en gestabiliseerde machtsverhoudingen [Bader/Benschop 1988:223]. De samenhang tussen arbeids- en gezagsverhouding werd door diverse auteurs uitgewerkt. Met betrekking tot de kapitalistische arbeidswijze sprak Adam Smith van “command over labour’, Marx van ‘Disposition über Arbeitsvermögen’ en ‘Autorität des Kapitalisten’ [MEW 23:377; Resultate: 19; Grundrisse: 165] en Weber van ֹautoritäre Befehlsgewalt’, ‘Unterwerfung unter eine Herrschaft’ en ‘Untertanenbeziehung’ [WG: 123, 388, 439 e.v., 543]. Vgl. Renner [1926/65:88]. Zie voor de controverse over het criterium van ‘command over labour’: Meek [1973:60 e.v.], Korver [1989:3,289 e.v. en boekuitgave 1990:1,173].

  2. De ondernemer verwerft beschikkingsmacht over het arbeidsvermogen van de betreffende loonarbeiders. De beschikkingsmacht van ondernemers over vreemde arbeidskracht is in meerdere opzichten (sociaal, temporeel en lokaal) begrensd. De rechten of bevoegdheden die een ondernemer verwerft zijn dus niet vollledig of absoluut, maar gedifferentieerd, gedelegeerd en gelimiteerd.

    1. Gedifferentieerd.
      “Arbeidsvermogen en arbeidsprestatie blijven altijd gekoppeld; ze kunnen niet van de persoon, de mens, gescheiden worden” [Junggeburt 1989:77]. Vgl. Mollemans/Proos [1983:10], Stroosnijder [1983:12].
      De beschikkingsmacht over vreemde arbeidskrachten is gedifferentieerd omdat de werkenden beschikken over de eigen persoon (zij zijn formeel vrij en gelijk en leven niet in slavernij of in horige verhoudingen of in lijfeigenschap) en over de eigen arbeidskracht (maar niet over de benodigde materiële bronnen). Daarom worden zij gedwongen het gebruiksrecht over de eigen arbeidskracht te verhuren aan feitelijke of juridische eigenaars van de vereiste materiële arbeidsvoorwaarden. In ruilrelaties die zij daarvoor in distributieprocessen aangaan, treden zij op als formeel vrije en gelijke individuen. In de directe arbeidsprocessen zelf fungeren zij echter als afhankelijke en ongelijke individuen: zij treden in ondergeschikte posities van gezagsrelaties.

    2. Gedelegeerd.
      In de formele beslissingshiërarchie bezetten loonarbeiders ondergeschikte posites en moet zij opdrachten uitvoeren en bevelen van superieuren gehoorzamen. De ondernemers kunnen hun dispositierecht over ingehuurde arbeidskrachten zelf uitoefenen of deze delegeren naar een bijzondere categorie van leidinggevende personeelsleden (managers, chefs, bazen).

    3. Gelimiteerd.
      Het dispositie- en gebruiksrecht van ondernemers over vreemde arbeidskracht wordt op verschillende manieren beperkt. Formeel-juridisch wordt het gezag van de ondernemer slechts beperkt door het arbeidscontract en door het overheidswetten. In arbeidscontracten worden afspraken vastgelegd over de gezagsverhouding, de vaste beloning, een vast omschreven arbeidstermijn en een verplichting tot arbeid of dienstverlening. In wettelijke regelingen worden de randvoorwaarden van arbeidscontracten vastgelegd, zoals bijvoorbeeld de maximale werktijden (lengte van de arbeidsdag), de minimale vacantiedagen, de minimale beloning (minimumloon, uitkeringen), veiligheids- en gezondheidscondities, en de minimale inspraakrechten van werknemers. De feitelijke limitatie van het gezag van de kapitalist is primair afhankelijk van de tegenmacht die zijn producenten weten te organiseren. Zowel de mate als de duur van beschikkingsmacht over vreemde arbeidskrachten zijn dus contractueel, wettelijk en feitelijke beperkt. De arbeidsmarkt wordt geïnstitutionaliseerd en gereproduceerd door wettelijke en contractuele regelingen. De ‘vrije arbeidsmarkt’ is dus een door en door politiek geïnstitutionaliseerd fenomeen.

  3. Het is nogal dubieus of men de institutie die de ruil van arbeidskracht en kapitaal reguleert wel kan spreken over een ‘markt’ in de strikte zin van het woord. Volgens de klassieke economische opvatting zou het evenwicht tussen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt door middel van het prijsmechanisme, dus via het loon tot stand moeten komen. Het meest opvallende van de arbeidsmarkt is echter dat hier het echte marktmechanisme niet volledig werkt: het is een ‘gefingeerde markt’ [Polanyi 1977]. Dat komt vooral omdat een van de cruciale (theoretisch veronderstelde) voorwaarden van dit mechanisme niet opgaat: er is geen sprake van volledige concurrentie. De omvang van het arbeidsaanbod wordt vrijwel geheel door andere factoren bepaald dan de hoogte van het loon; zij wordt met name bepaald door het feit dat de meeste werknemers geen keus hebben tussen werken en niet werken. Bovendien kan ook de omvang van het arbeidsvraag niet altijd reageren op de hoogte van het loon, maar is juist meestal bepaald door de afzetmogelijkheden van het bedrijf. Toch heeft de uitwisseling tussen arbeidskrachtbezitters en vragers een marktkarakter, d.w.z. er wordt iets geruild en er wordt geloofd en geboden, en er wordt onderhandeld en er worden op deze basis zaken gedaan.

  4. De ruil van loonarbeid en kapitaal wordt in de gangbare marktmodellen voorgesteld als een kwestie van 'afstemming' of in nogal broederlijk klinkende termen afgeschilderd als een 'ontmoeting. De transacties die plaatsvinden tussen aanbieders van en vragers naar arbeidskracht hebben weinig gemeen met een 'ontmoeting' tussen vrienden of bekenden, maar dragen veeleer het karakter van een botsing tussen tegengestelde, elkaar wantrouwende collectieve actoren met uiteenlopende en in veel opzichten tegenstrijdige belangen. De 'ontmoeting' tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt komt niet tot stand via een 'innerlijke afweging' van positieve en negatieve aspecten van het door de andere partij gebodene en het over en weer rekening houden met elkaars verwachtingen. Marktgerichte economische sociologieën suggereren dat de arbeidsmarktpartijen in een gelijke uitgangspositie verkeren en in gelijke mate concessies doen. De vraag of een van beide partijen bij deze uitwisseling al bij voorbaat in een ongunstiger positie verkeert dan de andere, komt niet meer aan de orde. Omdat men veronderstelt dat de onderlinge relaties symmetrisch zijn, wordt geen aandacht meer besteed aan de analyse van de machts- en afhankelijkheidsrelaties, en valt ook het optreden van collectieve actoren op de arbeidsmarkt buiten de beschouwing.

    De 'vrije arbeidsmarkt' is een markt voor 'vrije' arbeiders (het is geen slavenmarkt). Elke marktdeelnemer treedt op als 'vrije persoon': iedereen heeft volledige beschikkingsmacht beschikt over het eigen arbeidsvermogen. Juist daarom kan iedereen ook alleen zichzelf, d.w.z. zijn/haar eigen arbeidsvermogen verhuren. Het bestaan van een arbeidsmarkt genereert echter op zichzelf al een paar inherente belangentegenstellingen en fundamentele conflicten tussen aanbieders en vragers van arbeidkracht. Arbeidskrachtbezitters trachten hun recht als verkopers tot gelding de brengen: het recht op een arbeidsplaats (zo groot mogelijke werkzekerheid op de werkgelegenheidsmarkt), het recht op een rechtvaardig inkomen (zo hoog mogelijk beloning op de loonmarkt), en het recht op een humaan gebruik van hun arbeidskracht (kwalitatief goed en interessant werk in de arbeidsorganisatie). Ondernemers trachten daarentegen hun recht als kopers tot gelding te brengen: het recht op vrijheid om arbeidsplaatsen naar eigen voorkeur in te vullen (zo soepel mogelijke in- en uitschakeling van arbeidskrachten), het recht om marktconforme lonen te betalen (zo laag mogelijke arbeidskosten), het recht om maximaal gebruik te maken van de ingehuurde arbeidskracht (dispositierecht: flexibiliteit), en het recht op de volledige opbrengst van de arbeidsprestaties (vruchtgebruik: efficiency). Het arbeidscontract waarmee de ruil op de arbeidsmarkt wordt afgesloten institutionaliseert dus een antinomie/asymmetrie tussen tegengestelde belangen, een antinomie/asymmetrie die bekrachtigd wordt door de wetten die de warenruil reguleren. Dit betekent niet dat compromissen kopers en verkopers van arbeidskracht onmogelijk zijn, maar wel dat een duurzame harmonie is uitgesloten.

Index4. Marktgerichte organisatietheorieën

Het onkritische gebruik van marktmodellen in de analyse van organisaties heeft tot grote logische en empirische fouten geleid [Robins 1987:68]. Niet alle auteurs die een marktgerichte benadering voorstaan beschouwen organisaties een product van het werk van de duivel. De meeste moderne auteurs doen organisaties niet af als illegitieme entiteiten, maar proberen juist hun ontstaan, reproductie en transformatie te verklaren. Zij nemen daarbij enige afstand van ‘de fictieve fenomenologie van de markt’ (Clegg) met zijn vrije, ongebonden en perfecte rationaliteit omdat dit zo’n weinig overtuigende voorstelling geeft van het merendeel van de economische transacties. Het uitgangspunt van deze auteurs is niet de vrije ruil, maar georganiseerde transacties. Het sleutelbegrip van deze theoretici is efficiëntie.

Index


4·1 Vooronderstellingen van marktmodellen
In marktgerichte referentiekaders wordt uitgegaan van een aantal specifieke vooronderstellingen. Deze kunnen in de volgende punten worden samengevat.
  1. Organisaties zijn een afwijking van een meer natuurlijke vorm van economische activiteit. Deze meer natuurlijke vorm is de ruil op de markt. Op markten kunnen mensen vrij goederen en diensten ruilen, zij zoeken naar de laagste prijs wanneer zij kopen en naar de hoogste wanneer zij verkopen.

  2. Marktruil wordt geconceptualiseerd als een economisch elementaire en tevens essentiële categorie van analyse. De markt wordt dus opgevat als een fundamenteel principe. De voordelen van dit principe zouden duidelijk worden in elke transactie die beantwoordt aan dit essentiële principe: economische efficiëntie en persoonlijke vrijheid. Deze deugden zouden door de werking van het marktmechanisme worden gemaximaliseerd.

  3. In al deze benaderingen wordt ervan uitgegaan dat markten logisch en historisch voorafgaan aan organisaties. Markten zelf hoeven niet te worden verklaard. Het klassieke argument hiervoor werd door Adam Smith geformuleerd: de markt bestaat als een resultaat van inherente eigenschappen van de menselijke natuur. Dit zijn met name eigenschappen die gericht zijn op de achting voor het eigenbelang.
      “It is not from the benevolence of the butcher, the brewer or the baker that we expect our dinner, but from their regard to their own self-interest. We address ourselves, not to their humanity, but to their self-love, and never talk to them of our own necessities but of their advantages” [1776/1993:22 - An Enquiry into the Nature and Wealth of Nations].

      Deze gedachte van Adam Smith is sindsdien in alle toonaarden en tot vervelens toe herhaald. Zoals onder andere blijkt uit dit citaat gebruikt Smith de term self love in plaats van self-interest. Sinds Rousseau wordt onder ‘self-love’ (‘amour de soi-même’, ‘zelfliefde’, ‘liefde voor zichzelf’) verstaan de instinctief verankerde behoefte aan zelfhandhaving, dat elk levend wezen hecht aan zijn eigen voortbestaan en dat onder specifieke omstandigheden in tegenspraak kan komen te staan met de zelfhandhavingsdrift van anderen. Rousseau [1755/1983:47 e.v., 104,128,158] noemt de ‘liefde voor zichzelf’ het natuurlijke prioriteitsgevoel. Dit wordt gecontrasteerd met ‘vanity’ (‘amour propre’, ’eigenliefde’, ‘ijdelheid’). Daarmee worden behoeften aangeduid die pas door vergelijkende referentie aan anderen worden geconstitueerd en die daarom pricipieel in tegenstelling staan tot hun behoeften aan eigenliefde. Zie voor een nadere analyse van deze problematiek: Bader/Benschop [1988:108 e.v.].

    Wanneer slagers, brouwers of bakkers samenwerken om handelsbeperkingen te organiseren, doen zij dit om gezamenlijk organisationele barrières op te werpen tegen vrije handel, en niet om te plannen hoe zij het beste de markt kunnen maximaliseren. Vanuit Smith's perspectief is economisch handelen een natuurlijk verschijnsel. De aard van dit verschijnsel is het op eigenbelang gerichte handelen van rationele actoren (homo economicus). De individuen moeten zich egoïstisch gedragen op de onpersoonlijke en anonieme markt, waar de ‘onzichtbare hand’ ervoor zorgt dat particulieren belangen het algemeen belang dienen. Deze actoren op deze markt zijn geatomiseerde individuen. Het is dus een perspectief dat “a atomized, undersocialized conception of human action” [Granovetter 1985:483] benadrukt en dat in de klassieke en neo-klassieke economische tradities eindeloos werd herhaald [Clegg 1989b; Clegg/Boreham/Dow 1986; Etzioni 1988; Sen 1987/92].

    Adam Smith en het egoïsme: revisited
    Aan Adam Smith worden meestal twee basisideeën toegeschreven. Ten eerste dat mensen zich feitelijk rationeel oriënteren op hun strikt individuele eigenbelang (ubiquiteit van egoïstisch handelen). Ten tweede dat zij hierdoor een bepaalde efficiëntie bereiken en een algemeen belang dienen (efficiëntie van egoïstisch handelen). Ik zal deze beide opvattingen kort refereren en van kritische kanttekeningen voorzien.

    In Wealth of Nations keert Smith zich tegen bureaucratische barières en andere legale en traditionele beperkingen voor economische transacties die handel en productie op kapitalistische grondslag in de weg staan. Hij wil laten zien waarom en hoe normale transacties in de markt worden uitgevoerd en hoe arbeidsdeling werkt. Daarbij wordt benadrukt dat wederzijdse voordelige transacties zeer gewoon zijn. Mensen gaan niet werken uit sociale gedrevenheid of naastenliefde, maar om geld te verdienen. Om dat te bereiken kan iemand als zelfstandig producent optreden en zijn producten op de goederenmarkt verkopen, of hij kan zijn arbeid op de arbeidsmarkt aanbieden en loon ontvangen. Als er veel vraag is en weinig aanbod, zal de prijs of het loon hoog zijn, en omgekeerd. Door de hoge prijzen zullen zich echter nieuwe producenten op de markt melden, en zullen meer mensen een bepaald beroep kiezen als de beloning daarvoor hoog is. Op deze wijze wordt het geringe aanbod van een bepaald product of een soort arbeid sterk uitgebreid, zodat aan de hoge vraag kan worden tegemoet gekomen. Door dit grote aanbod gaan de prijzen dalen tot een evenwichtsprijs is bereikt. Bij deze prijs zijn aangeboden en gevraagde hoeveelheid aan elkaar gelijk. De gerichtheid op het eigenbelang zorgt er dus uiteindelijk voor dat het algemeen belang gediend wordt.

    De grondgedachte van Smith’s Wealth of Nations is inderdaad misleidend eenvoudig: “de genialiteit van Smith schuilt in de erkenning dat de prijzen de activiteiten van miljoenen mensen die ieder hun eigenbelang nastreven, kunnen samenbundelen, zodat tenslotte iedereen ervan profiteert. De economische orde komt tot stand als een niet bedoeld gevolg van de handelingen van mensen die hun eigenbelang nastreven” [Friedman 1981:33].

      Het eigenbelang is voor Smith een krachtige verbindingsschakel tussen het etisch en het economisch handelen van mensen. Zijn stelling is dat het dat het op eigenbelang gerichte individu onbedoeld de rijkdom van een maatschappij voor al haar leden maximaliseert: “by directing that industry in such a manner as its produce may be of the greatest value, he intends only his own gain, and he is in this, as in many other cases, led by an invisible hand to promote an end which was no part of his intention. Nor is it, always the worse for the society that it was no part of it. By pursuing his own interest he frequently promotes that of the society more effectually than when he really intends to promote it” [Smith 1776/1993:292]. De gedachte van de onbedoelde maatschappelijke uitkomsten was voor veel denkers van de Schotse Verlichting gebruikelijk.

    In het marktsysteem gebeurt alles automatisch, alsof het gedreven wordt door een onzichtbare hand. Alleen in het gezin zou volgens Smith de ‘helpende hand’ moeten prevaleren; egoïsme zou daar onnatuurlijk, ineffiënt en onfatsoenlijk zijn.

    Het anonieme marktmechanisme zorgt ervoor dat er precies in de maatschappelijke behoefte aan een bepaald product of bepaald soort arbeid wordt voorzien. Een fundamentele en noodzakelijke voorwaarde hiervoor is wel dat er voldoende concurrentie bestaat. Door de werking van een op volledige concurrentie gebaseerd prijzenstelsel ontstaat er een optimale economische orde. Het marktsysteem leidt in dit concept niet tot machtsconcentratie maar tot machtsverdamping.

    Smith werd sinds het begin van de 19e eeuw aangeroepen als de patroonheilige van de homo economicus. Zijn visie op de zelfregulerende markte maakte hem tot grondlegger van het economisch conservatisme. Liberale economen beriepen zich op zijn werk om het najagen van individueel eigenbelang in een ‘vrije“ markt te legitimeren. Toch zou men ook op dit punt niet voorbij gaan moeten gaan aan de eigenzinnigheid van Smith. Want tegenover de verheerlijking van het kapitalisme als efficiëntste accumulatie van rijkdom staat zijn pessimisme over het dehumaniserende potentieel van het industrieel kapitalisme (dat volgens sommige auteurs een anticipatie is van Marx’s theorie van de vervreemding).

      In de Wealth of Nations worden daadwerkelijk een aantal van de belangrijkste nadelen van het kapitalisme geanticipeerd. Smith maakt zich nog geen zorgen om het feit dat de machinerie de menselijke arbeidskracht vervangt, maar wel over de bedreiging van individuele integriteit en sociale harmonie. De repetetieve deelarbeid die mensen mensen die onder restrictieve voorwaarden verrichten, leidt volgens Smith tot een ‘mentale verminking’ [Smith 1776/1993:435].

      Wanneer de arbeider vanaf zijn vroege kindheid voor het grootste deel van elke dag telkens weer een beperkte reeks eenvoudige handelingen verricht, heeft “no occasion to exert his understanding, or to exercise his invention. … He naturally loses, therefore, the habit of such exertion, and generally becomes as stupid and ignorant as it is possible for a human creature to become … His dexterity at his own particular trade seems, in this manner, to be acquired at the expence of his intellectual, social, and martial virtues.” [idem:429 e.v.].

      Het beeld dat hij schetst van het nieuwe type ondernemer, van ‘those who live by profit’ is al evenmin rooskleurig. De koopman of ‘master-manufacturer’ van Smith is in het gunstigste geval een amorele figuur, egoïstisch, beperkt gemotiveerd, en niet te vertrouwen. Hij behoort tot “an order of men, whose interest is never exactly the same with that of the the publick, who have generally an interest to deceive and even to oppress the publick, and who accordingly have, upon many occacions, both deceived and oppressed it” [idem:157-8].

    Bovendien is het nogal problematisch om Smith als grondlegger te beschouwen van de idee van de ubiquiteit en efficiëntie van egoïstisch gedrag. Smith erkende dat veel van onze handelingen (vooral in economische transacties) feitelijk worden gemotiveerd door eigenbelang. Maar aan het najagen van het eigenbelang kende hij geen superieure rol toe.

      Dit in tegenstelling tot George Stigler’s be(z)wering van dat de visie van Adam Smith kan worden samengevat in de simpele leuze: “self-interest dominates the majority of man” [Stigler 1975:237]. Ik kom hoofdstuk in X, § 1 nog terug op de bewijsvoering die Stigler aanvoert voor de stelling van het ubiquitaire egoïsme.

    Het streven naar eigenbelang is volgens Smith niet voldoende voor het totstandbrengen en reproduceren van een ‘good society’. Hij hecht in dit verband veel meer waarde aan ‘prudence’ (prudentie, wijsheid). Prudentie beschouwde hij als een combinatie van ‘reason and understanding’ en ‘self-command’ — dat niet geïdentificeerd moet worden met ‘self-love’ en zeker niet met ‘self-interest’.

      De notie van ‘self-command’ wordt uitgewerkt in zijn Theory of Moral Sentiments. Hij ontleende dit begrip aan de stoïcijnse folosofen. Smith maakt zeer duidelijk hoever ‘self-command’ afstaat van ‘self-interest’. Volgens de Stoïcijnse leer moet de mens zichzelf niet beschouwen als “something seperated and detached”, maar als “a citizen of the world, a member of the vast commonwealth of nature”. In het belang van deze grote gemeenschap “he ought at all times to be willing that his own little interest should be sacrificed” [Smith 1790:140].

    Voor Smith zelf gaat prudentie veel verder dan het maximaliseren van het eigenbelang. Onder bepaalde omstandigheden is het volgens hem om redenen van prudentie (waaronder ‘menselijkheid, rechtvaardigheid, generositeit en geest voor de publieke zaak’) noodzakelijk het eigenbelang op te offereren.

  4. Vanuit dit perspectief is de afwijking van organisatie van het marktprincipe, als een principe dat op ‘hiërarchie’ is gebaseerd, iets dat verklaard moet worden. Williamson is een van de moderne theoretici die zich het meest heeft ingespannen om het essentialistisch geloof in de markt te verheffen tot een axioma van organisatie-analyse. Hij formuleert zijn geloofsartikel zelfs in bijbelse termen: “in the beginning there were markets” [Williamson 1975:20]. Hij richt zich op het bestaan van organisaties vanuit een perspectief dat de prioriteit van markten benadrukt. Simpel gezegd: ‘Waar markten falen, mogen organisaties triomferen’. Dit is meer dan essentialisme, het is ook een kwestie van ideologische affiniteit, en van geloof.

  5. Net als in de traditionele marktgerichte benaderingen wordt verondersteld dat iedereen een contract kan afsluiten met iedereen. Economisch handelen wordt gethematiseerd als een serie contracten en organisaties worden opgevat als een “stable pattern of transactions” [Ouchi 1980:140]. Organisatieproblemen worden dus behandeld in termen van problemen die zich voordoen bij sluiten van meer of minder duurzame contracten.

  6. Tenslotte wordt er van uitgegaan dat in een grote onderneming iedereen een contract heeft met tenminste een andere partij. De onderneming wordt opgevat als een bundel bilaterale overeenkomsten, die door elke partij vrijelijk verbroken kunnen worden en vrijelijk kunnen worden aangegaan.

Index


4·2 Kritieken op marktgerichte benaderingen
De bezwaren tegen dit soort marktmodellen zijn grotendeels bekend. In mijn kritiek op de transactiekosten benadering van Williamson ben ik uitvoerig op deze bezwaren ingegaan [Benschop 1994b]. Ik zal me hier beperken tot een paar hoofdpunten.

a. Transacties en contracten
Zie in dit verband Durkheim’s uiteenzetting over de non-contractuele basis van contracten [1933:211,215 - The Division of Labor in Society. New York: Free Press].
Ten eerste worden lang niet alle economische transacties contractueel geregeld. De ruil van goederen of diensten moet dus niet worden geïdentificeerd met een contract. Een belangrijk deel van het economisch handelen is niet-contractueel. De vraag is dus veeleer onder welke voorwaarden bij economische transacties de contractuele relaties zullen domineren. Contracten zijn instrumenten voor het geleiden van ruil. Een contract moet ook niet worden geïdentificeerd met een tekst waarin een overeenkomst wordt vastgelegd.

Een contract is een meer of minder geformaliseerde en geïnstitutionaliseerde regeling tussen twee of meer actoren die gebaseerd is op wederzijdse gedragsverwachtingen (concreter: beloftes). Een contract impliceert twee onderscheiden elementen: (i) een rationele planning van de transactie rekening houdend met alle eventualiteiten (toekomstige contingenties) die voorzien kunnen worden, en (ii) het bestaan of gebruik van actuele of potentiële juridische sancties om naleving van het contract te induceren of niet-naleving te compenseren [Macaulay 1963/92:266; Macaulay 1977].

b. List en bedrog, opportunisme en vertrouwen
Zie voor een algemene analyse van vertrouwensrelaties: Coleman [1990:91-116], Luhmann [1979 - Trust and Power. New York: John Wiley]. Vgl. ook Granovetter [1985:59].
Ten tweede wordt er te eenzijdige nadruk gelegd op het verschijnsel van vertrouwen dat marktpartijen in elkaar stellen. Niet alleen het verschijnsel van vertrouwen, maar ook dat van de schending van vertrouwen vereist echter een aparte verklaring. Hoe ontstaat de fides bona, het goede vertrouwen en het eerlijk optreden in zuiver economische transacties?

In de meeste marktmodellen wordt vertrokken vanuit het neoklassiek geïnspireerde model van elkaar wantrouwende egoïstische nutscalculatoren die altijd bereid zijn elkaar met list en bedrog te overtroeven, indien dit heimelijk kan gebeuren en/of indien de mogelijke sancties bij ontdekking kleiner zijn dan de door opportunistisch gedrag verworven voordelen [Hirschman 1977 geeft een theoriehistorische reconstructie van deze gedachte].

In deze constructies —die populair zijn bij zowel rational choice sociologen (zoals Coleman 1980) als bij speltheoretici (zoals Dasgupta 1990)— verschijnt vertrouwen slechts als resultaat van voorafgaande transacties, gebaseerd op rationele calculaties, efficiënte stelregels en wantrouwen.

Wanneer bijvoorbeeld een ondernemer de kredietwaardigheid van een klant bij een aantal transacties heeft nagetrokken, wordt het rationeel om dit daarna niet meer te doen, ervan uitgaande dat de transacties relatief klein zijn en dat de kosten van deze controle relatief hoog zijn. Een relatief hoog niveau van vertrouwen wordt niet geïnterpreteerd als resultaat van een goede socialisatie of van affiniteit met morele standaarden, maar als resultaat van eerder herhaalde controles op betrouwbaarheid, van zeer kleine verliesricico’s of van te hoge verificatiekosten. De institutionele beheersvormen en de duurzaamheid van contractuele relaties maken het eenvoudig te duur om zich van malversaties te bedienen: zij produceren dus geen vertrouwen, maar een functioneel substituut daarvoor [Granovetter 1985:487].

In andere economische en organisatiesociologieën wordt daarentegen een bepaalde mate van vertrouwen verondersteld omdat institutionele regelingen alleen niet in staat zijn om geweld en fraude, list en bedrog te voorkomen. Meestal blijft echter onduidelijk wat de oorzaak is van dit vertrouwen.

Vertrouwen in de transactiekosten theorie
Er is een toenemende tendens om vertrouwen te beschijven in calculerende termen. Zowel voor de rational choice sociologen als de speltheoretici wordt vertrouwen opgevat als een subklasse van risico. Het ontstaan van institutionele en persoonlijke vertrouwensrelaties wordt in de tranactiekosteneconomie omschreven als een aspect van de ‘fundamentele transformatie’ [Williamson 1985:61 e.v.]. Wanneer handelspartners substantiële investeringen doen in transactiespecifieke bronnen worden zij sterk van elkaar afhankelijk en gaan zijn grote waarde hechten aan de continuïteit van de handelsrelatie.
  1. Er ontstaat een contractuele asymmetrie tussen de winnende bieder en de verliezers omdat er economische waarden zouden worden opgeofferd wanneer de bestaande leveringsrelatie zou worden beëindigd.

  2. Anonieme contracten (‘faceless contracting’) worden vervangen door contracten waarin de identiteit van beide partijen relevant is. De waarde van het geïnvesteerde kapitaal voor ander gebruik is per definitie veel kleiner dan het gespecialiseerde gebruik waarvoor het bedoeld was. Daarom legt de leverancier zich in hoge mate vast op de transactie. De koper kan niet koersen op alternatieve bronnen van levering omdat de leveringskosten van ongespecialiseerd kapitaal meestal hoog zijn.

  3. Er ontwikkelen zich institutionele en persoonlijke vertrouwensrelaties. Door deze vertrouwelijkheid kunnen ‘communicatie-economieën’ worden gerealiseerd. Omdat de contractanten elkaar goed leren kennen ontwikkelen zij een gespecialiseerde taal en kunnen nuances op een sensitieve wijze worden gesignaleerd en ontvangen. Individuen die verantwoordelijk zijn voor de aanpassing van contracten kunnen weigeren om hieruit opportunistische voordeel te trekken wanneer hierdoor de ‘geest van het contract’ wordt geschonden. Idiosyncratische ruilrelaties die zijn ingebed in persoonlijk vertrouwen zijn meestal beter in staat om grotere spanning te overleven en vertonen een groter aanpassingsvermogen.
Institutionele en persoonlijke vertrouwenrelaties kunnen dus de transactiekosten aanzienlijk verlagen. Wanneer de transacties vaak worden herhaald (hoge frequentie), kunnen bovendien de kosten van gespecialiseerde beheersstructuren worden gedekt.

c. Drieledig reductie: van mens tot geldwolf
Ten derde wordt er onvoldoende afstand genomen van de oude individualistisch-utilitaristische opvatting waarin economische actoren worden gereduceerd tot egoïstische nutsmaximaliseerders, tot mensen die altijd en alleen maar één doel voor ogen staat: maximale bevrediging van het strikt individuele eigenbelang.

Daarbij wordt impliciet of expliciet een (minstens) drieledige reductie doorgevoerd. Eerst wordt menselijke rationaliteit inhoudelijk gereduceerd tot strategische (op eigenbelang gerichte) rationaliteit. Vervolgens worden de prikkels die het strategisch handelen van individuen motiveren, gereduceerd tot materiële of monetaire prikkels. En tenslotte wordt de beroemde homo economicus ook nog eens gereduceerd tot een egoïst van het zuiverste water in wiens antropologische inborst geen enkele ruimte is voor collectieve handelingsmotieven of voor solidariteit.

Deze grofmaterialistische en egoïstische variant van het utilitarisme vormt het hart en de ziel van de neoklassieke economische en sociologische modellen en werd door Oliver Williamson met kracht in het organisatietheoretische debat geïntroduceerd.

Vreemde ambities
De Nederlandse sociaal-liberaal Van Houten (van het kinderwetje) had grote bedenkingen bij de individualistisch-utilitaristische ideologie.
    “De theorie, dat elk individu, aan zichzelven overgelaten, het noodige inzicht en de vereischten geestkracht bezit om zijn belangen ’t best te dienen, is slechts juist voor de economisch uitstekenden, onjuist daarentegen voor de groote menigte, voor het middenslag, dat zonder bijzondere organisatie het slachtoffer der vrijheid wordt. De leer dat ieder, door voor zichzelven te zorgen ’t best het algemeen belang bevordert, m.a.w. de leer der harmonie der belangen, - is onwaar. Op de staat rust de plicht in dien strijd der belagen ervoor te waken, dat de zwakken niet onderdrukt worden” [Van Houten 1875:75 - Over den invloed van wetgeving op de verdeling van rijkdom, in: Vragen des Tijd]. Zie Bervoets [1993: hft. 4] over de sociale kwestie en het sociaal-liberale schuldbesef.
Het blijft opmerkelijk dat veel hedendaagse sociale wetenschappers nog steeds alles willen afleiden uit (of terugvoeren naar) het eigenbelang alsof het een natuurlijk of noodzakelijk startpunt is. “It is a perculiar feature of the sociology of present-day economics that this odd ambition should be so prevalent” [McPhersen 1984:77-8].

Het is een merkwaardige ambitie die vertrekt vanuit een ongemeen reductionistische opvatting van menselijke rationaliteit. Amartya Sen maakt er op eloquente wijze gehakt van:

    “Why should it be uniquely rational to pursue one’s own self-interest to the exclusion of everything else? It may not, of couse, be at all absurd to claim that maximization of self-interest is not irrational, at least not necessarily so, but to argue that anything other than maximizing self-interest must be irrational seems althogether extraordinary” [Sen 1987/92:15].

d. Negeren van macht en gezag
Ten vierde wordt evenals in het traditionele marktperspectief het asymmetrische karakter van marktrelaties en van contracten verwaarloosd. Marktruil impliceert meestal geen ruil of transactie tussen gelijken: een of meer partijen hebben machtsvoordeel dat in de ‘ruil’relaties wordt gereflecteerd. Dit manifesteert zich in het feit dat er een verschil is in de hoeveelheid bronnen die één actor moet investeren om een vergelijkbare eenheid van een andere actor te verwerven. Er wordt dus voorbij gegaan aan het feit dat marktrelaties zeer vaak tevens asymmetrische machts- en gezagsrelaties zijn. Gezagsrelaties zijn meestal veel complexer dan contractrelaties. Het is moeilijker zich uit een gezagsrelatie terug te trekken (exit optie). Bovendien bevat een gezagsrelatie een bredere reeks activiteiten dan die in een contract zijn gespecificeerd.

e. Markfalen en organisaties
Tenslotte is het opvallend dat ondanks alle empirische en theoretische kritiek het geïdealiseerde beeld van markten met volledige concurrentie nog steeds in leven wordt gehouden. Dat komt niet alleen omdat zelfregulerende economische structuren voor velen politiek zo aantrekkelijk zijn. Het heeft ook te maken met het feit dat men door de eliminatie van de maatschappelijke, organisationele en interactionele contexten uit economische analyses het ordeprobleem uit de intellectuele agenda kan schrappen, althans in de economische sfeer: in competitieve markten die geweld en fraude uitsluiten, zouden repressieve politieke structuren overbodig zijn.

Binnen een marktperspectief dat met deze uitgangspunten en prioriteiten opereert, zijn organisaties een analytisch probleem. In de meeste geavanceerde industriële maatschappijen vinden economische transacties immers plaats in of tussen organisaties. Het grootste volume in monetaire termen wordt gecontroleerd door een zeer klein aantal erg grote organisaties. De belangrijkste plek van economisch handelen zijn dus eerder organisaties dan markten. De neoklassieke economen wordt hierdoor in grote verlegenheid gebracht. Wanneer het economische handelen zich primair in en door organisaties voltrekt dan verdwijnt immers de 'vrijheid' van de markt als een oplossing voor wanbeheer of wantrouwen. Op een landelijke markt of bazaar kan iemand zijn handelen gemakkelijk verleggen van de ene groenteboer naar de andere. Vooral in een ‘gedereguleerde’ arbeidsmarkt (waar neoklassieke economen voor pleiten) is het echter veel ingewikkelder om van werkgever te veranderen of te beslissen om iets essentieels niet te kopen van een monopolistische of oligopolistische aanbieder. Dit is waarschijnlijk een van de redenen waarom tegenwoordig door sommige economen (bijvoorbeeld in de public choice traditie) wordt aanbevolen om maar helemaal geen overheidsbeleid meer te voeren: wat publiek is, moet geprivatiseerd worden zodat de beslissingen kunnen worden overgelaten aan de beroemde onzichtbare hand van de markt. Omdat organisaties ‘kunstmatig’ zijn en de markt een ‘natuurlijk’ fenomeen is, wordt in deze benadering het bestaan van organisaties behandeld als een probleem dat verklaard moet worden. Vanuit de premisse van de superioriteit en natuurlijkheid van de markt, ziet het centrale probleem van organisatie-analyse er voor marktgerichte theoretici als volgt uit: waarom zouden er organisaties bestaan, wanneer het zo duidelijk is dat markten de meest efficiënte middelen voor de ordening van transacties zijn?

Er zijn twee marktgerichte benaderingen die een verklaring geven voor de vraag waarom, waar en wanneer bureaucratische organisatiestructuren overheersen. De economische historicus Alfred DuPont Chandler [1977, 1984] benadrukt dat organisatie een efficiënt antwoord was op marktdruk. De andere benadering is de transactiekosten-economie Oliver E. Williamson [1975, 1981, 1985]. Hij interpreteert het ontstaan van (grote) organisaties als een antwoord op marktfalen. In een andere studie heb ik de transactiekosten benadering van Williamson onder de loupe genomen.

Index

Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1996
Laatst gewijzigd: 05 January, 2017