| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|
door: dr. Albert Benschop
VIII. Transformatie: economische instituties als sociale constructies
|
| Introductie |
|---|
Economische instituties zijn (net als alle andere instituties) geen automatisch gevolg van specifieke externe omstandigheden, maar worden sociaal geconstrueerd. Sociale constructie refereert aan de permanente creatie van de sociale wereld door handelende individuen - door middel van interactie met elkaar en door middel van het vormen en hervormen van institutionele structuren. Organisatievormen zijn onderdeel van deze sociale wereld. De centrale kenmerken van organisaties - zoals doelen, structurele condities, technologie, formele regelgeving, informele relaties - zijn het resultaat van de sociale constructie. Organisatie-analyse moet het ontstaan, de reproductie en transformatie van organisationele vormen verklaren. De taak van een transformationele economische sociologie is breder, zij moet het ontstaan, de reproductie en transformatie van economische structuren en instituties verklaren.
Prijzen zijn evenzeer sociale constructies als de structuur van een industrie of professionele organisaties. Economische instituties ontstaan niet automatisch in reactie op economische behoeften. Economische instituties worden sociaal geconstrueerd door individuen wier actie zowel wordt mogelijk gemaakt als beperkt door de bronnen waarover zij kunnen beschikken en door de (maatschappelijke, organisationele en interactionele) structuren waarin zij zijn ingebed en waardoor hun economisch handelen wordt geïntegreerd en gecoördineerd. De transformationele economische sociologie houdt zich niet alleen bezig met micro-economische gebeurtenissen, maar ook met macro-economische gebeurtenissen, processen en structuren, zoals business cycles, staatsinterventies in de economie en de ontwikkeling van de verzorgingsstaat.
|
|
Waarom accepteren mensen de economische structuren en instituties die ongelijkheden en exploitaties reproduceren, en waarom verzetten zij zich hiertegen? Hoe ontstaan economische structuren en instituties, welke mechanismen zorgen ervoor dat zij kunnen voortbestaan en welke mechanismen leiden tot structurele veranderingen? Ik wil me hier concentreren op de reproductieve en transformatieve oorzaken, d.w.z op de mechanismen die bepalend zijn voor het voortbestaan dan wel de verandering van economische structuren en instituties. De ontstaansoorzaken zullen dus grotendeels buiten beschouwing blijven.
Bij de thematisering van economische structuren en instituties wordt niet uitgaan van de vooronderstelling dat zij in een statisch evenwicht verkeren. Er wordt juist grote nadruk gelegd op dynamiek van instituties respectievelijk op het proces van institutionalisering.
| In zijn informatieve en scherpzinnige analyse van de Japanse verhoudingen heeft Van Wolferen laten zien hoe miserabel de cultuurlijke verklaring is die niet alleen in Japan zelf, maar ook onder Westerse sociale wetenschappers zo populair geworden is. Zijn politiek-sociologische analyse van de Japanse arbeidsverhoudingen behoort met afstand tot het beste van wat er op dit gebied gelezen kan worden. Hij laat o.a. zien dat de buitengewone disciplinering en conformering van de doorsnee Japanner tot stand kwam door een uitermate massieve onderdrukking van autonome arbeidersorganisaties [116 e.v], in stand gehouden wordt door een systematisch bijgebracht gedrag van onderdanigheid [p. 410], en gecultiveerd wordt door een ondubbelzinnige ideologie van Japanse superioriteit [p. 412 e.v.]. De mythe van de homogeniteit, de beeldvorming van Japan als een klasseloze maatschappij met geringe verschillen tussen rijk en arm, speelt bij dit laatste een cruciale rol [p. 442 e.v.]. Voor intercultureel geïnteresseerde arbeids- en organisatiesociologen is Van Wolferens studie een ongekende informatie- en inspiratiebron. |
In de gangbare economische sociologieën wordt een nogal eenzijdig beeld gegeven van de wijze waarop economische structuren en instituties worden gereproduceerd en getransformeerd. Dit heeft mijns inziens vier redenen.
Mijn stelling is dat de vraag waarom ontstaan, bestaan en veranderen structurele economische posities? niet zonder meer verwijst naar dezelfde oorzakenbundel als de vraag: waarom ontstaan, bestaan en veranderen de uitsluitingscriteria en -mechanismen die ervoor zorgen dat bepaalde actoren op bepaalde economische posities terechtkomen of daarvan worden uitgesloten? Het antwoord op de eerste vraag kan gevonden worden door een analyse van de historische oorzaken en van de sociaal-structurele grondslagen van de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen. Het antwoord op de tweede vraag vereist een gedetailleerde analyse van de historische oorzaken en sociaal-structurele grondslagen van de specifieke ascriptieve en meritocratische uitsluitingscriteria en van de specifieke allocatiemechanismen.
| Het dichotome model van geweld versus legitimiteit speelt een cruciale rol in de marxistisch en functionalistisch geïnspireerde economische sociologieën. Zelfs Etzioni legt zich vast op een simpel dichotoom model van utilitaire en morele of normatieve factoren. |
Zoals gezegd zal ik mij hier beperken tot het laatste punt. De vraag is dus: wat zijn de mechanismen waardoor eenmaal uitgekristalliseerde en tot op zekere hoogte gestabiliseerde economische structuren worden gereproduceerd en getransformeerd? Ik grijp daarvoor terug op de eerder geschetste typologie van handelingsoriëntaties [zie VI, § 4]. Daarbij werd een analytisch onderscheid gemaakt tussen traditionele, affectieve, strategische en normatieve motivaties voor economisch handelen en van de daarmee ideaaltypisch corresponderende mechanismen van handelingscoördinatie: gewoontes/zeden, solidariteiten, belangen en legitimaties.
Deze vier mechanismen van handelingscoördinatie zijn geobjectiveerde verwachtingsstructuren die in het feitelijke economisch handelen worden geconstitueerd. Zij coördineren het economisch handelen van actoren en zijn dus verantwoordelijk voor het feit dat hun economisch handelen op elkaar wordt afgestemd. Ik gebruik deze typologische indeling als referentiekader om zowel de reproductie als de transformatie van economische structuren en instituties te verklaren.
|
In hun bewuste activiteiten reproduceren (en soms transformeren) mensen voor het grootste deel onbewust de structuren die hun substantiële productie-activiteiten reguleren. Mensen trouwen niet om het instituut huwelijk te reproduceren en zij werken niet om de kapitalistische economie te reproduceren. Maar het is niettemin het onbeoogde gevolg en onverbiddelijk resultaat van hun activiteit, zoals het ook de noodzakelijke voorwaarde voor hun activiteit is [Bhaskar 1989:80 - Reclaiming Reality].
De basisgedachte die aan het onderscheid tussen deze reproductieve en transformatieve mecha-nismen ten grondslag ligt, werd uitgewerkt door Bader [1981,1991]. Zie voor een algemene analyse van de reproductie en transformatie van sociale ongelijkheden: Bader/Benschop [1988; hft. X] en van klassenverhoudingen: Benschop [1993/2012: hft. XVI]. |
Figuur 8·1 Mechanismen van reproductie en transformatie
1. Economische zeden en gewoontes |
|---|
Het ontstaan, voortbestaan en de verandering van gestabiliseerde economische structuren zijn het gevolg van de feitelijke regelmatigheden van het economisch handelen. Deze regelmatigheden vloeien voort uit het feit dat mensen hun economisch handelen op meer of minder bewuste wijze op elkaar afstemmen. De schijnbaar meest elementaire, maar in hun werking uiterst effectieve traditionele handelingsoriëntaties genereren een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie: economische gewoontes en zeden. Economische structuren worden dus gereproduceerd door groeps-, functie-, kwalificatie-, beroeps-, afdelings-, bedrijfs- of klassespecifieke gewoontes en zeden die door traditionele oriëntaties en handelingen worden geconstitueerd.
De economische gewoontes en zeden van een groep zijn niet geldig in de zin dat er van mensen geëist wordt dat zich houden aan bepaalde regels die uiterlijk zijn gewaarborgd, d.w.z. die
door een conventie of wet, bedrijfsreglement of superieur worden
bekrachtigd. Zij zijn (nog) niet als conventionele of wettelijke
regels geformuleerd waaraan men zich moet houden. Door de ingeleefde praktijk van een economische zede - zoals een bepaalde arbeidsritme - kunnen economische structuren worden gestabiliseerd, ook indien de regels waaraan de actoren zich vrijwillig houden nog niet of niet meer conventioneel worden verlangd of door bedrijfsreglementen of wettelijk zijn gesanctioneerd. In de alledaagse economische
praktijk spelen traditionele gewoontes en zeden een zeer dominante
rol.
Wanneer economische gewoontes en zeden bij een bepaalde groep eenmaal goed zijn ingeburgerd, leiden zij een uiterst hardnekkig bestaan. Zelfs wanneer deze routines wettelijk worden bestreden of door directe superieuren worden verboden, zullen zij niet onmiddellijk verdwijnen. Sociale gewoontes die voor het individu kostbaar zijn om te volgen blijven vaak toch bestaan. De bindende kracht die deze persistentie veroorzaakt is de sociale sanctie die wordt opgelegd door het reputatieverlies dat optreedt als men breekt met de gewoonte. A custom, once established, will persist, provided that disobedience of the custom results in sufficient loss of reputation, and provided that the cost of disobedience is sufficiently high [Akerlof 1984/93:71].
Uitgekristalliseerde gewoontes en zeden fungeren als stabilisatiemechanismen van economische structuren en worden als hun ongewilde en onbedoelde resultaten gereproduceerd. Een economisch systeem of een arbeidsorganisatie dat alleen maar door strategische motieven of belangenconstellaties wordt gereproduceerd is meestal veel labieler dan een stelsel dat tevens steunt op traditionele oriëntaties en daarmee corresponderende routines.
Een formele organisatie is door zijn functieverdeling en procedures zelf een van de belangrijkste stabilisatiemechanismen. Zowel in de organisatiepraktijk als in de organisatietheorie speelt de constructie van collectieve geheugenstructuren een cruciale rol: zij zorgen voor de reproductie van het organisationele gedrag en voor handhaving van de geselecteerde organisatiestructuren en -processen.
|
Een bekend voorbeeld hiervan is de nucleaire ramp bij Harrisburg (Three Miles Island) in de V.S. Voordat de ramp plaats vond, waren er een aantal signalen die wezen op gevaar. Deze werden echter door het bedienend personeel niet doorgegeven omdat zij deze signalen niet geloofde. De hang aan routines (de regelgerichtheid) zorgde ervoor dat er niet op tijd de juiste maatregelen werden genomen om de nieuwe situatie het hoofd te bieden. De direct betrokkenen gaven een verkeerde interpretatie van de situatie en onderkenden niet dat er iets nieuws aan de hand was. In een case-studie van dit nucleaire ongeval merkt Perrow [1981:17] op dat dit de betekenis is van het commentaar: if only they had a simple, understandable thing like a pipe break they would have know what to do. |
In economische zeden zijn specifieke verwachtingsstructuren geobjectiveerd. Zij veronderstellen immers een zekere gelijksoortigheid van de verwachtingen die de leden van eenzelfde groep van elkaar hebben. De afzonderlijke actoren houden zich vrijwillig aan de regels die in een economische zede geïmpliceerd zijn en verwachten dat de andere actoren zich om dezelfde redenen aan deze regels zullen houden. Door zeden worden dus in eerste instantie de verhoudingen binnen de afzonderlijke (functie-, beroeps- enz.) groepen gestabiliseerd. In die mate dat de traditionele gewoontes en zeden van subalterne groepen zijn 'aangepast' aan de bestaande gezags- en uitbuitingsverhoudingen, stabiliseren zij echter tevens de verhouding tussen de afzonderlijke groepen. De economische gewoontes en zeden van subalterne groepen (zoals lagere functie- en kwalificatiegroepen, ondergeschikte personeelsleden, marginale afdelingen, gemarginaliseerde arbeidsmarktcategorieën) vertonen vaak een hoge mate van habitueel verankerde aangepastheid en conformiteit. Dat wil echter niet zeggen dat hun routines altijd conformistisch of irrationeel zijn. Ook nonconformistische gewoontes en rebelse zeden behoren immers tot de tradities die in sommige subalterne groepen zeer hoog worden gewaardeerd.
Leden van subalterne sociale lagen en klassen houden vaak hardnekkig vast aan hun traditionele levenswijze, niet omdat zij tegen verandering als zodanig zijn (zoals sommige moderniteitstheoretici en organisatiekundigen ons willen doen geloven), maar omdat de voorgestelde veranderingen voor hen meer problemen en nieuwe risicos scheppen dan zij oplossen. Achter een schijnbaar traditionalistische of zo men wil conservatieve houding gaat dus zeer vaak een nuchtere afweging van kosten en baten schuil. Ingeslepen gewoontes en zeden kunnen dus uiterst rationeel zijn: het zijn gesedimenteerde ervaringen uit het verleden, en impliceren sociaal geaggregeerde kennis.
Ook tegenwoordig ontstaan er veel arbeidsconflicten omdat ondernemers proberen een tot gewoonte geworden arbeidstempo op te voeren, omdat de voor het personeel gebruikelijke kleine rustpauzes en handelingsspeelruimtes worden weggerationaliseerd, of omdat hun diepverankerde en jarenlange bedrijfsloyaliteit (die vaak van vader op zoon wordt overgedragen) plotsklaps wordt verpletterd door een aangekondigde bedrijfssluiting [Benschop/ Kee 1974; J.C. Scott 1985].
In de meer of minder elastische marges van de moderne arbeidsorganisaties vinden werknemers een ruimte om hun eigen tradities en routine vorm te geven: van het gezamenlijk beperken van de arbeidsprestaties (remmen), het toeëigenen van gereedschappen en producten (snaaien), het maskeren van ongeoorloofde afwezigheid (ziekvieren) tot aan de meest subtiele vormen van zelfbeschermende sabotage.
Hoe dit in detail in zn werk gaat werd op zeer indringende en plastische wijze beschreven in de roman van Rivethead van Ben Hamper.
De werknemers van de General Motor fabriek in Detroit proberen in het industriële arbeidsregime, dat zij als georganiseerde barbarij /102/ ervaren, te overleven door het elkaars werk over te nemen (doubling up), door ruimte te bevechten voor hun drinkgewoontes. De zwaarte en monotonie van hun arbeid maakt hen ontevreden.
Door de dodelijke verveling zien zij Father Time /151/ als hun grootste vijand:
Ook harde vormen van sabotage behoren tot het overlevings- en verzetsrepertoire.
|
Dergelijke alledaagse overlevings- en verzetsstrategieën behoren tot de op brede schaal ingeburgerde tradities die gericht zijn op verzachting van bestaande exploitatie- en gezagsverhoudingen. In die mate dat dergelijke strategieën op brede schaal gepraktiseerd worden, kunnen zij echter tevens de stabiliteit van het economisch systeem of van een afzonderlijke onderneming ondergraven (vooral wanneer dergelijke praktijken diep in een bedrijfs- of volkscultuur verankerd raken). Wanneer ondernemers hun traditionele verplichtingen ten opzichte van hun personeel niet meer (kunnen of willen) nakomen en zich hierdoor in de ogen van het personeel onzedelijk (arrogant, vrekkig, schaamteloos, gemeen, hardvochtig) gaan gedragen, kan een moeizaam opgebouwd evenwicht van compromissen worden afgebroken.
De conclusie ligt voor de hand: groepsspecifieke economische tradities (gewoontes, gebruiken en zeden) werken niet alleen als stabilisator van de economische relaties binnen (en soms tussen) deze groepen, maar onder bepaalde condities en vooral wanneer zij op elkaar botsen ook als transformator.
2. Solidariteiten |
|---|
Het ideaaltypisch met affectieve oriëntaties en handelingen corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is solidariteit. Solidariteit is een specifieke geobjectiveerde verwachtingsstructuur welke louter en alleen geconstitueerd wordt door gevoelsmatige of affectieve oriëntaties. Economische structuren en instituties worden gestabiliseerd of gedestabiliseerd door solidariteit.
Een bekend voorbeeld hiervan is dat werknemers zich alleen maar verwant voelen met hun mannelijke collega's of hun witte lotgenoten. Werknemers kunnen zich meer solidariseren met hun superieuren dan met hun collegas: the working class can kiss my arse, Ive got the foreman's job at last. Uit deze voorbeelden wordt al duidelijk dat er zeer uiteenlopende vormen van solidaire bindingen zijn:
Onder de Nederlandse arbeidersklasse in de 19e eeuw bestond een grote mate van onderlinge solidariteit en hulpvaardigheid [Giele 1976:87]. Deze onderlinge solidariteit leidde tot een zeker gevoel van lotsverbondenheid binnen bepaalde groepen van de arbeidende klasse. In eerste instantie bleef deze solidariteit beperkt tot de medearbeiders die zij persoonlijk kenden, hetzij op het werk, hetzij in de buurt waar men woonde: zij zich primair verbonden met degenen die in dezelfde arbeids- en levensomstandigheden verkeerden als zij zelf. Het gevoel van lotsverbondenheid was het sterkst waar de bekendheid met elkaar in werk- en woonsituatie samenvielen. Deze onderlinge solidariteit vormde "de mogelijke kiem van de ontwikkeling van groepsbewustzijn naar klassebewustzijn" [idem: 98].
| De ontwikkeling van groeps- naar klassebewustzijn is overigens zeker geen automatisch proces. Praktische vormen van solidariteit (of rivaliteit) die stoelen op persoonlijke contacten en directe interacties (in arbeidscollectieven en nabuurschap) kunnen immers ook een obstakel vormen voor de constructie van solidariteitsvormen die berusten op nabijheid in de organisationele en maatschappelijke ruimte. Het empirisch onderzoek van Fantasia [1988] laat zien hoe complex en tegenstrijdig de ontwikkeling van soldariteitsculturen verloopt. |
Solidariteitsculturen zijn meer of minder sterk affectief gebonden groeperingen die een collectieve identiteit kunnen ontwikkelen. Zij zijn de actieve uitdrukking van solidariteit tussen werknemers binnen een industrieel systeem en een maatschappij die daar vijandig tegenover staat. Het zijn geen abstracte solidariteitsideeën of bureaucratische vakbondsactiviteiten, maar culturele formaties die in conflicten geboren worden [Fantasia 1988:19]. Solidariteitsculturen genereren en bestendigen onderlinge solidariteit tegenover de dominante structuur.
Evenals economische gewoontes en zeden blijven solidariteiten meestal voor een belangrijk deel on- of voorbewust. Mede daarom kunnen veranderingen die daarin optreden lange tijd onopgemerkt blijven. Het tempo van deze veranderingen en de richting waarin de onderhuidse en moleculaire verschuivingen van de solidariteitsculturen zich voltrekken, zijn slechts in beperkte mate manipuleerbaar. Solidariteit is weliswaar universeel inzetbaar, maar men kan er niet over beschikken of haar strategisch controleren. Zeker op korte termijn kunnen eenmaal gevestigde solidariteiten niet of nauwelijks worden beïnvloed. Bovendien is er een altijd een zeker gevaar verbonden aan het strategisch gebruik van gevestigde solidariteitsculturen: wanneer zij strategisch worden gebruikt kunnen zij net zoals tradities en legitimiteitsopvattingen worden uitgehold. Wanneer authentieke solidariteitsculturen hierdoor eroderen, worden zij op den duur als strategisch inzetbare bronnen veel minder waard [Bader 1991:277].
Men kan zich dus ook strategisch oriënteren op het bestaan van solidariteitsculturen en in de planning van economische acties rekening houden met het feit dat anderen met elkaar of met een bepaalde organisatie of institutie solidair zullen zijn. Zo houden ondernemers en managers bij de uitwerking van reorganisatieplannen rekening met het feit dat er bij het personeel meer of mindere sterke gevoelsmatige bindingen bestaan met hun eigen afdeling of sector. Bovendien kunnen zij bij harde reorganisaties en restrictieve maatregelen een beroep doen op het samen in een boot gevoel, d.w.z. op de solidariteit van werknemers met hun bedrijfsorganisatie. Omgekeerd wordt er bij de uitwerking van vakbondsstrategieën cognitief rekening gehouden met het saamhorigheidsgevoel van het personeel van bedrijven, en van werknemers in de betreffende bedrijfssectoren of regios. Reclame-specialisten spelen bij de presentatie van de producten die zij moeten aanbevelen in op bestaande emotionele wij-gevoelens van de doelgroep. Wanneer deze strategische oriëntaties dominant (en dus opzichtig) worden, gaat solidariteit over in een zuivere belangenpositie. Het gevolg hiervan is meestal dat het mogelijke surplus aan stabiliteit dat met affectieve oriëntaties verbonden is, verloren gaat.
Economisch gebonden zeden en solidariteiten vertonen niet alleen in traditionele maatschappijen een relatief grote continuïteit. Samen met economische belangen leveren zij een doorslaggevende bijdrage aan de stabilisatie van de economische structuren en instituties. Bovendien spelen zij een essentiële rol bij hun destabilisatie.
3. Belangen |
|---|
Economische belangen worden geconstitueerd door zuiver strategische handelingsoriëntaties van individuen op basis van gelijksoortige verwachtingen van anderen en door zuiver strategisch gemotiveerde handelingen. Strategische handelingen zijn handelingen die het resultaat zijn van een meer of minder rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes. Gemeenschappelijke belangen binnen en tussen economische categorieën fungeren als een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie.
In de economische sociologieën die aansluiten bij Webers algemene handelingstypologie wordt het mechanisme van handelingscoördinatie dat voortvloeit uit doelrationele handelingsoriëntanties en handelingen aangeduid als belangenpositie. Een regelmatig voorkomende handelingsoriëntatie wordt door Weber bepaald door belangenpositie (belangenbepaald) genoemd wanneer en voorzover de empirische kans dat sociaal handelen optreedt uitsluitend bepaald is door zuiver doelrationele oriëntatie van individuen op gelijksoortige verwachtingen [WG:15].
De term 'belangenpositie' refereert weliswaar aan objectieve levensposities, maar is hiervan ook voor Weber geen synoniem. Het nadeel van de term belangenpositie is dat daarin vaak twee aspecten samenvloeien die uit elkaar gehouden zouden moeten worden, namellijk positionele aspecten (structurele posities) en motivationele aspecten (handelingsoriëntaties en -doelen). Belangen zijn door objectieve levensposities, habitus en levensstijlen, culturen en collectieve identiteiten gestructureerde en handelingsmotiverende particuliere doelen. Belangen zijn dus niet identiek met objectieve levensposities en zijn hiervan ook geen loutere reflectie. Belangen zijn handelingsmotiverende krachten, het zijn causaal effectieve motieven of redenen van handelen [Bader 1991:132].
De ratio van de term belangenpositie is dat hierin de positionele bepaaldheid van belangen tot uitdrukking wordt gebracht. Om misverstanden te voorkomen zou men in in plaats van belangenpositie ook van eigenbelangen kunnen spreken (zoals o.a. door Roth/Wittich, de Engelse vertalers van Wirtschaft und Gesellschaft is gedaan). Het nadeel hiervan is dat het bij eigenbelangen altijd gaat om ongelijksoortige, tegenstrijdige verwachtingen en oriëntaties van individuele of collectieve actoren. Bij belangenpositie ligt het accent juist op de gelijksoortigheid of gemeenschappelijkheid van de wederzijdse gedragsverwachtingen en oriëntaties. Om dit probleem te vermijden geef ik hier de voorkeur aan het algemene begrip belangen. De bonus voor het gebruik van de term belangen is dat hiermee terminologisch afstand wordt gehouden van de eerder genoemde identifcatie van belangenpositie met objectieve levenspositie of met economische positie.
Belangen dragen bij aan de continuïteit en stabiliteit van economische structuren en instituties, maar bewerkstelligen tevens de discontinuïteit en instabiliteit daarvan. Ook economische belangen fungeren dus tegelijkertijd als mechanisme van reproductie en transformatie van gevestigde economische verhoudingen.
Economische belangen stabiliseren dus in de eerste plaats de verhoudingen binnen de economische categorieën, dat wil zeggen tussen de leden van eenzelfde economische categorie. Economische structuren en instituties worden echter met name gereproduceerd wanneer verschillende economische categorieën gemeenschappelijke belangen definiëren of wanneer zij daadwerkelijk gemeenschappelijke belangen hebben, dat wil zeggen wanneer er tussen afzonderlijke categorieën een (partieel globaal, tijdelijk of duurzaam) belangencompromis tot stand komt. Zolang de verschillen en stellingen tussen de belangen van afzonderlijke economische categorieën niet duidelijk voor iedereen zichtbaar naar voren komen, dragen deze gemeenschappelijke belangen feitelijk bij aan de stabiliteit van economische structuren en instituties.
Ondanks en naast hun tegengestelde klassebelangen hebben loonarbeiders en ondernemers bijvoorbeeld beide belang bij het afsluiten van arbeidscontracten. Elk arbeidscontract dat wordt afgesloten reproduceert kapitalistische loonafhankelijkheid, of dit nu bewust bedoeld is of niet. De belangen van loonarbeiders en ondernemers zijn dus niet monolitisch gepolariseerd (zoals in primitief marxistische en conflictsociologische benaderingen beweerd wordt). Onder normale omstandigheden, waarin klassebelangen niet sterk zijn gepolitiseerd, hebben werknemers een positief belang bij de rentabiliteit en overleving van het bedrijf waarvoor zij werken. De acceptatie van bestaande klassenverhoudingen door loonarbeiders is gedeeltelijk gebaseerd op strategische overwegingen, en niet alleen op de internalisering van burgerlijke normen en misleiding. Zo hebben ook producenten en consumenten ondanks en naast hun tegengestelde belangen er beide belang bij dat er een koopcontract wordt gesloten.
Bovendien hebben consumenten van duurzame gebruiksgoederen een specifiek belang bij de continuïteit van de leverantie door de producent. Wie een computer koopt van een bepaald merk of systeemtype heeft er op korte termijn direct belang bij dat het betreffende concern het door hem gekochte product en bijbehorende uitbreidingselementen blijft leveren; op langere termijn is dit van belang omdat de consument bij vervanging van de apparatuur verwacht dat de betreffende firma rekening houdt met compatibiliteitsproblemen en hoopt dat er geen lange leertijden meer nodig zijn. Trouw zijn aan een bepaald merk heeft dus niet alleen traditionele en effectieve redenen, maar ook nuchter becalculeerde strategische voordelen. De consument is onder bepaalde condities en voor bepaalde producten wel degelijk in staat tot een min of meer rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes.
Eenmaal gevestigde en duurzaam gearticuleerde groepsbelangen zijn intrinsiek conflictueus omdat zij tegenovergestelde belangen genereren. De realisatie van de belangen van de ene categorie impliceert in veel gevallen verzet tegen de realisatie van de belangen van een andere categorie. Bij belangenantagonismen is dit altijd het geval. Dit betekent niet dat er geen compromis mogelijk is tussen tegengestelde belangen. Het impliceert wel dat bij dergelijke compromissen meestal één specifiek belang domineert over (en gerealiseerd wordt tegen) de belangen van andere groepen. Niet het compromis is onmogelijk, maar harmonie [Wright 1985:36].
Belangenconflicten en belangencompromissen sluiten elkaar dus niet uit en moeten ook niet abstract tegenover elkaar worden gesteld. Ten eerste worden belangencompromissen gegenereerd door belangenconflicten. Het sluiten van een compromissen onderstreept de conflictualiteit van de daaraan ten grondslag liggende belangenconstellaties. Ten tweede is een belangenconflict van essentieel belang om de regels van het spel te handhaven waardoor belangencompromissen gereproduceerd kunnen worden.
Tegengestelde economische belangen zijn een uitermate krachtige conflictbron. Zij genereren permanent impulsen die leiden tot een destabilisering van de krachtsverhoudingen tussen de verschillende individuele en collectieve actoren. Economische structuren en instituties worden met name gedestabiliseerd wanneer de tegenstellingen tussen de economische belangen op een directe, ondubbelzinnige en dus voor iedereen zichtbare wijze naar voren komen. Er doen zich permanent veelal niet opgemerkte moleculaire veranderingen voor in de objectieve posities van de economische actoren die doorwerken in hun habitus en levensstijlen. Hierdoor treden ook wijzigingen op in hun belangen op lange termijn, die meestal onbewust en niet bedoeld zijn. Het zijn juist deze wijzigingen in de actuele en gedeeltelijk bewust gearticuleerde economische belangen op lange termijn waardoor er telkens opnieuw economisch conflicten uitbreken en waardoor bestaande economische structuren en instituties worden gedestabiliseerd.
Een voorbeeld hiervan zijn de verschuivingen in de internationale marktverhoudingen voor de scheepsbouw, die voor Nederland geleid hebben tot een tamelijk snelle afbraak van deze bedrijfstak, met alle sociaal deraillerende gevolgen voor de betreffende regios van dien. Een verstrekkender voorbeeld zijn de werkgelegenheidsimplicaties van de introductie van steeds geavanceerde informatietechnologieën waardoor een complete revolutie van de kantoorarbeid ingang werd gezet: van bureauwerk naar beeldschermwerk, afbraak van traditionele administratieve functies en beroepen, ontstaan van tele-thuiswerkers en export van volledige bedrijfsadministraties naar lage-lonen-landen.
4. Conventies, recht en geweld |
|---|
De mechanismen van handelingscoördinatie die we hiervoor hebben behandeld reproduceren en transformeren de bestaande economische structuren en instituties op een min of meer onbewuste wijze. Zeden en gewoontes, solidariteiten en belangen zijn niet als zodanig gericht op het instandhouden of veranderen van de bestaande verhoudingen, maar hebben wel aanzienlijke gevolgen voor hun stabiliteit. We stappen nu over naar een aantal mechanismen van handelingscoördinatie die wel direct en bewust gericht zijn op het instandhouden of veranderen van economische structuren en instituties. In deze paragraaf komen de zogenaamde 'uiterlijke' mechanismen van handelingscoördinatie aan de orde: conventies, recht en geweld aan de orde. In de paragraaf 6 wordt het 'innerlijke' mechanisme van handelingscoördinatie behandeld: legitimiteit.
4·1·1 Privileges en rechten
Door de conventionele of wettelijke normering van feitelijk
toegeëigende economische kansen wordt zowel de intra-
als intergenerationele reproductie van economische verhoudingen
uiterlijk gegarandeerd. Ik heb deze vorm van garantie uiterlijk' genoemd omdat men niet in de legitimiteit van conventionele of rechtsregels hoeft te geloven om rekening te houden met de maatschappelijke geldigheid ervan. Ook dieven houden rekening met het feit dat de eigendoms- en strafwet geldig is. Deze erkenning van de geldigheid van de eigendoms- en strafwetten komt tot uiting in het feit dat de dief zijn criminele praktijken zoveel mogelijk probeert te verheimelijken. Dit 'rekening houden met' betekent niet dat de dief normatief instemt met deze eigendomsregels.
Economische privileges zijn het resultaat van een zodanige ongelijke verdeling van feitelijke beschikkingsmacht over bronnen en beloningen dat een effectieve (en dus afdwingbare) claim op economische kansen mogelijk is. Of en zo ja door wie en in welke mate deze claims als legitiem of legaal worden erkend doet hierbij niet ter zake. Economische privileges zijn dus gedefinieerd als feitelijk toegeëigende economische kansen. In de economische en sociologische literatuur worden voor de feitelijke beschikkingsmacht vaak andere termen gebruikt zoals 'bezit' of 'economisch eigendom' (in onderscheid van 'juridisch eigendom'). Het nadeel van het begrip 'bezit' is dat het enerzijds refereeert aan 'feitelijke beschikkingsmacht', anderzijds aan 'juridisch bezit'. Om deze slingerbeweging tussen sociologische en juridische connotaties te vermjiden, zal hier het begrip 'feitelijke beschikkingsmacht' en 'economische privileges' worden gebruikt. Het nadeel van het begrip 'economisch eigendom' is dat het vooral gebruikt wordt als een rechtsbegrip. In deze analyse gaat het er juist om te laten zien dat er een essentieel verschil bestaat tussen economische privileges (gedefinieerd in termen van 'feitelijke beschikkingsmacht') en juridisch gegarandeerde beschikkingsmacht (economische rechten en eigendom).
Wanneer economische privileges uiterlijk worden gegarandeerd door conventies en/of door recht nemen zij de vorm aan van economische rechten. Economische rechten zijn dus gedefinieerd als conventioneel of wettelijk gegarandeerde economische privileges. Economische rechten kunnen zowel in sociaal als in temporeel opzicht beperkt zijn.
4·1·2 Sociale begrenzing: differentiatie, delegatie en limitatie
In sociaal opzicht kunnen economische rechten op
drie manieren worden begrensd: door differentiatie, door delegatie en door externe limitatie.
In verkoopcontracten worden meestal alle rechten van de koper overgedragen op de koper. In sommige koopcontracten wordt echter het beding opgenomen dat men het betreffende object niet mag doorverkopen (zoals bij sommige wapencontracten), niet mag verhuren of kopiëren (zoals bij videos of computerprogrammas). In alle pacht-, huur- en leencontracten worden voorwaarden opgenomen waarin de beschikking over het gebruik, het genot, de dispositie en de veruiterlijking wordt verdeeld tussen verpachters en pachter, verhuurders en huurders, verleners en leners. Gepachte, gehuurde en geleende objecten mogen niet aan derden worden doorverkocht of overgedragen. Men mag huurhuizen niet voor bedrijfsdoeleinden gebruiken en men mag bedrijfspanden niet als particuliere woning inrichten. Men mag particulier gehuurde videos niet voor commerciële doeleinden gebruiken. Men mag ingehuurde arbeidskrachten niet niet met fysiek geweld disciplineren en men mag ze niet misbruiken voor seksuele genotsdoeleinden. Men universitaire gezagsposities niet gebruiken om zich op koste van studenten te verrijken. Enzovoort, enzovoort.
Een van de in dit kader meest besproken onderwerpen is de vraag inhoeverre de klassieke kapitalistische eigendomsvorm zich empirisch heeft gedifferentieerd. In de klassieke kapitalistische eigendom waren het genotsrecht en het dispositierecht geïntegreerd. Het in kapitaaleigendom geïmpliceerde genotsrecht is een erfelijk overdraagbaar recht op een regulier arbeidsloos inkomen in de vorm van interest of dividend (kapitaal als eigendom). Het dispositierecht resp. de controlebevoegdheid in kapitalistisch georganiseerde arbeidsprocessen is afgeleid van de feitelijke en juridisch gegarandeerde beschikkingsmacht over directe of productieve bronnen (kapitaal als functie).
Genots- en dispositierecht zijn in de loop der tijd tot op zekere hoogte empirisch gedifferentieerd. Door de opkomst van naamloze en besloten vennootschappen heeft enerzijds geleid tot een spreiding van het aandelenbezit. Hierdoor is een er categorie van genieters van eigendommelijke genotsrechten ontstaan wier controlerende en of disponerende macht verwaarloosbaar klein of louter fictief is. Anderzijds bleven de strategisch relevante beschikkings- en beslissingsmachten over kapitalistische ondernemingen in handen van grote preferentiële aandelenbezitters. Het privé-eigendom van de afzonderlijke aandeelhouders is gereduceerd tot het inkasseren van dividenden (beperkt genotsrecht of recht op vruchtgebruik) en het verhandelen van bezitstitels (recht op overdracht). Hieraan is slechts een uiterst geringe juridische beschikkingsmacht verbonden die feitelijke irrelevant is. De kleine niet-preferente aandeelhouders zijn couponknippers zonder enige controlerende of dispositiemacht. Hun beperkte genotrecht zou door een (egalitair of meritocratisch gemotiveerde) stevige dividendpolitiek en een drastische belastingheffing zo ver kunnen worden teruggebracht dat zij als juridische eigenaars geen enkele beschikkingsmacht meer kunnen uitoefenen. Hun eigendomstitels zouden hierdoor tot lege, papieren rechtstitels worden teruggebracht, waardoor de institutionele beleggers en banken de enige feitelijke economische eigenaars zouden worden.
De definitieve beslissingsmacht over kapitalistische arbeidsorganisaties kan dus niet alleen intern worden gedelegeerd (zie onder), maar ook extern worden gerealiseerd. In dat geval berust de definitieve strategische beslissingmacht (inclusief het selecteren, aanstellen en ontslaan van topmanagers) in handen van eigendomsbelangen buiten de betreffende arbeidsorganisatie en worden zij gecontroleerd door handels- en financiële ondernemingen (institutionele beleggers en handelsbanken). De feitelijke beheerders zijn immers altijd de beheerders van de beheerders. De feitelijke dispositie- of controlebevoegdheden zijn dus verdeeld tussen coalities van grote aandeelhouders, raden van commissarissen, en diverse afdelingen van de ondernemingsleiding [Scott 1979:38; Zeitlin 1979, 1989; Bader/Benschop 1988: 260,380; Bottomore/Brym 1989].
|
Zo kan bijvoorbeeld het dispositierecht worden opgesplitst in afzonderlijke bevoegdheden: dispositie over investeringen, over inkoop, verkoop, reklame, technische en organisatorische vormgeving van het arbeidsproces enz. tot aan het toezicht en de controle. In dat geval wordt de delegatie van (feitelijke of juridische) beschikkingsmachten een onderdeel van de differentiatie van beschikkingsmachten. Bij differentiatie van beschikkingsmachten/rechten worden de deelbeschikkingsmachten verdeeld over actoren die meestal niet tot eenzelfde organisatie eenheid behoren, terwijl bij delegatie de beschikkingsmachten/rechten door de delegerende actor worden overgedragen aan actoren die in de regel tot hetzelfde organisatie behoren. Bij delegatie kan de overgedragen beschikkingsmacht desgewenst gemakkelijk door de delegerende actor worden teruggenomen omdat deze in een superieure positie staat ten opzichte van de delegatair. Bij differentiatie van beschikkingamachten is dit meestal niet het geval. Daarom is het verstandig vast te houden aan het onderscheid tussen differentiatie en delegatie van beschikkingsmachten/rechten. |
Door de toenemende complexiteit van kapitalistische arbeidsorganisaties waren kapitaaleigenaars genoodzaakt steeds meer ondernemersfuncties te delegeren naar een specifieke categorie van loonafhankelijken. De met toezichthoudende en leidinggevende functies belaste employés ('managers') genieten een bijzonder vertrouwen en krijgen een aantal privileges (toezichtsloon of loyaliteitsrente) en bijzonder volmachten. De beschikkingsmachten of bevoegdheden van managers zijn echter niet volledig ('nominaal') gedelegeerd, want zij kunnen desgewenst door kapitalisten/eigenaars worden teruggenomen. Deze bevoegdheden zijn ingebouwd in de maatschappelijke organisatie van de arbeid en daaraan ontlenen managers binnen zekere grenzen werkelijke autonomie en macht.
|
Om inzicht te krijgen in de relatie tussen de feitelijke machtskansen in ondernemingen en de geformaliseerde delegatie van beslissingscompetenties moeten twee onderscheidingen worden gemaakt.
De actoren worden bij de uitoefening van hun economische rechten extern beperkt door de rechten van andere actoren: het gebruiksrecht van een landbezitter wordt extern beperkt door het gebruiksrecht van de naburige landbezitter (bijvoorbeeld in verband met de risicos van zich verbreidende grondvervuiling), het recht op gebruik van huur- of koopwoning wordt beperkt door het vergelijkbare recht van de buren.
De houders van economische rechten worden bovendien beperkt door algemene conventionele of wettelijke regelingen: de economische rechten van alle actoren worden extern gelimiteerd door belastingverplichtingen (afroming van genotrecht van inkomens- en vermogenstrekkers), door premieverplichtingen, door onteigeningscondities (bij verwaarlozing van de eigendom of bij aanleg van wegen of spoorlijnen), door wettelijke reguleringen van de arbeidsverhoudingen (met betrekking tot arbeidstijden, kinderarbeid, sluitingstijden, medezeggenschap), door de economische politiek van lokale en nationale overheden (van lokale bestemmingsplannen tot nationale investeringsvoorschriften), en helaas zowel last als least - door milieuwetgeving. Alle economische transacties voltrekken zich expliciet of impliciet onder het bekende voorbehoud: behoudens de wet. Ik beperk me tot een bekend voorbeeld.
Een ondernemer die een werknemer in dienst neemt verwerft daarmee het gebruiks-, dispositie- en genotrecht over deze arbeidskracht. In de uitoefening van deze rechten wordt de ondernemer enerzijds beperkt door de rechten van de werknemer: werkneners behouden hun onvervreemdbaar recht op beschikking over de eigen persoon (het is geen slavernij), maar ook over de eigen arbeidskracht (de werknemer heeft het recht zijn arbeidscontract te verbreken om met een willekeurige andere ondernemers een nieuw contract af te sluiten).
Anderzijds wordt de ondernemer in zijn handelen extern beperkt door conventionele of wettelijke regelingen ten aanzien van arbeidstijden, minimale hoogte van het te betalen arbeidsloon en minimale omvang van het aantal arbeidsdagen, uitsluiting van kinderarbeid en bepalingen ten aanzien van minimum-jeugdlonen, regelingen met betrekking tot openings- en sluitingstijden, voorschriften met betrekking tot medezeggenschap (zoals wet op ondernemingsraden en medezeggenschapscommissies), bepalingen ten aanzien van oneigenlijk gebruik van arbeidskrachten (zoals dreigen of toepassen van fysiek geweld, seksueel misbruik) informatieverplichtingen bij fusies en bedrijfsluitingen, verplichte afdracht van sociale premies enzovoort.
Economische privileges (feitelijke beschikkingsmacht over economische bronnen en beloningen) zijn in moderne kapitalistische economieën zelden totaal dichotoom verdeeld en economische rechten (conventioneel of wettelijk gegarandeerde privileges) zijn nooit volledig of absoluut. Integendeel, de economische rechten vertonen juist een groot aantal gradaties: zij zijn bijna zonder uitzondering in meer of mindere mate gedifferentieerd, gedelegeerd en extern gelimiteerd. Dit betekent omgekeerd dat uitsluiting van de feitelijke en juridische beschikkingsmacht over bronnen en beloningen in de regel gradueel en slechts bij uitzondering totaal is. Een volledig dichotome structurering van de beschikkingsmachten is slechts een ideaaltypische denkconstructie. Volledige economische rechteloosheid is hoogstens een ideaaltypisch grensgeval meestal is het een product van verhitte agitatie en overtrokken propagandisme.
4·1·3 Temporele begrenzing
In temporeel opzicht kan de beschikkingsmacht over objecten al dan niet beperkt zijn tot een bepaalde tijdsperiode [zie Weber, WG: 202 over de stadia van appropriatie en Bader/Benschop 1988:250-1]. Bij een temporeel beperkte toeëigening kan de termijn van het recht al dan niet van te voren zijn vastgelegd. Bij een getermineerd recht wordt de periode van de toeëigening bij voorbaat vastgelegd. Deze periode kan zeer kort, maar ook zeer lang zijn. Een voorbeeld van een kortdurend recht is het gebruiks- en dispositierecht dat men verwerft bij het huren van een auto of video, of door het kopen van een kaartje voor een filmvoorstelling. Een voorbeeld van een langdurend is een pacht- of huurcontract van honderd jaar of een hypotheekcontract van dertig jaar.
Sommige economische privileges en rechten zijn echter helemaal niet aan een specifieke, van te voren bepaalde tijdsperiode gebonden. Ook bij een ongetermineerd recht kan de termijn van de toeëigening zeer kort of zeer lang zijn. Wanneer in een onderneming een bepaalde beslissingsbevoegdheid tot opzegging wordt gedelegeerd, kan deze bevoegdheid na zeer korte tijd weer worden teruggenomen; ook leverantie- of huurovereenkomsten zonder contractueel vastgelegde tijdslimieten kunnen onder bepaalde voorwaarden snel en eenzijdig worden verbroken. Een ongetermineerd recht kan echter ook zeer lang duren, zoals bijvoorbeeld bij benoemingen voor het leven. De meest vergaande vorm van een ongetermineerde recht zijn de rechten die in geval van overlijden van de actuele eigenaar worden overgedragen aan een of meerdere personen die door verwantschappelijke of andere sociale relaties met de houder van de rechten verbonden zijn, of aan anderen die door hem/haar worden aangewezen. Dit is niet alleen kenmerkend voor intergenerationeel verwantschaps- of familie-eigendom, maar ook voor onbeperkt organisatie-eigendom (zoals corporatief en staatseigendom).
Erfelijke overdracht kan dus zowel plaatsvinden via intergenerationele overdracht op basis van verwantschap als op basis van coöptatie. Dit laatste geldt in het bijzonder voor de houders van topfuncties van ondernemingen die een feitelijk en juridisch verankerd monopolie op de ondernemingsmacht hebben. Zij zijn vergelijkbaar met de vorsten en koninklijke families die hun sublieme macht aan hun troonsopvolgers doorgeven en met het Centraal Comité van de voormalige Sovjet-Unie die haar nieuwe leden selecteerde lang de weg van coöptatie.
In temporeel opzicht bieden erfelijke rechten een maximaal bereikbare stabiliteit van economische structuren en instituties. De reden hiervan is dat door erfelijke rechten de intra- en intergenerationele mobiliteit aanzienlijk wordt beperkt. Dit impliceert dat economische posities langdurig door dezelfde personen worden bezet of dat zij bij overlijden van de actuele houder door hun opvolgers worden geërfd. Door deze overerving worden niet alleen economische rechten overgedragen (gecontinueerd en gestabiliseerd), maar wordt tevens een continue grondslag gelegd voor het ontstaan van een gemeenschappelijk habitus, collectieve levensstijlen, gemeenschappelijke levenservaringen en hechte collectieve identiteiten. De temporele dimensie van economische rechten heeft dus een enorme invloed op de blokkering van sociale mobiliteit (het schept harde mobiliteitsbarrières) en daarmee op de consolidering van in sociaal-cultureel opzicht relatief homogene collectiviteiten. Het meest bekende resultaat hiervan is de relatieve stabiliteit meer of minder sterk gehomogeniseerde beroepsgroepen, organisationele elites en sociale klassen.
4·1·4 Eigendom
Eigendom wordt vaak gedefinieerd als een 'bundel rechten' [Macpherson 1978:3,5]. Dit betekent echter niet dat elke bundel rechten ook als 'eigendom' kan worden beschouwt. Van eigendom is slechts sprake wanneer economische rechten in temporeel opzicht onbeperkt (niet-getermineerd) zijn en erfelijk kunnen worden overgedragen.
| Het verschil tussen rechten en eigendom wordt hier dus niet vanuit de sociale dimensie van stabilisering benaderd, maar vanuit de tijdsdimensie. De afbakening van het eigendomsbegrip wordt uitvoerig beargumenteerd in Bader/Benschop [1988:253-64]. |
Economische structuren en instituties veranderen zodra er wijziging optreden in de verdeling van de structuur van de privileges, rechten en eigendommen. Verandering van economische structuren en instituties vindt plaats door een bewuste en als zodanig nagestreefde verandering van de conventies en met name van het gepositiveerde recht.
Door deze geïnstitutionaliseerde normering worden niet alleen de bestaande eigendomsverhoudingen gegarandeerd, maar wordt tevens de specifieke vorm van het recht op toeëigening van meerarbeid, dat wil zeggen het recht op exploitatie verankerd en verduurzaamd. De conventionele en wettelijke normeringen zijn echter niet tot eigendoms- en erfrecht beperkt. Er zijn nog andere aspecten van de economische structuren en instituties die conventioneel en/of wettelijk worden genormeerd.
4·2·1 Conventies
Conventie is een specifiek type van garantie van economische structuren en instituties. Kenmerkend voor conventies is de wijze waarop de geldigheid van de normen uiterlijk wordt gegarandeerd: conventionele regels worden gegarandeerd door het feit dat degene die van de gedragsregels afwijkt de kans loop op "een betrekkelijk algemene en praktisch voelbare afkeuring" [Weber WG:17]. We hebben eerder gezien wat het mechanisme van sociale controle is dat voor economische zeden kenmerkend is. Anders dan bij zeden worden bij conventies de regelmatigheden expliciet opgevat als
normen of normerende regels. Conventies objectiveringen van een specifiek soort normatieve gedragsverwachtingen.
De normerende regels worden gegarandeerd door het dreigen met of toepassen van negatieve sociale sancties zoals openbare afkeuring en verdachtmaking ('infamia'), uitsluiting, boycot of staking. Conventies worden dus gestabiliseerd door de vrees voor externe sociale sancties die het voor een actor individueel rationeel maken om de in conventies geïmpliceerde normen te respecteren.
Om te verklaren waarom mensen soms lijken te handelen tegen hun eigen materiële eigenbelang, hoeft men geen beroep te doen op 'interne variabelen' zoals emotionele gevoelens of rechtvaardigheidsopvattingen. Het is voldoende wanneer men kan aantonen dat het alternatief nog slechter is, d.w.z. dat de tasbare kosten van het schenden van een conventie groter zijn dan de tastbare kosten om ze te respecteren.
Er is al eerder op gewezen dat de normen die het economisch handelen van actoren beïnvloeden in meer of minder vergaande mate zijn geïnstitutionaliseerd. Geïnstitutionaliseerde normen vormen de morele context van de lokale, bedrijfsspecifieke, nationale of internationale economische verhoudingen. Deze morele context bestaat uit een serie dwingende normen en voorkeuren met betrekking tot de relaties tussen economische actoren, en worden grotendeels uitgedrukt in het idioom van patronage, ondersteuning, welwillenheid en hulpvaardigheid.
Deze normen worden niet alleen toegepast op gezagsuitoefening (eerlijke behandeling), arbeidsrelaties (verantwoorde beroepsuitoefening), beloning (rechtvaardig loon voor fatsoenlijke arbeid), en alle vormen van economische transacties (bonafide handel), maar ook op liefdadigheid (van heersenden of rijken wordt verwacht dat zij charitas bedrijven), het geven van feesten en op het gedrag in de alledaagse omvang (zoals de gepaste wijze van begroeting en de afstand die men daarbij geacht wordt te houden).
Actoren die aan deze normatieve verwachtingen voldoen kunnen rekenen op respect en sociale erkenning en worden loyaal behandeld. Het is een politics of reputation (Bailey): in ruil voor steun aan een bepaalde gedragscode krijgt men een goede naam [J.C. Scott 1985:185].
De keerzijde daarvan is een politiek van sociale sancties. Actoren die afwijken van de normen die in de morele context zijn geïnstitutionaliseerd verliezen niet alleen het respect en de loyaliteit van degenen waarmee zij transacties plegen, maar vaak ook van de leden van de eigen economische categorie. Hier volgen een paar voorbeelden.
De antropoloog Evans-Pritchard [1950:35] heeft in zijn studie over de Afrikaanse stam van de Nuer laten zien dat de plicht om verwanten die minder hebben te helpen er toe leidt dat een Nuer op den duur niet meer bezit dan anderen. Een Nuer die meerdere speren en bijlen bezit, verliest deze op den duur. Dit leidt er onder andere toe dat bijzonder begeerde objecten vaak worden verstopt om later als tegenprestatie voor bijzondere diensten te worden weggegeven. Ook bij andere onderzochte stammen bestaan sterke generositeitsnormen. Wie daarvan afwijkt kan zelfs met de dood worden bestraft [Worsley 1984:88].
In segmentaire maatschappijen bestaat wel ongelijkheid in rijkdom, maar deze is meestal slechts tijdelijk en wordt nog niet duurzaam gestabiliseerd. Verschillen in rijkdom worden intragenerationeel genivelleerd door deeldwang en intergenerationeel door erfelijke overdracht (bezittingen die ouders tijdens hun leven vergaren worden slechts verspreid of gedeeld aan hun kinderen overgedragen). De bezitsverschillen zijn dus transitief omdat zij via sociale herverdeling (deeldwang) of natuurlijke nivellering telkens weer verdwijnen en niet geaccumuleerd kunnen worden.
Diepverankerde generositeitsverwachtingen zijn ook verantwoordelijk voor het feit dat vooral ook stamhoofden conventioneel verplicht waren hun overtollige rijkdom met anderen te delen, waardoor hun accumulatiemogelijkheden werden beperkt. Voor een aantal Zuid-Amerikaanse stammen is dit verschijnsel gedocumenteerd door Lévi-Strauss.
| Zie voor vrouwenruil en exploitatie van vrouwen in segmentaire samenlevingen en huishoudelijke gemeenschappen: Benschop [1993/2012:154-63 VI, §5] en de daar aangehaalde literatuur. |
Antropologisch studies bieden opmerkelijke illustraties van egalitair geïnspireerde reacties tegen prominenten (rijke mannen en instanties) en van intimidatie van patriarchen door (vrouwelijke) hekserij. Dorpsroddel, verdachtmakingen en hekserij tegen rijke en machtige individuen zijn een sanctie op de schending van de verwantschappelijke ondersteuningsplichten. Het centrale motief voor reacties tegen rijke, machtige of prominente personen is afgunst en wordt gevoed door de overtuiging dat bijvoorbeeld rijkdom het gevolg is van een onrechtmatige toeëigening [Sigrist 1979:130,190].
Hekserij is het agressieve antwoord van de minder tegenover de meer geprivilegieerden. Hekserij is het wapen van de zwakkeren en de armen. De rijken en de leiders hebben veel meer te vrezen van hekserij dan de arme man en de volgeling [E. Winter, geciteerd bij Sigrist]. Verdachtmakingen, roddel en karaktermoord zijn sociale sancties waarmee het overtreden conventies wordt bestraft [J.C. Scott 1985:228,234 e.v.,262,282, 284,290; Geschiere 1983:608].
In veel traditionele stammen beheerst men tot op de dag van vandaag zeer goed de kunst om al te autoritaire figuren een toontje lager te laten zingen. Het feit dat gezagsposities buiten het huishouden niet voorkomen, wil niet zeggen dat er geen streven naar distinctie, macht en prestige bestaat. Het streven naar distinctie, macht en prestige wordt echter beperkt door de angst voor sancties. In segmentaire maatschappijen wordt sociale gelijkheid dus beperkt en gestabiliseerd door de empirische gelding van gelijkheidsnormen: gelijkheidsgedrag vloeit niet voort uit een gebrek aan alternatieven, maar uit gelijkheidsnormen. Daarom reageren de leden van segmentaire samenlevingsverbanden zelf op overtredingen van de gelijkheidsnormen. En daarom is het niet tautologisch om te zeggen dat de oriëntatie op gelijkheidsnormen in segmentaire maatschappijen de sociale gelijkheid reproduceert en stabiliseert.
In patrimoniale of feodale verhoudingen kan de uitbuiting van onderhorigen worden beperkt zonder de belangen van de heer te schenden, omdat deze nog niet worden gedicteerd door het in principe ongelimiteerde winststreven [Weber, WG:583; J.C. Scott 1976]. De landheer die zijn conventionele verplichtingen ten opzichte van zijn pachters verwaarloost, wordt een object van hartgrondige verachting en verliest zijn goede naam. Een kleine pachter die zijn landheer deemoediger dan noodzakelijk bejegent en meer diensten verleend dan waartoe hij conventioneel verplicht is, wordt door zijn dorpsgenoten met de nek aangekeken.
Zowel de rijke boeren als de arme pachters proberen een zodanige interpretatie van de situatie te geven dat deze prekapitalistische waarden in dienst staan van hun eigen partijdige klassedoelen. Normatieve verwachtingen (i) dat degenen die relaties in goede doen zijn genereus moeten zijn aan hun minder gefortuneerde burren en verwanten (ii) dat dergelijke generositeit zou niet in een vernederende vorm geuit moest worden en (iii) dat nog de rijke noch de arme zich op arrogante of schaamteloze manier gedragen. De inhoud van dit normatieve drama is dit: wie is in goede doen?, hoe genereus moeten zij zijn?, welke vormen moet hun generositeit aannemen?, welke vormen van ondersteuning/hulp zijn verenigbaar met waardigheid?, welk gedrag is arrogant en schaamteloos? Binnen deze brede context hebben zowel rijken als armen praktische stategieën ontwikkeld om de normatieve principes zoveel mogelijk in hun eigenbelangen te laten werken [idem: 198].
Ondernemers die zich onvaderlijk gedragen lopen evenzeer kans op algemene afkeuring zo niet verachting binnen een bedrijfsgemeenschap als arbeiders die zich onfatsoenlijk gedragen. Arbeiders en ondernemers kunnen zich strategisch oriënteren op (het bestaan van) conventies. De morele context biedt een kader waarbinnen rivaliserende normatieve definities van wederzijds verplichtingen worden ontwikkeld en waarbinnen de conflicten tussen werkgevers en werknemers worden uitgevochten.
|
|
| Ook gemeenschappen van asceten hebben belang bij hoogwaardige prestaties omdat de goden en demonen hun toorn over valse manipulaties kunnen richten tegen alle leden. In bijna alle primitieve stammen werden daarom personen die vals zongen tijden een rituele dans gestraft. De ridderordes hadden belang bij goede prestaties vanwege hun professionele reputatie, maar ook direct voor hun militaire veiligheid. Lokale ambachtslieden staan erop goede prestaties te leveren om de goede naam van hun waren hoog te houden. |
|
De hoofdverdachte Van Nieuwenhuyzen zou met de beschikking over geheime informatie ruim 4 miljoen aandelen van het automatiseringsbedrijf HCS op de beurs hebben gedumpt. Bovendien zou hij valsheid in geschrifte hebben gepleegd om dat feit te verdoezelen. Jelgersma, de eigenaar van de levensmiddelengroothandel Unigro, vergoeilijkte zijn optreden door erop te wijzen dat zijn beslissing om HCS aandelen te kopen gebaseerd was op "een vals jaarverslag met een opgeblazen winst en een accountantsrapport vol list en bedrog". Hij meende dat zijn handelwijze "in dit rattennest van list en bedrog" [Volkskrant 25394] de enige juiste was. De verdachten werden na tweeënhalf jaar door de Amsterdamse vrijgesproken omdat misbruik van voorwetenschap bij de verkoop van HCS-aandelen niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. Veel juristen trokken hieruit de conclusie dat de in 1989 ingevoerde Wet Misbruik Voorwetenschap bij het oud vuil kan worden bijgezet. Onder druk van de beurs werd door de regering een wettelijke regeling in elkaar gedraaid die de indruk moest wekken dat beleggers in Amsterdam, evenals in New York en Londen met gelijke kansen opereerden. Sinds de introductie van deze wet werden tientallen zaken voortijdig geseponeerd. Bij de enige zaak waar tot nu toe daadwerkelijk strafvervolging werd ingezet, overspeelde het Openbaar Ministerie haar hand tegenover drie van de rijkste mannen van Nederland. De toch al beperkte wetsbepaling werd door de Amsterdamse rechter zo beperkt geïnterpreteerd dat koersorkestratie onder valse naam in Nederland kennelijk geoorloofd is, althans dat de opdrachtgevers vrijuit kunnen gaan. Het proces heeft in ieder geval duidelijk gemaakt hoe moeilijk het is om misbruik van voorwetenschap wettig en overtuigend te bewijzen. Wanneer beleggers met duidelijke voorkennis handelen onder eigen naam of die van een familielid, kunnen zij zich tamelijk gemakkelijk indekken tegen mogelijke strafvervolging. De opsporing en bewijsvoering van misbruik van voorwetenschap wordt door veel factoren bemoeilijkt. Ten eerste lijkt het een slachtofferloos delict omdat beurstransacties massaal en anoniem tot stand komen. Daarom is justitie bijna helemaal aangewezen op aangifte door de toezichthouders op de beurs. Deze toezichthouders kunnen een onderzoek instellen naar verdachte koersbewegingen die een indicatie zouden kunnen zijn van misbruik van voorkennis en koersmanipulatie. Een dergelijk onderzoek loopt echter snel vast, vooral wanneer beursmanipulatoren op professionele wijze gebruik hebben gemaakt van het inschakelen van tussenpersonen in het buitenland. Ten tweede laten beurstransacties weinig sporen na die bovendien gemakkelijk zijn uit te wissen. Het Openbaar Ministerie staat daarom voor enorme problemen om de bewijslast rond te krijgen. Deze problemen zijn alleen maar groter geworden sinds de Amsterdamse rechtbank de bewijslast heeft verzwaard door de eis dat ook de richting van de koersbeweging voorspelbaar moet zijn. Tot veler verrassing werd Van den Nieuwenhuyzen uiteindelijk toch in hoger beroep veroordeeld. Het Amsterdamse hof achtte misbruik van voorwetenschap in aandelen HCS bewezen en veroordeelde hem op 17 oktober 1994 tot 6 maanden gevangenisstraf (waarvan 3 maanden voorwaardelijk) en een geldboete van 100.000 gulden. Volgens de vice-president J. Willems - die hiermee zijn bijnaam als 'Beul van Amsterdam' bevestigde - heeft de topman van Begemann "het internationale en nationale vertrouwen in de Amsterdamse effectenbeurs geschaad. Ook heeft Van den Nieuwenhuyzen grote financiële voordelen gehad". Het effectenkantoor Suez Kooijman - dat de verkooptransactie voor Van den Nieuwenhuyzen in 1991 uitvoerde - werd door het hof veroordeeld tot een boete van 50.000 gulden. De rechters achtten het bewezen dat het kantoor zich schulig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte om de transactie in HCS-aandelen te verdoezelen. Het onderzoek van het controlebureau van de beurs naar de HCS-transactie werd tegengewerkt door het verspreiden van een valse affairelijst en effectennota, waarin de indruk werd gewekt dat de transactie was gedaan door een buitenlands effectenhuis. De twee andere financiers van de HCS, Albada Jelgersma en Melchoir, waren in dit hoger beroep niet gedagvaard. Het lijkt echter waarschijnlijk dat het Openbaar Ministerie ook deze twee alsnog ter berechting voor het hof zal brengen. Het Openbaar Ministerie was uiteraard tevreden over de uitspraak. Zij beschouwt de uitspraak van het hof als 'eerherstel voor de officier van justitie' (die tijdens het proces in april nog werd uitgemaakt voor incompetente sufferd). Ook de Amsterdamse beurs - die eind 1991 als eerste haar nek uitstak en zelf aangifte deed van misbruik in de HCS-zaak - reageerde positief op de uitspraak. Het beursbestuur is vooral tevreden over het feit dat het hof op essentiële punten helderheid heeft verschaft in voorkenniszaken. Dat het hof dit keer de werking van de Wet Misbruik Voorwetenschap aanzienlijk heeft verruimd, is uiteraard niet naar de zin van de veroordeelde multimiljonair, die eind jaren tachtig nog de meest populaire en bewonderde ondernemer van Nederland was. In zijn verdediging had Van den Nieuwenhuyzen aangevoerd dat hij met de transactie de koers van het aandeel HCS slechts had willen 'orkesteren', 'regisseren' of 'stabiliseren' (wat in Nederland niet wettelijk strafbaar is). Tijdens het proces gaf hij toe dat hij niet alleen met aandelen van HVS had gemanipuleerd, maar ook met aandelen van vele andere fondsen. De veroordeelde beursrommelaar is er zelf van overtuigd dat de Hoge Raad hem uiteindelijjk vrij zal spreken. Door zijn strafrechtelijke veroordeling is de reputatie van Begemann topman Van den Nieuwenhuyzen echter zwaar geschonden: wie zal het nog wagen geld te steken in een bedrijf waarvan de eerste man schuldig is bevonden aan misbruik van voorwetenschap?
|
Economische structuren worden niet alleen uiterlijk gegarandeerd door conventies (sociaal gesanctioneerde normen), maar ook door rechten (juridisch gesanctioneerde regelsregels). De volgorde waarin zij hier behandeld worden impliceert niet dat gevestigde conventies altijd het fundament van rechtsregels zijn en dat de rechtsregels per definitie historisch secundaire of van conventies afgeleide fenomenen zijn. Sommige conventies ontstaan pas nadat er bepaalde rechtsregels langere tijd zijn geïnstitutionaliseerd - conventies kunnen dus ook van het recht zijn afgeleid.
Rechten zijn niet per definitie legitieme rechten en kunnen dus in eerste instantie los van de empirische legitimiteit van rechtsnormen worden geanalyseerd. De empirische legitimiteit van rechtsnormen is altijd een graduele kwestie. De normen die in rechtsregels zijn vervat zijn empirisch gezien immers alleen maar geldig voorzover het handelen van actoren feitelijk in overeenstemming is met de subjectief bedoelde zin van rechtsregels [Weber, WG 17; WL:444 e.v.]. Bovendien moet er rekening worden gehouden met het feit dat ook de rechtsnormen die in parlementair-democratische rechtsstaten gelden op een aantal punten op gespannen voet staan met de normen van een democratische ethiek. De empirische legitimiteit van rechtsnormen is dus slechts één, in meer of mindere mate relevante grondslag van de rechtsgelding. Recht is dus niet eenvoudig legitiem, ze is dat niet empirisch en ook niet in de zin van ethische theorieën [Bader/Benschop 1988:271]. Daarom wordt er in de transformationele economische sociologie niet met een ethisch rechtsbegrip geopereerd, maar met een kritisch sociaal-wetenschappelijk rechtsbegrip.
Dat economische structuren en instituties door rechtsregels worden gegarandeerd is historisch gezien tamelijk evident. We hebben eerder gezien dat rechtsregels niet alleen de bestaande verdelingen van bronnen en beloningen sanctioneren (door eigendoms- en erfrecht, door belasting- en sociale zekerheidsrecht), maar ook de verdeling van de actoren over economische posities. Het recht kan echter ook fungeren als een mechanisme waarmee economische verhoudingen en instituties veranderd kunnen worden. De seculiere strijd tussen de economische belangengroepen wordt immers uiteindelijk uitgevochten op het politieke niveau van de maatschappij. Zij wordt uitgevochten in de strijd om de institutionalisering van rechten, d.w.z. om mensenrechten, burgerrechten en sociale rechten.
De politieke strijd tussen de maatschappelijke klassen concentreert zich telkens weer rond de rechten die uitbuitingsverhoudingen gegandereen. Het politieke handelen van leden of vertegenwoordigers van exploiterende klassen is direct of indirect gericht op het behouden en bestendigen van hun gelegaliseerde en gepantserde beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en daarmee van hun aanspraken op de meerarbeid van producerende klassen. Wanneer leden en vertegenwoordigers van geëxploiteerde en afhankelijke klassen de politieke arena betreden dan treden zij op voor het versoepelen of beperken van de rechten die hun exploitatie garanderen en voor het uitbreiden van hun participatie- en democratische beslissingsrechten.
De rechten die uitbuitingspraktijken en klassenverhoudingen garanderen zijn dus altijd inzet én resultaat van politieke strijd. In kapitalistische maatschappijformaties treden vertegenwoordigers van de subalterne, geëxploiteerde klassen op voor specifieke democratiseringsprogrammas. Met betrekking tot de arbeidsverhoudingen bepleiten zij algemene rechten die de tegenstelling tussen het najagen van particuliere belangen en de toewijding aan gemeenschappeljke belangen verzachten en democratische vormen van arbeidsorganisatie stimuleren.
Een onorthodoxe programma voor radicale democratisering zou men in aansluiting op Roberto Unger [1987:506-39] zou minstens de volgende vier rechten moeten bevatten.
The whole constitutional scheme takes away the legal basis for concentrating in a few hands the power to direct other peoples labor: its goals, forms and rewards. To prevent the emergence of economic entitlements that enable individuals to control large amounts of labor, property must be disaggregated : not handed over lock, stock, and barrel to the capitalist, the government, or the enterprise work force. Disaggegrate property (rather than transfer it) is what the reformed regime of capital does [idem: 508].
Figuur 8·2 Handelingscoördinatie, gedragsverwachtingen en sancties
| Type gedragsverwachtingen | Type sancties | |
|---|---|---|
| Gewoonten & Zeden | Geobjectiveerde gedragsverwachtingen | Lichte sociale sancties: grotere of kleinere ongemakken zoals pesten en treiteren, vaderlijke vermaning |
| Conventies | Geobjectiveerde normatieve gedragsverwachtingen |
Zware sociale sancties: betrekkelijk algemene afkeuring d.m.v. verdachtmakingen, en roddel, karaktermoord en hekserij, verstoting en uitsluiting, staking en boykot |
| Rechten | Geobjectiveerde en geformaliseerde normatieve gedragsverwachtingen |
Juridische sancties: dreigen met of toepassen van fysiek geweld (politioneel en justitieel geweld; lijfstraffen en detentie) |
5. Fysiek geweld |
|---|
Het voortbestaan van economische structuren en instituties wordt niet alleen uiterlijk gedekt door conventies en wetten, maar ook door fysiek geweld. Het dreigen met of toepassen van sperieur fysiek geweld door een staf van geweldsspecialisten is de laatste dekkingsgarantie van economische verhoudingen die juridisch en statelijk zijn gegarandeerd. Een werkelijke of dreigende aantasting van de bestaande economische eigendomsverhoudingen en kerninstituties kan met legaal, semi-legaal of illegaal fysiek geweld effectief worden bestreden. Het feitelijke gebruik van of de dreiging met fysiek geweld is daarbij primair, en niet of het gewelddadige optreden legaal of illegaal is. Stakingen die wettelijk gezien legaal waren, werden maar al te vaak gebroken doordat ondernemers hun toevlucht namen tot niet-legaal particulier geweld.
Zo fungeerde destijds het absolutisme als een machtsapparaat van feodale gezags- en uitbuitingsverhoudingen. Het absolutisme was vooral ontworpen om de boeren met geweld terug te dringen in hun traditionele sociale en politieke afhankelijkheidspositie - ondanks en tegenover de winst die zij behaald hadden door de verzachting van hun schulden. De absolutistische staat fungeerde niet als arbiter tussen de oude aristocratie en de bourgeoisie, en was ook zeker geen instrument van de opkomende bourgeoisie tegenover de aristocratie. Het was veeleer het nieuwe politieke schild van de bedreigde adel [Anderson 1974:18 e.v.]. Het politieke regime van de absolute monarch was erop gericht de feodale heerschappij en exploitatie te handhaven in een periode waarin de wareneconomie zich begon te ontplooien. De bloedige geschiedenissen van de onderdrukking van opstandige boeren, en van lokale, regionale en nationale boerenopstanden zijn het gevolg geweest.
Superieur geweld was een doorslaggevende factor voor het ontstaan van zeer uiteenlopende nieuwe uitbuitings- en klassenverhoudingen.
|
Het scheepsproletariaat, dat in belangrijke mate bijdroeg tot de welvaart van deze Gouden Eeuw leidde een hard leven vol ontberingen en gevaren. De zeelieden moesten zich met een een schamel bestaan tevreden stellen [Harmsen 1975:29]. Uit angst voor onrust en opstandigheid onder de varensgezellen organiseerde de kooplieden de kaapvaart en andere expedities om hen aan werk te helpen. Zeeroof als werkverschaffing noemt Presser dit in zijn geschiedenis van De Tachtigjarige Oorlog. Want de matroos hield zijn handen niet altijd thuis en het kon wel eens gebeuren, dat een hoge sinjeur van de admiraliteit op straat werd lastig gevallen door werkloos bootsvolk; men kon ze dan nog beter het zeegat uitsturen. Het is geen wonder dat deze slecht behandelde, slecht betaalde en door hun kapiteins bovendien vaak bestolen lieden, die tenslotte op de onderbemande schepen werden afgebeuld, zich buitengaats dikwijls op ergerlijke wijze misdroegen; zij ontzagen zich niet, in Schotland de kerken te plunderen, in Oost-Friesland de arme mensen van alles te beroren; bij het onderzoek van Franse en Engelse koopvaarders deinsden zij niet terug voor moord en diefstal; vooral de kaapvaart droeg … tot deze verruwing bij. En doordat hier voortdurend groot aanbod van zeelieden bestond, vooral ook van buiten: 'slaafachtige en ondeugende arme vreemdelingen' die in slappe tijden de dorpen afbedelden, was er hier steeds een arbeidsreserve, waaruit de reders tegen hongerlonen konden putten [Presser 1941:199, aangehaald door Harmsen]. |
De genese van een specifieke arbeidswijze en van de daarin verankerde klassenverhoudingen moet duidelijk worden onderscheiden van haar economische structuur en dus ook van de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de reproductie en transformatie van deze structuur. Marx retrospectieve analyse van de oorspronkelijke accumulatie is hiervan het klassieke voorbeeld. Het is een genealogie van de elementen die de structuur van de kapitalistische arbeidswijze vormen. Bruut geweld speelt een cruciale rol om het scheidingsproces tussen arbeiders en arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen en aan de ene pool de maatschappelijke productie- en bestaansmiddelen in kapitaal om te zetten en aan de andere pool de volksmassa te veranderen in loonarbeiders. Zoals het geld met natuurlijke bloedvlekken op de ene wang ter wereld komt (Augier), zo wordt het kapitaal geboren van kop tot teen, uit alle poriën, druipend van bloed en vuil (Marx).
Het verschil tussen de gewelddadige oorzaken van het ontstaan en de reproductieve oorzaken van het bestaan van de kapitalistische arbeidswijze werd door Marx als volgt samengevat.
| Max Weber argumenteert methodisch gezien op precies dezelfde manier als Marx: Weber [PE:169, 285; RS:36 e.v., 55 e.v., 204]. Zie voor een korte interpretatie: Bader/Benschop [1988:57] en uitvoeriger Benschop [1987/2012 - 2. Sociale sluiting: § 4]. |
In gestabiliseerde en genormaliseerde economische structuren treden de mechanismen op de voorgrond die verantwoordelijk zijn voor hun continue reproductie en hun langzame, vaak onopgemerkte transformatie. De dominante mechanismen van handelingscoördinatie in alledaagse of normale situaties zijn de - door opvoeding en socialisatie getransmitteerde - tradities, gewoontes en zeden in combinatie met de stomme dwang van de economische verhoudingen [Marx, MEW 23:765]. In buitengewone of crisissituaties, waarin het labiele evenwicht in de krachtsverhoudingen tussen de klassen is verbroken, neemt daarentegen de betekenis van geweld en legitimiteit toe [Bader/Benschop 1988:274]. Perioden van verhitte klassebotsingen zijn culminatiepunten van politiek klassehandelen die ingrijpende sociaal-economische structuurveranderingen tot gevolg kunnen hebben. De oorzaken die leiden tot een meer of minder snelle verandering van economische structuren en instituties zijn dus niet noodzakelijkerwijze identiek met die van hun normale reproductie.
In kapitalistische maatschappijformaties heeft zich in bepaalde periodes een verharding van de staatsmacht voorgedaan die men kan vergelijken met die tijdens de absolutistische monarchieën. Dit gebeurde vooral in situaties waarin er tussen de politiek gemobiliseerde sociaaleconomische klassen een labiel krachtsevenwicht bestaat en geen der betrokken partijen in staat is om hun centrale doelstellingen te realiseren. Het zijn politieke conjuncturen waarin de progressieve actoren niet meer in staat zijn verdergaande hervormingen af te dwingen respectievelijk de hiervoor noodzakelijk macht in de staatsapparaten te veroveren, terwijl de actoren van behoud niet meer in staat zijn het georganiseerde verzet te breken of zodanig te reguleren (pacificeren en institutionaliseren) dat de continuïteit van de oude economische structuren en instituties weer veiliggesteld worden. Het progressieve oppositionele blok kan haar bronnen niet meer verder mobiliseren omdat zij onvoldoende greep heeft op de centrale machtsapparaten van de staat. Het het conservatieve blok aan de macht is daarentegen niet meer in staat om de reeds verworven rechten ongedaan te maken.
De geschiedenis leert dat in dergelijke situaties de normale burgerlijke gezagsvormen (republiek en constitutionele monarchie) vaak vervangen worden door de zogenaamde uitzonderingsregimes. Dat wil zeggen door extreem autoritaire of totalitaire regimes zoals militaire, bonapartistische of fascistische dictaturen. De geblokkeerde krachtsverhouding tussen de elkaar bestrijdende politieke krachten wordt door deze dictaturen op een specifieke wijze ingevuld:
Dergelijke uitzonderingsregimes zijn natuurlijk (per definitie) niet maatgevend voor het economisch systeem van het kapitalisme. Het zijn tot op zekere hoogte abnormale fenomenen die zich in West-Europa voordeden tijdens het Duitse en Italiaanse fascisme en onder de iets recentere militaire dictaturen in Portugal, Griekenland en Spanje. Men hoeft echter het vizier maar iets meer te openen om te beseffen dat zich op wereldschaal toch zeer veel abnormale situaties voordoen, waarbij het fysieke geweld een prominente rol speelt.
In maatschappijformaties die op kapitalistische leest geschoeid zijn, werd en wordt nog steeds fysiek geweld gebruikt om zelforganisatie van werknemers te onderdrukken.
| Ook in Nederland was het verbod om zich te organiseren en te staken lange tijd geen dode letter. In 1869 werd in Rotterdam een man tot 2 jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij spoorwegarbeiders tot staking had aangezet. Hij werd veroordeeld terzake van onderlinge samenspanning of vereeniging van de zijde der werklieden (spoorwegwerkers) om tegelijkertijd het werk te doen ophouden en duurder te maken, door een begin van uitvoering achtervolgd en door dezen beklaagde als hoofd- en aanlegger gepleegd [Hudig 1904:121 - De vakbeweging in Nederland (1866-1878) Amsterdam]. Volgens Harmsen [1974:46] betrof de veroordeling wegen het aanzetten tot staking altijd ongeschoolde arbeiders en liet men stakende vakarbeiders ongemoeid. In 1872 formeel het coalitie-verbod ingetrokken: stakingen waren daarna niet meer strafrechtelijk vervolgbaar, behalve in het geval van overheidspersoneel en spoorwegemployés. |
Ook het paramilitaire geweld tegen vakbonden, de bloedige terreur tegen haar leden en de fysieke eliminatie van haar leiders fungeren dus als feitelijke garantie voor de instandhouding van de ondernemersmacht en -privileges.
In de officiële arbeidsverhoudingen zoals wij die in Nederland kennen speelt fysiek geweld als zodanig een relatief geringe rol. De dreiging van fysiek geweld blijft echter als laatste dekkingsgarantie op de achtergrond altijd aanwezig. Na 1872 waren stakingen in principe niet meer strafrechtelijk vervolgbaar, behalve in het geval van overheidspersoneel en spoorwegemployés. De werkstaking wordt als een gegeven feit, als een soort niet wettelijk geregeld sociaal grondrecht aanvaard [→ Panhonlibco-arrest].
Stakingen vallen niet meer onder het strafrecht, maar kunnen nog wel civielrechtelijk aanhangig worden gemaakt. Rechters kunnen met een beroep op het algemeen belang of op de onevenredigheid van doel en middelen een staking verbieden of een stakingsverbod opleggen. Vakbonden kunnen voor de rechter worden gedaagd wanneer zij een niet-rechtmatige staking organiseren. Stakers kunnen individueel ter verantwoording worden geroepen wanneer zij meedoen aan een onrechtmatige staking of bedrijfsbezetting.
Stakende arbeiders gebruiken in Nederland zelden fysiek geweld tegen halstarrige ondernemers of tegen stakingsbrekers. Het met fysiek geweld bedreigen van onderkruipers (stakingsbrekers) komt waarschijnlijk frequenter voor, hoewel daarover slechts indidentele en anekdotische gegevens bekend zijn.
|
De Hoge Raad beriep zich daarbij op de wet van 1953 op de arbeidsovereenkomsten. Daarin werd voor werknemers de verplichting vastgelegd dat zij goed werk voor goede beloning zouden verrichten, en op de juiste (wettelijk bepaalde) wijze zouden melden dat zij ontslag namen. Een staking werd in strijd met deze verplichtingen geacht: stakende werknemers zouden een daad van niet-nakomen van hun verplichtingen plegen (een individuele wanprestatie) en vakbonden die stakingen leidden zetten aan tot contractbreuk. Beide waren onrechtmatige daden waartegen volgens de Hoge Raad met juridische middelen kon worden opgetreden. Volgens het arrest was er slechts één uitzondering op deze regel: staking is geen wanprestatie wanneer de omstandigheden, waaronder zulk een werkweigering (d.w.z. een werkweigering in collectief verband) plaatsvindt, van dien aard zijn, dat naar de heersende rechtsovertuiging in redelijkheid van de wernemers niet kan worden gevergd de arbeid voort te zetten of bepaalde werkzaamheden te verrichten. Onder dergelijke omstandigheden zou het uitroepen van een werkstaking niet onrechtmatig zijn. Een wettelijke regeling die uitgaat van het standpunt dat staken een wanprestatie is van de individuele arbeiders miskent het wezen van de staking. Een staking een gezamenlijk optreden van een aantal arbeiders, waarbij de leiding van de vakvereniging meestal het beslissende element vormt. De criteria die voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de werkstaking moeten niet gelegen zijn in het handelen of nalaten van de individuele arbeider, maar in het optreden van de vakvereniging. Het arrest van de Hoge Raad schiep weliswaar enige ruimte voor een rechtmatige werkstaking, maar de gebezigde formule (de heersende rechtsovertuiging) biedt voor werknemers en hun syndicale organisaties weinig houvast. In het Panhonlibco-conflict werd in feite een staking tot individuele wanprestatie verklaard en de oproep daartoe door de vakbeweging een onrechtmatige daad. De Nederlandse vakbeweging werd daarmee in een uitzonderingspositie geplaatst. In andere landen was en is een staking een aanvaard normaal strijdmiddel van de vakbeweging, ook al is het recht op staken niet altijd in de wet verankerd. In Nederland wordt een staking nog steeds als iets uitzonderlijks gezien. En mede daarom komt ook bij onze rechters al snel de gedachte op dat het middel niet in verhouding staat tot het na te streven doel, of dat de passende zorgvuldigheid niet in acht is genomen, dan wel dat niet alle mogelijkheden van het overleg zijn uitgebuit. |
|
De Mexicaanse drugskartels hebben hun invloed uitgebreid over heel Midden-Amerika. En daarmee verspreidde zich ook de gewelddadige strijd tussen deze kartels naar Colombia, Guatemala en El Salvador. In deze landen vallen meer doden door bende- en kartelstrijd dan tijdens de lange burgeroorlogen tussen 1960 en 1995. De staatsinstellingen die de strijd met de drugsorganisaties moeten voeren zijn volkomen gecorrumpeerd. Dat geldt niet alleen voor politieagenten, politieofficiers en leden van de antinarcoticabrigades die door de kartels zelf worden gerekruteerd en voorzien van vorstelijke beloningen, maar ook voor rechters en politici. De grootschalige drugstransporten worden gerealiseerd met snelle speedboten, als vissersboten gecamoufleerde tankschepen en onderzeeërs. Zij halen de cocaïne rechtstreeks uit Colombia en Ecuador, transporteren het naar Guatemale,Honduras en El Salvador en dragen het daar over aan de Mexicaanse drugsbaronnen [De Groene: Dossier Drugs]. De hoge werkloosheid drijft grote groepen jongeren direct in de armen van de georganiseerde misdaadkartels. De meeste leiders van die kartels zijn afkomstig uit de armste en meest kansloze bevolkingsgroepen. Vanuit hun armoedige en marginale bestaan zijn zij in korte tijd puissant rijk geworden, en fungeren op hun beurt weer het rolmodel voor nieuwe generaties. In een regio waarin meer dan de helft van de bevolking onder de armoedegrens leeft, is een carrière in de georganiseerde criminele drugshandel het enige lonkende perspectief. Zolang dat het geval is blijft de in 1971 door predident Richard Nixon verklaarde oorlog tegen drugs een gruwelijk fiasco. Behalve voor de Amerikaanse fabrikanten van oorlogstuig (zoals Lockheed Martin, ITT) en de particuliere militaire bedrijven die een deel van de Amerikaanse oorlogsvoering hebben overgenomen (contactors zoals DynCorp International, Raytheon, en ARINC van de Carlyle groep). |
Men hoeft zelf geen veldonderzoek in Rio de Janeiro te verrichten om de werking van geweld in drugseconomieën te begrijpen. Een oplettende waarnemer kan bijvoorbeeld in bepaalde buurten in Amsterdam dagelijks zien hoe dit in zn werk gaat. Geweldsdreiging en daadwerkelijk fysiek geweld zijn onderdeel van de dagelijkse routines. Dat geldt in extreme mate voor de zelf verslaafde stakker die op de hoek van de straat zijn spullen aan andere verslaafden probeert te verkopen.
De geschiedenis en actualiteit van de diverse maffias laat zien hoe effectief de gecombineerde inzet van sociale relaties en (de dreiging met) fysiek geweld is voor het realiseren van speciale uitbuitings- en afpersingspraktijken. Een groot deel van het inkomen van de maffia wordt nog steeds vergaard uit afpersing en het innen van schulden bij wanbetalers. De favoriete methode van afpersing is het aanbieden of beter opleggen van bescherming aan kleine winkeliers, café- en restauranthouders en vaak ook aan middelgrote en grote ondernemingen. Dit gebeurt onder het sinds Once Upon a time in America bekende motto: I made him an offer he cant refuse.
Naast deze vorm van georganiseerde afpersing ontleent de maffia haar gigantische jaaromzet overwegend aan de illegale sectoren, waar rechteloosheid de enige vanzelfsprekende regel lijkt te zijn. De klassieke sectoren zijn die van de prostitutie, het gokwezen, de woeker, de porno en de wapenhandel. Illegale exploitatiepraktijken zijn de laatste decennia steeds sterker geconcentreerd op de uiterst lucratieve drugshandel.
In de mate dat de maffia de officiële staatsinstellingen heeft gepenetreerd kan tegenwoordig vaak nog meer verdiend worden met de aanbesteding op openbare werken, d.w.z. het zonder noemenswaardige tegenprestatie achteroverdrukken van overheidsgelden. De praktijken van de Siciliaanse maffia en de Napolitaanse camorra staan hiervoor model. De recente pogingen om in Italië het werkgebied van de maffia in te perken, hebben in ieder geval laten zien dat de maffia werkelijk een gewelddadig lichaam is dat is uitgegroeid tot een octopus (piovra) die met al zn tentakels in het raderwerk van de officiële maatschappij vast zit [Van Royen 1991; Benschop 1993/2012:253-65 - IX, § 2·3·].
|
Tot aan de 18e eeuw was opium als genotmiddel evenmin bekend in China als in Europa. Door de Europese ontwikkelingshulp kregen de Chinezen dit wondermiddel opgedrongen. In de loop van de 18e eeuw legt de Oost-Indische Compagnie haar handelsdictaat op te leggen met behulp van een eigen militaire strijdmacht. In plaats van de Chinese producten contant te betalen, biedt de Compagnie een eigen handelsartikel aan, het opium. Het opium is voor de Compagnie een goedkope stof omdat zij deze op grote schaal laat produceren op plantages van de Compagnie in Indië. Voor historici van de koloniale geschiedenis is het geen toeval dat de belangrijkste data in de geschiedenis van het opiumvraagstuk in tijd samenvallen met de belangrijkste date van de geschiedenis van het verlies van zelfbepaling van de oostaziatische volken.
De mogelijkheid om in deze sector exorbitante winstmarges te behalen is het gevolg van het bestaan van een omvangrijke vraag naar verdovende middelen (waarvan het gebruik feitelijk wordt gedoogd) in combinatie met het verbod op productie, import en handel. De onmogelijkheid van een effectieve politionele en justitiële bestrijding van deze handel is het gevolg van het bestaan van zeer krachtige en geïnternationaliseerde misdaadorganisaties in combinatie met de snelheid waarmee de gaten in de markt worden opgevuld na het oppakken van dealers en pushers. De chefs van de grote politiekorpsen, veel officieren van justitie en bijna alle criminologen zijn inmiddels van mening dat de oorlog tegen de drug niet gewonnen kan worden. De opheffing van de strafbaarstelling van drugshandel zou er toe kunnen leiden dat het probleem van het drugsmisbruik groter wordt, net zoals ook het alcoholmisbruik na de opheffig van de Drooglegging in de Verenigde Staten. Stel je voor dat hetzelfde bedrijfsleven dat thans met formidabele reclamecampagnes grote markten heeft geschapen voor tabak en alcohol zich ook van de drugs meester maakt. Dat zal een ander effect hebben dan de huidige pusher bij het schoolplein. Over de moraliteit van het bedrijfsleven hoeven we ons weinig illusies te maken. Een excursie langs de oncologische afdelingen van ziekenhuizen zal de tabaksfabrikanten even weinig overtuigen van de noodzaak geen sigaretten meer te verkopen als de smartelijke lotgevallen van Ivonne Keuls drugshoertje Floortje Bloem handelaren in drugs ertoe overhalen een eerbaar beroep te zoeken. Er bestaat een gerede kans dat het probleem van de criminaliteit verschuift naar de volksgezondheid [Fr. Bovenkerk 1994 - Wat gebeurt er als drugs legaal wordt? In: Tijdschrift voor Criminologie, april 1994]. Legalisering van drugs betekent in ieder geval dat voormalige bendeleden hun vermogens (nog meer) in het legale zakenleven zullen investeren en daarmee in de bonafide ondernemersklasse worden geïntegreerd. Het strafrechtelijk apparaat zou zich niet meer hoeven in te laten met handelingen waarmee mensen zichzelf iets aandoen. Politie en justitie zouden zich volledig kunnen concentreren op criminele handelingen waarmee mensen anderen benadelen, zoals op vrouwenhandel, milieucriminaliteit, belastingontduiking, fraude en andere illegale economische activiteiten. |
De reproductie van economische basisstructuren en instituties wordt in laatste instantie altijd gegarandeerd door legaal en illegaal geweld. Superieur fysiek geweld is het doorslaggevende mechanisme dat tot een omwenteling van de gegeven economische structuren kan leiden of deze omwenteling juist kan blokkeren. Wanneer en in welke vorm waarin het uur van deze laatste instantie zal slaan, is moeilijk te voorspellen. Niet alleen omdat het doen van sociaal-wetenschappelijke voorspelllingen zowiezo een hachelijk zaak is, maar vooral omdat bewegingen die het economisch systeem fundamenteel willen veranderen zich meestal inspannen om het uur van de laatste instantie op een niet-gewelddadige wijze te laten slaan. Omdat zij geen toegang hebben tot superieure superieure geweldsmiddelen proberen zij zodanig te opereren dat directe confrontaties met de gewapende staatsmacht worden vermeden. Dit is de inmiddels bekende ratio van de strategie van de zichzelf beperkende revolutie zoals deze destijds in Polen door de woordvoerders van de democratische oppositie werd bepleit, en van de strategie die in Zuid-Afrika door het ANC van Mandela in praktijk werd gebracht om het economisch apartheidssysteem te breken.
Geweld is niet de enige garantie van economische systemen. Geweld is zeker ook niet de enige reden waarom er rechten bestaan die de bestaande economische verhoudingen beschermen. Rechtsnormen worden immers ook nog op andere manieren gestabiliseerd. Rechten kunnen traditioneel en affectief zijn gestabiliseerd, zij kunnen op gemeenschappelijke belangen berusten, en zij kunnen door een grote groep mensen als legitiem worden gezien. Aan deze legitimiteit ontlenen rechtsnormen een specifieke meerwaarde: zij krijgen een surplus aan traditionele, affectieve, utlitaire en waarderende instemmende stabiliteit. Het dreigen met of toepassen van fysiek geweld door een disciplinaire staf is dus niet de enige dekkingsgarantie, maar het is wel de laatste dekkingsgarantie die specifiek is voor de juridische garantie [Bader/Benschop 1988: 271].
6. Legitimiteit |
|---|
6·1 Innerlijke garantie door normatieve instemming
Economische structuren worden gereproduceerd door de empirische legitimiteit van transactionele regels en institutionele ordeningen. Empirische legitimiteit komt tot stand door een zuiver waarderende instemming met bestaande economische verhoudingen en door handelingen die in overeenstemming zijn met ethisch of religieus gemotiveerde normen. Legitimiteit is een mechanisme van handelingscoördinatie waardoor economische structuren door 'innerlijke overtuiging' worden gegarandeerd. De continue reproductie van economische verhoudingen en instituties berust niet alleen op gewoontes, zeden, solidariteiten, belangen en uiterlijke garanties door conventies, recht en geweld, maar ook op normatieve instemming met de organisatieprincipes en regels waarop deze verhoudingen en instituties zijn gebaseerd. Dit betekent echter ook dat de bewuste en als zodanig beoogde delegitimatie van economische verhoudingen een beslissend mechanisme is voor hun structurele transformatie.
De hoogste graad van sociale stabiliteit en garantie van economische verhoudingen wordt bereikt wanneer deze als legitiem worden ervaren en als rechtvaardig worden gedefinieerd. Wanneer en voorzover bestaande economische structuren en instituties daadwerkelijk als legitiem of rechtvaardig worden geaccepteerd, worden zij innerlijk gegarandeerd: actoren stemmen in dat geval op grond van ethisch of religieus geïnspireerde waarderende overtuigingen bewust in met de bestaande economische verhoudingen.
Zodra economische structuren en instituties worden ervaren als exploitatief of onderdrukkend worden er pogingen in het werk gesteld om ze te legitimeren, dat wil zeggen voor te stellen als 'rechtvaardig', als 'door God gewild', als een betreurenswaardig maar onvermijdelijk en 'functioneel noodzakelijk' gegeven. Wanneer ook de negatief geprivilegieerde actoren instemmen met deze legitimaties en wanneer deze waardeoordelen feitelijk relevant zijn voor hun handelen, zijn de economische verhoudingen ultrastabiel. Een essentiële functie van de ideologie van een heersende klasse is om zichzelf en degenen die ze exploiteert en onderwerpt een coherent wereldbeeld voor te schotelen dat voldoende flexibel, omvattend en bemiddelend is om subalterne klassen te overtuigen van de rechtvaardigheid van haar hegemonie. Heersende klassen zijn er zeer vaak in geslaagd dit doel te bereiken. Dit geldt niet alleen voor de aristocraten van het slavensysteem [Ste Croix 1983:409 e.v.; Genovese 1974/5:587-60], voor de feodale heren in de middeleeuwen [R. Hilton 1975:16], maar ook voor de ondernemers in burgerlijke maatschappijen [Bendix 1956].
Voor kapitalisme: Bendix maakt een historisch sociologische analyse van de legitimatie van gezag in ondernemingen en van protestideologieën van de kant van arbeiders. Hij gaat uitvoerig in op de ideologische wapens die gebruikt werden in de strijd vóór of tégen industrialisatie in Engeland en Rusland. Hij laat zien hoe ondernemers hun praktijken verklaren en rechtvaardigen door ideologieën die nauw verbonden zijn met hun economische belangen.
6·2·1 Sociaal-historisch perspectief
In een sociaal-historische benadering kan men vertrekken vanuit de specifieke rol van het 'oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn' in segmentaire - klasse- en staatloze - samenlevingsverbanden. Het oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn vormde een uiterst krachtige barrière tegen de opkomst van de eerste klasseformaties [Benschop 1993: VI, 5·3]. De doorbreking van de egalitaire mechanismen van de archaïsche klassenloze samenlevingen zonder staat was alleen maar mogelijk door een transformatie van het oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn. Om deze transformatie te bewerkstelligen, moesten legendes worden geconstrueerd die niet alleen het ontstaan, maar vooral ook de continuering en systematisering van asymmetrische en exploitatieve verhoudingen konden legitimeren.
De spannende vraag is natuurlijk of en zo ja op welke wijze en in welke mate de herinnering aan dit oorspronkelijke ongelijkheidsbewustzijn nog doorwerkt in moderne economische maatschappijformaties. Het is - ook voor mij - verleidelijk te denken dat deze sociaal-historische context meer is dan een vervagende historische herinnering aan een ver verleden. Er zijn minstens twee invalshoeken om deze vraag te onderzoeken.
In legitimaties van kapitalistische klassenverhoudingen speelt de mythe van de 'oorspronkelijke accumulatie' een belangrijke rol. De kern van deze mythe is dat de ondernemers hun beginkapitaal verworven zouden hebben door besparingen op de producten van hun eigen arbeid. Het ontstaan van het kapitalisme wordt dus 'verklaard' door een gecultiveerde herinnering aan een beginperiode waarin de (toekomstige) kapitalist door zijn persoonlijke arbeid en spaarzaamheid de voorwaarden schept om meerarbeid van anderen toe te eigenen. In het verlengde daarvan ligt de mythe van de 'self-made man', een apotheose van het moderne ondernemersideaal.
6·2·2 Sociaal-structureel perspectief
Een sociaal-structurele benadering concentreert zich op de strategische samenhang tussen legitimatieprocessen en exploitatie- en gezagsverhoudingen. Legitimatie wordt daarbij opgevat als een noodzakelijk onderdeel van uitbuitings- en sociale sluitingsstrategieën. Exploitatieve toeëigening impliceert per definitie de feitelijke macht om anderen uit te sluiten van het gebruik van essentiële maatschappelijke bronnen en levenskansen. De criteria op grond waarvan een dergelijke uitsluiting plaatsvindt, worden in officiële legitimatielegendes verwoord en gecodificeerd. Daarom gaan fundamentele veranderingen in economische structuren en instituties altijd gepaard met veranderingen in de legitimatieverhoudingen. Zodra het contrast in levenskansen dat door structureel asymmetrische arbeids- en gezagsverhoudingen wordt gegenereerd subjectief wordt ervaren, ontstaat er een specifieke 'behoefte aan legitimatie'.
6·2·3 Antropologisch perspectief
Een quasi-antropologische verklaring kan vertrekken vanuit het door Max Weber geformuleerde uitgangspunt dat de behoefte aan legitimiteit is geworteld in "zeer algemene innerlijke constellaties" van de mens: een gelukkig mens is tegenover de minder gelukkigen nooit tevreden met zijn feitelijke geluk, maar wil ook nog het 'recht' op zijn geluk. Mensen proberen zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat zij hun geluk hebben verdiend, zoals de minder gelukkige zijn pech moet hebben verdiend. Hierbij hoeft geen cynisme te worden verondersteld, maar hoogstens dat er een universele tendens bestaat "to put the best possible face on one's actions" [J.C. Scott 1985:185]. In zijn monumentale studie over managementideologieën formuleert Bendix dit als volgt:
Iedereen kan uit zijn eigen dagelijkse ervaringen opmaken dat er een "psychische comfortbehoefte aan legitimiteit van het geluk" [Weber WG:299] bestaat en hoe deze werkt. Men hoeft zich slechts een hypothetische situatie voor te stellen waarin twee mensen een contrasterend noodlot hebben wat betreft gezondheid, economische positie of sociaal aanzien: de geprivilegieerde heeft de aanhoudende behoefte het voor hem gunstige contrast als legitiem voor te stellen en zijn situatie als door hemzelf verdiend op te vatten. De situatie van de negatief geprivilegieerde wordt voorgesteld als 'eigen schuld' [vgl. Weber WG: 549, 679; RS I: 242]. Overigens benadert Weber het legitimiteitsprobleem niet primair vanuit een antropologisch of sociaal-psychologisch perspectief, maar vooral in samenhang met gezagsverhoudingen. Legitimatie is voor hem een noodzakelijk onderdeel van toeëigenings- en sociale sluitingsstrategieën. Hij gaat niet in op de relatie tussen deze sociaal-structurele grondslagen van legitimatieprocessen en de veronderstelde antropologische constante van de algemeen menselijke 'behoefte aan legitimatie'. Daarom gaat hij ook niet in op de vraag onder welke specifieke sociaal-structurele voorwaarden deze psychische comfortbehoefte aan de legitimiteit van het geluk wordt gegenereerd.
Ik betwijfel de vooronderstelling dat dit een universeel menselijke behoefte is die in alle bekende of denkbare samenlevingsverbanden een cruciale rol speelt of zal spelen. (Men zou er ook met Rousseau [1755/1983:47 e.v.,80,93] vanuit kunnen gaan dat het fundamentele verlangen naar zelfbehoud wordt getemperd door een minstens even fundamentele afkeer om zijn soortgenoten te zien lijden; dit 'medelijden' is een minstens even universele menselijke deugd). Ook wanneer men om welke reden dan ook wil vasthouden aan deze vooronderstelling dan geeft dit nog geen antwoord op de vraag welke concrete vormen deze behoefte aan legitimiteit van het geluk onder specifieke maatschappelijke voorwaarden kan aannemen, respectievelijk welke relatie er bestaat tussen de bijzondere aard van een economisch systeem en het idioom waarin deze behoefte wordt gearticuleerd.
De antropologische premisse dat mensen een psychische behoefte hebben aan rechtvaardiging van hun privileges kan als heuristisch principe een nuchter uitgangspunt zijn voor empirisch legitimiteitsonderzoek. Een dergelijke antropologische of sociaal-psychologische benadering hoeft niet ten koste te gaan van een sociaal-historische of een sociaal-structurele benadering. Alle drie de perspectieven kunnen immers op een zinvolle wijze met elkaar worden gecombineerd.
Dit impliceert dat men beter kritische afstand kan houden ten opzichte van speculaties over de 'morele orde' van de maatschappij. Het is veel productiever om empirisch te onderzoeken in hoeverre de positief geprivilegieerde actoren zelf geloof hechten aan de door hen gekoesterde en gepropageerde legitimatielegendes. De historische en sociologische bronnen zijn op dit punt helaas nogal schaars. In het algemeen kan men zeker niet zeggen dat de legendes waarmee geprivilegieerde economische posities, rechten en eigendommen worden gerechtvaardigd door de gepriviligieerden zelf of door hun ideologische woordvoerders volledig serieus worden genomen. Als instrumenten van pedagogische opvoeding en politieke beheersing worden deze legitimatielegendes natuurlijk wel zeer serieus behandeld. Men hoeft echter zelf geen gelovige te zijn om het ware geloof te kunnen verspreiden [Wolferen 1989:499].
Het strategisch koel doordachte instrumentele gebruik van het geloof door katholieke kerkleiders staat hiervoor model. Waarschijnlijk staat de effectiviteit van de handhaving en consolidatie van de machtspositie van de katholieke kerk in omgekeerd evenredige verhouding tot de mate waarin haar priesters zelf geloof hechten aan de door hen uitgedragen geloofsartikelen (hoewel dit in mindere mate opgaat voor het ontstaan van de kerk en voor perioden van grote expansie). Economisch-sociologen zouden eens moeten onderzoeken hoeveel ondernemers er werkelijk geloof hechten aan de bekende frase 'winst = werk' (meer winst leidt tot meer werkgelegenheid).
Voor de rechtvaardiging van economische verhoudingen en instituties zijn in de loop der tijd een hele serie legitimatielegendes geconstrueerd. Er zijn helaas geen studies waarin al deze in kaart zijn gebracht en er bestaan ook geen bruikbare typologieën. Alle legitimatielegendes bevatten echter een specifieke rechtvaardiging van de ongelijkheden van het ecomische systeem en haar instituties, d.w.z. zij geven telkens een specifieke legitimatie van ongelijke verdeling van bronnen en beloningen (positioneel) en van de mechanismen die ertoe leiden dat de actoren op een bepaalde wijze over economische posities worden verdeeld (allocatief). In legitimatielegendes wordt dus zowel de structurering van economische posities en de daaraan verbonden levenskansen, als de recrutering van individuen voor deze posities gerechtvaardigd. Daarom zou men legitimatielegendes kunnen typeren naar de specifieke definities van de criteria om mensen uit te sluiten van beschikkingsmacht over economisch relevante bronnen en van posities waaraan privileges verbonden zijn. Vanuit deze optiek kan een tamelijk eenvoudig onderscheid worden gemaakt tussen de volgende legitimatielegendes:
De empirische legitimiteit van een economisch systeem komt tot stand door een waarderende instemming met de daarin geldende regels en dominante normen. Daarvan uitgaande lijkt het plausibel de legitimiteitstypen van elkaar te onderscheiden door na te gaan welke vormen van waarderationeel geloof of waarderende instemming er bestaan.
Max Weber [WG: 19-20, 124, 154] klassificeert de typen van legitimiteit op basis van de typische, subjectief geloofde, d.w.z. waarderationeel geaccepteerde geldingsoorzaken. Deze typologie van legitimiteitsvormen is dus helemaal geconcentreerd op de vraag wat de aard is van de waarderationele instemming met een bepaalde ordening of systeem. Hij komt tot een vierdeling tussen traditionele, charismatische, waarderationele en legale legitimiteit
Voorbeeld van dergelijke substantiële legitimiteitstypen zijn:
Ik heb er al eerder op gewezen dat utiliteit een zeer omstreden begrip en dat daarvan diverse varianten in omloop zijn [→ hoofdstuk IV:2·1]. In een kritische analyse van de utilitaristische legitimaties van economische structuren en instituties moet men er daarom rekening mee houden dat er meerdere utilitarismen courant zijn. Het utilitarisme is in welke variant dan ook* niet alleen de kern van praktisch alle legitimaties van het moderne kapitalisme, zij vormt ook de morele grondslag van de neoklassieke economische theorie. In de volgende twee hoofdstukken kom ik hier nog uitvoerig op terug.
6·5·1 Morele ordes in meervoud
Zoals gezegd komt de legitimiteit van een economisch systeem louter en alleen tot stand door een waarderende instemming met de daarin geldende regels en dominante normen. Genormeerde regels en legitimerende teksten moeten echter altijd door de actoren zelf worden geïnterpreteerd. Het gevolg daarvan is dat mensen een zeer uiteenlopende betekenis en zin kunnen toekennen aan de regels die een economisch systeem normeren en aan de legitimatielegendes (verhalen, teksten) die haar legitimeren. De elementen van een dominante ideologie worden meestal door geritualiseerde symbolen naar de massa toe vertaald en worden in variërende mate geïntegreerd met het volksgeloof [Weber, WG:16 e.v.; WL 346,345,444].
In maatschappijen met fundamentele belangentegenstellingen is het daarom zeer waarschijnlijk dat er discrepanties ontstaan tussen de waarden die in de betreffende legitimiteitsaanspraken worden geformuleerd en de waarden die in het feitelijke legitimiteitsgeloof zijn vervat. Mensen zijn zich van deze discrepantie vaak niet bewust en krijgen hier meestal pas zicht op tijdens openlijke conflictsituaties. Bovendien is het meer dan waarschijnlijk dat er concurrerende laatste waarden bestaan of in ieder geval tegenstrijdige interpretaties en concretiseringen van 'gemeenschappelijke ultieme waarden'. Volledige consensus over fundamentele waarden is buitengewoon zeldzaam.
| * Dit impliceert een scherpe afbakening ten opzichte van het normatieve functionalisme van Parsons, waarin waarden en geloof altijd als geheel worden behandeld wanneer het gaat om de motivatie van actoren [Lockwood 1982:105; Bader/Benschop 1988:160 e.v.]. |
6·5·2 Van symbolische universa tot alledaagse humor
In de legitimatielegendes van (woordvoerders van) geprivilegieerde groepen en heersende klassen worden diverse waarden geformuleerd, zoals individuele vrijheid, sociale gelijkheid, menselijke waardigheid, discipline, prestatie en efficiëntie. Deze waarden vormen een reservoir waaruit ook de negatief gepriveligieerde actoren hun waarden selecteren. Zij kunnen aan deze waarden echter een subjectief verkeerde, inadequate of bewust en polemisch andere, ja zelfs een tegengestelde betekenis geven. Het meest klassieke voorbeeld hiervan zijn de interpretaties van de waarden van de bijbel. Zoals bekend bieden deze christelijke waarden niet alleen legitimatiekansen, maar ook delegitimatiekansen. Het christelijke geloof en de christelijke waarden bevatten elementen van een klassegebonden ideologie die fungeert als een legitimatie van zowel strijdbare als van onderdanige wereldbeelden. Religie heeft veeleer het karakter van een Janus-kop en levert zeker niet alleen morele en ideologische steun aan de status quo [Schoenfeld 1992].
|
Waardeninterpretaties zijn altijd afhankelijk van specifieke maatschappelijke contexten en van de sociaal-economische posities van degenen die deze interpretaties geven. Voor empirisch onderzoek naar de legitimiteit van economische systemen zijn de verschillende en zoals gezegd vaak rivaliserende interpretaties relevant en niet zozeer een vermeende oorspronkelijke betekenis van teksten of legitimatielegendes zelf [Bader/Benschop 1988:293].
Legitimatielegendes worden niet alleen gearticuleerd in gesystematiseerde en allesomvatende symbolische universa. Zij worden ook gearticuleerd in veldspecifieke politieke talen, in rudimentaire alledaagse theorieën en met name in alledaagse politieke talen. De legitimatielegendes worden door (woordvoerders van) positief geprivilegieerde actoren worden geconstrueerd, gestileerd en gepropageerd. Zij worden echter door de leden van subalterne groepen zelden in hun oorspronkelijke betekenis geaccepteerd, maar veeleer in de gemodificeerde en gecodificeerde vorm van alledaagse uitdrukkingen, zegswijzen en common sense.
Wie wil achterhalen met welke legitimaties mensen werkelijk instemmen, moet zich dus niet uitsluitend concentreren op hun (bewuste en min of meer systematisch gearticuleerde) abstracte vertogen. Men moet ook en misschien wel in de eerste plaats nagaan hoe deze instemming (of het gebrek daaraan) is versleuteld in het alledaagse en deels onbewuste of voorbewuste taalgebruik. Studies over de volkshumor leveren in dit opzicht vaak heel verrassende resultaten op. De humor is bij uitstek de vorm waarin onverenigbare referentiekaders (en waarden) met elkaar worden geconfronteerd (bisociatie). In het lachen dat wordt opgewekt door het onverwachte aspect van het ongerijmde, gaat niet zelden een enorme distantie schuil ten opzichte van heersende waarden en een vergruizing van superieure kwaliteiten van de heersenden.
Dit verschijnsel komt zeer pregnant tot uiting in de traditionele carnavals en ook nog in de moderne, sterk gecommercialiseerde carnavals. In het authentieke carnaval worden alle dominante waarden en bestaande prestigehiërarchieën op speelse wijze omgekeerd.
De legitimiteit van economische verhoudingen is nooit absoluut en universeel. Aan de legitimaties van economische structuren en instituties wordt altijd slechts binnen bepaalde economische groepen werkelijk geloof gehecht. De overige actoren bewijzen slechts lippendienst, 'a mere mouthing of slogans'. Het is de taak van empirisch legitimiteitsonderzoek om vast te stellen in welk opzicht er door wie, door hoeveel mensen en in welke mate feitelijk waarderend wordt ingestemd met de in economische verhoudingen geïmpliceerde sociale ongelijkheden, privileges, rechten, eigendommen en uitsluitingen.
6·5·3 Aanvaarding van economische structuren en instituties
Ook al houden de negatief geprivilegieerden zich aan de regels en voorschriften die in een bepaalde economische formatie gelden, dan is dit nog geen bewijs dat zij de geïnstitutionaliseerde normen ook als legitiem ervaren. Van legitimiteit is immers slechts sprake wanneer mensen waarderend instemmen met deze regels en voorschriften. Legitimiteit van een economisch stelsel in de zin van normatieve instemming moet niet worden verward met traditionele acceptatie, met affectieve internalisatie of met een strategische calculatie.
Figuur 8·3 Combinatie van mechanismen van handelingscoördinatie
|
Er zijn vele beschouwingen geschreven over de vraag waarom en in welke mate economische verhoudingen ook door leden van subalterne klassen worden 'geaccepteerd' en zijn al veel verklaringen gegeven van de geringe freqentie en de verspreiding van verzet tegen exploitatieve praktijken. Ik zal hier geen overzicht van geven van deze verklaringspogingen. Ik wil slechts benadrukken dat men de vier genoemde elementen niet al te snel moet reduceren of synthetiseren. In de meeste beschouwingen wordt met te eenvoudige tweedelingen, zoals die tussen pragmatische en normatieve acceptatie Bij 'pragmatische acceptatie' schikken individuen zich naar de situatie omdat zij geen realistische alternatieven zien; bij 'normatieve acceptatie' internaliseren individuen de morele verwachtingen van de heersende klasssen en beschouwen hun eigen inferieure positie als legitiem [zie in plaats van velen: Mann 1970: 425; Etzioni 1988]. De 'pragmatische acceptatie' is echter een combinatie van drie zeer verschillende mechanismen van handelingscoördinatie: traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en strategische calculatie. Het grote nadeel van zo'n tweedeling is dus haar ondercomplexiteit: men krijgt geen vat op de specificiteit van de mechanismen van handelingscoördinatie die in het geding zijn omdat zij in het gehanteerde analytische model al bij voorbaat onherkenbaar met elkaar versmolten worden.
De gecombineerde werking van uiteenlopende handelingsmotivaties kan niet met een simpel additief model worden benaderd. De belangrijkste reden daarvan is dat de afzonderlijke handelingsoriëntaties intern op elkaar betrokken zijn en daarom meer complexe en hoger geaggrereerde vormen aannemen. Concreter geformuleerd: actoren kunnen zich ook op een traditionele, affectieve of zuiver strategische wijze oriënteren op de bestaande of veronderstelde legitimiteit van een economisch stelsel. Veit Bader [1989:134 e.v.] heeft dit thema al eerder algemeen uitgewerkt. Toegespitst op de reproductie van economische verhoudingen betekent dit het volgende.
| Zie de eerdere uiteenzetting in hft. IV: § 4 over de psychische habitus en de daar geciteerde literatuur over verinnerlijking van de agressor en geïnternaliseerd kolonialisme. |
Strategische oriëntaties op de empirische gelding van normerende regels zijn een uiterst effectieve garantie voor de stabiliteit van economische stelsels. Van een overtreding van deze regels verwacht men negatieve of pijnlijke gevolgen. Ook deze strategische oriëntatie op (veronderstelde) legitimiteit is niet constitutief voor feitelijke legitimiteit van een economisch stelsel. Wanneer de strategische oriëntatie op de veronderstelde legitimiteit van een economisch stelsel dominant wordt, gaat legitimiteit over in een zuivere belangenpositie. Men accepteert de economische orde dan immers niet meer omdat men er subjectief waarderationeel mee instemt en voor zichzelf als rechtvaardig ervaart, maar alleen nog vanwege vermeende of werkelijke belangenovereenstemming of vanwege de verwachte negatieve gevolgen. Wanneer strategische overwegingen een dominante rol gaan spelen dan verliezen de economische verhoudingen hun legitimiteit en worden zij niet meer aanvullend gestabiliseerd door empirische legitimiteit, dat wil zeggen door normatieve instemming.
6·5·4 Existentieel en ethisch fatalisme
Er is al vaker opgemerkt dat subalterne klassen overwegend een wereldbeeld hebben dat een zekere acceptatie van de bestaande orde impliceert [zie in plaats van velen: de empirische studies van Goldthorpe e.a. 1969, Marshall e.a. 1988:143 e.v.]. Voor deze acceptatie worden zeer uiteenlopende en allesbehalve neutrale termen gebruikt, zoals resignatie, fatalisme, instrumentalisme, pragmatisme, realisme en cynisme. Al deze termen refereren aan een bij negatief geprivilegieerden veel voorkomende specifieke houding ten opzichte van het economisch systeem waarin zij leven. Deze berustende houding komt tot stand door een calculerende reactie op asymmetrische verdelingen van maatschappelijke bronnen en beloningen, die weliswaar in sterke mate als onrechtvaardig worden ervaren, maar toch ook grotendeels als onveranderlijke 'facts of life' worden geaccepteerd. Negatief geprivilegieerden hebben vaak wel een vermoeden dat er alternatieven bestaan, maar leggen zich in de regel neer bij het feit dat zij zelf weinig of niets kunnen doen om deze alternatieven te helpen realiseren.
Het feit dat ook negatief geprivilegieerden de bestaande economische orde tot op zekere hoogte accepteren, is niet zozeer gebaseerd op consensus of instemming en heeft in de regel helemaal niets te maken met het (veronderstelde) bestaan van een gemeenschappelijke morele orde, maar is veeleer gebaseerd op specifieke vormen van berusting en routine. Voor moderne kapitalistische klasseformaties zou dit in veel sterkere mate kunnen gelden dan voor prekapitalistische klasseformaties. Deze stelling is echter zeer moeilijk te bewijzen. In ieder geval wordt in een aantal empirische studies geconcludeerd dat in de burgerlijke maatschappijformatie van tegenwoordig geen morele orde bestaat en dat de sociale cohesie van deze formatie meer op berusting en routine is gebaseerd dan op consensus en instemming [Marshall e.a. 1988:143]. In aansluiting bij Lockwood en Marshall zal ik voor de specifieke vorm van acceptatie van het economisch systeem door negatief geprivilegieerden en leden van subalterne klassen de term fatalisme gebruiken.
|
Voor het ontstaan van een fatalistische houding is niet zozeer de mate van onderdrukking en uitbuiting bepalend, maar veeleer het feit dat de klassedwang als een externe levensvoorwaarde wordt ervaren die niet substantieel kan worden veranderd. In samenlevingen waarin de samenhang tussen de oorzaken en de gevolgen van de klassepositie niet transparant is gestructureerd, bestaat er slechts een kleine kans dat de subalterne klassen een hervormend of revolutionair klassebewustzijn ontwikkelen en tot gemeenschappelijk politiek klassehandelen komen - zelfs al bestaan er nog zulke extreme verschillen in de levensomstandigheden van de diverse sociale klassen [Weber, WG:533; vert. 87]. Wanneer de bepaaldheid door en de gevolgen van de klassepositie niet duidelijk herkenbaar zijn, wordt het contrast in levenskansen veeleer als een 'gegeven' ervaren, als een klasselot dat geaccepteerd moet worden. Onder deze omstandigheden wordt het specifieke klasselot niet of nauwelijks ervaren als iets dat voortvloeit uit de bestaande eigendomsverhoudingen of uit de specifieke aard van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen, resp. van het economische systeem. |
Fatalisme is een vorm van geïnternaliseerde sociale dwang die als een externe, onveranderlijke en onpersoonlijke levensvoorwaarde wordt ervaren. Fatalisme is echter een kwestie van gradaties en kan bovendien zeer uiteenlopende vormen aannemen. Het kan de vorm aannemen van een existentieel (primair strategisch gemotiveerd) fatalisme. Existentieel fatalisme is het geheel van houdingen die resulteren uit de verwerking van een zakelijk despotisme, dat wil zeggen van de stomme kracht der economische omstandigheden, van het waren-, geld- en kapitaalfetisjisme en van de ijzeren kooi van de bureaucratie. Het kan ook de vorm aannemen van een ethisch (primair religieus gemotiveerd) fatalisme.* Ethisch fatalisme is het resultaat van de verwerking van moreel despotisme, dat wil zeggen van een sociale dwang die wordt opgelegd door een expliciet fatalistisch geloofsregime, zoals dit bijvoorbeeld is geïmpliceerd in de hindoeïstische verlossingsdoctrine.
De meeste auteurs sluiten aan bij de Webers analyse van het ethisch fatalisme in India en van de betekenis van de hindoeïstische karma-doctrine. Vgl. Dumont [1963], Béteille [1965,1969], Srivinas [1966], en het overzicht van Lockwood [1982]. Een centraal thema in deze studies is de samenhang tussen ethisch fatalisme (de radicale ontkenning van wereldlijke verlossing) en de geringe frequentie en verspreiding van het verzet tegen het kastenstelsel.
Het verschil tussen deze beide fatalistische houdingen is dus niet de feitelijke mate van onderdrukking of exploitatie, maar de relatieve betekenis die strategische dan wel ethische overwegingen spelen bij de subjectieve verwerking van de sociale dwang.
Ethisch fatalisme impliceert altijd een zekere normatieve instemming met een als onveranderlijk ervaren economisch systeem en wordt meestal gearticuleerd in en gereproduceerd door een religieus getinte verlossingsideologie. Dit thema staat centraal in studies over de specifieke klassereligiositeit van negatief geprivilegieerde klassen, standen en sociale lagen. De aspiraties van de subalterne klassen kunnen op zeer uiteenlopende manieren religieus worden gearticuleerd. In de bij Weber [WG: 285-314] aansluitende godsdienstsociologie worden deze articulaties zowel inhoudelijk als structureel gethematiseerd.
Existentieel fatalisme is gebaseerd op een combinatie van traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en strategische calculatie, en impliceert niet noodzakelijk een normatieve instemming. Uit het onderzoek van Marshall e.a. blijkt dat met dit concept van een existentieel (primair strategisch gemotiveerd) fatalisme een typering gegeven kan worden van het maatschappelijke bewustzijn van de arbeidersklasse in hoogontwikkelde kapitalistische landen. Een dergelijke typering lokt natuurlijk veel amendementen uit en roept om nuancering. Dat neemt niet weg dat dit concept een vruchtbaar heuristisch uitgangspunt vormt voor empirisch onderzoek naar het legitimiteitsgeloof van de negatief geprivilegieerden.
6·5·5 Methodische problemen: vertekening van bronnen
Het is altijd moeilijk en soms onmogelijk om exacte uitspraken te doen over het feitelijke legitimiteitsgeloof van subalterne klassen en negatief geprivilegieerden. De reden hiervan is dat de betreffende informatiebronnen meestal zeer beperkt zijn en dat de geschreven documenten bijna altijd zijn opgesteld door (woordvoerders van) positief geprivilegieerden. De cultuur van de subalterne klassen (volkscultuur) is grotendeels een mondelinge cultuur.
Historici en historisch-sociologen zijn niet in staat zijn om met hun onderzoeksobjecten te praten en moeten daarom gebruik maken van schriftelijke bronnen. Deze schriftelijke bronnen zijn echter dubbel vertekend. Ten eerste omdat ze geschreven zijn en ten tweede omdat ze geschreven werden door personen die meer of minder duidelijk met de heersende cultuur verbonden waren. Ginzburg [1976/83:13] merkt in dit verband op dat de gedachten, de geloofsvormen en de verwachtingen van de boeren en ambachtslieden uit het verleden ons bijna altijd bereiken (áls ze ons al bereiken) via vervormende filters en tussenpersonen. Zijn prachtige analyse van de lotgevallen van de ketterse italiaanse molenaar Menocchio biedt een uniek inzicht in de wederzijdse beïnvloeding van een authentieke volkscultuur en de heersende religieuze cultuur.
Economisch-sociologen die zich in hun empirisch onderzoek concentreren op legitimiteitsgeloof in de huidige verhoudingen zijn wel in staat om met hun onderzoeksobjecten te communiceren. Zij kunnen dus gemakkelijker toegang verwerven tot bronnen die indicaties bevatten over het feitelijke legitimiteitsgeloof van leden van subalterne klassen en negatief geprivilegieerden. Het grote probleem daarbij is echter dat men altijd rekening moet houden met de reflexiviteit van verwachtingsstructuren. Ik heb elders laten zien dat het niet eenvoudig is om bijvoorbeeld interviews zodanig te structureren dat resultaten geen simpele verdubbeling zijn van de heersende legitimiteitsopvattingen en dus slechts artefacten van een gebrekkige methodologie.
Of mensen werkelijk op normatieve gronden instemmen met het bestaande economische stelsel is met interviews moeilijk te achterhalen. Leden van subalterne klassen vechten de legitimiteit van een economische structuur in het openbaar meestal niet aan. Dit verschil tussen 'on stage' en 'off stage' houding wordt bepaald niet kleiner en verdwijnt zeker niet wanneer zij worden ondervraagd door enquêteurs die door sociale wetenschappers 'het veld' in worden gestuurd. Legitimiteitsgeloof is altijd positiegebonden en contextafhankelijk. Bovendien is het geloof in de legitimiteit van een economisch stelsel niet zonder meer feitelijk relevant voor al het sociale en politieke handelen van de actoren die dit geloof koesteren. Legitimiteit is nu eenmaal niet het enige mechanisme van handelingscoördinatie.
Het succes van strategieën om economische structuren te veranderen is voor een belangrijk deel afhankelijk van de mate waarin deze structuren worden gedelegitimeerd: om bestaande structuren te kunnen veranderen moeten zij door massaal als onrechtvaardig worden gedefinieerd. Oppositionele bewegingen en elites zijn er daarom altijd op uit het systeem van haar schijnbare rechtvaardigheid te beroven. Dat is geen geringe opgave omdat de empirische legitimiteit van een economisch stelsel zich niet zo gemakkelijk laat manipuleren. Legitimatieproblemen en -crises ontstaan vooral in situaties waarin zich relatief snelle veranderingen in de economische structuur voltrekken en waarin er openlijke en heftige sociaal-economische conflicten worden uitgevochten.
Het geloof in de legitimiteit van een economisch stelsel is gerelateerd aan de potentiële en actuele belangentegenstellingen en -conflicten. Voor de normale of alledaagse reproductie van economische verhoudingen zijn stabiele gewoontes en zeden, solidariteiten en belangencompromissen doorslaggevend. Daarbij verdwijnt de uiterlijke garantie door recht en geweld meer naar de achtergrond. In de dagelijkse routine van de economische praktijken komen legitimatieproblemen niet meestal aan de orde. Wanneer dit incidenteel wel gebeurt is dit meestal op een beperkte wijze (ook de kritische economisch-sociologen discussiëren god zij dank niet elke dag over de onrechtvaardigheid van het kapitalisme).
Dit normale patroon van reproductie- en garantiemechanismen kan onder bepaalde omstandigdheden sterk veranderen. Dat gebeurt vooral wanneer er ingrijpende verschuivingen optreden in de economische structuren en instituties en het enorme conflictpotentieel van het hele stelsel zich in de politieke arenas begint te manifesteren. In deze buitengewone, ingrijpende conflictsituaties kunnen ook de heersende legitimaties van het economisch systeem als zodanig aan de orde worden gesteld en een centraal thema vormen van het politieke debat.
Economische conjuncturen hebben dus een invloed op het soortelijk gewicht van de mechanismen van handelingscoördinatie. In gestabiliseerde en genormaliseerde economische structuren treden coördinatiemechanismen op de voorgrond bijdragen aan hun continue reproductie en aan hun langzame, vaak onopgemerkte transformatie. De dominante mechanismen van handelingscoördinatie in alledaagse of normale situaties zijn de tradities en gewoontes in combinatie met de anonieme dwang van de economische verhoudingen. In buitengewone of crisissituaties wordt het labiele evenwicht in de krachtsverhoudingen tussen de belangengroepen verbroken. In dergelijke situaties neemt de betekenis van geweld en legitimiteit toe. Perioden van verhitte botsingen tussen tegengestelde collectieve belangen zijn culminatiepunten van politiek georganiseerd handelen. Zij kunnen leiden tot ingrijpende veranderingen van de sociaal-economische structuren en instituties.
Zolang er ongelijkheden tussen individuele en collectieve actoren bestaan, is daar kritiek op uitgeoefend. Het gelijkheidsbeginsel is minstens even oud als de sociaal-economische ongelijkheid en ouder dan de legendes die het ontstaan en voortbestaan van exploitatieve economische stelsels rechtvaardigden. Het gelijkheidsbeginsel bevat altijd een kritisch en rebels element. Dat komt omdat het een normatief of contra-feitelijk beginsel is: het staat altijd in meer of minder schril contrast met de feitelijke ongelijkheden die het economisch systeem voortbrengt. Daarom is het gelijkheidsbeginsel ook een activerend beginsel: het nodigt uit om de verhoudingen die in strijd zijn met de gelijkheidsnorm te veranderen. Het kan zich zelfs tot revolutionair beginsel ontpoppen. Dat gebeurt wanneer het gelijkheidsbeginsel door leden of organisaties van negatie geprivilegieerde groepen wordt gebruikt om barrières af te breken die de realisatie van een gelijke vrijheid voor iedereen verhinderen. De waarden die in het sociale gelijkheidsbeginsel zijn vervat, hebben onder negatief geprivilegieerde groepen een tamelijk grote erkenning gevonden. Uit empirisch onderzoek blijkt dat in Nederland een gematigd egalitaire houding overheersend is [Wijngaarden/Hermkens/Knippers 1988; Smirmai 1986; Berting 1986; Berting e.a. 1987].
Deze nivelleringsethos is echter nogal ambivalent. Enerzijds bestaat er een duidelijk bewustzijn van bestaande verdelingsongelijkheid en een brede kritiek op de sociaal-economische stratificatiestructuur. Anderzijds wordt de structuur van de sociale kansenverdeling op een affirmatief-legitimerende wijze gewaardeerd en heeft men een afwijzende houding tegenover protestacties (men heeft overwegend een sociaal-pacifistische houding).
In de mate dat egalitaire waarden door de negatief geprivilegieerden worden erkend en als richtsnoer wordt genomen voor hun gezamenlijke handelen, kunnen zij een actieve drijfkracht worden. Wanneer grote delen van de subalterne klassen de maatschappij waarin zij leven als 'onrechtvaardig' gaan ervaren, kan daaruit een legitimatiecrisis van de bestaande klasse-orde ontstaan [Moore 1978; Bronton 1983]. Het minimaliseren of afschaffen sociaal-economische ongelijkheden is ook in hoogontwikkelde kapitalistische stelsel een centraal waardeprobleem en een machtig moreel imperatief. Het gelijkheidsbeginsel is een van de peilers van de normatieve opvattingen over rechtvaardigheid. Naast vrijheid en solidariteit is het gelijkheidsbeginsel een hoeksteen van elke enigszins gepreciseerde rechtvaardigheidstheorie.
![]() |
|---|
| Home | Subject Areas | NetSociologie | Zoek | Commentaar? |
|---|
![]() dr. Albert Benschop Sociale en Gedragswetenschappen Sociologie & Antropologie Universiteit van Amsterdam Gepubliceerd: Januari 1996 Laatst gewijzigd: 11 February, 2012 |