Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

Naar een nieuwe economische sociologie

—Een transformationeel perspectief—

door: dr. Albert Benschop

VIII. Transformatie: economische instituties als sociale constructies

    Introductie
  1. Economische zeden en gewoontes
  2. 1·1 Stabilisatie door zeden en gewoontes
    1·2 Destabilisatie door zeden en gewoontes
  3. Solidariteiten
  4. 2·1 Stabilisatie door solidariteit
    2·2 Destabilisatie door solidariteit
  5. Belangen
  6. 3·1 Stabilisatie door belangen
    3·2 Destabilisatie door belangen
  7. Conventies, recht en geweld
    4·1 Privileges, rechten en eigendom
    4·2 Conventies en wetten
  8. Fysiek geweld
    5·1 Fysiek geweld als garantiemechanisme
    5·2 Fysiek geweld als transformatiemechanisme
  9. Legitimiteit
    6·1 Innerlijke garantie door normatieve instemming
    6·2 Waarom is legitimatie noodzakelijk?
    6·3 Legitimatielegendes en legitimiteitsgeloof
    6·4 Verscheidenheid van legitimatielegendes
    6·5 Legitimiteitsgeloof van negatief geprivilegieerden
    6·6 Strategieën van delegitimatie

Introductie

Economische instituties zijn (net als alle andere instituties) geen automatisch gevolg van specifieke externe omstandigheden, maar worden sociaal geconstrueerd. Sociale constructie refereert aan de permanente creatie van de sociale wereld door handelende individuen - door middel van interactie met elkaar en door middel van het vormen en hervormen van institutionele structuren. Organisatievormen zijn onderdeel van deze sociale wereld. De centrale kenmerken van organisaties - zoals doelen, structurele condities, technologie, formele regelgeving, informele relaties - zijn het resultaat van de sociale constructie. Organisatie-analyse moet het ontstaan, de reproductie en transformatie van organisationele vormen verklaren. De taak van een transformationele economische sociologie is breder, zij moet het ontstaan, de reproductie en transformatie van economische structuren en instituties verklaren.

Prijzen zijn evenzeer sociale constructies als de structuur van een industrie of professionele organisaties. Economische instituties ontstaan niet automatisch in reactie op economische behoeften. Economische instituties worden sociaal geconstrueerd door individuen wier actie zowel wordt mogelijk gemaakt als beperkt door de bronnen waarover zij kunnen beschikken en door de (maatschappelijke, organisationele en interactionele) structuren waarin zij zijn ingebed en waardoor hun economisch handelen wordt geïntegreerd en gecoördineerd. De transformationele economische sociologie houdt zich niet alleen bezig met micro-economische gebeurtenissen, maar ook met macro-economische gebeurtenissen, processen en structuren, zoals ‘business cycles’, staatsinterventies in de economie en de ontwikkeling van de verzorgingsstaat.

Geld als middel en uitdrukking van machtsstrijd
Ook Weber interpreteert prijzen niet als een bepaalde som geld dat voor een product of dienst betaald moet worden, maar als zichtbare tekens van de veel minder zichtbare macht van de deelnemers aan de marktstrijd. Prijzen (inclusief de prijs voor de waar arbeidskracht) zijn het resultaat van marktstrijd tussen economische eenheden die op de markt verschillende macht hebben. “Geldprijzen zijn producten van strijd en compromis; zij vloeien dus voort uit machtsconstellaties. ‘Geld’ is geen loutere ‘aanwijzing voor onbepaalde utiliteiten’ die men zomaar kan veranderen zonder fundamentele uitschakeling van het karakter van de prijzen als een systeem dat bepaald wordt door de onderlinge strijd van mensen. ‘Geld’ is primair een strijdmiddel en prijzen zijn uitdrukkingen van strijd; geld is alleen een calculatiemiddel in de vorm van een gekwantificeerde schatting van de relatieve kansen in deze machtsstrijd” [Weber, WG 58].

Waarom accepteren mensen de economische structuren en instituties die ongelijkheden en exploitaties reproduceren, en waarom verzetten zij zich hiertegen? Hoe ontstaan economische structuren en instituties, welke mechanismen zorgen ervoor dat zij kunnen voortbestaan en welke mechanismen leiden tot structurele veranderingen? Ik wil me hier concentreren op de reproductieve en transformatieve oorzaken, d.w.z op de mechanismen die bepalend zijn voor het voortbestaan dan wel de verandering van economische structuren en instituties. De ontstaansoorzaken zullen dus grotendeels buiten beschouwing blijven.

Bij de thematisering van economische structuren en instituties wordt niet uitgaan van de vooronderstelling dat zij in een statisch evenwicht verkeren. Er wordt juist grote nadruk gelegd op dynamiek van instituties respectievelijk op het proces van institutionalisering.

In de gangbare economische sociologieën wordt een nogal eenzijdig beeld gegeven van de wijze waarop economische structuren en instituties worden gereproduceerd en getransformeerd. Dit heeft mijns inziens vier redenen.

Zoals gezegd zal ik mij hier beperken tot het laatste punt. De vraag is dus: wat zijn de mechanismen waardoor eenmaal uitgekristalliseerde en tot op zekere hoogte gestabiliseerde economische structuren worden gereproduceerd en getransformeerd? Ik grijp daarvoor terug op de eerder geschetste typologie van handelingsoriëntaties [zie VI, § 4]. Daarbij werd een analytisch onderscheid gemaakt tussen traditionele, affectieve, strategische en normatieve motivaties voor economisch handelen en van de daarmee ideaaltypisch corresponderende mechanismen van handelingscoördinatie: gewoontes/zeden, solidariteiten, belangen en legitimaties.

Deze vier mechanismen van handelingscoördinatie zijn geobjectiveerde verwachtingsstructuren die in het feitelijke economisch handelen worden geconstitueerd. Zij coördineren het economisch handelen van actoren en zijn dus verantwoordelijk voor het feit dat hun economisch handelen op elkaar wordt afgestemd. Ik gebruik deze typologische indeling als referentiekader om zowel de reproductie als de transformatie van economische structuren en instituties te verklaren.

In hun bewuste activiteiten reproduceren en transformeren mensen voor het grootste deel onbewust de structuren die hun substantiële productie-activiteiten reguleren. Mensen trouwen niet om het instituut huwelijk te reproduceren en zij werken niet om de kapitalistische economie te reproduceren. Maar het is niettemin het onbeoogde gevolg en onverbiddelijk resultaat van hun activiteit, zoals het ook de noodzakelijke voorwaarde voor hun activiteit is [Bhaskar 1989:80 - Reclaiming Reality].

De basisgedachte die aan het onderscheid tussen deze reproductieve en transformatieve mechanismen ten grondslag ligt, werd uitgewerkt door Bader [1981,1991]. Zie voor een algemene analyse van de reproductie en transformatie van sociale ongelijkheden: Bader/Benschop [1988; hft. X] en van klassenverhoudingen: Benschop [1993/2017: hft. XVI].

De vier mechanismen coördineren niet alleen het economisch handelen, maar fungeren tegelijkertijd als mechanismen van reproductie en transformatie van economische verhoudingen. Zij doen dit echter niet allemaal op dezelfde wijze. Sommige mechanismen van handelingscoördinatie reproduceren en transformeren de bestaande economische structuren en instituties min of meer onbewust, als niet gewilde en onbedoelde nevengevolgen van economische oriëntaties en handelingen. Ik noem dit de mechanismen van stabilisering of destabilisering. Andere mechanismen van handelingscoördinatie zijn daarentegen direct en als zodanig bewust gericht op de instandhouding of verandering van economische verhoudingen. Ik noem dit de mechanismen van garantie of van bewuste, actieve en gerichte transformatie. In de volgende figuur zijn deze beide mechanismen in beeld gebracht.

Figuur 8·1 Mechanismen van reproductie en transformatie


Index1. Economische zeden en gewoontes

Het ontstaan, voortbestaan en de verandering van gestabiliseerde economische structuren zijn het gevolg van de feitelijke regelmatigheden van het economisch handelen. Deze regelmatigheden vloeien voort uit het feit dat mensen hun economisch handelen op meer of minder bewuste wijze op elkaar afstemmen. De schijnbaar meest elementaire, maar in hun werking uiterst effectieve traditionele handelingsoriëntaties genereren een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie: economische gewoontes en zeden. Economische structuren worden dus gereproduceerd door groeps-, functie-, kwalificatie-, beroeps-, afdelings-, bedrijfs- of klassespecifieke gewoontes en zeden die door traditionele oriëntaties en handelingen worden geconstitueerd.

De overgang tussen gewoontes/gebruiken en zeden is per definitie vloeiend omdat hier strikt genomen alleen de tijdsfactor een rol speelt: economische gewoontes en gebruiken worden zeden wanneer zij worden verduurzaamd. In dit verband wordt vaak de term routines gebruikt. Ik definieer routines als door gebruiken/gewoontes en zeden geregeld gedrag, d.w.z. als gedrag waarvan de feitelijke regelmatigheden het gevolg zijn van een traditionele handelingsoriëntatie.

De economische gewoontes en zeden van een groep zijn niet geldig in de zin dat er van mensen geëist wordt dat zich houden aan bepaalde regels die uiterlijk zijn gewaarborgd, d.w.z. die door een conventie of wet, bedrijfsreglement of superieur worden bekrachtigd. Zij zijn (nog) niet als conventionele of wettelijke regels geformuleerd waaraan men zich moet houden. Door de ingeleefde praktijk van een economische zede - zoals een bepaalde arbeidsritme - kunnen economische structuren worden gestabiliseerd, ook indien de regels waaraan de actoren zich vrijwillig houden nog niet of niet meer conventioneel worden verlangd of door bedrijfsreglementen of wettelijk zijn gesanctioneerd. In de alledaagse economische praktijk spelen traditionele gewoontes en zeden een zeer dominante rol. Index


1·1 Continu´teit en stabiliteit door zeden en gewoontes
De continuïteit en stabiliteit van economische zeden wordt veroorzaakt door een specifiek mechanisme van sociale controle. Als iemand zijn economisch handelen niet op een geldende zede oriënteert, zich niet conform de heersende zeden en dus ‘onaangepast’ gedraagt, dan zal deze actor kleine of grote ongemakken op de koop moeten toenemen zolang de meerderheid van de mensen in zijn directe omgeving wél rekening houdt met het bestaan van deze zeden en zich daarop blijft oriënteren.

Wanneer economische gewoontes en zeden bij een bepaalde groep eenmaal goed zijn ingeburgerd, leiden zij een uiterst hardnekkig bestaan. Zelfs wanneer deze routines wettelijk worden bestreden of door directe superieuren worden verboden, zullen zij niet onmiddellijk verdwijnen. Sociale gewoontes die voor het individu kostbaar zijn om te volgen blijven vaak toch bestaan. De bindende kracht die deze persistentie veroorzaakt is de sociale sanctie die wordt opgelegd door het reputatieverlies dat optreedt als men breekt met de gewoonte. “A custom, once established, will persist, provided that disobedience of the custom results in sufficient loss of reputation, and provided that the cost of disobedience is sufficiently high” [Akerlof 1984/93:71].

Uitgekristalliseerde gewoontes en zeden fungeren als stabilisatiemechanismen van economische structuren en worden als hun ongewilde en onbedoelde resultaten gereproduceerd. Een economisch systeem of een arbeidsorganisatie dat alleen maar door strategische motieven of belangenconstellaties wordt gereproduceerd is meestal veel labieler dan een stelsel dat tevens steunt op traditionele oriëntaties en daarmee corresponderende routines.

Een formele organisatie is door zijn functieverdeling en procedures zelf een van de belangrijkste stabilisatiemechanismen. Zowel in de organisatiepraktijk als in de organisatietheorie speelt de constructie van collectieve geheugenstructuren een cruciale rol: zij zorgen voor de reproductie van het organisationele gedrag en voor handhaving van de geselecteerde organisatiestructuren en -processen.
Een routineuze ramp
In elke arbeidsorganisatie bestaat een groot aantal regels en routines. Deze regels en routines veranderen wel, maar passen zich vaak zeer langzaam en onvoldoende aan gewijzigde omstandigheden aan. Routines en ingeslepen vuistregels kunnen zich dus wel aanpassen aan nieuwe problemen, maar deze aanpassing is vaak niet optimaal. Wanneer ervaren leidinggevenden met onbekende, nieuwe en complexe problemen worden geconfronteerd zijn zij meestal geneigd om deze in onderdelen op te splitsen en de elementen die hun bekend voorkomen aan te pakken. Het is praktisch niet mogelijk om organisaties zo in te richten dat er bij voorbaat rekening wordt gehouden met alle eventualiteiten. Wanneer zich iets volledig onbekends en onbegrijpelijks voordoet, nemen organisatieleden daarom vaak aan dat er iets anders gebeurt, nl. iets dat wij wel begrijpen.

Een bekend voorbeeld hiervan is de nucleaire ramp bij Harrisburg (Three Miles Island) in de V.S. Voordat de ramp plaats vond, waren er een aantal signalen die wezen op gevaar. Deze werden echter door het bedienend personeel niet doorgegeven omdat zij deze signalen niet geloofde. De hang aan routines (de regelgerichtheid) zorgde ervoor dat er niet op tijd de juiste maatregelen werden genomen om de nieuwe situatie het hoofd te bieden. De direct betrokkenen gaven een verkeerde interpretatie van de situatie en onderkenden niet dat er iets nieuws aan de hand was. In een case-studie van dit nucleaire ongeval merkt Perrow [1981:17] op dat dit de betekenis is van het commentaar: “if only they had a simple, understandable thing like a pipe break they would have know what to do.”

Voor de analyse van het interne functioneren van een organisatie is routine een kernbegrip. Routines refereren naar alle regelmatig voorkomende en voorspelbare gedragspatronen van en binnen arbeidsorganisaties. De wijze waarop organisaties functioneren wordt voor het overgrote deel bepaald door routinematige gedragingen en niet door weloverwogen keuzen. Routines (door gewoontes en zeden geregeld gedrag) doen zeer veel dingen in een organisatie: zij beschermen en beperken, zij coördineren en blokkeren; zij kanaliseren inspanningen en beperken deze; zij maken universalisme mogelijk en zijn een vijgeblad voor incompetenties; zij handhaven stabiliteit en houden veranderingen tegen; zij maken diversiteit mogelijk en beperken deze. Zij zijn het geheugen van de organisatie en de middelen voor verandering [Perrow 1986:26]. Het bestaan van routines verklaart waarom organisaties zo moeilijk tot verandering te bewegen zijn. Routines bieden echter ook aanknopingspunten voor innovaties. Zonder routines is men niet in staat om de moeilijkheden te ontdekken die buiten de routines vallen. Afwijkingen van routines zijn vaak aanleiding voor het opnieuw onderzoeken van de inputs, de markten en de bestaande routines en kunnen tot innovaties leiden [Nelson/ Winter 1982:129]. Routines zijn veelal belichaamd in stilzwijgende kennis en immateriële bedrijfsmiddelen. Zij fungeren als het geheugen van de organisatie. Routines worden vooral gevormd via 'leren door doen'. Door te doen zijn organisaties in staat te onthouden. Routines die enige tijd buiten gebruik blijven, raken in de vergetelheid [Schreuder/van Witteloostuijn 1992:259].

In economische zeden zijn specifieke verwachtingsstructuren geobjectiveerd. Zij veronderstellen immers een zekere gelijksoortigheid van de verwachtingen die de leden van eenzelfde groep van elkaar hebben. De afzonderlijke actoren houden zich vrijwillig aan de regels die in een economische zede geïmpliceerd zijn en verwachten dat de andere actoren zich om dezelfde redenen aan deze regels zullen houden. Door zeden worden dus in eerste instantie de verhoudingen binnen de afzonderlijke (functie-, beroeps- enz.) groepen gestabiliseerd. In die mate dat de traditionele gewoontes en zeden van subalterne groepen zijn 'aangepast' aan de bestaande gezags- en uitbuitingsverhoudingen, stabiliseren zij echter tevens de verhouding tussen de afzonderlijke groepen. De economische gewoontes en zeden van subalterne groepen (zoals lagere functie- en kwalificatiegroepen, ondergeschikte personeelsleden, marginale afdelingen, gemarginaliseerde arbeidsmarktcategorieën) vertonen vaak een hoge mate van habitueel verankerde aangepastheid en conformiteit. Dat wil echter niet zeggen dat hun routines altijd conformistisch of irrationeel zijn. Ook nonconformistische gewoontes en rebelse zeden behoren immers tot de tradities die in sommige subalterne groepen zeer hoog worden gewaardeerd.

Leden van subalterne sociale lagen en klassen houden vaak hardnekkig vast aan hun traditionele levenswijze, niet omdat zij tegen verandering als zodanig zijn (zoals sommige moderniteitstheoretici en organisatiekundigen ons willen doen geloven), maar omdat de voorgestelde veranderingen voor hen meer problemen en nieuwe risico’s scheppen dan zij oplossen. Achter een schijnbaar ‘traditionalistische’ of zo men wil ‘conservatieve’ houding gaat dus zeer vaak een nuchtere afweging van kosten en baten schuil. Ingeslepen gewoontes en zeden kunnen dus uiterst rationeel zijn: het zijn gesedimenteerde ervaringen uit het verleden, en impliceren sociaal geaggregeerde kennis.

Index


1·2 Destabilisatie door zeden en gewoontes
Ingeleefde en diepverankerde tradities fungeren dus niet alleen als stabilisator van economische verhoudingen en arbeidsorganisaties, maar onder bepaalde omstandigheden ook als een uiterst krachtige destabiliserende factor. Zo vormde bijvoorbeeld de pre-industriële of voorkapitalistische tradities van ambachtslieden een belangrijke voedingsbodem voor het ontstaan van de eerste verdedigings- en verzetsorganisaties van de arbeidersbeweging.

Ook tegenwoordig ontstaan er veel arbeidsconflicten omdat ondernemers proberen een tot gewoonte geworden arbeidstempo op te voeren, omdat de voor het personeel gebruikelijke kleine rustpauzes en handelingsspeelruimtes worden weggerationaliseerd, of omdat hun diepverankerde en jarenlange bedrijfsloyaliteit (die vaak van vader op zoon wordt overgedragen) plotsklaps wordt verpletterd door een aangekondigde bedrijfssluiting [Benschop/ Kee 1974; J.C. Scott 1985].

In de meer of minder elastische marges van de moderne arbeidsorganisaties vinden werknemers een ruimte om hun eigen tradities en routine vorm te geven: van het gezamenlijk beperken van de arbeidsprestaties (‘remmen’), het toeëigenen van gereedschappen en producten (‘snaaien’), het maskeren van ongeoorloofde afwezigheid (‘ziekvieren’) tot aan de meest subtiele vormen van zelfbeschermende sabotage.

Hoe dit in detail in z’n werk gaat werd op zeer indringende en plastische wijze beschreven in de roman van Rivethead van Ben Hamper.

Een boodschap van de werkvloer
Het bewuste remmen beschrijft Hamper als volgt:
    “I could have easily painted two units per day but, with the way these pricks were payin’ me, I felt it only jystified to give them the lowest accountable output for their louse three bucks an hour. … They weren’t gettin’ anything extra out of me” [Hamper 1992:24].

De werknemers van de General Motor fabriek in Detroit proberen in het industriële arbeidsregime, dat zij als ‘georganiseerde barbarij’ /102/ ervaren, te overleven door het elkaars werk over te nemen (‘doubling up’), door ruimte te bevechten voor hun drinkgewoontes. De zwaarte en monotonie van hun arbeid maakt hen ontevreden.

    “We hated our jobs and our bosses and our union reps. We hated Miss America and sunlight, and Christmas. We were discontented and bored” /98/.

Door de dodelijke verveling zien zij ‘Father Time’ /151/ als hun grootste vijand:

    “My ascension into this new sense of dominance dind't rid me of the age-old plight that came to haunt every screw jockey: what the fuck do you do to kill the clock?” /95/.

Ook harde vormen van sabotage behoren tot het overlevings- en verzetsrepertoire.

    “Sabotage was rather drastic; however it was an effective way of getting the point across. We simply had no other recourse. Sometimes these power-gods had to be reminded that it was we, the workers, who kept the place runnin’. If you started reamin’ your men at every turn, sooner or later it was all gonna come back to you” /206/.

Dergelijke alledaagse overlevings- en verzetsstrategieën behoren tot de op brede schaal ingeburgerde tradities die gericht zijn op verzachting van bestaande exploitatie- en gezagsverhoudingen. In die mate dat dergelijke strategieën op brede schaal gepraktiseerd worden, kunnen zij echter tevens de stabiliteit van het economisch systeem of van een afzonderlijke onderneming ondergraven (vooral wanneer dergelijke praktijken diep in een bedrijfs- of volkscultuur verankerd raken). Wanneer ondernemers hun traditionele verplichtingen ten opzichte van hun personeel niet meer (kunnen of willen) nakomen en zich hierdoor in de ogen van het personeel onzedelijk (arrogant, vrekkig, schaamteloos, gemeen, hardvochtig) gaan gedragen, kan een moeizaam opgebouwd evenwicht van compromissen worden afgebroken.

De conclusie ligt voor de hand: groepsspecifieke economische tradities (gewoontes, gebruiken en zeden) werken niet alleen als stabilisator van de economische relaties binnen (en soms tussen) deze groepen, maar onder bepaalde condities —en vooral wanneer zij op elkaar botsen— ook als transformator.

Index2. Solidariteiten

Het ideaaltypisch met affectieve oriëntaties en handelingen corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is solidariteit. Solidariteit is een specifieke geobjectiveerde verwachtingsstructuur welke louter en alleen geconstitueerd wordt door gevoelsmatige of affectieve oriëntaties. Economische structuren en instituties worden gestabiliseerd of gedestabiliseerd door solidariteit.

Index


2·1 Stabilisatie door solidariteit
Economische structuren worden aanzienlijk stabieler wanneer actoren ondanks hun tegengestelde belangen toch gemeenschappelijke affectieve of emotionele oriëntaties hebben (bindende solidariteiten). Zij kunnen echter ook worden gestabiliseerd wanneer de leden van eenzelfde economische categorie ondanks hun gemeenschappelijke belangen toch tegengestelde affectieve oriëntaties hebben en zich slechts solidair voelen met bepaalde delen van hun eigen economische categorie (verdelende solidariteiten).

Een bekend voorbeeld hiervan is dat werknemers zich alleen maar verwant voelen met hun mannelijke collega's of hun ‘witte’ lotgenoten. Werknemers kunnen zich meer solidariseren met hun superieuren dan met hun collega’s: “the working class can kiss my arse, I’ve got the foreman's job at last.” Uit deze voorbeelden wordt al duidelijk dat er zeer uiteenlopende vormen van solidaire bindingen zijn:

Bij al deze vormen van solidariteit spelen natuurlijk in werkelijkheid niet alleen zuiver affectieve handelingsoriëntaties een rol. Toch geven deze meervoudig gemotiveerde politieke houdingen een indicatie van de stabiliserende werking die uitgaat van solidariteitsvormen.

Index


2·2 Destabilisatie door solidariteit
Solidariteit kan echter ook als destabiliserende factor fungeren, d.w.z. als een factor die de gevestigde economische structuren en instituties instabieler maken. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de klassesolidariteit van uitgebuitenen zoals deze tot uiting komt in een breed scala van expressieve acties (vooral in solidariteitsacties) en symbolen die onmiskenbaar laten zien tot welke klasse men behoort of gerekend wil worden.

Onder de Nederlandse arbeidersklasse in de 19e eeuw bestond een grote mate van onderlinge solidariteit en hulpvaardigheid [Giele 1976:87]. Deze onderlinge solidariteit leidde tot een zeker gevoel van lotsverbondenheid binnen bepaalde groepen van de arbeidende klasse. In eerste instantie bleef deze solidariteit beperkt tot de medearbeiders die zij persoonlijk kenden, hetzij op het werk, hetzij in de buurt waar men woonde: zij zich primair verbonden met degenen die in dezelfde arbeids- en levensomstandigheden verkeerden als zij zelf. Het gevoel van lotsverbondenheid was het sterkst waar de bekendheid met elkaar in werk- en woonsituatie samenvielen. Deze onderlinge solidariteit vormde "de mogelijke kiem van de ontwikkeling van groepsbewustzijn naar klassebewustzijn" [idem: 98].
De ontwikkeling van groeps- naar klassebewustzijn is overigens zeker geen automatisch proces. Praktische vormen van solidariteit (of rivaliteit) die stoelen op persoonlijke contacten en directe interacties (in arbeidscollectieven en nabuurschap) kunnen immers ook een obstakel vormen voor de constructie van solidariteitsvormen die berusten op nabijheid in de organisationele en maatschappelijke ruimte. Fantasia [1988] heeft in zijn epirische studie laten zien hoe complex en tegenstrijdig de ontwikkeling van soldariteitsculturen verloopt.
Deze ontwikkeling is omstreeks de eeuwwisseling in volle gang. Zij werd niet alleen gestimuleerd door de economische ontwikkeling in de tweede helft van de 19e eeuw (die een toenadering tussen de groepen binnen de arbeidersklasse bewerkstelligde), maar ook door de invloed van de socialistische propaganda van de Nederlandse sectie van de Eerste Internationale en de Sociaal-Democratische Bond.

Solidariteitsculturen zijn meer of minder sterk affectief gebonden groeperingen die een collectieve identiteit kunnen ontwikkelen. Zij zijn de actieve uitdrukking van solidariteit tussen werknemers binnen een industrieel systeem en een maatschappij die daar vijandig tegenover staat. Het zijn geen abstracte solidariteitsideeën of bureaucratische vakbondsactiviteiten, maar culturele formaties die in conflicten geboren worden [Fantasia 1988:19]. Solidariteitsculturen genereren en bestendigen onderlinge solidariteit tegenover de dominante structuur.

Evenals economische gewoontes en zeden blijven solidariteiten meestal voor een belangrijk deel on- of voorbewust. Mede daarom kunnen veranderingen die daarin optreden lange tijd onopgemerkt blijven. Het tempo van deze veranderingen en de richting waarin de onderhuidse en moleculaire verschuivingen van de solidariteitsculturen zich voltrekken, zijn slechts in beperkte mate manipuleerbaar. Solidariteit is weliswaar universeel inzetbaar, maar men kan er niet over beschikken of haar strategisch controleren. Zeker op korte termijn kunnen eenmaal gevestigde solidariteiten niet of nauwelijks worden beïnvloed. Bovendien is er een altijd een zeker gevaar verbonden aan het strategisch gebruik van gevestigde solidariteitsculturen: wanneer zij strategisch worden gebruikt kunnen zij —net zoals tradities en legitimiteitsopvattingen— worden uitgehold. Wanneer authentieke solidariteitsculturen hierdoor eroderen, worden zij op den duur als strategisch inzetbare bronnen veel minder waard [Bader 1991:277].

Men kan zich dus ook strategisch oriënteren op het bestaan van solidariteitsculturen en in de planning van economische acties rekening houden met het feit dat anderen met elkaar of met een bepaalde organisatie of institutie solidair zullen zijn. Zo houden ondernemers en managers bij de uitwerking van reorganisatieplannen rekening met het feit dat er bij het personeel meer of mindere sterke gevoelsmatige bindingen bestaan met hun ‘eigen’ afdeling of sector. Bovendien kunnen zij bij harde reorganisaties en restrictieve maatregelen een beroep doen op het ‘samen in een boot’ gevoel, d.w.z. op de solidariteit van werknemers met ‘hun’ bedrijfsorganisatie. Omgekeerd wordt er bij de uitwerking van vakbondsstrategieën cognitief rekening gehouden met het saamhorigheidsgevoel van het personeel van bedrijven, en van werknemers in de betreffende bedrijfssectoren of regio’s. Reclame-specialisten spelen bij de presentatie van de producten die zij moeten aanbevelen in op bestaande emotionele ‘wij-gevoelens’ van de doelgroep. Wanneer deze strategische oriëntaties dominant (en dus opzichtig) worden, gaat solidariteit over in een zuivere belangenpositie. Het gevolg hiervan is meestal dat het mogelijke surplus aan stabiliteit dat met affectieve oriëntaties verbonden is, verloren gaat.

Economisch gebonden zeden en solidariteiten vertonen niet alleen in traditionele maatschappijen een relatief grote continuïteit. Samen met economische belangen leveren zij een doorslaggevende bijdrage aan de stabilisatie van de economische structuren en instituties. Bovendien spelen zij een essentiële rol bij hun destabilisatie.

Index3. Belangen

Economische belangen worden geconstitueerd door zuiver strategische handelingsoriëntaties van individuen op basis van gelijksoortige verwachtingen van anderen en door zuiver strategisch gemotiveerde handelingen. Strategische handelingen zijn handelingen die het resultaat zijn van een meer of minder rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes. Gemeenschappelijke belangen binnen en tussen economische categorieën fungeren als een specifiek mechanisme van handelingscoördinatie.

In de economische sociologieën die aansluiten bij Weber’s algemene handelingstypologie wordt het mechanisme van handelingscoördinatie dat voortvloeit uit ‘doelrationele’ handelingsoriëntanties en handelingen aangeduid als belangenpositie. Een regelmatig voorkomende handelingsoriëntatie wordt door Weber “bepaald door belangenpositie (belangenbepaald)” genoemd “wanneer en voorzover de empirische kans dat sociaal handelen optreedt uitsluitend bepaald is door zuiver doelrationele oriëntatie van individuen op gelijksoortige verwachtingen” [WG:15].

De term 'belangenpositie' refereert weliswaar aan objectieve levensposities, maar is hiervan ook voor Weber geen synoniem. Het nadeel van de term belangenpositie is dat daarin vaak twee aspecten samenvloeien die uit elkaar gehouden zouden moeten worden, namellijk positionele aspecten (structurele posities) en motivationele aspecten (handelingsoriëntaties en -doelen). Belangen zijn door objectieve levensposities, habitus en levensstijlen, culturen en collectieve identiteiten gestructureerde en handelingsmotiverende particuliere doelen. Belangen zijn dus niet identiek met objectieve levensposities en zijn hiervan ook geen loutere reflectie. Belangen zijn handelingsmotiverende krachten, het zijn causaal effectieve motieven of redenen van handelen [Bader 1991:132].

De ratio van de term ‘belangenpositie’ is dat hierin de positionele bepaaldheid van belangen tot uitdrukking wordt gebracht. Om misverstanden te voorkomen zou men in in plaats van belangenpositie ook van ‘eigenbelangen’ kunnen spreken (zoals o.a. door Roth/Wittich, de Engelse vertalers van Wirtschaft und Gesellschaft is gedaan). Het nadeel hiervan is dat het bij ‘eigenbelangen’ altijd gaat om ongelijksoortige, tegenstrijdige verwachtingen en oriëntaties van individuele of collectieve actoren. Bij ‘belangenpositie’ ligt het accent juist op de gelijksoortigheid of gemeenschappelijkheid van de wederzijdse gedragsverwachtingen en oriëntaties. Om dit probleem te vermijden geef ik hier de voorkeur aan het algemene begrip ‘belangen’. De bonus voor het gebruik van de term ‘belangen’ is dat hiermee terminologisch afstand wordt gehouden van de eerder genoemde identifcatie van ‘belangenpositie’ met ‘objectieve levenspositie’ of met ‘economische positie’.

Belangen dragen bij aan de continuïteit en stabiliteit van economische structuren en instituties, maar bewerkstelligen tevens de discontinuïteit en instabiliteit daarvan. Ook economische belangen fungeren dus tegelijkertijd als mechanisme van reproductie en transformatie van gevestigde economische verhoudingen.

Index


3·1 Stabilisatie door belangen
Een eenmaal gevestigd gemeenschappelijk belang fungeert als een stabilisatiemechanisme wanneer en voorzover het bijdraagt aan de feitelijke reproductie van economische structuren en instituties. Actuele economische belangen zijn specifieke geobjectiveerde verwachtingsstructuren: zij veronderstellen een gelijksoortigheid van de wederzijdse strategische verwachtingen en oriëntaties van actoren die tot eenzelfde economische categorie behoren. De leden van een economische categorie oriënteren zich strategisch op hun eigen economische doelen en verwachten dat alle andere leden zich op dezelfde manier op deze doelen oriënteren. Bovendien veronderstellen zij dat alle andere leden van hen verwachten dat zij zich strategisch oriënteren en dienovereenkomstig handelen [Bader/Benschop 1988:267; Bader 1991:135].

Economische belangen stabiliseren dus in de eerste plaats de verhoudingen binnen de economische categorieën, dat wil zeggen tussen de leden van eenzelfde economische categorie. Economische structuren en instituties worden echter met name gereproduceerd wanneer verschillende economische categorieën gemeenschappelijke belangen definiëren of wanneer zij daadwerkelijk gemeenschappelijke belangen hebben, dat wil zeggen wanneer er tussen afzonderlijke categorieën een (partieel globaal, tijdelijk of duurzaam) belangencompromis tot stand komt. Zolang de verschillen en stellingen tussen de belangen van afzonderlijke economische categorieën niet duidelijk voor iedereen zichtbaar naar voren komen, dragen deze gemeenschappelijke belangen feitelijk bij aan de stabiliteit van economische structuren en instituties.

Ondanks en naast hun tegengestelde klassebelangen hebben loonarbeiders en ondernemers bijvoorbeeld beide belang bij het afsluiten van arbeidscontracten. Elk arbeidscontract dat wordt afgesloten reproduceert kapitalistische loonafhankelijkheid, of dit nu bewust bedoeld is of niet. De belangen van loonarbeiders en ondernemers zijn dus niet monolitisch gepolariseerd (zoals in primitief marxistische en conflictsociologische benaderingen beweerd wordt). Onder ‘normale’ omstandigheden, waarin klassebelangen niet sterk zijn gepolitiseerd, hebben werknemers een positief belang bij de rentabiliteit en overleving van het bedrijf waarvoor zij werken. De acceptatie van bestaande klassenverhoudingen door loonarbeiders is gedeeltelijk gebaseerd op strategische overwegingen, en niet alleen op de internalisering van ‘burgerlijke normen’ en misleiding. Zo hebben ook producenten en consumenten ondanks en naast hun tegengestelde belangen er beide belang bij dat er een koopcontract wordt gesloten.

Bovendien hebben consumenten van duurzame gebruiksgoederen een specifiek belang bij de continuïteit van de leverantie door de producent. Wie een computer koopt van een bepaald merk of systeemtype heeft er op korte termijn direct belang bij dat het betreffende concern het door hem gekochte product en bijbehorende uitbreidingselementen blijft leveren; op langere termijn is dit van belang omdat de consument bij vervanging van de apparatuur verwacht dat de betreffende firma rekening houdt met compatibiliteitsproblemen en hoopt dat er geen lange leertijden meer nodig zijn. ‘Trouw’ zijn aan een bepaald merk heeft dus niet alleen traditionele en effectieve redenen, maar ook nuchter becalculeerde strategische voordelen. De consument is onder bepaalde condities en voor bepaalde producten wel degelijk in staat tot een min of meer rationele afweging van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes.

Index


3·2 Destabilisatie door belangen
Belangen fungeren echter ook als een mechanisme van destabilisering van economische structuren en instituties. Wanneer de leden van een economische categorie (afdeling, beroep- of inkomensgroep enz.) zich strategisch oriënteren op hun eigen specifieke doelen verwachten zij immers ook dat de leden van een andere of tegenovergestelde economische categorie zich eveneens op hun eigenbelangen oriënteren (en van de eerste categorie verwachten dat zij hetzelfde doen).

Eenmaal gevestigde en duurzaam gearticuleerde groepsbelangen zijn intrinsiek conflictueus omdat zij tegenovergestelde belangen genereren. De realisatie van de belangen van de ene categorie impliceert in veel gevallen verzet tegen de realisatie van de belangen van een andere categorie. Bij belangenantagonismen is dit altijd het geval. Dit betekent niet dat er geen compromis mogelijk is tussen tegengestelde belangen. Het impliceert wel dat bij dergelijke compromissen meestal één specifiek belang domineert over (en gerealiseerd wordt tegen) de belangen van andere groepen. Niet het compromis is onmogelijk, maar harmonie [Wright 1985:36].

Belangenconflicten en belangencompromissen sluiten elkaar dus niet uit en moeten ook niet abstract tegenover elkaar worden gesteld. Ten eerste worden belangencompromissen gegenereerd door belangenconflicten. Het sluiten van een compromissen onderstreept de conflictualiteit van de daaraan ten grondslag liggende belangenconstellaties. Ten tweede is een belangenconflict van essentieel belang om de ‘regels van het spel’ te handhaven waardoor belangencompromissen gereproduceerd kunnen worden.

Tegengestelde economische belangen zijn een uitermate krachtige conflictbron. Zij genereren permanent impulsen die leiden tot een destabilisering van de krachtsverhoudingen tussen de verschillende individuele en collectieve actoren. Economische structuren en instituties worden met name gedestabiliseerd wanneer de tegenstellingen tussen de economische belangen op een directe, ondubbelzinnige en dus voor iedereen zichtbare wijze naar voren komen. Er doen zich permanent veelal niet opgemerkte moleculaire veranderingen voor in de objectieve posities van de economische actoren die doorwerken in hun habitus en levensstijlen. Hierdoor treden ook wijzigingen op in hun belangen op lange termijn, die meestal onbewust en niet bedoeld zijn. Het zijn juist deze wijzigingen in de actuele en gedeeltelijk bewust gearticuleerde economische belangen op lange termijn waardoor er telkens opnieuw economisch conflicten uitbreken en waardoor bestaande economische structuren en instituties worden gedestabiliseerd.

Een voorbeeld hiervan zijn de verschuivingen in de internationale marktverhoudingen voor de scheepsbouw, die voor Nederland geleid hebben tot een tamelijk snelle afbraak van deze bedrijfstak, met alle sociaal deraillerende gevolgen voor de betreffende regio’s van dien. Een verstrekkender voorbeeld zijn de werkgelegenheidsimplicaties van de introductie van steeds geavanceerde informatietechnologieën waardoor een complete revolutie van de kantoorarbeid ingang werd gezet: van bureauwerk naar beeldschermwerk, afbraak van traditionele administratieve functies en beroepen, ontstaan van tele-thuiswerkers en export van volledige bedrijfsadministraties naar lage-lonen-landen.

Index4. Conventies, recht en geweld

De mechanismen van handelingscoördinatie die we hiervoor hebben behandeld reproduceren en transformeren de bestaande economische structuren en instituties op een min of meer onbewuste wijze. Zeden en gewoontes, solidariteiten en belangen zijn niet als zodanig gericht op het instandhouden of veranderen van de bestaande verhoudingen, maar hebben wel aanzienlijke gevolgen voor hun stabiliteit. We stappen nu over naar een aantal mechanismen van handelingscoördinatie die wel direct en bewust gericht zijn op het instandhouden of veranderen van economische structuren en instituties. In deze paragraaf komen de zogenaamde 'uiterlijke' mechanismen van handelingscoördinatie aan de orde: conventies, recht en geweld aan de orde. In de paragraaf 6 wordt het 'innerlijke' mechanisme van handelingscoördinatie behandeld: legitimiteit.

Index


4·1 Economische privileges, rechten en eigendom

4·1·1 Privileges en rechten
Door de conventionele of wettelijke normering van feitelijk toegeëigende economische kansen wordt zowel de intra- als intergenerationele reproductie van economische verhoudingen uiterlijk gegarandeerd. Ik heb deze vorm van garantie uiterlijk' genoemd omdat men niet in de legitimiteit van conventionele of rechtsregels hoeft te geloven om rekening te houden met de maatschappelijke geldigheid ervan. Ook dieven houden rekening met het feit dat de eigendoms- en strafwet geldig is. Deze erkenning van de geldigheid van de eigendoms- en strafwetten komt tot uiting in het feit dat de dief zijn criminele praktijken zoveel mogelijk probeert te verheimelijken. Dit 'rekening houden met' betekent niet dat de dief normatief instemt met deze eigendomsregels.

Economische privileges zijn het resultaat van een zodanige ongelijke verdeling van feitelijke beschikkingsmacht over bronnen en beloningen dat een effectieve (en dus afdwingbare) claim op economische kansen mogelijk is. Of en zo ja door wie en in welke mate deze claims als legitiem of legaal worden erkend doet hierbij niet ter zake. Economische privileges zijn dus gedefinieerd als feitelijk toegeëigende economische kansen. In de economische en sociologische literatuur worden voor de feitelijke beschikkingsmacht vaak andere termen gebruikt zoals 'bezit' of 'economisch eigendom' (in onderscheid van 'juridisch eigendom'). Het nadeel van het begrip 'bezit' is dat het enerzijds refereeert aan 'feitelijke beschikkingsmacht', anderzijds aan 'juridisch bezit'. Om deze slingerbeweging tussen sociologische en juridische connotaties te vermjiden, zal hier het begrip 'feitelijke beschikkingsmacht' en 'economische privileges' worden gebruikt. Het nadeel van het begrip 'economisch eigendom' is dat het vooral gebruikt wordt als een rechtsbegrip. In deze analyse gaat het er juist om te laten zien dat er een essentieel verschil bestaat tussen economische privileges (gedefinieerd in termen van 'feitelijke beschikkingsmacht') en juridisch gegarandeerde beschikkingsmacht (economische rechten en eigendom).

Wanneer economische privileges uiterlijk worden gegarandeerd door conventies en/of door recht nemen zij de vorm aan van economische rechten. Economische rechten zijn dus gedefinieerd als conventioneel of wettelijk gegarandeerde economische privileges. Economische rechten kunnen zowel in sociaal als in temporeel opzicht beperkt zijn.

4·1·2 Sociale begrenzing: differentiatie, delegatie en limitatie
In sociaal opzicht kunnen economische rechten op drie manieren worden begrensd: door differentiatie, door delegatie en door externe limitatie.

  1. Differentiatie van economische rechten
    De beschikkingsmacht over economische objecten is in werkelijkheid een complexe bundel van verschillende deelbeschikkingsmachten of afzonderlijke bevoegdheden. De beschikkingsmacht over objecten kan beperkt zijn tot (een bepaalde combinatie van) het recht op gebruik, het recht op genot, het recht op dispositie of het recht op veruiterlijking of overdracht.

    In verkoopcontracten worden meestal alle rechten van de koper overgedragen op de koper. In sommige koopcontracten wordt echter het beding opgenomen dat men het betreffende object niet mag doorverkopen (zoals bij sommige wapencontracten), niet mag verhuren of kopiëren (zoals bij video’s of computerprogramma’s). In alle pacht-, huur- en leencontracten worden voorwaarden opgenomen waarin de beschikking over het gebruik, het genot, de dispositie en de veruiterlijking wordt verdeeld tussen verpachters en pachter, verhuurders en huurders, verleners en leners. Gepachte, gehuurde en geleende objecten mogen niet aan derden worden doorverkocht of overgedragen. Men mag huurhuizen niet voor bedrijfsdoeleinden gebruiken en men mag bedrijfspanden niet als particuliere woning inrichten. Men mag particulier gehuurde video’s niet voor commerciële doeleinden gebruiken. Men mag ingehuurde arbeidskrachten niet niet met fysiek geweld disciplineren en men mag ze niet misbruiken voor seksuele genotsdoeleinden. Men universitaire gezagsposities niet gebruiken om zich op koste van studenten te verrijken. Enzovoort, enzovoort.

    Een van de in dit kader meest besproken onderwerpen is de vraag inhoeverre de ‘klassieke’ kapitalistische eigendomsvorm zich empirisch heeft gedifferentieerd. In de klassieke kapitalistische eigendom waren het genotsrecht en het dispositierecht geïntegreerd. Het in kapitaaleigendom geïmpliceerde genotsrecht is een erfelijk overdraagbaar recht op een regulier arbeidsloos inkomen in de vorm van interest of dividend (‘kapitaal als eigendom’). Het dispositierecht resp. de controlebevoegdheid in kapitalistisch georganiseerde arbeidsprocessen is afgeleid van de feitelijke en juridisch gegarandeerde beschikkingsmacht over directe of productieve bronnen (‘kapitaal als functie’).

    Genots- en dispositierecht zijn in de loop der tijd tot op zekere hoogte empirisch gedifferentieerd. Door de opkomst van naamloze en besloten vennootschappen heeft enerzijds geleid tot een spreiding van het aandelenbezit. Hierdoor is een er categorie van genieters van eigendommelijke genotsrechten ontstaan wier controlerende en of disponerende macht verwaarloosbaar klein of louter fictief is. Anderzijds bleven de strategisch relevante beschikkings- en beslissingsmachten over kapitalistische ondernemingen in handen van grote preferentiële aandelenbezitters. Het privé-eigendom van de afzonderlijke aandeelhouders is gereduceerd tot het inkasseren van dividenden (beperkt genotsrecht of recht op vruchtgebruik) en het verhandelen van bezitstitels (recht op overdracht). Hieraan is slechts een uiterst geringe juridische beschikkingsmacht verbonden die feitelijke irrelevant is. De kleine niet-preferente aandeelhouders zijn ‘couponknippers’ zonder enige controlerende of dispositiemacht. Hun beperkte genotrecht zou door een (egalitair of meritocratisch gemotiveerde) stevige dividendpolitiek en een drastische belastingheffing zo ver kunnen worden teruggebracht dat zij als juridische eigenaars geen enkele beschikkingsmacht meer kunnen uitoefenen. Hun eigendomstitels zouden hierdoor tot lege, papieren rechtstitels worden teruggebracht, waardoor de institutionele beleggers en banken de enige feitelijke economische eigenaars zouden worden.

    De definitieve beslissingsmacht over kapitalistische arbeidsorganisaties kan dus niet alleen intern worden gedelegeerd (zie onder), maar ook extern worden gerealiseerd. In dat geval berust de definitieve strategische beslissingmacht (inclusief het selecteren, aanstellen en ontslaan van topmanagers) in handen van eigendomsbelangen buiten de betreffende arbeidsorganisatie en worden zij gecontroleerd door handels- en financiële ondernemingen (institutionele beleggers en handelsbanken). De feitelijke beheerders zijn immers altijd de beheerders van de beheerders. De feitelijke dispositie- of controlebevoegdheden zijn dus verdeeld tussen coalities van grote aandeelhouders, raden van commissarissen, en diverse afdelingen van de ondernemingsleiding [Scott 1979:38; Zeitlin 1979, 1989; Bader/Benschop 1988: 260,380; Bottomore/Brym 1989].

  2. Delegatie van economische rechten
    De economische rechten kunnen aan anderen worden gedelegeerd. Dit geldt met voor het dispositierecht. Het meest bekende voorbeeld hiervan is de wijze waarop in het moderne kapitalisme de ondernemersfuncties (toezicht op en leiding van het arbeidsproces) worden gedelegeerd. We hebben hiervoor gezien dat de feitelijke dispositierechten of controlerende bevoegdheden worden verdeeld over grote aandeelhouders, raden van commissarissen en de ondernemingsleiding. Deze bevoegdheden kunnen op hun beurt weer formeel en feitelijk in verschillende mate worden gedelegeerd [White 1992].

    Vloeiende overgang
    Het onderscheid tussen differentiatie en delegatie van beschikkingsmachten/rechten is zeer vloeiend. Men zou de delegatie het dispositierecht in naamloze vennootschappen immers ook kunnen behandelen als een vorm van vergaande desaggregatie/differentiatie in afzonderlijke bevoegdheden.

    Zo kan bijvoorbeeld het dispositierecht worden opgesplitst in afzonderlijke bevoegdheden: dispositie over investeringen, over inkoop, verkoop, reklame, technische en organisatorische vormgeving van het arbeidsproces enz. tot aan het toezicht en de controle. In dat geval wordt de delegatie van (feitelijke of juridische) beschikkingsmachten een onderdeel van de differentiatie van beschikkingsmachten.

    Bij differentiatie van beschikkingsmachten/rechten worden de deelbeschikkingsmachten verdeeld over actoren die meestal niet tot eenzelfde organisatie eenheid behoren, terwijl bij delegatie de beschikkingsmachten/rechten door de delegerende actor worden overgedragen aan actoren die in de regel tot hetzelfde organisatie behoren.

    Bij delegatie kan de overgedragen beschikkingsmacht desgewenst gemakkelijk door de delegerende actor worden teruggenomen omdat deze in een superieure positie staat ten opzichte van de delegatair. Bij differentiatie van beschikkingamachten is dit meestal niet het geval. Daarom is het verstandig vast te houden aan het onderscheid tussen differentiatie en delegatie van beschikkingsmachten/rechten.

    Door de toenemende complexiteit van kapitalistische arbeidsorganisaties waren kapitaaleigenaars genoodzaakt steeds meer ondernemersfuncties te delegeren naar een specifieke categorie van loonafhankelijken. De met toezichthoudende en leidinggevende functies belaste employés ('managers') genieten een bijzonder vertrouwen en krijgen een aantal privileges (toezichtsloon of loyaliteitsrente) en bijzonder volmachten. De beschikkingsmachten of bevoegdheden van managers zijn echter niet volledig ('nominaal') gedelegeerd, want zij kunnen desgewenst door kapitalisten/eigenaars worden teruggenomen. Deze bevoegdheden zijn ingebouwd in de maatschappelijke organisatie van de arbeid en daaraan ontlenen managers binnen zekere grenzen werkelijke autonomie en macht.

    Empirische vragen
    Het empirisch onderzoek naar positie en levensstijl van het management concentreert zich op de volgende vragen:
      Structurele positie
    1. Hoe en op grond van welke criteria worden leden van het topmanagement gerekruteerd?

    2. Hoe sterk is de burgerlijke bias in het rekruteringspatroon?

    3. Hoe relevant zijn verwantschapscriteria (sociale herkomst) in vergelijking met individuele prestatiekwalificaties of de diploma's die deze moeten indiceren?

      Levensstijl

    4. In hoeverre genereren deze eliteposities in arbeidsorganisaties een specifieke, van traditionele kapitalistische eigenaars onderscheiden habitus en levensstijl, handelingsmotivaties en belangendefinities, zelfopvatting en collectieve identiteit?

    5. In hoeverre laten managers zich meer dan kapitalistische eigenaren inspireren door een sociaal verantwoordelijkheidsbesef (geen streven naar winst maar naar groei, geen persoonlijk gewin maar continuïteit)?
    Zie voor een analyse van de structurele positie van managers: Benschop [1993: hft. viii] en voor een analyse van hun werk- en levensstijlen: Scase/Goffee [1989].

    Om inzicht te krijgen in de relatie tussen de feitelijke machtskansen in ondernemingen en de geformaliseerde delegatie van beslissingscompetenties moeten twee onderscheidingen worden gemaakt.

    1. Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de afzonderlijke bevoegdheden en de relevante bevoegdheden moeten nauwkeurig worden omschreven. De meest cruciale thema's in organisatiestudies zijn daarom gericht op de vraag 'waarover worden feitelijk en/of rechtmatig beslist?' en op de vraag 'wat is de relevantie van de genomen beslissingen?' In dit verband wordt meestal een onderscheid gemaakt tussen strategische en operationele beslissingen. Strategische beslissingen leggen de fundamentele parameters vast waarbinnen bedrijven als onderdeel van kapitalistische ondernemingen moeten handelen. Het zijn beslissingen over investeringen en financiering, over de juridische structuur van de onderneming en over de rekrutering van topmanagement. Operationele beslissingen betreffen het dagelijkse bestuur van afzonderlijke bedrijven. Het zijn beslissingen over verkoop en budgettering, de selectie van middenmanagement, en over de planning, inrichting en controle van de productie [De Vroey 1973:82; Scott 1979:36; Mintzberg 1979:59].
        De bestaande typologieën van organisationele beslissingen zijn overwegend begripsmatig van aard en zijn niet gebaseerd op empirisch onderzoek naar de feitelijke beslissingsprocessen van arbeidsorganisaties. Mintzberg maakt een onderscheid tussen operationele, administratieve en strategische beslissingen. Zijn typologie is gebaseerd op een combinatie van twee criteria: (a) het funtionele belang van beslissingen voor de organisatie en (b) het routineuze dan wel exceptionele karakter van beslissingen. Hij wijst er terecht op dat beslissingen niet inherent strategisch zijn, maar alleen binnen een bepaalde context. Zo is de introductie van een nieuw product wel een belangrijke (op strategische beslissingen gebaseerde) gebeurtenis voor een bierbrouwerij, terwijl het voor een uitgeverij een bijna alledaagse gebeurtenis is.
    2. Ten tweede moet er een onderscheid worden gemaakt tussen geformaliseerde en feitelijke delegatie van bevoegdheden. In goede organisatiestudies wordt daarom altijd aandacht besteed aan de vraag in welke mate strategische beslissingsbevoegdheden ('echte managementsfuncties' of gezagsfuncties) feitelijk dan wel formeel zijn gedelegeerd. Bovendien moet daarbij worden onderzocht in welke mate managementsfuncties functioneel gespecialiseerd zijn, d.w.z. hoe sterk de professionalisering van leiding, toezicht en controle is voortgeschreden. Tenslotte moet er - vooruitlopend op het volgende thema - onderzocht worden in welke mate de (meer of minder gedifferentieerde en gedelegeerde) beslissingmachten extern gelimiteerd worden door 'derden', zoals door wetgeving op gebied van arbeidsvoorwaarden, medezeggenschap en milieu.

  3. Externe limitatie van economische rechten
    Economische rechten kunnen extern worden gelimiteerd. Zij kunnen extern worden gelimiteerd door de feitelijke of juridische beschikkingsmacht van anderen particuliere rechthouders en door boven particuliere actoren staande soevereine politieke eenheden.

    De actoren worden bij de uitoefening van hun economische rechten extern beperkt door de rechten van andere actoren: het gebruiksrecht van een landbezitter wordt extern beperkt door het gebruiksrecht van de naburige landbezitter (bijvoorbeeld in verband met de risico’s van zich verbreidende grondvervuiling), het recht op gebruik van huur- of koopwoning wordt beperkt door het vergelijkbare recht van de buren.

    De houders van economische rechten worden bovendien beperkt door algemene conventionele of wettelijke regelingen: de economische rechten van alle actoren worden extern gelimiteerd door belastingverplichtingen (afroming van genotrecht van inkomens- en vermogenstrekkers), door premieverplichtingen, door onteigeningscondities (bij verwaarlozing van de eigendom of bij aanleg van wegen of spoorlijnen), door wettelijke reguleringen van de arbeidsverhoudingen (met betrekking tot arbeidstijden, kinderarbeid, sluitingstijden, medezeggenschap), door de economische politiek van lokale en nationale overheden (van lokale bestemmingsplannen tot nationale investeringsvoorschriften), en —helaas zowel ‘last’ als ‘least’ - door milieuwetgeving. Alle economische transacties voltrekken zich expliciet of impliciet onder het bekende voorbehoud: ‘behoudens de wet’. Ik beperk me tot een bekend voorbeeld.

    Een ondernemer die een werknemer in dienst neemt verwerft daarmee het gebruiks-, dispositie- en genotrecht over deze arbeidskracht. In de uitoefening van deze rechten wordt de ondernemer enerzijds beperkt door de rechten van de werknemer: werkneners behouden hun onvervreemdbaar recht op beschikking over de eigen persoon (het is geen slavernij), maar ook over de eigen arbeidskracht (de werknemer heeft het recht zijn arbeidscontract te verbreken om met een willekeurige andere ondernemers een nieuw contract af te sluiten).

    Anderzijds wordt de ondernemer in zijn handelen extern beperkt door conventionele of wettelijke regelingen ten aanzien van arbeidstijden, minimale hoogte van het te betalen arbeidsloon en minimale omvang van het aantal arbeidsdagen, uitsluiting van kinderarbeid en bepalingen ten aanzien van minimum-jeugdlonen, regelingen met betrekking tot openings- en sluitingstijden, voorschriften met betrekking tot medezeggenschap (zoals wet op ondernemingsraden en medezeggenschapscommissies), bepalingen ten aanzien van oneigenlijk gebruik van arbeidskrachten (zoals dreigen of toepassen van fysiek geweld, seksueel misbruik) informatieverplichtingen bij fusies en bedrijfsluitingen, verplichte afdracht van sociale premies enzovoort.

Economische privileges (feitelijke beschikkingsmacht over economische bronnen en beloningen) zijn in moderne kapitalistische economieën zelden totaal dichotoom verdeeld en economische rechten (conventioneel of wettelijk gegarandeerde privileges) zijn nooit ‘volledig’ of ‘absoluut’. Integendeel, de economische rechten vertonen juist een groot aantal gradaties: zij zijn bijna zonder uitzondering in meer of mindere mate gedifferentieerd, gedelegeerd en extern gelimiteerd. Dit betekent omgekeerd dat uitsluiting van de feitelijke en juridische beschikkingsmacht over bronnen en beloningen in de regel gradueel en slechts bij uitzondering totaal is. Een volledig dichotome structurering van de beschikkingsmachten is slechts een ideaaltypische denkconstructie. Volledige economische rechteloosheid is hoogstens een ideaaltypisch grensgeval — meestal is het een product van verhitte agitatie en overtrokken propagandisme.

4·1·3 Temporele begrenzing
In temporeel opzicht kan de beschikkingsmacht over objecten al dan niet beperkt zijn tot een bepaalde tijdsperiode [zie Weber, WG: 202 over de ‘stadia van appropriatie’ en Bader/Benschop 1988:250-1]. Bij een temporeel beperkte toeëigening kan de termijn van het recht al dan niet van te voren zijn vastgelegd. Bij een getermineerd recht wordt de periode van de toeëigening bij voorbaat vastgelegd. Deze periode kan zeer kort, maar ook zeer lang zijn. Een voorbeeld van een kortdurend recht is het gebruiks- en dispositierecht dat men verwerft bij het huren van een auto of video, of door het kopen van een kaartje voor een filmvoorstelling. Een voorbeeld van een langdurend is een pacht- of huurcontract van honderd jaar of een hypotheekcontract van dertig jaar.

Sommige economische privileges en rechten zijn echter helemaal niet aan een specifieke, van te voren bepaalde tijdsperiode gebonden. Ook bij een ongetermineerd recht kan de termijn van de toeëigening zeer kort of zeer lang zijn. Wanneer in een onderneming een bepaalde beslissingsbevoegdheid ‘tot opzegging’ wordt gedelegeerd, kan deze bevoegdheid na zeer korte tijd weer worden teruggenomen; ook leverantie- of huurovereenkomsten zonder contractueel vastgelegde tijdslimieten kunnen onder bepaalde voorwaarden snel en eenzijdig worden verbroken. Een ongetermineerd recht kan echter ook zeer lang duren, zoals bijvoorbeeld bij benoemingen voor het leven. De meest vergaande vorm van een ongetermineerde recht zijn de rechten die in geval van overlijden van de actuele eigenaar worden overgedragen aan een of meerdere personen die door verwantschappelijke of andere sociale relaties met de houder van de rechten verbonden zijn, of aan anderen die door hem/haar worden aangewezen. Dit is niet alleen kenmerkend voor intergenerationeel verwantschaps- of familie-eigendom, maar ook voor onbeperkt organisatie-eigendom (zoals corporatief en staatseigendom).

Erfelijke overdracht kan dus zowel plaatsvinden via intergenerationele overdracht op basis van verwantschap als op basis van coöptatie. Dit laatste geldt in het bijzonder voor de houders van topfuncties van ondernemingen die een feitelijk en juridisch verankerd monopolie op de ondernemingsmacht hebben. Zij zijn vergelijkbaar met de vorsten en koninklijke families die hun ‘sublieme macht’ aan hun troonsopvolgers doorgeven en met het Centraal Comité van de voormalige Sovjet-Unie die haar nieuwe leden selecteerde lang de weg van coöptatie.

In temporeel opzicht bieden erfelijke rechten een maximaal bereikbare stabiliteit van economische structuren en instituties. De reden hiervan is dat door erfelijke rechten de intra- en intergenerationele mobiliteit aanzienlijk wordt beperkt. Dit impliceert dat economische posities langdurig door dezelfde personen worden bezet of dat zij bij overlijden van de actuele houder door hun opvolgers worden geërfd. Door deze overerving worden niet alleen economische rechten overgedragen (gecontinueerd en gestabiliseerd), maar wordt tevens een continue grondslag gelegd voor het ontstaan van een gemeenschappelijk habitus, collectieve levensstijlen, gemeenschappelijke levenservaringen en hechte collectieve identiteiten. De temporele dimensie van economische rechten heeft dus een enorme invloed op de blokkering van sociale mobiliteit (het schept harde mobiliteitsbarrières) en daarmee op de consolidering van in sociaal-cultureel opzicht relatief homogene collectiviteiten. Het meest bekende resultaat hiervan is de relatieve stabiliteit meer of minder sterk gehomogeniseerde beroepsgroepen, organisationele elites en sociale klassen.

4·1·4 Eigendom
Eigendom wordt vaak gedefinieerd als een 'bundel rechten' [Macpherson 1978:3,5]. Dit betekent echter niet dat elke bundel rechten ook als 'eigendom' kan worden beschouwt. Van eigendom is slechts sprake wanneer economische rechten in temporeel opzicht onbeperkt (niet-getermineerd) zijn en erfelijk kunnen worden overgedragen.
Het verschil tussen rechten en eigendom wordt hier dus niet vanuit de sociale dimensie van stabilisering benaderd, maar vanuit de tijdsdimensie. De afbakening van het eigendomsbegrip wordt uitvoerig beargumenteerd in Bader/Benschop [1988:253-64].
Eigendom is dus gedefinieerd als een temporeel onbeperkte en erfelijk overdraagbare bundel economische rechten. Daarbij wordt erfelijke overdracht niet beperkt tot het criterium van verwantschap en dus in eerder omschreven betekenis breed opgevat. Eigendom kan in principe twee vormen aannemen: privé-eigendom en gemeenschapseigendom. Privé-eigendom is een bundel rechten die het mogelijk maakt om binnen een bepaald economisch systeem andere actoren van dit systeem van bepaalde objecten uit te sluiten.* Gemeenschaps- of maatschappelijk eigendom is het individuele recht van alle actoren binnen het systeem om niet te worden uitgesloten, althans niet van de objecten waarvan geproclameerd is dat zij binnen dit systeem gemeenschappelijk eigendom zijn [Bader/Benschop 1988:258].

Economische structuren en instituties veranderen zodra er wijziging optreden in de verdeling van de structuur van de privileges, rechten en eigendommen. Verandering van economische structuren en instituties vindt plaats door een bewuste en als zodanig nagestreefde verandering van de conventies en met name van het gepositiveerde recht.

Index


4·2 Conventies en wetten
De reproductie van economische structuren en instituties wordt uiterlijk gegarandeerd door conventies en wetten. De normering van economische structuren en instituties kan vanuit drie optieken worden onderzocht: de normering van de verdeling van bronnen, beloningen en actoren.
  1. Normering van verdeling van bronnen
    De conventionele en/of wettelijke normering van de duurzaamheid van beschikkingsmacht (getermineerde en niet getermineerde beschikkingsmachten), van de mate van beschikkingsmacht (differentiatie, delegatie en externe limitatie van beschikkingsmachten) en van de objecten van beschikkingsmacht (inclusie van personen of juist beperkt tot goederen of ‘zaken’). Economische structuren en instituties worden vooral gegarandeerd door een conventionele of wettelijke normering van de wijze waarop de beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen is verdeeld (eigendomsrecht) en door de wijze waarop beschikkingsmacht over productieve bronnen en rijkdommen kan worden verkregen en overgedragen (erfrecht).

    Door deze geïnstitutionaliseerde normering worden niet alleen de bestaande eigendomsverhoudingen gegarandeerd, maar wordt tevens de specifieke vorm van het recht op toeëigening van meerarbeid, dat wil zeggen het recht op exploitatie verankerd en verduurzaamd. De conventionele en wettelijke normeringen zijn echter niet tot eigendoms- en erfrecht beperkt. Er zijn nog andere aspecten van de economische structuren en instituties die conventioneel en/of wettelijk worden genormeerd.

  2. Normering van verdeling van beloningen
    Conventionele en/of wettelijke normering van de beloningen en in het bijzonder de conventies en wetten die de inkomens- en inkomstenverdeling reguleren: normering van tribuut of belastingverplichting, van minimum- en maximuminkomen, van bijdragen aan het sociale zekerheidsfonds en van aanspraken op uitkeringen uit dit fonds.

  3. Normering van verdeling van actoren
    Conventionele en wettelijke normering van economische verhoudingen heeft niet alleen betrekking op de reproductie van economische posities, maar ook op de allocatie van individuen op economische posities. Het gaat dus ook om de directe normering van economische subjecten en de allocatiecriteria: normering van eigendomssubjecten (individuen, families, stammen, formele organisaties en instellingen, niet-formele georganiseerde groepen van gediscrimineerden) en normering van criteria van sociale sluiting (zoals racistische, seksistische, gerontocratische, regionalistische, nationalistische, clericalistische, meritocratische, expertocratische normeringen).

4·2·1 Conventies
Conventie is een specifiek type van garantie van economische structuren en instituties. Kenmerkend voor conventies is de wijze waarop de geldigheid van de normen uiterlijk wordt gegarandeerd: conventionele regels worden gegarandeerd door het feit dat degene die van de gedragsregels afwijkt de kans loop op "een betrekkelijk algemene en praktisch voelbare afkeuring" [Weber WG:17]. We hebben eerder gezien wat het mechanisme van sociale controle is dat voor economische zeden kenmerkend is. Anders dan bij zeden worden bij conventies de regelmatigheden expliciet opgevat als normen of normerende regels. Conventies objectiveringen van een specifiek soort normatieve gedragsverwachtingen.

De normerende regels worden gegarandeerd door het dreigen met of toepassen van negatieve sociale sancties zoals openbare afkeuring en verdachtmaking ('infamia'), uitsluiting, boycot of staking. Conventies worden dus gestabiliseerd door de vrees voor externe sociale sancties die het voor een actor individueel rationeel maken om de in conventies geïmpliceerde normen te respecteren.

Om te verklaren waarom mensen soms lijken te handelen tegen hun eigen materiële eigenbelang, hoeft men geen beroep te doen op 'interne variabelen' zoals emotionele gevoelens of rechtvaardigheidsopvattingen. Het is voldoende wanneer men kan aantonen dat het alternatief nog slechter is, d.w.z. dat de tasbare kosten van het schenden van een conventie groter zijn dan de tastbare kosten om deze te respecteren.

Er is al eerder op gewezen dat de normen die het economisch handelen van actoren beïnvloeden in meer of minder vergaande mate zijn geïnstitutionaliseerd. Geïnstitutionaliseerde normen vormen de morele context van de lokale, bedrijfsspecifieke, nationale of internationale economische verhoudingen. Deze morele context bestaat uit een serie dwingende normen en voorkeuren met betrekking tot de relaties tussen economische actoren, en worden grotendeels uitgedrukt in het idioom van patronage, ondersteuning, welwillenheid en hulpvaardigheid.

Deze normen worden niet alleen toegepast op gezagsuitoefening (‘eerlijke behandeling’), arbeidsrelaties (‘verantwoorde beroepsuitoefening’), beloning (‘rechtvaardig loon voor fatsoenlijke arbeid’), en alle vormen van economische transacties (‘bonafide handel’), maar ook op liefdadigheid (van heersenden of rijken wordt verwacht dat zij ‘charitas’ bedrijven), het geven van feesten en op het gedrag in de alledaagse omvang (zoals de gepaste wijze van begroeting en de afstand die men daarbij geacht wordt te houden).

Actoren die aan deze normatieve verwachtingen voldoen kunnen rekenen op ‘respect’ en ‘sociale erkenning’ en worden ‘loyaal’ behandeld. Het is een ‘politics of reputation’ (Bailey): in ruil voor steun aan een bepaalde gedragscode krijgt men een goede naam [J.C. Scott 1985:185].

De keerzijde daarvan is een politiek van sociale sancties. Actoren die afwijken van de normen die in de morele context zijn geïnstitutionaliseerd verliezen niet alleen het respect en de loyaliteit van degenen waarmee zij transacties plegen, maar vaak ook van de leden van de eigen economische categorie. Hier volgen een paar voorbeelden.

  1. Het oudste en waarschijnlijk ook het meest voorkomende egaliserende mechanisme in de hele geschiedenis van de mensheid is deeldwang. In primitieve familie-, stam- en clanverbanden werden individuen die door toeval (een uiterst succesvolle jacht) of door persoonlijke kwaliteiten (een zeer behendige jager) een zekere extra rijkdom verwierven, moreel gedwongen om dit met andere leden van de verwantschapseenheid te delen. Vooral de voedingsmiddelen staan onder een sterke deeldwang.

    De antropoloog Evans-Pritchard [1950:35] heeft in zijn studie over de Afrikaanse stam van de Nuer laten zien dat de plicht om verwanten die minder hebben te helpen er toe leidt dat een Nuer op den duur niet meer bezit dan anderen. Een Nuer die meerdere speren en bijlen bezit, verliest deze op den duur. Dit leidt er onder andere toe dat bijzonder begeerde objecten vaak worden verstopt om later als tegenprestatie voor bijzondere diensten te worden weggegeven. Ook bij andere onderzochte stammen bestaan sterke generositeitsnormen. Wie daarvan afwijkt kan zelfs met de dood worden bestraft [Worsley 1984:88].

    In segmentaire maatschappijen bestaat wel ongelijkheid in rijkdom, maar deze is meestal slechts tijdelijk en wordt nog niet duurzaam gestabiliseerd. Verschillen in rijkdom worden intragenerationeel genivelleerd door deeldwang en intergenerationeel door erfelijke overdracht (bezittingen die ouders tijdens hun leven vergaren worden slechts verspreid of gedeeld aan hun kinderen overgedragen). De bezitsverschillen zijn dus transitief omdat zij via sociale herverdeling (deeldwang) of natuurlijke nivellering telkens weer verdwijnen en niet geaccumuleerd kunnen worden.

    Diepverankerde generositeitsverwachtingen zijn ook verantwoordelijk voor het feit dat stamhoofden conventioneel verplicht waren hun overtollige rijkdom met anderen te delen, waardoor hun accumulatiemogelijkheden werden beperkt. Voor een aantal Zuid-Amerikaanse stammen is dit verschijnsel gedocumenteerd door Lévi-Strauss.

      “De vrijgevigheid is bij haast alle primitieve volkeren en vooral in Amerika een essentieel attribuut van macht; ze speelt zelfs in deze elementaire samenlevingen, wier materiële cultuur nauwelijks ontwikkeld is, een belangrijke rol. Ofschoon het opperhoofd, wat de materiële bezittingen betreft, geen bevoorrechte positie schijnt in te nemen, moet hij toch altijd over voedingsmiddelen, gereedschap, wapens en sieraden kunnen beschikken, die al zijn ze nog zo armzalig, ten overstaan van de algemene armoede toch een aanzienlijke waarde hebben. Als een individu, een gezin of een hele groep een wens heeft of een bepaalde behoefte gevoelt, doet men een beroep op het opperhoofd om eraan te voldoen. Zo is vrijgevigheid de belangrijkste eigenschap die men van een nieuw opperhoofd verwacht. Het al of niet aanwezig zijn van deze eigenschap beslist over instemming of afkeuring. Men behoeft er dan ook niet aan te twijfelen dat in dit opzicht het opperhoofd tot het uiterste toe wordt uitgebuit” [Lévi-Strauss 1955/85:305 e.v.].

    Zie voor vrouwenruil en exploitatie van vrouwen in segmentaire samenlevingen en huishoudelijke gemeenschappen: Benschop [1993/2017:154-63 — VI, §5] en de daar aangehaalde literatuur.
    Kenmerkend voor voor segmentaire maatschappijen is het dominante gelijkheidsbewustzijn en het bewuste streven om de bestaande gelijkheid (met uitzondering van die van vrouwen) in stand te houden.

    Antropologisch studies bieden opmerkelijke illustraties van egalitair geïnspireerde reacties tegen prominenten (rijke mannen en instanties) en van intimidatie van patriarchen door (vrouwelijke) hekserij. Dorpsroddel, verdachtmakingen en hekserij tegen rijke en machtige individuen zijn een sanctie op de schending van de verwantschappelijke ondersteuningsplichten. Het centrale motief voor reacties tegen rijke, machtige of prominente personen is afgunst en wordt gevoed door de overtuiging dat bijvoorbeeld rijkdom het gevolg is van een onrechtmatige toeëigening [Sigrist 1979:130,190].

    Hekserij is het agressieve antwoord van de minder tegenover de meer geprivilegieerden. “Hekserij is het wapen van de zwakkeren en de armen. De rijken en de leiders hebben veel meer te vrezen van hekserij dan de arme man en de volgeling” [E. Winter, geciteerd bij Sigrist]. Verdachtmakingen, roddel en karaktermoord zijn sociale sancties waarmee het overtreden conventies wordt bestraft [J.C. Scott 1985:228,234 e.v.,262,282, 284,290; Geschiere 1983:608].

    In veel traditionele stammen beheerst men tot op de dag van vandaag zeer goed de kunst om al te autoritaire figuren een toontje lager te laten zingen. Het feit dat gezagsposities buiten het huishouden niet voorkomen, wil niet zeggen dat er geen streven naar distinctie, macht en prestige bestaat. Het streven naar distinctie, macht en prestige wordt echter beperkt door de angst voor sancties. In segmentaire maatschappijen wordt sociale gelijkheid dus beperkt en gestabiliseerd door de empirische gelding van gelijkheidsnormen: gelijkheidsgedrag vloeit niet voort uit een gebrek aan alternatieven, maar uit gelijkheidsnormen. Daarom reageren de leden van segmentaire samenlevingsverbanden zelf op overtredingen van de gelijkheidsnormen. En daarom is het niet tautologisch om te zeggen dat de oriëntatie op gelijkheidsnormen in segmentaire maatschappijen de sociale gelijkheid reproduceert en stabiliseert.

  2. Zelfs een patrimoniale of feodale heer is iets aan zijn onderhorigen verschuldigd, niet juridisch, maar volgens de traditionele gebruiken, gewoontes en conventies. De heer wordt geacht externe bescherming, in geval van nood hulp te bieden, en zijn onderhorigen op een ‘menselijke’ wijze te behandelen. Er wordt vooral van hem verwacht dat hij zich bij zijn uitbuiting houdt aan de ‘gebruikelijke’ of ‘normale’ beperkingen. Dergelijke normen spelen met name een belangrijke rol in economische formaties die (nog) niet zijn gericht op het verwerven of accumuleren van geld, maar op de bevrediging van de behoeften van de heer.

    In patrimoniale of feodale verhoudingen kan de uitbuiting van onderhorigen worden beperkt zonder de belangen van de heer te schenden, omdat deze nog niet worden gedicteerd door het in principe ongelimiteerde winststreven [Weber, WG:583; J.C. Scott 1976]. De landheer die zijn conventionele verplichtingen ten opzichte van zijn pachters verwaarloost, wordt een object van hartgrondige verachting en verliest zijn goede naam. Een kleine pachter die zijn landheer deemoediger dan noodzakelijk bejegent en meer diensten verleend dan waartoe hij conventioneel verplicht is, wordt door zijn dorpsgenoten ‘met de nek aangekeken’.

  3. In alle industrialisatieprocessen maakt de opkomende klasse van ondernemers voor eigen doeleinden gebruik van de traditionele onderschikking van de arbeiders, terwijl zij zich in theorie en praktijk proberen te onttrekken aan de daarvan verbonden conventionele verplichtingen ten opzichte van hun arbeiders. Voor de vroege fase van de industrialisatie in Engeland en Rusland is dit uitvoerig behandeld door Bendix [1956]. Een recenter voorbeeld is het verloop van de zogenaamde ‘groene revoluties’ in Zuid-Oost Azië. De klassenconflicten tussen rijke boeren en arme pachters in Maleisië worden uitgevochten binnen een een traditionele morele context. J.C. Scott [1985] heeft in detail laten zien hoe beide partijen zich strategisch oriënteren op conventies. Ook de rijke boeren in ‘Sedaka’ zijn niet in staat om zich volledig te onttrekken aan de prekapitalistische normatieve context van het dorpsleven. Daarom proberen zij de toepasbaarheid van deze waarden —waarin zij eens een veel groter gevestigd belang hadden— radicaal te beperken. Wanneer zij zich volledig aan deze waarden zouden houden, zouden zij zich niet meer kunnen onttrekken aan de sociale verplichtingen deze met zich meebrengen en zouden zij de winsten van de ‘groene revolutie’ aan hun neus voorbij zien gaan [idem:185]. Om de morele context aan te passen aan hun ongelimiteerde winststreven hanteren de rijke boeren verschillende strategieën; maar ook de kleine pachters proberen in hun moleculaire verzet hiertegen juist de traditionele conventies te reactiveren.

    Zowel de rijke boeren als de arme pachters proberen een zodanige interpretatie van de situatie te geven dat deze prekapitalistische waarden in dienst staan van hun eigen partijdige klassedoelen. Normatieve verwachtingen (i) dat degenen die relaties ‘in goede doen’ zijn ‘genereus’ moeten zijn aan hun minder gefortuneerde burren en verwanten (ii) dat dergelijke generositeit zou niet in een vernederende vorm geuit moest worden en (iii) dat nog de rijke noch de arme zich op arrogante of schaamteloze manier gedragen. De inhoud van dit normatieve drama is dit: ‘wie is in goede doen?’, ‘hoe genereus moeten zij zijn?’, ‘welke vormen moet hun generositeit aannemen?’, ‘welke vormen van ondersteuning/hulp zijn verenigbaar met waardigheid?’, ‘welk gedrag is arrogant en schaamteloos?’ Binnen deze brede context hebben zowel rijken als armen praktische stategieën ontwikkeld om de normatieve principes zoveel mogelijk in hun eigenbelangen te laten werken [idem: 198].

  4. Prekapitalistische verwachtingspatronen spelen ook in het moderne kapitalisme nog een belangrijke rol en worden in conflictsituatie vaak weer gereactiveerd. Ideologisch worden deze traditionele en conventionele verwachtingen en verplichtingen gearticuleerd in de politieke taal van ‘de vaderlijke ondernemer’ (als patroon) en ‘de fatsoenlijke arbeider’ (als cliënt) [Thompson 1971; Bridges 1986; Benschop 1993/2017:251-65].

    Ondernemers die zich ‘onvaderlijk’ gedragen lopen evenzeer kans op algemene afkeuring zo niet verachting binnen een bedrijfsgemeenschap als arbeiders die zich ‘onfatsoenlijk’ gedragen. Arbeiders en ondernemers kunnen zich strategisch oriënteren op (het bestaan van) conventies. De morele context biedt een kader waarbinnen rivaliserende normatieve definities van wederzijds verplichtingen worden ontwikkeld en waarbinnen de conflicten tussen werkgevers en werknemers worden uitgevochten.

  5. Conventies spelen een belangrijke rol in het gedrag van consumenten. De normerende beïnvloeding van consumentengedrag verloopt via specifieke referentiegroepen (dat wil zeggen personen of groepen die een significante invloed hebben op het gedrag van individuele consumenten). De conformiteitsdrang wordt sterker wanneer er zowel een positieve motivatie is om groepsidentiteit te handhaven als een negatieve motivatie van de dreiging van sancties in de vorm van beloningen en straffen. Conformiteitsdruk beïnvloedt koopbeslissingen, vooral wanneer het gaat om producten die opvallend in zijn in aanschaf en gebruik en wanneer sociale acceptatie door een groep een sterke motivatie is. Zo krijgen modebewuste vrouwen duidelijke signalen van hun referentiegroep waardoor zij geen verdere informatie meer hoeven te zoeken; bij het aanschaffen van nieuwe kleren hebben zoeken velen echter toch bevestiging dat hun keuze ‘sociaal correct’ is. Reclamespecialisten weten wat de kracht is van het appeleren aan dingen die ‘in’ zijn.
      Midgley/Dowling/Morrison, Consumer Types, Social Influence, Information Search and Choice, in: Thomas K. Srull (ed.) [1989 - Advances in Consumer Reaearch 16:137-43].

    Snobs met verkreukelde normen
    In de reclamewereld wordt al enige tijd ingespeeld op dit afnemend conventionalisme [Engel/Blackwell/Miniard 1993:140]. Een uitgesproken voorbeeld hiervan is de Subaru-advertentie waarin Brian Klein er stichtelijk op wijst dat het kopen van dit product “won’t make you handsome, or prettier, or younger. And if it improves your standing with the neighbors, then you live among snobs with distorted values”.
    In veel Westerse landen lijkt het effect van conventionalisme (normatieve volgzaamheid) te zijn afgenomen. Maar het afgenomen respect voor sociale normen betekent allerminst dat hun bestaan of effect volledig wordt genegeerd. Symbolen van achting en goedkeurig van verworven consumptiemiddelen bieden nog steeds beloningen en prikkels waardoor mensen in hun bestaande gedrag worden bevestigd en waardoor herhaling van dit gedrag wordt aangemoedigd.

  6. Een trouwe werknemer die zijn ondergeschiktheid zo sterk heeft verinnerlijkt en de normen van de heersende partij als vanzelfsprekend heeft overgenomen dat hij ‘de hielen van de baas likt’ of zich uitslooft om het gebruikelijke arbeidstempo op te voeren, wordt door zijn medearbeiders niet meer als loyale collega beschouwd en dienovereenkomstig behandeld. Een arbeider die zijn baas niet op een conventionele respectvolle wijze bejegent, wordt door zijn ondernemer met ontslag bedreigd of feitelijk ontslagen. De ondernemer die deze werknemer daadwerlijk ontslaat, loopt het risico hiervoor een staking aan zijn broek te krijgen, omdat hij hiermee andere conventies schendt, of omdat zijn personeel een geheel andere waardering heeft van de in eerste instantie geschonden conventie.

  7. Een ondernemer die een andere ondernemer belazert verliest niet alleen zijn goede naam bij deze handelspartner, maar loopt het risico om binnen de hele bedrijfstak als ‘malafide’ te worden uitgestoten. Een ondernemer die slechte (onbetrouwbare, gevaarlijke, besmette) waren verkoopt zal voor de betreffende klant zijn reputatie verliezen. Het gevaar is niet denkbeeldig dat zijn dubieuze reputatie zich verspreid en dat waren door een veel bredere, min of meer georganiseerde klantenkring geboycott zullen worden. Daarom is het voor handelspartners van wederzijds belang om garanties in te bouwen waarmee de reputatie-effecten nauwkeuriger en betrouwbaarder worden vastgelegd en ervaringen gedeeld onder belanghebbende partijen [Williamson 1985:121,158, 259 e.v., 376 e.v.]. Dit kan door door collectieve organisatie worden gerealiseerd. Consumenten hebben dit onderkend en hebben hiervoor consumentenorganisaties in het leven geroepen. Toyota en zijn onderaannemers hebben dit eveneens onderkend en hebben hiervoor associaties van leveranciers georganiseerd.

  8. Ondernemers die hun arbeiders slecht behandelen en hen regelmatig een ‘lesje’ proberen te leren door enige personeelsleden te schrobberen, schaden daarmee niet alleen hun reputatie bij hun eigen personeel. Arbeiders zoeken bij andere arbeiders naar informatie over de prestaties die een ondernemer in het verleden heeft geleverd. Sollicitanten beoordelen de ondernemer gedeeltelijk op hun reputatie [Okun 1981:51]. Ondernemingen met een betere reputatie zijn hierdoor waarschijnlijk in staat om arbeiders tegen betere voorwaarden aan te trekken, en omgekeerd. Reputatie-effecten zijn dus subtiele kwesties. Ondernemingen kunnen hun reputatie op een strategische wijze gebruiken [Williamson 1985:260].

  9. Reputatie-effecten spelen ook een belangrijke rol voor leden van geprofessionaliseerde beroepsgroepen die er een eigen systeem van gedragscontrole op nahouden. Het schenden van de binnen een professionele gemeenschap geldende beroepscodes wordt sociaal gesanctioneerd door het min of meer openlijk aan de kaak stellen van het laakbare gedrag van de betreffende professional. Beroepscodes en -ethieken zijn enerzijds gericht op competentie, vertrouwelijkheid, integriteit en objectiviteit:
    • competentie: het handhaven van een hoog niveau van professionele competentie door voortdurende ontwikkeling van hun kennis en vaardigheden; het uitvoeren van professionele verplichtingen in overeenstemming met relevante wetten, regels en technische standaarden;
    • vertrouwelijkheid: onthouding van ontsluiting van vertrouwelijke informatie, behalve wanneer men hiertoe wettelijk verplicht is; onthouding van misbruik (onethisch of illegaal gebruik) van vertrouwelijke informatie die tijdens beroepsuitoefening is verworven om zichzelf of derde partijen te bevoordelen;
    • integriteit: vermijden van actuele of schijnbare belangenconflicten; onthouding van activiteiten die het onmogelijk maken om de eigen verplichtingen op een ethisch verantwoorde wijze en onbevooroordeeld na te komen; het onderkennen en doorgeven van informatie over de grenzen van de professionele mogelijkheden welke een goede beoordeling of succesvolle uitvoering van een activiteit belemmeren; onthouding van alle handelingen die de professie in diskrediet brengen;
    • objectiviteit: eerlijk en objectief doorgeven van informatie; ontsluiting van alle relevante informatie waarvan men kan verwachten dat deze invloed heeft op het begrip van een gebruiker/cliënt/patiënt van de rapporten, commentaren en aanbevelingen van professionals.
    Beroepscodes zijn anderzijds gericht op meer profane kwesties: door de beperking of regulering van de onderlinge concurrentie worden de door de beroepsgroep gemonopoliseerde kansen beschermd. Door het verbieden van prijscurrentie (door prijsafspraken) is de beroepsgroep in staat beloningen te bedingen die boven de theoretische competetieve marktwaarde van hun marktwaarde van hun diensten ligt.

    Ook gemeenschappen van asceten hebben belang bij hoogwaardige prestaties omdat de goden en demonen hun toorn over valse manipulaties kunnen richten tegen alle leden. In bijna alle primitieve stammen werden daarom personen die vals zongen tijden een rituele dans gestraft. De ridderordes hadden belang bij goede prestaties vanwege hun professionele reputatie, maar ook direct voor hun militaire veiligheid. Lokale ambachtslieden staan erop goede prestaties te leveren om de goede naam van hun waren hoog te houden.
    Medische en psychotherapeutische specialisten proberen de kwaliteit en betrouwbaarheid van hun diensten te bewaken door zich af te schermen van kwakzalvers en charlatans (achter deze zorg voor goede prestaties gaat meestal het belang schuil dat zij hebben bij beperking van het aanbod van kandidaten voor de privileges en het prestige die aan dit beroep verbonden zijn). Collega’s die de regels van de medische ethiek overschrijden riskeren een openlijke reprimande en kunnen zelfs volledig worden uitgesloten van verdere uitoefening hun beroep. Dit kan ook gelden voor artsen die prijsafspraken doorbreken of openlijk gaan concurreren om patiënten. Advocaten die de regels van vertrouwelijkheid doorbreken kunnen evenals accountants die valsheid in geschrifte plegen door hun betreffende ordes op hun vingers worden getikt of uit hun respectievelijke ordes worden verstoten. Bankdirecteuren en beursfunctionarissen die misbruik maken van voorwetenschap om zich persoonlijk te verrijken lopen een - overigens kennelijk geringe - kans om binnen de financiële wereld hun integriteit te verliezen en door collega's als onbetrouwbaar te worden gebrandmerkt.

Het waarborgen van fair play op de effectenmarkt
Misbruik van voorwetenschap komt zelden voor de rechter. In Amerika, waar misbruik van voorwetenschap al sinds 1934 strafbaar is, werd de eerste daadwerkelijke vervolging pas in 1980 ingesteld. In Nederland ligt dat niet veel anders. Een opmerkelijke uitzondering was het unieke strafproces dat in 1992-4 werd gevoerd tegen een aantal financiers van het HCS. Joep Van den Nieuwenhuyzen, Eric Albada Jelgersma, paardenmiljonair Léon Melchior en het effectenkantoor Suez Kooijman werden strafrechtelijk vervolgd voor het feit dat zij over ‘koersgevoelige’ informatie beschikten voordat zij besloten op 31 juli 1991 vier miljoen aandelen HCS te verkopen. Zij wisten dat de emissie (voor 127,5 miljoen) onderhands zou zijn en dat de uitgiftekoers zou zijn gebaseerd op de koersontwikkeling van de daarop volgende dagen. Dat was geheime informatie. Met deze voorwetenschap probeerden zij zichzelf te verrijken.

De hoofdverdachte Van Nieuwenhuyzen zou met de beschikking over geheime informatie ruim 4 miljoen aandelen van het automatiseringsbedrijf HCS op de beurs hebben gedumpt. Bovendien zou hij valsheid in geschrifte hebben gepleegd om dat feit te verdoezelen. Jelgersma, de eigenaar van de levensmiddelengroothandel Unigro, vergoeilijkte zijn optreden door erop te wijzen dat zijn beslissing om HCS aandelen te kopen gebaseerd was op "een vals jaarverslag met een opgeblazen winst en een accountantsrapport vol list en bedrog". Hij meende dat zijn handelwijze "in dit rattennest van list en bedrog" [Volkskrant 25‚3‚94] de enige juiste was. De verdachten werden na tweeënhalf jaar door de Amsterdamse vrijgesproken omdat misbruik van voorwetenschap bij de verkoop van HCS-aandelen niet wettig en overtuigend bewezen kon worden.

Veel juristen trokken hieruit de conclusie dat de in 1989 ingevoerde Wet Misbruik Voorwetenschap bij het oud vuil kan worden bijgezet. Onder druk van de beurs werd door de regering een wettelijke regeling in elkaar gedraaid die de indruk moest wekken dat beleggers in Amsterdam, evenals in New York en Londen met gelijke kansen opereerden. Sinds de introductie van deze wet werden tientallen zaken voortijdig geseponeerd. Bij de enige zaak waar tot nu toe daadwerkelijk strafvervolging werd ingezet, overspeelde het Openbaar Ministerie haar hand tegenover drie van de rijkste mannen van Nederland. De toch al beperkte wetsbepaling werd door de Amsterdamse rechter zo beperkt geïnterpreteerd dat koersorkestratie onder valse naam in Nederland kennelijk geoorloofd is, althans dat de opdrachtgevers vrijuit kunnen gaan. Het proces heeft in ieder geval duidelijk gemaakt hoe moeilijk het is om misbruik van voorwetenschap wettig en overtuigend te bewijzen.

Wanneer beleggers met duidelijke voorkennis handelen onder eigen naam of die van een familielid, kunnen zij zich tamelijk gemakkelijk indekken tegen mogelijke strafvervolging. De opsporing en bewijsvoering van misbruik van voorwetenschap wordt door veel factoren bemoeilijkt. Ten eerste lijkt het een slachtofferloos delict omdat beurstransacties massaal en anoniem tot stand komen. Daarom is justitie bijna helemaal aangewezen op aangifte door de toezichthouders op de beurs. Deze toezichthouders kunnen een onderzoek instellen naar verdachte koersbewegingen die een indicatie zouden kunnen zijn van misbruik van voorkennis en koersmanipulatie. Een dergelijk onderzoek loopt echter snel vast, vooral wanneer beursmanipulatoren op professionele wijze gebruik hebben gemaakt van het inschakelen van tussenpersonen in het buitenland. Ten tweede laten beurstransacties weinig sporen na die bovendien gemakkelijk zijn uit te wissen. Het Openbaar Ministerie staat daarom voor enorme problemen om de bewijslast rond te krijgen. Deze problemen zijn alleen maar groter geworden sinds de Amsterdamse rechtbank de bewijslast heeft verzwaard door de eis dat ook de richting van de koersbeweging voorspelbaar moet zijn.

Tot veler verrassing werd Van den Nieuwenhuyzen uiteindelijk toch in hoger beroep veroordeeld. Het Amsterdamse hof achtte misbruik van voorwetenschap in aandelen HCS bewezen en veroordeelde hem op 17 oktober 1994 tot 6 maanden gevangenisstraf (waarvan 3 maanden voorwaardelijk) en een geldboete van 100.000 gulden. Volgens de vice-president J. Willems - die hiermee zijn bijnaam als 'Beul van Amsterdam' bevestigde - heeft de topman van Begemann "het internationale en nationale vertrouwen in de Amsterdamse effectenbeurs geschaad. Ook heeft Van den Nieuwenhuyzen grote financiële voordelen gehad". Het effectenkantoor Suez Kooijman - dat de verkooptransactie voor Van den Nieuwenhuyzen in 1991 uitvoerde - werd door het hof veroordeeld tot een boete van 50.000 gulden. De rechters achtten het bewezen dat het kantoor zich schulig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte om de transactie in HCS-aandelen te verdoezelen. Het onderzoek van het controlebureau van de beurs naar de HCS-transactie werd tegengewerkt door het verspreiden van een valse affairelijst en effectennota, waarin de indruk werd gewekt dat de transactie was gedaan door een buitenlands effectenhuis. De twee andere financiers van de HCS, Albada Jelgersma en Melchoir, waren in dit hoger beroep niet gedagvaard. Het lijkt echter waarschijnlijk dat het Openbaar Ministerie ook deze twee alsnog ter berechting voor het hof zal brengen.

Het Openbaar Ministerie was uiteraard tevreden over de uitspraak. Zij beschouwt de uitspraak van het hof als 'eerherstel voor de officier van justitie' (die tijdens het proces in april nog werd uitgemaakt voor incompetente sufferd). Ook de Amsterdamse beurs - die eind 1991 als eerste haar nek uitstak en zelf aangifte deed van misbruik in de HCS-zaak - reageerde positief op de uitspraak. Het beursbestuur is vooral tevreden over het feit dat het hof op essentiële punten helderheid heeft verschaft in voorkenniszaken.

Dat het hof dit keer de werking van de Wet Misbruik Voorwetenschap aanzienlijk heeft verruimd, is uiteraard niet naar de zin van de veroordeelde multimiljonair, die eind jaren tachtig nog de meest populaire en bewonderde ondernemer van Nederland was. In zijn verdediging had Van den Nieuwenhuyzen aangevoerd dat hij met de transactie de koers van het aandeel HCS slechts had willen 'orkesteren', 'regisseren' of 'stabiliseren' (wat in Nederland niet wettelijk strafbaar is). Tijdens het proces gaf hij toe dat hij niet alleen met aandelen van HVS had gemanipuleerd, maar ook met aandelen van vele andere fondsen. De veroordeelde beursrommelaar is er zelf van overtuigd dat de Hoge Raad hem uiteindelijjk vrij zal spreken. Door zijn strafrechtelijke veroordeling is de reputatie van Begemann topman Van den Nieuwenhuyzen echter zwaar geschonden: wie zal het nog wagen geld te steken in een bedrijf waarvan de eerste man schuldig is bevonden aan misbruik van voorwetenschap?

Wonderboy
De opmerkelijke carrière van deze charmante 'wonderboy' begon in 1983 toen hij van zijn schoonvader Gerrit van der Valk de bankroete machinefabriek Stramproy cadeau kreeg. Binnen één jaar slaagde hij erin dit bedrijf winstgevend te maken (onder het motto: "Er bestaan geen slechte bedrijven, alleen slechte managers"). In twee jaar tijd koopt hij er 13 bedrijven bij. In 1985 neemt hij het beursfonds Begemann in Helmond over. Al zijn eigen bedrijven brengt hij over naar dit beursfonds. De methodiek van de 'wonderdoktor' is eenvoudig: hij koopt noodlijdende bedrijven op, saneert hen, ontslaat de directie, maakt de schuldeisers duidelijk dat zij naar hun geld kunnen fluiten, stelt een ondernemersplan op en kroont zichzelf tot nieuwe topman. De overnames worden steeds groter en spectaculairder. Na 1989 koopt hij Holec, Brederto Price, Smit Transformatoren, RDM, Volvo Car, Sint Truiden (en lonkt naar DAF Trucks, Grasso, Cindu Key en de gezonde overblijfdselen van het automatiseringsbedrijf HCS). Het Begemann-concern maakt een ongekende expansie door: in totaal kocht Van den Nieuwenhuyzen meer dan 150 bedrijven voor Begemann. Hij realiseert uiteindelijk een omzet van meer dan 2 miljard gulden, en heeft ruim 20.000 in dienst. Begin jaren negentig komt Van den Nieuwenhuyzen in de problemen. De overnames worden steeds groter en branchevreemder worden, maar ook de deuken in het beurskoers van Begemann. In 1991 is koers van Begemann gedaald van 170 naar 120 gulden. Het jaar daarop zou volgens de charismatische wonderboy een oogstjaar worden, maar wordt een rampjaar: Holec en RDM lopen orders mis, de groei in de milieusector blijft achterwege, en in Rusland worden eveneens verliezen geleden omdat het daar niet goed gaat met de economische hervormingen. Begemann begint verliezen te lijden (de schuldenlast loopt op tot 800 miljoen) en moet uitverkoop houden. Op dit moment bestaat de kern van Begemann nog uit Holec Systemen en Componenten, Holec Machines & Apparaten, het Belgische bedrijf Volvo Car Sint Truiden en de scheepswerven RDM en Boelwerf. Tot de kleinere activiteiten behoren het hightechbedrijfje DOCdata, de machinefabriek Stamproy en Windmaster (windenergie). Begemann is nog in onderhandeling met de Treuhandanstalt (verantwoordelijk voor de privatisering van Oostduitse staatsbedrijven) over de aankoop van Deutschae Waggonbau (DWA). Door de veroordeling van de topman van Begemann lijkt het principe-akkoord dat met deze treinenbouwer is bereikt echter op losse schroeven te staan.

Economische structuren worden niet alleen uiterlijk gegarandeerd door conventies (sociaal gesanctioneerde normen), maar ook door rechten (juridisch gesanctioneerde regelsregels). De volgorde waarin zij hier behandeld worden impliceert niet dat gevestigde conventies altijd het fundament van rechtsregels zijn en dat de rechtsregels per definitie historisch secundaire of van conventies afgeleide fenomenen zijn. Sommige conventies ontstaan pas nadat er bepaalde rechtsregels langere tijd zijn geïnstitutionaliseerd - conventies kunnen dus ook van het recht zijn afgeleid.

4·2·2 Rechten

Economische structuren en instituties worden uiterlijk gegarandeerd door juridisch gesanctioneerde normerende regels, dat wil zeggen door rechtsverhoudingen. Recht is een specifiek type van garantie. Bij het recht wordt instandhouding van normen en de bestraffing van hun overtreders gegarandeerd door een specifiek type negatieve sancties: het dreigen met of het toepassen van fysiek geweld. Deze sancties worden opgelegd door een disciplinaire ambtelijke staf: justitie, politie, leger, detentie. De juridisch gesanctioneerde regels die een economisch systeem normeren, kunnen in wetten worden gecodificeerd. Dit dat geval wordt het tevens mogelijk dat de in wetboeken vastgelegde rechtsregels zich tot op zekere hoogte losmaken van de normen zoals deze empirisch in de dagelijkse praktijk gelden. Er kan dus een verschil ontstaan tussen de feitelijke empirische gelding van rechtsregels en hun juridisch-dogmatische gelding.

Rechten zijn niet per definitie legitieme rechten en kunnen dus in eerste instantie los van de empirische legitimiteit van rechtsnormen worden geanalyseerd. De empirische legitimiteit van rechtsnormen is altijd een graduele kwestie. De normen die in rechtsregels zijn vervat zijn empirisch gezien immers alleen maar geldig voorzover het handelen van actoren feitelijk in overeenstemming is met de subjectief bedoelde zin van rechtsregels [Weber, WG 17; WL:444 e.v.]. Bovendien moet er rekening worden gehouden met het feit dat ook de rechtsnormen die in parlementair-democratische rechtsstaten gelden op een aantal punten op gespannen voet staan met de normen van een democratische ethiek. De empirische legitimiteit van rechtsnormen is dus slechts één, in meer of mindere mate relevante grondslag van de rechtsgelding. “Recht is dus niet eenvoudig legitiem, ze is dat niet empirisch en ook niet in de zin van ethische theorieën” [Bader/Benschop 1988:271]. Daarom wordt er in de transformationele economische sociologie niet met een ethisch rechtsbegrip geopereerd, maar met een kritisch sociaal-wetenschappelijk rechtsbegrip.

Dat economische structuren en instituties door rechtsregels worden gegarandeerd is historisch gezien tamelijk evident. We hebben eerder gezien dat rechtsregels niet alleen de bestaande verdelingen van bronnen en beloningen sanctioneren (door eigendoms- en erfrecht, door belasting- en sociale zekerheidsrecht), maar ook de verdeling van de actoren over economische posities. Het recht kan echter ook fungeren als een mechanisme waarmee economische verhoudingen en instituties veranderd kunnen worden. De seculiere strijd tussen de economische belangengroepen wordt immers uiteindelijk uitgevochten op het politieke niveau van de maatschappij. Zij wordt uitgevochten in de strijd om de institutionalisering van rechten, d.w.z. om mensenrechten, burgerrechten en sociale rechten.

De politieke strijd tussen de maatschappelijke klassen concentreert zich telkens weer rond de rechten die uitbuitingsverhoudingen gegandereen. Het politieke handelen van leden of vertegenwoordigers van exploiterende klassen is direct of indirect gericht op het behouden en bestendigen van hun gelegaliseerde en gepantserde beschikkingsmacht over maatschappelijk relevante bronnen en daarmee van hun aanspraken op de meerarbeid van producerende klassen. Wanneer leden en vertegenwoordigers van geëxploiteerde en afhankelijke klassen de politieke arena betreden dan treden zij op voor het versoepelen of beperken van de rechten die hun exploitatie garanderen en voor het uitbreiden van hun participatie- en democratische beslissingsrechten.

De rechten die uitbuitingspraktijken en klassenverhoudingen garanderen zijn dus altijd inzet én resultaat van politieke strijd. In kapitalistische maatschappijformaties treden vertegenwoordigers van de subalterne, geëxploiteerde klassen op voor specifieke democratiseringsprogramma’s. Met betrekking tot de arbeidsverhoudingen bepleiten zij algemene rechten die de tegenstelling tussen het najagen van particuliere belangen en de toewijding aan gemeenschappeljke belangen verzachten en democratische vormen van arbeidsorganisatie stimuleren.

Een onorthodoxe programma voor radicale democratisering zou men — in aansluiting op Roberto Unger [1987:506-39] — zou minstens de volgende vier rechten moeten bevatten.

  1. Marktrechten
    Marktrechten zijn de rechten die de economische ruilverhoudingen in de maatschappij moeten garanderen. Het kapitalistische marktstelsel kan worden getranformeerd door de introductie van conditionele en provisionele rechten die de toegang tot een sociaal kapitaalfonds reguleren. De regels die het gebruik van dit kapitaal regelen moeten in democratische besluitvorming worden bepaald. Ondernemingen zijn vrij om transacties met andere bedrijven aan te gaan binnen limieten van tijd en gebruik zoals voorgeschreven door centrale politieke instanties. Deze marktrechten moeten zodanig worden geïnstitutionaliseerd dat zij verhinderen dat een der marktpartijen een monopolistische (of anderszins democratisch niet te legitimeren) positie kan verwerven.

  2. Immuniteitsrechten
    Immuniteitsrechten moeten het individu beschermen tegen onderdrukking en exploitatie door geconcentreerde publieke of particuliere machten, tegen uitsluiting van belangrijke besluiten die zijn leven beïnvloeden, en tegen extreme economische en culturele deprivatie: vrijheid van geweld, dwang, onderwerping en (absolute en relatieve) armoede. Zij moeten individuen stimuleren om te participeren in collectieve besluitvorming.

  3. Destabilisatierechten
    Destabilisatierechten moeten het belang van burgers bij het openbreken van verstarde organisaties beschermen. Zij geven een juridische garantie dat alle instituties en praktijken bekritiseerd en gereviseerd kunnen worden en moeten voorkomen dat deze veranderingsinitiatieven met geweld of repressie worden beantwoord.

  4. Solidariteitsrechten
    Solidariteitsrechten moeten een juridische vorm geven aan sociale vertrouwensrelaties. Zij zouden mensen in staat moeten stellen een meer levensvatbare en verdedigbare versie van ‘het communale ideaal’ te realiseren dat niet meer in contrast met conflicten of particuliere belangen is gedefinieerd — en dus niet als harmonie en altruïsme. “Mensen die door solidariteitsrechten gebonden zijn kunnen zich niet meer terugtrekken in een gebied van absolute discretie waarin zij door kunnen blijven voor de aanspraken die anderen op hen maken” [Unger 1987:537]. Solidariteitsrechten kunnen natuurlijk voor een belangrijk deel niet formeel worden afgedwongen.

    “The whole constitutional scheme takes away the legal basis for concentrating in a few hands the power to direct other people’s labor: its goals, forms and rewards. To prevent the emergence of economic entitlements that enable individuals to control large amounts of labor, property must be disaggregated …: not handed over lock, stock, and barrel to the capitalist, the government, or the enterprise work force. Disaggegrate property (rather than transfer it) is what the reformed regime of capital does” [idem: 508].

In de volgende figuur zijn de typen gedragsverwachtingen en bijbehorende sancties van gewoonten/zeden, conventies en rechten ideaaltypisch in kaart gebracht.

Figuur 8·2 Handelingscoördinatie, gedragsverwachtingen en sancties


Type gedragsverwachtingen Type sancties
Gewoonten & Zeden Geobjectiveerde gedragsverwachtingen Lichte sociale sancties:
grotere of kleinere ongemakken zoals pesten en treiteren, vaderlijke vermaning
Conventies Geobjectiveerde
normatieve
gedragsverwachtingen
Zware sociale sancties:
betrekkelijk algemene afkeuring d.m.v. verdachtmakingen, en roddel, karaktermoord en hekserij, verstoting en uitsluiting, staking en boykot
Rechten Geobjectiveerde en
geformaliseerde
normatieve
gedragsverwachtingen
Juridische sancties:
dreigen met of toepassen van fysiek geweld (politioneel en justitieel geweld; lijfstraffen en detentie)

Index5. Fysiek geweld

Het voortbestaan van economische structuren en instituties wordt niet alleen uiterlijk ‘gedekt’ door conventies en wetten, maar ook door fysiek geweld. Het dreigen met of toepassen van sperieur fysiek geweld door een staf van geweldsspecialisten is de laatste dekkingsgarantie van economische verhoudingen die juridisch en statelijk zijn gegarandeerd. Een werkelijke of dreigende aantasting van de bestaande economische eigendomsverhoudingen en kerninstituties kan met legaal, semi-legaal of illegaal fysiek geweld effectief worden bestreden. Het feitelijke gebruik van of de dreiging met fysiek geweld is daarbij primair, en niet of het gewelddadige optreden legaal of illegaal is. Stakingen die wettelijk gezien legaal waren, werden maar al te vaak gebroken doordat ondernemers hun toevlucht namen tot niet-legaal particulier geweld.

Index


5·1 Fysiek geweld als garantiemechanisme
De kans om met legaal geweld een (dreigende) aantasting van de bestaande economische structuren en instituties te bedwingen, berust op het effectieve monopolie op superieure fysieke geweldsmiddelen. De in economisch opzicht krachtigste groepen hebben vaak een geprivilegieerde toegang tot de staatsmacht. In die mate dat dit daadwerkelijk het geval is, en zij dus daadwerkelijk ook als politiek heersende klasse optreden, kunnen de door eigendom en geld geprivilegieerde groepen altijd van dit geweldsmonopolie gebruik maken om een aantasting van hun privileges en rechten te voorkomen en indien nodig rechtstreeks te onderdrukken.

Zo fungeerde destijds het absolutisme als een machtsapparaat van feodale gezags- en uitbuitingsverhoudingen. Het absolutisme was vooral ontworpen om de boeren met geweld terug te dringen in hun traditionele sociale en politieke afhankelijkheidspositie - ondanks en tegenover de winst die zij behaald hadden door de verzachting van hun schulden. De absolutistische staat fungeerde niet als arbiter tussen de oude aristocratie en de bourgeoisie, en was ook zeker geen instrument van de opkomende bourgeoisie tegenover de aristocratie. Het was veeleer het nieuwe politieke schild van de bedreigde adel [Anderson 1974:18 e.v.]. Het politieke regime van de absolute monarch was erop gericht de feodale heerschappij en exploitatie te handhaven in een periode waarin de wareneconomie zich begon te ontplooien. De bloedige geschiedenissen van de onderdrukking van opstandige boeren, en van lokale, regionale en nationale boerenopstanden zijn het gevolg geweest.

Superieur geweld was een doorslaggevende factor voor het ontstaan van zeer uiteenlopende nieuwe uitbuitings- en klassenverhoudingen.

Geweld vormt in zekere zin het uitgangspunt van de kapitalistische arbeidswijze en speelt een prominente rol in de periode van de zogenaamde oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal.* Zodra de kapitalistische economische verhoudingen en instituties eenmaal zijn gestabiliseerd en genormaliseerd, treedt het gebruik van direct fysiek geweld meer en meer naar de achtergrond. Dit betekent natuurlijk niet dat er in uitzonderingssituaties geen geweld meer wordt gebruikt om het voortbestaan van de kapitalistische klassenverhoudingen te garanderen. De reproductie van deze verhoudingen wordt echter primair veroorzaakt door het formeel vreedzame proces van kapitaalaccumulatie en de formeel geweldloze toeëigening van de door loonarbeiders geproduceerde meerwaarde.

*Geweld in de Gouden Eeuw
Voor de betekenis van geweld in het ontstaanproces van het kapitalisme biedt de geschiedenis van onze Gouden Eeuw een onuitputtelijke bron van voorbeelden. Het vroege handelskapitalisme in Holland was “de kapitalistische modelnatie van de zeventiende eeuw” (Marx). Het was in de meest letterlijke zin van het woord een gouden eeuw voor kooplieden die op hun transacties meer dan 100% winst wilden en konden maken [Van Zanden 1991].

Het scheepsproletariaat, dat in belangrijke mate bijdroeg tot de welvaart van deze Gouden Eeuw leidde een hard leven vol ontberingen en gevaren. De zeelieden moesten zich met een een schamel bestaan tevreden stellen [Harmsen 1975:29]. Uit angst voor onrust en opstandigheid onder de varensgezellen organiseerde de kooplieden de kaapvaart en andere expedities om hen aan werk te helpen.

‘Zeeroof als werkverschaffing’ noemt Presser dit in zijn geschiedenis van De Tachtigjarige Oorlog. “Want de matroos hield zijn handen niet altijd thuis en het kon wel eens gebeuren, dat een hoge sinjeur van de admiraliteit op straat werd lastig gevallen door werkloos bootsvolk; men kon ze dan nog beter het zeegat uitsturen. Het is geen wonder dat deze slecht behandelde, slecht betaalde en door hun kapiteins bovendien vaak bestolen lieden, die tenslotte op de onderbemande schepen werden afgebeuld, zich buitengaats dikwijls op ergerlijke wijze misdroegen; zij ontzagen zich niet, in Schotland de kerken te plunderen, in Oost-Friesland de arme mensen van alles te beroren; bij het onderzoek van Franse en Engelse koopvaarders deinsden zij niet terug voor moord en diefstal; vooral de kaapvaart droeg … tot deze verruwing bij. En doordat hier voortdurend groot aanbod van zeelieden bestond, vooral ook van buiten: 'slaafachtige en ondeugende arme vreemdelingen' die in slappe tijden de dorpen afbedelden, was er hier steeds een arbeidsreserve, waaruit de reders tegen hongerlonen konden putten” [Presser 1941:199].

De genese van een specifieke arbeidswijze en van de daarin verankerde klassenverhoudingen moet duidelijk worden onderscheiden van haar economische structuur en dus ook van de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de reproductie en transformatie van deze structuur. Marx’ retrospectieve analyse van de oorspronkelijke accumulatie is hiervan het klassieke voorbeeld. Het is een genealogie van de elementen die de structuur van de kapitalistische arbeidswijze vormen. Bruut geweld speelt een cruciale rol om het scheidingsproces tussen arbeiders en arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen en aan de ene pool de maatschappelijke productie- en bestaansmiddelen in kapitaal om te zetten en aan de andere pool de volksmassa te veranderen in loonarbeiders. Zoals het geld ‘met natuurlijke bloedvlekken op de ene wang ter wereld komt’ (Augier), zo ‘wordt het kapitaal geboren van kop tot teen, uit alle poriën, druipend van bloed en vuil’ (Marx).

Het verschil tussen de gewelddadige oorzaken van het ontstaan en de reproductieve oorzaken van het bestaan van de kapitalistische arbeidswijze werd door Marx als volgt samengevat.

Zodra de kapitalistische arbeidswijze op haar eigen benen staat, treedt bij haar uitgebreide reproductie het geweld naar de achtergrond. “Buiten-economisch, direct geweld wordt weliswaar nog altijd toegepast, maar slechts bij wijze van uitzondering” [Marx, MEW 23:765; vert. 575]. In Marx’ visie wordt het voortbestaan van de kapitalistische verhoudingen en instituties primair veroorzaakt door het formeel vreedzame economische proces van kapitaalaccumulatie. Wanneer de loonarbeid-kapitaalverhouding zich eenmaal historisch heeft ontwikkeld, creëert het haar eigen bestaansvoorwaarden. Het kapitaal schept zijn eigen vooronderstellingen, namelijk die van de beschikkingsmacht over objectieve arbeidsvoorwaarden voor de toeëigening van meerwaarde.
Max Weber argumenteert methodisch gezien op precies dezelfde manier als Marx: Weber [PE:169, 285; RS:36 e.v., 55 e.v., 204]. Zie voor een korte interpretatie: Bader/Benschop [1988:57] en uitvoeriger Benschop [1987/2017 - 2. Sociale sluiting: § 4].
Zo wordt geld pas kapitaal als gevolg van vooronderstellingen die extern aan het kapitaal zijn. Zodra het kapitaal als zodanig bestaat, schept het zijn eigen bestaansvoorwaarden middels zijn eigen productieproces [idem:363]. Dit wijst er eens te meer op dat het onderzoeksstrategisch van belang is een inhoudelijk-methodisch onderscheid te maken tussen de structurele vooronderstellingen van de kapitalistische arbeidswijze en de specifieke historische voorwaarden waaronder deze vooronderstellingen kunnen worden gerealiseerd.

In gestabiliseerde en genormaliseerde economische structuren treden de mechanismen op de voorgrond die verantwoordelijk zijn voor hun continue reproductie en hun langzame, vaak onopgemerkte transformatie. De dominante mechanismen van handelingscoördinatie in alledaagse of normale situaties zijn de - door opvoeding en socialisatie getransmitteerde - tradities, gewoontes en zeden in combinatie met ‘de stomme dwang van de economische verhoudingen’ [Marx, MEW 23:765]. In buitengewone of crisissituaties, waarin het labiele evenwicht in de krachtsverhoudingen tussen de klassen is verbroken, neemt daarentegen de betekenis van geweld en legitimiteit toe [Bader/Benschop 1988:274]. Perioden van ‘verhitte’ klassebotsingen zijn culminatiepunten van politiek klassehandelen die ingrijpende sociaal-economische structuurveranderingen tot gevolg kunnen hebben. De oorzaken die leiden tot een meer of minder snelle verandering van economische structuren en instituties zijn dus niet noodzakelijkerwijze identiek met die van hun ‘normale’ reproductie.

In kapitalistische maatschappijformaties heeft zich in bepaalde periodes een verharding van de staatsmacht voorgedaan die men kan vergelijken met die tijdens de absolutistische monarchieën. Dit gebeurde vooral in situaties waarin er tussen de politiek gemobiliseerde sociaaleconomische klassen een labiel krachtsevenwicht bestaat en geen der betrokken partijen in staat is om hun centrale doelstellingen te realiseren. Het zijn politieke conjuncturen waarin de progressieve actoren niet meer in staat zijn verdergaande hervormingen af te dwingen respectievelijk de hiervoor noodzakelijk macht in de staatsapparaten te veroveren, terwijl de ‘actoren van behoud’ niet meer in staat zijn het georganiseerde verzet te breken of zodanig te reguleren (pacificeren en institutionaliseren) dat de continuïteit van de oude economische structuren en instituties weer veiliggesteld worden. Het progressieve oppositionele blok kan haar bronnen niet meer verder mobiliseren omdat zij onvoldoende greep heeft op de centrale machtsapparaten van de staat. Het het conservatieve blok aan de macht is daarentegen niet meer in staat om de reeds verworven rechten ongedaan te maken.

De geschiedenis leert dat in dergelijke situaties de ‘normale’ burgerlijke gezagsvormen (republiek en constitutionele monarchie) vaak vervangen worden door de zogenaamde uitzonderingsregimes. Dat wil zeggen door extreem autoritaire of totalitaire regimes zoals militaire, bonapartistische of fascistische dictaturen. De geblokkeerde krachtsverhouding tussen de elkaar bestrijdende politieke krachten wordt door deze dictaturen op een specifieke wijze ingevuld:

Ook werkgevers kunnen onder dergelijke uitzonderingsregimes een aantal politieke rechten verliezen. Werknemers verliezen echter verreweg het meest. Zij verliezen niet alleen het recht op vrijheid van meningsuiting en politieke communicatie, maar ook het recht op vrije zelforganisatie. Daardoor zijn zij meestal niet meer in staat om op nationaal, sectoraal en bedrijfsniveau effectief te onderhandelen over hun arbeidsvoorwaarden. Het gevolg daarvan is dat hun eerder verworven sociale rechten worden beperkt of afgebroken, zoals ontslagbescherming, regeling arbeidstijden, minimum inkomen of uitkering. Bovendien worden door introductie van rigidere gezagsverhoudingen binnen arbeidsorganisaties hun rechten op informatie, inspraak en medezeggenschap verpulverd.

Dergelijke uitzonderingsregimes zijn natuurlijk (per definitie) niet maatgevend voor het economisch systeem van het kapitalisme. Het zijn tot op zekere hoogte ‘abnormale’ fenomenen die zich in West-Europa voordeden tijdens het Duitse en Italiaanse fascisme en onder de iets recentere militaire dictaturen in Portugal, Griekenland en Spanje. Men hoeft echter het vizier maar iets meer te openen om te beseffen dat zich op wereldschaal toch zeer veel ‘abnormale’ situaties voordoen, waarbij het fysieke geweld een prominente rol speelt.

In maatschappijformaties die op kapitalistische leest geschoeid zijn, werd en wordt nog steeds fysiek geweld gebruikt om zelforganisatie van werknemers te onderdrukken.
Ook in Nederland was het verbod om zich te organiseren en te staken lange tijd geen dode letter. In 1869 werd in Rotterdam een man tot 2 jaar gevangenisstraf veroordeeld omdat hij spoorwegarbeiders tot staking had aangezet. Hij werd veroordeeld “terzake van onderlinge samenspanning of vereeniging van de zijde der werklieden (spoorwegwerkers) om tegelijkertijd het werk te doen ophouden en duurder te maken, door een begin van uitvoering achtervolgd en door dezen beklaagde als hoofd- en aanlegger gepleegd” [Hudig 1904:121 - De vakbeweging in Nederland (1866-1878) Amsterdam]. Volgens Harmsen [1974:46] betrof de veroordeling wegens het aanzetten tot staking altijd ongeschoolde arbeiders en liet men stakende vakarbeiders ongemoeid. In 1872 werd formeel het coalitie-verbod ingetrokken: stakingen waren daarna niet meer strafrechtelijk vervolgbaar, behalve in het geval van overheidspersoneel en spoorwegemployés.
Het recht op vakbondsorganisatie en het stakingsrecht moest overal letterlijk met bloed, zweet en tranen worden bevochten. Economische structuren en instituties worden niet alleen door legaal overheidsgeweld in stand worden gehouden, maar ook door illegaal fysiek geweld. Zoals gezegd werden stakingen die wettelijk gezien legaal waren, zeer vaak gebroken door ondernemers die het recht in eigen hand namen, d.w.z. die hiervoor gebruik maakten van illegaal geweld. Ook uit de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging zijn voorbeelden van ondernemersterreur bekend (zaalafdrijving, uitsluiting, intimidatie e.d.). Vooral de Amerikaanse ‘labor history’ staat bekend om zijn uiterst gewelddadige karakter. Om ‘de wil van het kapitaal’ kracht bij te zetten werd daar zeer regelmatig gebruik gemaakt van militair en paramilitair geweld. Ondernemers probeerden de vakbonden niet alleen bij herhaling te breken met behulp van federale troepen en de nationale garde, maar vooral ook door de Pinkertons, particuliere militias en door ingehuurde misdadigersbendes. Plaatsen als Coeur d’Alene, Cripple Creek, Everett, Homestead en Flint zijn hierdoor over de hele wereld bekend geworden [Montgomery 1979; Bendix 1956; Fantasia 1988].

Ook het paramilitaire geweld tegen vakbonden, de bloedige terreur tegen haar leden en de fysieke eliminatie van haar leiders fungeren dus als feitelijke garantie voor de instandhouding van de ondernemersmacht en -privileges.

In de officiële arbeidsverhoudingen zoals wij die in Nederland kennen speelt fysiek geweld als zodanig een relatief geringe rol. De dreiging van fysiek geweld blijft echter als laatste dekkingsgarantie op de achtergrond altijd aanwezig. Na 1872 waren stakingen in principe niet meer strafrechtelijk vervolgbaar, behalve in het geval van overheidspersoneel en spoorwegemployés. De werkstaking wordt als een gegeven feit, als een soort niet wettelijk geregeld sociaal grondrecht aanvaard [→ Panhonlibco-arrest].

Stakingen vallen niet meer onder het strafrecht, maar kunnen nog wel civielrechtelijk aanhangig worden gemaakt. Rechters kunnen met een beroep op ‘het algemeen belang’ of op de ‘onevenredigheid van doel en middelen’ een staking verbieden of een stakingsverbod opleggen. Vakbonden kunnen voor de rechter worden gedaagd wanneer zij een niet-rechtmatige staking organiseren. Stakers kunnen individueel ter verantwoording worden geroepen wanneer zij meedoen aan een onrechtmatige staking of bedrijfsbezetting.

Stakende arbeiders gebruiken in Nederland zelden fysiek geweld tegen halstarrige ondernemers of tegen stakingsbrekers. Het met fysiek geweld bedreigen van ‘onderkruipers’ (stakingsbrekers) komt waarschijnlijk frequenter voor, hoewel daarover slechts indidentele en anekdotische gegevens bekend zijn.

Panhonlibco-arrest
In 1960 probeerde de Hoge Raad in het zogenaamde Panhonlibcoarrest nog vast te leggen dat de staking in principe een wanprestatie van de individuele arbeider is en dat een vakorganisatie die tot staking aanzet zich daarom schuldig maakt aan een onrechtmatige daad jegens de ondernemer. Het uitgangspunt van haar beoordeling van de stakingshandeling was de verhouding tussen de staking en de verplichtingen in het individuele arbeidscontract.

De Hoge Raad beriep zich daarbij op de wet van 1953 op de arbeidsovereenkomsten. Daarin werd voor werknemers de verplichting vastgelegd dat zij goed werk voor goede beloning zouden verrichten, en op de juiste (wettelijk bepaalde) wijze zouden melden dat zij ontslag namen. Een staking werd in strijd met deze verplichtingen geacht: stakende werknemers zouden een daad van niet-nakomen van hun verplichtingen plegen (een individuele wanprestatie) en vakbonden die stakingen leidden zetten aan tot contractbreuk. Beide waren onrechtmatige daden waartegen volgens de Hoge Raad met juridische middelen kon worden opgetreden.

Volgens het arrest was er slechts één uitzondering op deze regel: staking is geen wanprestatie wanneer “de omstandigheden, waaronder zulk een werkweigering (d.w.z. een werkweigering in collectief verband) plaatsvindt, van dien aard zijn, dat naar de heersende rechtsovertuiging in redelijkheid van de wernemers niet kan worden gevergd de arbeid voort te zetten of bepaalde werkzaamheden te verrichten”. Onder dergelijke omstandigheden zou het uitroepen van een werkstaking niet onrechtmatig zijn.

Een wettelijke regeling die uitgaat van het standpunt dat staken een wanprestatie is van de individuele arbeiders miskent het wezen van de staking. Een staking een gezamenlijk optreden van een aantal arbeiders, waarbij de leiding van de vakvereniging meestal het beslissende element vormt. De criteria die voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de werkstaking moeten niet gelegen zijn in het handelen of nalaten van de individuele arbeider, maar in het optreden van de vakvereniging.

Het arrest van de Hoge Raad schiep weliswaar enige ruimte voor een rechtmatige werkstaking, maar de gebezigde formule (‘de heersende rechtsovertuiging’) biedt voor werknemers en hun syndicale organisaties weinig houvast. In het Panhonlibco-conflict werd in feite een staking tot individuele wanprestatie verklaard en de oproep daartoe door de vakbeweging een onrechtmatige daad.

De Nederlandse vakbeweging werd daarmee in een uitzonderingspositie geplaatst. In andere landen was en is een staking een aanvaard normaal strijdmiddel van de vakbeweging, ook al is het recht op staken niet altijd in de wet verankerd. In Nederland wordt een staking nog steeds als iets uitzonderlijks gezien. En mede daarom komt ook bij onze rechters al snel de gedachte op dat het middel niet in verhouding staat tot het na te streven doel, of dat de passende zorgvuldigheid niet in acht is genomen, dan wel dat niet alle mogelijkheden van het overleg zijn uitgebuit.


Fysiek geweld speelt echter nog steeds een belangrijke rol in criminele en zwart-grijze arbeidsverhoudingen. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de drugseconomieën. Drugshandelaren blijven altijd proberen hun lokale of internationale territorium met geweld uit te breiden. In de sloppenwijken van Rio de Janeiro probeerde de eerste generatie drugsbazen hun clientèle nog aan zich te binden door het verdelen van voedsel, het aanleggen van voetbalvelden en het betalen van doktersrekeningen. Deze door de Italiaanse mafioso beproefde veelvuldig beproefde strategie wordt door de nieuwe generatie niet meer gevolgd: zij hebben daarvoor niet het natuurlijke gezag en doen niet meer aan ‘sociaal werk’. Het aantal verkooppunten niet door vreedzame concurrentie uitgebreid, maar met naakt geweld.
Mislukte staten en een verloren strijd
Het nieuwe front in de uitzichtsloze oorlog tegen drugs is Midden-Amerika. De hele landengte Midden-Amerika is een corridor van de georganiseerde misdaad geworden. De Midden-Amerikaanse narcostaten werden door de Wereldbank al voorzien van de status van mislukte staten omdat zij slechts een beperkte controle hebben over het eigen grondgebied.

De Mexicaanse drugskartels hebben hun invloed uitgebreid over heel Midden-Amerika. En daarmee verspreidde zich ook de gewelddadige strijd tussen deze kartels naar Colombia, Guatemala en El Salvador. In deze landen vallen meer doden door bende- en kartelstrijd dan tijdens de lange burgeroorlogen tussen 1960 en 1995. De staatsinstellingen die de strijd met de drugsorganisaties moeten voeren zijn volkomen gecorrumpeerd. Dat geldt niet alleen voor politieagenten, politieofficiers en leden van de antinarcoticabrigades —die door de kartels zelf worden gerekruteerd en voorzien van vorstelijke beloningen—, maar ook voor rechters en politici. De grootschalige drugstransporten worden gerealiseerd met snelle speedboten, als vissersboten gecamoufleerde tankschepen en onderzeeërs. Zij halen de cocaïne rechtstreeks uit Colombia en Ecuador, transporteren het naar Guatemale,Honduras en El Salvador en dragen het daar over aan de Mexicaanse drugsbaronnen [De Groene: Dossier Drugs].

De hoge werkloosheid drijft grote groepen jongeren direct in de armen van de georganiseerde misdaadkartels. De meeste leiders van die kartels zijn afkomstig uit de armste en meest kansloze bevolkingsgroepen. Vanuit hun armoedige en marginale bestaan zijn zij in korte tijd puissant rijk geworden, en fungeren op hun beurt weer het rolmodel voor nieuwe generaties. In een regio waarin meer dan de helft van de bevolking onder de armoedegrens leeft, is een carrière in de georganiseerde criminele drugshandel het enige lonkende perspectief. Zolang dat het geval is blijft de in 1971 door predident Richard Nixon verklaarde oorlog tegen drugs een gruwelijk fiasco. Behalve voor de Amerikaanse fabrikanten van oorlogstuig (zoals Lockheed Martin, ITT) en de particuliere militaire bedrijven die een deel van de Amerikaanse oorlogsvoering hebben overgenomen (contactors zoals DynCorp International, Raytheon, en ARINC van de Carlyle groep).


Men hoeft zelf geen veldonderzoek in Rio de Janeiro te verrichten om de werking van geweld in drugseconomieën te begrijpen. Een oplettende waarnemer kan bijvoorbeeld in bepaalde buurten in Amsterdam dagelijks zien hoe dit in z’n werk gaat. Geweldsdreiging en daadwerkelijk fysiek geweld zijn onderdeel van de dagelijkse routines. Dat geldt in extreme mate voor de zelf verslaafde stakker die op de hoek van de straat zijn spullen aan andere verslaafden probeert te verkopen.

De geschiedenis en actualiteit van de diverse maffia’s laat zien hoe effectief de gecombineerde inzet van sociale relaties en (de dreiging met) fysiek geweld is voor het realiseren van speciale uitbuitings- en afpersingspraktijken. Een groot deel van het inkomen van de maffia wordt nog steeds vergaard uit afpersing en het innen van schulden bij wanbetalers. De favoriete methode van afpersing is het aanbieden of beter opleggen van ‘bescherming’ aan kleine winkeliers, café- en restauranthouders en vaak ook aan middelgrote en grote ondernemingen. Dit gebeurt onder het sinds Once Upon a time in America bekende motto: “I made him an offer he can’t refuse.”

Naast deze vorm van georganiseerde afpersing ontleent de maffia haar gigantische jaaromzet overwegend aan de illegale sectoren, waar rechteloosheid de enige vanzelfsprekende regel lijkt te zijn. De klassieke sectoren zijn die van de prostitutie, het gokwezen, de woeker, de porno en de wapenhandel. Illegale exploitatiepraktijken zijn de laatste decennia steeds sterker geconcentreerd op de uiterst lucratieve drugshandel.

In de mate dat de maffia de officiële staatsinstellingen heeft gepenetreerd kan tegenwoordig vaak nog meer verdiend worden met de aanbesteding op openbare werken, d.w.z. het zonder noemenswaardige tegenprestatie achteroverdrukken van overheidsgelden. De praktijken van de Siciliaanse maffia en de Napolitaanse camorra staan hiervoor model. De recente pogingen om in Italië het werkgebied van de maffia in te perken, hebben in ieder geval laten zien dat de maffia werkelijk een gewelddadig lichaam is dat is uitgegroeid tot een octopus (piovra) die met al z’n tentakels in het raderwerk van de officiële maatschappij vast zit [Van Royen 1991; Benschop 1993/2017:253-65 - IX, § 2·3·].

Drugs, geweld en economie
De ironie van de drugsgeschiedenis wil dat een groot aantal landen waarin tegenwoordig met alle politioneel-justitieel geweld tegen drugshandel wordt opgetreden destijds koloniale grootmachten waren die het opium met grof geweld introduceerden in landen die zij overheersten. De consumptie van opium werd op de Molukken door de V.O.C. geïntroduceerd en aangemoedigd in de hoop daarmee de veerkracht van de Ambonezen te ondermijnen [Knaap 1987 - Kruidnagelen en christenen. Dordrecht]. Het Engelse imperium deed hetzelfde met China.

Tot aan de 18e eeuw was opium als genotmiddel evenmin bekend in China als in Europa. Door de Europese ‘ontwikkelingshulp’ kregen de Chinezen dit wondermiddel opgedrongen. In de loop van de 18e eeuw legt de Oost-Indische Compagnie haar handelsdictaat op te leggen met behulp van een eigen militaire strijdmacht. In plaats van de Chinese producten contant te betalen, biedt de Compagnie een eigen handelsartikel aan, het opium. Het opium is voor de Compagnie een goedkope stof omdat zij deze op grote schaal laat produceren op plantages van de Compagnie in Indië.

Voor historici van de koloniale geschiedenis is het geen toeval dat de belangrijkste data in de geschiedenis van het opiumvraagstuk in tijd samenvallen met de belangrijkste date van de geschiedenis van het verlies van zelfbepaling van de oostaziatische volken.

    “De opiumhandel is voor de europese koloniale geschiedenis een klap waarmee twee vliegen tegelijk worden gevangen: het opium levert onmetelijke winsten op, en het laat de volkeren waaraan men het verkoopt inslapen. Wie zijn opiumroes droomt, komt niet op antikoloniale gedachten, om van acties maar helemaal niet te spreken” [Schivelbusch 1983:231 - Das Paradies, der Geschmack und die Vernunft. Eine Geschichte der Genußmittel. Frankfurt].
Door het jagen op handelaren in drugs is het strafrechtelijk apparaat in Nederland inmiddels volkomen overbelast geraakt. De strafbaarstelling van de productie en handel in drugs heeft ertoe geleid dat er exorbitant hoge winsten gerealiseerd kunnen worden met de handel in deze illegale goederen, en dat politie en justitie ongeveer de helft van hun activiteiten inzetten op drugsgerelateerde vormen van criminaliteit.

De mogelijkheid om in deze sector exorbitante winstmarges te behalen is het gevolg van het bestaan van een omvangrijke vraag naar verdovende middelen (waarvan het gebruik feitelijk wordt gedoogd) in combinatie met het verbod op productie, import en handel. De onmogelijkheid van een effectieve politionele en justitiële bestrijding van deze handel is het gevolg van het bestaan van zeer krachtige en geïnternationaliseerde misdaadorganisaties in combinatie met de snelheid waarmee de ‘gaten in de markt’ worden opgevuld na het oppakken van dealers en pushers.

De chefs van de grote politiekorpsen, veel officieren van justitie en bijna alle criminologen zijn inmiddels van mening dat de ‘oorlog tegen de drug’ niet gewonnen kan worden. De opheffing van de strafbaarstelling van drugshandel zou er toe kunnen leiden dat het probleem van het drugsmisbruik groter wordt, net zoals ook het alcoholmisbruik na de opheffig van de Drooglegging in de Verenigde Staten. Stel je voor dat hetzelfde bedrijfsleven dat thans met formidabele reclamecampagnes grote markten heeft geschapen voor tabak en alcohol zich ook van de drugs meester maakt. Dat zal een ander effect hebben dan de huidige pusher bij het schoolplein.

Over de moraliteit van ‘het bedrijfsleven’ hoeven we ons weinig illusies te maken. Een excursie langs de oncologische afdelingen van ziekenhuizen zal de tabaksfabrikanten even weinig overtuigen van de noodzaak geen sigaretten meer te verkopen als de smartelijke lotgevallen van Ivonne Keuls’ drugshoertje Floortje Bloem handelaren in drugs ertoe overhalen een eerbaar beroep te zoeken. Er bestaat een gerede kans dat het probleem van de criminaliteit verschuift naar de volksgezondheid [Fr. Bovenkerk 1994 - Wat gebeurt er als drugs legaal wordt? In: Tijdschrift voor Criminologie, april 1994].

Legalisering van drugs betekent in ieder geval dat voormalige bendeleden hun vermogens (nog meer) in het legale zakenleven zullen investeren en daarmee in de bonafide ondernemersklasse worden geïntegreerd. Het strafrechtelijk apparaat zou zich niet meer hoeven in te laten met handelingen waarmee mensen zichzelf iets aandoen. Politie en justitie zouden zich volledig kunnen concentreren op criminele handelingen waarmee mensen anderen benadelen, zoals op vrouwenhandel, milieucriminaliteit, belastingontduiking, fraude en andere illegale economische activiteiten.

Index


5·2 Fysiek geweld als transformatiemechanisme
Superieur fysiek geweld is niet alleen een doorslaggevend mechanisme om vigerende economische structuren en instituties in stand te houden. Fysiek geweld was immers altijd ook een belangrijk middel om de economische verhoudingen te veranderen. Daarom is controle over relevante geweldsmiddelen een belangrijk thema voor politieke conflictorganisaties en leidingen van uitgebuite of gedeprivilegieerde groepen die een vergaande omwenteling van de economische structuren in hun vaandel hebben geschreven. Dit geldt ook voor hervormende of revolutionaire bewegingen die om principiële en/of pragmatische redenen streven naar een geweldloze omwenteling van de economische structuren. Bewegingen die geen aandacht besteden aan de controle over geweldsapparaten van de staat of de militaire geweldsverhoudingen verkeerd inschatten, worden meest op een hardhandige en bloedige wijze op deze fout geattendeerd. Om een understatement van Aristoteles te gebruiken: men wordt er dan aan herinnnerd ‘dat een heersende klasse niet altijd humaan is’.

De reproductie van economische basisstructuren en instituties wordt in laatste instantie altijd gegarandeerd door legaal en illegaal geweld. Superieur fysiek geweld is het doorslaggevende mechanisme dat tot een omwenteling van de gegeven economische structuren kan leiden of deze omwenteling juist kan blokkeren. Wanneer en in welke vorm waarin het uur van deze ‘laatste instantie’ zal slaan, is moeilijk te voorspellen. Niet alleen omdat het doen van sociaal-wetenschappelijke voorspelllingen zowiezo een hachelijk zaak is, maar vooral omdat bewegingen die het economisch systeem fundamenteel willen veranderen zich meestal inspannen om ‘het uur van de laatste instantie’ op een niet-gewelddadige wijze te laten slaan. Omdat zij geen toegang hebben tot superieure superieure geweldsmiddelen proberen zij zodanig te opereren dat directe confrontaties met de gewapende staatsmacht worden vermeden. Dit is de inmiddels bekende ratio van de strategie van ‘de zichzelf beperkende revolutie’ zoals deze destijds in Polen door de woordvoerders van de democratische oppositie werd bepleit, en van de strategie die in Zuid-Afrika door het ANC van Mandela in praktijk werd gebracht om het economisch apartheidssysteem te breken.

Geweld is niet de enige garantie van economische systemen. Geweld is zeker ook niet de enige reden waarom er rechten bestaan die de bestaande economische verhoudingen beschermen. Rechtsnormen worden immers ook nog op andere manieren gestabiliseerd. Rechten kunnen traditioneel en affectief zijn gestabiliseerd, zij kunnen op gemeenschappelijke belangen berusten, en zij kunnen door een grote groep mensen als legitiem worden gezien. Aan deze legitimiteit ontlenen rechtsnormen een specifieke meerwaarde: zij krijgen een surplus aan traditionele, affectieve, utlitaire en waarderende instemmende stabiliteit. Het dreigen met of toepassen van fysiek geweld door een disciplinaire staf is dus niet de enige dekkingsgarantie, maar het is wel de ‘laatste’ dekkingsgarantie die specifiek is voor de juridische garantie [Bader/Benschop 1988: 271].

Index6. Legitimiteit

6·1 Innerlijke garantie door normatieve instemming
Economische structuren worden gereproduceerd door de empirische legitimiteit van transactionele regels en institutionele ordeningen. Empirische legitimiteit komt tot stand door een zuiver waarderende instemming met bestaande economische verhoudingen en door handelingen die in overeenstemming zijn met ethisch of religieus gemotiveerde normen. Legitimiteit is een mechanisme van handelingscoördinatie waardoor economische structuren door 'innerlijke overtuiging' worden gegarandeerd. De continue reproductie van economische verhoudingen en instituties berust niet alleen op gewoontes, zeden, solidariteiten, belangen en uiterlijke garanties door conventies, recht en geweld, maar ook op normatieve instemming met de organisatieprincipes en regels waarop deze verhoudingen en instituties zijn gebaseerd. Dit betekent echter ook dat de bewuste en als zodanig beoogde delegitimatie van economische verhoudingen een beslissend mechanisme is voor hun structurele transformatie.

De hoogste graad van sociale stabiliteit en garantie van economische verhoudingen wordt bereikt wanneer deze als legitiem worden ervaren en als rechtvaardig worden gedefinieerd. Wanneer en voorzover bestaande economische structuren en instituties daadwerkelijk als legitiem of rechtvaardig worden geaccepteerd, worden zij innerlijk gegarandeerd: actoren stemmen in dat geval op grond van ethisch of religieus geïnspireerde waarderende overtuigingen bewust in met de bestaande economische verhoudingen.

Zodra economische structuren en instituties worden ervaren als exploitatief of onderdrukkend worden er pogingen in het werk gesteld om ze te legitimeren, dat wil zeggen voor te stellen als 'rechtvaardig', als 'door God gewild', als een betreurenswaardig maar onvermijdelijk en 'functioneel noodzakelijk' gegeven. Wanneer ook de negatief geprivilegieerde actoren instemmen met deze legitimaties en wanneer deze waardeoordelen feitelijk relevant zijn voor hun handelen, zijn de economische verhoudingen ultrastabiel. Een essentiële functie van de ideologie van een heersende klasse is om zichzelf en degenen die ze exploiteert en onderwerpt een coherent wereldbeeld voor te schotelen dat voldoende flexibel, omvattend en bemiddelend is om subalterne klassen te overtuigen van de rechtvaardigheid van haar hegemonie. Heersende klassen zijn er zeer vaak in geslaagd dit doel te bereiken. Dit geldt niet alleen voor de aristocraten van het slavensysteem [Ste Croix 1983:409 e.v.; Genovese 1974/5:587-60], voor de feodale heren in de middeleeuwen [R. Hilton 1975:16], maar ook voor de ondernemers in burgerlijke maatschappijen [Bendix 1956].

Index


6·2 Waarom is legitimamtie noodzakelijk?
Waarom zouden economische structuren en instituties eigenlijk gelegitimeerd moeten worden? Waar komt die behoefte aan rechtvaardigingen van bestaande economische verhoudingen vandaan? De discussies daarover zijn nogal verwarrend. Dat komt omdat de perspectieven van waaruit deze vraag beantwoord kan worden niet goed uit elkaar worden gehouden. Legitimatieprocessen kunnen zowel vanuit een een sociaal-historisch, een sociaalstructureel als een antropologisch perspectief worden benaderd. Ik zal een korte typering geven van deze drie perspectieven.

6·2·1 Sociaal-historisch perspectief
In een sociaal-historische benadering kan men vertrekken vanuit de specifieke rol van het 'oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn' in segmentaire - klasse- en staatloze - samenlevingsverbanden. Het oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn vormde een uiterst krachtige barrière tegen de opkomst van de eerste klasseformaties [Benschop 1993: VI, 5·3]. De doorbreking van de egalitaire mechanismen van de archaïsche klassenloze samenlevingen zonder staat was alleen maar mogelijk door een transformatie van het oorspronkelijke gelijkheidsbewustzijn. Om deze transformatie te bewerkstelligen, moesten legendes worden geconstrueerd die niet alleen het ontstaan, maar vooral ook de continuering en systematisering van asymmetrische en exploitatieve verhoudingen konden legitimeren.

De spannende vraag is natuurlijk of en zo ja op welke wijze en in welke mate de herinnering aan dit oorspronkelijke ongelijkheidsbewustzijn nog doorwerkt in moderne economische maatschappijformaties. Het is - ook voor mij - verleidelijk te denken dat deze sociaal-historische context meer is dan een vervagende historische herinnering aan een ver verleden. Er zijn minstens twee invalshoeken om deze vraag te onderzoeken.

  1. Op het niveau van de alledaagse politieke talen hebben referenties aan oorspronkelijke gelijkheidsverhoudingen waarschijnlijk altijd al een grote rol gespeeld. We zien dit met name bij referenties aan de relaties tussen werkenden en niet-werkenden. Al sinds de 14e eeuw werd dit thema op rebelse wijze aan de orde gesteld in de populaire retorische vraag: ‘Toen Adam delfde en Eva span, wie was toen de Edelman’ [Ossowski 1957/72:40; Ginzburg 1976/89:129,251; Hiltion 1973:222 e.v.]. In heel Europa werd deze vraag in diverse parafrasen opgeworpen.

  2. Op het niveau van de meer gesystematiseerde politieke talen kan worden onderzocht welke rol referenties aan oorspronkelijk gelijkheidsverhoudingen spelen in schriftelijk vastgelegde utopieën. In de gesystematiseerde religieuze, natuurrechtelijke en egalitaire kritieken op sociale ongelijkheden heeft de referentie aan de (door God of de Natuur gegeven) oorspronkelijke 'gelijkheid van alle mensen' altijd een zeer prominente betekenis gehad. Dit is bijvoorbeeld zeer helder verwoord in Rousseau's hypothetische reconstructie van de geschiedenis, waarin een oorspronkelijke natuurlijke gelijkheid onder de mensen wordt verondersteld. Hij schetst een beeld van de natuurlijke mens als een solitair wezen, zonder taal of kennis, zonder behoefte om te werken, zonder gezin of moraliteit. Deze barbaarse tijden waren 'een gouden tijdperk', niet omdat de mensen verenigd waren, maar omdat zij gescheiden waren: iedereen was baas over zichzelf, niemand wilde een ander controleren. Zij konden elkaar aanvallen wanneer zij elkaar tegenkwamen, maar zij ontmoetten elkaar zelden. "Er heerste een universele staat van oorlog, en de gehele aard was in vrede" [Rousseau - Discours du l'origine de language. 1749-54]. De mens had niet de behoefte om iemand anders tot slaaf te maken en beschikte ook niet over de middelen om dit te bedenken of uit te voeren. Deze oorspronkelijke gelijkheid en vrijheid werd door wetenschap en cultuur in slavernij veranderd. "De mens wordt vrij geboren, en overal ligt hij in ketenen …" is de openingszin van Het maatschappelijk verdrag. Rousseau [1755/1983:91] verbindt het verlaten van de natuurlijke staat aan de opkomst van het privé-eigendom. Historisch-antropologische studies over de (on)gelijkheid onder natuurvolken ('primitieve volken') waren in de 18e en 19e eeuw een terugkerend thema in de politieke filosofie. Bij alle niet-geciviliseerde volken meende men zowel iets te vinden over de oorsprong van de ongelijkheid als over de mogelijkheden om bestaande ongelijkheden op te heffen, respectievelijk de noodzaak ze juist in stand te houden [vgl. Lakoff 1964; Lepenies 1971:62. Zie voor kritische beschouwingen vanuit feministisch perspectief: Exler 1976; Lange 1979; Lloyd 1983].
Legitimatielegendes zijn een noodzakelijk onderdeel van alle geslaagde exploitatie- en sociale sluitingsstrategieën. Dit is met name het geval wanneer een economische orde haar stabiliteit nog niet kan ontlenen aan belangencompromissen en aan duurzaam ingeslepen routines. De in meer of mindere mate gemythologiseerde herinnering aan de genese van een klassensysteem speelt meestal een cruciale rol bij de legitimatie (en delegitimatie) van haar bestaansrecht.

In legitimaties van kapitalistische klassenverhoudingen speelt de mythe van de 'oorspronkelijke accumulatie' een belangrijke rol. De kern van deze mythe is dat de ondernemers hun beginkapitaal verworven zouden hebben door besparingen op de producten van hun eigen arbeid. Het ontstaan van het kapitalisme wordt dus 'verklaard' door een gecultiveerde herinnering aan een beginperiode waarin de (toekomstige) kapitalist door zijn persoonlijke arbeid en spaarzaamheid de voorwaarden schept om meerarbeid van anderen toe te eigenen. In het verlengde daarvan ligt de mythe van de 'self-made man', een apotheose van het moderne ondernemersideaal.

De self-made man was de ideale (of geïdealiseerde) ondernemer: de man zonder enig aanvangskapitaal, eigendom of patronage, zonder opleiding (anders dan door zelfopvoeding) en zonder enig privilege (anders dan zijn aangeboren talent), die door eigen initiatief en karaktersterkte zijn weg baande naar rijkdom, macht en prestige. Het was een reële mythe die voldoende in de werkelijkheid verankerd was om haar aannemelijk te maken, terwijl zij als een sociologische verklaring van de ondernemers als klasse duidelijk fictief bleef. In zijn reconstructie van de ondernemersideologieën heeft Bendix [1956] laten zien dat deze enerzijds gericht waren tegen de positie van de heersende aristocratie (actief kapitaal, openlijke concurrentie en de productieve ondernemers werden gecontrasteerd met passief eigendom, gesloten patronage en de 'luierende heren van stand'), anderzijds op het overwinnen van de weerstanden van de gerecruteerde arbeiders tegen het op industriële basis georganiseerde exploitatie- en gezagssysteem.

6·2·2 Sociaal-structureel perspectief
Een sociaal-structurele benadering concentreert zich op de strategische samenhang tussen legitimatieprocessen en exploitatie- en gezagsverhoudingen. Legitimatie wordt daarbij opgevat als een noodzakelijk onderdeel van uitbuitings- en sociale sluitingsstrategieën. Exploitatieve toeëigening impliceert per definitie de feitelijke macht om anderen uit te sluiten van het gebruik van essentiële maatschappelijke bronnen en levenskansen. De criteria op grond waarvan een dergelijke uitsluiting plaatsvindt, worden in officiële legitimatielegendes verwoord en gecodificeerd. Daarom gaan fundamentele veranderingen in economische structuren en instituties altijd gepaard met veranderingen in de legitimatieverhoudingen. Zodra het contrast in levenskansen dat door structureel asymmetrische arbeids- en gezagsverhoudingen wordt gegenereerd subjectief wordt ervaren, ontstaat er een specifieke 'behoefte aan legitimatie'.

6·2·3 Antropologisch perspectief
Een quasi-antropologische verklaring kan vertrekken vanuit het door Max Weber geformuleerde uitgangspunt dat de behoefte aan legitimiteit is geworteld in "zeer algemene innerlijke constellaties" van de mens: een gelukkig mens is tegenover de minder gelukkigen nooit tevreden met zijn feitelijke geluk, maar wil ook nog het 'recht' op zijn geluk. Mensen proberen zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat zij hun geluk hebben verdiend, zoals de minder gelukkige zijn pech moet hebben verdiend. Hierbij hoeft geen cynisme te worden verondersteld, maar hoogstens dat er een universele tendens bestaat "to put the best possible face on one's actions" [J.C. Scott 1985:185]. In zijn monumentale studie over managementideologieën formuleert Bendix dit als volgt:

Ideologieën die uitbuitings- en onderdrukkingsverhoudingen legitimeren, hebben met elkaar gemeen dat zij toeëigening van vreemde arbeid en ondemocratische gezagsuitoefening in een gunstig daglicht proberen te stellen. De meest simpele vormen hiervan zijn (a) het ontkennen dat er sprake is van uitbuiting en onderdrukking (b) de suggestie dat er alleen maar wordt geëxploiteerd en overheerst in het algemeen belang en dat dit mogelijk is omdat de subalterne klassen beseffen dat hun gehoorzaamheid uiteindelijk ook voor hen het meeste voordeel zal opleveren.

Iedereen kan uit zijn eigen dagelijkse ervaringen opmaken dat er een "psychische comfortbehoefte aan legitimiteit van het geluk" [Weber WG:299] bestaat en hoe deze werkt. Men hoeft zich slechts een hypothetische situatie voor te stellen waarin twee mensen een contrasterend noodlot hebben wat betreft gezondheid, economische positie of sociaal aanzien: de geprivilegieerde heeft de aanhoudende behoefte het voor hem gunstige contrast als legitiem voor te stellen en zijn situatie als door hemzelf verdiend op te vatten. De situatie van de negatief geprivilegieerde wordt voorgesteld als 'eigen schuld' [vgl. Weber WG: 549, 679; RS I: 242]. Overigens benadert Weber het legitimiteitsprobleem niet primair vanuit een antropologisch of sociaal-psychologisch perspectief, maar vooral in samenhang met gezagsverhoudingen. Legitimatie is voor hem een noodzakelijk onderdeel van toeëigenings- en sociale sluitingsstrategieën. Hij gaat niet in op de relatie tussen deze sociaal-structurele grondslagen van legitimatieprocessen en de veronderstelde antropologische constante van de algemeen menselijke 'behoefte aan legitimatie'. Daarom gaat hij ook niet in op de vraag onder welke specifieke sociaal-structurele voorwaarden deze ‘psychische comfortbehoefte aan de legitimiteit van het geluk’ wordt gegenereerd.

Ik betwijfel de vooronderstelling dat dit een ‘universeel menselijke behoefte’ is die in alle bekende of denkbare samenlevingsverbanden een cruciale rol speelt of zal spelen. (Men zou er ook —met Rousseau [1755/1983:47 e.v.,80,93]— vanuit kunnen gaan dat het fundamentele verlangen naar zelfbehoud wordt getemperd door een minstens even fundamentele afkeer om zijn soortgenoten te zien lijden; dit 'medelijden' is een minstens even universele menselijke deugd). Ook wanneer men —om welke reden dan ook— wil vasthouden aan deze vooronderstelling dan geeft dit nog geen antwoord op de vraag welke concrete vormen deze ‘behoefte aan legitimiteit van het geluk’ onder specifieke maatschappelijke voorwaarden kan aannemen, respectievelijk welke relatie er bestaat tussen de bijzondere aard van een economisch systeem en het idioom waarin deze behoefte wordt gearticuleerd.

De antropologische premisse dat mensen een psychische behoefte hebben aan rechtvaardiging van hun privileges kan als heuristisch principe een nuchter uitgangspunt zijn voor empirisch legitimiteitsonderzoek. Een dergelijke antropologische of sociaal-psychologische benadering hoeft niet ten koste te gaan van een sociaal-historische of een sociaal-structurele benadering. Alle drie de perspectieven kunnen immers op een zinvolle wijze met elkaar worden gecombineerd.

Index


6·3 Legitimatielegendes en legitimiteitsgeloof
Positief geprivilegieerden en in het bijzonder de leden van exploiterende en heersende klassen claimen altijd dat hun economische privileges, rechten en eigendommen legitiem zijn. Zij articuleren deze legitimiteitsaanspraken in een of andere legitimatielegende. Aanspraken op legitimiteit moeten niet verward worden empirische legitimiteit: het bestaan van legitimatielegendes betekent immers niet automatisch dat de bestaande economische verhoudingen en instituties ook in empirisch of sociaal opzicht al gelegitimeerd zijn. Empirische legitimiteit komt alleen tot stand wanneer actoren daadwerklijk normatief ('waarderationeel') geloof hechten aan de legitimiteit van het vigerende economische stelsel.

Dit impliceert dat men beter kritische afstand kan houden ten opzichte van speculaties over de 'morele orde' van de maatschappij. Het is veel productiever om empirisch te onderzoeken in hoeverre de positief geprivilegieerde actoren zelf geloof hechten aan de door hen gekoesterde en gepropageerde legitimatielegendes. De historische en sociologische bronnen zijn op dit punt helaas nogal schaars. In het algemeen kan men zeker niet zeggen dat de legendes waarmee geprivilegieerde economische posities, rechten en eigendommen worden gerechtvaardigd door de gepriviligieerden zelf of door hun ideologische woordvoerders volledig serieus worden genomen. Als instrumenten van pedagogische opvoeding en politieke beheersing worden deze legitimatielegendes natuurlijk wel zeer serieus behandeld. Men hoeft echter zelf geen gelovige te zijn om het ware geloof te kunnen verspreiden [Wolferen 1989:499].

Het strategisch koel doordachte instrumentele gebruik van het geloof door katholieke kerkleiders staat hiervoor model. Waarschijnlijk staat de effectiviteit van de handhaving en consolidatie van de machtspositie van de katholieke kerk in omgekeerd evenredige verhouding tot de mate waarin haar priesters zelf geloof hechten aan de door hen uitgedragen geloofsartikelen (hoewel dit in mindere mate opgaat voor het ontstaan van de kerk en voor perioden van grote expansie). Economisch-sociologen zouden eens moeten onderzoeken hoeveel ondernemers er werkelijk geloof hechten aan de bekende frase 'winst = werk' (meer winst leidt tot meer werkgelegenheid).

Index


6·4 Verscheidenheid van legitimatielegendes
Voor de empirische legitimiteit van economische verhoudingen en insituties is echter helemaal niet beslissend of en in welke mate geprivilegieerde actoren geloof hechten aan de legendes waarmee zij hun verheven posities en riante levenskansen proberen te rechtvaardigen. Doorslaggevend voor de empirische legitimiteit van een economisch stelsel is het legitimiteitsgeloof van de leden van subalterne klassen [Bader/Benschop 1988:272; Bader 1989; Benschop 1993:464].

Voor de rechtvaardiging van economische verhoudingen en instituties zijn in de loop der tijd een hele serie legitimatielegendes geconstrueerd. Er zijn helaas geen studies waarin al deze in kaart zijn gebracht en er bestaan ook geen bruikbare typologieën. Alle legitimatielegendes bevatten echter een specifieke rechtvaardiging van de ongelijkheden van het ecomische systeem en haar instituties, d.w.z. zij geven telkens een specifieke legitimatie van ongelijke verdeling van bronnen en beloningen (positioneel) en van de mechanismen die ertoe leiden dat de actoren op een bepaalde wijze over economische posities worden verdeeld (allocatief). In legitimatielegendes wordt dus zowel de structurering van economische posities en de daaraan verbonden levenskansen, als de recrutering van individuen voor deze posities gerechtvaardigd. Daarom zou men legitimatielegendes kunnen typeren naar de specifieke definities van de criteria om mensen uit te sluiten van beschikkingsmacht over economisch relevante bronnen en van posities waaraan privileges verbonden zijn. Vanuit deze optiek kan een tamelijk eenvoudig onderscheid worden gemaakt tussen de volgende legitimatielegendes:

Dit zijn concurrerende legitimatielegendes die echter in de praktijk zeer vaak met elkaar worden gecombineerd tot een rechtvaardigend of ideologisch verhaal. Alle waarden die in deze legitimatieaanspraken worden geformuleerd hebben met elkaar gemeen dat zij in tegenspraak zijn met de morele universaliseringsregel: zij rechtvaardigen stuk voor stuk belangen die niet veralgemeend kunnen worden. Legitimatielegendes zijn politieke articulaties van particuliere belangen van positief geprivilegieerde actoren.

De empirische legitimiteit van een economisch systeem komt tot stand door een waarderende instemming met de daarin geldende regels en dominante normen. Daarvan uitgaande lijkt het plausibel de legitimiteitstypen van elkaar te onderscheiden door na te gaan welke vormen van ‘waarderationeel geloof’ of ‘waarderende instemming’ er bestaan.

Max Weber [WG: 19-20, 124, 154] klassificeert de typen van legitimiteit op basis van de typische, subjectief geloofde, d.w.z. waarderationeel geaccepteerde geldingsoorzaken. Deze typologie van legitimiteitsvormen is dus helemaal geconcentreerd op de vraag wat de aard is van de waarderationele instemming met een bepaalde ordening of systeem. Hij komt tot een vierdeling tussen traditionele, charismatische, waarderationele en legale legitimiteit

  1. Van traditionele legitimiteit is sprake wanneer en voorzover de legitimiteit van een economisch stelsel gebaseerd is op het geloof in de geldigheid van tradities. Deze waarderationeel gemotiveerde instemming met de geldigheid van tradities moet niet worden verward met de traditioneel gemotiveerde acceptatie van de gebruikelijke gewoontes en zeden.

  2. Van charismatische legitimiteit is sprake wanneer en voorzover de legitimiteit van een economisch stelsel gebaseerd is op het geloof in de buitengewoone heiligheid, het heldendom of het exemplarische karakter van een individuele persoon en in de door profeten geopenbaarde waarden of normen. Deze waarderationeel gemotiveerde instemming met de geldigheid van de door bijzondere individuen gestelde regels en gepropageerde normen moet niet worden verward met de affectief gemotiveerde identificatie met deze buitengewone personen. In het laatste geval voelt men zich slechts emotioneel verplicht aan of solidair met bijvoorbeeld de stichter van een onderneming; in het eerste geval stemt men in met alle bedrijfsreglementen en gedragscodes die door deze stichter worden afgekondigd.

  3. Van waarderationele legitimiteit is sprake wanneer en voorzover de legitimiteit van een economisch stelsel gebaseerd is op het geloof in de absolute geldigheid van ultieme waarden, zoals bijvoorbeeld het ‘natuurrecht’.

  4. Van legale legitimiteit is sprake wanneer en voorzover de empirische legitimiteit van een economisch stelsel feitelijk gebaseerd is op het geloof in de geldigheid van wettelijke regelingen en procedures, dat wil zeggen door de innerlijke aanvaarding van alle regels die formeel correct en volgens de gebruikelijke procedures tot stand zijn gekomen. Deze waarderationeel gemotiveerde instemming met de geldigheid van regels die volgens autocratische of democratische procedures tot stand zijn gekomen, moet niet worden verward met het strategisch gemotiveerde rekening houden met de feitelijke geldigheid van wettelijke regels en de daarmee gepaard gaande juridische sancties.
Deze typologie is aanvechtbaar. In zijn reconstructie van Weber’s legitimiteitsbegrip heeft Bader [1989:321 e.v.,334] de zwakte van deze typologie aan het licht gebracht. Weber's typen van legitimiteit zijn namelijk in feite allemaal procedureel van aard. Legaal gezag kan bijvoorbeeld heel goed worden gedifferentieerd in democratische, aristocratische, monocratische procedurele legitimiteit. Naast deze procedurele legitimiteitstypen kunnen ook andere, niet-procedurele legitimiteitstypen worden onderscheiden.

Voorbeeld van dergelijke substantiële legitimiteitstypen zijn:

Voor de legitimatie van kapitalistische economische structuren en instituties is het utilitarisme nog steeds de meest dominante stroming. Het levert samen met het technocratisme de belangrijkste bouwstenen en het cement voor de legitimatie van de actuele verhoudingen. De centrale claim van het utilitarisme is dat het economische structuren en instituties moreel rechtvaardig zijn wanneer zijn ‘het grootste geluk/welvaart/welzijn voor een zo groot mogelijk aantal leden van de maatschappij’ produceren. De aantrekkelijkheid van het utilitarisme is dat het doel dat de utilitaristen propageren niet afhankelijk is van het bestaan van God of een andere dubieuze metafische entiteit. Het is dus geen theologische maar een seculiere morele theorie. Een tweede aantrekkelijkheid van het utilitarisme is haar 'consequentialisme': het utilitarisme vereist dat we telkens nagaan of een bepaalde handeling of een beleid daadwerklijk aantoonbaar goede gevolgen heeft of niet. Iets is dus pas in moreel opzicht slecht als men kan aantonen dat een handeling slechte gevolgen heeft. Consequentialisme biedt een bescherming tegen willekeurige morele veroordelingen. Het utilitarisme sluit dus aan bij onze intuïtie dat het welzijn van mensen belangrijk is en dat morele regels getoetst moeten worden op hun gevolgen voor het welzijn van mensen. Zonder deze basisintuïties los te laten is er echter veel kritiek mogelijk op het utilitarisme. Ik verwijs hiervoor naar de studies van Williams [1973], Kymlicka [1990:12-49] en Sen [1987/92].

Ik heb er al eerder op gewezen dat utiliteit een zeer omstreden begrip en dat daarvan diverse varianten in omloop zijn [→ hoofdstuk IV:2·1]. In een kritische analyse van de utilitaristische legitimaties van economische structuren en instituties moet men er daarom rekening mee houden dat er meerdere utilitarismen courant zijn. Het utilitarisme is —in welke variant dan ook*— niet alleen de kern van praktisch alle legitimaties van het moderne kapitalisme, zij vormt ook de morele grondslag van de neoklassieke economische theorie. In de volgende twee hoofdstukken kom ik hier nog uitvoerig op terug.

Index


6·5 Legitimiteitsgeloof van negatief geprivilegieerden
Het historisch en sociologisch onderzoek naar het legitimiteitsgeloof van de negatief geprivilegieerde groepen en subalterne klassen staat nog in meerdere opzichten in de kinderschoenen. Ik zal een aantal problemen noemen die hierbij een rol spelen.

6·5·1 Morele ordes in meervoud
Zoals gezegd komt de legitimiteit van een economisch systeem louter en alleen tot stand door een waarderende instemming met de daarin geldende regels en dominante normen. Genormeerde regels en legitimerende teksten moeten echter altijd door de actoren zelf worden geïnterpreteerd. Het gevolg daarvan is dat mensen een zeer uiteenlopende betekenis en zin kunnen toekennen aan de regels die een economisch systeem normeren en aan de legitimatielegendes (verhalen, teksten) die haar legitimeren. De elementen van een dominante ideologie worden meestal door geritualiseerde symbolen naar de massa toe vertaald en worden in variërende mate geïntegreerd met het volksgeloof [Weber, WG:16 e.v.; WL 346,345,444].

In maatschappijen met fundamentele belangentegenstellingen is het daarom zeer waarschijnlijk dat er discrepanties ontstaan tussen de waarden die in de betreffende legitimiteitsaanspraken worden geformuleerd en de waarden die in het feitelijke legitimiteitsgeloof zijn vervat. Mensen zijn zich van deze discrepantie vaak niet bewust en krijgen hier meestal pas zicht op tijdens openlijke conflictsituaties. Bovendien is het meer dan waarschijnlijk dat er concurrerende laatste waarden bestaan of in ieder geval tegenstrijdige interpretaties en concretiseringen van 'gemeenschappelijke ultieme waarden'. Volledige consensus over fundamentele waarden is buitengewoon zeldzaam.
* Dit impliceert een scherpe afbakening ten opzichte van het normatieve functionalisme van Parsons, waarin waarden en geloof altijd als geheel worden behandeld wanneer het gaat om de motivatie van actoren [Lockwood 1982:105; Bader/Benschop 1988:160 e.v.].
Voorzover er sprake is van consensus is deze meestal partieel.* In sociologisch en historisch onderzoek gaat het er dus vooral om zicht te krijgen op het naast elkaar bestaan van de verschillende, elkaar tegensprekende morele ordeningen en waarden.

6·5·2 Van symbolische universa tot alledaagse humor
In de legitimatielegendes van (woordvoerders van) geprivilegieerde groepen en heersende klassen worden diverse waarden geformuleerd, zoals individuele vrijheid, sociale gelijkheid, menselijke waardigheid, discipline, prestatie en efficiëntie. Deze waarden vormen een reservoir waaruit ook de negatief gepriveligieerde actoren hun waarden selecteren. Zij kunnen aan deze waarden echter een subjectief verkeerde, inadequate of bewust en polemisch andere, ja zelfs een tegengestelde betekenis geven. Het meest klassieke voorbeeld hiervan zijn de interpretaties van de waarden van de bijbel. Zoals bekend bieden deze christelijke waarden niet alleen legitimatiekansen, maar ook delegitimatiekansen. Het christelijke geloof en de christelijke waarden bevatten elementen van een klassegebonden ideologie die fungeert als een legitimatie van zowel strijdbare als van onderdanige wereldbeelden. Religie heeft veeleer het karakter van een Janus-kop en levert zeker niet alleen morele en ideologische steun aan de status quo [Schoenfeld 1992].

Christendom en slavernij
Het Christendom bracht geen volledig nieuwe en zeker geen betere houding met zich mee ten opzichte van slavernij. Jezus accepteerde slavernij als een gegeven [Ste Croix 1975:19; 1983:418], net zoals dit in het Oude Testament wordt geaccepteerd. Zijn volgelingen accepteerden en modificeerden de dominante Grieks-Romeinse visie. Gelijkheid bestaat alleen "in het licht van God" en heeft geen relatie met wereldlijke verhoudingen [Colossenzen 3·11; Galaten 3·28; 1e Corinthiërs 7·22]. Er wordt sterk de nadruk gelegd op gehoorzaamheid van Christelijke slaven ten opzichte van hun meesters. "Slaven, weest uw heren naar het vlees gehoorzaam met vreze en beven, in eenvoud uws harten, als aan Christus" [Brief van Paulus aan de Epheziërs 6·5]. Een historicus van de Klassieke Oudheid komt tot het volgende oordeel:
    "Whatever the theologian may think of Chistianity's claim to set free the soul of the slave, therefore, the historian cannot deny that it helped to rivet the shackles rather more firmly on his feet. It performed the same social function as the fashionable philosophies of the Graeco-Roman world, and perhaps with deeper effect: it made the slave both more content to endure his earthly lot, and more tractable and obedient" [Ste Croix 1983:420].
Voorzover Christenen slavernij veroordeelden, ging dit meestal gepaard met de stilzwijgende instemming dat slavernij van ongelovige toelaatbaar was en zelfs prijzenswaardig wanneer dit tot bekering leidde. Van een principiële veroordeling van slavernij als een institutie door Christenen was in ieder geval tijdens de Middeleeuwen geen sprake. Het Christendom zou een erg positieve rol spelen in de slavenhandel van de 15e tot de 18e eeuw. In naam van het Christendom - maar in opdracht van het roofzuchtige V.O.C. werd in 1621 door 'onze' Jan Pietersz. Coen praktisch de gehele bevolking op de Banda-eilanden (deel van de Molukken) afgeslacht. Na deze genocide stichtte Coen een van de eerste moderne plantage-economieën, gebaseerd op slavenarbeid [J.M. Postma, The Dutch in the Atlantic Slave Trade 1600-1815. Cambridge 1990; J. L. van Zanden, Arbeid tijdens het handelskapitalisme. Opkomst en neergang van de Hollandse economie 1350-1850. Bergen 1991].

Waardeninterpretaties zijn altijd afhankelijk van specifieke maatschappelijke contexten en van de sociaal-economische posities van degenen die deze interpretaties geven. Voor empirisch onderzoek naar de legitimiteit van economische systemen zijn de verschillende —en zoals gezegd vaak rivaliserende— interpretaties relevant en niet zozeer een vermeende ‘oorspronkelijke’ betekenis van teksten of legitimatielegendes zelf [Bader/Benschop 1988:293].

Legitimatielegendes worden niet alleen gearticuleerd in gesystematiseerde en allesomvatende symbolische universa. Zij worden ook gearticuleerd in veldspecifieke politieke talen, in rudimentaire alledaagse theorieën en met name in alledaagse politieke talen. De legitimatielegendes worden door (woordvoerders van) positief geprivilegieerde actoren worden geconstrueerd, gestileerd en gepropageerd. Zij worden echter door de leden van subalterne groepen zelden in hun oorspronkelijke betekenis geaccepteerd, maar veeleer in de gemodificeerde en gecodificeerde vorm van alledaagse uitdrukkingen, zegswijzen en ‘common sense’.

Wie wil achterhalen met welke legitimaties mensen werkelijk instemmen, moet zich dus niet uitsluitend concentreren op hun (bewuste en min of meer systematisch gearticuleerde) abstracte vertogen. Men moet ook en misschien wel in de eerste plaats nagaan hoe deze instemming (of het gebrek daaraan) is versleuteld in het alledaagse en deels onbewuste of voorbewuste taalgebruik. Studies over de volkshumor leveren in dit opzicht vaak heel verrassende resultaten op. De humor is bij uitstek de vorm waarin onverenigbare referentiekaders (en waarden) met elkaar worden geconfronteerd (‘bisociatie’). In het lachen dat wordt opgewekt door het onverwachte aspect van het ongerijmde, gaat niet zelden een enorme distantie schuil ten opzichte van heersende waarden en een vergruizing van superieure kwaliteiten van de heersenden.

Dit verschijnsel komt zeer pregnant tot uiting in de traditionele carnavals en ook nog in de moderne, sterk gecommercialiseerde carnavals. In het authentieke carnaval worden alle dominante waarden en bestaande prestigehiërarchieën op speelse wijze omgekeerd.

De legitimiteit van economische verhoudingen is nooit absoluut en universeel. Aan de legitimaties van economische structuren en instituties wordt altijd slechts binnen bepaalde economische groepen werkelijk geloof gehecht. De overige actoren bewijzen slechts lippendienst, 'a mere mouthing of slogans'. Het is de taak van empirisch legitimiteitsonderzoek om vast te stellen in welk opzicht er door wie, door hoeveel mensen en in welke mate feitelijk waarderend wordt ingestemd met de in economische verhoudingen geïmpliceerde sociale ongelijkheden, privileges, rechten, eigendommen en uitsluitingen.

6·5·3 Aanvaarding van economische structuren en instituties
Ook al houden de negatief geprivilegieerden zich aan de regels en voorschriften die in een bepaalde economische formatie gelden, dan is dit nog geen bewijs dat zij de geïnstitutionaliseerde normen ook als legitiem ervaren. Van legitimiteit is immers slechts sprake wanneer mensen waarderend instemmen met deze regels en voorschriften. Legitimiteit van een economisch stelsel in de zin van normatieve instemming moet niet worden verward met traditionele acceptatie, met affectieve internalisatie of met een strategische calculatie.

Legitimiteit moet ook niet worden verward met het feit dat subalterne actoren er zuiver cognitief en strategisch rekening mee houden dat anderen het economisch systeem als legitiem beschouwen. Zoals eerder opgemerkt, houdt ook de dief door het verheimelijken van zijn criminele handeling rekening met de geldigheid van de rechtsorde. Op dezelfde wijze kunnen mensen rekening houden met de geldigheid van de regels van het economisch systeem door te verheimelijken dat zij daarmee normatief niet instemmen. Wanneer werknemers een opdracht van hun baas uitvoeren, betekent dit allerminst dat zij daarmee ook normatief instemmen. In de gegeven situatie houden zij er rekening mee dat de bevoegdheid om dergelijke opdrachten te geven door vele anderen als legitiem wordt beschouwd. Bovendien maken zij een rationele calculatie van de gevolgen van ongehoorzaamheid en volgen zij tot op zekere hoogte de normen van gehoorzaamheid aan legaal gezag. We hebben eerder gezien dat hun feitelijke handelingsoriëntaties in werkelijkheid altijd complexe mengvormen van zijn van deze analytisch onderscheiden handelingsoriëntaties. Daarom is ook de reproductie van economische verhoudingen in werkelijkheid het resultaat van de gecombineerde werking van traditionele acceptatie, affectieve internalisatie, strategische calculatie en normatieve instemming.

Figuur 8·3 Combinatie van mechanismen van handelingscoördinatie


Er zijn vele beschouwingen geschreven over de vraag waarom en in welke mate economische verhoudingen ook door leden van subalterne klassen worden 'geaccepteerd' en zijn al veel verklaringen gegeven van de geringe freqentie en de verspreiding van verzet tegen exploitatieve praktijken. Ik zal hier geen overzicht van geven van deze verklaringspogingen. Ik wil slechts benadrukken dat men de vier genoemde elementen niet al te snel moet reduceren of synthetiseren. In de meeste beschouwingen wordt met te eenvoudige tweedelingen, zoals die tussen pragmatische en normatieve acceptatie Bij 'pragmatische acceptatie' schikken individuen zich naar de situatie omdat zij geen realistische alternatieven zien; bij 'normatieve acceptatie' internaliseren individuen de morele verwachtingen van de heersende klasssen en beschouwen hun eigen inferieure positie als legitiem [zie in plaats van velen: Mann 1970: 425; Etzioni 1988]. De 'pragmatische acceptatie' is echter een combinatie van drie zeer verschillende mechanismen van handelingscoördinatie: traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en strategische calculatie. Het grote nadeel van zo'n tweedeling is dus haar ondercomplexiteit: men krijgt geen vat op de specificiteit van de mechanismen van handelingscoördinatie die in het geding zijn omdat zij in het gehanteerde analytische model al bij voorbaat onherkenbaar met elkaar versmolten worden.

De gecombineerde werking van uiteenlopende handelingsmotivaties kan niet met een simpel additief model worden benaderd. De belangrijkste reden daarvan is dat de afzonderlijke handelingsoriëntaties intern op elkaar betrokken zijn en daarom meer complexe en hoger geaggrereerde vormen aannemen. Concreter geformuleerd: actoren kunnen zich ook op een traditionele, affectieve of zuiver strategische wijze oriënteren op de bestaande of veronderstelde legitimiteit van een economisch stelsel. Veit Bader [1989:134 e.v.] heeft dit thema al eerder algemeen uitgewerkt. Toegespitst op de reproductie van economische verhoudingen betekent dit het volgende.

  1. Actoren kunnen zich traditioneel oriënteren op de bestaande of veronderstelde legitimiteit van een economisch systeem. Hierdoor wordt de veronderstelde legitimiteit van de economische structuren en instituties op een routinematige wijze geaccepteerd. Men neemt gewoon aan dat een economische orde legitiem is omdat deze al zolang bestaat. De legitimiteit van een economisch stelsel wordt weliswaar door deze traditionele oriëntatie niet empirisch geconstitueerd, maar het stelsel wordt er wel door gestabiliseerd. Wanneer de traditionele oriëntatie op de eens voor legitiem gehouden regels dominant wordt, gaat legitimiteit over in zede. Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van de zogenaamde 'administratieve solidariteit' in de verzorgingsstaat. Daarmee wordt bedoeld dat het morele grondbeginsel van solidariteit in de moderne verzoringingsstaat wordt "versmald tot een administratieve norm, die op een onpersoonlijke manier wordt toegepast door professionele hulpverlener, in allerhande bureaus en dinesten, die zelf onderling sterk zijn verzelfstandig en gefragmenteerd" [Schuyt 1991:10].

  2. Zie de eerdere uiteenzetting in hft. IV: § 4 over de psychische habitus en de daar geciteerde literatuur over verinnerlijking van de agressor en geïnternaliseerd kolonialisme.
    Van een affectieve oriëntatie op legitimiteit is sprake wanneer actoren de regels van een economische orde internaliseren. Dit proces van psychische verinnerlijking moet duidelijk worden onderscheiden van bewuste normatieve instemming. Affectieve oriëntatie op personen of regels kan legitimiteit niet constitueren, noch garanderen, maar hierdoor worden economische systemen wel gestabiliseerd. Wanneer de empirische oriëntatie op legitimiteit dominant affectief wordt, gaat legitimiteit over in solidariteit.

  3. Van een strategische oriëntatie op legitimiteit is sprake wanneer actoren niet normatief instemmen met een economische orde en deze uit gewoonte of gevoelsmatige binding accepteren, maar er rekening mee houden dat anderen deze orde als ‘legitiem’ beschouwen (omdat zij daarmee wel normatief instemmen of omdat zij op hun beurt zuiver cognitief verwachten dat alle anderen het stelsel om welke reden dan ook feitelijk als legitiem beschouwen en daarmee in hun handelen rekening houden). Actoren kunnen een cognitief verkeerde definitie van de situatie hanteren, over gebrekkige informatie beschikken, een belangenovereenkomst vermoeden waar deze (vaak) niet bestaat of over onvoldoende fysieke middelen van verzet beschikken. In al deze gevallen houden zij zich om zuiver uiterlijke motieven aan de geboden en verboden van de economische orde. Zelfs wanneer zij deze orde schenden of zich eraan proberen te onttrekken, erkennen zij de empirische geldigheid van haar regels.

    Strategische oriëntaties op de empirische gelding van normerende regels zijn een uiterst effectieve garantie voor de stabiliteit van economische stelsels. Van een overtreding van deze regels verwacht men negatieve of pijnlijke gevolgen. Ook deze strategische oriëntatie op (veronderstelde) legitimiteit is niet constitutief voor feitelijke legitimiteit van een economisch stelsel. Wanneer de strategische oriëntatie op de veronderstelde legitimiteit van een economisch stelsel dominant wordt, gaat legitimiteit over in een zuivere belangenpositie. Men accepteert de economische orde dan immers niet meer omdat men er subjectief waarderationeel mee instemt en voor zichzelf als rechtvaardig ervaart, maar alleen nog vanwege —vermeende of werkelijke— belangenovereenstemming of vanwege de verwachte negatieve gevolgen. Wanneer strategische overwegingen een dominante rol gaan spelen dan verliezen de economische verhoudingen hun legitimiteit en worden zij niet meer aanvullend gestabiliseerd door empirische legitimiteit, dat wil zeggen door normatieve instemming.

6·5·4 Existentieel en ethisch fatalisme
Er is al vaker opgemerkt dat subalterne klassen overwegend een wereldbeeld hebben dat een zekere acceptatie van de bestaande orde impliceert [zie in plaats van velen: de empirische studies van Goldthorpe e.a. 1969, Marshall e.a. 1988:143 e.v.]. Voor deze acceptatie worden zeer uiteenlopende en allesbehalve neutrale termen gebruikt, zoals resignatie, fatalisme, instrumentalisme, pragmatisme, realisme en cynisme. Al deze termen refereren aan een bij negatief geprivilegieerden veel voorkomende specifieke houding ten opzichte van het economisch systeem waarin zij leven. Deze berustende houding komt tot stand door een calculerende reactie op asymmetrische verdelingen van maatschappelijke bronnen en beloningen, die weliswaar in sterke mate als onrechtvaardig worden ervaren, maar toch ook grotendeels als onveranderlijke 'facts of life' worden geaccepteerd. Negatief geprivilegieerden hebben vaak wel een vermoeden dat er alternatieven bestaan, maar leggen zich in de regel neer bij het feit dat zij zelf weinig of niets kunnen doen om deze alternatieven te helpen realiseren.

Het feit dat ook negatief geprivilegieerden de bestaande economische orde tot op zekere hoogte accepteren, is niet zozeer gebaseerd op consensus of instemming en heeft in de regel helemaal niets te maken met het (veronderstelde) bestaan van een gemeenschappelijke ‘morele orde’, maar is veeleer gebaseerd op specifieke vormen van berusting en routine. Voor moderne kapitalistische klasseformaties zou dit in veel sterkere mate kunnen gelden dan voor prekapitalistische klasseformaties. Deze stelling is echter zeer moeilijk te bewijzen. In ieder geval wordt in een aantal empirische studies geconcludeerd dat in de burgerlijke maatschappijformatie van tegenwoordig geen morele orde bestaat en dat de sociale cohesie van deze formatie meer op berusting en routine is gebaseerd dan op consensus en instemming [Marshall e.a. 1988:143]. In aansluiting bij Lockwood en Marshall zal ik voor de specifieke vorm van acceptatie van het economisch systeem door negatief geprivilegieerden en leden van subalterne klassen de term fatalisme gebruiken.

Fysiek en moreel despotisme: Durkheim, Weber, Lockwood
In aansluiting op Durkheim maakt Lockwood [1982:103; vgl. 1992] een onderscheid tussen fysiek en moreel despotisme. Fysiek despotisme is een vorm van directe persoonlijke dwang zoals deze bijvoorbeeld wordt uitgeoefend om mensen in gevangenissen of concentratiekampen ‘in het gareel’ te houden. Moreel despotisme is een vorm van onpersoonlijke sociale dwang die werkt doordat zij door de overheerste individuen zelf wordt verinnerlijkt [Nandy 1983].

Voor het ontstaan van een fatalistische houding is niet zozeer de mate van onderdrukking en uitbuiting bepalend, maar veeleer het feit dat de klassedwang als een externe levensvoorwaarde wordt ervaren die niet substantieel kan worden veranderd. In samenlevingen waarin de samenhang tussen de oorzaken en de gevolgen van de klassepositie niet transparant is gestructureerd, bestaat er slechts een kleine kans dat de subalterne klassen een hervormend of revolutionair klassebewustzijn ontwikkelen en tot gemeenschappelijk politiek klassehandelen komen - zelfs al bestaan er nog zulke extreme verschillen in de levensomstandigheden van de diverse sociale klassen [Weber, WG:533; vert. 87].

Wanneer de bepaaldheid door en de gevolgen van de klassepositie niet duidelijk herkenbaar zijn, wordt het contrast in levenskansen veeleer als een 'gegeven' ervaren, als een klasselot dat geaccepteerd moet worden. Onder deze omstandigheden wordt het specifieke klasselot niet of nauwelijks ervaren als iets dat voortvloeit uit de bestaande eigendomsverhoudingen of uit de specifieke aard van de maatschappelijke arbeidsverhoudingen, resp. van het economische systeem.

Fatalisme is een vorm van geïnternaliseerde sociale dwang die als een externe, onveranderlijke en onpersoonlijke levensvoorwaarde wordt ervaren. Fatalisme is echter een kwestie van gradaties en kan bovendien zeer uiteenlopende vormen aannemen. Het kan de vorm aannemen van een existentieel (primair strategisch gemotiveerd) fatalisme. Existentieel fatalisme is het geheel van houdingen die resulteren uit de verwerking van een ‘zakelijk despotisme’, dat wil zeggen van de stomme kracht der economische omstandigheden, van het waren-, geld- en kapitaalfetisjisme en van de ‘ijzeren kooi van de bureaucratie’. Het kan ook de vorm aannemen van een ethisch (primair religieus gemotiveerd) fatalisme.* Ethisch fatalisme is het resultaat van de verwerking van ‘moreel despotisme’, dat wil zeggen van een sociale dwang die wordt opgelegd door een expliciet fatalistisch geloofsregime, zoals dit bijvoorbeeld is geïmpliceerd in de hindoeïstische verlossingsdoctrine.

Het verschil tussen deze beide fatalistische houdingen is dus niet de feitelijke mate van onderdrukking of exploitatie, maar de relatieve betekenis die strategische dan wel ethische overwegingen spelen bij de subjectieve verwerking van de sociale dwang.

  1. Strategisch geïnformeerd fatalisme impliceert een zeker geloof in de onveranderlijkheid van de economische structuren, maar niet noodzakelijk geloof in hun legitimiteit. In hoeverre dit laatste het geval is, is een empirische kwestie. Of negatief geprivilegieerden of leden van subalterne klassen hun posities als legitiem beschouwen in plaats van als simpel onveranderlijk, is in sterke mate afhankelijk van de vraag of het betreffende economische systeem primair wordt gegarandeerd door geloof of door rituelen.

  2. Het fatalisme dat is gebaseerd op een specifieke fatalistische ideologie, genereert een ethische verbondenheid en daarmee een specifieke (namelijk religieus gekleurde) vorm van normatieve instemming, dat wil zeggen een fatalistische ethos. Dit ethische fatalisme moet duidelijk worden onderscheiden van het geritualiseerde fatalisme van de massa's in maatschappijen waarin een grote afstand bestaat tussen de werkende klassen en de ideologische centra. Deze afstand kan zo groot zijn dat de denkbeelden die door de ideologische centra worden verspreid het gros van de werkende klassen niet bereikt, of afstuit op het wantrouwen in alles wat ‘van boven af’ komt.
De godsdienst nam in de 19e eeuw in Nederland nog een zeer belangrijke plaats in het maatschappelijke leven in. In ieder geval tot 1848 speelden de kerken en kerkelijke instellingen een grote rol in het openbare leven en waren nauw met de staat verbonden. De houding van de arbeiders tegenover kerk en godsdienst nam echter zeer speciale vormen aan. In een historisch studie naar de levenshouding en het maatschappijbeeld van de arbeidende klasse in het midden van de 19e eeuw wordt hiervan de volgende typering gegeven. Een deel van de ambachtslieden zocht aansluiting bij de religieuze sentimenten van de kleine burgerij en met name bij de gereformeerde beweging van de ‘kleine luyden’. Bij de lagere volksklassen —in het bijzonder de categorie van losse, ongeschoolde arbeiders— had de religie een overwegend negatieve invloed. Dit gold in het bijzonder voor de orthoxe predestinatieleer, waarvan een tijdgenoot in 1850 opmerkte dat de friese landarbeiders hierdoor gemakkelijk vervallen tot een blind fatalisme en godsdienstige apathie.

Ethisch fatalisme impliceert altijd een zekere normatieve instemming met een als onveranderlijk ervaren economisch systeem en wordt meestal gearticuleerd in en gereproduceerd door een religieus getinte verlossingsideologie. Dit thema staat centraal in studies over de specifieke klassereligiositeit van negatief geprivilegieerde klassen, standen en sociale lagen. De aspiraties van de subalterne klassen kunnen op zeer uiteenlopende manieren religieus worden gearticuleerd. In de bij Weber [WG: 285-314] aansluitende godsdienstsociologie worden deze articulaties zowel inhoudelijk als structureel gethematiseerd.

  1. De sociaal-politieke eisen van subalterne klassen kunnen in een religie inhoudelijk worden voorgesteld als ‘door God gewild’. Deze religieuze onderbouwing van specifieke maatschappelijke belangen en verlangens kan het zelfbewustzijn van de negatief geprivilegieerde klassen aanzienlijk versterken.

  2. Kenmerkend voor de specifieke structuur van hun religiositeit is de centrale plaats van de ‘verlossingsbehoefte’. De heilandsreligiositeit is hiervan het meest typische voorbeeld: de (menselijke, goddelijke of menselijk-goddelijke) verlosser figureert daarbij als drager van het heil en het geloof in de verlosser biedt toegang tot het zieleheil. Het ‘proletarische rationalisme’ (Weber) heeft ertoe bijgedragen dat in de arbeidersklasse de religie door andere surrogaten werd vervangen: van de socialist Domela Nieuwenhuis als ‘us ferlosser’ tot aan de communist Fré Meis. De leden van de moderne loonafhankelijke middenklassen zochten naar andere typen verlossers en sommige vonden hun heil bij de diverse Bagwans.

Existentieel fatalisme is gebaseerd op een combinatie van traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en strategische calculatie, en impliceert niet noodzakelijk een normatieve instemming. Uit het onderzoek van Marshall e.a. blijkt dat met dit concept van een existentieel (primair strategisch gemotiveerd) fatalisme een typering gegeven kan worden van het maatschappelijke bewustzijn van de arbeidersklasse in hoogontwikkelde kapitalistische landen. Een dergelijke typering lokt natuurlijk veel amendementen uit en roept om nuancering. Dat neemt niet weg dat dit concept een vruchtbaar heuristisch uitgangspunt vormt voor empirisch onderzoek naar het legitimiteitsgeloof van de negatief geprivilegieerden.

6·5·5 Methodische problemen: vertekening van bronnen
Het is altijd moeilijk en soms onmogelijk om exacte uitspraken te doen over het feitelijke legitimiteitsgeloof van subalterne klassen en negatief geprivilegieerden. De reden hiervan is dat de betreffende informatiebronnen meestal zeer beperkt zijn en dat de geschreven documenten bijna altijd zijn opgesteld door (woordvoerders van) positief geprivilegieerden. De cultuur van de subalterne klassen (‘volkscultuur’) is grotendeels een mondelinge cultuur.

Historici en historisch-sociologen zijn niet in staat zijn om met hun onderzoeksobjecten te praten en moeten daarom gebruik maken van schriftelijke bronnen. Deze schriftelijke bronnen zijn echter dubbel vertekend. Ten eerste omdat ze geschreven zijn en ten tweede omdat ze geschreven werden door personen die meer of minder duidelijk met de heersende cultuur verbonden waren. Ginzburg [1976/83:13] merkt in dit verband op dat de gedachten, de geloofsvormen en de verwachtingen van de boeren en ambachtslieden uit het verleden ons bijna altijd bereiken (áls ze ons al bereiken) via vervormende filters en tussenpersonen. Zijn prachtige analyse van de lotgevallen van de ‘ketterse’ italiaanse molenaar Menocchio biedt een uniek inzicht in de wederzijdse beïnvloeding van een authentieke volkscultuur en de heersende religieuze cultuur.

Economisch-sociologen die zich in hun empirisch onderzoek concentreren op legitimiteitsgeloof in de huidige verhoudingen zijn wel in staat om met hun onderzoeksobjecten te communiceren. Zij kunnen dus gemakkelijker toegang verwerven tot bronnen die indicaties bevatten over het feitelijke legitimiteitsgeloof van leden van subalterne klassen en negatief geprivilegieerden. Het grote probleem daarbij is echter dat men altijd rekening moet houden met de reflexiviteit van verwachtingsstructuren. Ik heb elders laten zien dat het niet eenvoudig is om bijvoorbeeld interviews zodanig te structureren dat resultaten geen simpele verdubbeling zijn van de heersende legitimiteitsopvattingen — en dus slechts artefacten van een gebrekkige methodologie.

Of mensen werkelijk op normatieve gronden instemmen met het bestaande economische stelsel is met interviews moeilijk te achterhalen. Leden van subalterne klassen vechten de legitimiteit van een economische structuur in het openbaar meestal niet aan. Dit verschil tussen 'on stage' en 'off stage' houding wordt bepaald niet kleiner en verdwijnt zeker niet wanneer zij worden ondervraagd door enquêteurs die door sociale wetenschappers 'het veld' in worden gestuurd. Legitimiteitsgeloof is altijd positiegebonden en contextafhankelijk. Bovendien is het geloof in de legitimiteit van een economisch stelsel niet zonder meer feitelijk relevant voor al het sociale en politieke handelen van de actoren die dit geloof koesteren. Legitimiteit is nu eenmaal niet het enige mechanisme van handelingscoördinatie.

Index


6·6 Strategieën van delegitimatie
Zoals legitimiteit van een economisch stelsel het mechanisme van haar innerlijke garantie is, zo is delegitimering een belangrijk mechanisme van haar ondergraving. In strategieën die erop gericht zijn het bestaande economische stelsel te delegitimeren, worden meestal zeer uiteenlopende vormen van kritiek en genres van utopisch denken met elkaar gecombineerd. In de delegitimatiestrategieën van de arbeidersbeweging en van nieuwe sociale bewegingen zijn meestal heterogene elementen met elkaar vervlochten. Naast egalitair, meritocratisch, democratisch, ecologisch en feministisch geïnspireerde kritieken trefen we ook elementen aan van metafysische, religieuze, natuurrechtelijke kritiekgenres.

Het succes van strategieën om economische structuren te veranderen is voor een belangrijk deel afhankelijk van de mate waarin deze structuren worden gedelegitimeerd: om bestaande structuren te kunnen veranderen moeten zij door massaal als onrechtvaardig worden gedefinieerd. Oppositionele bewegingen en elites zijn er daarom altijd op uit ‘het systeem van haar schijnbare rechtvaardigheid te beroven’. Dat is geen geringe opgave omdat de empirische legitimiteit van een economisch stelsel zich niet zo gemakkelijk laat manipuleren. Legitimatieproblemen en -crises ontstaan vooral in situaties waarin zich relatief snelle veranderingen in de economische structuur voltrekken en waarin er openlijke en heftige sociaal-economische conflicten worden uitgevochten.

Het geloof in de legitimiteit van een economisch stelsel is gerelateerd aan de potentiële en actuele belangentegenstellingen en -conflicten. Voor de ‘normale’ of ‘alledaagse’ reproductie van economische verhoudingen zijn stabiele gewoontes en zeden, solidariteiten en belangencompromissen doorslaggevend. Daarbij verdwijnt de uiterlijke garantie door recht en geweld meer naar de achtergrond. In de dagelijkse routine van de economische praktijken komen legitimatieproblemen niet meestal aan de orde. Wanneer dit incidenteel wel gebeurt is dit meestal op een beperkte wijze (ook de kritische economisch-sociologen discussiëren —god zij dank— niet elke dag over ‘de’ onrechtvaardigheid van ‘het’ kapitalisme).

Dit ‘normale’ patroon van reproductie- en garantiemechanismen kan onder bepaalde omstandigdheden sterk veranderen. Dat gebeurt vooral wanneer er ingrijpende verschuivingen optreden in de economische structuren en instituties en het enorme conflictpotentieel van het hele stelsel zich in de politieke arena’s begint te manifesteren. In deze buitengewone, ingrijpende conflictsituaties kunnen ook de heersende legitimaties van het economisch systeem als zodanig aan de orde worden gesteld en een centraal thema vormen van het politieke debat.

Economische conjuncturen hebben dus een invloed op het soortelijk gewicht van de mechanismen van handelingscoördinatie. In gestabiliseerde en genormaliseerde economische structuren treden coördinatiemechanismen op de voorgrond bijdragen aan hun continue reproductie en aan hun langzame, vaak onopgemerkte transformatie. De dominante mechanismen van handelingscoördinatie in alledaagse of normale situaties zijn de tradities en gewoontes in combinatie met de anonieme dwang van de economische verhoudingen. In buitengewone of crisissituaties wordt het labiele evenwicht in de krachtsverhoudingen tussen de belangengroepen verbroken. In dergelijke situaties neemt de betekenis van geweld en legitimiteit toe. Perioden van ‘verhitte’ botsingen tussen tegengestelde collectieve belangen zijn culminatiepunten van politiek georganiseerd handelen. Zij kunnen leiden tot ingrijpende veranderingen van de sociaal-economische structuren en instituties.

Zolang er ongelijkheden tussen individuele en collectieve actoren bestaan, is daar kritiek op uitgeoefend. Het gelijkheidsbeginsel is minstens even oud als de sociaal-economische ongelijkheid en ouder dan de legendes die het ontstaan en voortbestaan van exploitatieve economische stelsels rechtvaardigden. Het gelijkheidsbeginsel bevat altijd een kritisch en rebels element. Dat komt omdat het een normatief of contra-feitelijk beginsel is: het staat altijd in meer of minder schril contrast met de feitelijke ongelijkheden die het economisch systeem voortbrengt. Daarom is het gelijkheidsbeginsel ook een activerend beginsel: het nodigt uit om de verhoudingen die in strijd zijn met de gelijkheidsnorm te veranderen. Het kan zich zelfs tot revolutionair beginsel ontpoppen. Dat gebeurt wanneer het gelijkheidsbeginsel door leden of organisaties van negatie geprivilegieerde groepen wordt gebruikt om barrières af te breken die de realisatie van een gelijke vrijheid voor iedereen verhinderen. De waarden die in het sociale gelijkheidsbeginsel zijn vervat, hebben onder negatief geprivilegieerde groepen een tamelijk grote erkenning gevonden. Uit empirisch onderzoek blijkt dat in Nederland een gematigd egalitaire houding overheersend is [Wijngaarden/Hermkens/Knippers 1988; Smirmai 1986; Berting 1986; Berting e.a. 1987].

Deze nivelleringsethos is echter nogal ambivalent. Enerzijds bestaat er een duidelijk bewustzijn van bestaande verdelingsongelijkheid en een brede kritiek op de sociaal-economische stratificatiestructuur. Anderzijds wordt de structuur van de sociale kansenverdeling op een affirmatief-legitimerende wijze gewaardeerd en heeft men een afwijzende houding tegenover protestacties (men heeft overwegend een ‘sociaal-pacifistische’ houding).

In de mate dat egalitaire waarden door de negatief geprivilegieerden worden erkend en als richtsnoer wordt genomen voor hun gezamenlijke handelen, kunnen zij een actieve drijfkracht worden. Wanneer grote delen van de subalterne klassen de maatschappij waarin zij leven als onrechtvaardig gaan ervaren, kan daaruit een legitimatiecrisis van de bestaande klasse-orde ontstaan [Moore 1978; Bronton 1983]. Het minimaliseren of afschaffen sociaal-economische ongelijkheden is ook in hoogontwikkelde kapitalistische stelsels een centraal waardeprobleem en een machtig moreel imperatief.

Het gelijkheidsbeginsel is een van de peilers van de normatieve opvattingen over rechtvaardigheid. Naast vrijheid en solidariteit is het gelijkheidsbeginsel een hoeksteen van elke enigszins gepreciseerde rechtvaardigheidstheorie.

Index

Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1996
Laatst gewijzigd: 05 January, 2017