Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

Naar een nieuwe economische sociologie

—Een transformationeel perspectief—

door: dr. Albert Benschop

VII. Integratie: economisch handelen als ingebed handelen

  1. De reductie van Granovetter
  2. Maatschappelijke, organisationele en interactionele contexten
    2·1 Interactionele handelingscontext
    2·2 Organisationele handelingscontext
    2·3 Maatschappelijke handelingscontext
  3. Theoriestrategische voordelen
  4. Bij wijze van voorbeeld
  5. Onopgeloste problemen
  6. Het theorieprogramma van Coleman

Economisch handelen is —net als alle andere vormen van menselijk handelen— sociaal gesitueerd of ingebed en kan niet alleen worden verklaard door individuele motieven. Economisch handelen is ingebed in zowel maatschappelijke, organisationele als interactionele verhoudingen en wordt niet gedragen door geatomiseerde individuen, maar door sociaal bepaalde actoren. Economisch handelen is dus op meerdere aggregatieniveaus geïntegreerd.

1. De reductie van Grannovetter

Marc Granovetter heeft er terecht de nadruk op gelegd dat economisch handelen is ingebed in netwerken van persoonlijke relaties. Daarmee zet hij zich af tegen extreme vormen van methodologisch individualisme waarin de sociale gestructureerdheid van het economisch handelen wordt genegeerd.

“The extreme version of methodological individualism that dominates much of modern economics makes it difficult to recognize how economic action is constrained and shaped by the structures of social relations in which all real economic actors are embedded” [Granovetter 1992:4].

Het probleem is echter dat Granovetter bij het ingebed zijn van het economisch handelen exclusieve nadruk legt op het feit dat economisch handelen is ingebed in 'netwerken van persoonlijke relaties'. Onder netwerken verstaat hij zoals gebruikelijk "a regular set of contacts or similar social connections among individuals or groups". Het economisch handelen van een lid van een netwerk is ingebed omdat het zich manifesteert in interacties men andere mensen [Swedberg/Granovetter 1992:9].

Uit deze en vergelijkbare formuleringen (met name Granovetter 1985) krijgt men sterk de indruk dat Granovetter de sociale inbedding van economisch handelen wil reduceren tot de integratie op het niveau van de directe sociale interacties, dat wil zeggen tot 'face-to-face' relaties in persoonlijke netwerken. Hierdoor schiet niet alleen zijn (terechte) kritiek op de geatomiseerde, ondergesocialiseerde opvatting van menselijk handelen in de utilitaristische traditie te kort, maar geeft hij ook een veel te beperkt beeld van niveaus waarop het economisch handelen wordt geïntegreerd. Ik zal dit interactioneel reductionisme noemen.

In zijn meest recente publicatie lijkt hij deze reductie te corrigeren. Inbedding refereert niet meer uitsluitend aan het feit dat economisch handelen en instituties worden beïnvloed door "actors' dyadic (pairwise) relations", maar ook door "the structure of the overall network of relations" [Granovetter 1994:33 - concept]. Er wordt een onderscheid gemaakt relationele en structurele aspecten van inbedding van economisch handelen.

Met deze precisering neemt Granovetter echter alleen afstand van een type reductie dat hij zelf 'dyadische atomisering' noemt, waarbij men zich concentreert op de directe interactie tussen twee invidividuen die echter als paar uit de sociale context wordt gelicht. De atomisering van de ondergesocialiseerde homo economicus wordt hierdoor niet opgeheven, maar slechts verschoven naar het dyadische analyseniveau. Deze dyadische reductie is kenmerkend voor de economische analyses van Leibenstein [1976] en Becker [1976, 1981].

Door de introductie van het onderscheid tussen relationele en structurele inbedding wordt het eerder genoemde interactioneel reductionisme van Granovetter wel opgerekt maar niet doorbroken. Granovetter's analyse van de inbedding van economisch handelen laat niet alleen zien wat de mogelijkheden zijn een netwerktheoretisch perspectief, maar ook wat haar grenzen zijn.

Ik heb elders een poging gedaan om de mogelijkheden en beperkingen van netwerkanalyses af te bakenen in een klassentheoretisch perspectief [Benschop 1993:251 e.v.]. Mijn kritiek richt zich ook hier natuurlijk niet op netwerkbenaderingen als zodanig, maar op de verabsolutering van het netwerkperspectief. Mijn stelling is dat aan de positieve bijdragen van netwerktheoretici afbreuk wordt gedaan zodra men het specifieke niveau van handelingsintegratie waarop netwerkanalyses zijn gesitueerd, gaat verabsoluteren. Dit gebeurt wanneer men veronderstelt of suggereert dat netwerken van persoonlijke relaties het énige en dus allesomvattende niveau van handelingsintegratie is en dat van daaruit alle structureringsprocessen van sociaal handelen kunnen worden verklaard. Een dergelijke verabsolutering van het netwerkperspectief is alleen verdedigbaar wanneer men bereid is het begrip 'netwerk' zo ver op te rekken dat het identiek wordt met het begrip 'sociale structuur'. Het gevolg hiervan is slechts dat het begrip 'netwerk' van elke precieze inhoud wordt ontdaan (het omvat zowel persoonlijke netwerken, organisaties als maatschappijen) en dus als analytische categorie voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek onbruikbaar wordt. Bovendien wordt de spannende vraag naar de analytisch te onderscheiden niveaus van handelingsintegratie alleen maar verschoven, en niet opgelost.[1]

Interactioneel reductionisme
Interactioneel reductionisme is geen nieuw verschijnsel in de sociale wetenschappen. Zo definieerde de antropoloog Radcliff-Brown [1940] de sociale structuur al als "a complex network of social relations". Een netwerk wordt meestal gedefinieerd als een structuur van verbindingen tussen actoren in een sociaal systeem. In gegeneraliseerde netwerkbenaderingen zijn de actoren niet alleen individuele personen, maar ook rollen, organisaties, industrieën en zelfs natie-staten. In deze brede betekenis kan de structuur van elke sociale figuratie (netwerken, organisaties en maatschappijen) worden opgevat als een netwerk [vgl. Mitchel 1974, Berkowitz 1982, Burt 1982, Lincoln/Wellmann/Berkowitz 1988, Marsden 1988, Nohria/Eccles 1992].

Ik pleit voor een meer beperkt en afgebakend (en zeker ook meer bescheiden) netwerkbegrip. Ik ga echter niet mee met auteurs als Powell [1990] en Thorelli [1986] die het begrip netwerk willen reserveren voor een nieuw ideaaltype van organisatie dat gekenmerkt wordt door relaties die niet gebaseerd zijn op hiërarchisch gezag en ook niet op markttransacties. En ook niet met auteurs als Forester [1987] die het netwerkbegrip reserveert voor nieuwe organisatievormen die mogelijk gemaakt worden door moderne informatie- en telecommunicatietechnieken.

Kortom: men moet netwerken niet reduceren tot netwerkorganisaties, en men moet netwerkorganisaties niet reduceren tot elektronische netwerken.

Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met het feit dat interacties die vroeger face-to-face verliepen steeds meer door computers worden gemedieerd. Sociale interactie en communicatie kunnen met behulp van de huidige computer- en telecomtechnieken digitaal worden gerepliceerd. Hierdoor zullen de grenzen tussen face-face en computergemedieerde interacties steeds meer vervagen. De ontwikkeling van computergemedieerde netwerken impliceert mijns inziens dat het traditionele sociologisch begrip van (netwerken van) persoonlijke sociale relaties aan een grondige revisie toe is. In Netwerken van de toekomst laat ik zien waarom de klassieke 'co-presence' conditie van van interactionele analyses moet worden verruimd.

Index2. Maatschappelijke, organisationele en interactionele contexten

Het program voor een transformationele economische sociologie is wat betreft de 'inbedding' van economisch handelen veel breder van opzet dan bij Granovetter. Het transformationele model van handelingsanalyse gaat uit van de vooronderstelling dat economisch handelen is ingebed of geïntegreerd in drie contexten:

  1. in netwerken van persoonlijke relaties (interactionele handelingscontext),
  2. in patronen van organisationele relaties (organisationele handelingscontext)
  3. in structuren van meer omvattende maatschappelijke arbeidsverhoudingen (maatschappelijk handelingscontext).
Vanuit een transformationeel perspectief is de (relationele of structurele) inbedding van economisch handelen in netwerken van persoonlijke relaties dus slechts één niveau van handelingsintegratie. Bovendien is het in deze benadering ook niet op voorhand het belangrijkste niveau van economische handelingsintegratie. Ik wil hier laten zien welke theoretische en empirische gevolgen dit heeft voor de economische sociologie en voor een economisch georiënteerde organisatiesociologie.

Ik stel dus voor om drie niveaus te onderscheiden waarop economisch handelen geïntegreerd is: het interactionele, het organisationele en het maatschappelijke niveau.[2]

Figuur 7·1 Niveaus van handelingsintegratie
Niveau van
maatschappij-analyse
Systeemniveau Handelingsniveau
Maatschappelijk
niveau
Omvattend sociaal systeem:
maatschappelijke arbeidsverhoudingen
Maatschappelijk arbeidshandelen
Organisatie-
niveau
Organisaties:
organisationele arbeidsverhoudingen
Organisationeel arbeidshandelen
Interactie-
niveau
Directe sociale interacties:
interactionele arbeidsverhoudingen
Rolhandelen

Index


2·1 Interactionele handelingscontext
Het interactionele niveau is het minst omvattende sociale systeem van alle economische handelingen en communicaties die zich voltrekken in de directe, fysieke aanwezigheid van de actoren. De integratie van het economisch handelen komt tot stand door de posities in interactienetwerken. Deze netwerken worden gekenmerkt door exclusieve onderlinge relaties van de interactiegroep ('insluiting') en door uitsluitende en discriminerende relaties tot niet-leden of buitenstaanders ('uitsluiting').

Het interactionele niveau is het minst omvattende sociale systeem van alle economische handelingen en economisch relevante communicaties die zich voltrekken in directe - fysieke of elektronisch bemiddelde - sociale aanwezigheid van de actoren.[3] De netwerken van selectieve associaties worden zowel gestructureerd door economische arbeidsverhoudingen als door organisationele verhoudingen gestructureerd (gelimiteerd en gefaciliteerd), maar zij worden hierdoor niet volledig vastgelegd, gedetermineerd. Men kan deze niet-deterministische vorm van causaliteit vergelijken met de werking van grammaticale regels. Grammaticale regels stellen grenzen aan de taalhandelingen die wij kunnen verrichten, maar zij determineren niet ons feitelijke spreken. Exclusieve posities in interactienetwerken kunnen daarom niet volledig worden gereduceerd tot ongelijke machtskansen in arbeidsorganisaties of tot structurele economische posities, en zij kunnen dus van daaruit ook niet volledig worden verklaard. De posities in netwerken van sociale relaties worden dus wel door maatschappelijke arbeidsverhoudingen en organisatieposities gestructureerd, maar het zijn als zodanig geen objectieve economische posities of organisatieposities.

Selectieve associaties zijn het resultaat van processen van sociale discriminatie. Dat is een type van asymmetrische macht waardoor de - op democratisch illegitieme wijze - uitgeslotenen worden beroofd van relatiekansen en van de daaraan verbonden materiële en immateriële, sociaal-economische, psychische, culturele, politieke, symbolische en strategische voordelen. De relaties tussen selectieve associaties en uitgeslotenen zijn asymmetrisch en potentieel antagonistisch. Dit betekent niet dat selectieve associaties per definitie in een exploitatieve relatie ten opzichte van uitgeslotenen staan. Discriminatie in persoonlijke interacties kan echter onder bepaalde voorwaarden wel degelijk leiden tot of bijdragen aan uitbuitingsrelaties. Dit is met name waarschijnlijk in netwerken van sociale relaties tussen individuen of groepen die over substantieel ongelijke bronnenpotentiëlen beschikken, d.w.z. in patronageverhoudingen, tussen (bronrijke en machtige) patroons en hun (bronarme en afhankelijke) clientèle. Patronage is een netwerk van sociale relaties tussen individuele of collectieve actoren die over substantieel ongelijke bronnenpotentiëlen beschikken. Patronageverhoudingen zijn als zodanig geen uitbuitingsrelaties, maar "asymmetrische, persoonlijke relaties van loyaliteit tussen twee personen of groepen die tot verschillende sociale categorieën behoren en in verschillende mate toegang hebben tot schaarse hulpbronnen" [Rooduijn 1987:7].[4]

Netwerken van sociale relaties ontstaan niet alleen in primaire interactiegroepen zoals families en lokale gemeenschappen, maar ook in formele organisaties, ruilrelaties en zakelijke transacties. Zij ontstaan dus zowel in als in aansluiting op arbeids- als in consumptieverhoudingen.

De handelingsintegratie komt tot stand middels de institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen. Sociale relaties impliceren altijd een serie relatief duurzame verplichtingen, zoals een verplichting tot respect en piëteit (overwegend traditioneel gemotiveerd), een verplichting tot genegenheid, vriendschap of liefde (overwegend emotioneel gemotiveerd), een verplichting tot trouw (overwegend normatief gemotiveerd), een verplichting tot wederzijdse steun (overwegend strategisch gemotiveerd), of een verplichting tot loyaliteit, collegialiteit en kameraadschap (meestal meervoudig gemotiveerd). De institutionalisering van deze wederzijdse gedragsverwachtingen en het verplichtende karakter dat deze hierdoor krijgen is nooit alleen strategisch gemotiveerd, maar heeft meestal wel strategische intenties en altijd strategische implicaties.[5]

Figuur 7·2 Interactionele handelingscontext
Aard van
interactionele
handelingscontext
Handelingen en communicaties die zich voltrekken in directe, fysieke aanwezigheid van de actoren of in computergemedieerde sociale aanwezigheid.
Integratie komt
tot stand door
Posities in interactienetwerken
Kenmerken van
relationele inbedding
  1. Inbedding in persoonlijke relaties: zowel dyadische of paarsgewijze relaties als samengestelde invloed van álle persoonlijke relaties
  2. Inbedding in netwerken van sociale relaties. Exclusieve onderlinge relaties: ingeslotenen en uitgeslotenen
Kenmerken van
netwerken
Exclusieve onderlinge relaties
Mechanisme Sociale discriminatie: insluiting en uitsluiting (beroving van relatiekansen en van daaraan verbonden voordelen)
Typen
netwerken
  1. Selectieve associaties tussen brongelijken
  2. Patronagerelaties tussen bronongelijken

a. Dyadische relaties
De interactionele inbedding heeft een aantal directe en indirecte effecten op het economisch handelen van individuen. Dyadische of paarsgewijze relaties hebben meestal direct waarneembare effecten op economisch relevante beslissingen van actoren (Granovetter noemt dit de ‘relationele inbedding’). Of een werknemer voor een bepaalde ondernemer, baas of chef wil werken is niet alleen afhankelijk van zuiver economische overwegingen van kosten en baten (beloning, arbeidstijden, arbeidsomstandigheden en dergelijke), maar kan mede worden bepaald door een heel persoonlijk sympathie of voorkeur — ‘het is een aardige man’, ‘ik mag hem wel’ , ‘ik kan hem niet uitstaan’. En omgekeerd: of een ondernemer, manager of chef iemand wil aannemen is evenmin alleen afhankelijk van puur zakelijke overwegingen, zoals geschiktheid voor de betreffende in termen van kennis, kunde en ervaring. Ook hier bij speelt de persoonlijke relatie die zij hebben een belangrijke rol, die mede bepaald wordt door de geschiedenis van hun interacties — ‘ik ken haar nog van dat feestje’, ‘ik ben ben op die vergadering al geschrokken van zijn agressieve manier van optreden’. De manier waarop een arbeider en een baas met elkaar omgaan wordt niet alleen bepaald door de functie die zij vervullen in de technische arbeidsdeling en door de positie die zij innemen binnen de arbeidsorganisatie, maar ook door het soort persoonlijke relatie dat zij hebben. Dit karakter van hun persoonlijke relatie wordt grotendeels bepaald door de geschiedenis van hun interacties (hoelang zij elkaar al kennen, wat zij met elkaar hebben meegemaakt, in welke situaties zij elkaar regelmatig ontmoeten enzovoort).

De neoklassieke economen proberen deze relationele inbedding van economisch handelen gedeeltelijk verklaren door gebruik te maken van 'interdependente utiliteitsfuncties', waarbij de utiliteit van actor B een argument wordt van de utiliteitsfunctie van actor A - het welzijn van de ander wordt onderdeel van je eigen welzijn. Granovetter heeft er terecht op gewezen dat men op deze manier toch geen volledig zicht krijgt op dyadische relaties. Met interdependente utiliteitsfuncties krijgt men immers geen greep op het feit dat ons gedrag ten opzichte van anderen berust op een structuur van wederzijdse gedragsverwachtingen welke een constitutief element van de relatie is geworden.

Verwachte en niet-verwachte utiliteitstheorie

In de sociologische netwerkbenadering van Ronald Burt [1982, 1992] worden actoren eveneens behandeld als rationele, doelgerichte utiliteitsmaximaliseerders. Burt introduceert normen als interdependente utiliteitsfuncties waarin de posities van de actoren in sociale netwerken tot uitdrukking komen. Sociale relaties vormen een beperking van het zuiver individualistische optimaliseren. Varianten van deze benadering vindt men in zowel experimentele studies als in simulatiemodellen [Marsden 1982; Cook e.a. 1983].

Het standaardinstrument van de economische theorie is het model van de verwachte utiliteit ('expected utility theory'). In dit model wordt verondersteld dat de keuze van een individu tussen twee riskante alternatieven gebaseerd is op het verwachte nut van beide. Het verwachte nut van een alternatief is de som van de utiliteiten van de mogelijke uitkomsten, waarbij elk alternatief gewogen wordt naar zijn waarschijnlijkheid. De operaties van vermenigvuldiging en optelling vereisen utiliteiten die gespecificeerd kunnen worden in een positieve lineaire transformatie. Coleman [1990:778] wijst erop dat noch de cardinale utiliteiten die verkregen worden van de Neumann-Morgenstern expected-utility hypothese noch de cardinale belangen verkregen van de Cobb-Douglas utiliteitsfunctie betrekking hebben op sociaal handelen. Zij geven dus geen informatie voor interpersoonlijke nutsvergelijking.

Er zijn zoveel verschijnselen die niet in dit model passen dat er in de loop der tijd een hele serie accessoires in omloop is gebracht die dit model moeten redden. Een van deze asscessoires is de introductie van 'interdependent utility functions', waar de utiliteit van actor B een argument wordt voor de utiliteitsfunctie van actor A (zodat het welzijn van een andere actor een deel wordt van je eigen welzijn).

In het laatste decennium is voor alle van het standaard utiliteitsmodel afwijkende verschijnselen een zgn. 'non-expected utility theory' ontwikkeld. Dat is slechts een verzamelnaam voor een serie rivaliserende theorieën die op een of andere manier rekening proberen te houden met diverse verschijnselen die niet in het model van de verwachte utiliteit passen. Het zijn de reddingsboeien waaraan de overlevenden van de schikbreuk van het utilitaristische model zich vastklampen.


Ons economisch handelen wordt niet alleen beïnvloed door specifieke persoonlijke relaties, maar ook door de samengestelde invloed van álle persoonlijke relaties. Ons economisch handelen wordt mede bepaald en gemodificeerd door het feit dat we traditioneel, emotioneel of normatief aan andere mensen verbonden zijn - we voelen ons verbonden met onze ouders, met onze geliefden en geloofsgenoten, met onze collega's en beroepsgenoten. Een bekend voorbeeld hiervan is dat werknemers voor een bepaalde onderneming blijven werken hoewel zij elders meer kunnen verdienen omdat zij sterk aan bepaalde collega's gehecht zijn, of omdat zij niet op grote afstand van hun geliefden, kinderen of vrienden willen gaan werken. De niet-economische waarde van dergelijke persoonlijke bindingen verklaart gedeeltelijk waarom ondernemers geneigd zijn om mensen aan te nemen die zij al kennen, zelfs wanneer daaraan geen zuivere economische voordelen verbonden zijn [Granovetter 1992:35]..

b. Netwerken van sociale relaties
Ons economisch handelen is echter niet alleen ingebed in specifieke paarsgewijze relaties maar ook in meer omvattende netwerken van relaties. Netwerken van sociale relaties hebben subtielere en minder directe effecten op economisch handelen (Granovetter noemt dit 'structurele inbedding'). Een werknemer kan gemakkelijker een vriendschappelijke relatie onderhouden met zijn baas wanneer deze ook goede relaties heeft met de andere werknemers. Wanneer deze baas echter op gespannen voet staat met de andere collega's wordt dit veel moeilijker, vooral wanneer deze collega's zelf erg vriendschappelijk met elkaar omgaan. Zij kunnen het leven van die ene werknemer die dicht bij de baas staat erg lastig maken en zullen hem waarschijnlijk onder druk zetten om wat meer afstand te nemen van zijn baas. Wanneer de andere werknemers geen coherente groep vormen, kunnen zij maar weinig pressie uitoefenen. De sociale controlemogelijkheden zijn dus afhankelijk van de mate van sociale cohesie van de betreffende referentiegroep. Dit voorbeeld maakt duidelijk dat paarsgewijze contacten onderling met elkaar verbonden zijn, dat hierdoor meer informatie wordt verspreid over wat leden van het paar doen, dat deze informatie over grotere sociale afstanden wordt verspreid, en dat er derhalve meer mogelijkheden zijn om het gedrag van mensen te beïnvloeden. Groepen met een sterke sociale cohesie verspreiden niet alleen betere informatie of grotere sociale afstanden, maar genereren ook normatieve, symbolische en culturele structuren (geïnstitutionaliseerde gedragsverwachtingen) die het handelen van economische actoren beïnvloeden. In dergelijke situaties veronen de netwerken een hoge intensiteit en dichtheid. Dit kan ertoe leiden dat werknemers een zodanige reeks zedelijke, affectieve, strategische of normatieve gedragsregels van de groep absorberen dat een 'warme' relatie met de baas letterlijk ondenkbaar wordt. Hoe de institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen precies in z'n werk gaat zal hieronder nog worden behandeld.

In situaties waarin mensen op rekening houden met het welzijn van anderen kan men met utiliteitsfuncties nog wel uit de voeten. Utiliteitsfuncties zijn echter niet geschikt voor de interpretatie van gedrag dat (onder)deel wordt van een duurzame relatie, en zeker niet voor de analyse van de samengestelde netwerk-effecten. Granovetter geeft hiervoor het volgende argument:

De inbedding in netwerken van persoonlijke relaties beïnvloedt het economisch handelen van individuen ook nog op andere manieren. Interactionele handelingsintegratie heeft belangrijke gevolgen voor de informatie waarover men kan beschikken wanneer er economische beslissingen moeten worden gemaakt. Of werknemers zoek gaan naar een nieuwe baan is niet alleen afhankelijk van hun sociale bindingen, maar ook van de informatie die zij hebben over alternatieve werkgelegenheidskansen. Het specifieke merk zeep, parfum, kleding of auto dat consumenten aanschaffen wordt gedeeltelijk bepaald door de structuur van hun sociale netwerk en door de informatie en voorbeelden (rolmodellen, stijl en smaakpreferenties) die zij via deze netwerken opdoen [Katz/Lazersfeld 1955; Bourdieu 1979; Douglas/Isherwood 1980; Featherstone 1991; Sobel 1982; Benschop 1993]. Of werknemers geloven dat hun lonen 'redelijk' zijn hangt af van hoe zij hun referentiegroep construeren en welke waarderingsmaatstaf zij hanteren. Dit oordeel is niet alleen afhankelijk van hun positie in de technische arbeidsdeling en hun hierdoor bepaalde directe werkrelaties, maar ook van hun positie in niet-economisch bepaalde sociale netwerken die dwars door arbeidsplaatsen heenlopen.


Wat is een redelijke beloning?

Er bestaan geen eenduidige en algemene maatstaven op grond waarvan mensen de redelijkheid van hun eigen inkomens kunnen beoordelen. Loonwaarderingen zijn —net als prestigewaarderingen&mdash altijd subjectieve, aan tijd, plaats en perspectief gebonden hiërarchisch-vergelijkende waarderingen.

  1. Redelijkheidsoordelen zijn tijdgebonden en variëren dus niet alleen met de historische ontwikkelingsfase van een economie en de periode van de economische conjunctuur waarin deze oordelen worden gegeven, maar ook met de leeftijd van de betreffende actoren.

  2. Redelijkheidsoordelen zijn plaatsgebonden en variëren dus met de sociaal-economische ruimte waarin zij worden gegeven. Wat in hoogontwikkelde kapitalistische landen door een straatveger als een 'redelijk loon' gedefinieerd wordt verschilt aanzienlijk van het gemiddelde oordeel van straatvegers in onderontwikkeld gehouden landen van de 'derde wereld'. Wat een secretaresse in Noord-Ierland als een redelijk loon beschouwen zal door haar collega in Nederland al snel als schandelijk onderbetaling worden gedefinieerd. Het 'redelijke loon' dat een bouwvakker uit Amsterdam verdient zal door zijn collega in de Achterhoek als 'hoog' worden gedefinieerd.

  3. Redelijkheidsoordelen zijn niet in de laatste plaats perspectiefgebonden en variëren dus aanzienlijk met de specifieke positie van de betreffende beoordelaar in het geheel van het beloningshiërarchie en met de referentiegroep die deze bij zijn beoordeling construeert.

    Net als bij de rangschikking van beroepen zijn mensen ten eerste geneigd om hun eigen inkomens hoger in te schalen (‘remunerative egoïsm’).

    Ten tweede zijn mensen het meestal meer eens over de uitersten (de superrijken en de superarmen) dan over het midden van de loonschaal ('end-anchoring and upward tuning').
    Ten derde zijn mensen het meestal meer met elkaar eens over de loonschalen die zij kennen ('differential acquaintance').

    Ten vierde zijn mensen geneigd om de inkomensniveaus die het verst van hun afstaan in grotere groepen in te delen ('social distance or clumping'). En ten vijfde worden loonverschillen meestal duidelijker en consistenter gearticuleerd door personen die aan de top van de inkomensschaal staan ('upward bias').[6]


Het geaggregeerde economisch handelen van individuen kan zodanig vormen aannemen dat er meer of minder duurzame en gestabiliseerde instituties ontstaan. Of dit daadwerkelijk gebeurt en welke vormen deze instituties aannemen, wordt in hoge mate gekanaliseerd door de netwerken van sociale relaties waarin economische handelingen zijn ingebed. Een eenvoudig voorbeeld hiervan is de manier waarop een prijsevenwicht tot stand komt. Dit is geen institutionele kwestie in de zin dat prijsevenwichten het gevolg zijn van stabiele normatieve gedragsverwachtingen (behalve in situtaties waarin ideeën over 'rechtvaardige prijzen' belangrijk worden). Een prijsevenwicht ontstaat uit een aggregatie van individuele handelingen [White 1981a; zie eerder hft. I: 2·2].

Volgens de traditionele economische benadering worden markten meer competitief en prijzen meer stabiel wanneer het aantal handelaren toeneemt. Prijsschommelingen kunnen echter sterk toenemen wanneer de omvang van de groep handelaren toeneemt. In zijn empirische studie van aandelenhandel heeft But Baker [1984] hoe dit in z'n werk gaat.[7] Wanneer de omvang van een groep toeneemt, neemt het aantal handelsrelaties dat de gemiddelde handelaar kan onderhouden niet toe. In een grotere groep is het daarom moeilijker een overzicht te hebben over alle transacties: de informatiestroom wordt beperkt door de omvang en door de daaruit voorvloeiende fragmentatie van het handelsnetwerk. Hierdoor wordt de convergentie naar één evenwichtsprijs bemoeilijkt. De onvolledigheid van de informatie is een gevolg van de fundamentele cognitieve beperkingen van menselijke actoren ('beperkte rationaliteit') in combinatie met de noodzakelijk integratie van handel in netwerken van sociale relaties. Granovetter [1992:36] destileert hieruit het algemene principe "dat de fragmentatie van de netwerkstructuur de homogeniteit van het gedrag zal reduceren." Dit principe heeft niet alleen gevolgen voor het ontstaan van normen, maar ook voor de prijsvorming. Het is een louter structureel principe dat zelf niet voorspelt welke prijzen verschillende groepsfragmenten zullen benaderen.

Marktprijzen worden vaak beïnvloed door het feit dat transacties niet in loco-markten plaatsvinden, maar tussen actoren die elkaar al langer kennen.[8] Tribale en boerenmarkten zijn typische 'klantenmarkten' waarin kopers en verkopers duurzame continue relaties onderhouden. Dit leidt tot stabiele prijzen. Kopers en verkopers reageren in dergelijke situaties immers niet op prijsprikkels om met onbekende partners in zee te gaan. De inelasticiteit van de prijzen leidt ertoe dat aanpassingen in kwantiteiten gemaakt moeten worden waardoor de markt niet in evenwicht komt. Okun [1981] heeft laten zien dat dit niet alleen van belang is voor tribale en boerensamenlevingen. Ook in moderne markten vinden de meeste transacties niet op veilingmarkten plaats maar in 'klantenmarkten' met duurzame relaties.

Ik heb er hiervoor al op gewezen dat groepen met een relatief hoge sociale cohesie (interactienetwerken en selectieve associaties) gedragsregels genereren die ons handelen als economische actoren beïnvloeden.[9] Daarmee is in principe al een antwoord gegeven op de algemene vraag hoe economische instituties ontstaan. Zij ontstaan als gevolg van de institutionalisering van wederzijdse gedragsverwachtingen.[10] Economische instituties zoals goederen-, geld- en arbeidsmarkten, prijsevenwichten, beroepen bestaan alleen voorzover de verwachtingen van een actor gebaseerd kunnen worden op de veronderstelde gedragsverwachtingen van andere interactiedeelnemers. Wanneer ik een brood wil kopen dan veronderstel ik dat de bakker mij een vers brood zal geven wannneer ik daarom vraag, zoals de bakker op zijn beurt veronderstelt dat ik netjes zal betalen als ik om een brood vraag. Ik veronderstel dus dat de bakker als verkoper aan zijn verplichting zal voldoen, zoals de bakker ervan uitgaat dat ik als koper aan mijn verplichting zal voldoen. Het loco-contract tussen mij en de bakker is dus gebaseerd op wederzijdse gedragsverwachtingen en reciproke verplichtingen (resp. verwachtingen dat de ander zijn verplichtingen zal nakomen). Hierdoor wordt de transactie mogelijk, die samen met alle andere soortgelijke transacties leiden tot een broodmarkt met bepaalde evenwichtsprijzen. Wanneer een werkneemster haar arbeidskracht voor een bepaalde tijdsperiode aan een ondernemer wil verhuren, dan veronderstelt zij dat deze werknemer bereid is om aan zijn verplichtingen als werkgever te voldoen, zoals deze veronderstelt dat haar arbeidsverplichtingen als werkneemster zal nakomen. Door de relatieve stabiliteit en duurzaamheid van deze wederzijdse verwachtingspatronen kan uiteindelijk een geïnstitutionaliseerde arbeidskrachtenmarkt ontstaan.

Deze voorbeelden maken al duidelijk dat het geïnstitutionaliseerde karakter van deze sociale ruilrelaties niet zonder meer berust op een consensus onder de interactiedeelnemers. Ook geïnstitutionaliseerde netwerken van persoonlijke relaties leiden niet tot een grote, laat staan onbeperkte mate van consensus. De functie van institutionalisering is juist dat de concensus geconcentreerd wordt op maatschappelijk belangrijke betekenissen en doelen en dat zij geanticipeerd wordt in 'het verwachten van verwachtingen'. De consensus fungeert dus primair 'krachtens een veronderstelling'. Daarom hoeft deze binnen een interactiegemeenschap normaliter helemaal niet meer concreet ter discussie te worden gesteld [Luhmann 1972:65-8].

Index


2·2 Organisationele handelingscontext
Op het middenniveau van handelingsintegratie wordt economisch handelen gespecificeerd in termen van structurele posities in arbeidsorganisaties of economische instellingen. Arbeidsorganisaties worden gekenmerkt door een ongelijke verdeling van beslissingscompetenties waardoor een duurzaam en geïnstitutionaliseerd gezag over ondergeschikte organisatieleden mogelijk is. Op dit tussenniveau van handelingsintegratie is het economisch handelen feitelijk en communicatief op elkaar betrokken via de geformaliseerde regels welke voortvloeien uit het (al dan niet vrijwillige) lidmaatschap van een arbeidsorganisatie of van een economische instelling. De grenzen van deze handelingen en communicaties worden bepaald door de aard en de specifieke eigenschappen van het lidmaatschap.[11] De kansen voor illegitiem gezag en onderdrukking in geformaliseerde arbeidsorganisaties worden voorgestructureerd door de - daaraan logisch (en dus niet chronologisch) gezien voorafgaande - posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen, maar kunnen hiertoe niet worden gereduceerd en kunnen dus van daaruit ook niet volledig worden afgeleid.

Figuur 7·3 Organisationele handelingscontext
Aard van
organisationele
handelingscontext
Feitelijk en communicatief op elkaar betrokken handelingen via geformaliseerde regels die voortvloeien uit lidmaatschap van arbeidsorganisatie.
Integratie door Formele posities in arbeidsorganisaties
Kenmerken
van organisaties
Ongelijke verdeling van beslissingscompetenties: duurzaam en geïnstitutionaliseerd gezag over ondergeschikte organisatieleden
Mechanisme Gezagsuitoefening en onderdrukking
Typen
organisaties
Hecht/los, centraal/decentraal, autoritair/democratisch enz.

Formele organisaties zijn sociale systemen die gekenmerkt worden door (a) het gedwongen of vrijwillig lidmaatschap; (b) de regeling van toelatingsbeperkingen en opnamevoorwaarden; (c) de op doelrealisatie gerichte programma's; (d) een interne beslissingsstructuur: hiërarchische competentieverdeling en statuten; (e) de verschillende graden van interne arbeidsdeling en functionele differentiatie. Een economische arbeidsorganisatie is een rationeel gearticuleerde structuur binnen een niet formeel gerationaliseerde context van maatschappelijke arbeidsverhoudingen. Voor een samenvattende typering van economische organisaties kan gebruik worden gemaakt van de algemene organisatiedefinitie van Lammers [1987:29]. Economische organisaties zijn samenlevingsverbanden (systemen of collectiviteiten), (i) die op het organisationele niveau van economisch handelen zijn geïntegreerd of worden gecoördineerd, (ii) zij zijn bewust geconstrueerd en worden min of meer regelmatig gereconstrueerd (sociale constructie); (iii) met het oog op processen van functionalisatie, coördinatie en finalisatie (doelspecificiteit of gecoördineerde doelgerichtheid); (iv) waaraan een formeel vastgelegd en qua intentie rationeel ontwerp ten grondslag ligt (hiërarchisch karakter); (v) waardoor bijna altijd een differentiatie tussen superieuren en ondergeschikten optreedt (machts- en afhankelijkheidsverhoudingen; sociale machtsverhoudingen).

Actoren die een gezagspositie in arbeidsorganisaties innemen kunnen heerschappij over daaraan ondergeschikte organisatieleden uitoefenen. Gezag of heerschappij wordt hierbij opgevat als een meer of minder scherp afgebakende verhouding van bevel en gehoorzaamheid. Gezagsposities zijn het resultaat van geformaliseerde verdelingen van beslissingscompetenties. Gezag impliceert altijd dominantie- en afhankelijkheidsverhoudingen, maar niet noodzakelijk ook onderdrukking. Onderdrukking is een specifieke vorm van gezag: het is democratisch illegitiem gezag dat het resultaat is van het dreigen met of het toepassen van fysiek geweld.[12] Van onderdrukking is sprake zodra de basisprincipes van democratische beslissingsprocessen (vrijheid, gelijkheid, mondigheid en participatie) feitelijk, conventioneel of juridisch worden geschonden. Eliteposities worden hier gedefinieerd als gezagsposities die tevens onderdrukkingsposities zijn [Bader/Benschop 1988:233-4].

Door de toenemende betekenis van geformaliseerde organisatieposities en -structuren hebben de handelingen en communicaties in arbeidsorganisaties zich tot op bepaalde hoogte kunnen losmaken van de daaraan ten grondslag liggende (en dus structureel veronderstelde) maatschappelijke arbeidsverhoudingen en economische basisstructuren. De functionele differentiatie en relatieve scheiding tussen 'eigendom' en 'beheer' is hiervan niet alleen het meest kenmerkende, maar ook het meest besproken voorbeeld. In hoofdstuk VI: 4 wordt dit uitvoeriger behandeld.[13]

Index


2·3 Maatschappelijke handelingscontext
Op het hoogste niveau van handelingsintegratie wordt economisch handelen gespecificeerd in termen van structurele posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen, die gekenmerkt worden door een ongelijke beschikkingsmacht over directe maatschappelijke bronnen, waardoor een duurzame en geïnstitutionaliseerde toeëigening van meerarbeid mogelijk is. Het maatschappelijke karakter van arbeidsverhoudingen is afhankelijk van drie factoren: de verdeling van beschikkingsmacht over directe bronnen, het dominante of overheersende doel van de arbeid, en de hierdoor gestructureerde sociale afhankelijkheidsrelaties in arbeidsarbeidsverhoudingen, speciaal in het directe produktieproces.[14]
  1. Maatschappelijke arbeidsverhoudingen worden primair bepaald door de feitelijke verdeling van beschikkingsmacht over directe bronnen.[15] De cruciale vraag is daarbij: wie oefent effectieve beschikkingsmacht uit over welke bronnen? Specifieker: beschikken de directe producenten over de materiële bronnen, hun eigen arbeidskracht en/of over hun eigen arbeidsorganisatie, en in welke mate doen zij dat? Arbeidsverhoudingen waarin producenten waarin de producenten geen effectieve controle over een van deze directe bronnen kunnen uitoefenen zijn potentieel antagonistisch en bieden de mogelijkheid om meerarbeid toe te eigenen (het zijn derhalve exploitatieve klassenverhoudingen). Arbeidsverhoudingen waarin de producenten in vormen van effectieve democratie over deze bronnen kunnen beschikken zijn potentieel solidaire arbeidsverhoudingen en bieden in principe geen mogelijkheid om op deze basis meerarbeid toe te eigenen [vgl. Benschop [1993:145].

  2. Maatschappelijke arbeidsverhoudingen worden mede bepaald door het dominante of overheersende doel van de arbeid. De cruciale vraag is daarbij: is het dominante doel produktie voor gebruikswaarde, voor ruilwaarde, voor maximale ruilwaarde of voor kapitaal accumulatie? Hiervan afhankelijk kan men een onderscheid maken tussen kapitalistische loonarbeid, niet-kapitalistische loonarbeid, eenvoudige warenproduktie, huishoudelijke arbeid, subsistentie-arbeid, vrijwilligerswerk, vrijwillige of dwangarbeid voor de staat enzovoort.

  3. Tenslotte worden arbeidsverhoudingen mede gekenmerkt door de sociale afhankelijkheidsrelaties die in het directe produktieproces bestaan. De specifieke aard van de sociale afhankelijkheidsverhoudingen wordt in sterke mate bepaald door de feitelijke verdeling van beschikkingsmacht over directe bronnen en door het dominante doel van de arbeid. De cruciale vraag is hierbij: staan de directe producenten in persoonlijke of zakelijke afhankelijkheidsverhoudingen ten opzichte van niet-werkende, toezichthoudende of exploiterende actoren, of werken zij onder eigen regie en autonoom?
    • Persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen ontstaan in situaties waarin de werkenden niet of niet volledig over de eigen persoon beschikken en veelal ook niet over de eigen arbeidskracht; soms beschikken zij nog wel over eigen materiële bronnen en zijn hiervan vaak ook de rechtmatige eigenaars. Meerarbeid wordt daarbij hoofdzakelijk toegeëigend door een of andere vorm van buiten-economische dwang. Persoonlijke (patriarchale of patrimoniale) afhankelijkheidsrelaties zijn weliswaar kenmerkend voor voor-burgerlijke economische formaties, maar leiden binnen de marges van een overwegend kapitalistische verhoudingen nog een hardnekkig bestaan. In het vroeg-kapitalisme speelden persoonlijke afhankelijkheidsrelaties nog een zeer belangrijke rol. Aanvankelijk werden de relaties tussen ondernemers en arbeiders gekenmerkt door een quasi-familiaal paternalisme, dat was opgebouwd naar het model van de meester-ambachtsman en zijn leerlingen [Bendix 1956:57]. De nieuwe generatie ondernemers zag hun werknemers niet als personen die familiair waren (hoewel sociaal inferieur), maar als 'produktiefactoren' waarvan de kosten berekend konden worden.
    • Kenmerkend voor de kapitalistische arbeidsverhoudingen is een specifieke vorm van persoonlijke onafhankelijkheid op basis van zakelijke afhankelijkheid: het zijn verzakelijkte (door geldrelaties gemedieerde) en gebureaucratiseerde (door formele beslissingsregels gemedieerde) afhankelijkheidsverhoudingen. De werkenden zijn bevrijd van persoonlijke afhankelijkheidsrelaties en beschikken formeel en feitelijk over hun eigen persoon en arbeidskracht, maar niet over de benodigde materiële arbeidsvoorwaarden. Om in hun levensonderhoud te voorzien zijn zij gedwongen (het gebruiksrecht over) hun arbeidskracht te verhuren aan de feitelijke of juridische eigenaar van die materiële arbeidsvoorwaarden. In de ruilrelaties die zij daarvoor in distributieprocessen aangaan treden zij op als formeel vrije en gelijke individuen. In de directe arbeidsprocessen zelf fungeren zij echter als afhankelijke en ongelijke individuen: zij treden in ondergeschikte posities van gezagsrelaties, met een meer of minder despotische, autoritaire dan wel welwillende of 'zachte' heerschappij. Zij bezetten ondergeschikte posities in de formele beslissingshiërarchie en moeten opdrachten uitvoeren en instructies van superieuren opvolgen. Zij kunnen niet of slechts marginaal meebeslissen over de structuur en het beleid van de arbeidsorganisatie (democratisch illegitiem gezag)en zij worden gedwongen meerarbeid voor anderen te leveren (exploitatie).
    • Van vrije of democratische afhankelijkheidsrelaties kan slechts sprake zijn in economische systemen waarin de werkenden niet alleen formeel en feitelijk beschikken over eigen persoon en arbeidskracht, maar ook (formeel collectief en in vormen van effectieve democratie) beschikken over de materiële bronnen en de eigen arbeidsorganisatie. Dit type afhankelijkheidsverhoudingen is kenmerkend voor nog niet of slechts kleinschalig gerealiseerde solidaire of communautaire arbeidsverhoudingen. Kenmerkend voor de - nu grotendeels tot het verleden behorende - vormen van etatistisch socialisme was dat werkenden weliswaar formeel collectief beschikten over alle relevante bronnen, maar geen effectieve democratische controle hadden over de eigen arbeidsorganisatie en ook niet over de staat (als beheerder van het 'volkseigendom').

Figuur 7·4 Maatschappelijke handelingscontext
Aard van
maatschappelijke
handelingscontext
Alle feitelijk en communicatief op elkaar betrokken handelingen en handelingssystemen voorzover zij interactiesystemen en organisaties overstijgen; bijv. het kapitalistisch economisch systeem, de arbeidsmarkt.
Integratie door: Posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen
Kenmerken
van arbeid-
verhoudingen
  1. Ongelijke beschikkingsmacht over directe maatschappelijke bronnen
  2. Dominante doel van de arbeid
  3. Sociale afhankelijkheidsrelaties in arbeidsverhoudingen
Mechanisme: Exploitatie: Duurzame en geïnstitutionaliseerde toeëigening van meerarbeid
Typen arbeids-
verhoudingen
Antagonistische (exploitatieve) en niet-antagonistische (solidaire) arbeidsverhoudingen

Maatschappelijke arbeidsverhoudingen zijn het meest omvattende sociale systeem van economische handelingen en handelingscontexten die feitelijk en communicatief op elkaar betrokken zijn. Het is een handelingssysteem waarin elke actor een potentiële partner is voor transacties met elke andere actor. Het is sociale structuur waarin de relaties tussen actoren slechts gefaciliteerd en gelimiteerd wordt door de bronnen waarover elke actor beschikt en zijn (hierdoor bepaalde) individuele en collectieve belangen.

De economische posities die door de maatschappelijke arbeidsverhoudingen worden gestructureerd kunnen niet tot ongelijke organisatie- en interactiekansen worden gereduceerd en kunnen van daaruit ook niet worden verklaard. Gezagsposities en interactieposities worden door economische posities gestructureerd en niet omgekeerd.

Economisch handelen en de hierdoor geconstitueerde economische relaties kunnen dus op verschillende niveaus van handelingsintegratie worden geanalyseerd. Zowel voor de precisering van het begrip economisch handelen als voor het ontwerpen van empirische onderzoeksstrategieën is het mijns inziens vruchtbaar om vast te houden aan het algemene inzicht dat er een analytisch onderscheid gemaakt kan worden tussen maatschappelijke, organisationele en interactionele niveaus van economische handelingsintegratie.

Index3. Theoriestrategische voordelen

Wat zijn de mogelijkheden van een dergelijke differentiatie van niveaus van handelingsintegratie voor de economische sociologie en welke problemen brengt dit met zich mee? Ik zal eerst een aantal voordelen van deze benadering aangeven.

  1. Het eerste voordeel is dat deze benadering weerstand biedt tegen de verlokkingen van het reductionisme doordat het de eigensoortigheid van de afzonderlijke niveaus van handelingsintegratie benadrukt. Economische systemen, organisaties en interactiesystemen hebben elk hun eigen structuren en dynamieken die niet tot elkaar gereduceerd kunnen worden. Dit impliceert ook het besef dat 'de economische verhoudingen' of 'het economisch handelen' niet in één klap geanalyseerd kunnen worden en dat men stapsgewijs te werk moet gaan. Met behulp van het hier uitgewerkte heuristische model kunnen deze stappen tamelijk nauwkeurig worden afgebakend en gepland.
    Als we hier eenmaal zijn aangeland, krijgen we vanzelf de 'achterkant van het gelijk' te zien: het thema is of er een diversiteit van motiviaties is, of dat mensen alleen door eigenbelang worden gemotiveerd.

  2. Het tweede voordeel is dat deze benadering weerstand biedt tegen de verlokkingen van gespierde generalisaties doordat zij een helder zicht biedt op de mogelijkheden en het nut van deeltheorieën. Uitgaande van het analytische onderscheid tussen de drie systemen van handelingsintegratie wordt het mogelijk om op elk niveau deeltheorieën te ontwikkelen die niet gebukt gaan onder de last van voorbarig generaliserende pretenties. Het wordt mogelijk om een algemene economische sociologie te ontwerpen die haar pretentie van algemeenheid beperkt door zich te concentreren op het maatschappelijke niveau van economische handelingsintegratie, dat wil zeggen op de structuren en processen van economische basisverhoudingen en instituties. Daarnaast wordt het mogelijk een - economisch geïnspireerde - organisatiesociologie te ontwerpen die zich concentreert op het organisationele niveau van economische handelingsintegratie, maar daarbij ook rekening houdt met inzichten uit de algemene economische sociologie. Bovendien wordt het mogelijk om een hierop aansluitende, maar toch geheel eigensoortige netwerksociologie te ontwerpen waarin men zich concentreert op het interactionele niveau van economische handelingsintegratie. Deze deeltheorieën kunnen elkaar op raakvlakken tegenspreken, maar hoeven elkaar als zodanig niet uit te sluiten: zij staan niet op voorhand in een rivaliteitsrelatie omdat zij elk een eigensoortige problematiek bewerken.

  3. Het derde voordeel van deze benadering is dat zij de mogelijkheden biedt om de onderlinge samenhang tussen de niveaus van economische handelingsintegratie te thematiseren. De drie niveaus van handelingsintegratie staan empirisch gezien natuurlijk niet onafhankelijk naast elkaar, maar grijpen direct op elkaar en zijn onderling nauw met elkaar verweven. Vanuit het transformationele heuristisch model kan het probleem van hun onderlinge verband en hun wederzijdse structurering nauwkeuriger worden behandeld. De cruciale vraag is daarbij of er een bepaalde gewichtsverhouding tussen de niveaus van handelingsstructurering bestaat waardoor men kan zeggen dat er één 'primair' niveau van handelingsintegratie bestaat. Met andere woorden: in hoeverre is er sprake van een - al dan niet historisch variabel - primaat van één van de niveaus van economische handelingsintegratie? Het is moeilijk om op deze vraag een eenduidig of definitief antwoord te geven - het is een nog grotendeels onopgelost inhoudelijk probleem (zie onder). Desalniettemin lijkt het methodisch gezien verantwoord en vruchtbaar wanneer we ervan uitgaan dat het hogere systeem- en integratieniveau het lagere structureert en niet zozeer omgekeerd. Hierbij spelen drie overwegingen een rol.

    1. Limitatie van handelingsmogelijkheden
      Het hogere integratieniveau structureert het lagere doordat het de handelingsmogelijkheden en -vrijheden op dit lagere niveau limiteert; het limiteert dus de reeks opties die op dit lagere niveau beschikbaar zijn.[16] Structurele limitatie is een wijze van structurering waarbij een hoger niveau van handelingsintegratie de grenzen vastlegt waarbinnen structuren en processen op lagere niveaus van handelingsintegratie kunnen variëren, en tegelijkertijd bínnen deze grenzen de kans (structurele waarschijnlijkheid) bepaalt dat specifieke structuren of processen zich daadwerkelijk op dit lagere niveau voordoen.[17] Door de specifieke structuren en processen op het maatschappelijke niveau van economische handelingsintegratie worden bijvoorbeeld bepaalde mogelijkheden voor de organisationele verhoudingen (als gestructureerde structuur) volledig uitgesloten en zijn bepaalde mogelijke organisatiestructuren en -processen waarschijnlijker dan andere.[18] In de transformationele benadering van arbeidsorganisaties wordt de maatschappelijke handelingscontext niet verdund tot een 'externe omgeving'.[19]
    2. Transformatieve activiteiten
      De stelling is dus per sé niet dat economische structuren en instituties de organisatiestructuren volledig vastleggen of dat organisatiestructuren volledig bepalend zouden zijn voor directe interactiesystemen en netwerkpatronen. Integendeel: op het lagere integratieniveau zijn actoren altijd in staat om 'anders te handelen', zij hebben altijd transformatieve mogelijkheden. Actoren zijn dus altijd in staat om hun interactionele handelingsmogelijkheden en -vrijheden zodanig te benutten dat zij de door de formele organisatie gestelde handelingslimieten verschuiven of doorbreken (en daarmee de organisatiestructuur zelf veranderen). Actoren zijn bovendien ook in staat om hun organisationele handelingsmogelijkheden en -vrijheden zodanig te benutten dat zij de 'externe', door de economische structuren en instituties gestelde handelingslimieten verschuiven of doorbreken (en daarmee de economische structuren en processen zelf veranderen). Op de wijze kan rekening worden gehouden met de speelruimtes voor en de eigensoortige dynamiek van organisationele en interactionele structureringen.
    3. Geneste hiërarchieën
      Er bestaat dus een zeer complexe relatie tussen de niveaus van economische handelingsintegratie. De maatschappelijke, organisationele en interactionele handelingscontexten vormen een geneste hiërarchie waarbij het hogere niveau de aanwezigheid van het lagere niveau veronderstelt en waarbij de structurering van het gehele handelingscomplex wordt weerspiegeld in zijn onderdelen.
      Dit betekent niet dat de specifieke structuren en processen van het hogere integratieniveau zich op een lager niveau eenvoudig herhalen, zodat er op de verschillende integratieniveaus identieke patronen ontstaan. Ook in dit opzicht kan men de maatschappij niet vergelijken met een sneeuwklokje, varen of bloemkool, waarin een bepaald organisatiepatroon zich telkens binnen dezelfde structuur herhaalt [Abbott 1990]. De samenhang tussen de niveaus van economische handelingsintegratie volgt dus niet de principes van 'zelfgelijkvormigheid' zoals deze in door de Mandelbrot-verzamelingen (fractals) worden gedemonstreerd [Lauwerier 1990].
      Toch kunnen we gebruik maken van een aantal inzichten uit de algemene theorie van de 'vormvelden' zoals deze in aansluiting op Einstein's relativiteitstheorie door Rupert Sheldrake is geformuleerd. In Einstein's relativiteitstheorie wordt een veld gedefinieerd als een bepaalde toestand waarin de ruimte zich bevind. Een veld bepaalt de kans dat op een specifiek punt in de ruimte een energiedeeltje (quantum) zal worden aangetroffen. Vormvelden zijn dus intrinsiek probabilistisch: het zijn geen scherp van elkaar afgebakende velden, maar waarschijnlijkheidsstructuren. In Sheldrake's natuurkundige theorie van de vormvelden wordt deze gedachte verder uitgewerkt [Sheldrake 1988:113 e.v.]. Hij veronderstelt dat een bepaalde organisatie van de materie ontstaat via een veld dat de materie vormt. Dit heeft twee implicaties:
      • Elke specifieke organisatie van de materie correspondeert met een bepaald veld. Dit geldt voor macro-organisaties zoals de structuur van het heelal én voor micro-organisaties op het atomaire niveau. De vormvelden zijn niet-materiële beïnvloedingssferen: het zijn media van 'actie op afstand' [idem:78,97,100].
      • Als de materie zich organiseert op een hoger en complexer niveau, kan de ordening van het geheel vaak worden teruggevonden in zijn onderdelen. Veel vormvelden worden dus gekenmerkt door het principe van de geneste hiërarchieën [idem: 95, 108]. Dit is verwant aan maar niet identiek met de fractale principes van zelfgelijkvormigheid. Een fractal is immers een meetkundige figuur waarin een hoge mate van gelijkvormigheid kan worden aangetroffen, dat wil zeggen dat een willekeurig klein deel van de fractal alle elementen van het geheel bevat.
      Terug naar ons onderwerp. De structuren ('velden') van economisch handelen zijn op elk niveau van handelingsintegratie probabilistisch van aard. De hogere niveaus van handelingsintegratie werken zodanig in op lagere niveaus dat hierdoor hun waarschijnlijkheidsstructuren worden gemodificeerd. Men kan zich dit voorstellen als een beperking van hun 'ongedetermineerdheid' of als een inperking van hun 'vrijheidsgraden': van de vele mogelijke patronen van gebeurtenissen die zouden kunnen plaatsvinden, worden er sommige nu veel waarschijnlijker als vanwege de door het hogere integratieniveau opgelegde ordening. Het telkens hogere niveau van handelingsintegratie modificeert dus de onbepaaldheid dat de lagere integratieniveaus zouden vertonen wanneer zij geïsoleerd zouden bestaan. De transformationele benadering laveert tussen de Scylla van het structureel-determinisme (waarin op de lagere integratieniveaus geen handelingsspeelruimtes meer overblijven) en de Charibdis van het handelingsvolutarisme (waarin wordt voorbijgegaan aan de structurele begrenzing van handelingsmogelijkheden op lagere inegratieniveaus). Er is dus wel degelijk een begaanbare weg tussen het 'alles is gedetermineerd' en het 'alles is mogelijk'.

Voordat ik inga op de problemen die aan deze benadering verbonden zijn, wil ik de voorgaande abstracte uiteenzetting iets concretiseren.

Index4. Bij wijze van voorbeeld

a. Maatschappelijke en organisationele arbeidsverhoudingen
De ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over materiële bronnen in de maatschappelijke arbeidsverhoudingen stelt structurele grenzen aan de posities die in arbeidsorganisaties kunnen worden ingenomen. Degenen die op maatschappelijk niveau effectief beschikken over materiële arbeidsvoorwaarden hebben op het niveau van arbeidsorganisatie structureel de mogelijkheid om de ondernemerspositie te bezetten en daarmee de uiteindelijke beslissingsmacht in de betreffende organisatie uit te oefenen, of deze aan anderen te delegeren. Voor degenen die van deze beschikkingsmacht zijn verstoken, is het structureel uitgesloten dat zij de ondernemerspositie innemen; loonafhankelijken kunnen als zodanig slechts gedelegeerde - operationele - ondernemersfuncties uitoefenen. Het is structureel waarschijnlijker dat zij de positie van afhankelijke loonarbeider zullen innemen, dat wil zeggen dat zij in de formele beslissingshiërarchie een ondergeschikte positie vervullen en niet democratisch kunnen meebeslissen over de structuur en doelstellingen van hun arbeidsorganisatie. Deze limitering van organisationele patronen legt echter de handelingsmogelijkheden en -vrijheden binnen de arbeidsorganisatie niet volledig vast.[20] Ondernemers kunnen hun positie in de arbeidsorganisatie door anderen laten bezetten of zij kunnen hun formele bevoegdheden aan anderen delegeren. Zij kunnen zelfs hun werknemers laten participeren in operationele beslissingen. Werknemers kunnen de speelruimte voor organisationele variatie benutten om feitelijke machts- en tegenmachtsposities op te bouwen en meer of minder vergaande zeggenschaps- en controlerechten af te dwingen.

b. Organisationele en interactionele arbeidsverhoudingen
De organisationele verdeling van beslissingscompetenties stelt op haar beurt grenzen aan de mogelijke en waarschijnlijke sociale relaties die binnen deze organisatie kunnen worden aangeknoopt. Het ontstaan van afdelings-, bedrijfs- beroeps- of klassespecifieke netwerken van sociale relaties binnen arbeidsorganisaties wordt vooral beïnvloed door de rigiditeit of flexibiliteit van de gezagsverhoudingen, de vrijheid van communicatie en informatie binnen en tussen arbeidscollectieven, en van de bewegingsvrijheid op de werkplek. Ook deze limitatie van collegiale interacties is echter geen deterministische aangelegenheid. Zelfs de meest rigide structuur van een arbeidsorganisatie laat altijd speelruimtes open voor collegiale contacten die 'anders', dat wil zeggen tégen deze organisatiestructuur gebruikt kunnen worden. In een analyse van de sociogenese van klassegebonden lichaamstalen heb ik laten zien hoe deze speelruimtes juist in extreem restrictieve arbeidssituaties benut worden [Benschop 1993:362-71]. De netwerken van sociale contacten kunnen dienen als grondslag of uitvalsbasis voor transformatieve activiteiten die de organisationele limieten en daarmee de organisatiestructuur zelf veranderen. In het verlengde hiervan en op analoge wijze kunnen transformatieve activiteiten op het niveau van de arbeidsorganisatie er uiteindelijk toe leiden dat de parameters van het maatschappelijke integratieniveau worden gewijzigd, dat wil zeggen dat de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over materiële bronnen wordt hervormd of omgewenteld. Niet alleen het maatschappelijke niveau van handelingsintegratie, maar ook de organisationele en interactionele niveaus kunnen dus worden gethematiseerd vanuit het dubbele perspectief van reproduktie en transformatie. Of anders gezegd: transformatieve én reproduktieve activiteiten worden gelijktijdig op maatschappelijk, organisationeel en interactioneel niveau geïntegreerd.

c. Tegenstrijdigheden
Het niet-deterministische karakter van de structurering van lagere door hogere niveaus van handelingsintegratie impliceert dat de structureel mogelijke en waarschijnlijke figuraties op het lagere integratieniveau niet per sé functioneel hoeven te zijn voor de structuur van het bepalende hogere integratieniveau: "…the range of structurally limited possibilities and the range of functional possibilities do not necessarily coincide" [Wright 1978:16]. Het is heel goed denkbaar (en niet louter denkbeeldig zoals de geschiedenis van arbeidsverhoudingen en arbeidersbeweging heeft laten zien) dat er netwerken van sociale relaties tussen werknemers ontstaan die niet functioneel of reproduktief zijn voor de structuur van de arbeidsorganisatie. Het is eveneens mogelijk dat er typen arbeidsorganisaties ontstaan die de dominante structuur van maatschappelijke arbeids- en klassenverhoudingen juist niet reproduceren. Er kunnen dus structurele contradicties ontstaan tussen maatschappelijke arbeidsverhoudingen en organisatievormen. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, zal er ofwel een transformatie van de arbeidsverhoudingen optreden, of zullen de structuren van de arbeidsorganisatie zodanig worden veranderd dat zij weer reproduktief zijn voor de arbeids- en klassenverhoudingen. Dit is ook het geval wanneer het gaat om structurele contradicties tussen de formele arbeidsorganisatie en de interactionele netwerken: de arbeidsorganisatie zal op den duur zodanig veranderd moeten worden dat zij weer 'past' bij de krachtsverhoudingen die op interactioneel niveau zijn ontwikkeld, of de interactionele netwerken moeten zodanig worden veranderd (afgebroken, afgezwakt, afgeleid) dat zij de reproduktie van de structuren van de arbeidsorganisatie niet meer in gevaar brengen.

Index5. Onopgeloste problemen

Het transformationele model van handelingsstructurering biedt geen pasklare antwoorden voor alle mogelijke problemen die in de economische en organisatiesociologie behandelt kunnen worden. Een van de lastigste vragen is die naar de relatieve verhouding tussen de maatschappelijke, organisationele en interactionele niveaus. Daarbij komen een aantal problemen naar voren die met name in het empirische onderzoek moeten worden opgelost.

  1. Mate van feitelijke differentiatie
    Economisch handelen en verhoudingen zijn zowel maatschappelijk, organisationeel als interactioneel geïntegreerd en dienen dus op elk van deze niveaus geanalyseerd te worden. Hoever deze niveaus van handelingsintegratie ook feitelijk zijn gedifferentieerd is een historisch variabel gegeven en kan dus niet op voorhand worden vastgesteld. Als men veronderstelt dat de betekenis van formele organisaties in de arbeidsverhoudingen toeneemt, dan zou ook structurerende kracht van organisatieposities groter kunnen worden. Deze vooronderstelling is niet nieuw noch erg gewaagd. In huidige kapitalistische formaties vinden de meeste economische transacties immers in of tussen organisaties plaats en wordt het grootste kapitaalvolume gecontroleerd door een zeer klein aantal erg grote ondernemingen. Daaruit zou men kunnen concluderen dat het economisch handelen zich veeleer in organisaties dan op markten voltrekt. Als men bovendien veronderstelt dat de persoonlijke omgangsvormen en leefstijlen sterker geïndividualiseerd zijn, dan kan men verwachten dat ook relatief homogene economische posities grotere rolcombinaties en -variaties in het individu toelaten dan de relatief gesloten standen van de oudere maatschappelijke ordening [vgl. Luhmann 1985:131,133,141 e.v., Beck 1983, Featherstone 1991].

    Met dergelijke overwegingen zal met name sterk rekening gehouden moeten worden wanneer men vergelijkingen wil maken tussen processen van belangenorganisatie in verschillende nationale contexten. Het is bijvoorbeeld bekend dat de politiek-culturele formatie van de arbeidersklasse tot zeer uiteenlopende uitkomsten heeft geleid en dat dit sterk samenhangt met

    1. de specifieke aard van de staatsorganisaties: gecentraliseerde en geünificeerde 'sterke' staten versus gedecentraliseerde, gefragmenteerde of 'zwakke' staten.
    2. de aard van de communale gemeenschappen: gehomogeniseerde en collectivistische 'sterke' versus verspreide, geïndividualiseerde of 'zwakke' lokale klassegemeenschappen; mogelijkheden van politieke mobilisatie van buurtgemeenschappen.
    De specifieke aard van de staatsorganisaties is mede bepalend voor de mate waarin en de wijze waarop de nationale arbeidersbewegingen konden penetreren in (of zich laten pacificeren door) de burgerlijke rechtsstaat en de representatieve partijendemocratie. De specifieke aard van de lokale netwerken van klassespecifieke relaties is mede bepalend voor de mate waarin en de wijze waarop de traditionele parochialisering van de arbeidersbeweging wordt overwonnen [zie voor een comparatieve sociaal-historische benadering van deze kwesties: Katznelson 1981; 1985; 1986:34 e.v.].

    Een ander voorbeeld is het - inmiddels ook bij economen doorgedrongen - besef dat het institutionele milieu waarin ondernemingen opereren een van de belangrijkste reden is voor de verschillen in produktiviteit tussen Europese, Japanse en Amerikaanse ondernemingen.[21] Door de specifieke combinatie van de oude traditie van ondernemingen onder beheer van uitgebreide families (de Zaibutsu) met ruime overheidssteun zijn uiterst sterke economische corporaties ontstaan. Vier institutionele kenmerken staan hierbij centraal.

    1. Er bestaan sterke informele associaties tussen ondernemingen die zowel de samenwerking als de competitie hebben gestimuleerd.
    2. De leden van de industriële groepen zijn gelieerd aan grote banken die zowel de eigen groep financieren als joint ventures voor nieuwe produkten.
    3. Grote ondernemingen hebben hun leveranciers in losse groepen georganiseerd.
    4. Het ministerie van internationale handel en industrie (MITI) moedigt coöperatieve initiatieven tussen Japanse firma's aan, met name wat betreft het ontwikkelen en implementeren van technologie voor exportgoederen.
    Door deze institutionele kenmerken zijn Japanse ondernemingen zeer goed in staat om lange-termijn investeringen te doen in nieuwe industrieën. De financiële gemeenschap stelt geen rigide eisen aan de winst- en groeivoet op korte termijn. De Japanse bankiers beschouwen hun leningen en investeringen op een meer lange-termijnbasis. Dit betekent tevens dat managers worden beloond voor hun prestaties op de lange termijn en niet gedwongen worden om maatregelen te nemen die allen het rendement op korte termijn verhogen. De Japanse overheid stimuleert ondernemingen tot samenwerking bij het scheppen van nieuwe produkten, met name voor de exportmarkten. De Japanse ondernemingen concurreren heftig met elkaar op de binnenlandse en buitenlandse markten. Binnen de groepen bestaat coöperatie, tussen de groepen heerst concurrentie [vgl. de studie over motorindustrie: Womack/Jones/Roos 1991].

    Ik heb met deze voorbeelden slechts aannemelijk willen maken dat het om meerdere redenen van belang is om verder onderzoek te verrichten naar de mate waarin de niveaus van economische handelingsintegratie ook empirisch zijn gedifferentieerd. We beschikken mijns inziens echter nog steeds niet over goede maatstaven om dergelijke empirische differentiatieprocessen te analyseren.

  2. Differentiatie naar typen arbeidsverhoudingen
    De structurerende kracht van de verschillende niveaus van handelingsintegratie is niet alleen historisch variabel, maar kan ook variëren naar verschillende typen maatschappelijke arbeidsverhoudingen. Deze relatieve kracht is enerzijds afhankelijk van de mate waarin de arbeidsverhoudingen zijn geformaliseerd en verzakelijkt, anderzijds van de eigenschappen van deze activiteiten zelf [Bader/Benschop 1988:63]. Sommige arbeidsverhouding zijn sterk verzakelijkt, georganiseerd en gejuridiseerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor arbeidsverhoudingen in de materiële kapitalistische produktie en voor die van het politieke bestuur in de burgerlijke maatschappij. In deze verhoudingen zal waarschijnlijk de betekenis van ongelijke interactiekansen kleiner zijn dan in arbeidsverhoudingen die (nog) niet of nauwelijks zijn verzakelijkt. Bovendien lijkt het waarschijnlijk dat ongelijke interactiekansen in gecommercialiseerde en gebureaucratiseerde arbeidsverhoudingen een veel kleiner gewicht zullen hebben dan ongelijke organisatieposities.
    Toch moeten we zeer voorzichtig zijn met dit soort globale hypothesen. Ook in de meest verzakelijkte en gecommercialiseerde kapitalistische arbeidsverhoudingen moet immers de betekenis van interactionele structureringen zeker niet worden onderschat. Dit blijkt uit studies waarin de beslissende betekenis van familierelaties voor de rekrutering en reproduktie van economische elites wordt blootgelegd [vgl. bijv. Zeitlin 1989, Van der Pijl 1986]. Het blijkt ook uit studies over de rol van persoonlijke contacten in werkcollectieven voor de syndicale en politieke organisatie van de arbeidersbeweging, en uit studies over de invloed van ongelijke sociale relaties op kapitalistische arbeidsmarkten [vgl. Granovetter 1974,1982; Windolf/Hohn 1984; De Graaf/Flap 1988; Bader/Benschop 1988, hft. IV].
    In ieder geval zijn ongelijke interactiekansen niet uitsluitend belangrijk in consumptieverhoudingen en in de daarbij aansluitende private levensverhoudingen van samenwonen en samenleven. Ongelijke interactiekansen in arbeidsverhoudingen zijn meestal nauw verbonden en verweven met verschillen van beroepsgebonden levensstijlen en culturen, zoals met beroepsculturen, professionele attitudes en wijzen van kleden en spreken, specifieke soorten van vrije tijdsbesteding, sport, ontspanning, vakanties, en het gebruik van specifieke genotmiddelen. De mogelijke variatie van de structurerende kracht van de niveaus van handelingsintegratie naar verschillende typen van arbeidsverhoudingen is tot nu toe niet of nauwelijks onderzocht en blijft daarom vooralsnog een onopgelost probleem.

  3. Samenhang met uitbuiting, onderdrukking en discriminatie
    Structurele economische ongelijkheden zijn het resultaat van uiteenlopende machtsprocessen. Vanuit het analytische perspectief van de niveaus van handelingsintegratie kan een onderscheid worden gemaakt tussen drie kwalitatief verschillende processen van asymmetrische machtsvorming: uitbuiting, onderdrukking en discriminatie. Sommige auteurs - Bader/Benschop 1988:64 - vermoeden daarom dat er een niet toevallige verwantschap bestaat tussen ongelijkheid op maatschappelijk niveau en uitbuiting, tussen organisationele ongelijkheid en onderdrukking en tussen interactionele ongelijkheid en discriminatie. Dit zou onder meer betekenen dat men de analyse van uitbuitingsprocessen kan beperken tot het niveau van de maatschappelijke handelingsintegratie en dat organisationele en interactionele verhoudingen onder bepaalde conditie kunnen leiden tot eigensoortige (niet tot maatschappelijke verhoudingen te reduceren) vormen van exploitatie en zelfs tot relatief stabiele klasseposities. Ik heb deze stelling elders uitgewerkt [Benschop 1994]. De precieze samenhang tussen de niveaus van economische handelingsintegratie en de typen van asymmetrische machtsvorming blijft echter een lastig, niet opgelost probleem.
De economische sociologieën hebben zich tot nu toe hoofdzakelijk geconcentreerd op het meest algemene, maatschappelijke niveau van economische handelingsintegratie: zij zijn niet of nauwelijks in staat geweest om een niet-reductionistisch verband te leggen met organisationele en interactionele niveaus van handelingsintegratie. De organisatiesociologieën hebben zich daarentegen sterk geconcentreerd op het organisationele niveau van economische handelingsintegratie; zij zijn er niet in geslaagd om een niet-reductionistisch verband te leggen met de maatschappelijke en interactionele niveaus van handelingsintegratie. De netwerksociologiën hebben zich tenslotte samen met de interactie- of ruilsociologieën exclusief gericht op het interactionele niveau van economische handelingsintegratie: zij zijn er tot nu toe niet in geslaagd om interactionele structuren en processen in een systematisch verband te brengen met de maatschappelijke en organisationele structuren en processen. In de tot nu toe helaas beperkte pogingen om de 'inbedding' van economisch handelen een centrale plaats te geven op de sociaal-wetenschappelijke onderzoeksagenda wordt weliswaar een deel van dit 'verkokeringsprobleem' aangepakt, maar wordt toch overwegend geopereerd met een te elementair onderscheid tussen 'economische structuren' en 'sociale netwerken'.

Veel discussies tussen vertegenwoordigers van de 'oude' en 'nieuwe' economische sociologie lopen stuk omdat de niveaus van handelingsstructurering en van handelingsintegratie niet duidelijk van elkaar worden onderscheiden. Bovendien wordt veelal geopereerd met impliciete vooronderstellingen ten aanzien van de afzonderlijke niveaus waarop economisch handelen is gestructureerd en ten aanzien van de niveaus waarop het is geïntegreerd. Voor de uitwerking van deze ingewikkelde theoretische en methodische zullen nieuwe generaties economische sociologen nog veel werk moeten verzetten.

Index6. Het theorieprogramma van Coleman

De hiervoor gepresenteerde analyse van de niveaus van handelingsstructurering en -integratie maakt impliciet duidelijk wat de zwakte is van het theorieprogramma van James Coleman. Zijn programma vertoont minstens drie grote zwaktes.

  1. In Colemans' handelingstheoretische analyse ontbreekt een expliciet gemotiveerde typologie van handelingen en handelingsoriëntaties. Zijn betoog is primair opgebouwd rond de traditionele dichotomie van strategisch handelen (gericht op behartiging van het individueel opgevatte eigenbelang) en normatief handelen (gericht op rechtvaardiging of delegitimatie van bestaande verhoudingen). Zijn basisintuïtie brengt hem telkens weer terug tot de gedachte dat men enerzijds rekening moet houden met de "zuiver zelfzuchtige belangen" (strategische oriëntatie) en anderzijds met het ontstaan en de reproduktie van normen en de mate waarin individuen zich daadwerkelijk oriënteren op bepaalde maatschappelijk dominante normen (normatieve oriëntatie), Er wordt slechts incidenteel en zijdelings melding gemaakt van de ontwikkeling morele codes (traditionele oriëntatie) en de identificatie van individuen met het lot van anderen en de identificatie met collectiviteiten (affectieve handelingsoriëntatie) [Coleman 1990:31].

  2. In zijn handelingstheorie wordt zelfs geen poging gedaan om de structureringsniveaus van sociaal handelen te differentiëren. Coleman herhaalt zijn beperkte typologie van sociaal handelen en opereert voornamelijk met het gebruikelijke basale onderscheid tussen de orde van de belangenconstellaties (de sfeer van de 'zuiver zelfzuchtige belangen') en de normatieve orde. Uit terloopse opmerkingen kan men opmaken dat hij beseft dat er ook nog andere niveaus van handelingsstructurering in het geding zijn, maar deze worden niet als zodanig gethematiseerd of getheoretiseerd. Zij krijgen in zijn theorieprogram dus geen systematische plaats.

  3. Coleman's analyse concentreert zich veeleer op de niveaus van handelingsintegratie. In eerste instantie lijkt hij zich daarbij te beperken tot een onderscheiding van het interactionele en maatschappelijke niveau. In zijn formulering wordt dit tot een verschil tussen het handelen van menselijke individuen en 'the behavior of social systems'. Afgezien van het nogal reïficerende taalgebruik (maatschappelijke systemen handelen niet - het zijn geen handelings- en wilsbekwame actoren) wordt hiermee een veel te eenzijdig beeld gegeven van de niveaus waarop het sociale handelen van mensen wordt geïntegreerd. In tweede instantie blijkt echter dat Coleman probeert om uit het fatale 'micro-macro' dualisme te breken, dat hij aanvankelijk kritiekloos reproduceert [idem: 6]. In zijn meer materiële analyses heeft hij wel degelijk oog voor het organisationele tussenniveau van handelingsintegratie. Hij werpt de vraag op "how the structure of positions constituting the organization comes into being, how the persons who come to occupy each of the positions in the organizations are motivated to do so, and how this interdependent system of incentives is sustainable" [idem: 9] en geeft hierop ook een (scherp)zinnig antwoord [idem: 43, 128,187, 425-9].
De paradox van Coleman's benadering is dat de kracht van zijn meer specifieke of materiële analyses van de organisationele verhoudingen een demonstratie is van de zwakte van zijn algemene handelingstheoretische uitgangspunten. Of positiever geformuleerd: Coleman's analyse van het organisationele niveau van handelingsintegratie biedt aanknopingspunten om ingeslepen dualistische denkfiguren (zoals het micro-macrodenken, het contract van directe persoonlijke interactie en maatschappelijke systemen en structuren) te doorbreken. Voor sociale wetenschappers die deze dualistische rubicon al overschreden hebben, is het daarom teleurstellend dat Coleman zelf deze consequenties niet heeft getrokken.

Index


Noten

[1] Zie voor een helder overzicht van moderne netwerk-analyses: SCOTT [1991]. Vgl. ook de bundel van NOHRIA/ECCLES [1992] en de iets oudere bundels van BOISSEVAIN/MITCHELL [1973], MARSDEN/LIN [1982].

[2] De maatschappijtheoretische onderbouwing en theorie-historische afbakening van dit onderscheid in niveaus van handelingsintegratie kunnen hier niet uitvoerig worden behandeld. Ter compensatie verwijs ik naar twee goede aanknopingspunten: de scherpzinnige reconstructie die SCHLUCHTER [1979: 51 e.v.] heeft gemaakt van Weber's maatschappijgeschiedenis, en de uitwerking van niveaudifferentiaties door LUHMANN [1975:9-25; 1985:130]. Het onderscheid tussen maatschappelijke, organisationele en interactionele niveaus van handelingsintegratie werd voor het eerst geïntroduceerd in de analyse van sociale ongelijkheden door BADER/BENSCHOP [1988:62,201] en voor de klassenanalyse uitgewerkt door BENSCHOP [1993:127 e.v., 139 e.v., 227 e.v., 249 e.v.].

[3] Een vruchtbaar aanknopingspunt voor onderzoek naar het interactionele niveau van handelingsintegratie is het werk van Erving Goffman. Hij concentreert zijn onderzoek op een specifiek type van regulatie, nl. "the type that governs a person's handling of himself and others during, and by virtue of, his immediate physical presence among them; what is called face-to-face or immediate interaction will be involved" [GOFFMAN 1963:8]. Het interactionele niveau van handelingsintegratie veronderstelt condities van fysieke nabijheid: een tijd-ruimtelijke verbinding tussen minstens twee personen. Deze conditie van 'copresence' wordt door Goffman als volgt omschreven: "persons must sense that they are close enough to be perceived in whatever they are doing, including their experiencing of others, and close enough to be perceived in this sensing of being perceived" [idem: 17]. Mijn stelling is dat door de opkomst van computergemedieerde directe interacties en 'electronic networking' deze conditie van fysieke nabijheid moet worden losgelaten. Zij moet worden vervangen door de conditie van 'sociale aanwezigheid'. In Netwerken van de toekomst laat ik zien waarom.

[4] Zie voor een uitvoerige analyse van het ontstaan en de werking van patronageverhoudingen: BENSCHOP [1993: 249-65]. Vgl. in dit verband ook bijdrage van OUCHI [1980] over clanvorming.

[5] Wanneer door selectieve associaties de wederzijdse gedragsverwachtingen worden geïnstitutionaliseerd heeft dit altijd een aantal relevante gevolgen. Zie voor een overzicht van de functies van institutionalisering van selectieve associaties: BADER/BENSCHOP [1988:329].
EVENTUEEL: de vier functies noemen. Zie ook: BENSCHOP [1993:255].

[6] Zie voor onderzoek naar rechtvaardigheidscriteria bij inkomensverschillen: HERMKENS [1985], HERMKENS/WIJNGAARDEN [1987], WIJNGAARDEN/HERMKENS/KNIPPERS [1988], SZIRMAI [1988], GARTRELL [1982], HEADLEY [1991], KELLEY/EVANS [1993]. Zie voor het onderzoek naar beroepsprestige: KAHL [1957: 237], COXON e.a. [1986: 16, 35, 39, 70 e.v.] en voor een samenvattende kritiek: BADER/BENSCHOP [1988:154 e.v.].

[7] Als de homo economicus ergens gevonden kan worden, en als de neo-klassieke economische theorie ergens kan worden toegepast, dan is het wel in efficiënte kapitaalmarkten. De meeste factoren die egoïstische economische oriëntaties induceren treft men aan op de aandelenmarkten [DIMAGGIO 1990:117 e.v.]. Het onderzoek van Baker is interessant omdat het laat zien dat ook op aandelenbeurzen nog heel andere factoren in het geding zijn dan die men van een zuivere homo economicus mag verwachten. Zie voor een historische illustratie van de stelling dat kapitalistische aandelenmarkten door méér (of ándere) mensen worden bevolkt dan de homo economicus: CARRUTHERS [1994]. Hij geeft een uitvoerige analyse van de niet-economische rationaliteit op de Londense aandelenmarkt in de vroege 18e eeuw.

[8] Een loco-markt ('spot market') is een warenmarkt waarop goederen direct tegen contanten worden verkocht. Een loco-contract is een contract waarin alle verplichtingen 'ter plekke' ('on the spot') worden vervuld, zoals de direct ruil van geld voor een bepaalde waar. In een 'contingent claims' contract worden daarentegen niet alle verplichtingen 'ter plekke' vervuld. Goederen en diensten worden niet ter plekke worden geleverd, maar op een later tijdstip. In dergelijke contracten worden de verplichtingen van elke bij de ruil betrokken partij afhankelijk ('contingent') gemaakt van mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Bijvoorbeeld: een boer komt overeen om zijn graan aan een warenhuis te verkopen wanneer de prijs niet onder een gespecificeerd bedrag per ton daalt. Wanneer de toekomst complexer of onzekerder wordt, wordt het steeds moeilijker en kostbaarder om contracten te sluiten die rekening houden met alle mogelijke gebeurtenissen. Zie voor relationele contracten: MACNEIL [1974, 1978, 1980], WILLIAMSON [1985: 58 e.v.]. Ik kom hier in hft. VII: 4·2 nog op terug.

[9] Zie voor begrip en werking van selectieve associaties: BADER/BENSCHOP [1988: 148 e.v.], BENSCHOP [1993: 254 e.v., 336 e.v.].

[10] Zie voor institutionalisering in organisaties: MEYER/ROWAN [1977], ZUCKER [1977, 1987].

[11] Chester BARNARD [1938 - The functions of the Executive] was waarschijnlijk de eerste die probeerde om organisationele handelingscontexten als een relatief zelfstandig niveau van handelingsintegratie te thematiseren. Hij definieerde organisaties als 'nonpersonal': organisaties bestaan uit relatief zelfstandige 'forces' die weliswaar door personen worden gegenereerd, maar die toch ook eigensoortige effecten sorteren op het handelen van menselijke individuen. Barnard maakt een onderscheid tussen organistionele en persoonlijke aspecten van individuen. Hij suggereert "that every participant in an organization may be regarderd as having a dual personality - an individual personality and an individual personality" [idem: 88]. PERROW [1979/96: 67] heeft gewezen op de verwantschap met het concept van een organisationele functie, waarin bepaalde verplichtingen en verantwoordelijkheden zijn voorgeschreven. De persoon bezet een bepaalde positie of vervult een bepaalde functie. Maar de persoon wordt geen functie en de functie is ook geen equivalent van een persoonlijkheid. Voor Barnard is de identificatie echter veel sterker: de organisationele persoonlijkheid doordringt het hele leven van de persoon als lid van een organisatie.

[12] De functie van het dreigen met en het toepassen van fysiek geweld voor de instandhouding of verandering van economische verhoudingen en instituties komt uitvoerig aan de orde in hft. VI: 4·2.

[13] Zie voor een kritische analyse van deze ontwikkeling: ZEITLIN [1989]. Hij gaat uitvoerig in op de specifieke samentelling en ontwikkeling van het aandelenpakket binnen een onderneming en de hierin versleutelde verbindingen met andere ondernemingen; de specifieke vormen van personele unies (netwerken van dubbelfuncties) tussen directies van ondernemingen, en tussen managers, directeuren en preferente aandeelhouders; de connecties met banken die niet alleen als financiële instituties figureren maar ook als actoren van gespecificeerde eigendomsbelangen (inclusief degenen die de banken zelf controleren); het netwerk van 'intercorporate' en 'principal common stockholdings' enz.

[14] In BADER/BENSCHOP [1988:176 e.v.] is deze stelling uitvoerig onderbouwd. Ik beperk me hier tot een korte toelichting van een aantal basisbegrippen.


[15] Voor wie hecht aan een 'plaatsbepaling' in de sociologische tradities merk ik op dat men deze basisgedachte net zo goed 'marxistisch' als 'weberiaans' kan noemen. Voor Weber was in ieder geval duidelijk dat elke organisatie van de economie altijd de een of andere feitelijke verdeling van beschikkingsmachten impliceert en dat daarom het begrip beschikkingsmacht niet mag ontbreken als sociologisch begrip van het economisch handelen [WEBER WG:33]. Helaas heeft Weber zich niet erg ingespannen om het begrip 'beschikkingsmacht' en de 'objecten' waarover deze kan worden uitgeoefend, nauwkeurig uit te werken. Sociologen hebben te lang nagelaten om dit als uitdaging te zien om deze noodzakelijke preciseringen 'met het eigen hoofd' uit te werken. In mijn studie over Max Weber's bijdrage aan de sociale stratificatietheorie worden deze kwesties zeer uitvoerig behandeld: Sociale ongelijkheid en klassen

[16] Het hogere integratieniveau limiteert de controle over bronnen die bepalend zijn voor de structuren en processen op het lagere niveau; dit impliceert meestal een asymmetrische toegang tot en ongelijke mobilisatiekansen van bronnen waardoor actoren elkaars handelen kunnen beïnvloeden.

[17] Ik sluit hierbij aan op de pogingen van STINCHCOMBE [1968] en WRIGHT [1978:15 e.v.] om een onderscheid te maken tussen verschillende modi van structurele causaliteit.

[18] ZOLLBERG [1986:400] heeft deze gedachte uitgewerkt in een historisch-vergelijkende macro-analyse.

[19] In aansluiting op KUDERA [1977] en JURKOVICH [1974] levert ook LAMMERS [1987:296] kritiek op de gangbare organisatiesociologieën waarin de maatschappelijke handelingscontext wordt verdund tot 'omgeving', d.w.z. tot "een restcategorie bestaande uit voor de organisatie niet-beïnvloedbare en bovendien nog zeer formeel en grof geclassificeerde factoren". Deze 'omgeving' wordt meestal niet grondig geanalyseerd, maar slechts getypeerd aan de hand van nogal abstracte dimensies of factoren zoals homogeniteit, veranderlijkheid, complexiteit, georganiseerdheid enz.

[20] De transformationele benadering wordt gewerkt met niet-deterministisch verklaringsprincipes. Een niet-deterministische theorie doet geen exacte voorspellingen, maar heeft wel verklaringskracht wanneer zij ten minste een (aantal) abstract mogelijke gebeurtenissen of toestanden uitsluit. Als men geloof hecht aan deterministische verklaringsmodellen zou men dus kunnen zeggen dat deze theorie 'zwak' is. Als dit waar is, betekent dit echter nog niet dat zij nutteloos is. Een transformationele theorie komt pas in serieuze moeilijkheden wanneer zich gebeurtenissen of toestanden voordoen die in de theorie worden uitgesloten.

[21] Het institutionele milieu waarin de Japanse ondernemingen produceren is volgens sommige auteurs een van de primaire redenen dat zij tegenwoordig een voorsprong hebben op de Amerikaanse ondernemingen [FLIGSTEIN 1990:311]. De grootste Japanse firma's opereren onder een multidivisionele organisatievorm en rivaliseren met Amerikaanse ondernemingen wat betreft hun omvang. In 1980 werden 37 van de 102 grootste Japanse ondernemingen geclassificeerd als produkt-dominant, 59 als produkt-gerelateerd en 6 als produkt-ongerelateerd [KONO 1984:80]. Deze niveaus van deze diversificatie liggen lager dan in de Verenigde Staten, met name in termen van produkt-ongerelateerde firma's. De Japanse ondernemingen onderscheiden zich echter in één opzicht van de Amerikaanse: de expansie in nieuwe produktlijnen verloopt bijna altijd door interne groei, niet door fusies.

Index

Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1996
Laatst gewijzigd: 05 January, 2017