Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

Naar een nieuwe economische sociologie

—Een transformationeel perspectief—

door: dr. Albert Benschop

VI. Motivatie van economisch handelen

  1. Traditionele oriëntaties
  2. Affectieve oriëntaties
  3. Strategische oriëntaties
  4. Normatieve oriëntaties


Zoals gezegd is economisch handelen een meervoudig gestructureerde en gemotiveerde vorm van sociaal handelen. Het feitelijke economisch handelen wordt primair door strategische handelingsoriëntaties gemotiveerd en door specifieke belangenconstellaties gecoördineerd (het wordt ‘gestuurd door belangen’). Empirisch economisch handelen wordt echter mede gemotiveerd door traditionele, affectieve en normatieve handelingsoriëntaties en dus ook mede gecoördineerd door specifieke constellaties van (heersende) zeden/gewoontes, solidariteiten en legitimiteiten.

Figuur 6.1 Motivaties van economisch handelen

Index1. Traditionele oriëntaties

Traditionele oriëntaties constitueren traditionele vormen van economisch bewustzijn en motiveren traditionele vormen van economisch handelen. Het ideaaltypisch met traditionele handelingsoriëntaties en handelingen corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is de (economische) zede en gewoonte. Dit mechanisme van handelingscoördinatie wordt behandeld in VI: 1.

Actoren kunnen zich traditioneel oriënteren op de specifieke zeden en gewoonten die in de loop van de geschiedenis van hun eigen afdeling, bedrijf, sector, beroep of sociale klasse zijn ontstaan. De traditionele dimensie van de identiteit van economische actoren zal ik aanduiden als traditioneel of historisch bewustzijn.

Historisch en zedelijk bewustzijn
Omdat het hier gaat om een oriëntatie op economische zeden zou men ook van zedelijk bewustzijn kunnen spreken. Zowel in het alledaagse als het wetenschappelijke taalgebruik wordt echter meestal met een zeer brede notie van ‘zedelijk bewustzijn’ geopereerd. Daarbij wordt 'zedelijk bewustzijn' of 'zedelijkheid' opgevat als een combinatie van gevoelsmatige, traditionele en normatieve of morele handelingsoriëntaties.

Voor de analytische precisie waar in deze uiteenzetting naar gestreefd wordt is een dergelijk breed of samengesteld begrip onbruikbaar. Ik geef er onderzoeksstrategisch de voorkeur aan de met traditionele, affectieve en normatieve oriëntaties corresponderende bewustzijnsvormen zo zuiver mogelijk (dus analytisch onafhankelijk van elkaar) te definiëren.

Het voordeel van een dergelijke benadering is dat men veel scherper zicht krijgt op de heterogeniteit van de elementen die in brede noties van zedelijkheid zijn vervat. Ook als men om welke reden dan ook met een synthetisch of inclusief begrip van zedelijkheid of zedelijk bewustzijn wil opereren, dan weet men tenminste wat men erin stopt.

Empirisch-historisch gezien was moreel bewustzijn natuurlijk altijd al zeer nauw verbonden met traditionele oriëntaties en affectieve gevoelens. Juist daarom geef ik de voorkeur aan een ‘zuiver’ begrip van zedelijkheid dat van moreel en solidair bewustzijn is afgebakend. Om enige afstand te houden ten opzichte van de verwarring die er over deze geladen begrippen bestaat, gebruik ik hier niet de term ‘zedelijk bewustzijn’ maar ‘historisch bewustzijn’.

Traditioneel bewustzijn manifesteert zich in geroutiniseerde vormen van economisch handelen:

De meest gebruikelijke wijze waarop individuen hun produkten of diensten kiezen is niet door bewuste overwegingen maar door het volgen van bepaalde gewoontes. Dit geldt ook voor andere vormen van economisch handelen zoals sparen en investeren. Mensen kopen uit gewoonte of impulsief, en zij kopen vaak produkten van hetzelfde merk (merk-loyaliteit).

Merkloyaliteit of inertia
Koopgewoontes kunnen gebaseerd zijn op merkloyaliteit of op inertia. Bij merkloyaliteit wordt de koopgewoonte gegenereerd door een positieve binding aan een specifiek merkprodukt: 'ik heb gemerkt dat ik produkt X kan vertrouwen en heb daarom geen enkele reden om naar een ander merk over te stappen'. Bij intertia wordt de koopgewoonte gegenereerd door het ontbreken van een persoonlijke betrokkenheid in de betreffende produktcategorie: 'alle merken tandpasta zijn min of meer hetzelfde en daarom kan ik net zo goed produkt Y blijven gebruiken'.

Voor ondernemers en reclamespecialisten is een hoge mate aan merkentrouw een van de sterktste troefkaarten. Men moet van zeer goede huize komen wil men een loyale koper van bijv. MacIntosh computers overhalen om een ander type computer aan te schaffen. Hun loyaliteit is vaak gebaseerd om de sterke betrokkenheid bij het type computer en op het geloof dat MacIntosh de beste computers fabriceert. Loyale kopers hebben geen redenen om op een ander merk over te stappen, tenzij andere computerfabrikanten een werkelijke en zichtbare competitieve doorbraak weten te forceren. Zoals bij alle gewoontes kan echter ook een merkloyaliteit slijten. Dat gebeurt vooral wanneer ondernemers en marketingspecialisten te zeer vertrouwen op de een eenmaal gevestigde merkloyaliteit en zich niet meer inspannen voor verhoging van kwaliteitseisen en innovatie.

Merkloyaliteit of -trouw kan natuurlijk ook worden geïnterpreteerd als een uiting van een affectieve oriëntatie op economische situaties [zie § 3·2]. Alleen wanneer en voorzover deze 'trouwheid' van de consument/gebruiker/cliënt/afnemer gebaseerd is op een min of meer regelmatige of duurzame feitelijke praktijk kunnen we zeggen dat merkloyaliteit een uiting is van een traditionele oriëntatie op economische situaties. In werkelijkheid is de 'trouw' die consumenten/gebruikers enz. ten toon spreiden het effect van een combinatie van traditionele, affectieve, strategische en normatieve oriëntaties. Ik blijf produkt X kopen of van de diensten van professional Y gebruik maken (a) omdat ik dit altijd al gedaan heb en/of mijn ouders dit ook al deden, (b) omdat ik erg aan dit specifieke produkt of deze bijzondere dienst gehecht ben, (c) omdat deze producent of dienstverlener tegen relatief lage kosten een produkt van goede kwaliteit levert, én (d) omdat ik het onfatsoenlijk zou vinden om over te stappen naar een produkt dat door iemand anders wordt gemaakt - bijv. door een ondernemer die niet tot mijn buurt/regio/land of mijn etnisch-culturele groep behoort.

Uit het koopgedrag van huishoudelijke apparaten blijkt dat zelfs duurzame gebruiksgoederen vaak worden aangeschaft zonder dat daaraan veel bewuste afweging aan voorafgaat. De aankoop komt meestal tot stand doordat men urgent ergens behoefte aan heeft ('mijn scheerapparaat is kapot, ik heb direct een nieuwe nodig') en/of doordat men goede ervaringen heeft met een vergelijkbaar produkt dat men al eerder heeft aangeschaft ('met dat vorige scheerapparaat van merk X heb ik me jarenlang glad kunnen scheren, dus...').

Het rationeel berekende en afwegende koopgedrag van de homo economicus komt veel minder vaak voor dan het gehabitualiseerde koopgedrag van de homo traditionalis, en ook - zij het in mindere mate - dan en het verondersteld 'irrationele' impulsieve en ongeplande koopgedrag van de homo affectionalis [zie § 3.2].

Kopen uit gewoonte
In de klassieke studie van Houthakker/Taylor [1970] werden van 82 items de bestedingen van consumenten onderzocht. Daaruit bleek (i) dat voor veel inkomensgroepen de prijzen relatief onbelangrijk zijn en (ii) dat gewoontes de belangrijkste verklaringsgrond zijn voor de uitgaven die mensen binnen een gegeven inkomensniveau doen. Zij trokken daaruit —althans voor de V.S.— de conclusie dat gewoontevorming zeer duidelijk de dominante factor is in het consumptiegedrag.

De aanschaf van verslavende produkten zoals sigaretten en alcohol zijn een extreem voorbeeld van de invloed van gewoontevorming. Wanneer deze goederen niet door gewoontevorming zouden worden beïnvloed, dan zou men op grond van de standaard micro-economische theorie een vloeiende vraagcurve verwachten en een symmetrische curve voor de elasticiteit van de vraag. Voor sigaretten en alcohol bestaat er echter een asymmetrische relatie tussen vraag en prijs: de reactie op prijsverhogingen is kleiner dan die op prijsverlagingen. De vraag is dus inelastisch voor prijsverhogingen en relatief elastisch voor prijsverlagingen.

Ondernemers en managers handelen meestal zoals zij al eerder handelden onder gelijksoortige omstandigheden zonder dat zij daarbij bewuste keuzes maken tussen alternatieve handelingsopties. Zij opereren veelal volgens geroutiniseerde procedures en passen vuitsregels toe waarin eerdere ervaringen in gelijksoortige omstandigheden zijn gesedimenteerd of waarin algemene 'achtergrondkennis' is neergeslagen.

Het economisch handelen van actoren is veel sterker gehabitualiseerd dan in de meeste economische theorieën - als er überhaupt al aandacht aan wordt besteed - wordt verondersteld. Bovendien zijn dergelijke routines veel rationeler dan in de meeste economische modellen wordt aangenomen (voorzover er überhaupt enige rationaliteit aan traditionele handelingspatronen wordt toegekend).

Index2. Affectieve oriëntaties

Affectieve oriëntaties constitueren solidaire vormen van economisch bewustzijn en motiveren expressieve vormen van economisch handelen. Het ideaaltypisch met affectieve economische oriëntaties en handelingen corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is solidariteit. Dit mechanisme wordt in VI: 2 uitvoeriger behandeld.

Actoren kunnen zich gevoelsmatig oriënteren op de collegialiteit van een arbeidscollectief, op solidariteit van een inkomens-, kwalificatie- of beroepsgroep, op het saamhorigheidsgevoel van bepaalde groepen producenten, consumenten, gebruikers of cliënten, op de lotsverbondenheid van profiteurs, zakkenvullers en afzetters, of op de meer omvattende solidariteit van een klassegemeenschap. Gevoelsmatige oriëntaties vormen de basis voor bepaalde gemeenschaps- of saamhorigheidsgevoelens. Deze emotionele dimensie van de identiteit van economische actoren zal ik solidair bewustzijn noemen. Solidair bewustzijn uit zich in expressieve vormen van economisch handelen:

In al deze expressieve handelingsvormen manifesteert zich de emotionele dimensie van economisch handelen. De solidair bewustzijn wordt door tekens en symbolen overgedragen, maar wordt in haar ontwikkeling ook door deze tekens en symbolen beïnvloed. Daarmee worden niet alleen ideeën of overtuigingen doorgegeven en bestendigd, maar vooral ook riten en cultus - en daarmee ook mythe [Bader 1991:118, 408]. De identificaties, symbolen en rituelen geven uitdrukking aan de emotionele dimensie van de groepsidentiteit: men wil 'laten zien wie wij zijn'.

a. Koop- en consumptiegedrag
Ik heb er hiervoor al op gewezen dat consumenten hun produkten en diensten zeer vaak niet aanschaffen op grond van eenduidige preferenties en rationele afweging van de prijs-kwaliteit verhouding. Zij kopen veelal routineus (uit 'gewoonte') of omdat zij affiniteit hebben met een bepaald merkprodukt (uit 'solidariteit'). Consumenten identificeren zich niet alleen met bepaalde produkten of diensten, maar ontlenen daaraan ook een bepaalde identiteit. Door de aanschaf van een bepaald merk auto of kleding geven zij symbolisch uitdrukking aan het feit dat men tot een bepaalde sociale groep of klasse behoort of dat men daartoe gerekend wil worden [zie IV:1.4 over habitus en levensstijlen]. Produkten hebben voor consumenten niet alleen een economisch-utilitaire waarde (waarover de homo economicus beslist), maar ook sociaal-distinctieve waarde (waarover de homo sociologicus beslist).

In studies over consumentengedrag wordt in dit verband een onderscheid gemaakt tussen 'high-involvement' produkten en 'low-involvement' produkten [Engel/Blackwell/Miniard 1993: 275-80]. High-involvement produkten ('positionele goederen', 'prestige-objecten') zijn goederen die door de consumenten niet louter worden beschouwd als produkten die zij kunnen gebruiken, maar ook als produkten die 'een bericht aan de wereld sturen' over de persoon en die verbonden zijn aan het gevoel van persoonlijke eigenwaarde (zij worden ook wel 'positionele goederen' of 'prestige-objecten' genoemd - zie eerder over levensstijlen). Bij de aanschaf van deze prestigieuze goederen (zoals auto's, huizen en vooral ook kleding) moeten maken consumenten ingewikkelder afwegingen dan bij de aanschaf van alledaagse gebruiksgoederen zonder prestigieuze betekenis (zoals ballpoints, wc-papier, suiker of punaises).

Het koopgedrag van economische actoren is dus ook in dit opzicht veel complexer dan in de neoklassieke modellen wordt verondersteld. De homo economicus heeft geen eenduidige preferenties, en wanneer hij deze wel heeft, moet deze preferentie concurreren met sociaal-distinctieve of prestigieuze voorkeuren. Simpel gezegd: consumenten maken bij de keuze van produkten en diensten in werkelijkheid complexe afwegingen tussen economisch en sociaal 'nut'. Het probleem is daarbij niet alleen dat hiervoor geen exacte afwegingsmaatstaven bestaan (in de geest van: x-hoeveelheid economisch nut = y-hoeveelheid sociaal nut), maar ook en vooral dat er geen intrinsiek verband is tussen het economische en het sociale nut van een produkt. Een produkt met een hoge prestigieuze en distinctieve functie, kan in economisch opzicht uiterst nutteloos zijn (en omgekeerd). De ondraagbaarheid van veel produkten van de 'haute culture' is hiervan het meest sprekende voorbeeld.

De impulsieve kopers
De betekenis van ongeplande of impulsieve aankopen wordt in de economische literatuur meestal zwaar onderschat. Sommige auteurs schatten dat 50% van de aankopen ongepland of impulsief zijn [Agnew 1987]. Er is sprake van impulsief kopen wanneer een consument een plotselinge, vaak krachtige en aanhoudende drang ervaart om iets direct te kopen [Engel/Blackwell/Miniard 1993:42, 561; Kollat/Willet 1967]. "The impulse to buy is hodonically complex and may stimulate emotional conflict" [Rook 1987:191; vgl. Halbroek/Hirschman 1982]. Bij impulsief kopen wordt vaak geen rekening gehouden met de consequenties van de aankoop.

Volgens Dennis Rook heeft impulsief kopen een of meer van de volgende kenmerken:

  1. Spontaniteit:
    Impulsief kopen gebeurt onverwacht en motiveert de consument om nú te kopen, vaak in reactie op directe visuele stimulatie op het verkooppunt.
  2. Kracht, dwang en intensiteit: er kan een motivatie zijn om al het andere terzijde te schuiven en direct te handelen.
  3. Opwinding en stimulans:
    Deze plotselinge drang om te kopen gaat vaak gepaard met emoties die als 'opwindend', 'spannend' of 'wild' worden gekenmerkt.
  4. Verontachtzaming van gevolgen:
    De koopdwang is zo onweerstaanbaar dat potentieel negatieve consequenties worden genegeerd.
De impulsiviteit van het koopgedrag van consumenten stelt ondernemers en marketingspecialisten niet alleen telkens voor raadsels, maar stelt ook hoge eisen aan de flexibiliteit van de produktie. Voor de directeur van de Philips-vestiging in Drachten ziet het probleem er als volgt uit.
    "Nu gaan de dealers in september eens rustig nadenken welke bestellingen ze voor de feestdagen bij Philips willen plaatsen. Dan laten ze ons eind oktober weten dat ze de produkten pas kort voor december binnen willen hebben. Het koopgedrag van de consument wordt steeds vaker door impulsen bepaald. Bovendien wordt de aankoop als het enigszins kan uitgesteld tot het allerlaatste moment. Dat maakt de produktiepiek almaar groter" [ir. C. Buis, interview in Volkskrant, 5.3.94].
De grote uitdaging voor moderne ondernemers is dat de markt kan worden bediend du moment dat 'de markt' daar zelf om vraag (volgens het bekende JIT-principe: 'just-in-time'). 'De klant is koning'. De klant bepaalt immers wanneer hij het produkt wil hebben en dicteert daarmee tot op zekere hoogte hoe en wanneer het personeel werkt. Dit stelt niet alleen eisen aan de organisatie (flexibele arbeidstijden), maar ook aan het machinepark en aan de toeleverende sector.

b. Ondernemen en vertrouwensrelaties
Affectieve overwegingen spelen in praktisch alle economische transacties een belangrijke en soms doorslaggevende rol. "Emotions are within the texture of organizing" [Fineman 1993:1]. Organisationele processen worden mede gevormd en richting gegeven door affectieve overwegingen. De organisationele ordening is gebaseerd op gevoelens van het bij elkaar horen en apart zijn, en de oranisationele controle is ondenkbaar zonder het vermogen om schaamte, angst, vreugde of teleurstelling te voelen. Zij zijn de motivationele bron voor zelfcontrole, zonder welke de meeste organisaties niet zouden kunnen functioneren [Scheff 1988]. Het zijn gevoelens die bepalen hoe we denken dat anderen ons zien of hoe onze prestaties worden beoordeeld. We voelen ons ongemakkelijk waneer we persoonlijk in verlegenheid worden gebracht. Deze gêne zorgt ervoor dat de meeste mensen min of meer het juiste organisationele handelen vertonen in hun omgang met klanten, collega's en bazen.

Ondernemers laten zich bij de selectie van leveranciers niet alleen leiden door zuiver economische calculaties, maar ook door affectieve bindingen met en persoonlijke voorkeuren voor bepaalde personen. Actoren waarmee men vertrouwd is, die tot de vriendenkring of de verwanten behoren, krijgen veelal zonder nadere overwegingen de voorkeur [zie VII: 4.2 over vertrouwensrelaties].

Reinhard Bendix heeft dit in historisch perspectief gedemonstreerd:

c. Arbeidsmarkt en arbeidsorganisatie
Ook het economisch gedrag op de arbeidsmarkten en binnen de arbeidsorganisaties is doortrokken met affectieve dimensies.
* In het studiekeuze-onderzoek zijn hierover veel bewijzen verzameld. Zie o.a. de desbetreffende opstellen in de door Dronkers en Ultee geredigeerde bundel: Verschuivende ongelijkheid in Nederland, Assen: Van Gorcum, 1995.
Voordat men zich op de arbeidsmarkt begeeft wordt de keuze van beroepsopleidingen of studierichtingen in veel gevallen (mede) bepaald door de identificatie met een familielid dat dezelfde keuze gemaakt heeft, of met een bijzonder sympathieke leraar.* Jongeren worden hierdoor 'gestempeld' voor een specifieke beroepscarrière en sluiten alle andere alternatieven uit. In de ogen van Ben Hamper die 'voorbestemd' was om lopende bandarbeider bij General Motors te worden, ziet dit er als volgt uit:

Door dit stempelingseffect (Bourdieu) worden individuen naar arbeidsposities gedirigeerd waaraan zij bij voorbaat zijn aangepast, omdat zij zichzelf voor deze posities geknipt vinden of omdat door de actuele bezetters van deze posities als 'geknipt' gezien worden (het coöptatie-effect). Vervolgens treedt het effect van de sociale loopbaan zelf in werking. Dit treedt in werking wanneer actoren hun aspiraties en prestaties met elkaar in evenwicht gaan brengen. Zij gaan hun aspiraties aanpassen aan hun objectieve kansen en schikken zich naar hun arbeidssituatie. Om op deze manier te worden wat zij zijn, tevreden te zijn met wat zij hebben - amor fati [Bourdieu 1979:123]. Om uit de nood (van een restrictieve of kansloze levenssituatie) een deugd (identiteitsvormende oriëntaties voor de dagelijkse praktijk) te maken, wordt een omvangrijk repertoire van half geformaliseerde wijsheden in het spel gebracht: spreekwoorden, gemeenplaatsen, ethische voorschriften en onbewuste principes van de ethos [Bourdieu 1972:168].

Het chronologische proces waarin werknemers zich uiteindelijk 'bij de werkelijkheid neerleggen' is inmiddels geen geheim meer. Het werd tot nu toe vooral onderzocht bij industriële arbeiders. De passieve 'aanvaarding' van de omstandigheden voltrekt zich in een soort schaarbeweging: met het vorderen van de leeftijd ervaart de men de objectieve arbeids- en levenssituatie sterker als onderdrukkend, maar leert men zich er gemakkelijker aan te passen. Dat veel werknemers hun omstandigheden 'aanvaarden' en proberen 'er het beste van te maken' impliceert nog niet dat zij er werkelijk 'tevreden' mee zijn, en zeker niet dat zij er (emotioneel of normatief) mee instemmen.

Deze 'tevredenheid' is niet het gevolg van een ethisch of religieus gemotiveerd fatalisme, maar veeleer van geïnformeerd, existentieel fatalisme [zie VI: 5.5.4]. In de jaren zestig heeft Chinoy laten zien hoe de Amerikaanse automobielarbeiders proberen de kloof tussen cultureel gewekte ambities en de werkelijkheid van permanent fabriekswerk te overbruggen. Zij proberen de illusie overeind te houden van een blijvende ambitie door hun banen in de fabriek als 'tijdelijk' te definiëren en door onophoudelijk te praten over doelstellingen en verwachtingen die niets met de arbeidsplek te maken hebben. In de jaren tachtig en negentig lijkt daaraan niet veel veranderd. In ieder geval niet voor Ben Hamper die in zijn ongemeen scherpe literaire verwoording van zijn ervaringen als werknemer in auto-industrie opmerkt: Dergelijke werknemers proberen zich tegen schuldgevoelens en zelfverwijten te beschermen door andere waarden te benadrukken als substituten voor succes en door het minimaliseren van de betekenis van rijkdom: 'geld maakt niet gelukkig'; 'het gaat er niet om hoeveel geld je hebt, maar …'.

De door sociologisch onderzoek tot in den treure gemeten hoge arbeidssatisfactie kan derhalve niet of nauwelijks worden opgevat als een indicatie van de kwaliteit van de arbeidssituatie. Arbeidssatisfactie wordt immers bepaald door “de standaarden die men aanlegt, de aspiraties die men koestert en de verwachtingen die men heeft” [De Sitter 1988:144]. Zowel de standaarden als de aspiraties en verwachtingen worden echter in hoge mate bepaald door de arbeidspositie die men inneemt en door de loopbaan of arbeidsgeschiedenis zélf. De gemeten arbeidsvoldoening is dus slechts een indicatie van de mate van aanpassing aan de gegeven arbeidssituatie.

d. Arbeidsprocessen
Affectieve overwegingen spelen vooral ook een prominente rol in de dagelijkse arbeidsprocessen. De directe werkrelaties tussen collega's kunnen slechts tot op bepaalde hoogte worden verzakelijkt. Het specifieke karakter van deze relaties wordt in sterke mate bepaald door de affectieve bindingen tussen de werknemers onderling. Deze informele persoonlijke bindingen zijn niet alleen van betekenis voor het arbeidsklimaat en de bedrijfsatmosfeer, maar zijn ook van cruciale betekenis voor het prestatievermogen en dus voor de produktiviteit van een onderneming. Affectieve bindingen vormen de bouwstenen voor solidariteitsculturen die zich in arbeidsconflicten ontwikkelen en daarin op hun beurt de onderlinge solidariteit bestendigen.

Affectieve motieven spelen dus een belangrijke rol in al ons economische handelen. In de neoklassieke leer wordt deze rol meestal in negatieve termen omschreven omdat men ervan uitgaat dat menselijke gevoelens irrationele elementen zijn die een negatieve invloed hebben op rationele besluitvorming. Affectieve (en zoals we hieronder nog zullen zien ook normatieve) factoren zijn in het neoklassieke besluitvormingsmodel slechts hinderlijke factoren, die daarom meestal volledig worden genegeerd als het gaat om de doel- en middelenselectie. We hebben hiervoor echter gezien dat affectieve overwegingen een rol spelen bij alle soorten economisch handelen en bij alle typen economische of economisch relevante keuzes. Affectieve factoren beïnvloeden niet alleen de mate waarin informatie wordt verzameld, de wijze waarop die informatie wordt doorgegeven, en de conclusies die men uit deze informatie trekt, maar ook de opties die in overweging worden genomen en de opties die uiteindelijk gekozen worden [Etzioni 1988:94].

Er zijn veel discussies gevoerd over de vraag of en in hoeverre affectieve overwegingen rationeel zijn. Het empirisch onderzoek van dit thema heeft in ieder geval twee algemene inzichten opgeleverd. Ten eerste is de rationaliteit van affectief gemotiveerd gedrag afhankelijk van specifieke omgevingscondities en van de relatieve kracht van de emoties: we moeten dus telkens de specifieke voorwaarden benoemen waaronder affecten produktief zijn en waaronder zij rationele besluitvorming ondermijnen. Ten tweede lijkt er een curvilineaire relatie te bestaan tussen het niveau van affectie en dat van rationaliteit: wanneer het niveau van affectie erg laag is, worden er vaak geen beslissingen genomen wanneer het rationeel zou zijn om dit te doen; wanneer het affectieniveau te erg hoog is leidt dit vaak tot ontregeling van bewuste of rationele overwegingen; op gemiddelde niveaus van affectie wordt rationele besluitvorming vergemakkelijkt [Etzioni 1988:104, in aansluiting op Woodworth/Schlosberg 11954; Holsti 1971:57].

Een goed overzicht van het onderzoek naar de verschillende effecten van affecties op economisch handelen geven Rik Pieters en Fred van Raaij [1987]. Zij onderscheiden vier significante functies.

Dit is misschien geen uitputtende lijst van alle functies die affecten hebben op ons economisch gedrag. Het demonstreert echter wel de onhoudbaarheid van de stelling dat onze gevoelens en emoties per definitie een negatieve invloed hebben op de rationaliteit van onze beslissingen. Affecten spelen vaak een positieve rol in rationele besluitvormingsprocessen. De rationaliteit van onze keuzes wordt slechts door emoties beperkt wanneer deze zo heftig zijn dat zij de besluitvormingscontext inperken en wanneer de alternatieve gedragsmogelijkheden te zwaar emotioneel worden geladen.

Index3. Strategische oriëntaties

Strategische oriëntaties constitueren strategische vormen van economisch bewustzijn en motiveren strategische vormen van economisch handelen. Het daarmee ideaaltypisch corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is belangen. Dit mechanisme wordt behandeld in VI:3.

Strategisch economisch handelen is economisch handelen dat gericht is op het realiseren van eigen doelen die als particuliere doelen tegenover de doelen van andere actoren staat. Deze doelen worden gedefinieerd als tegenstrijdige belangen. Men kan zich bijvoorbeeld strategisch oriënteren op de eigen individuele, afdelings-, beroeps- of inkomensbelangen tegenover de belangen van andere individuen, afdelingen, beroepen of inkomensgroepen. Strategische oriëntaties vormen de grondslag voor gedeelde belangen en belangendefinities. Het geheel van groepsspecifieke belangendefinities kan als strategisch bewustzijn worden omschreven. Strategisch bewustzijn omvat zowel definities van de eigen individuele en/of collectieve belangen als die van andere individuen of groepen. Het omvat dus per definitie ook vergelijkingen, dat wil zeggen van verschillen en tegenstellingen tussen belangen. Strategisch bewustzijn manifesteert zich in strategische, dat wil zeggen op belangenbehartiging gerichte vormen van economisch handelen.

Index4. Normatieve oriëntaties

Normatieve oriëntaties constitueren ethisch of morele vormen van economisch bewustzijn en motiveren normatief economisch handelen. Het daarmee ideaaltypisch corresponderende mechanisme van handelingscoördinatie is legitimiteit. Dit mechanisme wordt behandeld in VI:5.

Economische actoren kunnen zich normatief oriënteren op groeps-, beroeps- of klassespecifieke ethieken of op universalistische (humanitaire, communautaire, internationalistische, democratische, anti-discriminerende enz.) ethieken. Normatieve oriëntaties vormen de grondslag voor gedeelde waardepatronen en waarderingen en in het bijzonder voor gedeelde rechtvaardigheidsnormen. De normatieve dimensies van de identiteit van economische actoren zal ik als ethisch of moreel bewustzijn omschrijven.

Moraliteit en zedelijkheid
Zoals eerder opgemerkt - zie noot 1 - geef ik de voorkeur aan 'zuiver', d.w.z. van zedelijkheid afgebakend begrip van moraliteit. Veel sociologen en historici opereren daarentegen met een samengesteld begrip waarin moraliteit (normatieve oriëntaties), zedelijkheid (traditionele oriëntaties) en sentimentaliteit (affectieve oriëntaties) versmelten tot een moeilijk te ontwarren amalgaam van ‘waarden + gevoelens + zeden’, die worden afgezet tegenover ‘ideeën’. Zij willen daarmee tot uiting brengen dat moraliteit geen autonome regio van de menselijke rationaliteit is en niet onafhankelijk van het historisch proces ontstaat. De gemengde notie van ‘morele sentimenten’ van de historicus Thompson [1987:363] is hiervan een duidelijk voorbeeld.

Moraliteit en sentimentaliteit liggen echter lang niet altijd in elkaars verlengde en vallen zeker niet altijd samen. Voor moraliteit en zedelijkheid geldt dit misschien wel in nog sterkere mate. In de conventionele ontwikkelingsfase van de maatschappij "had de moraliteit zich nog niet losgemaakt van de zedelijkheid ... en zich nog niet als moraliteit verzelfstandigd. De verplichtingen zijn nog zo sterk ingebed in concrete levensgewoontes, dat zij hun evidentie kunnen ontlenen aan achtergrondzekerheden. Vragen naar de rechtvaardigheid worden hier in de directe omgeving van de altijd al beantwoorde vraag van het goede leven gesteld" [Habermas 1984: 178]. Een scherp begrip van moraliteit kan pas in de postconventionele ontwikkelingsfase worden geformuleerd [Habermas 1985/9:78-109; 1988:40 e.v.].

Zowel vanuit dit sociaal-historisch ontwikkelingsperspectief als om theoriestrategische redenen geef de voorkeur aan een van zedelijkheid en solidariteit afgebakend begrip van moraliteit. De vruchtbaarheid daarvan kan uiteraard alleen in empirisch sociologisch en historisch onderzoek bewezen worden. Ik kan hier slechts proberen de theoriestrategische voordelen plausibel te maken.

Moreel economisch bewustzijn omvat het geheel van:

Neoklassieke economen veronderstellen dat de preferenties van economische actoren ondubbelzinnig (‘schoon’) zijn: wanneer de prijs en de kwaliteit van een produkt of dienst gegeven is, wordt verwacht dat een consument op een gegeven inkomensniveau een voorkeur heeft om het item te kopen of duidelijk af te wijzen. Wanneer een identiek artikel of dienst tegen een lagere prijs wordt aangeboden, wordt verwacht dat de consument overgaat tot het kopen van het goedkopere product of dienst. In werkelijkheid is het economisch handelen en zijn de keuzes die actoren maken veel ambivalenter omdat zij zijn geladen met morele overwegingen.

Omdat Adam Smith meestal wordt aangeroepen als grondlegger van de leer van de homo economicus is het in dit verband niet overbodig op te merken dat Smith zelf wel degelijk oog had voor de betekenis van morele gedragsregels in het economisch verkeer. “Those general rules of conduct, when they have been fixed in our mind by habitual reflection, are of great use in correcting misrepresentation of self-love concerning what is fit and proper to be done in our particular situation” [Smith 1790:160].
Actoren handelen niet alleen op grond van zuiver economische of utilitaire overwegingen, maar ook op grond van morele overwegingen. Hierdoor ontstaat een bijzonder fenomeen waarvoor in de neoklassieke verklaringsmodellen geen plaats is: in het economisch gedrag van mensen komt het gelijktijdig bestaan van twee onverenigbare preferenties tot uitdrukking. Morele en utilitaire overwegingen zijn van een kwalitatief geheel andere orde en kunnen daarom niet direct met elkaar worden vergeleken en zeker niet op een berekenende manier tegen elkaar worden afgewogen. De marktmodellen van de neoklassieke economie zijn ook op dit punt volledig onbruikbaar omdat zij alleen maar kunnen werken wanneer er een rationele afweging van marginale kosten en baten gemaakt kan worden.

Afweging van utilitaire en morele overwegingen
Zie voor een economische formulering van dit afwegingsprobleem: Schelling [1984b]. Zie voor een sociologische formulering: Etzioni [1988:70]. Etzioni hanteert weliswaar een te eenvoudig dichotoom model waarin ‘N/A factors’ (normatieve & affectieve factoren) worden gecontrasteerd met ‘L/E factors’ (logische-empirische factoren), maar biedt door zijn inventieve en sensibele toepassing van dit model toch inzicht in meervoudige bepaaldheid en de tegenstrijdigheden van het economisch handelen. Zijn analyse van de conflictuele verhouding tussen morele en utilitaire preferenties behoort tot het beste wat er op dit gebied te lezen valt.

Het is aan economen zoals Becker [1976, 1981/91] en Zelizer [1985] voorbehouden om bijvoorbeeld ook het ‘aanschaffen’ van kinderen in te passen in een economisch kosten-batenmodel dat op de aanschaf van duurzame consumptiegoederen is gebaseerd. In hun ‘new home economics’ wordt niet alleen de deling van huishoudelijke taken tussen mannen en vrouwen, maar ook het krijgen van kinderen uitsluitend benaderd met een efficiëntie-criterium dat ontleend wordt aan de standaardeconomische vooronderstelling van het maximaliseren van huishoudelijk inkomen. Dit heeft een aantal verrassende resultaten opgeleverd, zoals het inzicht dat de toenemende vraag naar anticonceptiemiddelen eerder een gevolg is van de afnemende vraag naar kinderen dan omgekeerd.

In een historisch exposé heeft Becker ook laten zien dat er een specifieke samenhang bestaat tussen de afnemende vraag naar kinderen en de toename van het inkomen: ‘de effectieve prijs van kinderen’ (in termen van andere niet aangeschafte goederen) stijgt wanneer het inkomen toeneemt. Ouders worden opgevat als utiliteitsmaximaliseerders. In hun utiliteitsfunctie wordt niet alleen het aantal kinderen opgenomen, maar ook de kwaliteit van elk kind (en wel zodanig dat kwaliteit en kwantiteit van kinderen elkaar partieel substitueren). Het gevolg hiervan is dat een verhoging van de prijs voor het krijgen en opvoeden van een kind (onafhankelijk van kwaliteit) leidt tot een substitutie van kwaliteit voor kwantiteit. Dat wil zeggen het aantal kinderen wordt verder gereduceerd en de kwaliteit van elk kind neemt toe (door grotere uitgaven voor onderwijs en training). Er vind dus een louter economisch gemotiveerde afweging plaats tussen kwantiteit en kwaliteit van kinderen. Deze afweging is zeer gevoeling voor de prijs per kind, d.w.z. van de kosten van het hebben en opvoeden van kinderen.

De keuze om al dan niet kinderen te nemen lijkt door deze economen slechts op een manier begrepen te kunnen worden: nl. door deze keuze te vergelijken met het kopen van duurzame consumptiegoederen resp. te reduceren tot een economische afweging (‘trade-off’) voor het kopen van andere goederen. De beslissing om een kind te nemen en de beslissing om een auto te kopen zijn echter totaal verschillend, juist omdat de er bij de eerste beslissing zwaarwegende morele overwegingen in het geding zijn. Men kan een auto kopen die volledig overeenkomt met de eigen voorkeuren m.b.t. prestatievermogen, grootte, kleur, assessoires en prestige. Als men een kind neemt spelen persoonlijke voorkeuren voor sekse, grootte, kleur van ogen en haar, fysieke en mentale gezondheid praktisch geen enkele rol (zolang men even abstraheert van de mogelijkheden van moderne genetische manipulatietechnieken). Als de gekochte auto mankementen vertoont, kan men bij de autodealer verhaal halen (men krijgt niet voor niets garantie) en als de auto na een tijdje niet bevalt kan men hem inruilen of doorverkopen. Bij een kind ligt dit volstrekt anders, omdat aan het nemen van een kind voor de meeste mensen een levenslange morele verplichting verbonden is. Als de baby niet beantwoord aan de specifieke verwachtingen of een aantal mankementen vertoond, kan het niet meer worden teruggegeven (men krijgt geen enkele garantie). Als een kind vervelend gaat doen of niet meer in het eigen levenspatroon past dan kan het niet zomaar worden ingeruild en bestaan er grote morele en juridische blokkaders om het als ‘tweedehands’ kind door te verkopen. Om al deze redenen is de vergelijking tussen de aanschaf van duurzame consumptiegoederen en het nemen van een kind een misleidende metafoor - alleen in het gunstigste geval is het slechte poëzie.

Ik zal hiervoor een aantal empirische indicaties geven.

  1. Uitsluiting van objecten van de markt
    ‘Geld koopt in toenemende mate bijna alles’ (Weber). Geld is een uiterst potente indirecte bron welke in de meest uiteenlopende maatschappelijke verhoudingen als machtsbron gebruikt kan worden. Geld is net zoals geweld bijna universeel bruikbaar.
      “In maatschappijen met een ontwikkelde waren- en geldcirculatie functioneert geld … als god van alle waren en als een bijna universele sleutel voor alle markten (voor arbeidsmiddelen, arbeidskrachten, alle consumptiemiddelen). En dat geldt niet alleen voor de markten van materiële goederen, maar ook voor de ‘markten’ van gezondheid en recreatie, van huwelijk en erotiek, van kunst en het zieleheil, van ‘welzijn en geluk’, van opvoeding en onderwijs, van informatie en politieke beslissing, van recht en van geweld. Geld koopt dus (bijna) alle andere indirecte bronnen” [Bader/Benschop 1988:143; vgl. p. 166]
    De bruikbaarheid van geld wordt echter enerzijds beperkt door gebruiken, zeden, conventies of juridische regulaties (die lang niet altijd feitelijk effectief zijn) en door emotioneel, traditioneel, en/of normatief gemotiveerde vormen van sociale sluiting [Bader 1991:273]. Morele overwegingen kunnen zo sterk zijn dat zij feitelijk verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van niet-markten in sommige gebieden en zeer gebrekkige markten in andere [Etzioni 1988:76].

    Het meest sprekende voorbeelden hiervan is dat sommige objecten in sommige maatschappijen als geheel of voor sommige groepen daarbinnen op grond van morele overwegingen worden uitgesloten van handel. In burgerlijke maatschappijen wordt het op morele grond uitgesloten —en daarom meestal ook wettelijk verboden— dat men mensen koopt en verkoopt. In de dominante morele cultuur wordt slavernij als 'verwerpelijk', 'onethisch', 'immoreel' afgekeurd.

      Niet alleen de handel in slaven is verboden, maar ook de verkoop van jezelf als slaaf wordt uitgesloten. Dit laatste noemt Okun [1975:20] “prohibitions on exchanges born of desperation.”

      In burgerlijke maatschappijformaties worden de objecten van eigendom beperkt tot ‘zaken&rsquol. Deze beperking werd door het liberalisme ingezet tegen feodale verhoudingen: tegen slavernij en lijfeigenschap (uitsluiting van eigendom van mensen) en vóór vrij en ongebonden privé-eigendom. Het andere leerstuk van het liberalisme was de radicale scheiding tussen eigendom en heerschappij. Deze werd ingezet tegen absolutistische verhoudingen: tégen de private toeëigening van politieke macht inabsolute monarchieën en vóór de verdediging van het publieke karakter van politieke rechten en ambten.

    Dergelijke morele overwegingen hebben ook geleid tot de terugdringing van vrouwenhandel en van baby- en kinderhandel.
    In sommige landen, zoals de Verenigde Staten bestaat een levendige handel in bloed. In andere landen worden zijn commerciële bloedbanken verboden of wordt het ontstaan van bloedhandel min of meer effectief ontmoedigd [Titmuss 1970].
    In veel landen wordt de commerciële handel in menselijke organen en in bloed moreel gediscrediteerd en soms wettelijk verboden. In bijna alle culturen bestaan er moreel verankerde conventies en daarop aansluitende juridische regelingen die de handel in wapens, drugs en pornografie aan banden leggen of verbieden. Degenen die zich daar toch met deze mee inlaten stuiten op een betrekkelijk algemene en praktisch voelbare afkeuring en worden op morele gronden sociaal uitgesloten. Een bekend voorbeeld hiervan is de verstoting van 'gevallen vrouwen' die zich hebben laten prostitueren of die tot prostitutie gedwongen werden. Juist dit laatste voorbeeld maakt duidelijk dat er zowel historisch als intercultureel enorme verschillen bestaan in de mate waarin de voor commerciële doeleinden 'verboden vruchten' daadwerkelijk moreel worden gediscrediteerd. De afstand tussen de in sommige fundamentalistische culturen nog steeds gebruikelijke steniging van hoeren en de op feministische gronden gestoelde bestrijding van prostitutie, en tussen het conventionele en wettelijke verbod op pooierschap en de erkenning van prostitutie als een 'normale vorm van dienstverlening' lijkt in moreel opzicht alleen in lichtjaren gemeten te kunnen worden.

    Er zijn nog meer items die de meeste actoren niet als legitieme objecten voor economische ruil beschouwen. Walzer [1983:100 e.v.] stelde een —overigens niet uitputtende— lijst op van 14 categorieën van geblokkeerde ruil, dat wil zeggen van goederen of diensten die op morele gronden beschermd worden tegen koop en verkoop. Naast de reeds eerder genoemde behoren daarbij ook huwelijk (er worden geen vergunningen voor polygamie verkocht), fundamentele vrijheden (individuele vrijheidsrechten mogen niet worden doorverkocht; iedereen heeft vrijheidsrechten zonder er voor te betalen), academische titels (men mag geen diploma's kopen of verkopen) en zieleheil (er mogen geen aflaten meer worden verkocht).

      Zie voor een typering van de economische betekenis van aflaathandel: Benschop [1988:168-70].

    Al deze objecten worden niet meer of nog slechts marginaal verhandeld. De morele afkeuring van de handel in dergelijke objecten is in de meeste gevallen zo sterk, dat dit alleen nog gebeurt door 'amorele lieden' in de grijze en criminele marges van de burgerlijke maatschappij. Zij overtreden schaamteloos het morele taboe dat berust op commerciële uitbating van deze objecten. Zolang zij zich bovendien handig weten te onttrekken aan de op deze taboe's aansluitende wettelijke verboden en sancties, zijn zij in staat om uiterst lucratieve zaken te doen in de handel van mensen (slaven, vrouwen, baby's, kinderen), menselijke organen en menselijk bloed, heroïne en cocaïne, wapens enzovoort.

      De illegalisering van deze handel steunt op zwaarwegende morele gronden en werkt via strafdreiging die verbonden is met het positieve recht. Door deze dreiging zal men om strategische opportuniteitsredenen afzien van de inzet van geïllegaliseerde bronnen of men probeert deze wetten te ontduiken. In dit laatste geval zet men de geïllegaliseerde bronnen toch heimelijk in en maakt men er semi-officieel, inofficieel, of crimineel gebruik van [Bader/Benschop 1988:170].

    Er zijn een groot aantal objecten die volledig of grotendeels aan de markt, en aan het vraag- en aanbod mechanisme worden onttrokken. Morele overwegingen spelen niet alleen een rol bij de uitsluiting van bepaalde goederen en diensten van de markt, maar hebben ook een belangrijke invloed op de manier waarop actoren zich op de goederen- , geld- en arbeidskrachtenmarkten gedragen.

  2. Koop- en consumptiegedrag
    Morele overwegingen spelen een rol in het koop- en consumptiegedrag. Een bekend voorbeeld van het eerste is dat mensen soms de voorkeur geven aan een produkt dat in hun directe omgeving of in hun eigen land vervaardigd is omdat zij zich moreel verplicht voelen om hun lokale of nationale producenten te steunen. Ortodoxe joden zullen geen varkensvlees kopen of verkopen ook al biedt met dit tegen nog zo'n lage prijs aan of al kan hier nog zo'n grote winst op gemaakt worden.

  3. Leen- en investeringsgedrag
    Morele overwegingen spelen een rol inhet leen- en investeringsgedrag. Het klassieke voorbeeld is het religieus verbod op woeker, d.w.z. het heffen van rente op geldleningen. Een bekend modern voorbeeld is de voorkeur die veel mensen geven aan kredietkaarten en bank-cheques boven het sluiten van een lening, ook al betaalt men voor leningen een lagere rente. Veel mensen beschouwen de uitgaven die zij met kredietkaarten of bankcheques financieren niet als een lening of het aangaan van een schuld, maar als 'uitgestelde betalingen'. Daarmee overbruggen zij de dissonantie tussen hun morele gevoel 'dat schulden maken verkeerd is' en hun wens om krediet te gebruiken [Maital 1982:142 e.v.; Katona 1975:272 e.v.].

    Ondernemers kunnen op morele gronden besluiten om niet te investeren in nationale economieën die opereren onder politiek verwerpelijke politieke regimes, zoals het apartheidsregime, een fascistisch of een dictatoriaal regime. Werknemers kunnen op morele gronden besluiten om geen goederen meer te importeren uit landen met in hun ogen verwerpelijke regimes, of van specifieke ondernemers die in een actueel conflict staan met hun personeel.

  4. Gedrag op arbeidsmarkt en in arbeidsorganisatie
    Protestantse ethiek
    Het klassieke voorbeeld van de betekenis van morele contexten voor het handelen van economische actoren is Weber's analyse van de werking van de protestantse ethiek. Zijn centrale stelling is dat religieus geloof een direct effect heeft op economische activiteiten van een sociale groep. Theologische leerstellingen schiepen een accuut gevoel van onzekerheid m.b.t. verlossing, waardoor de arbeidsgewoontes en het ascetisme van de parochianen werden geïntensiveerd. Dit puriteinse credo werd geseculariseerd naarmate de angst voor onzekerheid afnam en mensen meer vertrouwen kregen in het voorbestende samenvallen van deugd en succes [Weber, PE en Bendix 1956:202 e.v.].
    Morele overwegingen werken door in de manier waarop arbeiders met ondernemers omgaan, en omgekeerd. Ondernemers kunnen besluiten om bepaalde arbeiders niet aan te nemen omdat zij aanhangers zijn van een in hun ogen moreel verwerpelijk geloof of politieke partij. Werknemers kunnen om vergelijkbare reden besluiten om hun arbeidskracht niet aan te bieden aan bepaalde ondernemers.

    Ondernemers voldoen aan hun morele verplichtingen ten opzichte van hun personeel wanneer zij arbeiders die langdurig in dienst zijn geweest een gouden horloge, een vakantie of een geldsom aanbieden, of wanneer zij deze arbeiders een royalere aanzegperiode voor ontslag toestaan dan waartoe zij wettelijk zijn verplicht.

    Werknemers voldoen aan hun morele verplichtingen ten opzichte van hun ondernemers wanneer zij zonder gezeur een aantal extra uren maken wanneer dit voor de bedrijfsvoering gewenst is, of wanneer zij hun vrijwillige ontslag eerder aanmelden dan waartoe zij wettelijk verplicht zijn.

    Juist in dit soort gevallen wordt duidelijk dat er een tamelijk diffuse relatie bestaat tussen globale morele houding en het tamelijk brede scala van specifieke handelingen waarmee mensen aan hun morele verplichtingen voldoen.

      Vanuit algemeen sociologisch perspectief: Parons [1937], vanuit een economisch sociologisch perspectief: Etzionie [1988:74 e.v. ], en vanuit een antropologisch perspectief: J. C. Scott [1985:198].

    • Ondernemers kunnen zich moreel verplicht voelen om 'iets' te doen wanneer een werknemer hem 25 jaar trouw gediend heeft - maar wat of hoeveel moet hij geven om aan deze verplichting te voldoen? Vooral in kleine ondernemingen bestaat vaak een slecht gedefinieerd, maar desalniettemin effectief gevoel dat men 'enige' verplichtingen heeft ten opzichte van loyale werknemers met een lange staat van dienst en dat men 'iets' voor hen 'hoort te' [Etzioni 1988:74]. Aan de verplichting kan worden voldaan door een groot aantal alternatieve handelingen die sterk in prijs verschillen. Wanneer er expliciete verplichtingen zijn, bestaat vaak het idee dat met 'meer' zou moeten doen. Ook in dat geval blijft echter diffuus wat 'meer' is of wanneer men 'meer dan zijn plicht' heeft gedaan.

    • Werknemers kunnen zich moreel verplicht voelen om overuren te maken wanneer dit vanuit bedrijfseconomische overwegingen noodzakelijk is - maar hoe regelmatig moet men hoeveel uur overwerken tegen welke voorwaarden om deze morele verplichting gestand te doen? Of algemener: werknemers hechten aan een 'rechtvaardig loon voor fatsoenlijke arbeid' - maar hoe hoog moet het loon precies zijn om als 'rechtvaardig' gedefinieerd te kunnen worden, en welke soorten arbeid zijn in moreel opzicht niet meer fatsoenlijk?

    Dit maakt duidelijk dat de morele context van het economisch handelen geen dwangbuis is, maar een context in de meest letterlijke zin van het woord: het biedt een kader waarbinnen het concurrentiële economische handelen zich voltrekt en waarbinnen de conflicten tussen economische actoren worden uitgevochten.

    De wijze waarop mensen binnen arbeidsorganisaties worden behandeld heeft een grote invloed op hun motivatie, hun coöperatieve houding, hun prestaties en hun produktiviteit. De wijze waarop de arbeid bedrijfsintern wordt verdeeld, georganiseerd en gecontroleerd heeft niet alleen morele kwaliteiten, maar ook morele consequenties.

    • De morele kwaliteit van de wijze waarop de arbeid wordt verdeeld komt bijvoorbeeld tot uiting in het als 'onmenselijk' gedefinieerde karakter van kortcyclische, repetetieve deelarbeid en in de als 'discriminerend' ervaren deling tussen 'mannentaken' en 'vrouwentaken'.
    • De morele kwaliteit van de wijze waarop de arbeid wordt gecoördineerd en gecontroleerd komt bijvoorbeeld tot uiting in het als 'onderdrukkend' ervaren karakter van autoritaire gezagsvormen en in het de als 'denigrerende' ondergane karakter van allesomvattende controlesystemen. Wat ondernemers en management als 'rationele', 'efficiënte' en 'doelmatige' arbeidsdelingen, organisatie- en gezagsvormen definiëren, kan door hun werknemers moreel worden gediscrediteerd als institutionalisering van exploitatie- en dwangverhoudingen. Wat door ondernemers gezien wordt als een noodzakelijk instrumentarium om arbeidsproduktiviteit af te dwingen, discipline tot stand te brengen, lijntrekken en bedrijfsdiefstal te voorkomen, kan door hun werknemers op morele gronden worden verworpen omdat zij deze hele disciplinaire machinerie ervaren als geïnstitutionaliseerd wantrouwen en als een schending van hun gevoel van eigenwaarde.
        In zijn beroemde studie over het Hawthorne bedrijf heeft Elton Mayo al laten zien dat de norm van het arbeidscollectief een bepalende factor is voor de inspanning van de arbeiders. “The working group as a whole actually determined the output of individual workers by reference to a standard, predetermined but clearly stated, that represented the group’s conception of a fair day’s work. The standard was rarely, if ever, in accord with the standards of the efficiency engineers” [Mayo 1949:70].
    De morele consequenties daarvan zijn globaal wel bekend. Voor ondernemers en management kan het gevolg zijn dat zij zich steeds meer bevestigd voelen in hun opvatting dat men werknemers geen substantiële verantwoordelijkheden en beslissingsrechten kan toevertrouwen en zij zich zelf als industriële elite nog meer gaan toeleggen op het verfijnen van het controle-apparaat. Voor werknemers is het gevolg meestal dat hun gevoel van eigenwaarde gekrenkt wordt, zij hun zelfrespect verliezen en zich overgeven aan een soort 'gelatenheid' die het beste omschreven kan worden als existentieel en overwegend strategisch gemotiveerd fatalisme. Dit fatalisme moet niet worden verward met een normatieve instemming met de bestaande verhoudingen, zoals dit in het ethisch of religieus gemotiveerde fatalisme het geval is [Lockwoord 1992:39 e.v.,51 e.v. en in aansluiting daarop: Benschop 1993:12, 468 e.v.] Het is geen 'naïef' maar een 'geïnformeerd' fatalisme dat in de sociologische literatuur meestal als 'resignatie', 'instrumentalisme' of 'pragmatisme' wordt omschreven. Existentieel fatalisme is een bijzondere vorm van het zich neerleggen bij de bestaan verhoudingen: het is een primair strategische gemotiveerde acceptatie van het bestaande, die onderscheiden moet worden van andere vormen, zoals traditionele acceptatie, affectieve internalisatie en normatieve instemming.

    Bij een deel van de moderne ondernemers, managers en organisatiedeskundigen begint het besef door te dringen dat er een specifiek verband bestaat tussen enerzijds de morele kwaliteiten van de arbeidsorganisatorische verhoudingen (of het gebrek daaraan) en anderzijds de enorme organisationele en transactionele kosten. In het algemeen kan men zeggen dat hoe sterker de morele verplichtingen zijn die werknemers ervaren ten aanzien van hun werksituatie, des te lager zijn de transactiekosten die nodig zijn voor het uitwerken van expliciete en gedetailleerde contracten en voor de toezichthoudende en disciplinaire taken en functionarissen die nodig zijn om deze contracten effectief af te dwingen. Of specifieker: hoe sterker de innerlijke morele binding met de bijzondere aard van de arbeid en met de organisationele verhoudingen waarbinnen deze verricht wordt, des te minder er geïnvesteerd hoeft te worden in uiterlijke dwang en beheersvormen die ervoor moeten zorgen dat de door ondernemers ingehuurde arbeidstijd van de werknemer ook daadwerkelijk wordt omgezet in arbeidsprestaties.

      “… to the extent that moral commitments enhance the resources that can be dedicated to economic activity rather than to supervision and verification, a higher level of morality increases productitivity and the GNP” [Etzioni 1988:69].

    Zie voor de productiviteit beperkende invloed van 'snaaien' e.d.: Denison [1979].
    Het verband tussen productiviteit en moraliteit is het meest direct (hoewel meestal onzichtbaar) bij het 'snaaien' (diefstal van bedrijfsbronnen door werknemers en het 'lijntrekken', het 'lummelen in de tijd van de baas'. Studies over ziekteverzuim en absenteïsme wijzen in dezelfde richting. Ziekteverzuim en absenteïsme zijn de belangrijkste indicatoren van slechte arbeidskwaliteit.

    Een slechte organisationele 'cultuur' of 'atmosfeer' wordt meestal geïndiceerd door een relatief laag motivatieniveau van organisatieleden en door een geringe identificatie met de dominante organisationele doelen. Daarom kan men veronderstellen dat er een negatieve correlatie bestaat tussen de beheersingskosten van een organisatie en de prestatie- en aspiratieniveaus van haar leden. Simpel gezegd: een in moreel opzicht slechte bedrijfscultuur of -atmosfeer brengt hogere beheersingskosten en een lagere productiviteit met zich mee.

    De transactiekosten van een goede atmosfeer
    Het is mijns inziens gewenst en mogelijk om (wezenlijke aspecten van) de organisatiecultuur te incorporeren in het transactiekostenmodel. Dat is geen voor de hand liggende optie. De menselijke actoren waarmee de transactiekosten economie opereert zijn immers sterk berekenende egoïstische individuen zonder moraal. Ik denk niet dat dit komt omdat de economie nu eenmaal een wat berekenende en deprimerende wetenschap is, of omdat Williamson zelf een wat sombere, zeg maar gerust cynische blik heeft op 'de menselijke natuur' - en niet de menselijke natuur 'zoals die is', maar 'zoals door hem ervaren'. Het gaat er veeleer om dat Williamson in zijn strategische handelingsanalyse een aantal reducties inbouwt, die de fundamenten van zijn theorie verzwakken. Williamson [1985:44 -noot 3] suggereert dat hij geprobeerd heeft naast 'beperkte rationaliteit' en 'opportunisme' nog een derde gedragsmatige vooronderstelling in zijn model op te nemen, namelijk waardigheid ('dignity'). Hij ziet dit als een mislukte poging, maar hoopt dat deze lacune nog wordt opgevuld.

    Waarom is het zo moeilijk is om morele overwegingen in het transactiekostenmodel in te bouwen? En hoé zou dit kunnen gebeuren? Williamson beseft dat juist in het kapitalisme de menselijke waardigheid wordt ondergewaardeerd en dat er meestal institutionele garanties nodig zijn om dit te corrigeren (bijvoorbeeld in de vorm van arbeidsrecht). Hij voelt ook intuïtief aan dat niet alleen de rationaliteit van substantiële resultaten van belang is, maar ook de effecten van het proces op de participanten. Daarmee corresponderen twee rationaliteitsniveaus. Het laagste niveau is dat van de rentabiliteitsberekening. Het hogere rationaliteitsniveaus is dat van het Kantiaanse morele imperatief: behandel iemand nooit als een louter middel, of bijbels geformuleerd: 'wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan anderen niet'.

    De eerste doelstelling kan worden bereikt door een zorgvuldig gebruik van institutionele garanties: kortzichtigheid van managers kan tot op zekere hoogte worden beperkt wanneer de rentabiliteitsberekening van de onderneming als geheel wordt gebruikt als grondslag voor adequate toezichthoudende beperkingen. Goed geïnformeerde besluitvormers op hogere niveaus zouden dergelijke organisationele hervormingen kunnen implementeren.

    Ook als men wel vertrouwen heeft in dergelijke 'hervormingen' zou men toch moeten erkennen dat zij gemakkelijk kunnen afwijken van het Kantiaanse morele imperatief. Het kenmerk van het kapitalisme is en blijft immers dat daarin de relaties tussen personen worden uitgedrukt en ervaren als relaties tussen dingen en dat mensen elkaar beoordelen zoals zij objecten waarderen [Horvat 1982:90-1].

    Vanuit de neoklassieke economische standaardtheorie kunnen dergelijke problemen niet worden opgelost. Het veiligstellen van bedrijfsspecifieke waarden (in de vorm van 'menselijk kapitaal') is betrekkelijk gemakkelijk, maar ook zeer omstreden. De cruciale vraag is of er niet andere of verdergaande morele waarden zijn die ondersteuning verdienen, wat daarvan de comperatieve institutionele implicaties zijn, en welke afwegingen daarbij gemaakt moeten worden. Williamson geeft daarop zelfs niet het begin van een antwoord. Zijn conclusie is mager en teleurstellend: het belang van 'waardigheid' moet weliswaar worden onderkend, maar de calculerende op efficiency gerichte benadering van de transactiekosten-economie is niet geschikt om deze thematiek te verwerken.

    Dit is een typisch voorbeeld van een gemiste kans. Er is al vaker op gewezen dat in Williamson's model geen systematische plaats is ingebouwd voor de culturele en symbolische aspecten van de bedrijfsorganisatie. Maar ook zijn critici geven helaas nooit aan op welke manier men het 'culturele perspectief' kan integreren in of betrekken op een 'transactiekosten perspectief'. Zij beperken zich meestal tot de nogal lapidaire verklaring dat de organisatiecultuur belangrijk is en dat daaraan speciale aandacht besteed zou moeten worden, liefst in de vorm van een eigensoortige theorie van organisatieculturen.

    Dat organisatieculturen van belang zijn is - ook aan Williamson! - bekend. Het spannende probleem is of men een organisationeel verklaringsmodel kan construeren waarin wordt aangegeven hoe (op welke punten en op welke wijze) transactiekosten economische en culturele structuren en processen op elkaar ingrijpen. Het transactiekostenmodel is misschien niet het meest aangewezen kader om lastige probleem op te lossen, maar het is op dit punt zeker voor revisie en uitbreiding vatbaar.

    De morele 'waarden' die in een organisatie gekoesterd worden en de organisationele 'atmosfeer' zouden op een systematische wijze in het transactiekostenmodel kunnen worden geïntegreerd. Zoals gezegd wordt een slechte organisationele 'cultuur' of 'atmosfeer' meestal geïndiceerd door een relatief laag motivatieniveau van organisatieleden en door een geringe identificatie met de dominante organisationele doelen. Daarom lijkt het plausibel te veronderstellen dat er een negatieve correlatie bestaat tussen de (als vorm van transactiekosten gedefinieerde) beheersingskosten van een organisatie en de moreel of affectief gemotiveerde prestatie- en aspiratieniveaus van haar leden. De stelling is dus dat een in moreel of affectief opzicht slechte bedrijfsatmosfeer hogere beheersingskosten met zich meebrengt.

    Wanneer deze stelling verdedigbaar is, dan biedt ze een uitgangspunt om (wezenlijke aspecten van) de organisatiecultuur in het transactiekostenmodel te incorporeren. Dat daarmee het grof utilitaristische raamwerk van Williamson's transactiekostenmodel nog sterker onder druk komt te staan, is een bijkomend voordeel.

  5. Inkomensgedrag
    Veel mensen die recht hebben op een uitkering maken niet van dit recht gebruik omdat zij het ontvangen van een sociale uitkering als een stigma ervaren. Zij weigeren hun uitkering omdat zij arbeidsloos inkomen zelf als iets moreel verwerpelijks zien, of omdat zij aannemen dat dit in de maatschappelijk dominante cultuur als iets immoreels wordt gedefinieerd.
      “De normen van de marktgeoriënteerde maatschappij, die behoren bij het geloof in de markt, leiden ertoe dat het niet op eigen kracht in het levensonderhoud kunnen voorzien als afkeurenswaardig wordt beschouwd” [Van Oorschot 1989:12].[32]

    Niet-gebruik van sociale zekerheid
    Dat personen of huishoudens niet of niet volledig de sociale zekerheidsprestatie(s) onvangen waar zij krachtens de wetgeving recht op hebben, heeft natuurlijk meerdere oorzaken. De oorzaken voor het niet-gebruik van sociale zekerheid liggen op het niveau van de sociale wetgeving (zoals complexiteit, grote regeldichtheid, het hanteren van van inkomens- of vermogenstoetsen, de vaagheid van begrippen), de uitvoering (vernederende behandeling, vermenging van hulp- en controlefuncties, gebrekkige communicatie met cliënten, hanteren van ingewikkelde formulieren, gebrekkige administratie) en op het niveau van de cliënten. Op cliëntniveau wordt niet-gebruik van sociale zekerheid o.a. bepaald door onbekendheid met het bestaan van de regeling, door onvoldoende kennis van de specifieke regelgeving, door problemen met het invullen van formulieren en met het verzamelen van de benodigde gegevens, door het niet de moeite waard vinden van de te verkrijgen uitkering of subsidie, en door de angst voor stigmatisering. Morele overwegingen en de angst voor stigmatisering zijn dus slechts twee elementen uit een hele serie van factoren die leiden tot niet-gebruik van sociale zekerheid.

    Uit de spaarzame gegevens die op dit punt in Nederland voorhanden zijn, krijgt men in ieder geval de indruk dat niet-gebruik van sociale zekerheid een structureel en geen marginaal verschijnsel is. Representatieve cijfers bestaan er slechts voor de Wet Eenmalige Uitkering (niet-gebruik door zelfstandigen in 1982) en de Individuele huursubsidie. In beide gevallen is er sprake van verrassend hoge percentages van niet-gebruik: 43% respectievelijk 55%. Niet-gebruik komt waarschijnlijk bij elke sociale zekerheidsregeling in enigerlei mate voor [Van Oorschot/Klokhuis/Tanke (1989) Niet-gebruik van sociale zekerheid]. De huidige praktijk om fraude te bestrijden door middel van gedetailleerde regelgeving en controle, verhoogt de drempels om van de betreffende regeling gebruik te maken. Hierdoor wordt immers niet alleen de regeling ingewikkelder, maar ontstaat ook een sterkere vermenging van hulp- en controlefuncties. Het sociale prestige van de uitkeringsgerechtigde wordt hierdoor negatief beïnvloed, waardoor de mogelijke angst voor stigmatisering wordt gestimuleerd.

    Er bestaat een tamelijk grote discrepantie tussen de ideologie van het rechtskarakter van de verzorging en de ervaring van een gunstkarakter in de praktijk [Schuyt 1976, 1991]. Het utilitaire idee 'dat meer inkomen beter is' en 'dat meer goederen goed is' wordt kennelijk beperkt of soms zelfs genegeerd door de morele overweging dat inkomen niet zomaar inkomen is, maar dat het belangrijk is waar het vandaan komt [Moffit 1933, Foster 1983].

    Geld stinkt dus soms wel. Er kan aan geld 'een luchtje' zitten dat door betrokken actoren 'geroken', moreel gewaardeerd en afgekeurd wordt. Dat kan bijvoorbeeld ook de reden zijn waarom politieagenten weigeren om zich voor bepaalde diensten door particulieren te laten betalen: zij vrezen dat de grens tussen eerlijke verdiensten en omkoping vervaagt en laten zich ondanks de aantrekkelijkheid van het aanbod niet in met corruptieve praktijken.

    Moreel bewustzijn omvat niet alleen de in meer of mindere mate gedeelde normatieve maatstaven van kritiek op bestaande economische verhoudingen, maar ook de moreel gelegitimeerde visies op betere, rechtvaardiger toekomstige arbeids- en inkomensverhoudingen. Het morele bewustzijn van economische actoren manifesteert zich

    • in de meest uiteenlopende vormen van morele overtuigingshandelingen: morele appels en aanklachten tegen als immoreel ervaren economische praktijken, moralisering van de arbeid(ers) en demoraliseringscampagnes; en
    • in allerlei strategieën en praktijken van legitimatie: in verbale en schriftelijke praktijken (zoals het toelichten van een door de directie voorgestelde reorganisatie of massa-ontslag, in kunst en wetenschap (zoals het laten opdraven van met academische titels versierde adviseurs en deskundigen), in opvoeding en socialisatie (zoals het trainen van afdelingschefs) en in economisch-politieke propaganda en voorlichting (zoals het geven van bedrijfsvoorlichting en het organiseren van reclame-campagnes).
    De (de)legitimatie van economische verhoudingen voltrekt zich inhoudelijk gezien vooral via het verspreiden of bestrijden van metafysische, meritocratische of egalitaire kritiek op vigerende economische ongelijkheden. Economische actoren verspreiden of bestrijden de normatieve - en al naar gelang de eigen optiek: morele of immorele - gedachte dat de verdeling van de economische bronnen en beloningen plaats moet vinden op basis van 'uitverkorenheid', 'natuurlijke superioriteit', 'beschavingsniveau', 'deskundigheid', 'professionaliteit', 'arbeidsprestatie' of 'behoeften'. De (de)legitimatie van arbeidsorganisaties voltrekt zich inhoudelijk gezien vooral via het verspreiden of bestrijden van autocratische, autoritaire en paternalistische legitimatielegendes of van democratisch geïnspireerde kritiek op autocratische, autoritaire of paternalistische gezagsverhoudingen en organisatiestructuren [zie voor de vroege fase van de industrialisatie in Engeland en Rusland: Bendix 1956].

Index

Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1996
Laatst gewijzigd: 05 January, 2017