Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

Naar een nieuwe economische sociologie

—Een transformationeel perspectief—

door: dr. Albert Benschop

V. Economisch handelen: particulariteit en rationaliteit

  1. Economisch handelen als strategisch handelen
  2. Particulariteit van economisch handelen
  3. Rationaliteit van economisch handelen
  4. Economisch georiënteerd handelen & rationeel economisch handelen

1. Economisch handelen als vorm van strategisch handelen

Economisch handelen wordt primair gestructureerd door de feitelijke posities die mensen innemen in het geheel van de productie-, distributie en ruilverhoudingen en door de objectieve belangen die daarin verankerd zijn. Onder ‘objectieve belangen’ versta ik in dit verband positioneel bepaalde particuliere doelen waarop de economische actoren zich in tegenstelling tot andere actoren - tot op zekere hoogte bewust en rationeel - strategisch oriënteren. Economisch handelen is dus primair een vorm van strategisch handelen: economische actoren oriënteren zich in eerste instantie op de optimalisatie of maximalisatie van het eigen voordeel of nut, dat wil zeggen van het eigenbelang.

  1. De termen ‘doelrationeel’ en ‘strategisch’ worden vaak —net als bij Weber— als synoniemen gebruikt. De ‘doelen’ van doelrationeel handelen zijn echter niet per definitie particularistische doelen [Bader/Benschop 1988:299]. Strategisch handelen moet daarom niet worden geïdentificeerd met doelgericht handelen. Doelgerichtheid is een veel bredere term en is niet alleen een kenmerk van strategisch handelen. Ook solidair, traditioneel en ethisch gemotiveerd handelen zijn immers gericht op doelrealisatie. De specifieke aard van de doelen van strategisch handelen worden niet gedekt door de bredere term doelgerichtheid en resultaatgerichtheid.

  2. Strategisch handelen is ook specifieker dan handelen dat gericht is op de realisatie van eigen doelen. Ook bij solidair, expressief en normatief handelen gaat het immers altijd om de realisatie van eigen doelen, ook al zijn deze nog zo onbaatzuchtig. Het specifieke van strategische oriëntaties is dat het gaat om eigen particuliere doelen die in tegenstelling staan tot de doelen van anderen. Bij strategisch handelen gaat het dus altijd om particuliere doelen die als tegenstrijdige belangen worden gezien. Particuliere doelen zijn gericht op optimaliseren of maximeren van eigen voordeel of nut.

  3. Economisch handelen wordt in zekere zin altijd door rede gestuurd: het behartigen van eigenbelangen stimuleert rationele strategische calculaties en afweging van belangen (dat wil zeggen van de kosten en baten van de waarschijnlijke uitkomsten van alternatieve keuzes). In economisch handelen dat gericht is op de behartiging van lange-termijnbelangen komt dit het meest pregnant tot uiting. Kenmerkend voor economisch handelen zijn dus particularisme [§ 2.2] en rationaliteit [§ 2.3].

In de transformationele analyse nemen belangen een centrale rol in: zij vormen de harde kern van de verklaring van het economisch handelen. Dit is overigens nauwelijks een bijzonderheid. In verschillende theoretische tradities vormen belangen de harde kern van de verklaring van het handelen. Dit geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de klassieke burgerlijke politieke theorie, politieke economie en de oude utilitaristische traditie. Maar het gaat ook op voor de voortzetting van deze tradities in de neo-klassieke economie en de hierdoor geïnspireerde politieke theorieën en in het bijzonder de theorieën van bronnenmobilisatie. En “ondanks alle kritiek op het grove materialisme en privatisme van de atomistische nutsmaximeerder spelen belangen … ook een prominente rol bij Hegel, Marx, L. von Stein, Weber en in de conflictsociologie” [Bader 1991:130].

Ook James Coleman [1990:28 e.v.] benadrukt de principiële rol van ‘belang’ in de sociologische theorie. Belangen fungeren als de drijvende kracht, net zoals utiliteiten in de neoklassieke economische theorie. In zijn formele model [idem: 775 e.v.] laat hij zien dat er een direct verband is tussen belang en utiliteit. Coleman definieert belang in termen van een specifieke utiliteitsfunctie welke in de economische theorie bekend staat als de Cobb-Douglas utiliteitsfunctie.

In Coleman’s verklaringsmodel wordt echter tegelijkertijd verondersteld: (1) dat er een volledige competitieve markt bestaat, (2) dat de utiliteitsfuncties de specifieke vorm aannemen van de Cobb-Douglas utiliteitsfunctie (namelijk “that an actor will always spend the same fraction of his resources on a good, independent of the amount of his resources and the price of the good”), en (3) dat economisch handelen niet beïnvloed wordt door normatieve restricties [Coleman 1990:140]. In de transformationele benadering wordt niet van dergelijke vooronderstellingen uitgegaan — in hoofdstuk VIII zal duidelijk worden waarom niet.

Binnen de economische traditie circuleren er verschillende interpretaties van utiliteit. Hoewel utiliteit meestal wordt geïnterpreteerd in termen van welzijn (‘well-being’), wordt zij ook wel geïnterpreteerd in termen van pleasure-pain, desire-fullfilment of choice (zoals uitgewerkt in de ‘revealed preference’ theorie).
Wat is een utiliteit? Moderne economen verstaan onder utiliteit meestal de ‘bevrediging’ die consumenten ontlenen aan het gebruik/de consumptie van goederen of diensten. Voor de onderbouwing van een transformationele benadering kan op dit punt echter beter worden aangeknoopt bij de inzichten van Max Weber. Zijn economische sociologie gaat er enerzijds van uit dat er ‘een verlangen naar utiliteiten’ bestaat en anderzijds dat er voorzieningen getroffen moeten worden om de middelen te verwerven die deze aan deze vraag voldoen. Daarmee ging Weber in tegen de gebruikelijke manier om economisch handelen af te bakenen, waarbij verondersteld werd dat het bij economisch handelen in laatste instantie altijd gaat om consumptieve behoeften en hun bevrediging. Met deze op zichzelf nog vage aanduiding van het doel van economisch handelen worden echter niet de moderne vormen van de kapitalistische economie gedekt.
“Men moet ‘economisch handelen’ (Wirtschaften) zo definiëren dat zij de moderne verwervingseconomie omvat. Zij mag dus in eerste instantie niet uitgaan van ‘consumptieve behoeften’ en hun ‘bevrediging’” [Weber, WG:31].
In het kapitalistische economische stelsel gaat het immers niet alleen (en ook niet primair) om de bevrediging van consumptieve behoeften, maar om het feit “dat er utiliteiten worden begeerd” [WG:31].

Economisch handelen kan niet van andere handelingssoorten worden afgebakend door de specifieke doelen van de actoren (bijvoorbeeld materiële productie). Utiliteiten zijn de specifieke en concrete —werkelijke of geïmagineerde— kansen voor actueel of toekomstig gebruik zoals deze door een of meer economische actoren worden gewaardeerd en tot object worden gemaakt van specifieke inspanningen en voorzieningen. Het handelen van deze actoren is georiënteerd op de geschatte betekenis van dergelijke utiliteiten als middel voor doelen van hun economisch handelen [WG:34].

Utiliteiten zijn dus de objecten van de begeerte van de actoren. Het zijn middelen die als schaars worden ervaren en die gebruikt kunnen worden voor niet nader gespecificeerde doelen. Omdat zij schaars zijn, worden zij gecultiveerd en gekoesterd - zij worden object van verzorging (‘Fürsorge‘ noemt Weber dat). Onder deze categorie vallen niet alleen goederen en diensten, maar onder bepaalde omstandigheden ook sociale relaties, zoals klantenbinding.

Het utiliteitsbegrip van Weber heeft een vage connotatie met het begrip ‘nut’: men begeert wat op een of andere manier ‘nuttig‘ is. Toch leidt dit niet tot een precisering van het begrip economisch handelen. Economisch handelen is een vorm van sociaal handelen welke zinmatig georiënteerd is op de schaarste van middelen voor alternatieve doelen. Utiliteiten zijn niets anders dan de schaarse middelen, waarvan de gebruiksmogelijkheden bij alternatieve (conflicterende of concurrerende) doelen worden afgewogen.

Max Weber formuleerde deze gedachte als volgt: “‘Gut’ im Sinn von Nutzleistung im strengen Sprachgebrauch ist nicht das ‘Pferd’ oder etwa ein ‘Eisenstab’, sondern deren einzelne als begehrenswet geschätzte und geglaubte Verwendungsmöglichkeiten, z.B. als Zugkraft oder als Tragkraft, oder als was immer sonst” [Weber, WG 34].
Het begrip utiliteiten omvat niet de concrete goederen, diensten of kansen, maar de subjectief gepercipieerde aanwendingsmogelijkheden van dergelijke goederen, diensten of kansen. Wanneer men om economische redenen een computer koopt, wordt deze strikt genomen niet als ‘computer’ begeerd. Begerenswaardig zijn de subjectief gewaardeerde of geïmagineerde gebruiksmogelijkheden, bijvoorbeeld als calculator, als tekstverwerker of als telecommunicatie medium.

Het zijn dus niet de intrinsieke eigenschappen van de objecten zelf, die hen tot utiliteiten maken. Objecten zijn niet als zodanig, maar alleen voor actoren nuttig. Weber’s begrip van utiliteiten wordt dus radicaal gesubjectiveerd: over de objecten van het economisch handelen wordt alleen nog in relatie tot handelingsintenties gesproken. In de definitie van utiliteit wordt niet aangegeven wát er eigenlijk gebruikt wordt of kan worden. Wat het ‘nut’ is van bepaalde goederen of diensten kan niet buiten de individuele ervaringshorizon van de economische actoren worden vastgesteld. Objecten zijn utiliteiten wanneer zij subjectieve aanwendingsmogelijkheden hebben en wanneer subjectief wordt aangenomen dat zij schaars zijn. De implicatie hiervan is dat arbeid niet meer centraal staat: de productie en dienstverlening wordt niet meer als fundamenteel element van het economisch handelen beschouwd, maar als onderdeel van inspanningen die het verlangen naar utiliteiten bevredigen (‘der Fürsorge für einen Begehr nach Nutzleistungen’).

Bentham, de grondlegger van het utilitarisme, veronderstelde dat utiliteiten eenvoudig kunnen worden opgeteld om het maximum aan geluk te vinden. Dit algemene principe vormde de basis voor de welvaartseconomieën van Pigou en Bergson. Voorwaarde voor interpersonele utiliteits- of nutsvergelijkingen is dat belangen van verschillende actoren op een of andere manier geaggregeerd moeten worden. Dit gaat in tegen de algemene maxime dat het nut van een goed voor een persoon niet direct vergeleken kan worden met het nut dat het voor een andere persoon heeft. Het is niet moeilijk om het nut dat een appel heeft voor een bepaalde actor te vergelijken met het nut dat een sinaasappel voor dezelfde actor heeft op basis van de preferentie die de actor voor de een heeft boven de ander. Het is echter niet mogelijk om het nut van een appel voor de ene actor te vergelijken met het nut dat het heeft voor een andere actor. De reden is simpel: er is geen gedrag via welke een dergelijke vergelijking gemaakt kan worden. Toch worden er in de praktijk telkens weer interpersonele vergelijkingen gemaakt.

De interpersoonlijke nutsvergelijkingen werden in de jaren dertig al bekritiseerd door Lional Robbins [1935, 1938]. Volgens Robbins zijn alle interpersoonlijke nutsvergelijkingen door en door normatief of ethisch, en kunnen zij in ieder geval niet op wetenschappelijke gronden worden gemaakt.
    “The theory of exchange does not assume that, at any point, it is necessary to compare the satisfaction which I get from the spending of 6 pd. on bread with the satisfaction which the Baker gest by receiving it. That comparison is a comparison of an entirely different nature. … It involves an element of conventional valuation. Hence it is essentially normative“ [Robbins 1938:138-9 - Interpersonal comparisons of utility. Economic Journal, 48].
Dit wil niet zeggen dat interpersoonlijke nutsvergelijkingen betekenisloos zijn [Sen 1987/92:30]. Zie uitvoerig over de aard van normatieve nutsvergelijkingen: Sen [1982a, Essays 12 en 19 - Choice, Welfare and Measurement]. In het ‘impossibility theorem’ van Arrow [1951a, 1963] wordt op duidelijk gemaakt welke problemen er ontstaan wanneer men het gebruik van interpersoonlijke nutsvergelijkingen uitbant.

Index2. Particulariteit van economisch handelen

Economisch motief?
In aansluiting op Robbins [1939] heeft Hayek [1944:67] er vanuit een volledig ander perspectief al op gewezen dat het naïef is om te geloven dat er ‘zuiver economische doelen’ bestaan die gescheiden zijn van de andere doelen van het leven. “The ultimate ends of the activities of reasonable beings are never economic. Strictly speaking there is no ‘economic motive’ but only economic factors conditioning our striving for other ends. What in ordinary language is misleadingly called the ‘economic motive’ means merely the desire for general opportunity, the desire for power to achieve unspecified ends.”
Economisch handelen is particularistisch handelen: het is gericht op handelingsdoelen die bepaald worden door behoeften die in tegenstelling tot de behoeften van andere actoren als ‘eigen’ worden ervaren en gedefinieerd. Behoeften worden immers pas belangen wanneer zij niet gelijktijdig, in dezelfde mate of gemeenschappelijk bevredigd kunnen worden. Belangen veronderstellen dus een tegenstelling tot andere behoeften en vooral tot de behoeften van anderen [Bader/Benschop 1988:102]. Belangen kunnen worden hier opgevat als “particuliere doelen waarop actoren zich in tegenstelling tot andere actoren in verschillende graden van bewustheid en rationaliteit strategisch oriënteren” [Bader 1991:135].

Dit betekent echter nog niet dat economisch handelen zonder meer gelijkgesteld kan worden met egoïstisch handelen: egoïstisch handelen is een bijzondere vorm van particularisme dat slechts onder specifieke maatschappelijke, organisationele en interactionele voorwaarden ontstaat.

Ethisch egoïsme?
Het zijn de neoklassieke economen, de ‘public choice’ economen, de ‘rational choice’ sociologen en de organisatieanalysten die zich op Williamson’s transactiekosten benadering oriënteren die het particularisme zonder meer identificeren met egoïsme. De verdienste van deze rationalistische utilitaristen is dat zij er (voor de zoveelste keer) op wijzen dat er in al het schijnbaar altruïstische gedrag van mensen een element van eigenbelang schuilgaat. Hun grote zwakte is dat zij geloven dat het individuele eigenbelang alles kan verklaren. Zie voor een kritisch onderzoek van de verschillende versies van ‘ethisch egoïsme’: Williams [1985:11 e.v. - Ethics and the Limits of Philosophy].

Het element van particularisme moet dus per sé niet worden beperkt tot burgerlijke varianten van privatisme of egoïsme. Een strategische oriëntatie op het eigenbelang kan zowel de individuele als collectieve belangen van de actoren omvatten. Niet alleen private enkelingen zijn relevante belangensubjecten, maar alle actoren die hun belangen in tegenstelling tot andere actoren definiëren: individuen, gezinnen, groepen, klassen, organisaties of staten.

Collectieve belangen zijn belangen die individuen definiëren als belangen van hun collectief in onderscheid van hun individuele eigenbelangen en in tegenstelling tot de belangen van andere collectieven. Collectieve belangen ontstaan feitelijk slechts wanneer individuen zich bij de definitie van hun actuele eigenbelangen zodanig op een collectief oriënteren dat deze (i) prevaleren boven hun individuele belangen en (ii) in tegenstelling staan tot de belangen van andere collectieven. Collectieve belangen kunnen even reëel en empirisch handelingsmotiverend zijn als strikt individuele belangen.

Collectieve belangen zijn echter alleen handelingsrelevant wanneer zij tegelijkertijd actuele belangen van individuen zijn en prevaleren boven andere belangen van dezelfde actoren. Ook collectieve belangen zijn dus altijd belangen van handelingsbekwame individuen (het zijn eigenbelangen die individuen als lid van een collectief definiëren).

Een actueel collectief belang veronderstelt dat de leden van een bepaald collectief gelijksoortige wederzijdse gedragsverwachtingen hebben en impliceert tevens een tegenstrijdigheid ten opzichte van de gelijksoortige gedragsverwachtingen van de leden van een ander collectief. De mate waarin economische actoren streven naar hun strikt individuele belangen (in onderscheid van hun collectieve belangen) kan voor bepaalde doeleinden, voor bepaalde mensen en onder bepaalde omstandigheden zeer gering zijn.

Zie voor een algemene analyse van de verhouding tussen individuele en collectieve belangen Bader [1991:135,154 e.v.]. en vanut een klassenanalytische optiek: Benschop [1993/2017:419e.v.].

James Coleman is op dit punt nogal tegenstrijdig. Enerzijds definieert hij —zoals we hiervoor hebben gezien— belangen in termen van een specifieke utiliteitsfunctie. Deze utiliteitsfunctie wordt traditioneel economisch opgevat als een strikt individualistische functie. Het gevolg hiervan is dat het streven naar eigen belangen telkens weer abstract wordt geconfronteerd met de “identification of one’s own interest with the fortunes of others, and identification with collectivities” [Coleman 1990:31]. In dit opzicht is zijn analyse slechts en reprise van de traditionele burgerlijke leerstuk van het menselijke egoïsme. Anderzijds beschouwt hij belangen juist als een schakel tussen individuele actoren (‘natuurlijke personen’) en corporatieve actoren [idem:509; vgl. 527 e.v.,553 e.v.,932 e.v.].

Ik wil dit kort verduidelijken aan de hand van het voorbeeld van de ‘werknemersbelangen“. Het belang van werknemers bestaat als empirisch werkzaam collectief belang wanneer de individuele werknemers hun belangen zodanig definiëren dat deze prevaleren boven en/of in tegenstelling staan tot (1) hun individuele belangen, (2) de belangen van andere niet-formeel georganiseerde groepen of collectieven, en (3) de belangen van formele organisaties en instituties waartoe zij niet behoren. In het onderstaande schema zijn deze drie elementen van werknemersbelangen gedifferentieerder uitgewerkt.

1 Individuele belangen
Loonarbeiders kunnen hun collectieve of gemeenschappelijke belangen zodanig definiëren dat deze prevaleren boven de strikt individuele belangen. Zij kunnen collectieve lotsverbetering stellen boven het najagen van een individuele carrière, zij kunnen collectieve loonsverhoging stellen boven individuele promotie.
2a Belangen van andere groepen waartoe zij zelf behoren
Loonarbeiders kunnen hun collectieve belangen zodanig definiëren dat deze prevaleren boven de belangen van hun eigen sociale klasse, boven de eigen sectorale, beroeps- of inkomensgroep, boven de belangen van hun eigen gezin, boven belangen van hun eigen geslachts-, kleur- of leeftijdsgroep, of boven die van hun eigen geloofs-, taal- of nationale gemeenschap.
2b Belangen van klassen of groepen waartoe zij zelf niet behoren
Loonarbeiders kunnen hun collectieve belangen zodanig definiëren dat zij niet alleen in tegenstelling staan tot de belangen van de ondernemers of kapitalistenklasse, van bepaalde klassefracties daarvan en van daarmee geassocieerde klassen, maar ook tot de belangen van andere sectorale, beroeps- of inkomensgroepen. Collectieve eigenbelangen prevaleren vaak ook boven de belangen van de andere sekse, van andere etnisch-culturele groepen, van andere naties (nationale minderheden) binnen de staat enzovoort. Een strategische definitie van het eigen klassebelang sluit dus zeker niet uit dat bijv. 'de belangen van de arbeidersklasse' op een volstrekt racistische of seksistische wijze worden gedefinieerd. [28]
3a Belangen van formele organisaties en instellingen waartoe zij zelf behoren
Collectieve belangen kunnen door loonarbeiders zodanig worden gedefinieerd dat zij in tegenstelling staan tot de belangen van de kapitalistische onderneming waartoe zij zelf behoren, of van hun 'eigen' kerk of staat.
3a Belangen van formele organisaties en instellingen waartoe zij zelf niet behoren
Loonarbeiders die lid zijn van een bepaalde organisatie of instelling kunnen hun collectieve belangen zodanig definiëren dat zij in tegenstelling staan tot de belangen van andere ondernemingen, van andere kerken en van andere - vreemde of vijandige - staten.

De hier gehanteerde definities van (individuele en collectieve) belangen impliceren een afbakening ten opzichte van benaderingen waarin wordt verondersteld dat er niet alleen particuliere, maar ook algemene belangen bestaan. Belangen zijn echter altijd particuliere belangen. Een algemeen belang is in het meest gunstige geval een slechte metafoor voor een onomstreden menselijke behoefte, zoals het ‘algemene belang’ bij zuivere, niet-vervuilde lucht of bij het overleven van de mensheid.

Meestal is een ‘algemeen belang’ slechts een constructie van een omvattend collectief belang op lange termijn dat gecontrasteerd wordt met particuliere belangen op korte termijn. Ondanks deze kenmerkende tegenstelling tot andere belangen worden dergelijke belangen “besprenkeld wordt met het wijwater van een eigenlijke, toekomstige of geanticipeerde algemeenheid. Dit gebeurt natuurlijk niet alleen in repressieve of ideologische strategieën —waarin de staat ook in maatschappijen met structurele ongelijkheden altijd het ‘algemene belang’ belichaamt tegenover de private of particuliere bijzondere belangen—, maar ook en juist in emancipatorische of utopische strategieën, waarin negatief geprivilegieerden hun particuliere belangen als de toekomstige belangen van de hele mensheid begrijpen en presenteren. Zouden dergelijke algemene belangen werkelijk bestaan, dan zou er alleen overdrachtelijk gesproken kunnen worden van belangen — van de mensheid tegenover de natuur of geïmagineerde space invaders” [Bader 1991:133].

Net als andere belangen zijn economische belangen positioneel bepaalde particuliere doelen. Economische belangen zijn belangen die geconstitueerd worden in en door de posities die actoren innemen in het geheel van de productie-, distributie en ruilverhoudingen. Deze definitie van economische belangen kan met drie stellingen worden toegelicht.

  1. Belangen zijn dus niet per definitie economische belangen
    Inwerkelijkheid staan actoren in zeer uiteenlopende sociale levensverhoudingen, die evenzovele soorten van belangen constitueren,zoals woonbelangen, culturele belangen, politieke belangen, kennisbelangen. Alle behoeften van menselijke individuen worden belangen wanneer de middelen voor hun bevrediging als schaars ervaren en gedefinieerd worden en wanneer er geen coöperatieve handelingsstrategieën ontwikkeld (kunnen) worden.

    Niet alleen de kansen ter bevrediging van materiële behoeften van leven en overleven kunnen als schaars gedefinieerd worden, maar ook de bevredigingskansen van voortplantings- en gezondheidsbehoeften, van erotische behoeften, van bewegings- en ontspanningsbehoeften, van verzorgingsbehoeften, van emotionele behoeften en distinctiebehoeften, van expressieve en heils- of verlossingsbehoeften, van cognitieve en normatieve duidings- en verklarings- behoeften, van opvoedings- en educatiebehoeften, van interne en externe beschermings- en veiligheidsbehoeften [Bader/Benschop 1988: III, § 2, schema 4b; Bader 1991:136].

    Al deze behoeften kunnen in tegenstelling tot die van andere actoren worden gedefinieerd en alle bronnen en beloningen die nodig zijn voor de bevrediging van deze behoeften kunnen als schaars worden ervaren. Daarom kunnen al deze behoeften even zovele belangen constitueren.

  2. Belangen worden niet alleen geconstitueerd door tegenstellingen van de objectieve levenspositie
    Economische belangen worden zowel geconstitueerd door tegengestelde objectieve economische posities, als door de aan arbeidsverhoudingen en -organisaties verbonden verschillen in collectieve habitus en levensstijlen, in culturen en collectieve identiteiten. Deze arbeidsgerelateerde habitus en levensstijlen, culturen en collectieve identiteiten van economische actoren worden meestal hiërarchisch gewaardeerd. Aan sommige werkstijlen en beroepsidentiteiten wordt een hoog prestige toegekend, terwijl er op andere minzaam wordt neergekeken: van de denunciatie van de werkstijl, cultuur en levenswijze van de ‘keuterboer’ tot die van een ‘bootwerker’ of ‘havenarbeider’. Zij ervaren deze prestigediscriminatie als krenkend en kwetsend.

    Het aantasten van een door werknemers zelf gecreëerde stijl van werken en communiceren, van hun informele sociale netwerken, van vormen van wederzijdse ondersteuning en van onderling vermaak betekent dat zij in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd. Zij voelen zich vaak zelf in hun bestaan bedreigd

    • door rationaliseringen die hun arbeidstempo opvoeren en speelruimtes voor rust en ontspanning elimineren (intensivering van de arbeid),
    • door standaardiseringen die hun gewone arbeidsroutines doorbreken en speelruimtes voor persoonlijke variaties inperken,
    • door automatiseringen die hun arbeidstaken laten verschralen en hun beroepsidentiteit uithollen,
    • door bureaucratiseringen die hun onderlinge sociale relaties doen verkoelen, en
    • door flexibiliseringen die werkplekculturen ondermijnen.

    Werknemers krijgen hierdoor een specifiek belang bij het instandhouden of ontwikkelen van hun eigen werkstijlen, (sub)culturen en beroepsidentiteiten.

  3. Economische belangen zijn niet per definitie materiële of monetaire belangen
    Economische belangen omvatten een breder spectrum van doeleinden dan louter materiële of monetaire belangen. Zij omvatten het geheel van particuliere doeleinden dat actoren motiveert tot transacties binnen maatschappelijke arbeidsverhoudingen:
    • de aard van de werkzaamheden: monotoon of variërend, eenvoudig of complex; uitvoerend of leidinggevend; machinegebonden of dienstverlenend;
    • de omstandigheden van de arbeid: vuil of schoon, gevaarlijk of ongevaarlijk, binnen of buitenwerk;
    • de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden: hoogte van beloning en beloningsvormen, werktijden en vacanties, rechtsbescherming en ontslagbepalingen, sociale zekerheid en premieheffing, kantinevoorzieningen en recreatiemogelijkheden;
    • de arbeidsperspectieven: loopbaanmogelijkheden en voorzieningen voor om-, her- en bijscholing
    • de arbeidsautonomie: interne speelruimte om dingen zelf te regelen, externe speelruimte om dingen met anderen te regelen, invloed bij periodiek overleg, latente speelruimte om dingen stiekum te regelen;
    • de structuur van de organisatie: hechte of losse structuur, gecentraliseerd of gedecentraliseerd, sterk hiërarchisch of plat, geconcentreerd of gedeconcentreerd, democratisch of autoritair;
    • de stijl van leiding en controle: autoritair-directief of tolerant-ondersteunend;
    • de sociale relaties in de arbeidsorganisatie en bedrijfscultuur: persoonlijk of verzakelijkt, solidair of competitief, gezellig of ongezellig;
    • de zeggenschapsverhoudingen: meer of minder vergaande rechten op informatie, inspraak enmedezeggenschap;
    • de lokaliteit van de arbeidsplaats: voorzieningen rond de arbeidsplaats en afstand tussen woon- en werkplaats;
    • de arbeidskrachtenmarkt: de verhouding tussen vraag en aanbod van arbeidskrachten en de mogelijkheden om deze strategisch te beïnvloeden; de al dan niet geblokkeerde toegangskansen tot arbeidsmarkten en de carrièremogelijkheden op interne arbeidsmarkten.
    Op al deze aspecten kunnen evenzovele economische belangen worden gedefinieerd door werknemers, werkgevers en kleine zelfstandigen. Uit deze —bij lange na niet volledige— opsomming blijkt al dat economische belangen niet tot materiële en zeker niet tot monetaire belangen gereduceerd kunnen worden. Deze reductie is echter het handelskenmerk voor het klassieke utilitarisme en voor de klassieke en neo-klassieke economische theorie en op daarvan afgeleide of op voortbouwende organisatiesociologieën, de rationele keuze sociologie en de publieke keuze politicologie. In deze benaderingen worden belangen met elkaar vergeleken en gekwantificeerd door het eigenbelang eerst te reduceren tot economisch nut en vervolgens tot monetair nut. Tenslotte wordt meestal ook nog geprobeerd om de menselijke fixatie op geld te verheffen tot een universeel —antropologisch of psychologisch ‘onderbouwd’— principe. Het meest bekende voorbeeld hiervan is de vermeend ubiquitaire ‘liefde voor geld’.

Figuur 5·1 Economische posities, economische belangen en economisch handelen

Index3. Rationaliteit van economisch handelen

Economisch handelen is rationeel omdat en voorzover het altijd meer of minder bewuste nutscalculaties en belangenafwegingen impliceert. Dit betekent echter niet dat economisch handelen (1) doelrationeel en (2) volledig bewust handelen is.

3.1 Economisch handelen en doelrationaliteit
De rationele afweging van belangen strekt zich meestal niet uit tot de verschillende mogelijke doelen en moet dus niet worden verward met doelrationaliteit. Economisch handelen betekent in de praktijk altijd een afgewogen keuze tussen doelen. Deze keuze is echter georiënteerd op de schaarste van middelen die voor meerdere doelen beschikbaar zijn. Het bijzondere van de economische oriëntatie is dat er rekening wordt gehouden met de schaarste van middelen (dit in tegenstelling tot een louter technische oriëntatie).

Niet elk doelrationeel of instrumenteel handelen is economisch handelen. Van economisch handelen is alleen sprake “wanneer de bevrediging van een behoefte of een complex van behoeften naar het oordeel van de actor afhangt van relatief schaarse bronnen en een beperkt aantal handelingsalternatieven, en wanneer deze toestand specifieke reacties oproept. Beslissend voor dit doelrationele handelen is daarbij natuurlijk het feit dat deze schaarste subjectief verondersteld is en dat het handelen daarop georiënteerd is” [Weber, WG: 199]. Men vind deze gedachte overigens ook al bij de grondleggers van de subjectieve waardetheorie: Menger, Jevons en Walras.
Economisch handelen wordt dus gekenmerkt door reflectie over de relatieve schaarste van middelen in relatie tot de totale behoefte [Weber, WG:32,34]. Schaarste wordt daarbij niet naïef opgevat als een objectief natuurlijk gegeven, maar veeleer geïnterpreteerd wordt als uitdrukking van sociale relaties [Luhmann 1972]. Economisch handelen is alleen noodzakelijk wanneer de beschikbare hoeveelheid utiliteiten (bronnen en beloningen) schaars is respectievelijk als schaars wordt ervaren.

Schaarste moet dus duidelijk worden onderscheiden van nood of gebrek. Een actor handelt economisch wanneer voor een willekeurig doel de middelen schaars lijken, zodat deze gedwongen is de middelen te vermeerderen of bij bestaande middelen tussen alternatieve doelen te kiezen.

Index


3·2 Graden van bewustheid en rationaliteit
In de algemene definitie van economisch handelen zijn de graden van bewustheid en rationaliteit opengelaten. Er wordt dus per sé niet verondersteld dat economische actoren volledig bewust en rationeel handelen. De mate van rationele calculatie kan voor bepaalde doeleinden, voor bepaalde mensen en onder bepaalde omstandigheden zeer gering zijn. Dit geldt natuurlijk tevens voor de informatie waarover economische actoren beschikken wanneer zij bepaalde beslissingen nemen: zij beschikken in de regel niet over volledige informatie en ook niet over gelijke informatie.* Kortom: economisch handelen moet niet worden verward met rationeel economisch handelen in de strikte zin of sterke betekenis van het woord ‘rationeel’.

“The capacity of the human mind for formulating and solving complex problems is very small compared with the size of the problems whose solution is required for objectively rational behavior in the real world” [Simon 1957:198 - Models of Man]. ‘Bounded rationality’ refereert aan “the limits upon the ability of human beings to adapt optimally, or even satisfactorily, to complex environments” [Simon 1991:132].
Het vermogen van mensen om complexe problemen te formuleren en op te lossen is beperkt. Beperkte rationaliteit refereert aan menselijk gedrag dat “intentioneel rationeel is, maar slechts op een beperkte wijze” [Simon 1961:xxiv]. Beperkte rationaliteit moet echter niet worden verward met nonrationaliteit of irrationaliteit.

De gespierde, allesomvattende rationaliteitsdefinities leiden ertoe dat het rationaliteitsbegrip haar differentiërende kracht en betekenis verliest.

De beperking van menselijke rationaliteit vloeit voort uit neurofysiologische en taallimieten.

Beperkte rationaliteit is alleen van belang in de mate dat de limieten van rationaliteit worden bereikt, d.w.z onder condities van onzekerheid en/of complexiteit. Wanneer een van beide condities niet zou bestaan, zou men vooraf de meest geschikte reeks contingente acties kunnen specificeren. Twee contrasterende spelvoorbeelden kunnen dit verduidelijken.

Het cognitief vermogen is dus een schaarse bron. Zij is dat weliswaar niet voor de rationele homo economicus zoals deze in de neo-klassieke modellen figureert, maar wel voor mensen die in de huidige economische werkelijkheid leven. Voor deze laatsten ziet het er praktisch heel anders uit:

Wanneer mensen zich werkelijk zou gedragen volgens het standaardmodel van de neoklassieke leer en wij ons bij onze dagelijkse beslissingen alleen maar zouden laten leiden door die 'irrationele passie voor rationele calculatie' (J.M. Clark), dan zouden wij als ondernemer snel failliet gaan, als werknemer nooit een baan kunnen vinden, en als consument creperen van de honger.

Onzekerheid is van groot belang vanwege de beperkte menselijke capaciteit voor informatieverwerking [Simon 1945,1957]. Gezien deze onzekerheid kan de hypothese van een perfect geïnformeerde en perfect rationele beslisser - wat de fundamentele vereiste is van de ideale prestatie van markten - niet overeind gehouden worden. Een toestand van onzekerheid is een type relatie tussen een actor en een beslissingscontext waarin het voor de actor per definitie logisch onmogelijk of te kostbaar is om een aantal logische operaties uit te voeren, zoals:

Zelfs voor problemen met een relatief lage complexiteit is het al onmogelijk een volledige beslissingsboom op te stellen. Ten eerste is het aantal alternatieve wegen dat men kan bewandelen zeer groot. Ten tweede is men vaak niet in staat de alternatieve wegen te overzien en beschikt men ook niet over regels om deze alternatieve paden te reconstrueren. Tenslotte is het zeer moeilijk zo niet onmogelijk om de gevolgen van de diverse alternatieven in te schatten. Kortom: voor de meest interessante beslissingsproblemen is niet mogelijk een omvattend beslissingsmodel te ontwerpen [Feldman/Kanter 1965:615]. Wanneer economische transacties in turbulente omgevingen plaatsvinden die door frequente exogene onvoorspelbare schokken worden verstoord, of binnen concurrerende structuren die niet leiden tot gemakkelijk voorspelbare evenwichten, is het moeilijk om alle hiervoor genoemde berekeningen en beoordelingen te maken.

De markt is een vorm van regulatie van economische transacties. De markt vereist volledige transparantie in informatiestromen. Meer in het bijzonder is vereist dat prijzen alle informatie bieden die nodig is om een ruilbeslissing te nemen. Volgens Hayek [1945:525 e.v.] is het ‘wonder’ van het economisch systeem dat prijzen een voldoende statistiek vormen, zodat er geëconomiseerd wordt op beperkte rationaliteit.
Volgens de traditionele economische theorie vormt het prijssysteem een voldoende bron van informatie. Kenneth Arrow [1959:47] heeft laten zien dat dit wel opgaat onder evenwichtsvoorwaarden, maar niet onder condities van onevenwichtigheid: dan staat er een premie op het verwerven van informatie uit andere bronnen dan de prijzen en kwantiteiten waartoe een onderneming direct toegang heeft.
Anders gezegd: het menselijke vermogen voor informatie- verwerking is weliswaar beperkt, maar een marktsysteem kan de ruil besturen omdat (zo wordt althans verondersteld) economische kwantitatieve indicatoren (prijzen) alle attributen van goederen of diensten representeren die relevant zijn voor de betrokken partijen.

De markt faalt echter wanneer prijzen onbetrouwbare en ambigue informatie worden. Bovendien zijn nog andere voorwaarden waardoor markten niet in buurt komen van het model van volledige concurrentie. In de literatuur over marktfalen zijn deze voorwaarden uitvoerig geanalyseerd (de belangrijkste factoren die marktfalen veroorzaken werden al geanalyseerd door Bator 1958 en Marschak 1965). Afgezien van de factor van onzekerheid over de gevolgen van acties (als gevolg van onvoorspelbare contingenties en onbetrouwbaarheid of onbeschikbaarheid van prijsinformatie) kan marktfalen ook optreden door:

Aan het bestaan van organisaties liggen onzekerheid en gelimiteerde rationaliteit ten grondslag. Wanneer markten falen dan is de hiërarchische of organisationele vorm van regulatie van transacties binnen de grenzen van een afzonderlijke onderneming een levensvatbaar, efficiënter alternatief. Organisaties zijn machtige middelen om onzekerheid te reduceren. Ten eerste maken de regels van een organisatie, de beschrijvingen van taken(pakketten) en het prikkel- en controlesysteem de interne markt meer voorspelbaar dan de externe [Simon 1945]. Ten tweede reduceert een organisatie complexe problemen tot hanteerbare brokken [March/Simon 1958].

Het grote voordeel van interne organisatie is dat het organisatieleden toestaat om met onzekerheid/complexiteit om te gaan op een adaptieve, sequentiële manier. Er wordt niet geprobeerd om van te voren de beslissingboom uitputtend te specificeren en daaruit corresponderende contingente prijzen af te leiden: men beperkt de aandacht tot de actuele uitkomsten. De mogelijkheden worden telkens weer opnieuw bekeken op basis van nieuwe waarnemingen. Er wordt van te voren geen gedetailleerde strategie ontwikkeld om alle mogelijke problemen die men zich kan voorstellen op te lossen. Het principe is veeleer: ’cross your bridge as you come to it’.

Het voordeel van interne organisatie is bovendien dat er in vergelijking met marktruil meer efficiënte codes en routines worden ontwikkeld en toegepast. Dergelijke codes en organisatieroutines werken economiserend. Communicatiesystemen worden effectief wanneer zij talen gebruiken die zeer veel betekenis hebben met relatief weinig symbolen. Blauwdrukken, systemen van productnummers en beroepsjargon (idiosyncratische taal) zijn gunstig voor het verhogen van de efficiëntie van hun communicatie [→ hoofdstuk VI, § 1 en VIII, §1 over de aard en werking van routines].

Voor de constructie van een realistische organisatietheorie is zinnig uit te gaan van de vooronderstelling van beperkte rationaliteit. Hierdoor houdt men voldoende afstand van de extreme rationaliteitspremisse van de neo-klassieke economie, wordt men gedwongen om serieus rekening te houden met de fundamentele onzekerheid bij (beslissingen over) economische transacties, en krijgt men veel beter zich op de complexiteits- en onzekerheidreducerende functie van organisaties.

De transformationele economische sociologie gaat uit van de inmiddels goed onderbouwde vooronderstelling dat rationaliteit principieel is gelimiteerd en praktisch een continue variabele is. Economische actoren zijn dus altijd in meer of mindere mate rationeel, afhankelijk van hun individuele cognitieve vermogens, van de krachten die deze vermogens activeren, en van de omgevingsomstandigheden die deze krachten stimuleren of belemmeren.

Beperkte rationaliteit en individuele vrijheid
De neoklassieke auteurs hameren op de normatieve basis van het rationaliteitsbegrip: individuen ‘moeten’ rationeel zijn want zij ‘moeten’ in staat zijn om op volledig rationele wijze hun eigenbelang te articuleren. Zij menen dat men moet veronderstellen dat mensen rationeel zijn omdat men anders hun vrijheid ondermijnt. Wie twijfelt aan het vermogen van mensen om op rationele wijze hun eigenbelangen te definiëren, te articuleren en te behartigen, ontneemt hen volgens de neoklassieken automatisch het recht om zelf voor hun belangen op te komen en opent alle deuren voor het paternalisme, d.w.z. voor strategieën van politieke en pedagogische bevoogding.

Mijn stelling is dat men de beperkingen van de menselijke rationaliteit kan erkennen zonder te tornen aan individuele vrijheidsrechten, d.w.z. zonder afbreuk te doen aan de autonomie, mondigheid en aan de (definitieve) beslissing van actoren over hun eigen belangen. De notie van beperkte rationaliteit wordt pas paternalistisch wanneer de cognitieve en normatieve kritiek op de rationaliteit van subjectieve belangendefinities zodanig wordt misbruikt dat de actoren feitelijk of wettelijk worden verhinderd hun eigenbelangen zelf te formuleren en anderen (politici en/of pedagogen) in hun plaats gaan beslissen.

Zie voor een kritische analyse van de rationaliteitsopvatting in de neoklassieke economie: Etzioni [1988:136 e.v.]. Hij gaat daarin uitvoerig in op de normatieve basis van dit rationaliteitsbegrip. Bader [1991:146 e.v.] laat zien dat de erkenning van beperkte menselijke rationaliteit per se niet in strijd is met individuele vrijheidsrechten.

Index4 Economisch handelen, economisch georiënteerd handelen & rationeel economisch handelen

In de klassieke formulering van Lionel Robbins [1932/69:15]: “Economics is a science which studies human behavior as a relationship between [a given hierarchy of] ends and scarce means which have alternative uses.” Deze objectbepaling van de economische theorie staat niet los van haar waardetheoretische grondslag (d.w.z. van de subjectieve waardetheorie en grensnutstheorie). Bovendien is ze ook niet direct geschikt om een onderscheid te maken tussen economie en sociologie, voorzover deze laatste zich met economisch handelen bezighoudt [Bader c.s. 1976:203 e.v.].
Economische benaderingen van organisaties houden zich primair bezig met de (optimale) allocatie van schaarse bronnen (het 'economisch principe'). Van economisch handelen is sprake wanneer en voorzover het sociale handelen van actoren gericht is op de optimale allocatie van schaarse bronnen. In aansluiting op Weber zal ik een onderscheid maken tussen economisch handelen, economisch georiënteerd handelen en rationeel economisch handelen.

Economisch handelen kan gedefinieerd worden als "een vreedzame uitoefening van beschikkingsmacht over bronnen welke primair georiënteerd is op economische doelen" [WG 31]. Economisch handelen wordt dus gekenmerkt door een min of meer bewuste, primaire oriëntatie op economische overwegingen, en door een vreedzame uitoefening van beschikkingsmacht over bronnen. Dit impliceert dat de term 'economisch handelen' niet van toepassing is op typen van sociaal handelen die mede, maar niet primair economisch gemotiveerd zijn, en ook niet op directe toeëigening van goederen en diensten door fysiek geweld en directe dwang van de andere partij door het dreigen met geweld.

Economisch georiënteerd handelen wordt gedefinieerd als handelen dat primair op andere doelen is gericht, maar bij het streven naar deze doelen rekening houdt met economische overwegingen en als handelen dat weliswaar primair gericht is op economische doelen, maar daarbij gebruik maakt van het middel van fysiek geweld. Alle typen van sociaal handelen kunnen economisch georiënteerd zijn. Ook militair handelen, zoals rooftochten en handelsoorlogen, is in de regel economisch georiënteerd, maar daarom is het nog geen economisch handelen.

De meest typische maatregelen van rationeel economisch handelen zijn:
  1. de planmatige actuele en toekomstige verdeling van bronnen (sparen):
  2. de planmatige verdeling van beschikbare bronnen over meerdere aanwendingsmogelijkheden in de volgorde van hun geschatte relatieve urgentie (rangordening naar grensnut);
  3. de planmatige vervaardiging (door productie of transportatie) van utiliteiten waarvan alle noodzakelijke productiemiddelen door de actor zelf worden gecontroleerd;
  4. de planmatige verwerving van gegarandeerde controle of medezeggenschap over utiliteiten [Weber WG:35 e.v.].
Rationeel economisch handelen wordt nog specifieker gedefinieerd als economisch handelen “dat doelrationeel, dus planmatig gericht is op economische doelen” [WG 31]. Het kenmerkende verschil tussen rationeel economisch handelen en het gewone economische handelen wordt door Weber aangeduid met de term ‘doelrationeel’ of ‘planmatig’. Men kan zich echter afvragen of dit een juiste typering is. Economisch handelen dat op ervaren schaarste is georiënteerd, moet immers altijd tot op zekere hoogte planmatig zijn [Bader/Berger e.a. [1976:199]. De economische actor verkeert in een situatie waarin niet al zijn doelen gerealiseerd kunnen worden. Vanwege de schaarste van de middelen is de realisatie van meerdere doelen slechts alternatief mogelijk. De economische actor moet dus plannen welke specifieke doelen hij wil realiseren: handelen dat ongepland verloopt, is niet meer georiënteerd op ervaren schaarste. Economisch handelen is —ook voor Weber— altijd al rationeel economisch handelen. Het onderscheid tussen rationeel en gewoon economisch handelen is dus gradueel. Economisch handelen is voor Weber het paradigma voor rationeel handelen. De vraag is dus wat eigenlijk het verschil is tussen rationeel en economische handelen? We hebben gezien dat economisch handelen niet wordt afgebakend door specifieke doelen of specifieke objecten. Deze onduidelijkheid heeft in de ontwikkeling van de economische theorie tenslotte geleid tot de —hierboven bekritiseerde — opvatting dat economie niets anders is dan een zuivere, niet-ervaringswetenschappelijke theorie van rationeel handelen.

Index

Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1996
Laatst gewijzigd: 05 January, 2017