Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

Naar een nieuwe economische sociologie

—Een transformationeel perspectief—

door: dr. Albert Benschop

IV. Structuratie: Economisch handelen als vorm van sociaal handelen

    Meervoudige sociale structurering
  1. Positie in arbeidsverhoudingen
  2. Objectieve economische positie
  3. Sociale collectiviteiten
  4. Habitus en levensstijlen
    4.1 Dispositionele structuur en habitus
    4.1 Matrix van levensstijlen & -praktijken en van waarneming & waardering
    4.1 Dimensies van habitus
    4.1 Levensstijl
  5. Typen en graden van bewustzijn
  6. Specifieke voorwaarden voor collectief bewustzijn en handelen

Meervoudige sociale structurering

Zoals gezegd is economisch handelen het meest algemene, maar tegelijkertijd slechtst afgebakende begrip van de economische sociologie. Voor een nauwkeurige en bruikbare definitie van economisch handelen geef ik eerst een paar preliminaire afbakeningen.

Met deze afbakeningen zijn alleen nog maar de grenzen aangegeven waarbinnen het begrip economisch handelen kan worden gedefinieerd. Zoals zo vaak zijn de meest elementaire en algemene begrippen buitengewoon moeilijk te definiëren.

Economisch handelen is een bijzondere vorm van sociaal handelen en is net als alle andere vormen van sociaal handelen meervoudig gestructureerd en gemotiveerd. Het streven naar economische doelen gaat meestal gepaard met het streven naar niet-economische doelen, zoals sociabiliteit, persoonlijke erkenning, sociaal prestige en macht.

Economisch handelen is niet alleen 'sociaal gesitueerd', maar ook meervoudig sociaal gestructureerd. Net als alle andere vormen van sociaal handelen wordt economisch handelen bepaald door een zestal elementen.

  1. de systeemstructuur: het systeem van maatschappelijke arbeidsverhoudingen in de brede zin van het woord (d.i. van produktie-, distributie- en ruilverhoudingen) en dus het systeem van de feitelijke verdeling van beschikkingsmacht over bronnen en beloningen.
  2. de positionele structuur: de - door (1) gestructureerde - objectieve en duurzame posities die individuen of groepen in de economische structuur innemen.
  3. de sociale of groepsstructuur: de - door (1) en (2) gestructureerde -sociale collectiviteiten die ontstaan door een relatief duurzame binding van individuen of groepen aan economische posities.
  4. de dispositionele structuur: de - door (1), (2) en (3) gestructureerde - habitus en levensstijlen, ofwel het domein van de geleefde (sub)culturen.
  5. de mentaliteitsstructuur: het geheel van de - door (1), (2), (3) en (4) gestructureerde - handelingsoriëntaties en economische bewustzijnsvormen (waarnemings-, duidings- en waarderingsschema's).
  6. de politieke handelingsstructuur: de - door (1), (2), (3), (4) en (5) gestructureerde - een specifieke voorwaarden van politiek georganiseerd handelen, zoals de bijzondere rechts- en staatsverhoudingen waaronder politieke handelingscollectieven opereren.[1]
Economisch handelen wordt weliswaar primair maar niet uitsluitend gestructureerd door objectieve posities in maatschappelijke arbeidsverhoudingen ('economische posities'). In de volgende figuur is deze meervoudige structurering van economisch handelen in beeld gebracht.

Figuur 4.1 Structurering van economisch handelen

Index1. Positie in arbeidsverhoudingen

Economisch handelen wordt gestructureerd door de specifieke verdeling van de beschikkingsmacht over economisch relevante bronnen en de hierdoor bepaalde ongelijke beloningen. Het wordt dus primair bepaald door structuur van het economische systeem als geheel van maatschappelijke arbeids-, distributie en ruilverhoudingen. Dit niveau van handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de economische systeemstructuur.

Posities in de economische systeemstructuur worden primair gedefinieerd door de mate van feitelijke beschikkingsmacht over economisch relevante bronnen en beloningen ('economische bezitsverhoudingen') en door de hierdoor bepaalde structurele kansen om substantiële meerarbeid van vreemde arbeidskrachten toe te eigenen ('economische toeëigeningsverhoudingen'). De basisintuïtie is simpel: gebrek aan beschikkingsmacht over materiële arbeidsvoorwaarden impliceert een dwang tot onzelfstandige arbeid (en daarmee de mogelijkheid om uigebuit te worden). Beschikkingsmacht over materiële arbeidsvoorwaarden imliceert de kans op exploitatie, d.w.z. de mogelijkheid om substantiële meerarbeid aan vreemde arbeidskrachten te onttrekken en dus - vrijgesteld van de dwang tot arbeid - door uitbuiting in het eigen levensonderhoud te voorzien.[2]

Posities in de economische systeemstructuur worden echter mede gedefinieerd door de specifieke locaties in organisationele en interactionele arbeidsdelingen, dat wil zeggen door de structurele en verduurzaamde beschikkingsmacht over eliteposities in arbeidsorganisaties (als grondslag voor organisationele exploitatie en afhankelijkheid) en door controle over geïnstitutionaliseerde en tot op zekere hoogte geformaliseerde exclusieve posities in netwerken van persoonlijke interacties tussen economische actoren (als grondslag voor interactionele exploitatie en afhankelijkheid).[3]

De posities in het systeem van maatschappelijke arbeidsverhoudingen kunnen in eerste instantie zuiver structureel worden geanalyseerd zonder rekening te houden met de actoren die deze posities de arbeid- en toeëigeningsverhoudingen bekleden. Voor de identificatie van 'economische posities' is dit een te beperkt perspectief omdat daarbij zowel rekening gehouden moet worden met verschillen tussen mogelijke actoren als met de overlapping van verschillende arbeids- en toeëigeningsvormen.

Index2. Objectieve economische positie

Economisch handelen wordt gestructureerd door de objectieve posities die individuen of groepen innemen in de economische verhoudingen bevinden. Van objectieve economische posities is pas sprake wanneer deze posities een zekere duurzaamheid en relatieve sociale stabiliteit vertonen. De objectieve economische levensposities van individuen of groepen worden op hun beurt gestructureerd door de ongelijke verdeling van de beschikkingsmacht over economisch relevante bronnen en de hierdoor bepaalde ongelijke beloningen. De positionele structuur van de economische verhoudingen die hierdoor wordt vastgelegd is dus geen eerste verklaringsgrond waarachter niet kan worden teruggegaan. Zij wordt immers zelf bepaald door de - in § 1.1 genoemde - economische systeemstructuur [vgl. Bader/Benschop 1988:64]. Dit niveau van handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de positionele structuur.

Objectieve economische posities omvatten niet alleen posities in de maatschappelijke arbeidsverhoudingen maar ook in de toeëigeningsverhoudingen. Zij omvatten niet alleen posities in de materiële produktie- of arbeidsverhoudingen, maar ook in de materiële consumptieverhoudingen, zoals in de woonsituatie. Zij omvatten bovendien niet alleen posities in de materiële produktie- en consumptieverhoudingen maar in alle maatschappelijke arbeidsverhoudingen, zoals in het onderwijs-, hulpverlenings-, rechts- en politieke systeem. Tenslotte gaat het bij objectieve economische posities niet alleen om ongelijkheid van directe bronnen (materiële arbeidsvoorwaarden, individuele prestatiekwalificaties, en vormen van coöperatie/leiding), maar ook om de ongelijkheid van beloningen.

Objectieve economische posities zijn dus het gecombineerde resultaat van de differentiële plaatsen die economische actoren innemen in de relatief gestabiliseerde structuur van

  1. de arbeidsverhoudingen (klassen-, beroeps-, bedrijfs- en afdelingsverhoudingen),
  2. de toeëigeningsverhoudingen (vermogens- en inkomensverhoudingen),
  3. de consumptieverhoudingen (consumptie van materiële goederen en gebruik van diensten).
De verschillende economische posities resulteren in objectieve tegenstellingen tussen belangen van individuele en collectieve actoren: binnen en tussen afdelingen, binnen en tussen functiegroepen, binnen en tussen arbeidsorganisaties (particuliere ondernemingen, overheids- en semi-overheidsinstellingen), binnen en tussen kwalificatie- en/of beroepsgroepen, binnen en tussen sectorale of geografische groepen, binnen en tussen sociale klassen en klassefracties, binnen en tussen vermogens- en/of inkomensgroepen, binnen en tussen werkenden en/of werklozen, binnen en tussen producenten/dienstverleners en consumenten/gebruikers, binnen en tussen consumenten-, gebruikers-, cliënten- en patiëntengroepen. In figuur 4.2 zijn een groot deel van deze belangentegenstellingen in kaart gebracht en worden hiervan een aantal voorbeelden genoemd.

Figuur 4.2 Belangentegenstellingen in meervoud

Belangentegenstellingen
tussen en binnen:
Voorbeelden
Afdelingen Tegenstellingen tussen en binnen produktie-afdelingen, binnen en tussen adminstratieve afdelingen, tussen en binnen commerciële afdelingen, tussen en binnen managementsafdelingen, tussen en binnen directie-afdelingen. Tegenstellingen tussen produktieafdeling, administratieve afdeling, in- en verkoopafdeling, management, directie, raad van commissarissen.
Functiegroepen Tegenstellingen tussen en binnen staf- en lijnfunctionarissen, tegenstellingen tussen hogere en lagere functiegroepen.
Arbeidsorganisaties Tegenstellingen tussen en binnen produktie-organisaties, dienstverleners, banken, verzekeringsmaatschappijen, overheidsinstellingen; tegenstellingen tussen en binnen organisatie-interne elites; tegenstellingen tussen en binnen organisatie-interne subalterne groepen; tegenstellingen tussen organisatie-interne elites en subalterne groepen.
Kwalificatie- &
beroepsgroepen
Tegenstellingen tussen en binnen hoog- en laaggekwalificeerden, tussen geschoolden en ongeschoolden, tussen en binnen artsen en verpleegkundigen, tussen en binnen hulpverleners en politie, tussen en binnen advocaten en psychiaters, tussen en binnen managers en accountants.
Sectorale groepen Tegenstellingen tussen en binnen de primaire, secundaire, tertiaire en quartaire sectoren.
Sociale klassen
en klassefracties
Tegenstellingen tussen en binnen ondernemersfracties (industrieel, commercieel, bank-,geld- financierskapitaal), binnen en tussen fracties van de arbeidersklasse, binnen en tussen fracties van zelfstandige middenklasse of van de loonafhaneklijek middenklassen; tegenstellingen tussen ondernemers en loonarbeiders, tussen grote ondernemers en kleine zelfstandigen, tussen kleine zelfstandigen en loonarbeiders.
Geografische groepen Tegenstellingen binnen en tussen Amsterdamse, Noord-Hollandse, Nederlandse, Europese ondernemers/loonarbeiders; tegenstellingen tussen en binnen Europese, Amerikaanse, Aziatische enz. groepen ondernemers en/of loonarbeiders.
Vermogens- en
inkomensgroepen
Tegenstellingen tussen en binnen hoge(re) en lage(re) vermogensgroepen, binnen en tussen groepen grond-, produktiemiddelen-, onroerendgoed-, geld- aandelenbezitters; tussen en binnen hoge(re) en lage(re) inkomensgroepen; tegenstellingen tussen inkomens- en vermogensgroepen.
Werkenden en werklozen Tegenstellingen tussen en binnen werkenden, tussen en binnen arbeidsmarktcategorieën; tegenstellingen tussen en binnen werklozen en uitkeringsafhankelijken; tegenstellingen tussen werkenden en werklozen; tegenstellingen tussen en binnen voltijds- en deeltijdsarbeiders, tussen en binnen gepriviligieerde en gemarginaliseerde loonarbeiders.
Producenten en
consumenten
Tegenstellingen tussen producenten en consumenten van materiële goederen, tussen dienstverleners en cliënten, gebruikers, patiënten, tussen verhuurders en huurders.
Consumenten, gebruikers,
cliënten, patiënten
Tegenstellingen binnen en tussen groepen consumenten (bijv. consumenten van bespoten versus biologisch-dynamisch voedsel), tussen en binnen verschillende soorten gebruikers (bijv. tussen auto- en fietsgebruikers bij gebruik van openbare ruimte), tussen en binnen diverse typen cliënten (bijv. cliënten van advocaten versus cliënten van hulpverleners), tussen en binnen patiëntgroepen (bijv. patiënten van reguliere versus alternatieve geneeskunde).

Index3. Sociale collectiviteiten

Economisch handelen wordt mede gestructureerd door de sociale collectiviteiten die ontstaan wanneer individuele of collectieve actoren min of meer duurzaam aan bepaalde economische posities gebonden zijn. Wanneer individuen in staat zouden zijn om naar believen van economische positie te wisselen en dus niet relatief duurzaam aan een specifieke economische positie gebonden zouden zijn, zouden er geen sociale collectiviteiten kunnen ontstaan die enige sociale cohesie of consistentie vertonen. Het ontstaan en voortbestaan van deze sociale collectiviteiten wordt primair bepaald doordat de mobiliteit tussen economische posities is geblokkeerd. Op deze wijze kunnen een groot aantal uiteenlopende sociale collectiviteiten of economische gemeenschappen ontstaan: arbeidscollectieven, functionele en afdelingsgroepen, kwalificatie- en beroepsgroepen, inkomens- en vermogensgroepen, organisatie-interne elites en subalterne groepen, zelfstandige en loonafhankelijke groepen, sociale klassen en klassefracties, arbeidsmarktgroepen, selectieve associaties, prestigegroepen en ascriptieve groepen. Wanneer het behoren tot zo'n groep een minimum aan stabiliteit en duurzaamheid vertoont, ontstaan er tussen de leden van deze groepen netwerken van sociale relaties ('sociale georganiseerdheid'). Dit niveau van handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de sociale of groepsstructuur.

Index4. Habitus en levensstijlen

4.1 Dispositionele structuur en habitus
Economisch handelen wordt mede gestructureerd door de verschillen in habitus en levensstijlen. De habitus is een specifieke combinatie van lichamelijke, pychische, normatieve en cognitieve houdingen of disposities van individuen of groepen. De economische habitus wordt gestructureerd door de (verschillen en ongelijkheden van de) objectieve economische positie van de betreffende actoren. Deze structureert op haar beurt de groepsspecifieke levenswijzen, handelingen en praktijken, evenals de verschillende type van economisch bewustzijn. Dit niveau van handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de dispositionele structuur (ook wel het niveau van de ‘alledaagse cultuur’ genoemd).

De economische habitus wordt niet alleen gestructureerd door de specifieke kenmerken van de economische verhoudingen, maar ook door culturele tradities, dat wil zeggen door de culturele erfenissen van specifieke (beroeps-, inkomens- enz.) groepen. De specifieke kenmerken van een economische positie worden in de habitus van de leden van een economische groep geïncorporeerd; de culturele tradities en historische ervaringen van een groep worden in de economische habitus gesubjectiveerd. De economische habitus is dus een samenstel van een belichaamde of ingelijfde economische structuur en een gesubjectiveerde groepscultuur.

Een eenmaal toegeëigende economisch habitus is weliswaar behoorlijk stabiel en onbuigzaam, maar blijft toch verbonden aan de specifieke economische structuur en is dus aan tijd en sociale ruimte verbonden. Daarom zal een habitustype op den duur toch veranderen wanneer zich in de hieraan ten grondslag liggende economische situatie belangrijke wijzingen voordoen. Deze ‘structurering van onderaf' biedt echter zoveel speelruimte dat er zelfs hardnekkig kan worden vastgehouden aan een eenmaal verworven economische habitus wanneer de specifieke economische posities en situaties die deze habitus genereerde voor de betreffende individuen feitelijk een gepasseerd station zijn of in de maatschappij als geheel als verdwenen zijn.[5]

Gehabitualiseerd gedrag is onbuigzamer en taaier dan niet-gehabitualiseerde gedragsvormen. Een sterk verzet tegen verandering (economen zouden zeggen: een onverwacht lage elasticiteit) is een indicatie van de hardnekkigheid die door habitualisering werd veroorzaakt. Een voorbeeld hiervan zijn de tot een vanzelfsprekende routine uitgekristalliseerde preferenties die bepalend zijn voor het alledaagse koopgedrag van consumenten. Wanneer zich in een bepaald land, een specifieke regio of binnen een bepaalde sociale klasse een habitueel verankerde voorkeur voor wijn in plaats van bier heeft ontwikkeld, laat deze preferentie zich niet zo snel veranderen.
Een klassiek voorbeeld hiervan zijn de gehabitualiseerde gedragsvormen van de Nouveaus Riches. Recentere voorbeelden zijn de —soms aandoenlijke— revoltes tegen de devaluatie van academische titels, en de extreme cultivatie van een traditionele arbeidsmoraal in situaties waarin de grondslag daarvoor dreigt te ontvallen (door aangekondigd massa-ontslag) of reeds ontvallen is (door feitelijke werkloosheid). Werknemers die door een economische crisis of recessie het hardst bedreigd of getroffen worden, komen niet direct tot een meer realistische inschatting van de maatschappelijke verhoudingen. De door de economische ontwikkeling veroorzaakte onzekerheid leidt in eerste instantie vaak tot illusoire opvattingen van individuele prestatie, vrijheid en gelijkheid; deze illusoire opvattingen vormen de grondslag voor de reactivering van klassematige en raciale vooroordelen door conservatief-reactionaire propaganda. De eerste reactie op zich verscherpende sociale problemen is zeer vaak dat actoren zich bij de mogelijke oplossing van deze problemen oriënteren op het zo snel mogelijk herstellen van de oude toestand. Zij verwachten daarbij vaak meer dan voorheen heil van hun individuele prestatie in plaats van georganiseerde vakbondsactie.

Dit leidt tot het paradoxale fenomeen dat onzekere situaties die veroorzaakt worden door structurele (door individuele werknemers nauwelijks te beïnvloeden) ontwikkelingen die de betekenis van individuele arbeidsprestaties in vergaande mate ondergraven, in eerste instantie geïnterpreteerd en beoordeeld worden vanuit een individuele prestatiehouding. Deze houding fungeert als matrix voor actuele waarnemingen van werkgelegenheidsrisico’s, voor ervaringen van onzekerheid en machteloosheid, voor duidingen van economische processen en structuren, voor waarderingen van ondernemers-, overheids- en vakbondsbeleid, en van emoties over sociale en persoonlijke leed van de feitelijke verliezers of slachtoffers in strijd om schaarse arbeidsplaatsen. De gehabitualiseerde individualistische prestatiemoraal lijkt dus juist gereactiveerd te worden in situaties waarin de economische posities en situaties die deze habitus genereerde voor de betreffende actoren feitelijk niet of nauwelijks meer bestaan [de werking van deze paradoxale mechanismen werd o.a. onderzocht door Bierbaum e.a. 1977:101 e.v. en Herkommer/Bischoff 1979].

Index


4.2 Matrix van levensstijlen en -praktijken en van waarneming en waardering
De economische habitus fungeert enerzijds als organisatieprincipe van sociaal-culturele levensstijlen en -praktijken, anderzijds fungeert ze als matrix voor actuele waarnemingen en ervaringen, bewegingen en emoties, duidingen en waarderingen van deze levensstijlen en -praktijken.
  1. Individuen drukken zich uit in activiteiten die aan de toegeëigende economische habitus beantwoorden: in een bepaalde manier van werken, een bepaalde manier van communiceren en coördineren, in een bepaald type arbeidsdiscipline en arbeidsmoraal, in een bepaalde manier van leidinggeven, in gedragscodes voor eerlijke handel, in een plichtsbesef dat men afgesloten contracten moet nakomen, enzovoort. Daarvoor is lang niet altijd een bewuste beslissing van de actoren voor nodig. De toegeëigende economische habitus maakt bepaalde produktie- en consumptiepatronen, manieren van denken en waarderen zo vanzelfsprekend dat er geen bijzondere overwegingen of keuzes meer nodig zijn.

    De sociaal-culturele praktijken van economische actoren lijken op het eerste gezicht slechts een losse verzameling uiteenlopende handelingen, maar vertonen meestal zonder bewuste inspanning toch een zekere coherentie en zijn afgestemd op de andere leden van een sociale groep (die vergelijkbare signalen uitzenden). De economische habitus genereert steeds opnieuw weer een aantal praktische metaforen die op concrete situaties of handelingsvereisten kunnen worden toegepast [vgl. Bourdieu 1979:193].

  2. Een verinnerlijkte economische habitus drukt zich ook uit in de waarneming en waardering van alle mogelijke menselijke uitingsvormen. De economische habitus is een systeem van waarderings- en beoordelingsmaatstaven en fungeert als een matrix voor de feitelijke waarnemingen, duidingen en waarderingen van sociaal-culturele en politieke praktijken.

    Al naar gelang de toegeëigende habitus worden er verschillende waardeoordelen gehecht aan goederen en gedragswijzen. Hierdoor komt het symbolische karakter van deze goederen en praktijken (gedrags- en denkwijzen enzovoort) tot stand. Mensen selecteren produkten, diensten en gedragspatronen niet alleen op grond van hun praktische kwaliteiten, maar ook op grond van de vraag of ze passen bij hun eigen specifieke habitus.

    Bij de selectie van produkten/diensten en gedragspatronen gaat het dus niet alleen om de vragen zoals 'hoe voedzaam is een bepaald consumptiegoed?', 'hoe degelijk is een Lada?', 'hoe ontspannend is het bijwonen van een klassiek concert?', 'hoe bevredigend is een specifieke erotische praktijk?', en 'hoeveel kost het een en ander?'. Het gaat ook om vragen zoals 'kan ik het als accountant wel veroorloven om geen stropdas te dragen', 'is het voor mij als gewone arbeider wel gepast om er een zeilboot op na te houden?', 'kan ik het mij als chef permitteren om naar een ondergeschikte te lonken?', 'is het voor een officier van het leger geoorloofd om uiting te geven aan homoseksuele verlangens?'

    Alleen in de steriele modelwereld van de neoklassieke economen en organisatiesociologen is geen plaats voor dergelijke overwegingen omdat daarin de actoren altijd precies weten wat het beste voor hen is en zij gezegend zijn met preferenties waarvan de herkomst ongeveer even duidelijk is als die van het kind van de maagd Maria.

Index


4.3 Dimensies van habitus
In onderzoek naar de voorwaarden van economisch handelen is het van belang dat de verschillende dimensies van habitus duidelijk worden onderscheiden, dat er een concreter zicht wordt verkregen op de aard van de disposities die hierdoor worden gestructureerd en dat het spectrum van elk van deze disposities wordt afbakend.

  1. Lichamelijke habitus - lichaamshouding, lichamelijk gevoel, manieren van bewegen, van lijfelijke gewaarwording en ervaring.
    De lichamelijke habitus is het stelsel van (grotendeels onbewuste) regelmatigheden die ten grondslag liggen aan het gebruik van de fysieke ruimte. De lichamelijke habitus structureert specifieke lichaamshoudingen en -bewegingen, normatieve lichaamsbeelden, manieren van lichaamsverzorging en lichaamstaal. Lichaamshoudingen en -bewegingen van mensen zijn een metafoor van de positie die zij in de sociale ruimte innemen en van de wijze waarop zij zich daarin bewegen. In de door de lichamelijke habitus gestructureerde lichaamshoudingen en -bewegingen worden de organisatieprincipes van de sociale ruimte op specifieke wijze gereflecteerd.[4] Hierdoor komt een specifieke samenhang tot stand tussen sociaal-economische posities en lichamelijke disposities. Leden van eenzelfde afdelingsgroep, beroepsgroep of sociale klasse maken gebruik van lichaamstaal om hun onderlinge verschillen in sociale positie aan te geven; in nonverbale tekensystemen drukken uit dat zij tot een bijzondere afdeling, een bepaald beroep of sociale klasse behoren (en dat zij hiertoe bewust of onbewust gerekend willen worden), en maken aanspraak op een voor deze afdeling, dit beroep of deze klasse gepaste behandeling. Lichaams- en gebarentalen zijn betekenisvolle talen waarin mensen met elkaar communiceren, dat wil zeggen waarin zij informatie geven en boodschappen uitwisselen.[5] Deze informaties en boodschappen kunnen van technische aard zijn, maar hebben in de regel ook een sterke sociaal-psychologische en politiek-culturele lading [Benschop 1993: 362-71]. Door middel van een specifiek gecultiveerde houding van het lichaam en specifieke wijzen van bewegen wordt een bepaalde klassemacht en -prestige (of het gebrek daaraan) gesymboliseerd. Zo is het structureel waarschijnlijk dat zich in arbeidende klassen of klassefracties die zware lichamelijke arbeid verrichten, lichaamsbeelden ontwikkelen waarin de nadruk ligt op directe fysieke kracht en niet op mentale, gesublimeerde kracht [Willis 1973:219-20]. De geprefereerde manieren van bewegen zijn sober, viriel en 'mannelijk'; wie de lichaamsstijl van de heersenden imiteert, gedraagt zich 'aanstellerig', 'verwaand' of 'verwijfd'.[6] De normering van dergelijke lichaamsbeelden speelt een belangrijke rol in de symboliseringen van economische macht, maar ook in de doorbreking hiervan (bijvoorbeeld in de vorm van de politieke karikatuur: van Albert Hahn tot Kees Willemen). De lichamelijke habitus speelt een belangrijke rol in de wijze waarop individuen zich onderdanig aanpassen aan hun 'noodlottige' klassesituatie (gehabitualiseerde aanpassing) of zich hiertegen juist krachtig, 'met rechte rug en opgericht hoofd' verzetten (gehabitualiseerd verzet). Het spectrum van de klassespecifieke lichamelijke houdingen reikt van slaafse onderdanigheid en nederige onderworpenheid ('kruipen voor de baas') tot rebelse opstandigheid en revolutionair elan. Het reikt van "de tot vlees en bloed geworden onderdanigheid van de houding en de bewegingen van persoonlijke dienaren en knechten" (wat protest niet volledig uitsluit, maar toch pas onder zeer extreme omstandigheden denkbaar en mogelijk maakt), via "de systematische disciplinering en inprenting van het lichaam door militaire en industriële dril" tot aan "de gedisciplineerde elegantie van de heersenden" en "de ongebonden lichamelijkheid van rebellerende boeren of sociale bandieten" [Bader 1991:105].

  2. Psychische habitus - diepverankerde en onbewuste karakterstructuur, psychische disposities of houdingspatronen.[7]
    Deze specifieke psychische disposities worden - evenals andere momenten van de habitus - in de vroege kinderjaren door imitatie en inprenting verworven en in klassespecifieke, schoolse socialisatieprocessen gecultiveerd en door de individuele levens- en beroepservaring bevestigd. De klassespecifieke psychische habitus stelt enerzijds grenzen aan de sociale karakterstructuren en psychische houdingen die zich bij de leden van een bepaalde klasse kunnen ontwikkelen, anderzijds maakt de habitus bepaalde typen karakterstructuren en houdingen waarschijnlijker dan andere. Het spectrum van psychische disposities reikt van "een bijna naadloze internalisering van de agressor en van onderdrukking in autoritaire verhoudingen, de psychische verinnerlijking van illegitieme machts- en gezagsverhoudingen" [Bader 1991:105], de identificatie met de exploiteurs en profiteurs van eigen arbeidskracht, via globale anti-autoritaire en egalitaire protesthoudingen tot aan klassebewuste en kritische revolutionaire houdingen.[8]

  3. Esthetische habitus - esthetische waarnemings- en waarderingspatronen.
    De klassespecifieke esthetische habitus is nauw verbonden met de patronen van lichaamshouding en karakterstructuur. De esthetische habitus structureert de ruimte waarbinnen zich smaak en smaakverschillen kunnen ontwikkelen. Smaak is gecultiveerde zin voor schoonheid.[9] Het spectrum van esthetische waarderingen loopt van de gedistingeerde via de pretentieuze tot de vulgaire smaak [Bourdieu 1979:196] en kan worden gepreciseerd met de oppositie tussen 'de smaak van luxe' en de 'smaak van de noodzakelijkheid': de zin voor vorm en vormelijkheid versus de zin voor inhoud (elegante kleding versus functionele kleding), de zin voor kwaliteit versus de zin voor kwantiteit ('les petit plats' versus 'la grande bouffe'), de zin voor manieren versus de zin voor materie ('goede tafelmanieren' versus 'een stevige maaltijd'; een 'welgemanierde dame' versus een 'degelijke vrouw met alles erop en eraan').[10] Smaak en smaakverschillen zijn weliswaar door en door historisch en maatschappelijk bepaald, maar toch waant ieder zijn eigen smaak als het meest 'natuurlijke' wat er is. Daarom worden andere smaken als 'tegennatuurlijk', 'ontaard' of 'barbaars' verworpen. Op de gebieden van smaak en levensstijl zijn de intolerantiedrempels zeer laag.[11] "Wellicht is smaak in eerste instantie afkeer, walging, intolerantie of diepe weerzin ('dat is om te kotsen') tegenover een andere smaak, de smaak van anderen. ... Esthetische intolerantie kan verschrikkelijk gewelddadig zijn. De aversie tegen andere verschillende levensstijlen is waarschijnlijk een van de sterkste barrières tussen klassen - de homogamie (klasse-endogamie) is hiervan het bewijs" [Bourdieu 1979:60].

  4. Cognitieve habitus - waarnemingspatronen, denkhoudingen en duidingspatronen.
    Deze structureren actuele waarnemingen (van tijd, sociale ruimte enzovoort), cognitieve stijlen en feitelijke duidingen. Zij omgrenzen de ruimte van het cognitief denkbare en voorstelbare en daarmee de mate van cognitieve kritiek. Hoe werkt de cognitieve habitus? Onze bewuste ervaringen vinden plaats binnen een raamwerk van repetitieve gewoontes en mensen raken net zo als dieren gewend aan repetitieve of continue patronen [Sheldrake 1988:202]. Habituatie van cognitieve patronen is een soort onbewuste herinnering aan het bekende dat de achtergrond vormt waartegen wij ons bewust worden van veranderingen, bewegingen en verschillen. Het spectrum van cognitieve houdingen reikt van fatalisme ('amor fati' - de liefde voor het noodlot: 'als je voor een dubbeltje geboren bent dan word je nooit een kwartje'), resignatief klagen over rechteloosheid en miserabele levensomstandigheden ('morren'), via goedgelovig hopen op beloofde betere tijden tot aan een kritische grondhouding waarmee alle verklaringen van werkloosheid, inflatie, economische crisis enzovoort op hun cognitieve geldigheid worden getoetst.[12]

  5. Normatieve habitus - normatieve duidings- en oriëntatiepatronen.
    De feitelijke normatieve oordelen en oriëntaties van de leden van een afdelings, beroep of sociale klasse worden gestructureerd door diep verankerde, grotendeels onbewuste normatieve duidings- en oriëntatiepatronen. Deze bepalen de grenzen van het normatief denkbare en voorstelbare en daarmee de mate van normatieve kritiek. Zij maken echter tevens specifieke normatieve grondhoudingen, duidingen en kritieken waarschijnlijk. Het spectrum van normatieve grondhoudingen is tamelijk breed. Het reikt van gehabitualiseerde aanpassing aan maatschappelijk dominante waarden en normen, gegeneraliseerde gehoorzaamheid aan superieuren en loyaliteit aan gezagsdragers, via een verontwaardigd bewustzijn van onrecht en uitbuiting tot aan een kritische morele grondhouding waarmee alle legitimaties van exploitatie- en gezagsverhoudingen op hun normatieve geldigheid worden getoetst. Bij de analyse van verschijnselen van aanpassing, gehoorzaamheid en loyaliteit moet er sterk rekening mee gehouden worden dat de eerbied die in publieke, machtsgeladen situaties wordt gedemonstreerd, vaak alleen in de relatieve veiligheid van het privé-leven wordt genegeerd. Dit duidt erop dat er een groot verschil kan bestaan tussen het 'on stage' en het 'off stage' gedrag [vgl. de instructieve analyse van J. Scott 1985:25].

  6. Taalhabitus - klassespecifieke taalpatronen, spreekstijlen.[13]
    De talige habitus structureert de omgang met de standaardtaal en het feitelijke taalgebruik, omlijnt de verschillende dialecten die door de leden van een sociale klasse waarschijnlijk gesproken zullen worden, en bepaalt de speelruimte voor hun actuele spreekstijlen. Het spectrum van taal- en spreekstijlen kan men laten beginnen bij een praktisch zwijgzame houding en een mompelende of hakkelende spreekstijl, die kenmerkend is voor situaties waarin een sociale klasse in vergaande mate gescheiden is van de taalmiddelen waarmee zij haar eigen ervaringen en belangen kan communiceren en articuleren. Deze geringe of grove taaluitrusting manifesteert zich niet alleen in taalarmoede, geringe taalvariëteit, lage verbaliseringsgraad, maar ook in een geringe lees- en schrijfvaardigheid (analfabetisme) en in het onvermogen om de standaardtaal actief te beheersen.[14] Via adaptatie aan de normen van het 'correcte' taalgebruik en assimilatie met de gestandaardiseerde taal komt een aangepaste, 'fatsoenlijke' taalhouding tot stand. Aan het andere einde van het spectrum staat een zelfbewuste en reflexieve taalhouding, die tot uiting komt in een kritische omgang met de beperkingen en mogelijkheden van de gestandaardiseerde dominante taal én subalterne dialecten en gerichte pogingen om posities op te bouwen in de strijd om de ideologische en utopische politieke talen.[15]

Index


4.4 Levensstijl

De structurerende eigenschap van de economische of economisch gebonden habitus manifesteert zich in de organisatie van de sociaal-culturele praktijken en in hun waardering door een specifieke smaak. Hierdoor worden de handelings- en gedragspatronen van de verschillende afdelings- en beroepsgroepen, organisatie-interne elites en sociale klassen gesystematiseerd tot een bepaalde levensstijl. Eenvoudig gezegd: 'disposities scheppen gewoontes', of nog fraaier: 'habitus constitutes habits'.

De habitus fungeert dus als een coördinerend centrum en de levensstijl is hiervan het uiterlijke tekensysteem. Levensstijlen en leefculturen zijn tekensystemen die uitdrukking geven aan feit dat men tot een bepaalde sociale groep of klasse behoort. De actoren (h)erkennen zich als lid van een specifieke sociale groep of klasse en baken zich tegelijkertijd af van andere groepen en sociale klassen.

Het behoren tot een bepaalde sociale groep of klasse kan in diverse tekensystemen worden gesymboliseerd: in waardeoordelen en opinies, in gebaren en taalgebruik, maar ook in het dragen van bepaalde kleren, in voorkeuren voor bepaalde soorten voedsel of drank, in voorkeuren voor bepaalde soorten muziek of dans, of in de verhouding tot het eigen (geseksualiseerde) lichaam. Levensstijl moet dus niet worden beperkt tot een consumptiestijl (zoals dit in de consumptiesociologie en in het commerciële life-style onderzoek gebeurt) en ook niet tot vrijetijdsstijl (zoals dit in de vrijetijdssociologie gebeurt).[16] Een levensstijl is in werkelijkheid een complex aggregaat van beroepsstijlen, werkstijlen, consumptiestijlen (tafelmanieren, woonstijlen, recreatiestijlen), erotische en esthetische stijlen enzovoort. In een levensstijl worden niet alleen verschillende voorkeuren uitgedrukt, maar worden tegelijkertijd de 'fijne sociale verschillen' opgebouwd. Het streven naar distinctie is dus verankerd in de vormgeving van de levensstijlen.

In principe kunnen alle mogelijke produkten, gedrags- en denkwijzen worden gebruikt om deze distinctie- of prestigebehoefte te bevredigen. Luxe- en cultuurgoederen zijn echter bij uitstek geschikt om sociale bindingen uit te drukken. Het bezit of gebruik van luxe- en cultuurgoederen geeft aan dat men wil behoren bij een bepaalde afdeling, functiegroep, inkomens- of vermogenscategorie, elite of selectieve associatie, sociale klasse of klassefractie. Luxe- en cultuurgoederen hebben een groot distinctief vermogen dat bij elke toeëigening opnieuw wordt gereactiveerd. Meestal wordt verondersteld dat het bezit van dezelfde objecten of waren door verschillende groepen noodzakelijkerwijs een gelijksoortige levensstijl indiceert. Zoals bijvoorbeeld het bezit van een auto, ijskast of televisie een indicatie was voor de convergentie van levensstijlen van degenen die vroeger de geprivilegieerde bezitters van deze luxegoederen waren. Maar er moet ook rekening mee worden gehouden dat hetzelfde object of dezelfde gedragswijze in klassematig verschillende relaties figureert en daarom op uiteenlopende wijze cultureel gewaardeerd wordt.

'Positionele goederen' zijn goederen die in een specifieke sociaal-culturele conjunctuur bij uitstek fungeren als prestige-objecten: zij zijn prestigieus omdat en voorzover er een kunstmatige schaarste van aanbod bestaat welke in kapitalistische formaties wordt gereguleerd via de koopkrachtige vraag [Leiss 1983; Sobel 1982]. Relationele dynamiek van het veld komt tot stand door de introductie van nieuwe prestigegoederen of gedragswijzen of door de inflatie daarvan wanneer subalterne groepen de smaak van dominante groepen usurperen.
Ondanks de economische recessie is er een snelgroeiende belangstelling voor badkamer- en sanitaire artikelen. De consumenten willen steeds meer wooncomfort en daarin past een hoogwaardige badkamercultuur. In 1994 werd er in Nederland bijna een miljard gulden uitgegeven aan sanitair (baden, douchebakken, closets, kranen en tegels). Niet alleen op de particuliere markt is er veel vraag naar sanitair, maar ook vanuit de kant van woningbouwcorporaties en projectontwikkelaars (voor huurwoningen, kantoorpanden e.d.). De omvang van deze zakelijke markt wordt geraamd op ongeveer een half miljard gulden. Branchedeskundigen gaan ervan uit dat de markt voor badkamerartikelen voorlopig met 5 à 10 procent per jaar blijft groeien.
Deze laatsten reageren daarop door nieuwe goederen, gedragswijzen en voorkeuren te adopteren waardoor de oorspronkelijke afstand wordt hersteld en gehandhaafd [vgl. Featherstone 1991:88 e.v. in aansluiting op Bourdieu 1979]. Dit heeft onder andere tot gevolg dat de beter gesitueerde consumenten regelmatig van paradepaardje wisselen. Uit een onderzoek dat het Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (EIM) in opdracht van het Hoofdbedrijfsschap Detailhandel (HDB) begin 1994 uitvoerde blijkt bijvoorbeeld dat de jaren zeventig en tachtig nadrukkelijk in het teken stonden van de luxe inbouwkeuken, terwijl de jaren negentig het decennium lijken te worden voor de luxueuze badkamer.

In analyses van de postmodernistische consumptiecultuur wordt uitvoerig aandacht besteed aan processen van stilering en esthetisering van het alledaagse leven. De postmodernistische ‘depthless culture’ (Jameson) wordt gekenmerkt door de volgende elementen.

  1. De koop en consumptie van waren wordt in toenemende mate gemedieerd door diffuse culturele beelden die door middel van advertenties en promotie worden verspreid. De consumptie van tekens resp. het symbolische aspect van goederen wordt een steeds belangrijker bron van bevredigingen.

  2. De belangstelling voor mode, zelfpresentatie en het uiterlijk wijst op een proces van culturele differentiatie dat in veel opzichten de tegenpool vormt van het stereotype beeld van de genivelleerde massa-maatschappij. Geconsolideerde culturele levenspatronen worden opengebroken door speelse of parodiërende interventies die gericht zijn op het overwinnen van traditionele statusspelletjes. De snelheid waarmee nieuwe stijlen (in mode, muziek, uiterlijk, ontwerp en consumptiegoederen) elkaar afwisselen, wordt steeds groter. De populistische en onthiërarchiserende geest van het postmodernisme komt onder andere tot uitdrukking in het afbreken van de grens tussen kunst en het alledaagse leven.

  3. De toenemende diversiteit van culturele praktijken betekent echter niet dat levensstijlen geen indicator meer zijn voor differentiële klasseposities. Het 'spel van de distinctie' is weliswaar complexer geworden, maar culturele consumptie en levensstijlen blijven fungeren als middelen van classificatie, hiërarchie en segregatie [vgl. Featherstone 1991, Douglas/Isherwood1980].
In moderne burgerlijke maatschappijen heeft zich een relatief grote verscheidenheid van levensstijlen ontwikkeld, die op specifieke wijze zijn gehiërarchiseerd en waarin verschillende culturen en subculturen tot uitdrukking komen.[17] De dominante of heersende culturen kunnen echter niet simpel onder de titel van 'eliteculturen' of 'klasseculturen' worden gevat.[18]

Index5. Typen en graden van bewustzijn

Economisch handelen wordt mede bepaald door het subjectieve oriëntaties op en bewustzijn van economische verhoudingen. Handelingsoriëntaties en typen van bewustzijn omvatten niet alleen strategische, maar ook traditionele, affectieve en normatieve oriëntaties op objectieve levensposities [zie uitvoeriger § 3]. Deze oriëntaties worden gestructureerd door de objectieve economische positie, de habitus en de levensstijlen alsmede door de maatschappelijk heersende cognitieve en normatieve duidingspatronen. Handelingsoriëntaties zijn in meer of mindere mate bewust (voorbewust of onbewust). De verschillende graden van bewustheid van economische belangentegenstellingen en ongelijkheden (collectieve identiteit, hervormend of revolutionerend conflictbewustzijn) zijn bepalend voor haar handelingsrelevantie. Dit niveau van handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de mentaliteitsstructuur.

Index6. Voorwaarden die de ontwikkeling van collectief bewustzijn en handelen bepalen

Economisch handelen wordt dus in eerste instantie bepaald door de verschillen en ongelijkheden in de systemische, positionele, sociale, dispositionele en mentale structuren. Economisch handelen wordt dus in ieder geval bepaald door:

Op het zesde en laatste niveau van handelingsstructurering - het niveau van conflictueel economisch handelen - worden collectief economisch bewustzijn en handelen bovendien bepaald: Dit niveau van handelingsstructurering zal worden aangeduid als het niveau van de (politieke) handelingsstructuur.

Zoals gezegd kan het totale proces van economische handelingsstructurering methodisch-analytisch worden opgesplitst in zes op elkaar aansluitende en onderling nauw verbonden afzonderlijke structureringsprocessen. Ik heb daaraan eerder twee claims verbonden. De eerste claim was dat door deze specificatie van zes niveaus van handelingsstructurering (die elk afzonderlijk weer verder gedifferentieerd kunnen worden) betere - meer consistente en gedifferentieerde - economisch-sociologische theorieën ontworpen kunnen worden. De tweede claim was dat dit model van handelingsstructurering gebruikt kan worden om een aantal knelpunten in het empirische en historisch-vergelijkende onderzoek naar economische verhoudingen, processen en instituties op te lossen.

Om deze beide claims waar te maken moeten in de eerste plaats (a) de genoemde niveaus zo scherp mogelijk van elkaar worden afgebakend. Het voordeel van de transformationele benadering is dat het door de specificatie van de verschillende structureringsniveaus mogelijk wordt (b) het totale proces van structurering op te splitsen in een aantal mechanismen die vervolgens afzonderlijk onder de loupe genomen kunnen worden, terwijl het hierdoor tevens mogelijk wordt (c) de telkens specifieke resultaten van deze constitutieve mechanismen duidelijk van elkaar te onderscheiden:

In de tweede plaats moeten een aantal toetsbare hypothesen worden geformuleerd met betrekking tot de verbindingen tussen deze niveaus, mechanismen en resultaten van handelingsstructurering.

In figuur 5.3 zijn de relaties tussen constitutieve processen, niveaus van handelingsstructurering en de hierdoor gegenereerde resultaten in beeld gebracht. @

Figuur 4.3 Niveaus van handelingsstructurering, mechanismen en resultaten

Elk niveau van handelingsstructurering is zelf weer een tamelijk complexe figuratie van uiteenlopende mechanismen en factoren.

Index


Noten

[1] Voor de uitwerking van het onderscheid van en de samenhang tussen deze niveaus van handelingsstructurering verwijs ik naar BADER/BENSCHOP [1988] en BENSCHOP [1993].

[2] Zie voor een uitvoeriger analyse van de relatie tussen bezits- en toeëigeningsverhoudingen en een kritische bepaling van het begrip 'meerarbeid': Benschop [1993: 144 e.v., 182 e.v.].

[3] De kenmerken en werking van organisationele en interactionele afhankelijkheids- en exploitatieverhoudingen zijn uitvoeriger onderzocht in: Benschop [1993: hft. VIII en IX].

[4] De manieren waarop mensen in verschillende maatschappelijke verbanden hun lichaam bewegen en gebaren maken, is een traditioneel aandachtsveld in de antropologie: Darwin, Boas, Mauss. Aan het eind van de jaren twintig heeft Sapir met zijn antropologisch-linguïstische aanpak de grondslag gelegd voor de latere structurele benadering van het gebruik van de fysieke ruimte. Antropologen hebben van diverse culturen de vormen van nonverbale communicatie in kaart gebracht. Zie voor cultureel-antropologische benaderingen: HALL [1959/81,1968,1976], BIRDWHISTELL [1952,1970,1978], en voor Nederlandse bijdragen: HOETINK [1962], VERRIPS/VERRRIPS [1990]. Zie voor een sociologisch-antropologische benadering: BOURDIEU [1979:84,193; 1989:115], voor een symbolisch-interactionistische benadering: GOFFMAN [1979], voor een historisch-sociologische benadering: ELIAS [1982: 179-232] en voor een sociaal-psychologische benadering: VRUGT/SCHABRACQ [1991].

[5] Deze informaties en boodschappen kunnen zeer gedifferentieerd zijn. Met lichaamshoudingen en -bewegingen kan bijv. informatie worden gegeven/ontvangen over de tijd en mentaliteit, over eigenschappen van personen en zaken, over gebeurtenissen en omstandigheden, over wensen en verlangens, over sociale relaties en seksuele intimiteiten.

[6] In studies over de cultuur van de arbeidersklasse is vaak aandacht besteed aan de cultus van masculiniteit. Bij de verklaring van dit verschijnsel moet rekening worden houden met een lange geschiedenis van de klassespecifiek gekleurde deling tussen hoofd- en handarbeid. In kapitalistische arbeidsverhoudingen is 'handarbeid' als zodanig weliswaar geen klassekenmerk, maar wel typerend voor het soort werk dat door een groot aantal leden van de arbeidersklasse wordt verricht. De masculine ethos was altijd het sterkst ontwikkeld bij delen van de arbeidersklasse die daadwerkelijk zware lichamelijke arbeid verrichten (havenwerkers, mijnarbeiders, bouwvakkers, metaalarbeiders e.d.). De fundamentele houdingen en waarden die met dergelijke banen zijn verbonden, zijn echter veel breder verspreid in de cultuur van de arbeidersklasse, en m.n. in de cultuur van de werkvloer. De hardheid van de klassenstructuur en vooral de restrictiviteit van de directe afhankelijkheidsrelaties binnen de arbeidsorganisatie zorgen ervoor dat loonarbeiders hun 'zachte' eigenschappen en gevoelens voor zichzelf houden. "Class ... makes it rational for men to keep their 'soft' feelings to themselves until they are very sure they won't be hurt; but in the long wait to be very sure, all sorts of opportunities for expressing affection - opportunities which to the outsider seem safe - may be lost" [SENNET/COBB 1973:219].

De opposities waarin de klassespecifieke (waardering van de) lichaamshexis worden uitgedrukt zijn in essentie bijna volledig congruent aan de taxonomie die georganiseerd wordt door seksespecifieke tegenstellingen [Willis 1977:45,52,148; Bourdieu 1979; 1989:117 e.a.] Er bestaat een intiem verband tussen verbale en nonverbale uitingen van lichamelijke kracht (masculiniteit) en machismo (mannelijke waarden, stoerheid, hanerigheid enz.). Hetzelfde geldt voor het verband tussen gesymboliseerde/mentale kracht of emotionaliteit en vrouwelijkheid. Deze feitelijke fusie van klasse- en seksespecifieke mechanismen in de werking van de habitus is echter geen reden om het analytische verschil tussen beide structureringsmomenten uit het oog te verliezen. Vgl. Dieleman e.a. [1983], Jansen [1990]. Zie voor de reproduktie van 'hegemoniale masculiniteit': Connel [1987].

[7] Vgl. in dit verband de analyses van psychische civilisatieprocessen in aansluiting bij Elias [1969, 1939/82] en de analyses van klassespecifieke karakterstructuren in aansluiting bij het psycho-marxisme van Reich [1933,1933a]. In zijn monumentale analyse van het civilisatieproces heeft Elias laten zien hoe het hele menselijke gevoelsleven(van de meest elementaire driftgevoelens, via de affectieve emoties tot aan het prestige- en schaamtegevoel) in en door de specifieke maatschappelijke verhoudingen ('figuraties') wordt gemodelleerd. Zie voor een recent overzicht van sociaal-psychologische studies: Argyle [1994].

[8] Zie voor een sensibele analyse van het resignatieve individuele levensperspectief in de arbeidersklasse als uiting van gesubjectiveerde, verinnerlijkte ervaring van gebrek aan kansen: Argyris [1964:86-95], Sennet/Cobb [1972]. Zie voor sociaal-psychologische studies: Groskurt/Volpert [1975], Grosgurt [1979]. Zie voor het geïnternaliseerde kolonisme: Nandy [1983], Fanon [1967].

[9] Om smaak te ontwikkelen moet men over vorming beschikken, en deze is op haar beurt afhankelijk van beschikbare vrije tijd, beschikkingsmacht over materiële goederen of geld. In burgerlijke maatschappijen worden specifieke individuen niet bij voorbaat van bepaalde consumptie- of genotsvormen uitgesloten. Zelfs de drastische ongelijke verdeling van vrije tijd, geld en onderwijskansen leiden in de regel niet tot directe uitsluiting. De uitsluiting werkt bemiddeld, via de toeëigening van een klassespecifieke habitus en de uiting daarvan in smaak. Zie voor een analyse van de culinaire smaak: FLANDRIN [1989].

[10] De grote verscheidenheid aan diëten en eetgewoonten zijn aanknopingspunten voor sociale distinctie en "de manieren van voedsel bereiden en de eetgewoonten [behoren] nog altijd tot de gedragswijzen waaraan leden van verschillende sociale klassen elkaar het eerst herkennen en op grond waarvan zij elkaar waarderen of verfoeien" [GOUDSBLOM 1992:54 e.v., in aansluiting op ELIAS 1969/82:120 e.v.].

[11] Dit geldt niet alleen voor esthetische waarderingen voor de 'hogere kunsten', maar wordt vooral ook zichtbaar op het gebied van de erotische stijlen, waar de heteronormaliteit leidt tot flikkerhaat en potenrammerij. Dat smaakverschillen tussen de sociale klassen tot enorme aversies ('classism') kunnen leiden, is niet alleen bekend uit de ongemeen kwaadaardige wijze waarop 'proleten' en 'bourgeois' elkaar over en weer bejegenen ('proletenhaat' en verafschuwing van het 'plebs' tegenover hartgrondige afkeer van 'alles wat naar burgerlijkheid ruikt'), maar ook uit de daarmee vervlochten geschiedenissen van intolerantie tegenover boeren ('boerenkinkels' of 'boerenpummels'), kleinburgers en intellectuelen. In Het boek van de lach en vergetelheid geeft Milan KUNDERA [1981] een onsterfelijke illustratie voor de laatste categorie: "Ze zei dat hij haar had genomen als een intellectueel. Het woord intellectueel was in het toenmalige politieke jargon een scheldwoord. Het sloeg op iemand die het leven niet begrijpt en die afgesneden is van het volk. Alle communisten die toen door andere communisten werden opgehangen, kregen dit scheldwoord toebedeeld. In tegenstelling tot hen die met beide benen op de grond stonden, zweefden ze, zei men, in de lucht. Daarom was het in zekere zin gerechtvaardigd dat hun tot straf de grond onder de voeten definitief werd ontnomen en dat zij een stukje daarboven bleven hangen. Maar wat bedoelde Zdena met haar beschuldiging dat hij als een intellectueel vrijde?"

[12] Zie voor studies over arbeidersbewustzijn waarin m.n. cognitieve waarnemingspatronen en denkhoudingen worden behandeld: LOCKWOOD [1966/75], BIERBAUM e.a. [1977], KUDERA [1979], ZOLL [1981], MARSHALL e.a. [1988].

[13] Bourdieu beschouwt taalhabitus niet als een apart type habitus, maar als een dimensie van de lichamelijke habitus. "Taal is een lichaamstechniek en de specifieke linguïstische, vooral de fonologische competentie is een dimensie van de lichaamshexis waarin iemands gehele relatie tot de sociale wereld tot uitdrukking komt. Dit betekent dat de voor een klasse typerende hexis een systematische verbuiging aanbrengt in het fonologische aspect van de taal via dat wat Pierre Guiraud 'articulatiestijl' noemt - een dimensie van het lichaamsschema dat een van de belangrijkste verbindingslijnen vormt tussen taal en sociale klasse. Zo is de articulatiestijl van de arbeidersklasse niet te scheiden van een algehele relatie tot het lichaam die wordt gedomineerd door afkerigheid van 'mooie manieren' en door een hoge waardering voor viriliteit" [BOURDIEU 1989:115]. Hij verwijst in dit verband naar het onderzoek van LABOV [1972:36-64] die de weerstand van de mannelijke leden van de arbeidersklasse in New York tegen de druk van de legitieme taal verklaart uit het feit dat zij hun eigen spreekwijze met de notie van mannelijkheid verbinden. Zie voor een kritische bespreking van de socio-linguïstische analyses van Bernstein (deficiet-hypothese) en Labov (differentiatie-hypothese): LENDERS e.a. [1976]. De samenhang tussen spreekwijze of articulatiestijl en lichaamshexis komt tot stand door de 'geprefereerde' vorm van de mondopening: deze is immers een onderdeel van het globale gebruik van de mond en daarmee de werkelijke basis van het 'accent' [vgl. BOURDIEU 1989:307 e.v.]. Ik heb geen enkel bezwaar tegen deze duidelijke accentuering van de samenhang tussen lichaamshexis en articulatiestijl - integendeel. Maar dit is m.i. geen voldoende reden om de taalhabitus niet als een aparte dimensie van habitus te onderscheiden (ook de esthetische habitus is bijvoorbeeld zeer nauw verbonden met de patronen van lichaamshouding en met de normatieve habitus).

[14] Een dialectspreker kan meestal wel de standaardtaal verstaan, maar niet produktief beheersen. Zo begrijpt een standaardtaalspreker uit de middenklasse vaak wel passief het dialect uit zijn directe geografische of sociale omgeving, maar beheerst deze niet actief. De positie van regionale dialecten werd vooral ondermijnd door de homogeniserende werking van nationale onderwijssystemen en de toegenomen geografische en arbeidsmobiliteit. De aanvaarding van een standaardtaal, het ABN werd bovendien gestimuleerd door de verbeterde mogelijkheden om over grotere afstand te communiceren (radio, televisie enz.), de militaire dienstplicht en door het ontstaan van landelijke organisaties (vakbonden en partijen, maar ook sportbonden, reisorganisaties enz.). Dezelfde factoren hebben bijgedragen aan de erosie van klassespecifieke sociale dialecten. Uit de taalatlassen van de dialectologen kan men opmaken dat de positie van de (sociale en regionale) dialecten sinds het laatste kwart van de vorige eeuw verder werden ondermijnd. "In steeds omvangrijkere gebieden en in steeds meer sociale lagen werd men zowel het dialect als de standaardtaal machtig (toestand van diglossie), terwijl het dialect steeds meer elementen en kenmerken van de standaardtaal ging overnemen" [KNIPPENBERG/ PATER 1988:174-5]. Dit betekent echter niet dat de regionale en sociale dialecten zijn gevaporiseerd [DAAN e.a. 1985]. Dialecten en standaardtaal worden in verschillende gesprekssituaties gehanteerd: het geografische en sociale dialect fungeert als informele 'thuistaal' (binnen gezin en vriendenkring, en onder buurt- en klassegenoten), het ABN fungeert als taal voor de meer formele maatschappelijke contacten (met ambtelijke instanties, met directeuren en chefs, met bestuurlijke autoriteiten). Met zou ook kunnen zeggen dat sociale dialecten floreren in interacties tussen sociaal gelijken, terwijl de standaardtaal fungeert als medium voor interacties tussen sociaal ongelijken (het is een gegeneraliseerd sociaal dialect van cultureel dominante klassen).

[15] Het onderzoek naar klassespecifieke taalpatronen en spreekstijlen in de arbeidersklasse heeft zich langs vier tot nu toe gescheiden lijnen ontwikkeld:

Zie voor een overzicht van studies over taal binnen en tussen klassen: ARGYLE [1994:123-48].

[16] Om dergelijke reducties te voorkomen zouden de dimensies waarin levensstijlen zich uiten duidelijk moeten worden onderscheiden. MÜLLER [198966 e.v.] maakt een bruikbaar onderscheid tussen vier dimensies: (1) het expressieve gedrag, dat zich manifesteert in vrijetijdsactiviteiten en consumptiepatronen; (2) het interactieve gedrag, dat direct tot uiting komt in vormen van gezelligheid en het huwelijksgedrag, en indirect in het gebruik van media; (3) het evaluatieve gedrag, de verschillende waarde-oriëntaties en houdingen die zich religieus uiten in kerkbinding en -traditie en politiek in stemgedrag; (4) het cognitieve gedrag, dat de zelfidentificatie, het behoren tot en de waarneming van de sociale wereld stuurt.

[17] In het onderzoek naar levensstijlen kunnen verschillende benaderingen worden onderscheiden. H.-P. MÜLLER [1989] maakt een onderscheid tussen: (1) waarden- en behoeftentypen (ontwikkelingspsychologische benadering), (2) consumptiepatronen (kwantitatieve sociaal-structurele benadering), (2) milieus (kwalitatieve leefwereld-benadering) en (4) smaakculturen (klassentheoretische benadering).

[18] De moderne jeugd(sub)culturen konden zich ontwikkelen door een ingrijpende herstructurering van de leeftijdsrelaties. De stijging van het welvaartsniveau, de wijzigingen in samenstelling van de arbeidskracht en de hierop geënte reorganisaties van het onderwijsstelsel hebben niet alleen de financiële autonomie van de jeugd binnen de gezinseconomie aanzienlijk vergroot en een zeer omvangrijke specifieke teenager- of jeugdmarkt doen ontstaan, maar hebben ook geleid tot de constructie van relatief autonome nieuwe vormen van jeugdculturen. De stilistische en symbolische repertoires van deze authentieke jeugdsubculturen worden uitgewerkt op het terrein van de klasseculturen. In de - vaak verhulde - sporen van deze klassebepaaldheid van de jeugdsubculturen manifesteert zich niet alleen de binding aan een specifieke klassecultuur, maar ook de mate waarin deze klassecultuur is geassimileerd door of ingesnoerd in een heersende of dominante cultuur. 'De cultuur' is immers altijd een geneste hiërarchie van diverse klassespecifieke culturen. Zie voor een overzicht en waardering van het jeugdcultuuronderzoek van het CCCS: Jeugdkulturen, Te Elfder Ure 35. Zie voor een analyse van jeugdculturen in Nederland: ABMA [1983].

Index

Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1996
Laatst gewijzigd: 05 January, 2017