Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

Naar een nieuwe economische sociologie

—Een transformationeel perspectief—

door: dr. Albert Benschop

II. Contouren van een transformationele economische sociologie

  1. Het transformationele perspectief
  2. Economische structuur en economisch handelen
  3. Structurering van economisch handelen

Index1. Het transformationele perspectief

In kritische aansluiting op de zgn. nieuwe economische sociologie zal ik hieronder de contouren schetsen van het program voor een transformationele benadering van de economische sociologie. Ik gebruik de term transformationeel niet om ijdelheidsredenen en ook niet zozeer om rivaliteitsredenen. Ik gebruik de tot nu toe niet erg ingeburgerde term ‘transformationeel’ omdat daarmee de harde kern van dit economisch-sociologische programma het meest treffend wordt gekarakteriseerd. In deze term komt tot uitdrukking dat ik economische verhoudingen, structuren, instituties en organisaties wil thematiseren als dynamische relaties die in en door menselijk handelen telkens weer opnieuw worden voortgebracht, gereproduceerd en veranderd. Deze op zichzelf eenvoudige basisintuïtie heeft een aantal vergaande implicaties.

Het transformationele model van handelingsstructurering is als zodanig niet volledig nieuw en heeft een aantal min of meer illustere voorgangers of voorlopers. Het algemene model knoopt met name aan bij de bijdragen van Roy Bhaskar, Pierre Bourdieu, Anthony Giddens en Erik Olin Wright. Hoewel hun theorieprogramma’s in veel opzichten divergeren, hebben zij elk op hun eigen wijze belangrijke steunpunten geboden voor het transformationele model.

Uit de referenties in deze tekst kan men echter opmaken dat er diverse andere auteurs zijn —zoals Max Weber, Amitai Etzioni en Mark Granovetter— die belangrijke bouwstenen hebben aangedragen voor de benadering die hier wordt uitgewerkt. De belangrijkste elementen van het transformationele model zijn eerder uitgewerkt in studies over sociale ongelijkheden [Bader/Benschop 1988 - Ongelijk-Heden], over collectief handelen [Bader 1991] en over klassenrelaties [Benschop 1993/2017 - Klassen]. Een aantal van deze elementen worden in dit programma voor een economische sociologie herhaald, toegepast en uitgewerkt.

Ik heb er elders al op gewezen dat de keuze van het adjectief voor dit programma associaties kan oproepen met de transformationele grammatica van Noam Chomsky, waarin taal wordt opgevat als een verzameling van grammaticale zinnen. Het doel van zijn generatieve of transformationele grammatica was alle grammaticale zinnen van een taal (en uitsluitend die zinnen) te kunnen genereren. Chomsky probeerde daarmee vat te krijgen op de taalgeneratie als dynamisch proces. Zijn transformationele grammatica is een verzameling regels met behulp waarvan steeds nieuwe zinnen kunnen worden gegenereerd die tot het corpus van de taal behoren. De verwantschap met Chomsky's grammatica is dat in een transformationele economische sociologie de nadruk ligt op theorieconstructie als dynamisch proces. Een transformationele economische sociologie is in wezen niets anders dan een verzameling theoretische uitspraken (gerelateerde begrippen, hypothesen en methodologieën) waarmee telkens nieuwe uitspraken (en vooral: vragen!) kunnen worden gegenereerd die tot het corpus van deze theorie behoren.

Mij staat een economische sociologie voor ogen die probeert een interdisciplinaire brug te slaan tussen economie en sociologie en een theoretisch-methodologische brug tussen institutionele en actorgerichte theorieën. In deze studie wordt ‘slechts’ een poging tot theorieconstructie gedaan. Ik ontwikkel de grondslagen van een algemene economische sociologie waarin de centrale vooronderstellingen worden geëxpliciteerd, waarin de belangrijkste basisbegrippen van elkaar worden afgebakend en aan elkaar gerelateerd, waarin verschillende analyseniveaus worden onderscheiden en hun onderling samenhangen worden gepreciseerd, en waarin voorzichtige uitspraken worden gedaan over causale verklaringen. De theoretische consistentie, de sociaal-historische reikwijdte en de analytische verklaringskracht van de transformationele benadering wordt onder andere gedemonstreerd door een vergelijking met andere benaderingen.

Het doel van deze tekst is echter bescheiden: ik wil slechts laten zien dat het transformationele paradigma een potentieel krachtig verklaringsprincipe is. Een empirische toetsing van deze benadering is in dit bestek onmogelijk. De referenties aan empirische ontwikkelingen hebben slechts tot doel de theoretische en methodologische stellingen plausibel te maken. Deze empirische referenties zijn natuurlijk nog geen bewijs, zij geven hoogstens een indicatie van de richting waarin empirische toetsingen kunnen plaatsvinden.

Index2. Economische structuur en economisch handelen

Net als alle typen van maatschappelijke verhoudingen worden economische verhoudingen en instituties gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd door individueel en collectief economisch handelen. Dit handelen wordt op zijn beurt weer op meervoudige wijze gestructureerd door de bestaande economische verhoudingen en instituties. Economisch handelen wordt dus bepaald (gelimiteerd en geselecteerd) door economische structuren, terwijl deze structuren tegelijkertijd door economisch handelen worden gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd.

Economisch handelen wordt niet eerst door economische structuren en instituties bepaald, die daarna door dit economisch handelen worden gereproduceerd of getransformeerd. In het transformationele perspectief worden economische structuur en economisch handelen niet als uiterlijk naast elkaar staande of op elkaar volgende elementen behandeld (Economische structuur en economisch handelen zijn existentieel interdependent, maar essentieel onderscheiden). Het analytisch referentiepunt van een transformationele benadering is niet economische structuur/instituties of economisch handelen, maar de sociale structurering van economisch handelen.

Deze stelling impliceert een afbakening ten opzichte van de twee tot nu toe dominante stromingen in de economische sociologie: de institutionalistische benaderingen die zich concentreren op de verklaring van de structuur van de economische verhoudingen en instituties, en de actionistische benaderingen die zich concentreren op de verklaring van het economisch handelen van individuele of collectieve actoren. Deze twee hoofdstromen worden vaak als exclusieve alternatieven tegenover elkaar geplaatst. Daarbij wordt meestal verondersteld dat er een misschien wel principiële kloof bestaat tussen de 'logica van eïnstitutionaliseerde economische verhoudingen' en de 'logica van het individuele en/of collectieve handelen van economische actoren'. De premisse is dus dat economische structuur/instituties en economisch handelen elkaar op logisch niveau niet veronderstellen, maar naast elkaar bestaan en extern zijn verbonden.

  1. In de institutionalistische benaderingen worden economische instituties en processen uitsluitend of voornamelijk geanalyseerd in termen van posities in en structuren van economische verhoudingen. De bezwaren tegen dit type benaderingen zijn inmiddels bekend. Ten eerste worden de economische actoren slechts behandeld als dragers van economische verhoudingen of als personificaties van economische posities. Menselijke individuen worden daarbij gereduceerd tot 'economische individuen'. Alle andere dimensies van de sociale individualiteitsvormen en van 'persoonlijke individuen' worden niet of slechts marginaal gethematiseerd. Individuen verschijnen als een soort 'structurele zombies'. Het institutionalisme is gebaseerd op de mythe van een economische structuur als een 'prexisting entity' [vgl. White 1992]. Ten tweede worden de economische verhoudingen zelf meestal eenzijdig gethematiseerd op het hoogste integratieniveau van de maatschappelijke economische verhoudingen of op het niveau van de organisationele economische verhoudingen. Er zijn geen economische sociologieën waarin beide niveaus van handelingsintegratie op een systematische wijze aan elkaar verbonden worden. Bovendien wordt in praktisch alle institutionele economische sociologieën het interactionele niveau van integratie van economisch handelen buiten beschouwing gelaten. Ten derde wordt er in de institutionele benaderingen een eenzijdig beeld gegeven van de structureringsniveaus van economisch handelen. Er wordt terecht veel aandacht besteed aan de wijze waarop het economisch handelen van actoren bepaald wordt door de posities die zij innemen binnen de economische structuren en instituties, maar de invloed van de duurzaamheid van de binding aan deze posities, van de specifieke habitus en levensstijlen, van gewoontes en zeden, affectieve bindingen en belangendefinities, en van specifieke voorwaarden voor de ontwikkeling van collectief economisch handelen vallen volledig buiten het referentiekader en worden in ieder geval niet als relatief eigenstandige structureringsniveaus gethematiseerd. Tenslotte wordt het empirische economisch handelen 'verklaard' met behulp van te eenvoudige (functionalistische) en te gesloten modellen van structurele causaliteit.

  2. De actionistische benaderingen zijn in zeker opzicht een spiegelbeeld van de institutionalistische benaderingen. Zij zijn 'strong on action, weak on institution'. In de actor-gecentreerde benaderingen worden economische verhoudingen en instituties uitsluitend of hoofdzakelijk geanalyseerd in termen van een of andere specifieke gedragswijze of handelingsstrategie van rationele economische actoren die streven naar de maximalisatie van utiliteiten respectievelijk van hun (meestal strikt individualistisch opgevatte) eigenbelang. Tegen dergelijke benaderingen bestaan drie algemene bezwaren. Ten eerste wordt het hele probleem van de sociale gestructureerdheid van het economisch handelen naar de achtergrond verschoven. Soms worden de sociale handelingscontexten waarin economische actoren opereren überhaupt niet meer gethematiseerd en wordt elke referentie aan objectieve handelingscontexten afgedaan als 'objectivistisch' of 'structuralistisch'. Meestal wordt daarbij verondersteld dat economische structuren en organisaties louter effecten zijn van strategieën van individuele en/of collectieve economische actoren en dus 'voorafgaand' aan het economisch handelen niet gestructureerd zijn. Ten tweede wordt het handelen van economische actoren bijna altijd verkort tot het handelen van louter individuele actoren, tot het handelen van zelfzuchtige wezens niets anders voor ogen staat dan de realisatie van het meest egocentrische eigenbelang. Het zijn 'zuiver' economische actoren die niet alleen ontdaan zijn van alle normatieve, affectieve en traditionele handelingsmotivaties en handelingen, maar die door de beperkte opvatting van het actuele 'eigenbelang' ook nog eens beroofd worden van hun vermogen om collectieve eigenbelangen te definiëren alsmede van hun tijdsperspectief om hun individuele en collectieve belangen op lange termijn te onderkennen. Het op eigenbelang gerichte handelen dat in economische organisatietheorieën overwegend in utilitaristische termen wordt behandeld, is weliswaar een probleem waaraan aandacht moet worden besteed, maar het is zeker niet de 'essentie van organisaties', zoals Terry Moe [1984] beweert. Egoïstisch handelen zou niet als een vaste ('natuurlijke' of 'algemeen menselijke') eigenschap behandeld moeten worden, maar als een empirische variabele. Ten derde wordt in actionistische benaderingen zoals de 'rational choice sociology' en de 'agency theory' de kloof tussen de 'handelingslogica van economische actoren' en de 'systeemlogica van economisch structuren en instituties' helemaal niet opgelost, maar slechts verschoven. Het probleem van de (voorwaarden van) collectief economisch handelen wordt volledig gedelegeerd naar een daarvan gescheiden theorie van collectief handelen, zoals deze bijvoorbeeld in de 'public choice theory' wordt uitgewerkt. Een aantal van deze bezwaren komen hieronder nog uitvoerig aan de orde.
De conclusie ligt voor de hand: structuralistische en actionistische economische sociologieën vullen elkaar niet zozeer aan, maar lijken er toe nu toe vooral aan bij te dragen dat er een aanzienlijke lacune blijft bestaan. Dit resulteert in een kloof tussen deze beide analytische perspectieven en de feitelijke ontwikkelingen van de sociaal-economische en organisationele verhoudingen. Het niemandsland tussen de logica van structurele en actionistische analyses wordt tegenwoordig opgevuld door het transformationele perspectief waarin de structurering van economisch handelen centraal staat.

Index3. Structurering van economisch handelen

Het kennisobject van de economische sociologie wordt gevormd door de maatschappelijke, organisationele en interactionele verhoudingen tussen economische actoren en hun onderlinge competitie en coöperatie. In economisch sociologische analyses gaat het om de samenhang tussen:

  1. de structurering van sociaal-economische levensposities binnen specifieke maatschappijformaties (positioneel-structurele aspect)
  2. de formatie van potentiële handelingscollectieven op basis van deze levensposities (allocatief-personele aspect)
  3. het feitelijke economisch handelen van individuele en collectieve actoren (mobilisatie-organisatie aspect).
Voor een sociaal-economisch theorie- en onderzoeksprogramma is het van belang dat er gebroken wordt met de kunstmatige tegenstelling tussen de - hiervoor geschetste - structuur- en handelingstheoretische benaderingen die dit veld tot nu toe hebben bezet. Dit vereist enerzijds een nauwkeurige kritiek op de gemeenschappelijke en afzonderlijke vooronderstellingen van institutionalistische en actionistische benaderingen. Daarom wordt hieronder uitgebreid aandacht besteed aan de neoklassieke premissen en aan de wijze waarop marktmodellen worden overgedragen op de organisatiesociologie. Anderzijds betekent het dat er een 'derde weg' gevonden of liever gezegd geconstrueerd moet worden waarmee de inmiddels bekende lacunes in de economische sociologie op een systematische manier kunnen worden opgevuld. Het transformationele model van handelingsstructurering biedt hiervoor de beste mogelijkheden. De hoofdlijnen van deze benadering kunnen in twee punten worden samengevat.

Index


3.1 Handelingsstructurering
De algemene vooronderstelling van mijn benadering is dat economische structuren en economisch handelen elkaar logisch en historisch veronderstellen: economisch handelen wordt door economische verhoudingen gestructureerd, en economische structuren worden door het economisch handelen van actoren gegenereerd, gereproduceerd en getransformeerd. Economische structuur (systeem-oriëntatie) en economisch handelen (actor-oriëntatie) worden immanent op elkaar betrokken. Dit heeft twee implicaties.
    In het ‘transformational model of social action’ (TMSA) van Bhaskar wordt maatschappij opgeval als “ever-present condition and continually reproducerd outcome of human agency” [Bhaskar 1989:92; vgl. Bhaskar 1994:154 e.v.] Dit wordt ook wel de dualiteit van de structuur genoemd [Giddens 1976:121 e.v.: New Rules of Sociological Method].
  1. Het betekent enerzijds dat economische structuren en instituties niet onafhankelijk kunnen bestaan van het economisch handelen van actoren: economische structuren worden principieel opgevat als structuren van het economisch handelen van actoren. Economische structuren en instituties zijn zowel de conditie, het medium als de uitkomsten van een proces van structurering, dat wil zeggen van de produktie en reproduktie van economische praktijken in tijd en ruimte.
    Economische structuren en instituties bestaan alleen voorzover zij voortdurend in tijd en ruimte ge(re)produceerd worden door en in het handelen van economische actoren. Economische structuren zijn tijd-ruimtelijk gebonden omdat het economisch handelen van actoren zich op een bepaalde plaats voltrekt en een bepaalde tijd in beslag neemt. Economische structuren strekken zich dus altijd uit over tijd en ruimte. Economische verhoudingen worden gestructureerd door sociaal gereproduceerde geografische configuraties en ruimtelijke relaties waarvan de elementen temporeel specifiek zijn, d.w.z een specifieke duurzaamheid hebben. Binnen en door deze geografische configuraties en ruimtelijke structuren worden economische verhoudingen geconstitueerd.

    In een transformationele benadering staan vanaf het begin de tijd-ruimtelijke constitutie van economische structuren en instituties centraal. Individuen blijven de enige ‘bewegende subjecten’ in economische verhoudingen. Daarom kan er niet worden geabstraheerd van de motieven en redenen die individuen in staat stellen in het economisch leven te participeren. Economische verhoudingen zijn dus in de meest letterlijke zin van het woord afhankelijk van het economische handelen van de actoren: zij bestaan alleen in en door de handelingen die zij reguleren (dus zowel mogelijk maken als beperken). Economische verhoudingen kunnen net als magnetische velden slechts worden waargenomen in hun effecten, d.w.z. in de wijze waarop zij het economisch handelen van actoren structureren. Kortom: economische structuren en instituties bestaan slechts in hun actuele of potentiële effecten op het feitelijke handelen van mensen.

  2. Het betekent anderzijds dat economisch handelen van actoren niet onafhankelijk van economische structuren bestaat: het economisch handelen van actoren wordt principieel opgevat als handelen dat primair door economische structuren wordt bepaald (gefaciliteerd en gelimiteerd).

    Economisch handelen genereert en reproduceert economische verhoudingen. Actoren reproduceren —niet-teleologisch en recursief— in hun substantieel gemotiveerde economisch handelen de ongemotiveerde voorwaarden die noodzakelijk zijn voor dit handelen. Economische structuren zijn zowel het medium als het resultaat van deze activiteit.

    Het actuele economisch handelen van individuen wordt structureel gelimiteerd door de tijd-ruimtelijk gesedimenteerde (geobjectiveerde en relatief sociaal gestabiliseerde) economische systemen, die gekenmerkt worden door een telkens specifieke verdeling van beschikkingsmachten over bronnen en beloningen. De diachronische en synchronische gelijktijdigheid van economische structuren en economisch handelen komt het meest pregnant tot uitdrukking in het begrip van handelingsstructurering. Het theoretisch object van een transformationele economische sociologie is de structurering van economisch handelen. In de volgende figuur zijn de verschillen tussen handelingstheorie, systeemtheorie en het transformationele perspectief formeel in beeld gebracht.

Figuur 1: Transformationeel perspectief versus actor- en systeemperspectief

Index


3.2 Structurerings-, integratie- en reproduktieniveaus
Om de analyse niet al te complex te maken, zal ik een aantal andere specificaties buiten beschouwing laten. Een daarvan is de specificatie van de abstractieniveaus waarop de structurering van economisch handelen wordt geanalyseerd en van de analyse-eenheden die in empirisch-historisch of sociologisch onderzoek worden afgebakend. [Benschop 1993/2011: 71-5, 123; Bader/Benschop 1988: 588 e.v.]. Een tweede specificatie waar ik hier geen verdere aandacht aan zal besteden betreft de precisering van de modi van structurele causaliteit die in het verklaringsmodel worden gehanteerd [Benschop 1993/2011: 486-92].
Met deze zeer abstracte stellingen over de samenhang tussen economische structuren en economisch handelen is slechts een eerste stap gezet op een weg die ons aan gene zijde van institutionalistische en actionistische benaderingen moet brengen. Om dit mogelijk te maken moeten we direct een volgende stap zetten en het tot nu toe gevolgde abstractieniveau met een graad verlagen. Een transformationeel model van structurering van economisch handelen moet in minstens drie opzichten worden gespecificeerd.
  1. Structureringsniveaus
    De eerste vraag is: waardoor wordt het economisch handelen bepaald? Om deze vraag te beantwoorden moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende niveaus waarop economisch handelen is gestructureerd. In het transformationele heuristisch model wordt een onderscheid gemaakt tussen zes structureringsniveaus van economisch handelen:
    1. de posities in het geheel van de productie-, distributie en ruilverhoudingen
    2. de objectieve economische posities
    3. de sociale collectiviteiten
    4. de economische habitus en werk- of beroepsgebonden levensstijlen
    5. de handelingsoriëntaties en vormen van economisch bewustzijn
    6. een aantal specifieke voorwaarden voor de ontwikkeling van collectief bewustzijn en handelen
    Het totale proces van economische handelingsstructurering kan methodisch-analytisch worden opgesplitst in zes op elkaar aansluitende en onderling nauw verbonden afzonderlijke structureringsprocessen. Ik wil aannemelijk proberen te maken dat door deze specificatie van zes niveaus van handelingsstructurering betere —meer consistente en gedifferentieerde— economisch-sociologische theorieën ontworpen kunnen worden.

    Alle tot nu toe bekende theorieën lijden in dit opzicht aan hetzelfde euvel: zij zijn ondercomplex omdat het meestal impliciet veronderstelde structureringsmodel veel te ongedifferentieerd is en omdat zij in hun uitwerking te sterk geconcentreerd zijn op één of slechts een beperkt aantal van de hier onderscheiden niveaus of mechanismen van handelingsstructurering.

    Ik wil bovendien aannemelijk maken dat dit model van handelingsstructurering gebruikt kan worden om een aantal knelpunten in het empirische en historisch-vergelijkende onderzoek naar economische verhoudingen, processen en instituties op te lossen. Het heuristisch model voor de structurering van economisch handelen en haar implicaties voor de economische sociologie wordt uitvoerig behandeld in hoofdstuk IV.

  2. Integratieniveaus
    De tweede vraag is: op welke wijze wordt het economisch handelen van actoren geïntegreerd of gecoördineerd? Om deze vraag te beantwoorden moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende niveau van de contexten waarbinnen economisch handelen is ingebed, d.w.z. van de niveaus waarop economisch handelen wordt geïntegreerd. In het transformationele heuristische model wordt een onderscheid gemaakt tussen drie niveaus van handelingsintegratie: maatschappelijk, organisationeel en interactioneel. Alle tot nu toe bekende economische sociologieën leiden in dit opzicht aan het euvel dat het meestal impliciet veronderstelde integratie- of inbeddingsmodel veel te ongedifferentieerd is en dat zij zich bij hun uitwerking te veel op één niveau van handelingsintegratie concentreren. Om dit euvel te repareren moet niet alleen het analytisch-methodische onderscheid tussen de drie genoemde niveaus van handelingsintegratie nauwkeurig worden benoemd, maar moeten tevens de onderlinge relaties tussen deze niveaus worden gepreciseerd. In hoofdstuk V wordt dit thema uitvoerig behandeld.

  3. Reproduktienivaus
    De derde en laatste vraag is: hoe komen economische structuren, instituties, organisaties en associaties tot stand, waaraan hebben zij hun voortbestaan te danken en waardoor veranderen zij? Om deze vraag te beantwoorden moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen:
    • de mechanismen waardoor economische structuren/instituties worden gegenereerd (grondslagen of oorzaken van ontstaan van economische structuren en instituties)
    • de mechanismen waardoor zij worden gestabiliseerd (stabilisatie en destabilisatie van economische structuren en instituties)
    • de mechanismen waardoor zij worden gegarandeerd (garantie en transformatie van economische structuren en instituties)

    Alle tot nu toe bekende economische sociologieën leiden in dit opzicht aan het euvel

    1. dat er meestal überhaupt geen onderscheid gemaakt wordt tussen de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan en die van de reproduktie van economische structuren en instituties en
    2. dat de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de stabilisatie en garantie van economische structuren en instituties meestal worden gereduceerd tot twee polaire typen, namelijk tot het bekende duo van dwang (uiterlijke kracht) en legitimiteit (innerlijke overtuiging), of tot het verwante duo van belangen(conflict) en consensus.

    Om dit euvel te repareren moet niet alleen het analytisch-methodisch onderscheid tussen ontstaans-, bestaans- en veranderingsmechanismen worden uitgewerkt, maar moeten bovendien álle mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de reproduktie en transformatie economische structuren en instituties afzonderlijk en in onderlinge samenhang worden gethematiseerd. In hoofdstuk VIII zal ik zeven van deze mechanismen analyseren: gewoontes/zeden, solidariteiten, belangen, conventies, recht, fysiek geweld en legitimiteit.

Figuur 2: Model van transformationele analyse
Structurerings-
niveaus
Waardoor wordt het economisch handelen van actoren bepaald? Niveaus waarop economisch handelen wordt gestructureerd
Integratie-
niveaus
Hoe komt de integratie van het economisch handelen van actoren tot stand? Niveaus waarop economisch handelen wordt ge´ntegreerd.
Reproductie- en
transformatie-
niveaus
Hoe ontstaan economische structuren, instituties, organisaties en associaties en waardoor blijven zij bestaan of waardoor treden daarin wijzigingen op? Mechanismen waardoor economische structuren en instituties worden gegenereerd, gestabiliseerd en gegarandeerd of waardoor zij worden gedestabiliseerd en getransformeerd.

Men kan zich natuurlijk nu al afvragen of de hier voorgestelde differentiaties niet ‘te ingewikkeld’ zijn en of het überhaupt wel mogelijk is de drie analytische deelperspectieven van structurering, integratie en reproduktie te integreren in een coherent heuristisch model. Het zou onverstandig zijn om dergelijke twijfels te verdringen, of ze slechts te gebruiken om de hele inspanning maar níet uit te voeren. Mij lijkt het om deze twijfels te gebruiken als een aansporing om voorzichtig (en stapsgewijze) te werk te gaan en niet te snel naar te synthethische modelconstructies te springen.

Bovendien wil ik herinneren aan het van Albert Hirschman geleende inzicht dat als motto van deze tekst fungeert: in theorievorming is soberheid (d.w.z. eenvoud van heuristische modellen) en spaarzaamheid (d.w.z beperking van basisbegrippen) een deugd. Deze kan echter net als alle andere deugden ook overdreven worden en soms wint men meer door de theorieën iets complexer te maken. Dat is zeker geen pleidooi voor de introductie van zoveel mogelijk begrippen (en dus voor een exponentieel toenemend aantal causale relaties en empirische variabelen), maar juist voor een nauwkeuriger afbakening van een relatief beperkt aantal basisbegrippen en voor een gedifferentieerde probleemstructurering van het onderzoeksobject.

De vooronderstellingen van een transformationeel perspectief in de economische sociologie kunnen in drie op zich zelf eenvoudige stellingen worden samengevat:

Deze stellingen vertonen de meeste verwantschap met de proposities van de New Economic Sociology zoals deze met name voor Mark Granovetter zijn geformuleerd [Granovetter 1992:4 e.v., Swedberg/Granovetter 1992:6 e.v.]. Uit de hierna volgende uitwerking van de drie stellingen zal blijken dat er twee belangrijke verschillen zijn. Ten eerste benadrukt ook Granovetter dat economisch handelen een vorm van sociaal handelen is, maar hij maakt geen onderscheid tussen de niveaus waarop het economisch handelen is gestructureerd is. Ten tweede benadrukt hij wel dat economisch handelen ‘sociaal gesitueerd’ of ‘ingebed’ is, maar gaat hij volledig voorbij aan de niveaus waarop het economisch handelen is geïntegreerd.

Index

Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1996
Laatst gewijzigd: 04 January, 2017