Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?

Naar een nieuwe economische sociologie

—Een transformationeel perspectief—

door: dr. Albert Benschop

I. Een nieuwe economische sociologie

  1. Genres van organisatie-analyse
  2. Tussen economie en sociologie

Introductie

Economische sociologie is de wetenschap van de sociale organisatie van arheidsprocessen. Hoe is de arbeid binnen een sameleving georgeniseerd? Wie doet wat, hoe werken we met elkar samen, en hoe worden we voor onze inspanningen beloond?

In deze studie worden de basisbegrippen afgebakend en methodologische richtlijnen geformuleerd om de sociaal-economische structuren en processen van onze samenleving te begrijpen. Deze benadering staat haaks op de gangbare theorieën in de neo-klassieke traditie. Vooral het marktperspectief op organisaties, en de economische vooronderstellingen die daaraan ten grondslag liggen worden kritisch onder de loep genoemn.

Index1. Genres van organisatie-analyse

Het onderzoek naar organisaties is niet alleen een gespecialiseerde onderzoeksterrein binnen de sociologische discipline. In toenemende mate zijn organisaties ook het onderwerp van interdisciplinaire inspanningen.

Organisatiesociologie is een relatief jonge discipline. Tot aan het einde van de jaren veertig bestonden organisaties niet als een specifiek veld van sociologisch onderzoek (misschien moet hier een uitzondering worden gemaakt voor Chester Barnard die al in 1938 een studie schreef over The Functions of the Executive.). Natuurlijk zijn er vele voorlopers geweest die empirisch onderzoek hebben gedaan naar specifieke organisaties, zoals gevangenissen, partijstructuren, fabrieken en vakbonden. Deze studies werden echter niet veralgemeend boven het niveau van de specifieke organisaties. Het onderwerp was gevangenissen, politieke partijen, bedrijven of vakbonden, maar niet organisaties.

Sinds het einde van de jaren zestig zijn organisationele studies veel pluralistischer geworden. Organisatiestudies vertonen inmiddels een brede waaier van centrale thema's of problemen en er wordt met zeer uiteenlopende theoretische referentiekaders geopereerd. Deze verandering in problematieken, theorieën en methodologieën zijn mede een uitdrukking van een aantal fundamentele veranderingen
* Daarbij gaat het vooral om substantiële veranderingen in de economisch-technologische contexten, zoals de internationalisering van kapitaalstromen en het ontstaan van 'global enterprises', de ruimte verspreiding van industriële activiteiten naar nieuwe regio's, de afname van de omvang van vestigingen, de robotisering van produktieprocessen en computerisering van informatieverzameling en -verwerking.
die zich voltrekken in de actuele organisatievormen waardoor sociaal handelen is gestructureerd, en in de bredere institutionele context waarin deze vormen bestaan.* Er zijn grote controverses over de belangrijkste theoretische kwesties en inhoudelijke thema's die organisationele analyse definiëren als een identificeerbaar en levensvatbaar onderzoeksveld.

Men zou dit theoretische en methodologische pluralisme kunnen betreuren als men het opvat als een teken dat een eens zo gerespecteerde discipline in een toestand van potentiële ontbinding verkeert. Sommigen vrezen zelfs dat de zin voor intellectuele coherentie en praktische relevantie verdwenen is in een golf van eindeloze disputen die zijn losgemaakt door het verval van theoretische orthodoxie. Dit is het 'open-veld syndroom' [Eggertsson 1993: 223]. Dit syndroom manifesteert zich in de neiging om de 'opportuniteitskosten' te negeren wanneer diverse rivaliserende theoretische kaders hetzelfde onderzoeksveld bevolken. In onderzoeksvelden waarin geen standaardtheorie bestaat concurreren de geleerden met elkaar door nieuwe theoretische concepten te construeren die de oneindige complexiteit van menselijk gedrag en sociale structuren reflecteren. Het resultaat daarvan is dat er steeds meer theoretische dimensies worden onderscheiden (die nauwelijks meer geoperationaliseerd kunnen worden). Bovendien ontstaan er grote communicatieproblemen tussen de geleerden die niet meer dezelfde taal spreken.

Er zijn echter ook anderen, zoals Richard Scott [1992] die dit pluralisme juist toejuichen. Zij beschouwen dit als een positief resultaat van een lange intellectuele mars tegen een steriele en volgens sommigen zelfs bespottelijke orthodoxie. De teloorgang van die orthodoxie leidde niet tot verval of verlamming, maar tot een nieuwe conjunctuur in organisationele analyses. Een conjunctuur die gekenmerkt wordt door grote theoretische en methodologische diversiteit en innovatieve ontwikkelingen die werden vrijgemaakt door het versnelde tempo van intellectuele verandering. Ik zal hier geen poging doen om de belangrijkste organisatietheoretische benaderingen die zich in de laatste jaren hebben aangediend in kaart te brengen. Zie hiervoor bijv. de kritische overzichten van Perrow [1986] en Scott [1992].

Tegen het einde van de jaren zestig leken verschillende theoretische stromingen in organisationele analyse te convergeren naar een systeemtheoretisch georiënteerde contingentie benadering. Deze benadering concentreerde zich op het aanpassingsvermogen van organisatiestructuren aan omgevingsimperatieven. Daarbij werd sterk de nadruk gelegd op de problematiek van de orde.

In het daarop volgende decennium werden de vooronderstellingen van deze orthodoxie bekritiseerd en werden er alternatieve stellingen ontwikkeld die daarvan fundamenteel verschilden. Er werden furieuze en soms scherpe kritieken geleverd op het statische karakter van systeemtheoretische benaderingen: zij opereerden inderdaad met statische concepten van organisaties als onderscheiden sociale eenheden die gedetermineerd of in ieder geval gelimiteerd werden door de bredere maatschappelijke contexten waarin zij figureren.

Het falen van de contingentie-theorie
De basisstelling van de contingentiebenadering is dat de effectiviteit van een organisatie bepaald wordt door de mate van congruentie tussen omgevingsfactoren en de structuur van de organisatie. Onder de inmiddels populaire leuze: “There’s no one best way of organization” werd een sterk deterministische stelling naar voren gebracht, nl. dat situationele kenmerken (van de omgeving) organisationele dimensies voorspellen omdat dit vereisten zijn die tamelijk strikte limieten (‘constraints’) stellen aan de keuze van het organisationele ontwerk.

Kenmerkend voor deze benadering is dat situationele contingenties worden opgevat als functionele imperatieven voor organisationeel ontwerp. Daartegen zijn een drietal bezwaren in te brengen. Ten eerst is onder gegeven omgevingscondities een variatie mogelijk in het ontwerp van organisaties; omgevingscondities zijn dus niet instructief (dwingend) genoeg voor organisationeel ontwerp. Ten tweede is de definitie van de omgeving geen vast gegeven, maar staat open voor manipulatie en selectie door organisatiebeslissers. Bij de besluitvorming over organisatiebeleid en het ontwerp van organsiatiestructuren spelen ook politieke factoren (zoals eigen preferenties, eigen prestatiecriteria) een rol. Ten derde stellen ‘omgevingen’ meestal geen eenduidige, maar tegenstrijdige eisen aan organisaties.

Er werden alternatieve concepten naar voren gebracht waarin gesuggereerd werd dat organisaties gereproduceerd en getransformeerd werden door culturele en politieke processen, die niet gevangen kunnen worden in het analytische net van de systeemtheorie. De alternatieve perspectieven die naar voren gebracht liepen sterk uiteen: men kon kiezen uit het handelingstheoretische perspectief van Silverman [1971], de onderhandelde orde van Strauss [1978], de etnomethodologie van Circourcel [1968], de politieke theorieën over besluitvorming in organisaties van Pettigrew [1973] en Pfeffer [1981] enzovoort.

Systeem versus handelen in de organisatietheorie
Het contrast tussen ‘omgevingen’ enerzijds en ‘culturele’ en ‘politieke’ processen anderzijds speelde en speelt in organisatietheoretische discussies nog steeds een belangrijke, maar helaas ook misleidende rol. Ik wil in deze studie o.a. aannemelijk maken dat men met dergelijke formuleringen veeleer het zicht op de verschillende structureringsniveaus van organisationeel handelen ontneemt.

In organisatiesociologische analyses wordt nog steeds heen en weer gependeld tussen tussen handelingstheoretische en structuur- of systeemtheoretische denkkaders. De dichtomie van structuur- en handelingstheoretische perspectieven kan het beste doorbroken worden doorbroken door een nauwkeuriger uitwerking van de het structureringsperspectief. Deze transformationele benadering is uitgewerkt voor de analyse van sociale ongelijkheden [Bader/Benschop 1988] en voor de analyse van klassenverhoudingen [Benschop 1993/2011].

De dichotomie van systeem versus actor is inmiddels zo ingeburgerd dat deze ook vaak wordt gebruikt om de organisatiesociologische benaderingen te classificeren. Zo kan volgens Lammers het gros van de in organisatiesociologische analyses gebruikte denkwijzen worden opgevat als varianten op of combinaties van twee modellen. “In het ene model legt men de nadruk op de organisatie als geheel, waarbij dat geheel wordt gezien als een sociaal-cultureel systeem. In het andere model wordt de organisatie voorgesteld als een conglomeraat van partijen, die hun eigen doeleinden en belangen najagen” [Lammers 1983/7:371]. Gemakshalve spreekt hij van het ‘systeemmodel’ en het ‘partijenmodel’. In een latere publicatie karakteriseert Lammers [1993:25] het contrast tusssen deze beide perspectieven —nog eenvoudiger— als een keuze tussen een benadering ‘van bovenaf’ en ‘van onderop’.

Al deze benaderingen hebben één ding gemeenschappelijk: zij leggen de nadruk op het feit dat de organisationele werkelijkheid geconstrueerd of gestructureerd wordt door machtsprocessen en symbolische interventies die de 'externe' vereisten en druk op zodanige wijze manipuleren en interpreteren dat zij gevestigde arrangementen ondersteunen of ondermijnen. Organisatiestructuren worden in ieder geval niet meer opgevat als de uitkomst van een onpersoonlijke, objectieve kracht, maar als een geconstrueerd en gemanipuleerd sociaal artefact. Bovendien werd in deze bijdragen de begripsmatige scheiding tussen 'organisatie' en 'omgeving' ondermijnd. Steeds duidelijker dringt het besef door dat organisaties zich niet alleen aan hun omgevingen aanpassen, maar ook proberen hun omgeving te controleren en te manipuleren: organisaties creëren hun omgeving bewust en wachten niet passief het oordeel af van hun omgeving.

Tegen het einde van de jaren zeventig bereikten de systeemtheoretisch geïnspireerde benaderingen hun pensioengerechtigde leeftijd. De orthodoxe organisatietheorie begon verlammingsverschijnselen te vertonen. Zij kon in ieder geval geen antwoorden meer geven op nieuwe vragen over de wijze waarop organisationele structuren sociaal geproduceerd werden en welke rol de organisatiewetenschappers hierbij speelden. Bovendien had zij ook nauwelijks iets te melden over de politieke grondslag van organisationele processen en de relaties tussen theoretici de machtsstructuren waarin zij opereren, of over de verbindingen tussen organisaties en de maatschappelijke structuren, en ook niet over het emergente karakter van organisationele patronen. De orthodoxe, systeemtheoretische organisatietheorie was kortom niet in staat om zinnige antwoorden te geven op de problematiek van de beheersing ('heerschappij', 'domination') die in de jaren zeventig de gedachten van een nieuwe generatie organisatiesociologen in beslag nam.

Tussen het einde van de jaren zeventig en het einde van de jaren tachtig ontstond er een steeds breder scala van theoretische perspectieven dat als alternatief voor een inmiddels steriele en in ieder geval voor velen onacceptabele orthodoxie werd gepresenteerd. In al deze benaderingen werden telkens verschillende aspecten van de organisatieproblematiek geaccentueerd. Soms waren dit dat de culturele en symbolische processen waardoor organisaties sociaal worden geconstrueerd en gestructureerd. Dan de weer de macro-sociologische machtsrelaties en ideologische systemen die de organisationele structuren en dynamieken bepaalden, of de ingewikkelde interacties tussen theoretische innovaties en sociale contexten. En soms waren het ook de interactionele en directe persoonlijke relaties die in werkelijkheid een grote en natuurlijk altijd miskende invloed hadden op alle aspecten van het organisationele leven. Alleen een cynicus zou zijn wereldbeeld bevestigd zien wanneer hem na minstens honderd jaar gespecialiseerde intellectuele arbeid wordt verteld dat economische en organisationele relaties zijn 'ingebed' in directe persoonlijke relaties.

Toch heeft de organisatietheorie haar periode van intellectuele onschuld ver achter zich gelaten. Er zijn (gelukkig) meerdere rivaliserende organisationele onderzoeksprogramma's die elkaar over en weer bestrijden, maar in vele opzichten ook aanvullen en versterken. Een serieuze beoordeling van de relevante benaderingen die het organisatietheoretische veld bevolken, vereist meer dan een gedegen kennis van de rivaliserende programma's en onderzoeksresultaten, en meer dan een 'gewetensvolle' of 'relativerende' attitude. Een kritische bespreking van de verschillende organisatieperspectieven vereist vooral dat men zich afzet tegen de bekende 'paradigma mentaliteit' waardoor discussies over organisatietheorie steeds meer worden geblokkeerd. De overdreven nadruk op onverenigbaarheid van rivaliserende perspectieven leidt tot een onvruchtbare polarisatie, en draagt alleen maar bij tot een verdergaande fragmentatie van organisationele analyse in rivaliserende theoretische fracties.

"Modes of theorizing may be as important as models of theory" [Howard Aldrich 1992:17]. Ik neem de gedachte die daarin is geïmpliceerd tot leidraad van mijn verdere beschouwing. De theoretische perspectieven die hieronder worden onderscheiden zijn eerder genres van analyse dan theoriemodellen. Elk van deze perspectieven is georganiseerd rond een metafoor (of een paar verbonden metaforen). Deze metaforen worden door organisatietheoretici gebruikt om zin te geven aan hun wereld. In de organisatie-sociologische analyse zijn vooral de volgende genres van analyse van belang:

  1. het marktperspectief
  2. het institutionele perspectief
  3. het populatie-ecologische perspectief
  4. het netwerken perspectief
  5. het machtsperspectief.
Dit boek beperkt zich voornamelijk tot het eerste genre - in hierop aansluitende artikelen zullen de andere genres worden behandeld.

Index2. Tussen economie en sociologie

2.1 Vijf stromingen
De term ‘economische sociologie’ komt al voor in het werk van Max Weber en Emile Durkheim, maar ook in dat van Schumpeter, Mannheim, Sombart, Leopold von Wiese en diverse na-oorlogse sociologen (zoals Parsons, Smelser, Fürstenberg, Zahn, Van Zuthem). Max Weber was een der eersten die economische sociologie als een onderscheiden project beschouwde. Hij gebruikte niet alleen de term ‘economische sociologie’ [WG:34,41], maar schetste ook de contouren van een programma voor het onderzoeksveld [WG: 63-211]. In het tweede hoofdstuk van Wirtschaft und Gesellschaft [1922] wordt dit programma uitgewerkt. Hij formuleert daarin geen 'economische theorie' - en dus ook geen prijstheorie [WG 41,63] of geldtheorie [WG: 40,63] - maar een 'sociologische theorie van de economie' [WG: 34].
De economische sociologie houdt zich als vanouds bezig met de sociologische bestudering van de economische verschijnselen. Het theoretisch object zijn de maatschappelijke, organisationele en interactionele verbanden die ontstaan bij de produktie, distributies en consumptie van goederen en diensten. Toch zijn de organisatiesociologie en - psychologie lange tijd de belangrijkste pijlers geweest van organisatiestudies. Pas sinds de jaren '70 en '80 zijn er ook een aantal economische benaderingen van organisaties ontwikkeld. Economische benaderingen van menselijk handelen in organisationele verbanden opereren op het snijvlak van economie en sociologie.

Er bestaat een sinds lang ingeroeste, maar kunstmatige arbeidsdeling tussen economie en de andere sociale wetenschappen. Tegen het einde van de 19e eeuw groeiden de sociologische en economische disciplines uit elkaar. Dit kan slechts gedeeltelijk worden verklaard door het feit dat de economische activiteit zelf steeds verder werd gespecialiseerd. De scheiding der disciplines was vooral het gevolg van verschillende oriëntaties op hetzelfde onderwerp. Kenmerkend voor de oriëntatie van de economen was het gebruik van een tamelijk beperkt theoretisch kader waarin de complexiteit van het sociaal en economisch handelen werd opgeofferd in ruil voor de verklaringskracht van de neoklassieke theorie, die gebaseerd was op het concept van de homo economicus (de rationele en egoïstische nutsmaximaliseerder), een vereenvoudigde theorie van de ruil op markten, en op de vooronderstelling van dalende marginale utiliteit. In de beroemde methodenstrijd die aan het eind van de 19e eeuw vooral in Duitsland werd uitgevochten tussen de historische economen en de neoklassieke economen, kwamen de laatsten als overwinnaars uit de bus. Daarmee begon in Europa en later ook in de Verenigde Staten de heerschappij van de neoklassieke economie over de institutionele economie, die decennia lang zou duren. De vroege sociologen weigerden in aansluiting op Weber om de diversiteit en complexiteit van het sociale handelen geweld aan te doen en toonden overwegend meer belangstelling voor 'dikke' empirische beschrijvingen dan voor 'dunne' heuristische modellen.

Natuurlijk is zo’n korte schets van de verhouding tussen economie en sociologie veel te ongenuanceerd. Zoals er historisch economen waren die die in het voetspoor van Weber ‘dikke’ beschrijvingen gaven van sociaal-economische veranderingsprocessen, zo waren er theoretisch sociologen die de abstracte ‘tempelbouw’ van Talcott Parsons adoreerden [zie de kritiek van Therborn 1976 en Swedberg 1987] . Dat neemt niet weg dat economen en sociologen elkaar lange tijd volledig genegeerd hebben. Exemplarisch hiervoor is het artikel dat James Buchanan in 1966 publiceerde over "economics and its scientific neighbors". Hij bespreekt negen 'buren' van de economie, maar gaat volledig voorbij aan de sociologie.

Er zijn verschillende pogingen gedaan om te komen tot een herstructurering van de relatie tussen economie en sociologie. De vijf belangrijkste stromingen hiervan zijn:

  1. rational choice sociologie (Coleman, Becker)
  2. socio-economics (Etzioni)
  3. psycho-, socio, anthropo-economics (Akerlof)
  4. 'transaction cost economics (Williamson)
  5. new economic sociology (White, Granovetter)
      Dit is geen uitputtend overzicht van economische benaderingen van organisaties. Omdat ik mij concentreer op het raakvlak van economische en sociologische organisatietheorieën wordt hier geen aandacht besteed aan:
      • de gedragsmatige ondernemingstheorieën (Cyert/March; March/Simon)
      • de agency-theorie (Alchian/Demsetz; Holmstrom/Tirole)
      • 'managerial theories of the firm' (Baumol, Marris, Williamson, Alchian)
      • de economische bijdragen aan strategisch management (Schelling; Porter; Rumelt)
      • de evolutionaire organisatiebenaderingen (Hannan/Freeman; Nelson/Winter).
      Zie voor een kort overzicht: Douma/Schreuder [1991/7].

  1. Rational Choice Sociology (James Coleman, Gary Becker, Michael Hechter, Siegwart Lindenberg en anderen)
    Het fundamentele idee is dat het neoklassieke model moet worden uitgebreid met thema’s waarmee traditioneel alleen sociologen zich hebben beziggehouden. Voorstanders van deze benadering vertrekken vanuit een bepaald handelingseenheid of actor waarvan zij aannemen dat deze zich ‘rationeel’ (maximaliserend en anticiperend) gedraagt en daarbij gebruik maakt van optimale en dus onvolledige informatie.

    Het rationeel-keuzemodel vertrekt vanuit een tamelijk zwakke hypothese, namelijk dat er consistentie is in keuzes die onder uiteenlopende omstandigheden worden gemaakt. Het probleem is niet zozeer of deze hypothese correct is of niet, maar dat ze zo ‘dun’ (weinig zeggend) is.

    Correspondentie en reflectieve rationaliteit
    Het is in ieder geval zeer onwaarschijnlijk dat interne consistentie van keuze op zichzelf een voldoende voorwaarde is voor de rationaliteit van een beslissing. "If a person does exactly the oppositie of what would help achieving what he or she want to achieve, and does this with flawless internal consistency (always exactly the opposite of what will enhance the occurrence of things he or she want and values), the person can scarcely be seen as rational, even if that dogged consistency inspires some kind of an astonished adminration on the part of the observer. Rational choice must demand something at least about the correspondence between what one tries to achieve and how one goes about it" [Sen 1987/92:13].

    Rationeel gedrag vereist onder meer enige consistentie. Maar dit betekent niet dat consistentie een voldoende voorwaarde is voor rationeel gedrag. Correspondentie tussen het doel dat men wil bereiken en de wijze waarop men dit realiseert (d.w.z. de beslissingen die men hiervoor neemt) is een noodzakelijke voorwaarde van rationaliteit als geheel. Maar deze ‘correspondentie rationaliteit’ is geen voldoende voorwaarde voor rationaliteit. Rationaliteit vereist ook altijd reflectie over het doel dat men wil bereiken of de waarde die men wil realiseren. Sen noemt dit ‘reflection rationality’.

    In de moderne van varianten de rationele-keuze sociologie wordt hieraan een iets sterkere hypothese toegevoegd: mensen leren van hun ervaringen en gebruiken deze op een rationele wijze om hun opvattingen te wijzigen. In veel situaties is leren echter nogal ambigu: mensen die dezelfde ervaringen opdoen, trekken hieruit immers vaak zeer uiteenlopende conclusies. In de rationele keuze-benadering wordt niet of nauwelijks aandacht besteed aan de betekenis van niveaus van handelingsstructurering (en hun invloed op actuele handelingssequenties). Bovendien wordt er meestal uitsluitend op het individuele vlak geopereerd - en dus structurele machtsverhoudingen genegeerd - en wordt er onvoldoende rekening gehouden met de maatschappelijke, organisationele en interactionele niveaus van handelingsintegratie (en hun invloed op complexe institutionele resultaten).

      Harrison C. White [1992:8] heeft er terecht op gewezen dat de rationele keuzetheorie "takes identity for granted by ignoring the nesting of context and thereby tries to explain away control. Rational choice builds upon the myth of the person as some preexisting entity". Volgens White is het daarom 'silly' om de rationele keuzetheorie te behandelen als de grondslag of algemene theorie van maatschappelijke organisatie [idem:298].

    De poging van de kant van economen om alle andere sociale wetenschappen over te nemen, wordt —in aansluiting op Kenneth Boulding— meestal ‘economisch imperialisme’ genoemd. Het algemene programma van de 'economisch imperialisten' bestaat uit het geloof dat economische analyses en in het bijzonder de neoklassieke theorie ook gebruikt kunnen worden buiten de traditionele gebieden van de economie; en dat, wanneer dit gebeurt, het superieur zal zijn aan wat de niet-economische sociale wetenschappen kunnen presteren.

      Het succes van de neoklassieke economie is in belangrijke mate te danken aan het spaarzame gebruik van eenvoudige vooronderstellingen: methodologisch individualisme, het rationele keuzemodel, postulaten over de preferenties van de homo economicus. Op basis daarvan konden mathematische modellen worden geconstrueerd en een gestandaardiseerde 'formal theory of genealized exchange' waardoor cumulatieve onderzoeksprogramma's werden gestimuleerd. Zie voor goede uiteenzetting over de methodologie en verklaringswijze van economen: Blaug [1992- The Methodology of Economics, or How Economists Explain].

    Een voorbeeld hiervan is Gary Becker’s The Economic Approach to Human Behavior. In het inleidende hoofdstuk daarvan merkt hij op:

      "I have come to the conclusion that the economic approach is a comprehensive one that is applicable to all human behavior" [Becker 1976:8].
    Becker is een sleutelfiguur in de actuele discussie over de verhouding tussen economie en sociologie. Hij blijft trouw aan de individualistisch-utilitaire logica van de neoklassieke economen en past deze logica rechtstreeks toe op huwelijk, scheiding en vruchtbaarheid, op sociale interacties en vriendschap, op criminaliteit en altruisme, en kwalificatie van arbeidskrachten ('menselijk kapitaal'). Daarbij hanteert hij dezelfde instrumenten als voor het onderzoek naar financiële markten. De economische benadering vat hij op als de combinatie van de vooronderstellingen van maximaliserend gedrag, marktevenwicht en stabiele preferenties. Deze robuuste benadering wordt door nobelprijswinnaar Becker tot absolute maatstaf van alle sociale wetenschappen verheven:
      "The economic approach is not restricted to material goods and wants or to markets with monetary transactions, and conceptually does not distinguish between major and minor dicisions or between 'emotional' or other decisions. Indeed ... the economic approach provides a framework to alle human behavior - to all types of decisions and to persons from all walks of life" [Becker 1981: iv].

    De sterke kant van Becker's benadering is niet dit soort overdreven gespierde uitspraken, maar de elegante wijze waarop hij van economische modellen gebruik maakt. Zijn theoretisch werk over 'human capital' heeft vele anderen gestimuleerd om de 'rates of return in investments in human capital' te schatten voor diverse subgroepen (bijvoorbeeld gedifferentieerd naar sekse en etniciteit), voor verschillende perioden en verschillende landen, en voor verschillende typen van onderwijs (zie het overzicht van Tuma/Hannan 1984). Zijn allereerste studie over discriminatie heeft jaren later zijn weg gevonden in sociologische studies naar de economische gevolgen van discriminatie (zoals in de analyse van Kaufmann 1986). Zijn studie over criminaliteit en strafvervolging is een inspiratiebron geworden voor veel moderne criminologen (zoals de studie van Gottfriedson/Hirschi 1990). Zijn analyses over het gezin, huishoudelijke arbeidsdeling en altruïsme zijn niet alleen op veel sociologische verzet gestoten, maar zijn ook aanleiding geweest een herijking van vele empirische onderzoeksagenda's (zoals bij Berk/Berk 1983 en Bielby/Bielby 1988). Zijn studies over vruchtbaarheid tenslotte hebben vooral veel demografen geïnspireerd, wier achtergrond in wiskunde en economie voldoende is om Becker's werk te kunnen verwerken.

      Zie voor een harde kritiek op dit economisch imperialisme vanuit sociologisch perspectief: Hirsch/Michales/Friedman [1987], en vanuit economisch perspectief: Blaug [1992:206-28]. Vgl. ook Stigler [1984], Obershall/Leifer [1986], Radnitzky/Bernholz [1987], Etzioni [1988]. Zie voor een korte schets van de betekenis van Becker's werk voor de sociologie: Coleman [1993]. Becker zelf heeft zijn onderzoeksprogramma inmiddels omgedoopt tot 'economic sociology'. Het aantal aanhangers van zijn benadering is echter tanende — volgens Blaug is zijn project inmiddels gereduceerd tot een one-man show.

    De tegenwoordig zo populaire rationele keuzetheorie is opgebouwd naar het model van de neoklassieke micro-economie [Mansfield 1968,1975].
    De economische theorie en in het bijzonder het neoklassieke (utilitaristische, rationalistische en individualistische) paradigma wordt door Becker verheven tot een soort universele grammatica voor de sociale wetenschappen. Het aantrekkelijke van Becker's model is zijn grote eenvoud. Menselijk handelen wordt gereduceerd tot een utiliteitsfunctie, tot een afweging van calculeerbare kosten en baten. Over (de samenhang met) andere typen van sociaal handelen en handelingsoriëntaties hoeft men zich hierbij geen zorgen te maken, en de cultuur en politiek blijven netjes buiten het theoretische model. Het is dus een sterk economistisch model dat niet alleen populair is bij mensen met een anti-sociologische attitude, maar ook bij een groot aantal sociologen dat het paradigma van de 'rational choice' heeft omarmd en de traditionele sociologische oriëntatie volledig verwerpt. Bij de beslissingspatronen van mensen worden zeer onrealistische vooronderstellingen gemaakt. De door Becker gehanteerde economische rationaliteit werd door Neil Smelser treffend gekarakteriseerd als "een creatieve simplificatie van de motivationele kenmerken van mensen". Sociologisch gezien is het een extreem reductionistisch handelingsmodel, en juist door deze vereenvoudiging zijn economen in staat om berekeningen te maken waarin uitsluitend met economische variabelen wordt geopereerd.

      De ‘rational choice sociology’ is schatplichtig aan Olson’s theorie van de Logic of Collective Action [1965/71]. De basisstelling van Olson is dat collectief handelen niet plaats vind als individuen rationele egoïsten zijn en de groep waarin zij opereren groot is. Zijn uitgangspunt is dat “unless the number of individuals is quite small, or unless there is coercion or some other special device to make individuals act in their common inteterest, rational, self-interested individuals will not act to receive their common or group interest” [Olson 1965/71:2]. De belangrijkste reden daarvan zou zijn dat belangengroepen handelen in collectieve of publieke goederen die gekenmerkt worden door non-exclusiviteit [idem:4]. Zie voor een recent overzicht van de invloed van Olson’s werk en van de kritieken die daarop zijn geleverd: Udéhn [1993].

  2. Socio-Economics (Amitai Etzioni en een aantal wetenschappers uit verschillende disciplines)
    Zij stellen dat de neoklassieke economie niet voldoende is om economische problemen op te lossen en dat er een veel breder perspectief moet worden gebruikt, dat zowel sociologie, psychologie, politieke wetenschappen en andere sociale wetenschappen omvat. Zij leveren kritiek op het neoklassieke paradigma dat niet alleen als het vlaggeschip van de moderne economie fungeert, maar zich inmiddels ook in praktisch alle sociale wetenschappen een prominente plaats heeft verworven. Vooral Etzioni heeft zich daarbij ingespannen om het utilitaristisch, rationalistische en individualistische paradigma van de neoklassieken zodanig te reviseren dat het kan worden ingepast in een meer omvattend paradigma (dat hij het 'I&We' paradigma noemt). De socio-economen gebruiken in hun benadering van markten een combinatie van beleidsanalyse en systeemtheorie. Etzioni schrijft met name over concurrentie en concentreert zijn bijdragen op de begrippen 'encapsulated competition' en 'interventionistic power'. Concurrentie bestaat volgens hem alleen wanneer deze wordt ingekapseld door normatieve, sociale en overheidsregels [Etzioni 1988:205 e.v.]. Onder interventionalistische macht verstaat hij het gebruik van overheidsmacht door economische actoren voor hun (eigen) doeleinden. Hij introduceert dus het begrip politieke macht in dat van economische macht [idem:238]. Etzioni wijst erop dat analyses van industriële organisaties meestal alleen gekeken wordt naar economische factoren, zoals bijvoorbeeld het aantal en de aard van de economische actoren in een onderzoek van oligopolies. Maar oligopolies worden ook door politieke factoren gevormd. Tom Burns [1986] heeft vanuit dit perspectief een poging gedaan om markten te analyseren.

  3. PSA-Economics (en kleine kring rond George Akerlof)
    Het idee van deze 'Psycho- , Socio-, Anthropo-Economics' is dat bepaalde resultaten uit de psychologie, de sociologie en de antropologie direct en zonder veel problemen in het economisch model geïntegreerd kunnen worden. Dit op zichzelf weinig originele idee wordt door in Akerlof's integratiepoging subtiel en scherpzinnig uitgevoerd. De basispremisse is dat veel problemen waarmee economen al sinds heugenis kampen beter kunnen worden opgelost wanneer men nieuwe gedragsmatige vooronderstellingen in de economische wetenschap introduceert. Hij komt tot een aantal verrassende resultaten door in het conventionele neoklassieke model de vooronderstelling in te bouwen dat economische actoren over asymmetrische informatie beschikken.

    Akerlof zet zich af tegen de gangbare economische opvatting volgens welke markten altijd direct naar evenwicht streven en grijpt terug op een sociologische theorie om te verklaren waarom lonen boven de 'market-clearing wages' liggen. Akerlof heeft bijgedragen aan de moderne efficiency wage theory. Deze theorie vertrekt vanuit het inzicht dat produktiviteit wordt beïnvloed door het loonniveau.

      Dit gaat rechtstreeks in tegen de neoklassieke standaardeconomie die uitgaat van de vooronderstelling dat de produktiviteit van de arbeid eenvoudig bepaald wordt door de technische condities die in een produktiefunctie worden samengevat. In de 'harde' varianten van de efficiency wage modellen wordt echter vastgehouden aan de neoklassieke uitgangspunten. Daarbij wordt aangenomen dat de relatie tussen loon en produktiviteit afhankelijk is van de wijze waarop prestatieprikkels worden gearrangeerd. Als deze prestatieprikkels voor sommige arbeiders hoger zijn dan de market-clearing wages dan leidt dit tot onvrijwillige werkloosheid voor anderen. Onder deze condities worden de kosten van het ontslaan hoger, en wordt de lage produktiviteit - die in deze literatuur lijntrekken ('shirking') wordt genoemd - ontmoedigd.

    De basisgedachte is dat het laagst mogelijke loon (waarvoor buitenstaanders bereid zijn te werken) niet noodzakelijk het meest winstgevende is. Hiervoor worden twee belangrijke argumenten uitgewerkt die corresponderen met twee varianten van deze benadering.

    1. In de zachte —Maussiaanse— variant wordt benadrukt dat het winst-maximerende loon hoger is dan het 'market-clearing wage', omdat arbeiders die zich door een ondernemer goed behandeld voelen omdat zij een hoger loon ontvangen, deze 'gift' zullen beantwoorden met een tegengift in de vorm van een goede prestatie.
        In de traditionele economische modellen zijn alle actoren (consumenten, werkgevers, werknemers enz.) individuele maximaliseerders. In het 'gift exchange' model van Akerlof wordt ook werkloosheid in verband gebracht met het feit dat 'workers care about their co-workers': mensen die voor een institutie of onderneming werken ontwikkelen niet alleen een sentiment voor hun colega's, maar ook voor hun organisatie. Van de kant van de arbeiders wordt er een 'gift' gegeven in de vorm van inspanning boven de minimum prestatiestandaard; van de kan van de onderneming wordt de 'gift' gegeven in de vorm van lonen die hoger liggen dan wat de werknemers zouden verdienen wanneer zij hun huidige banen zouden verlaten. Hierdoor worden voor ondernemingen de mogelijkheden beperkt om efficiënte contracten op te leggen die 'market-clearing' zijn. Daarbij wordt verondersteld dat met 'market clearing contracts' er geen werkloosheid zou zijn.

      Deze door Akerlof [1984] uitgewerkte opvatting is geïnspireerd door Homans [1954] die argumenteert dat door dergelijk arrangementen de loonverschillen als gevolg van individuele kenmerken worden gereduceerd.

        Homans onderzocht een kleine groep van jonge vrouwen die ‘cash posting’ verrichtte. Hij constateerde dat deze vrouwen gemiddeld veel harder werkten dan de minimum standaard van de onderneming. Akerlof laat zien dat de neoklassieke contracttheorie niet in staat is om gelijktijdig te verklaren waarom de snellere personen hun snelheid niet tot de standaard verlagen, of, omgekeerd, waarom de onderneming niet de verwachte snelheid van zijn snellere arbeiders verhoogt [Akerlof 1984/93: 148].

    2. In de harde —Hobbesiaanse— variant wordt benadrukt dat de optimale loonvoet van een onderneming hoger is dan de 'market-clearing rate', omdat door arbeiders meer te betalen dan zij elders zouden kunnen krijgen, hun welwaartsverlies groter zou zijn in geval van ontslag en zij hierdoor worden geprikkeld om efficiënt te blijven werken en niet in absenteïsme te vluchten. Deze 'harde' variant is met name uitgewerkt door Malcomson [1981] en Bowles [1985].

    Beide varianten kunnen worden gecombineerd wanneer men accepteert dat beide redenen werkzaam kunnen zijn en samen een verklaring geven van het verschil tussen het evenwichtsloon en het ‘market-clearing wage’. De centrale claim van beide varianten van de efficiëntie-loontheorie kunnen als volgt worden samengevat: “paying as little as possible (the market-clearing rate) for a time unit of labor power (with given skills) generally does not amount to paying as little as possible per unit of labour effectively performed since a higher payment per unit of time may enable the capitalist … to extract from each unit of labor time a significantly greater amount of actual labor” [Van Parijs 1989:232].

  4. Transaction Cost Economics (Oliver Williamson en velen die door zijn benadering werden geïnspireerd)
    Volgens Williamson kunnen veel problemen op het kruispunt van recht, economie en organisatie worden opgelost wanneer men ervan uitgaat dat economische instituties tenderen naar vormen die op efficiënte wijze transactiekosten reduceren. Organisationele diversiteit staat dus primair in dienst van het economiseren van transactiekosten.

    De ‘mainstream economics’ houdt zich bezig met een frictieloze wereld waarin instituties niet bestaan en alle ruil zich voltrekt in een perfect werkende concurrentiële markt. De standaard economische theorie heeft daarom weinig te zeggen over de organisatie van ruil en produktie, en over de verandering van economische structuren en instellingen.

      In de neoklassieke traditie werd geen theorie ontwikkeld over de instituties van het kapitalisme (zoals de onderneming, georganiseerde markten, en geld) en werd geen aandacht besteed aan de informatie- en transactiekosten. In de laatste decennia zijn diverse pogingen gedaan om informatie en transactiekosten in 'mainstream economics' te integreren. De ontwikkelingen in de economie van organisatie en management worden samengevat door Milgrom/Roberts [1992 - Economics, Organization and Mangement].

    De institutionele economen zoals Douglass North benadrukken dat het institutionele raamwerk bepalend is voor de prikkels die mensen in de maatschappij en in het bijzonder in de economie krijgen en dat in het institutionele raamwerk eigendomsrechten cruciaal zijn voor economische ontwikkeling. Zie voor een overzicht van het economisch onderzoek naar instituties: Eggertsson [1990, 1993] en de bundels van Futuboth/Richter [1991, 1993].
    In tegenstelling tot de neoklassieke economen houdt de New Institutional Economics zich wel met instituties bezig. Zij baseren hun institutionele analyses echter grotendeels op de basisprincipes van de neoklassieke economie. In tegenstelling tot de 'oude' institutionalisten zoals Veblen, beschouwen de 'nieuwe' institutionalisten zoals Williamson hun eigen werk als complementair aan, en niet als vervanging voor de conventionele economische analyse [Williamson 1975:1].

      Bowles/Gintis [1990a:210] rangschikken Williamson samen met Stiglitz, Akerlof/Yellen, Putterman, Dow en zichzelf onder de ‘post-Walrasian economics’. In de post-Walrasiaanse micro-economische analyses wordt anders dan in het Walrasiaanse model de aandacht gericht op de keuzes van intentionele actoren aan beide zijden van de economische ruil. Zie voor een overzicht van de varianten van de post-Walrasiaanse economische theorie in relatie met de neoklassieke economie: Bowles/Gintis [1990c - The Revenge of Homo Economicus].

    Het verenigende thema van de nieuwe institutionele economen is de introductie van transactiekosten en het daaraan gerelateerde concept van eigendomsrechten. Het meest bijzondere —en tevens de grote zwakte— van het transactiekostenmodel van Williamson is dat economische actoren zich niet alleen bezighouden met het najagen van het individuele eigenbelang, maar dat zij dit van bij voorkeur (want 'van nature') ook met behulp van list en bedrog doen. De 'economic man' van Williamson is dus een nog beperkter en kwaadaardiger creatuur dan die van de neoklassieke economen. Ik heb elders een uitvoerige schets gegeven van de uitgangspunten en opbouw van de transactionele benadering en daarop een groot aantal punten van kritiek geformuleerd [Benschop 1994b].

  5. New Economic Sociology (Mark Granovetter, Harrison C. White, Viviana Zelizer, en veel andere sociologen)
    Binnen de 'new economic sociology' zijn inmiddels een groot aantal studies gepubliceerd waarin geen gebruik wordt gemaakt van een netwerkbenadering. Dit geldt bijv. voor de studies van Eccles [1983] Fligstein [1985], Leifer/White [1987], Mizruchi/Schwartz [1987], Zelizer [1985]. Zie voor een overzicht: Nohria/Eccles [1992]. Zij steunen echter wel op de klassieke sociologische traditie en gaan er dus in het algemeen van uit dat al het economisch handelen plaatsvindt binnen een sociale context en dat deze sociale context een fundamentele invloed heeft op het economisch handelen.
    Het kernidee is dat veel economische problemen die traditioneel door de economen werden behandeld vruchtbaar geanalyseerd kunnen worden met behulp van de sociologie. Zij hebben minder respect voor orthodoxe economie en benadrukken dat het economische handelen van individuen alsmede de bredere economische patronen - zoals de bepaling van prijzen en de economische instituties - zijn ingebed in netwerken van sociale relaties. Zij benadrukken bovendien dat economische instituties ‘sociale constructies’ zijn. Een aantal meer substantiële inzichten zullen hieronder nog aan de orde komen.

Ondanks deze nieuwe impulsen is de organisatietheorie in zijn economische inhoud nog zeer onontwikkeld. De transactiekostenbenadering van Oliver Williamson levert in dit opzicht waarschijnlijk nog de meest substantiële bijdrage. Ik wil me hier concentreren op de grondslagen en het programma van een economische sociologie. Mijn eigen transformationele perspectief heeft de meeste raakvlakken met het program van de 'new economic sociology' zoals dit met name door Granovetter wordt gepresenteerd. Enige aandacht voor het werk van White lijkt daardoor op zijn plaats.

Index


2.2 De pionier en de pizzabakker
Harrison C. White is een van de erkende vaders van de nieuwe economische sociologie. Sinds het pionierswerk van White [1981a: Where do markets come from?] hebben diverse sociologen —Ronald Burt, Wayne Baker en Viviana Zelizer— zich geworpen op het onderzoek van de markt [Swedberg 1987, 1994; Granovetter 1990].

White vroeg zich af:

White combineerde de neoklassieke economische theorie van de onderneming met een sociologische visie op markten.
De basisgedachte van ‘self-reproduction through signaling’ ontleende White aan een boek van Michael Spence [1974 - Market Signaling]. De invloed van Spence is vooral zichtbaar in de kern van White’s markttheorie: markten bestaan uit structuren die worden gereproduceerd door ‘signaling’ of communicatie tussen de participanten.
Markten zijn “self-reproducing social structures among specific cliques of firms and other actors who evolve roles from observations of each other's behavior” [White 1981a:518]. Of nog puntiger: “markets are social structures in which producers reproduce their own set of actions” [idem]. Hij benadrukt dat al het economisch handelen en alle economische instituties zijn ingebed in sociale relaties en structuren.

De institutionele economie heeft zich in de loop van deze eeuw steeds sterker exclusief vastgelegd op neoklassieke uitgangspunten. Het kenmerk van de nieuwe economische sociologie is dat zij zich in het onderzoek naar economische instituties baseert op het (klassiek sociologische) uitgangspunt dat economische doelen en economisch handelen zijn ingebed in, resp. gestructureerd worden door sociale relaties: “they all come out of the classical sociological tradition, which says that all economic action - like any action - has a social context and that this social context is a fundamental influence on the economic action” [Granovetter, in Swedberg 1990: 108]. Daarbij gaat het vooral om de vraag hoe economisch handelen (resp. de allocatie van bronnen) wordt gecoördineerd door groepen mensen in plaats van door geïsoleerde individuen.

Een aantal belangrijke kenmerken van de nieuwe benadering werden door White als volgt samengevat:

In tegenstelling tot de gebruikelijke opvatting meent White dat er weliswaar een uitstekende markttheorie bestaat, maar dat het misleidend is om dit een neoklassieke markttheorie te noemen. Edgeworth e.a. hebben een gespecialiseerde theorie van een ruilmarkt geformuleerd, d.w.z het is een markttheorie waarin produktie geen thema is [White, in: Swedberg 1990:83]. Het marktmodel van Harrison White, het zgn. W(y)model werd uitgewerkt tussen 1976 en 1979. Aanvankelijk werd er weinig aandacht besteed aan zijn teksten. Zij waren nogal moeilijk leesbaar vanwege het gebruik van geavanceerde wiskunde en het uiterst beknopte taalgebruik (een soort steno voor gevorderden). White’s ideeën zijn inmiddels in een aantal artikelen op een eenvoudige en directe manier gepresenteerd [Leifer 1985; Leifer/White 1987].

Zijn sociologische analyse van de markt is in twee opzichten innoverend. Ten eerste probeert hij het functioneren van de markt in exclusieve sociologische termen te verklaren. Ten tweede heeft hij een ingenieus model ontwikkeld over hoe markten werken. Hij vat zijn project als volgt samen:

Het voordeel van het sociologische perspectief is volgens White dat men hierdoor van het individuele niveau naar een structureel niveau kan komen. Hierdoor kan men de individuele beslissingen van ondernemers verbinden met het feit dat markten onderscheiden en stabiele structuren hebben. Ondernemers handelen alsof de markt een stabiele structuur heeft, en krijgt er daardoor een. Het kernelement van het W(y) model is de theorie over hoe ondernemingen een markt produceren door het observeren van elkaars gedrag.

Leifer/White [1987] illustreren dit als volgt. Tony is een producent van ingevroren pizza’s. Hij heeft een produkt dat anders is dan dat van zijn concurrenten. Net als andere pizza’s heeft zijn produkt een specifieke reputatie en daarom bezetten Tony’s pizza’s een specifieke nis in de markt. Af en toe controleert Tony zijn marktsituatie en realiseert zich dan dat er een specifieke relatie bestaat tussen het aantal verkochte pizza’s en de ontvangen inkomsten; een dure en hoogwaardige pizza verkoopt minder goed dan een goedkope pizza van minder kwaliteit. Kwaliteit is echter niet iets dat Tony direct kan observeren - anders dan volume y en inkomen (W). Informatie over W en Y kan geput worden uit handelspublicaties en dergelijke. Omdat Tony een maximaliserend individu is, wil hij zijn beslissing baseren op deze ex ante cijfers en probeert hij zoveel mogelijk geld te verdienen. Andere pizzamakers doen echter hetzelfde, en hun beslissingen bij elkaar zullen —onder bepaalde, gespecificeerde condities— een zichzelf vervullende voorspelling vormen: er is nu een markt.

Index

Home Subject Areas NetSociologie Zoek Commentaar?


dr. Albert Benschop
Sociale en Gedragswetenschappen
Sociologie & Antropologie
Universiteit van Amsterdam
Gepubliceerd: Januari 1996
Laatst gewijzigd: 07 January, 2015