| ArbeidsSociologie | NetSociologie | Zoek | Home | Contact |
|---|

Universiteit van Amsterdam
Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen
ABy© Amsterdam
december 1995
Arbeid is een woord met vele en meestal tegenstrijdige betekenissen.
Arbeid wordt ervaren als last of lust. Arbeid wordt ervaren als een last die wordt opgelegd door externe omstandigheden van existentiële nood en gebrek of van relatieve schaarste. Arbeid is een bezigheid die geen doel in zichzelf heeft, maar louter middel is waarmee mensen in hun levensonderhoud voorzien. Wie werkt verkeert in het rijk der noodzakelijkheid: de doelen van de arbeid worden van buitenaf opgelegd. Arbeid is slechts een middel om deze doelen te realiseren; het is een offer, een opoffering van vrije levenstijd. De arbeid zelf is een moeizame, belastende activiteit die we nooit zouden verrichten als we hiertoe niet gedwongen werden door de noodzaak om in ons levensonderhoud te voorzien. Arbeid wordt echter ook ervaren als een lust, als iets waaraan we persoonlijk een intrinsiek plezier beleven (laborare et orare). Wie werkt krijgt zicht op het rijk der vrijheid: de mens is een wezen dat zichzelf in produkten en diensten wil veruiterlijken en dat zich juist in en door de arbeid kan verwerkelijken (ook wel 'objectivering van het subject' genoemd). Arbeid biedt unieke mogelijkheden tot zelfverwerkelijking, en ontplooiing. Arbeid kan dus ook als eerste levensbehoefte worden opgevat, of zelfs als eigenlijke zin van het leven.
Arbeid wordt ervaren als plicht of recht. Arbeid wordt ervaren als een plicht, als schuld die elke arbeidsgeschikte burger aan de maatschappij moet afdragen. Door sommigen wordt deze verplichting nog steeds geïnterpreteerd als uitvloeisel van een goddelijk gebod; voor anderen was de algemene arbeidsplicht lange tijd slechts een opgelegd pandoer in centraal gestuurde planeconomieën. De werklozen van tegenwoordig, voor wie het 'recht op arbeid' een lege huls is, wordt regelmatig voorgehouden dat zij toch een - al door Babeuf bepleitte - plicht tot gemeenschapsarbeid hebben. Arbeid is een zeer cruciale rechtstitel op inkomen en verzorging (resp. een aandeel in eigendom). Het 'recht op arbeid' is echter in veel gevallen niet veel meer dan een moreel principe: het is weliswaar als grondrecht vastgelegd in vele nationale en internationale constituties, maar geen enkele overheid is in staat dit recht daadwerkelijk te verzekeren. Overheden kunnen of willen hun burgers niet garanderen dat zij een ieder in staat stellen in zijn onderhoud te voorzien door arbeid die afgestemd is op de persoonlijke en maatschappelijke behoeften en mogelijkheden. In plaats van een substantieel recht op arbeid krijgen Nederlandse burgers de onverplichtende - en misschien moet men wel zeggen: platonische - verzekering dat de bevordering van voldoende werkgelegenheid een voorwerp van zorg der overheid is (artikel 1.18 van Grondwet). Het wie niet werkt, zal ook niet eten is echter naar de achtergrond gedrongen door een verdergaande institutionalisering van het recht op inkomen (van bijstand tot AOW).
Arbeid wordt ervaren als bevrijding of verslaving. Arbeid wordt ervaren als unieke veranderingskracht in civilisatieprocessen en als betrouwbare graadmeter van de menselijke progressie. Het emancipatoire effect van arbeid zou vooral tot uiting komen in het feit dat zij de massa invoegt in de cultuurbeweging (Arbeid maakt vrij), en dat zij een opvoedende, veredelende werking heeft (Arbeid adelt). En daarom geldt ook in christelijke termen: Ledigheid is des duivels oorkussen. Maar arbeid wordt niet alleen ervaren als toegangspoort naar het rijk der vrijheid. Arbeid betekent voor velen juist ook verslaving. Het regressieve effect van arbeid komt tot uiting in het feit dat zij de massa invoegt in een hiërarchische en repressieve verhoudingen waarin mensen hun zelfstandigheid verliezen (Arbeid is werken voor de baas), en dat zij een afstompende en geestdodende werking heeft (Arbeid vernedert). En dus geldt ook in profane termen: Arbeid is voor de dommen. Wie de pech heeft om te moeten werken, zal hier dus een zekere prijs voor moeten betalen. Het zijn de kosten van onderworpenheid, van vervreemding en van heteronomie, die echter moeilijk exact te berekenen zijn.
Arbeid wordt ervaren als bron van rijkdom of van armoede. Arbeid is - afgezien van de natuurlijke hulpbronnen - de enige echte bron van rijkdom en is daarom de maatstaf van alle economische waarden. Volgens Benjamin Franklin moesten we er altijd rekening mee houden dat tijd geld is. De intuïtie zegt echterook dat geld in laatste instantie niets anders is dan gestolde arbeidstijd. Arbeid genereert niet alleen rijkdom, maar kan onder bepaalde omstandigheden ook tot de bitterste armoede leiden. Arbeid was voor de heersende klassen en elites immers altijd een middel voor zelfverrijking op kosten van de werkenden. Arbeid is iets dat geëxploiteerd kan worden: de vruchten van de arbeid worden toegeëigend door mensen die niet werken maar slechts commanderen. In maatschappijen met een overwegend kapitalistische arbeidswijze fungeert arbeid als middel van meerwaardevorming en kapitaalaccumulatie. Wie in loondienst werkt, wordt structureel geëxploiteerd. De keerzijde van de vermeerdering van de rijkdom van de exploiteurs is de relatieve verarming van de werkenden. Tegenover de oude volkswijsheid van heersenden dat van werken nog nooit iemand dood is gegaan (wat empirisch gezien zeker niet klopt) staat die andere wijsheid van de werkenden, dat men van hard werken nooit rijk zal worden (wat empirisch gezien vaak wel regel is).
Arbeid wordt ervaren als grondslag van eigendom of van bezitloosheid. Voor aanhangers van het liberalisme is arbeid de basis van alle eigendom. Zij beschouwen arbeid als grondslag van een sociaal rechtvaardige en economisch effectieve, vrije en toch goed georganiseerde prestatiemaatschappij. Een maatschappij waarin iedereen op basis van eigen arbeid in staat is om eigendom te verwerven. Voor aanhangers van het socialisme is arbeid echter veeleer de basis van bezitloosheid. Zij beschouwen loonarbeid als grondslag van een sociaal onrechtvaardige en economisch exploitatieve, klassenmaatschappij. Een maatschappij waarin bezitloze werknemers juist door hun loonarbeid voor ondernemers verstoken blijven van alle relevante economische eigendommen, en met name van controle over de materiële arbeidsvoorwaarden.
Tenslotte wordt arbeid ervaren als godsdienst of mensendienst. Arbeid is mensenwerk. Want arbeid wordt niet alleen door mensen verricht, maar ook voor mensen. Arbeid is een doelgerichte menselijke activiteit gericht op het voortbrengen van goederen en diensten die de meest uiteenlopende behoeften van individuen kunnen bevredigen. Arbeid is dus in meerdere opzichten een mensendienst, een daad van sociale wederkerigheid. In een relatief hoog ontwikkelde samenleving als de Nederlandse wordt arbeid merkwaardig genoeg ook nog steeds als een godsdienst bedreven. Arbeid fungeert als een moderne religie waaraan mensen de zin van hun leven ontlenen. Het hebben van werk geldt daarom als de hoogste eer die mensen ten deel kunnen vallen; op het altaar van de arbeidsplaats worden daarom grote offers gebracht om deel te hebben aan de zegeningen van de arbeid. De moderne workaholics hebben daarom weinig begrip voor de leuze dat men beter 4 of 3 dagen kan werken dan 7 dagen werkloos te zijn. Drastische arbeidstijdverkorting is voor hen een even buitenaardse gedachte als een bezuiniging op gebedsuren voor fundamentalistische gelovigen.
| Zowel de horizontale structurering van de arbeid (indeling naar arbeidssectoren en -velden) als de verticale structurering van de arbeid (verdeling van beschikkingsmacht over bronnen; controle over arbeidsorganisaties) blijven in deze analyse buiten beschouwing. In een hierop aansluitende artikel, Machtskansen in arbeidsverhoudingen, wordt uitvoeriger ingegaan op de wijze waarop maatschappelijke arbeidsverhoudingen kunnen worden onderzocht. |
Arbeid is niet alleen een fundamenteel begrip, maar ook een glibberig begrip. Hoewel we het allemaal gebruiken, is arbeid slechts een schijnbaar eenduidig begrip. Het is echter opvallend dat in de laatste jaren van de 20e eeuw het begrip arbeid voor velen geen precieze betekenis meer heeft. Wat zijn hiervan de redenen?
| Een begrip dat niet is afgebakend is in al zijn omvattendheid toch inhoudsloos. "Een begrip dat alles betekent, betekent uiteindelijk niets meer" [Ricoeur 1955:185 - Travail et Parole]. Het arbeidsbegrip blijft vaak ongedefinieerd, of het wordt zo losjes gedefinieerd dat men in het ongewisse blijft over wat het betekent, d.w.z. het blijft onduidelijk wat de verbinding is met specifieke menselijke handelingen en ervaringen in de werkelijke wereld. Zelfs wanneer de denotaties worden gespecificeerd, worden de sleuteltermen meestal niet onderbouwd. |
|
De moderne thuiswerker opereert in volledige afhankelijkheid van kapitalistische ondernemingen. Deze ondernemingen zijn hierdoor niet alleen in staat de reproduktiekosten van de arbeid te drukken (wat duidelijk blijkt uit de enorme loonverschillen tussen thuiswerkers en loonarbeiders die hetzelfde produkt in bedrijfsverband vervaardigen), maar ook om zich flexibel aan te passen aan de wisselingen op de markt. Darom zijn de werkzekerheid en de sociale zekerheid van thuiswerkers meestal zeer minimaal. |
Ook tegenwoordig wordt in veel sociologische benaderingen de centraliteit van maatschappelijke vormen van arbeid voorondersteld. Maar deze klassieke vooronderstelling wordt vandaag de dag niet meer als vanzelfsprekend geaccepteerd en is thema geworden van verhitte discussies.[5] De centrale vraag is dus of de maatschappelijke vormen van arbeid tegenwoordig nog wel zo'n centrale betekenis hebben voor het geheel van de sociale levensverhoudingen. Of anders gezegd: hoe sterk is de structurerende kracht en betekenis van loonarbeid voor ongelijkheids- en machtsverhoudingen in de maatschappij als geheel? Het is lastig om op deze vraag een eenduidig antwoord te geven, omdat we te maken hebben met twee tegenstrijdige processen: terwijl het ene proces in de richting wijst van een toenemende betekenis, duidt het andere proces juist op het tegendeel.
a) Aan de ene kant hebben we vooral na de Tweede Wereldoorlog te maken met een enorme toename van loonarbeid en loonafhankelijkheid.[6]Hierdoor is niet alleen de betekenis van de interne differentiatie van de loonafhankelijken toegenomen, maar ook de ongelijkheidsstructurerende kracht en betekenis van loonarbeid.[7] In veel empirisch onderzoek komt daardoor onmiskenbaar de centrale plaats naar voren die de betaalde beroepsarbeid heeft voor de structurering van de sociale levenskansen en politieke handelingskansen. De verdeling van negatieve en positieve privileges is meestal sterk verbonden met de positie in arbeidsverhoudingen en met de hiervan afhankelijke loon-, resp. inkomenspositie.
b) Aan de andere kant hebben we te maken met processen die duiden op een afnemende betekenis van betaalde beroepsarbeid. Ten eerste zijn we getuige van een steeds verdergaande verkorting van individuele levensarbeidstijd. Dit is het gecombineerde effect van de uitbreiding van het onderwijs, de verkorting van de arbeidsdag, de uitbreiding van de vrije en vakantiedagen, en het vervroegd uittreden uit het arbeidsleven.[9] Het einde van dit proces is nog lang niet in zicht. Dat de rol en betekenis van arbeid afneemt, komt het scherpst tot uiting in toekomstbeelden. In een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wordt dit als volgt verwoord:
|
In sociologische en journalistieke publicaties wordt soms een rechtstreeks en eenzijdig verband gelegd tussen enerzijds de verkorting van de formele arbeidstijden en anderzijds de afnemende structurerende kracht van arbeidsrelaties voor het geheel van de maatschappij en voor sociale identiteitsvorming in het bijzonder. De bezwaren daartegen kunnen in twee punten worden samengevat. Ten eerste kan uit de verkortingen van de legale of gereglementeerde arbeidsduur (kwantitatief criterium) niet de conclusie worden getrokken dat daardoor ook automatisch de sociale ongelijkheids- en identiteitsstructurerende betekenis van de arbeid afneemt (kwalitatief criterium). Een in sociaal opzicht minoritaire tijd kan dominant blijven in de sociale structuur en in het sociale bewustzijn [Sue 1992:123; 1994:197-8]. Ten tweede is het onjuist om de niet-arbeidstijd (dat wil zeggen de tijd buiten de arbeid) gelijk te stellen met vrije tijd: reducties van de formele arbeidstijd resulteren niet quasi automatisch in een daarmee corresponderende toename van de vrije tijd. Ook hier geldt weer dat kwantitatieve verschuivingen in de formele arbeidstijdstructuren niet zonder meer leiden tot kwalitatieve verschuivingen in de sociale tijden. In sociologisch onderzoek moet men rekening houden met meervoudige sociale tijden: arbeidstijden, noodzakelijke rust- en hersteltijden ('sateliettijden')[12] en vrije tijden. |
Ten tweede hebben we te maken met een grote structurele werkloosheid en met het ontstaan van oude en nieuwe vormen van arbeid buiten de officiële arbeidsmarkt. Juist in een situatie van duurzame massawerkloosheid is er een uitgebreide informele economie ontstaan, zijn er nieuwe typen coöperatieve ondernemingen van de grond gekomen en hebben velen hun toevlucht gezocht in de kleine zelfstandigheid aan de rand van de afgrond (men zou dit de 'lompenbourgeoisie' kunnen noemen).[13] Ten derde zijn er nieuwe vormen van arbeidsloos inkomen ontstaan. In de huidige verzorgingsstaat is het mogelijk om in leven te blijven zonder te werken.
De afname van de arbeidstijd, de toegenomen discontinuïteit van de arbeid, de structurele werkloosheid en de nieuwe vormen van arbeidsloos inkomen hebben uiteraard grote consequenties voor het zelfbegrip en de identiteit van werkenden en werklozen, voor hun biografie en hun cultuur. Ik denk in het bijzonder aan de erosie van het calvinistische arbeidsethos[14], de opkomst van een hedonistisch consumentisme, de opkomst van een individualistische levenstijl, en de versterking van zgn. postmaterialistische waarden.[15]
Impliceren deze ontwikkelingen nu dat langzamerhand arbeid uit de 'arbeidsmaatschappij' verdwijnt? Leiden deze processen tot een verdergaande erosie van het 'verwervingsprincipe'? Verliest hierdoor de betaalde beroepsarbeid haar centrale rol in de structurering van sociale levenskansen? Wordt nu ook het arbeidsleven in vergaande mate geïndividualiseerd? En verliezen daarmee de arbeidersklasse en haar organisaties hun structurele strategische positie? Het zijn allemaal vragen die hier natuurlijk niet beantwoord kunnen worden. Ik heb er slechts op willen wijzen dat we te maken hebben met uitermate tegenstrijdige processen. Dit betekent in ieder geval dat men voorzichtig moet zijn met al te snelle conclusies die gebaseerd zijn op een eenzijdige waarneming van een van deze processen. De (structurele) plaats en (culturele) betekenis van arbeid in onze samenleving ontwikkelt zich niet in één bepaalde richting. Bovendien moeten we er rekening mee houden dat de processen die hiervoor beschreven zijn zich veeleer manifesteren als tendenzen met mogelijke gevolgen. Sociologen zouden gepaste afstand moeten houden van de profeten van de 'vrijetijdsmaatschappij', de 'consumptiemaatschappij' en van de 'postmaterialistische samenleving' die deze mogelijke gevolgen behandelen alsof het om onvermijdelijke consequenties zou gaan. Er is meer sociologische fantasie, en vooral ook empirische precisie vereist als men zicht wil krijgen op de tegenstrijdige processen waarin de maatschappelijke organisatie van arbeid zich ontwikkelt.[16]
Arbeid is en blijft mijns inziens een cruciale factor voor de structurering van de sociale levens- en politieke handelingskansen in onze samenleving. De verdeling van negatieve en positieve privileges blijft overwegend verbonden met de positie die mensen innemen in de arbeidsverhoudingen en de hierdoor gestructureerde inkomensverhoudingen. Ondanks alle individualisering blijft arbeid "a major focus in the life of an adult" [Hall 1994:7]. Zolang dit nog het geval is, moeten sociologen die geïnteresseerd zijn in ongelijkheids- en machtsverhoudingen een centrale plaats inruimen voor het onderzoek naar arbeid(sverhoudingen). We hebben hiervoor ook gezien waarom zij deze 'centraliteit van de arbeid' niet moeten verabsoluteren.
'Arbeid' was en is een sociologisch basisbegrip. Zo'n stelling heeft echter pas zin wanneer we duidelijk maken wat we onder 'arbeid' verstaan en laten zien hoe we de verschillende maatschappelijke 'vormen van arbeid' wetenschappelijk kunnen analyseren. En daarbij zouden we iets meer nauwkeurigheid moeten betrachten dan gebruikelijk is. Om tot een consistente en bruikbare notie van arbeid te komen, zal ik daarom in paragraaf 3 uitvoeriger ingaan op het - meestal stilzwijgend veronderstelde - algemene arbeidsbegrip.
Arbeid wordt meestal opgevat als een menselijke activiteit die geen doel in zichzelf heeft, en dus alleen verricht wordt met het oog op een buiten haarzelf liggend doel. Daarom werd en wordt arbeid meestal eenvoudig gelijkgesteld met opoffering en onlust. Als arbeid geldt dan alleen dat wat zware inspanning vereist en onlust veroorzaakt en daarom niet om wille van zichzelf kan worden nagestreefd. Vanuit dit perspectief wordt niet ontkend dat economische of beroepsmatige activiteiten op zichzelf (dus ongeacht de economische gevolgen) ook plezier en genoegdoening kunnen bieden, maar dit aspect valt dan niet onder het begrip van de persoonlijke inspanning, van het offer, en van de kosten van de arbeid. Plezier (in de zin van zelfrealisatie) en arbeid zijn begrippen die elkaar uitsluiten. Deze gedachtengang knoopt aan bij de taalkundige betekenis van het woord arbeid.
In Frankrijk werd pas in de 16e eeuw het woord 'werken' (travailler) in het vocabulaire opgenomen. Het verving gedeeltelijk twee eerdere woorden: labourer (wat nu ploegen gaat betekenen) en oeuvrer (niet langer in gebruik als een werkwoord; het betekent een kunstwerk).[21] Het Franse woord travailler (werken) is afgeleid van het Latijnse tripaliare en betekent martelen met een tripalum, een instrument met drie staken. Voordien - rond 1120 - werd wel labeur gebruikt. Dit stamt van het Latijnse labor, wat een algemene uitdrukking is voor agrarische activiteiten. Tegenwoordig betekent het Franse 'labeur': zware inspanning, gezwoeg, geploeter, gesloof. In de 12e eeuw werd ook het woord ouvrier (arbeider) voor het eerst gebruikt. Het woord is afgeleid van het Latijnse operaius: gekwelde, bedroefde, geteisterde mensen; mensen in nood. Deze term is zelf een samenstelling van twee woorden: opus = een handeling of werkstuk; en operae = verplichtingen die men voor iemand anders moest verrichten. Zoals de verplichtingen van een bevrijde horige ten opzichte van zijn oude meester of van een ambachtsman ten opzichte van een klant waarmee deze een contract had. Maar voordat deze woorden in omgang kwamen betekende travailler het martelen van een overtreder (zondaar, misdadiger) op een tripalum. En de travailleur was niet het slachtoffer, maar de beul. |
De negatieve waardering van arbeid als offer gaat terug tot de oude Grieks-Romeinse traditie. Het zou eeuwen duren voor de gedachte opkwam dat arbeid ook een 'roeping' kan zijn (Luther) of zelfs een vorm van 'zelfverwerkelijking' (Marx).
Voor de oude Grieken stond vrije tijd als model voor het meest gewenste en enig 'schone leven'. Arbeid werd gezien als een pijnlijke, vernederende noodzakelijkheid. Het toeëigenen en vervaardigen van middelen waarmee basisbehoeften bevredigd konden worden, werden beschouwd als minderwaardige activiteiten die men moest overlaten aan de allerlaagste groepen in de samenleving, en vooral aan de slaven.[22] Aristoteles' theorie van de 'natuurlijke slavernij' in het eerste boek van de Politeia is hiervan een extreem voorbeeld. Alles wat behoorde bij het regeren en bij de kenmerken van de in het 'schone' (dat wil zeggen deugdzame en gelukkige) leven verenigde burgers stond volgens Aristoteles ver boven de arbeid van het voortbrengen (welke moest worden toebedeeld aan 'van nature' inferieure mensen).[23] De praxis (het ethisch-politieke handelen in de polis) beheerste dus in alle opzichten de poiesis (het werken): de wijsheid van handelen was heerschappijkennis, die slechts was voorbehouden aan de heren des huizes en de politici. Degenen die zijn stelling niet onderschreven, keerden deze eenvoudig om: mensen die zich bezighielden voorziening van levensmiddelen of gedwongen werden als slaven te werken, zouden door het werk dat zij verrichten inferieur worden. Vooral ook in de filosofie van Plato wordt de menstelijke bestemming geheel gezocht in het ideële streven naar het ware, het goede en het schone.[24] De Grieken stelden schole tegenover de arbeid: zij beschouwden arbeid als dienst aan de menselijke noden en schole als vrijheid ten opzichte van deze dienst.[25] De vrije mensen wijdden zich aan het spel van lichaam en geest, dat wil zeggen aan sport en wetenschap. De levenswijze van de lichamelijk werkenden werd als onverenigbaar beschouwd met de burgerlijke deugd. Alleen wie de deugd bezat, was in staat om burger te zijn. Arbeid en burgerdeugd, arbeid en vorming werden scherp tegenover elkaar gesteld. Uiteraard weerspiegelen deze opvattingen alleen de denk- en waarderingswijze van een geprivilegieerde bovenlaag.
In de Romeinse cultuur werd deze dominante opvatting (of beter: opvatting van de dominante groep) overgenomen.
Jan Romein doelt hier enerzijds op het opvallende organisatietalent van de Romeinen, anderzijds op hun normbegrip. Bij de oude Romeinen drong voor het eerst het besef door dat alle arbeid in strikte zin een kweste van organisatie is. Voor moderne westerlingen is het verband tussen organisatie en arbeid inmiddels een grote vanzelfsprekendheid. Het normbesef van de Romeinen - dat ten grondslag lag aan hun wetsbegrip - bracht de gedachte met zich mee dat iets altijd nog beter kan voor het aan een, bewust-gestelde en geformuleerde norm voldoet.
In de periode rond de geboorte van Christus begint de slavernij aan betekenis in te boeten. Hierdoor begint ook het arbeidsethos te veranderen en ontstaat er meer aandacht voor de betekenis van arbeid en prestaties. In de vroege Christelijke traditie werd erkend dat arbeid iemand niet alleen gezond kan houden, maar dat het mensen ook kan afhouden van zondige gedachten en gewoontes ('ledigheid is des duivels oorkussen') en een bijdrage kan leveren aan de deugd van gehoorzaamheid.[26] De opvatting van de arbeid als offer staat in het teken van de vloek die Jehova aan Adam meegaf: 'U zult brood eten in het zweet uws aanschijns'.
|
De vloek van God ruste dus op de voorwaarden waaronder het werk gedaan moest worden. Wanneer de echter de arbeid desondanks of juist vanwege haar last als 'Godsdienst' wordt verricht, dan rust daarop de 'God's zegen'. Hierdoor was een negatieve waardering van lichamelijke arbeid - zoals bij de Grieken - principieel niet mogelijk en in het praktische leven minstens afgezwakt. Ook de evangeliën en brieven uit het Nieuwe Testament staan in deze Joodse traditie. Daarbij is het thema nooit de arbeid als zodanig, maar alleen de arbeid die in dienst staat van de eigenlijke zin van het menselijke bestaan. Deze arbeid is niet alleen nodig omdat zij in het levensonderhoud voorziet, maar omdat zij door de zondigheid van de mens door God is opgelegd en ter voorkoming van laster en luiheid. "Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten" [Bijbel - 2 Thess 3:10]. Dat was de les die de apostel Paulus voor hield aan de eerste Christenen, die in hun verwachting van de spoedige komst van Gods koninkrijk hun werk eraan gaven en gezamenlijk hun bezittingen opteerden. Arbeid moet door iedereen, zonder onderscheid naar stand worden verricht. Niet omwille van het levensonderhoud en zeker niet omwille van het materiële gewin, maar 'om Gods wil'. Het is werk dat ook voor de behoeftige 'naaste' en voor de 'gemeente' van harte gedaan moet worden, vervuld van de vreugde van de 'nieuwe mens in Christis'. In het Joodse denken gold arbeid dus niet alleen als straf voor de zonde, maar ook als voortzetting van het bezigzijn van God met zijn schepping. Door de afwijzing van rijkdom, ledigheid en zinnelijk genot oefende deze nieuwe godsdienst een grote aantrekkingskracht uit op de brede massa van handwerkers en (vrijgekochte) slaven. |
In alle middeleeuwse talen van de westerse cultuur blijft 'arbeid' dicht bij angst, leed, nood, kommer, ongemak, moeite, kwaal en pijn liggen. Pas aan het einde van de middeleeuwen breekt in het Westen een radicaal andere houding tegenover de arbeid door. In het vroeg-middeleeuwse kloosterwezen zette zich enerzijds de Platoonse voorkeur voor het contemplatief bestaan voort. Anderzijds bestond er tussen monniken en lekebroeder echter ook een heel geprononceerde verdeling van geestelijk en lichamelijk werk. Fysieke inspanning werd in ere gehouden als tuchtmeester van lichaam en ziel: 'wie arbeid zondigt niet'. De kerkvader Augustinus (354-430), die niet geloofde dat mensen op eigen kracht in staat waren om te beslissen tussen goed en kwaad, legde een grote nadruk op de plicht tot arbeid. Het is niet te veel overdreven als men zegt dat het middeleeuwse kloosterleven tot op grote hoogte werd gestempeld door de leerregel van Benedictus: 'arbeidt en vertwijfelt niet'. De kloosters van de cisterciënsers in de randgebieden van de christelijke wereld waren religieuze landbouwcommunes. De middeleeuwse kloosters kenden een strenge tijdsindeling tussen bidden en werken (ora et labora) die door de kloosterklokken duidelijk werden gemarkeerd. Hierdoor werd een nieuwe discipline geïntroduceerd in het leven van de gekerstende volken. Pas in de late middeleeuwen deden zich ingrijpende sociaal-economische verschuivingen voor die de waardering van de arbeid zouden veranderen. De zeehandel bracht welvaart in de havensteden en de steden langs de grote handelsroutes. Sinds Augustinus had er een taboe gelegen op het lenen van geld tegen rente, zonder zelf aan de arbeid deel te nemen. In de late middeleeuwen werd dit verbod steeds minder serieus genomen. Het in gilden georganiseerde ambacht kwam tot ongekende bloei. Na de beëindiging van de kruistochten richtte de adel zich steeds meer op de eigen hofcultuur. Hun praalzucht en de door hen geïnitieerde landhervormingen die oude gemeenschapsrechten doorbrak, leidde tot grote onvrede van de kant van de boeren en soms tot bloedige revoltes. In deze opstanden kwam de vroeg-christelijke droom van een 'gulden godsrijk van vrede en gerechtigheid' opnieuw tot leven. Het gezag van de kerk, dat het hele sociale leven van de leken omspande, werd ondergraven door sektarische stromingen, die er 'alternatieve' leefwijzen op nahielden. De gevestigde orden waren inmiddels in goede doen geraakt. Als reactie daarop ontstonden er nieuwe ascetische orden waarin 'de deugd van nederige arbeid' opnieuw werd gepredikt. Bovendien ontstonden er bedelorden die 'de louterende werking van vrijwillige armoede' als de zekerste weg tot zaligheid beschouwden. Kerkvaders zoals Thomas van Aquino probeerden het tij nog te keren door - in aansluiting op de leer van Aristoteles - de nieuwe wereld terug te persen in een alles omvattende, door God gegeven hiërarchische orde; het goddelijk en het natuurlijk recht, de geestelijkheid en de leken, de handel en de ambachten kregen daarin elk hun vast plaats. Daarbij werd arbeid voorsteld als een wezenlijk bestanddeel van 'de menselijke natuur' en als een integrerende factor van menselijke samenlevingsverbanden. Het 'geestelijk werk' - vooral in de vorm van gebed en contemplatie - bleef echter een hogere plaats houden dan het werk dat gericht was op de reproduktie van het fysieke en sociale bestaan.
Pas sinds de reformatie en de opkomst van het protestantisme wordt aan arbeid een meer positieve betekenis gehecht in de Westerse cultuur.[27] Volgens Maarten Luther kan arbeid zelf een manier zijn om God te dienen: arbeid werd een 'roeping' die in het hiernumaals consciëntieus en levenslang verricht moest worden om in het hiernamaals een goede kans te maken op de betere posities. Arbeid werd hierdoor tot een morele plicht verheven. De vita activa werd niet meer ondergeschikt gemaakt aan de vita contemplativa.
Vooral bij Calvijn krijgt de arbeid een nieuwe dynamiek. Hij vat arbeid op als het dienstbaar maken van de door God gegeven talenten in dienst van Gods koninkrijk. Wie door God is uitverkoren ('predestinatie'), dient dit ook in zijn handel en wandel zichtbaar te maken. Omdat het raadsbesluit van God voor de mens verborgen is, rest hem niets anders dan in een arbeidzaam bestaan zijn gaven zo goed mogelijk te onplooien: 'aan de vruchten herkent men de boom'. Toch bleef ook het middeleeuwse ascetisme bij Calvijn doorwerken. Grote weelde en zinnelijk genot waren voor hem ijdelijke verkwisting van het door God toevertrouwde goed waarover men als rentmeester verantwoording verschuldigd is. De enige aanvaardbare manier om de vrucht van met succes bekroonde arbeid te gebruiken was hulp aan de behoeftige naaste en uitbreiding van de eigen bedrijvigheid. Deze nieuwe arbeidsethos van het protestantisme fungeerde als belangrijke hefboom bij de opkomst van het moderne kapitalisme. Luther verleende de arbeid zijn positieve waarde, maar Calvijn maakte met zijn pleidooi voor de herinvestering van door arbeid gerealiseerde winst de morele weg vrij voor een economisch stelsel dat gebaseerd is op ongebreidelde expansie en accumulatiezucht. In ieder geval gingen in de nieuw opkomende zeevarende en handelsdrijvende naties grote massa's over tot het protestantisme. De stedelijke burgerij begon democratische rechten te veroveren en drong de allesomvattende centrale macht van kerk, keizer en koning in de verdediging. Door toenemend particulier initiatief en koloniale expansie raakte het middeleeuwse stands- en gildewezen in verval. Hierdoor kwam de weg vrij voor gedurfd ondernemerschap en vrije concurrentie. Deze ontwikkeling werd mede mogelijk gemaakt door een arbeidsmoraal die de eigen verantwoordelijkheid benadrukt om te 'woekeren' met de beschikbare talenten en middelen. In deze nieuwe economische habitus worden niet alleen geld, goud en goederen, maar ook arbeidskrachten en arbeidstijd gewaardeerd vanuit het kosten-baten principe.
Max Weber heeft in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus [1905] laten zien dat het ascetische protestantisme een zeer belangrijke historische rol vervulde voor het ontstaan van het moderne kapitalistische economische systeem: naast talloze andere factoren stond er "een bepaalde, constitutieve component van de levensstijl" aan de wieg van het moderne kapitalisme [PE II:169]. Door de nadruk op beroepsplicht en rationele ascese kon de protestantse ethiek een van de constitutieve momenten vormen van de 'kapitalistische geest' [idem: 285]. Het religieuze leven van de protestanten, hun hierdoor bepaalde familietradities en levensstijl creëerde een specifieke habitus die hen geschikt maakte om aan de specifieke eisen van het vroeg-kapitalisme te voldoen [idem: 318]. Het is tegenwoordig vooral in progressieve kringen gebruikelijk om af te geven op de 'protestantse arbeidsethiek' omdat dit een door en door reactionaire en onderdrukkende ideologie zou zijn. Daarbij wordt vergeten dat deze arbeidsmoraal in ieder geval voor de vroege protestanten toch ook vooral een progressieve en radicale functie vervulde. De protestantse opvattingen over arbeid hebben bijgedragen aan het ontstaan van specifieke houdingen en gewoontes (arbeidsdiscipline) die nodig waren voor de ontwikkeling van het moderne kapitalisme en haar ondernemingen. De oorspronkelijke ontwikkeling van de kapitalistische industrie was echter niet het werk van de destijds heersende klassen; zij was veeleer het resultaat van de inspanningen van 'the industrious people', van economisch onafhankelijken of zelfstandige ambachtslieden, middenstanders en vrije boeren. De opvattingen van de vroege protestanten waren vaak heel specifiek gericht tegen de destijds heersende klassen; zij beschouwden de aristocratie en de landadel als een nietsdoende en parasitaire klasse. De Engelse historicus Christopher Hill [1969:133] formuleerde dit als volgt:
De unieke betekenis van de protestantse ethiek voor het ontstaan van het kapitalisme betekent echter niet dat deze ook doorslaggevend zou zijn voor het voortbestaan van dit economisch stelsel. De 'burgerlijke beroepsethiek' blijft tegenover de enorme psychische weerstanden en voor-kapitalistische tradities haar betekenis houden totdat "het op zuiver mechanische basis berustende kapitalisme van tegenwoordig dit steunpunt kon missen" [PE II:285]. De protestantse ethiek en levensstijl mag dan voor het ontstaan van het kapitalisme een uitermate belangrijke kracht zijn geweest, voor het voortbestaan van dit economisch stelsel is deze factor volgens Weber in toenemende mate irrelevant [vgl. Weber RS: 36,55, 204]. Bij Marx vind men methodisch gezien een identieke benadering. Superieur geweld is historisch gezien een doorslaggevende factor voor het ontstaan van nieuwe uitbuitingsrelaties: van de koloniale oorlogen van de Griekse stadstaten, de veroveringstochten van het Imperium Romanum, de verovering van 'geciviliseerde hoogculturen' door nomaden via de rooftochten van de feodale ridders, de gewelddadige onteigening van de boeren door de 'ridders van de industrie' tot aan het kapitalistische kolonialisme en imperialisme en de afpersingspraktijken van de diverse moderne maffia's. Geweld is weliswaar kenmerkend voor de zogenaamde oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal [Marx, MEW 23:788; vert. 593] en als zodanig uitgangspunt van de kapitalistische arbeidswijze, maar zodra dit stelsel op eigen benen staat treedt bij haar uitgebreide reproduktie het geweld naar de achtergrond [MEW 23:765; vert. 575]. Haar voortbestaan wordt primair veroorzaakt door het 'normale' - formeel vreedzame - economische proces van kapitaalaccumulatie - en slechts bij uitzondering gegarandeerd door direct - 'buiten-economisch' - geweld. |
Het is niet erg verrassend dat de oud-Griekse opvatting van arbeid als offer een hoeksteen werd van de latere klassieke economen, zoals Adam Smith, die zich inspanden om de structuur en werking van het opkomende kapitalisme te verklaren, en in belangrijke mate ook te legitimeren. De fysiocraten (Quesnay) en de klassieke economen (Petty, Smith, Ricardo) begonnen echter de arbeid als produktieve prestatie te waarderen en maakten de sprong naar het moderne arbeidsbegrip.[29] Arbeid werd het centrale begrip van hun theoretische systemen. Het uitgangspunt daarvan luidde: "That Labour is the Father and active principle of Wealth as Lands are the Mother" [Petty 1662:69]. Arbeid werd niet meer alleen beschouwd als middel voor levensonderhoud, maar primair als 'produktiefactor'. Adam Smith bevrijdde het arbeidsbegrip van het primaat van de agrarische arbeid (welke door de fysiocraten nog als enige waardescheppende arbeid werd beschouwd) en benadrukte de centrale betekenis van de arbeid in het economisch kringloopproces. Voor hem was arbeid de eigenlijke 'bron van rijkdom' en dus de enige produktiefactor in de economisch zin.
Marx sloot kritisch aan bij de klassieke economen, maar nam de achterliggende oud-Griekse en oerburgerlijke notie van de 'arbeid als offer' scherp onder vuur en stelde daartegenover de notie van arbeid als 'vrije zelfrealisatie', als mogelijkheid van 'zelfverwerkelijking'. Hij beschouwde arbeid als het wezen van de mens: het meest kenmerkende voor mensen is dat zij zich door arbeid als eigenactiviteit 'objectiveren', zichzelf realiseren en veruiterlijken. Daarom zou de hele wereldgeschiedenis niets anders zijn dan de voortbrenging van de mens door menselijke arbeid.[32] Onder kapitalistische verhoudingen zijn arbeiders echter gedwongen hun arbeidskracht te 'verkopen' en zich te onderschikken aan een exploitatief systeem van meerwaardevorming en kapitaalaccumulatie.[33] Zij ondergaan hierdoor een zo sterke 'vervreemding' dat zij tegenover de arbeid een niet alleen onverschillige, maar zelfs vijandige houding aannemen. Marx kritiseert benaderingen waarin het 'rijk der vrijheid' abstract tegenover het 'rijk der noodzakelijkheid' wordt gesteld, dat wil zeggen waarin niet-arbeid wordt voorgesteld als domein van 'vrijheid en geluk', terwijl arbeid slechts verschijnt als door uiterlijke omstandigheden opgelegde dwangarbeid. Voor Marx gaat dit wel op voor de exploitatieve vormen van arbeid, zoals slavenarbeid, horige arbeid en loonarbeid, maar niet voor arbeid als zodanig en zeker niet voor de arbeid in een communistische samenleving, waarin werkelijk vrije arbeid kan bestaan in die mate dat de produktie is vermaatschappelijkt en verwetenschappelijkt.
De opvatting van 'arbeid als offer' is dus zeer oud. Maar ook tegenwoordig wordt arbeid vaak alleen opgevat als een noodzakelijk kwaad. Al onze inspanningen monden uit in het streven dit euvel absoluut of minstens relatief (d.w.z. in verhouding tot de resultaten die het kan opleveren) zoveel mogelijk in te perken.[34] Niet de arbeid zelf, maar alleen de rijke vruchten die harde arbeid kan afwerpen, maakt voor velen het leven pas zinvol. In deze benadering lijkt het arbeidsbegrip aan duidelijkheid en scherpte te winnen. Toch zijn er vele bedenkingen bij deze gelijkstelling van arbeid en offer/onlust. Oorspronkelijk kon 'arbeid' alleen maar refereren aan de grote inspanning die de mens leverde om zich te bevrijden van de druk van de overweldigende macht van het gebrek (of de nood), of van menselijke heerschappij.[35] Tegenwoordig wordt het woord arbeid vaak in een bredere en vriendelijker betekenis gebruikt.[36]
Daartegenover zal ik hier een breed, maar niet allesomvattend begrip van arbeid uitwerken: arbeid is een specifiek soort activiteit of praktijk, welke gericht is op het voorbrengen van de middelen van menselijke behoeftenbevrediging.[39] Dit brede arbeidsbegrip moet naar twee kanten worden afgebakend. Enerzijds moet het arbeidsbegrip worden afgebakend van consumerende activiteiten en van vrije tijdsbesteding. Anderzijds - en veel moeilijker - moet het arbeidsbegrip worden afgebakend van de activiteiten van het toeëigenen (van de resultaten van vreemde arbeidskrachten) en het uitsluiten. Deze beide afbakeningen zijn nodig omdat anders het woord 'arbeid' synoniem wordt met 'activiteit', 'taak' of met 'sociaal handelen'.[40] Ik zal de daarmee samenhangende problemen in twee stappen behandelen. Ik ga eerst in op het algemene arbeidsbegrip, d.w.z. op het arbeidsbegrip dat geldig is voor alle maatschappijformaties [par. 3]. Daarna ga ik in op het arbeidsbegrip dat specifiek is voor burgerlijke maatschappijen, dat wil zeggen voor maatschappijformaties met een dominant kapitalistische organisatie van de arbeid [par. 4].[41]
Onder arbeid versta ik het geheel van doelmatige en bewuste menselijke activiteiten welke specifiek gericht zijn op het voortbrengen van gebruikswaarden, dat wil zeggen van goederen en diensten die de behoeften van menselijke individuen kunnen bevredigen [Benschop 1993:143]. Het bijzondere van deze arbeidsdefinitie is haar (normatieve) gerichtheid op gebruikswaarde, dat wil zeggen op middelen van menselijke behoeftenbevrediging.
In veel arbeidsdefinities waarin arbeid niet eenvoudig met 'betaald werk' wordt geïdentificeerd, treft men een meestal ongespecificeerde notie van 'waarde' aan. Arbeid wordt dan bijvoorbeeld gedefinieerd als "an activity that producess something of value for other people" [O'Toole 1973:3]. Om de reductie tot materiële produktie te voorkomen, worden hierbij bovendien vaak expliciet de diensten vermeld. Arbeid word dan bijvoorbeeld gedefinieerd als "any activity, or expenditure of energy, that produces services and products of value to other people" [Fox/Hesse-Biber 1984:21].[44] Het probleem met dergelijke definities is dat nooit wordt aangegeven wat men in dit verband onder 'waarde' moet verstaan.[45] Het blijft dus onduidelijk of er gezinspeeld wordt op de specifieke gebruikswaarde van goederen en diensten, op hun economische ruilwaarde of geldwaarde, of op een bepaalde morele waarde.[46]
Alle menselijke activiteiten die gebruikswaarden voortbrengen kunnen in principe als arbeid worden aangemerkt, althans wanneer voor de actoren zelf herkenbaar is dat deze activiteiten zijn onderscheiden van niet-arbeid ('vrije tijd'), van consumerende activiteiten en van de activiteiten van het toeëigenen en uitsluiten. Bij afbakening van het algemene arbeidsbegrip zijn dus minstens drie vooronderstellingen in het geding.[47]
Figuur 1 Vooronderstellingen van algemeen arbeidsbegrip

In de volgende paragraven worden deze drie vooronderstellingen apart behandeld.
Arbeid is een maatschappelijk fenomeen dat niets te maken heeft met oordelen over de (on)zin of het nut van menselijke activiteiten. Het vervaardigen van objecten die voor niemand nuttig of potentieel bruikbaar zijn, is geen arbeid - ook al heeft deze activiteit nog zo'n grote invloed op de omgeving [Benschop 1993:144]. Iets wat voor niemand een intersubjectief te begrijpen zin heeft (dat wil zeggen geen werkelijke of ingebeelde gebruikswaarde), is geen arbeid, ook al impliceert het een verandering of misschien wel een bewuste verandering van de natuurlijke en sociale omgeving [Krätke 1984:272]. Wie bijvoorbeeld een stoel maakt waarop je niet kunt zitten en die ook voor anderen geen herkenbare esthetische waarde heeft (dus een object zonder zit- of rustgenot en zonder esthetisch genot), heeft in deze optiek dus geen arbeid verricht.
Als men niet alle activiteiten om in het eigen levensonderhoud te voorzien als arbeid wenst te beschouwen, moet men dergelijke problemen op de koop toenemen. Als men deze redenatie volgt, wordt het noodzakelijk de normatieve en descriptieve betekenis van deze verschillen tot gelding te laten komen in een nadere differentiëring van soorten arbeid.
Vanuit dit perspectief is het dus niet eenvoudig een dwingende algemene arbeidsdefinitie te geven. In klassenmaatschappijen zou men nog kunnen proberen om arbeid via de specifieke tegenstelling tot 'niet-arbeid' te definiëren, namelijk als 'heteronome arbeid', als arbeid onder 'uiterlijke dwang', als arbeid die 'uiterlijke doelen' dient.[53] In niet-klassenmaatschappijen verliest echter ook dit onderscheid tussen gewongen arbeid en vrije tijd haar scherpte, en misschien verliest zij wel helemaal haar betekenis. Bovendien is de oud-Griekse en oerburgerlijke opvatting van arbeid als dwang, vloek en rijk van de onvrijheid steeds problematischer geworden. Zij moet concurreren met de opvatting van arbeid als vrije zelfrealisatie en zelfverwerkelijking, met 'arbeid als spel' (Marx).
|
De vraag is en blijft dus: hoe kunnen we een algemeen onderscheid maken tussen arbeid en niet-arbeid (of vrije tijd) dat zowel theoretisch als voor de actoren zelf betekenis heeft? Om deze vraag te beantwoorden moeten we een drievoudige empirische differentiatie introduceren. We moeten in staat zijn om een empirisch onderscheid te maken tussen: (a) de activiteiten zelf, (b) de instituties en functiekringen waarbinnen deze activiteiten zijn georganiseerd, en (c) de tijden waarin deze activiteiten plaatsvinden.
In de discussies over huishoudelijke arbeid wordt bovendien duidelijk dat 'werk' niet alleen een kwestie is van wat mensen daadwerkelijk doen. Elke definitie van arbeid impliceert tevens uitspraken over de voorwaarden waaronder dat werk verricht wordt en over de gepercipieerde sociale waarde of waardering. De onzichtbaarheid van vrouwenarbeid is een effect van de arbeidsdeling naar sekse die in veel maatschappijen bestaat. Deze onzichtbaarheid wordt nog eens versterkt door de etnocentrische vooronderstellingen van veel onderzoekers en beleidsmakers en door autochtone seksistische ideologieën. Wanneer arbeid wordt gedefinieerd als 'betaald werk buitenshuis' dan is en blijft het onmogelijk om de omvang en waarde van de subsistentie en huishoudelijke arbeid van vrouwen te herkennen. Deze door en door 'burgerlijke' arbeidsdefinitie lijdt een hardnekkig bestaan - ook al contrasteert ze nog zo duidelijk met de ervaringen en verwachtingen van veel mensen.[60]
Voor boerensamenlevingen bestaan nog geen systematische historische analyses van de taakverdeling van leden van huishoudingen. We weten echter wel dat wat gedaan moet worden primair bepaald wordt door arbeidscycli die verbonden zijn met seizoenen en de reproduktiecyclus. Hoe sterk op boerderijen de taken onderling verweven zijn, heeft Martine Segalen voor Frankrijk laten zien. Volgens haar bestaat er geen wezenlijk verschil tussen cultiveren en koken.
De textielarbeiders verzetten zich heftig tegen de werkklokken ('work clocks', 'Werkglocken') waarmee de ondernemers hun arbeidsgedrag probeerden te controleren. Deze revoltes hadden echter geen succes omdat de stedelijke besturen de kant kozen van de ondernemers en de klokketorens beschermden.
Aan de traditionele agrarische economie was een natuurlijk tijdsregime verbonden dat de natuurlijke afwisseling van de seizoenen en van dag en nacht volgde. Het tijdsregime werd in de eerste textielsteden steeds meer aangepast aan de eisen van het fabriekssysteem: de arbeiders moesten hun oude 'ongedisciplineerde' werkgewoontes laten varen en leren vooral op regelmatige tijden te werken. Ondernemers begonnen te begrijpen dat tijd geld is en dat de controle van de tijd van arbeiders cruciaal is voor de winsten. Deze transformatie voltrok zich langzaam, maar tegen de 18e eeuw werd het moderne tijdsbewustzijn - een besef van minuten en uren, van een 'dag werk voor een dagloon' - onderdeel van het algemene bewustzijn, ook al werd dit vooral door arbeiders niet van harte gesteund [Le Goff 1980].
Tijd werd een economische maateenheid en een middel voor het disciplineren van arbeiders.[62] Met de opkomst van de gemeten arbeidsdag ging een bewustzijn van de maatstaf van voltooide arbeid gepaard. Traditioneel was de arbeidsprestatie laag geweest, gemeten naar moderne maatstaven, waarschijnlijk deels vanwege slecht dieet en lage input van calorieën van de bevolking [Braudel 1979/ 89 I: 82, 97 e.v].
Fabrieksondernemers begonnen nu de produktie te intensiveren en de arbeidsdag uit te breiden. Het gemoedelijke tempo van het traditionele agrarische werk, met zijn vele onderbrekingen en vakanties, maakte voor fabrieksarbeiders steeds meer plaats voor een slopend arbeidsleven onder smerige condities [Thompson 1963: 200-2]. De arbeidsdag en het arbeidsjaar namen dramatisch toe: van +/- 2000 uur in 1600 tot +/- 3680 uur in 1850.[63]
De traditionele ritmes van het agrarische werk werden steeds meer doorbroken en vervangen door de moderne segmentatie van de dag in werk en niet-werk. Deze overgang voltrok zich geleidelijk en niet zonder verzet. Hoe onplezierig het fabrieksleven van de vroege 19e eeuw ook was, het ging vaak vergezeld van werkliederen, drinken en zelfs dansen. De arbeidsdiscipline was moeilijk te handhaven en het verloop was zeer groot.
Rond 1830 werden er door heel Europa heen 'heilige maandagen' ingevoerd, waarop de arbeiders hun werk verzuimden. Zij namen 's maandags vrij om te drinken en zich anderszins te amuseren; ze werden niet voor niets 'blauwe maandagen' genoemd.[64] Het was hun manier om het evenwicht tussen vrije tijd en de steeds langere werkdagen te herstellen. Deze geïmproviseerde 'blauwe maandagen' maakte het de arbeider ook mogelijk om het gezag uit te dagen en zijn traditionele vrijheid te bevestigen om naar het werk te komen en de werkplaats te verlaten als het hem zelf uitkomt [Rybeynski 1991:116]. De 'blauwe maandagen' hielden stand tot de laatste helft van de 19e eeuw en waren bijna universeel in Engeland van 1840 tot 1860.
De pre-kapitalistische arbeidsmentaliteit werd gekenmerkt door de sociale gewoonte dat men alleen werkte om traditionele behoeften te bevredigen: men bepaalde zelf wanneer en hoe men werkte.[65] Deze houding liet zich niet gemakkelijk veranderen en ondernemers maakte zich hierover grote zorgen. De traditionele sociale zeden en gewoonten die niet pasten in het patroon van het industriële leven werden gediscrediteerd als belemmeringen voor progressie. Er was een grondige herstructurering van de arbeidsgewoontes nodig: nieuwe vormen van discipline, nieuwe vormen van prestatiemeting, nieuwe vormen van beloning, en dus een nieuw type werkende mens waarop deze prikkels vat konden krijgen [Thompson 1967: 57]. De staat steunde de zaak van de ondernemers met een serie wetten, waarvan de bekendste de Poor Law is die in 1832 in Engeland werd geïntroduceerd. Deze wet was gebaseerd op het idee dat individuen zelf verantwoordelijk zijn voor hun armoede; het verloste zowel landeigenaars als parochies van hun traditionele verplichtingen ten opzichte van hulpbehoevende arbeiders.[66] Door de zweep van de honger werden de arme plattelandsbevolking in de fabrieksarbeid gedreven.[67]
De succesvolle pogingen om arbeiders in de fabrieken te drijven, werden tegemoet getreden met een gevecht om kortere arbeidstijden. De eerste arbeidersassociaties en -organisaties hebben zich vooral ingezet de 10-urige werkdag. Zij probeerden niet alleen om de arbeiddag te beperken, maar ook om vrouwen- en kinderarbeid af te schaffen. Het was een omvattend protest tegen de vernietiging van de traditionele gezinseconomie. Met de uiteindelijke ratificatie van de wet op de 10-urige werkdag kwam een formeel eind aan proces dat eeuwen had geduurd: de vestiging van een arbeidsdag, van een bepaalde periode van tijd voor werk. De tijd buiten de werkplaats werd 'vrije tijd': vrij beschikbaar voor persoonlijke arctiviteit. Zo ontstond de moderne idee van vrije tijd, een tijdsperiode die van werk is onderscheiden en welke specifiek gedefinieerd werd als niet-arbeid.
Bijna alle bezigheden zijn nu eens geen arbeid, dan weer wel arbeid. Auto's repareren is arbeid voor de automonteur, maar niet voor de arbeidssocioloog die tijdens het weekend aan zijn eigen auto staat te knutselen. Het hangt dus niet van de intrinsieke aard van een activiteit af of zij arbeid is, maar van de sociale context binnen welke zij wordt verricht.[69] De cruciale vraag is dus: welke sociale contexten of welke institutionele kaders stempelen een activiteit tot arbeid? In paragraaf 4 zullen we zien hoe deze vraag beantwoord kan worden voor burgerlijke maatschappijformaties met dominant kapitalistische arbeidsverhoudingen.
Dit betekent echter niet dat het zoeken naar een duidelijke afbakening van de betekenis van arbeid hetzelfde is als speculeren over het geslacht der engelen. Het betekent ook niet dat de arbeidsdefinitie van de één even invloedrijk is als die van een ander. Het betekent veeleer dat we de bestaande arbeidsdefinities moeten opvatten als symbolen van dominante of oppositionele culturen en met name als spiegels van heersende of oppositionele macht.
Rivaliserende arbeidsdefinities reflecteren dus zowel de spanningsrelatie tussen heersende en subalterne arbeidsvormen, als de spanningsrelatie tussen dominante en oppositionele culturele verhoudingen (in de hier boven omschreven betekenis van geïnstitutionaliseerde cognitieve en normatieve gedragsverwachtingen). Dat is de reden waarom men door een analyse van deze rivaliserende arbeidsdefinities zicht kan krijgen op de concrete machtsverhoudingen die zijn ingebakken in de maatschappelijke organisatie van de arbeid alsmede op de geïnstitutionaliseerde culturele waarderingspatronen waarmee arbeid in onze samenleving beoordeeld wordt. De discussie over en de polemiek rond arbeidsdefinities is en blijft een zeer belangrijk onderdeel van het inmiddels eeuwenoude gevecht om de reproduktie resp. transformatie van de actuele maatschappelijke arbeidsverhoudingen.
Arbeid is een bijzondere vorm van sociaal handelen en is net als alle andere vormen van sociaal handelen meervoudig gestructureerd en gemotiveerd. Het streven naar economische doelen gaat meestal gepaard met het streven naar niet-economische doelen, zoals sociabiliteit, persoonlijke erkenning, sociaal prestige en macht [Benschop 1994: hft. II].
Anderzijds wordt het referentiepunt van de arbeid echter tegelijkertijd versmald omdat het wordt gereduceerd tot:
Het resultaat van deze versmalling is dat alle vormen van niet-betaalde arbeid van de arbeidsdefinitie worden uitgesloten: vrijwilligersarbeid; alle vormen van huishoudelijke arbeid in economische zin (subsistentiearbeid); alle niet-marktgerichte en niet-winstgevende arbeid; alle vormen van inofficieel betaalde arbeid. Al deze soorten arbeid verschijnen niet, althans niet als waardescheppend, in de officiële statistiek. Indien dit wel zou gebeuren, zou het bruto nationaal produkt (BNP) onmiddellijk met 30 á 50 % moeten worden verhoogd.[78] Wat als reservoir van werkende en werkzoekende arbeidskrachten wordt gedefinieerd, en hoe dit reservoir gemeten worden, is een door en door politieke kwestie, en hangt dus in vergaande mate van de concrete krachtsverhoudingen tussen de betrokken partijen.
Alle werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers worden berekend op basis van de weliswaar problematisch, maar niet geproblematiseerde categorie van de beroepsbevolking.
Het begrip 'informele economie' werd geboren in de Derde Wereld, uit een reeks studies over de stedelijke arbeidsmarkten in Afrika. De economisch antropoloog Keith Hart [1973] introduceerde de term in zijn ILO-verslag over kleine zelfstandigen in Accra en andere Afrikaanse steden. Hij hanteerde daarbij een dualistisch model van inkomenskansen van de stedelijke arbeidskrachten, dat grotendeels gebaseerd was op het verschil tussen loonarbeid en zelfstandigheid. Het begrip informele economie werd toegepast op de kleine zelfstandigen. Oorspronkelijk refereerde de term informele economie aan: (1) lage toegangsbarrières in termen van kwalificatie, kapitaal en organisatie, (2) familie-eigendom van ondernemingen, (3) arbeidsintensieve produktie met achterhaalde technologie, (3) kleinschalige werkwijze, (4) lage produktiviteitsniveaus en geringe kans tot accumulatie, en (5) ongereguleerde en competitieve markten. In talloze studies van het ILO en de Wereldbank werd informaliteit opgevat als een uitgesloten sector in minder ontwikkelde economieën: het verwees naar onvolledige werkgelegenheid en naar arbeiders die geen toegang konden krijgen tot de moderne economie. Deze negatieve karakterisering van de informele sector als overlevingsmechanisme in een situatie van onvoldoende formele werkgelegenheid werd door diverse auteurs bekritiseerd. Zij probeerden een meer positieve karakterisering te geven. Zij beschouwden de informele sector als uiting van verzet tegen de rigide commerciële marktstructuren, als teken van ondernemend initiatief van het gewone volk. Tegenwoordig wordt de informele sector meestal neutraler opgevat als het geheel van activiteiten van economische actoren welke buiten de gevestigde institutionele regels vallen resp. buiten de bescherming die deze regels bieden. In deze definitie wordt geen apriori oordeel gegeven over de vraag dergelijke activiteiten 'goed' of 'slecht' zijn.[80]
Er zijn in principe twee strategieën om het containerbegrip van de informele arbeid open te breken en te specificeren, namelijk door een institutionele en een functionele differentiatie. Het meest verstandige is echter om beide strategieën te combineren.
a) Institutionele differentiatie. Informele activiteiten kunnen worden gedifferentieerd door na te gaan hoe zij zich verhouden ten opzichte van bestaande institutionele regelingen. Vanuit het perspectief van de Nieuwe Institutionele Economie heeft Edgar Feige [1990:992] een nuttige indeling van de informele sector voorgesteld. Hij baseert zijn taxonomie op de institutionele regels die door specifieke economische activiteiten worden genegeerd. Met enige modificaties kan men zijn taxonomie van de 'onderwater economie' gebruiken om vier subvormen van 'niet-formele arbeid' te onderscheiden:
Figuur 2 Institutionele differentiatie van niet-formele arbeid

In werkelijkheid overlappen deze arbeidsvormen elkaar natuurlijk op veel punten. Informele arbeid is voor het merendeel ook niet-geregistreerde en niet-gerapporteerde arbeid.[81] Het belangrijkste onderscheid is dat tussen informele en illegale activiteiten. Illegale ondernemingen produceren en verhandelen meestal goederen of diensten die door de bestaande wetgeving als illegaal zijn bestempeld (produktie van harddrugs, handel in vrouwen), terwijl informele ondernemingen meestal legale goederen produceren en verhandelen (zoals kleding of voedsel). Illegale of criminele arbeid onttrekt zich aan elke institutionele regeling en is dus bijna per definitie tegelijkertijd ook niet-gerapporteerde, niet-geregistreerde en informele arbeid. Het onderscheid tussen formeel-legale en crimineel-illegale arbeid is natuurlijk relatief omdat het afhangt van de in een bepaalde maatschappij op een bepaald tijdstip heersende sociale en juridische definitie van wat illegale economische activiteiten zijn. Illegale arbeid is een vorm van inofficiële, niet-gerapporteerde maar wel betaalde arbeid. Het omvat niet alleen het produceren en verhandelen van hard- en softdrugs (cocaïne, opium, hasj, marihuana, XTC enz.), maar bijvoorbeeld ook het prostitutiewezen, de vrouwenhandel, het illegale gokken en de handel in gestolen goederen. De klassieke sectoren zijn die van de prostitutie, het gokwezen, de woeker, de porno en de wapenhandel. Illegale exploitatiepraktijken zijn de laatste decennia steeds sterker geconcentreerd op de uiterst lucratieve drugshandel. In de mate dat de georganiseerde criminaliteit de officiële staatsinstellingen heeft gepenetreerd, kan tegenwoordig soms nog meer verdiend worden met de aanbesteding op openbare werken, d.w.z. het zonder noemenswaardige tegenprestatie achteroverdrukken van overheidsgelden.[82]
Castells/Portes [1989:14] hebben het onderscheid tussen formele, informele en criminele economie en de relaties daartussen als volgt in kaart gebracht:
Figuur 3 Typen van economische activiteit

Het onderscheid tussen formele, informele en criminele arbeid heeft als zodanig niets te maken met de specifieke aard van de geproduceerde goederen of diensten, maar met de wijze waarop deze goederen en diensten worden geproduceerd en/of geruild. Overhemden kunnen zowel gemaakt worden door arbeiders die formeel in loondienst zijn van volledig legale ondernemingen, als door (al dan niet illegaal in een land verblijvende) arbeiders die zonder enige rechtsbescherming of sociale zekerheidsrechten in dienst zijn van illegaal opererende ondernemingen. Zo kunnen ook wapens volkomen legaal en zelfs met instemming en steun van regeringen worden geproduceerd en verhandeld door particuliere ondernemingen, maar ook door illegaal opererende criminele bendes.
b) Functionele differentiatie. In een functionele classificatie worden de informele activiteiten ingedeeld naar hun doelen. Portes/Castells/Benton [1989 - The Policy Implications of Informality] hebben laten zien wat het nut is van een functionele classificatie van informele activiteiten naar hun doelen. Zij maken een onderscheid tussen drie informele economieën: de overlevingseconomie, de afhankelijke exploitatie economie en de groei-economie.
Voor grote ondernemingen kan deze vorm van decentralisatie van de produktie winstgevend zijn. Hierbij spelen twee factoren een belangrijke rol. (1e) Op deze manier hoeft de onderneming alleen het centrale deel van haar produktieve proces te organiseren en te rationaliseren (technologisch-organisationele factor). (2e) Arbeiders binnen grote ondernemingen zijn beter in staat zichzelf in vakbonden te organiseren en eisen te stellen; in kleine bedrijfjes exploiteert de onafhankelijke ondernemer zichzelf en een paar - vaak vrouwelijke - arbeiders, wier lonen in de regel aanzienlijk lager liggen dan de regelingslonen en wier vakbondsorganisatie gemakkelijker kan worden onderdrukt (syndicale factor).[87] Gebruikmakend van de op wereldschaal bestaande grote verschillen in loonkosten heeft onderaanneming zich tot een internationaal verschijnsel ontwikkeld. Een groot deel van de radio's en televisies en een toenemend aantal auto's, boeken, speelgoed en zelfs de haute couture van de Franse modehuizen wordt tegenwoordig in landen als Zuid-Korea, Taiwan en de Fillipijnen geproduceerd [Worsley 1984:198 e.v. - The Three Worlds]. |
De opbrengst van deze zoektocht is bescheiden. De belangrijkste winst is ook in dit geval niet zozeer het direct tastbare resultaat (zoals een 'volledig nieuwe arbeidsdefinitie'), maar de gevolgde analytische strategie. De stapsgewijze ontcijfering en deconstructie van het arbeidsbegrip maakt het mogelijk om nauwkeuriger te laten zien waar de voetangels en klemmen liggen die moeten worden vermeden, en waar de echte problemen liggen die men juist niet uit de weg moet gaan. Arbeid blijft dus een lastig begrip. Gelukkig heeft dat sociale wetenschappers nooit weerhouden om arbeidsverhoudingen empirisch te bestuderen. Discussies over het arbeidsbegrip zijn hiervoor natuurlijk geen vervanging - zij kunnen wel bijdragen aan een precisering van de richting van empirische onderzoeksagenda's.
[5] Zie bijv. Offe [1985 - Work: The Key Sociological Concept?], Watson [1987:272 - Sociology, Work & Industry], WRR [1990:38 e.v. - Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren '90], De Coster [1994:16 e.v.].
[6] Sommigen spreken in dit verband terecht van een ongeëvenaarde periode van volledige werkgelegenheid [Pahl 1984:92], anderen van een 'gouden eeuw van volledige werkgelegenheid'. In de 19e eeuw verrichtte zo'n 50% van de actieve bevolking in Nederland onzelfstandige arbeid (d.w.z. loonarbeid). Na de Tweede Wereldoorlog steeg dit aandeel tot meer dan 70%. In 1960 liep die op tot 80%, in 1980 tot 85%, terwijl het tegenwoordig al meer dan 90% bedraagt. Zie voor recente gegevens over arbeidsparticipatie: SCP [1994 - Sociaal & Cultureel Rapport].
[7] Vgl. Benschop [1987:119 - Sociale ongelijkheid en klassen], Bader/Benschop [1988:24 - Ongelijk-heden].
[8] Vgl. Hall [1994: 6 e.v. - Sociology of Work].
[9] Zie voor een algemene historische analyse: Biggart [1994 - Labor and Leisure]. Zie het onderzoek en de schattingen van Gershuny [1983 - Goods, servives and the future of work], vgl. ook Watson [1987:267 e.v.].
[10] Het ontstaan van de zgn. vrijetijdsmaatschappij werd al in de jaren '60 aan de orde gesteld in een aantal spraakmakende boeken, zoals die van Dumazedier [1962 - Vers une civilisation du loisir?] en Fourastié [1966 - 40.000 uur; de mens in het perspectief van een verkorte arbeidstijd].
[11] "La travail demeure toujours l'objet d'une valorisation importante; bien peu de travaillerus toutefois accepteraient de travailler davantage qu'ils ne le font actuellement et l'on semble de moins en moins enclin à accepter que le travail empiète en quelque sorte sur les autres temps de la vie. Cela se manifeste notamment par une nette résistance à l'accroissement du temps passé au travail, ainsi que par la recherche d'un équilibre entre le temps consacré au travail, à la famille et au loisir" [Pronovost 1994b:101 - Loisir et travail].
[12] De rust- en hersteltijden die aan de arbeid gebonden zijn omvatten niet alleen de tijd die nodig is voor het uitrusten, slapen en de persoonlijke hygiëne, maar bijv. ook de reistijden van en naar het werk (die door het urbanisatie aanzienlijk zijn toegenomen), de huishoudelijke werkzaamheden, de om-, her- en bijscholingsactiviteiten.
[13] Zie voor een kritische verhandeling over de positie van arme kleine zelfstandigen in de Derde Wereldlanden: Gerry/Birkbeck [1981 -The petty commodity producer in Third World Cities]. Zij analyseren de posities van de formeel zelfstandige vuilnisophalers en verkopers van loterijtickets in Colombia. Het inkomen van de kleine zelfstandige vuilsnisophalers (die zonder mondeling of schriftelijk contract met vuilverwerkende industrieën opereren) is in zeer sterke mate afhankelijk is van de prijzen van de gerecyclede ruwe materialen. Deze prijzen representeren niets anders dan de prijs van de arbeidskracht van de vuilnisophaler op een gegeven tijdstip (zoals de relatieve grondrente door de landheer wordt berekend op basis van de vruchtbaarheid van het land van de pachtboer). De door de vuilnisophalers gegenereerde meerarbeid wordt in eerste instantie toegeëigend door de diverse indermediairs die in afvalmateriaal handelen, en met name door de grote bedrijven die uiteindelijk het voor hergebruik geschikte materiaal verwerken. De vuilnisophaler is dus niet veel meer dan een 'industrial outworker'. Het merendeel van deze schijnbaar zelfstandige producenten zijn in werkelijkheid niet veel meer dan 'vermomde loonarbeiders'. Vanwege de lage inkomenspositie, de afhankelijkheid van het kapitaal en het gebrek aan expansiemogelijkheden van grote categorieën van kleine zelfstandigen kunnen zij tot de categorie van de lompenkapitalisten worden gerekend. Zie voor een vergelijkbare analyse van de informle economie van 'depent exploitation' bij de vuilnishandel in New York: Waldinger [1986 - Through the Eye of the Needle]. Zie voor een analyse van verschuivingen in omvang en samenstelling van de zelfstandige middenklassen: Benschop [1993: 306 e.v. - Klassen].
[14] Het in een samenleving dominante arbeidsethos refereert aan de zingeving van de arbeid in het kader van een bepaalde opvatting van de menselijke aard en bestemming (d.w.z. van een bepaald mensbeeld). Zoals bekend beschouwde Weber de calvinistische arbeidsethiek als een belangrijke (relatief autonome) impuls voor de opkomst van het moderne kapitalisme en industrialisme. In deze ethiek wordt een sterke verbinding gelegd tussen het verrichten van werk en noties van persoonlijke waarde, zingeving en plicht: arbeid wordt in deze traditie als 'roeping' opgevat. Zie voor een korte interpretatie van Weber's controversiële bijdrage: Watson [1995: 101 e.v.]. Zie voor discussies over de herwaardering van de arbeidsmoraal: Rose [1985 - Re-working the Work Ethic], Achterhuis [1984 - Arbeid een eigenaardig medicijn], Gorz [1981 - Afscheid van het proletariaat], Meeuws [1989 - Wat betekent arbeid?].
[15] Uit een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt overigens dat arbeid nog steeds een van de meest waardevolle levensgebieden vormt. Van de vijf onderscheiden terreinen (vrije tijd, arbeid, religie, gezin en gemeenschap) neemt arbeid de tweede plaats in, weliswaar na gezin, maar duidelijk voor vrije tijd en de andere [SCP 1986:54 - Sociaal Cultureel Rapport 1980]. Het calvinistisch arbeidsethos is echter zeker geen specifiek Nederlandse aangelegenheid. Nederlanders scoren op het vlak van 'werkoriëntatie' laag; niet zo laag als Engelsen, maar lager dan West-Duitsers, Belgen, Israeli's, Amerikanen en Japanners [International Research Team 1987:84 - The Meaning of Work]. Uit dit en ander onderzoek blijkt ook dat Nederlanders in vergelijking met anderen over het algemeen een weinig materialistische houding hebben als het op werk aankomt: zij zijn vooral gesteld op plezierige werkomstandigheden. Zie voor een internationaal vergelijkend onderzoek naar de verspreiding van 'postmaterialistische' waarden: Inglehart [1990 - Culture Shift in Advanced Industrial Society]. Zie voor opvattingen over arbeid in Nederland en Europa: Zanders [1987 - Opinies over Arbeid] en Paoli [1992 - First European survey on the work environment]. Zie voor empirisch onderzoek naar de subjectieve waardering van arbeid: Hofstede [1980 - Culture's Consequences], Harding/Phillips [1986 - Contrasting Values in Western Europe], Voyé e.a. [1992 - Belges, heureux et satisfaits].
[16] Waarom arbeid een centrale categorie in het moderne sociale denken werd, is nauwelijks omstreden. Het was - zoals o.a. Mok [1994:21 e.v.] heeft laten zien - het gevolg van twee elkaar versterkende processen: ten eerste de verwereldlijking van de arbeid (vanaf de 16e euuw) en ten tweede van de vermaatschapplijking van de arbeid (vanaf de 19e eeuw). De discussie over de afnemende betekenis van arbeid concentreren zich op een geheel ander proces, nl. dat van individualisering van het arbeidsleven en i.h.b. op het tegenstrijdige karakter van de individualisering van de arbeid(sverhoudingen).
[17] Godelier [1980:165 - Work and its representations], Pahl [1984/92:18 e.v. - Divisions of Labour], Arendt [1958/94 - Vita Activa], Anthony [1977 - The ideology of work], Tilgher [1958 - Homo Faber].
[18] Gr. ponos; Lat.: arare; Hebr. avodah; Nhd.: arjan; Slav.: orati. De Grieken hadden geen algemeen woord voor arbeid, maar gebruikten drie specifieke woorden: ponos (moeizame of vermoeiende activiteit), ergon (militaire of agrarische taak) en techne (techniek). Het Hebreeuwse woord voor arbeid, avodah, heeft dezelfde stam als eved, wat slaaf betekent.
[19] Vgl. Kluge [1900:21] - Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache], Herkner [1923: 272 - Arbeit und Arbeitsteilung], Conze [1972:154 - Arbeit].
[20] Van Veen/Van der Sijs [1991:68 - Van Dales Etymologisch Woordenboek], Arendt [1958/94:338 - Vita Activa].
[21] Zowel in het Frans, Engels als Duits zijn de zelfstandige naamwoorden oeuvre, work, Werke in de loop der tijd steeds meer gebruikt om een kunstwerk aan te duiden.
[22] Deze minachting voor arbeid was niet zozeer een minachting voor lichamelijke arbeid als zodanig, maar voor het arbeider zijn: mensen die moeten werken voor hun bestaan zijn net als dieren gebonden aan de noodzakelijkheid. "De opvatting dat arbeiden en werken in de oudheid werden geminacht omdat slechts slaven dit deden, is een vooroordeel van moderne historici. De ouden redeneerden net andersom en voelden zich genoodzaakt slaven te houden omdat zij alle werk dat verricht moest worden ter voorzining in de noodzakelijke levensbehoeften, als slavenarbeid beschouwden. ... Het instituut van de slavernij was in de oudheid niet, zoals wel in latere tijden, een middel tot het verkrijgen van goedkope arbeidskracht of tot exploitatie van de medemens uit winstbejag, maar veeleer een poging om lichamelijke arbeid als een van de voorwaarden van het menselijk bestaan uit te schakelen. Wat mensen gemeen hebben met alle andere vormen van dierlijk leven, werd als nog niet 'menselijk' beschouwd" [Arendt 1958/ 94:88 - Vita Activa].
[23] Zie voor de tegenstelling tussen het schone en het noodzakelijke en nuttige: Aristoteles [Politeia 1333a30 e.v., 1332b32]. Het 'schone' is een wijze van leven dat betrokken is op dingen die niet absoluut noodzakelijk noch louter nuttig zijn: (a) het epicuristische leven van de zintuiglijke geneugten, de levenskunst die weet te genieten van het schone, zoals het is gegeven; (b) het leven gewijd aan de zaken van de polis, waarin men uitblinkt door schone daden; (c) het leven van de filosoof, gewijd aan het onderzoek van en de contemplatie over eeuwige dingen, welker eeuwigdurende schoonheid niet kan worden opgeroepen door de mens, noch veranderd door het gebruik ervan.
[24] Vgl. Finley [1985 - The Ancient Economy; 1963/77 - The Ancient Greeks], Conze [1972:155-8 - Arbeit].
[25] Het Griekse woord schole betekent dus niet eenvoudig vrije tijd, maar vrijstelling van politieke activiteit. Het woord werd echter ook gebruikt om aan te geven dat men niet behoeft te werken en vrij is van zorgen voor het dagelijkse bestaan.
[26] In de Christelijke traditie wordt een 'stichtelijke' waarde aan de arbeid toegekend. De vroegchristelijke arbeidsopvatting versmolt met de antieke arbeidsopvatting en bevestigde deze schijnbaar ('arbeid' = 'zware last'), maar stelde ze tegelijkertijd ter discussie. De spanning die daaruit voortvloeide was bepalend voor het arbeidsbegrip in christelijk Europa tot aan de moderne revolutie. De vooraanstaande denkers van de katholieke kerk, zoals Thomas van Aquino waren weliswaar sterk beïnvloed door de Griekse traditie, maar er ontstond ook "a doctrine ... which gave a role for work in the Christian scheme of things whereby it was seen as a penance arising from the fall and orgininal sins" [Watson 1995:114]. Vgl. ook: Ovitt [1986], Meeuws [1989:24].
[27] Natuurlijk moet deze tijdsaanduiding niet al te absoluut worden genomen - er waren incidenteel al eerder positieve waarderingen van de arbeid. Een voorbeeld hiervan is Thomas a Kempis, die in 1410 schreef: "Was suchst du nach Ruhe, da du zur Arbeit geboren bist?- Ohne Arbeit gelangst du nicht zur Ruhe, ohne Kampf nicht zum Sieg" [geciteerd bij Negt 1983:42]. In het algemeen kan men echter stellen dat in het Westen pas aan het einde van de middeleeuwen een radicaal andere houding tegenover de arbeid doorbreekt.
[28] Volgens Luther is de arbeid, ook al is zij zuivere kwelling, verankerd in de natuur van de mens: "Der Mensch ist zur Arbeit geboren wie der Vogel zum Fliegen".
[29] In een nauwkeurige reconstructie van het ontstaan moderne arbeidsbegrip zou niet vergeten mogen worden aandacht te besteden aan het werk van John Locke, die in zijn Two Treatises of Government [1690] de eerste lans breekt voor opvatting dat arbeid als grondslag van eigendom fungeert. God had weliswaar aan de mensen de aarde en alle schepselen in bruikleen gegeven, maar elke mens heeft ook een particulier eigendom in zijn persoon, d.w.z. in de 'arbeid' van zijn lichaam en in het 'werk' van zijn handen. Het door arbeid verworven eigendom is niet wederrechtelijk, maar juist een uitvloeisel van het meest onvervreemdbare recht, nl. het natuurrecht. Niemand anders heeft recht op de arbeidsprodukten dan de persoon die deze daadwerkelijk heeft voortgebracht. Locke besefte overigens wel dat zijn theorie niet alle feitelijk bestaande particuliere eigendommen kon rechtvaardigen; en omgekeerd besefte hij ook dat niet elke arbeid ook recht op eigendom van het arbeidsprodukt met zich meebrengt. Voor Locke was arbeid iets heiligs, even heilig als de eigendom die daaruit voortvloeide: de mens heeft een natuurlijk recht op de door zijn arbeid geschapen eigendom. Dit axioma stond echter vanaf het begin in tegenspraak met het eigendomsrecht van de burgerlijke klassen, dat hij juist wilde legitimeren en garanderen. Locke schreef zijn verhandeling een jaar na de 'glorious revolution', waarbij de Engelse burgerij zowel staat als maatschappij naar haar eigen hand had gezet, honderd jaar vóór de Franse hetzelfde zou doen.
[30] De waardeleer van Smith bevat een aantal tegenstrijdigheden die hier buiten beschouwing moeten blijven. Onder 'waardebron' verstaat hij de moeite en inspanningen van de werkende zelf, dus het 'offer' dat gebracht moet worden om een produkt te maken. Hierop werd later aangesloten door de grensnutstheoretici - met de variant van de zgn. grensoffertheorie in de leer van de arbeidsmarkt.
[31] Zie voor een reconstructie van het arbeidsbegrip van de klassieke economen: Johler/Sichtermann [1978].
[32] Marx verving de tradionele definitie van de mens als een animal rationale door de definitie van de mens als een animal laborans. De eerste historische daad van deze individuen waardoor zij zich van de dieren onderscheiden, is niet dat zij denken, maar dat zij beginnen hun bestaansmiddelen te produceren [Marx/Engels, Duitse Ideologie, p. 21]. Deze zinsnede is weliswaar uit de Duitse Ideologie geschrapt, maar de gedachte zelf komt in diverse bewoordingen in uiteenlopende teksten voor.
[33] In zijn economische analyses sloot Marx kritisch aan bij de arbeidswaardetheorie van Ricardo. De arbeidswaardetheorie fungeert bij Marx als grondslag voor zijn theorie van de uitbuiting en klassenverhoudingen.
[34] Volgens het oude adagium van Quesnay: la plus grande diminution possible de travail pénible avec la plus grande jouissance possible.
[35] Ik gebruik hier nadrukkelijk het begrip gebrek of nood en niet schaarste. In de klassieke burgerlijke en neo-klassieke economische theorie wordt verondersteld dat de schaarste van bronnen en beloningen een eeuwige natuurnoodzakelijkheid is. Bronnen en beloningen zijn echter niet per definitie schaars, maar worden alleen in relatie tot de historisch en maatschappelijk bepaalde behoeften en belangen als schaars ervaren en gedefinieerd. Schaarste moet dus duidelijk worden onderscheiden van nood of gebrek: ook het kapitaal van de helemaal niet #145;noodlijdende rijke kapitalist en het prestige van de beroemde wetenschapper zijn schaars [Bader/Benschop 1988:69 - Ongelijk-heden]. Nood of gebrek is alleen een onveranderlijk gegeven wanneer men het reduceert tot het bestaansminimum dat noodzakelijk is voor het fysieke overleven. In dat geval begint gebrek waar een existentiële grens wordt overschreven waarbeneden geen individuele of generationele reproduktie van het fysieke menselijke leven meer mogelijk is. Armoede is daarentegen een door en door historisch en relationeel begrip.
[36] De grote historicus Jan Romein beweerde dat zich in de loop van eeuwen de opvattingen omtrent de arbeid in West-Europa evolueerde van zinledig-in-zich-zelf tot zinvol, van bijkomstig tot onmisbaar en van kwaad tot goed en noemt het een wonder dat de mensen hier de arbeid op den duur heeft leren waarderen, niet meer als middel om in leven of evenwichtig te blijven of om winst te maken, maar als doel-in-zich-zelf, dat als onafscheidelijk deel van het leven zelf werd nagestreefd [Romein 1952/71:462]. Dit is m.i. niet weinig overdreven: de negatieve waardering van arbeid als noodlot, als offer en als zinledig-in-zich-zelf spelen tot op de dag van vandaag nog een uiterst belangrijke rol.
[37] Het hanteren van restrictieve arbeidsdefinities is geen handelskenmerk van burgerlijkearbeidssociologen. Ook een radicaal als André Gorz hanteert een uiterst restrictieve arbeidsopvatting. Hij definieert arbeid als een betaalde activiteit die wordt verricht voor rekening van een derde [Gorz 1987:220].
[38] Tony Watson merkt wel op dat deze definitie niet zo simpel en rechtlijnig is als het op het eerste gezicht lijkt. Uit zijn toelichting blijkt echter dat hij de definitie toch in deze vorm overeind wil houden. In de arbeidssociologie, -psychologie, -fysiologie of in de economische analyses van arbeid worden meestal slechts bepaalde aspecten van de arbeid opgepakt en definitorisch vastgelegd. Maar de centrale vraag, wat arbeid is, wordt meestal onkritisch als vanzelfsprekend verondersteld, of zij wordt als metafysische vraag buiten het wetenschappelijk discours verbannen. De gangbare sociologische arbeidsdefinities geven meestal een algemene beschrijving van de arbeidsprestaties of arbeidshandelingen, maar gaan aan de eigenlijke problematiek voorbij. Een exemplarisch voorbeeld hiervan is de arbeidsdefinitie van Friedman [1960: 685 - Q'est-ce que le travail?]. Hij definieert arbeid als lensemble des actions que lhomme, dans un but pratique, à laide de son cerveau, de ses mains, doutils ou des machines, exerce sur la matière, actions qui, à leur tour, réagissent sur lhomme, le modifient. Georges Friedman is - samen met Pierre Naville - een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Franse sociologie du travail-traditie.
[39] Ook Gershuny/Pahl [1979:128 - Work outside employment] pleiten voor een verbreding van het arbeidsbegrip om greep te krijgen op een veel bredere reeks activiteiten dan die normaal in deze context worden besproken.
[40] Ik weersta op dit punt de verleiding het hier uitgewerkte arbeidsbegrip af te bakenen van de wijze waarop andere auteurs met het arbeidsbegrip zijn omgesprongen. Ik ga dus niet in op Karl Marx (die arbeid definieerde als stofwisselingsproces tussen mens en natuur), Jürgen Habermas (wiens uiteenzetting draait om het analytische onderscheid tussen arbeid en interactie) of op Hanna Arendt (die een onderscheid maakt tussen arbeiden, werken (poiesis) en handelen (praxis)).
[41] Een vergelijkbare strategie werd door Marx gehanteerd. Hij analyseert eerst de algemene kenmerken van het arbeidsproces, vanuit het standpunt van het eenvoudige arbeidsproces. In deze analyse wordt geabstraheerd van de historisch specifieke maatschappelijke vormen van de arbeid, dat wil zeggen van de maatschappelijke verhoudingen waaronder gewerkt wordt. Deze notie van de arbeid sans phrase is een methodisch nuttige abstractie omdat zij een ingang biedt voor de analyse van de elementen waaruit arbeid is samengesteld, zodat daarna de differentia specifica van de kapitalistische arbeid kan worden vastgesteld. Vgl. Marx [MEW 23: 192 e.v., 531; Grundrisse: 10].
[42] Ik zeg 'meestal' omdat het resultaat van dienstverlenende arbeid zeer vaak niet langer duurt dan de arbeidshandeling zelf. Zie par. 3.2.3.
[43] De term animal laborans staat in tegenstelling tot de klassieke opvatting van de mens als animal rationale ('denkend dier'). Zij staat echter ook in contrast met de term homo faber. De animal laborans voorziet met zijn lichaam en de hulp van gedomesticeerde dieren in de levensbehoeften, is heer en meester van alles wat leeft, maar blijft onderworpen aan natuur en aarde. De homo faber is de schepper van het menselijk kunstprodukt, een 'aanrander van de natuur', een 'maker van werktuigen'. Dit 'toolmaking animal' (Benjamin Franklin) werpt zich niet alleen op als heer en meester over de natuur, maar is ook meester over zichzelf en zijn eigen produktieve daden. Hannah Arendt verbindt hieraan het onderheid tussen arbeid en werk: het arbeiden van animal laborans wordt gecontrasteerd met het werken van de homo faber [Arendt 1958/94: 89, 138, 142, 150 - Vita Activa].
[44] Neemt men deze definitie letterlijk dan kan subsistentiearbeid niet meer als arbeid worden opgevat: op zelfvoorziening gerichte activiteiten hebben immers per definitie geen 'value for other people'.
[45] Ook de arbeidsdefinitie van Albert Mok is te weinig afgebakend en slordig. Hij definieert arbeid als "het verrichten van bezigheden die nut hebben voor degene die de arbeid verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/of voor de maatschappij als geheel" [Mok 1994:37]. Hij onderkent dat met deze definitie de arbeidsbezigheden niet precies zijn af te grenzen van vrijetijdsbezigheden en dat bovendien onduidelijk blijft welk soort nut (economisch, sociaal of psychisch) bedoeld wordt. Voor Mok is dit echter geen voldoende reden naar een andere definitie te zoeken. Hij draait er zelfs zijn hand niet voor om het beroven van banken arbeid te noemen, omdat dit 'nuttig voor het individu' is dat de bank berooft. Om dergelijke absurde consequenties te vermijden zou hij zijn arbeidsdefinitie niet alleen op de twee genoemde punten moeten reviseren. Hij zou ook moeten verduidelijken wát er onder 'nut' verstaan moet worden (ruilwaarde?, gebruikswaarde?, grensnut? enz.). Bovendien schuilt er een enorm probleem in zijn 'en/of' formule, d.w.z in zijn suggestie dat menselijke bezigheden arbeid zijn wanneer zij maar enig 'nut' hebben voor het betreffende individu dan wel voor 'de maatschappij'. Met zo'n formulering kan men alle kanten uit. Als ik mijn neus snuit, dan is dat is dat voor mij nuttig - maar is het daarom al arbeid? En waarom zou dit snuiten ook niet voor 'de maatschappij' nuttig zijn - zolang niet duidelijk is wie of wat kan vaststellen wat 'nuttig voor de maatschappij' is? Tenslotte: waarom zou onder bepaalde condities het beroven of onteigenen van alle grote bankkapitalen geen weldaad voor 'de maatschappij' kunnen zijn?
[46] Hoe men het ook draait of keert: het waardebegrip heeft zowel economische als ethische connotaties. 'Economische waarden' wordt meestal opgevat als uitdrukking van maatschappelijk noodzakelijke arbeid of van specifieke grensnutsbepalingen. 'Ethische waarden' worden meestal opgevat als uitdrukking van morele principes zoals het recht op leven, rechtvaardigheid, vrijheid, zelfbepaling of autonomie.
[47] Ik herneem hier de uiteenzetting in: Bader/Benschop [1988:94-5, 118-22 - Ongelijk-heden] en Benschop [1993: 143 e.v. - Klassen].
[48] Deze opsomming is gebaseerd op een functionele en/of empirische differentiatie van behoeften, activiteiten en verhoudingen. Deze differentiatie is uitvoerig beargumenteerd in Bader/Benschop [1988: 98-128 - Ongelijk-heden].
[49] 'Dienst' is een slecht afgebakend containerbegrip dat meestal fungeert als een negatief gedefinieerde restcategorie: alle arbeidsvormen die niet direct resulteren in een materieel produkt [Benschop 1993:290 e.v. - Klassen]. Daarom zijn er ook nog weinig bruikbare indelingen voor de verschillende typen diensten voorhanden. De meest grove indeling is die tussen (a) persoon- of gemeenschapsbetrokken diensten, en (b) op goederen of zaken betrokken diensten. Binnen deze tweedeling zou men de 'zakelijke dienstverlening' zo breed kunnen opvatten dat hieronder ook alle vormen van verhuur en leasing kunnen worden gerangschikt: verhuur van huizen en tenten, van auto's en caravans, van fietsen en boten, van fietsenstallingen en parkeergarages, van televisies en videobanden, van gereedschappen en computers, van tennis- en golfbanen, van feest- en carnavalkleding.
[50] Een voorbeeld hiervan is de definitie in het overigens uitstekende boek van Lewenhak [1992: 16 - The Revaluation of Women's Work]: "Work comprises all activities which people carry on in order to live". Deze omschrijving is even oeverloos als die van de oude klassieke economen: 'any effort to satisfy wants'. Met zo'n 'definitie' ben je al aan het werk als je met je geliefde ligt te vrijen. Wanneer elke menselijke activiteit als 'arbeid' wordt genoemd dan verdwijnt ook de arbeidssociologie in 'een sociologie van alles'.
[51] De 'krijgsarbeid' heeft zich als een der eersten uitgedifferentieerd tot een beroep. Dat gebeurde niet alleen in legale vormen (zoals bij militairen en politieagenten), maar ook in illegale vormen (zoals bij rovers, muiters en misdaadsyndicaten).
[52] Daaruit zou men echter niet zo snel de conclusie moeten trekken dat het daarom beter is over dit onderwerp te zwijgen. Voor sommige sociologen is zo'n zelfdestructieve positie kennelijk nog steeds aantrekkelijk. Bijv. voor Mok [1994:9 - Arbeid, bedrijf en maatschappij]: "De grens tussen arbeid en vrije tijd is vaag en hoe minder men erover zegt hoe beter. Hoewel we er twee begrippen voor hebben, wil dat nog niet zeggen dat arbeid en vrijetijd ook in de werkelijkheid te scheiden zijn."
[53] Dat is de manier waarop klassieke en klassieke economen geprobeerd hebben het arbeidsbegrip af te bakenen. Het (neo)klassieke voorbeeld is Alfred Marshall [1890 - Principles of Economics]: "All labour is directed towards producing some effect. For though some exertions are taken merely for their own sake, as when a game is played for amusement, they are not counted as labour. We may define labour as any exertion of mind or body undergone partly or wholly with a view to some good other than the pleasure derived directly from the work". Traditioneel werd vrije tijd altijd in twee opzichten als residu gedefinieerd: als residu van arbeid en als residu van wat 'noodzakelijk' is. Hierdoor kreeg vrije tijd twee negatieve bepalingen: vrije tijd = niet-arbeid, en vrije tijd = niet noodzakelijk ('luxe').
[54] Vgl. mijn kritiek in: Benschop [1983 - Het moeizame afscheid van het proletariaat].
[55] Zie voor een historisch-sociologische analyse van de scheiding tussen arbeidstijd en vrije tijd: Pronovost [1989, 1994a, 1994b], en voor de daaraan gekoppelde sociale identiteiten: Surber [1983].
[56] Zie voor een algemene historische schets van deze ontwikkeling: Prost [1990:19 e.v. - Grenzen en ruimte van het persoonlijke], Biggart [1994 - Labor and Leisure]. Zie voor jagers-verzamelaarsmaatschappijen: Sahlins [1972 - Stone Age Economics]. Voor zgn. primitieve samenlevingsverbanden heeft de antropoloog Malinowski [1922 - Argonauts of the Western Pacific] laten zien dat er voor de bewoners van het Trobiand-eiland geen scheiding tussen werk en vrije tijd bestond. Le Goff [1980 - Time, Work and Culture in the Middle Ages] geeft inzicht in de vroegste pogingen om een 'arbeidsdag' tot stand te brengen in de 14e eeuwse steden; Thomphson [1967] en Cunningham [1980 - Leisure in the Industrial Revolution] doen hetzelfde voor het ontstaan van de Engelse industriële revolutie. Vgl. ook Grint [1991:12 e.v. - The Sociology of Work] voor arbeid buiten de Westerse hemisfeer.
[57] Telethuiswerk als vorm van flexibel werken in een slanke organisatie wordt oa. beschreven door Skyrme [1995 - Flexibel werken]. Aan de hand van Digital Equipment laat hij zien hoe ook bij het verrichten van arbeid de begrenzingen van tijd en afstand worden doorbroken. Het 'werken op afstand' kan verschillende vormen aannemen: (1) onafhankelijk van plaats (nomade), (2) kantoorwerk op afstand (telewerk vanaf het platteland), en (3) gespreide werkteams (meervoudige locatie).
[58] Beroepstellingen geven geen juist beeld van de omvang van de vrouwelijke beroepsbevolking. De grootste foutmarges doen zich voor bij de tellingen van (i) meewerkende vrouwen in landbouw en detailhandel, (ii) arbeid in huisindustrie, (iii) huishoudelijke diensten (wasvrouwen, werksters), en (iv) onbtaalde huishoudelijke arbeid. Vgl. Van Eyl [1994:36 e.v.]. Zie voor de theoretische en operationele problemen van het identificeren en kwantificeren van huishoudelijke arbeid: Benería [1988 - Conceptualizing the Labour Force].
[59] Zie voor een internationale vergelijking van vrouwenarbeid: Boserup [1970 - Women's Role in Economic Development], Lewenhak [1982 - The Revaluation of Women's Work], en voor vrouwenarbeid in Nederland: De Bruijen [1988 - Haar werk], Plantenga [1993 - Een afwijkend patroon], Van der Lippe [1993 - Arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen]. Vanuit historisch-sociologisch perspectief: Burns [1977 - The Household Economy] en vanuit feministisch perspectief: Delphy/Leonard [1992 - Familiar Exploitation]. Zie voor een kritische waardering van de baanbrekende studie van Boserup: Benería/Sen [1988 - Accumulation, reproduction and women's role in economic development].
[60] Vanuit feministisch-antropologisch perspectief zijn deze kwesties helder onder woorden gebracht door o.a. Moore [1988:43 e.v. -Feminism and Anthropology].
[61] Het traditionele boerenbestaan is bij uitstek een gebied dat (grotendeels of minstens gedeeltelijk) buiten de markt blijft. Het is de zone van het eigengebruik, de zelfvoorziening, waar men op zichzelf is aangewezen. De boeren leven van wat ze eigenhandig produceren of wat de van de buren kunnen krijgen in ruil voor levensmiddelen of diensten. Natuurlijk kwamen zij wel in groten getale naar de markt van de grote of kleine stad. "Maar de boeren die er alleen maar het onmisbare ploegijzer te kopen en door de verkoop van eieren, boter, een paar kippen of wat groenten aan geld proberen te komen waarmee ze hun belangstigen en cijnzen kunnen betalen, zijn niet werkelijk verbonden met de handel op de markt" [Braudel 1979/89 II:45 - Beschaving, economie en kapitalisme].
[62] Door onteigening van de afzonderlijke arbeiders van het bezit van zakelijke arbeidsmiddelen wordt ook volgens Weber "de mogelijkheid [geschapen] van een straffe arbeidsdiscipline en daardoor prestatiecontrole en daardoor standaardisering van de produkten..." [Weber WG: 78].
[63] Biggart [1994: 677 - Labor and Leisure],Wilensky 1966:125 - Work as a social problem]
[64] Een fabrikant van hoeden en petten uit New Yersey merkte in 1836 trots op dat hij eindelijk over aantal goede, regelmatige werklieden kon beschikken die niet besmet waren met 'de lepra van de blauwe maandaggewoonte' en 'de morele kanker van vakbondsprincipes' [geciteerd door Gutman 1988:129].
[65] Dit is wat Weber huishouden noemt: "het continue gebruik en voortbrenging van goederen, door produktie of door ruil, door een economische eenheid gericht op consumptie (verzorging van eigen levensonderhoud) of op de voortbrenging van andere goederen voor consumptie" [Weber WG:46]. Tot ver in de 19e eeuw bestond er nog een andere relatie tussen 'werk' en 'vrije tijd' en tussen loonarbeid en subsistentiearbeid. De belangrijkste kenmerken van het werk en van de arbeiders voor de opkomst van het fabriekssysteem werden door Kumar [1988:147] als volgt beschreven: "work was regulated by the task, rather than by time; bouts of intense labour alternated with long periods of idleness; the irregularity of the workday pattern imposed by the task was heightened by the irregularity of the working week and the working year; 'Saint Monday' and often 'Saint Thuesday' were piously honoured; and the summer season of the year, often for as long from June to October, was given over to agricultural and farming activities as against the manufacturing work carried on during the rest of the year. The keynote throughout is irregularity: of time, of effort, of the payment of wages by employers, who often delayed for two or three months before paying for completed pieces of work". Het was niet zozeer de lengte van de fabrieksdag, maar de regelmatigheid ervan die contrasteerde met de traditionele huisindustrie ('cottage labour system').
[66] Voor een algemene karakterisering van pre-industriële arbeidsconventies: Thomas [1964 - Work and leisure in pre-industrial society], Kumar [1979/85 - The social culture of work] en in het bijzonder de schitterende analyse van: Thompson [1971 - The moral economy of the English crowd in the 18th century]. Vgl. ook Benschop [1993:461 - Klassen].
[67] De overheid verplichtte zichzelf tot het voorkomen dat armen zoudeen verhongeren en plaatste hen in workhouses waarvan de omstandigheden met opzet miserabel waren. Zie voor een uitvoerige analyse van het ontstaan en de werking van de Poor Law: Oxley [1974 - Poor Relief in England and Wales 1601-1834] en de samenvattende beschouwingen van Bendix [1956:92-9 - Work and Authority in Industry] en Kumar [1988:136- e.v. - From Work to Employment and Unemployment].
[68] Ik herhaal nog maar eens een eerdere stelling, maar nu in de woorden van Pahl [1984/92:128]: "Work can be understood only in relation to the specific social relations in which it is embedded... The word 'work' cannot be defined out of context." Vgl. Van Strien [1980:16], Grint [1991: 7, 12, 45].
[69] Ook Ronco & Peattie benadrukken dat het verschil tussen 'arbeid' en 'hobby' niet inherent is aan de activiteit, maar dat dit tot stand komt door de sociale context waarin de activiteit wordt uitgevoerd. De sociale arrangementen die de activiteit structureren, zijn mede bepalend voor haar sociale betekenis. "It thus turns out that the categories of 'work' and 'hobby' are fuzzy categories. They are not defined by the inherent nature of the task to be performed. They are not defined by a clear differentiation of the motives with wich the activity is performed. Nor is there an evaluative standard that clearly differentiates the two" [Ronco/Peattie 1988: 718- Making work]. Wat geldt voor arbeid geldt ook voor vrije tijd: vrije tijdsactiviteiten ontlenen hun structuur en betekenis aan hun relaties met andere sociale praktijken [Butch 1990:9 - For Fun and Profit].
[70] Vgl. Joyce [1987 - The Historical Meanings of Work]. Het woord 'arbeid' heeft geen universeel-objectieve of transcendente betekenis. De taal van de arbeid en de discussies over arbeid zijn symbolische representaties waarmee sociale betekenissen en belangen worden geconstrueerd en gearticuleerd. De betekenissen van arbeid zijn dus niet inherent aan de observeerbare arbeidspraktijken, maar worden door rivaliserende interpretaties en referentiekaders gegenereerd en getransformeerd. "In essence, work is a socially constructed phenomenon without fixed or universal meaning across space and time, but its meanings are delimited by the cultural forms in which it is practised. Some cultures do not distinguish between work and non-work; others distinguish between work and leisure; still others by reference to employment as a particular category of work" [Grint 1991: 46].
[71] Hall laat hier, en op andere plaatsen in het midden wat men onder deze 'value' moet verstaan (dit is zeer duidelijk op p. 13). Bovendien beperkt Hall arbeid ten onrechte tot de voortbrenging van goederen en diensten voor anderen, waardoor hij zich in een klap ontdoet van alle vormen van huishoudelijke en subsistentiearbeid (zie eerder noot 44).
[72] Vgl. Bader/Benschop [1988:73 - Ongelijk-heden], Benschop [1993:342, 358 e.v - Klassen].
[73] Men kan huishoudelijke activiteiten duiden als 'werk', als 'vrije tijd', als 'individuele reproduktie' of als iets anders. Dat is niet afhankelijk van de activiteiten zelf, maar van de wijze waarop we dergelijke actviteiten 'lezen', d.w.z. van het cognitieve duidingspatroon waarvan we gebruik maken. Omdat onze perspectieven verschillend zijn, veranderen ook de activiteiten: we construeren de activiteiten doordat we gebruik maken van een bepaald cognitief duidingspatroon. Hierdoor ontstaan feitelijke verschillen in onze waarnemingen: we 'zien' niet meer dezelfde activiteiten. Het waarnemingsschema dat we hanteren selecteert wat we wel zien en wat we niet meer zien (of in ieder geval niet meer bewust waarnemen).
[74] Deze prestigehiërarchiën en de daaruit voortvloeiende prestigekansen zijn een belangrijk onderdeel van geïnstitutionaliseerde normatieve gedragsverwachtingen. Bij de waarderende vergelijking van de eigen arbeidspositie (en van de eigen habitus en levensstijlen) met die van anderen, moet een onderscheid worden gemaakt tussen de positie die men feitelijk in de prestigehiërarchie inneemt en de subjectieve waardering van de eigen arbeidspositie. Voor algemene en beroepsprestigehiërarchieën is dit uitgewerkt in Bader/Benschop [1988: 150-63]. De grote zwakte van de marxistische traditie is dat zij prestigehiërarchiën en -kansen als 'louter subjectief' heeft afgedaan en daarom nooit vat kreeg op de uitwerkingen van prestige-ongelijkheid op de collectieve habitus, collectief bewustzijn en collectief handelen.
[75] Vgl. Scott [1985:305 - Weapons of the Weak] en Benschop [1993:460 e.v. - Klassen].
[76] Zie voor analyses van het 'corporate terrorism' in de VS: Fantasia [1988: 39 e,v, - Cultures of Solidarity], Bendix [1956: 268 e.v. - Work and Authority in Industry]. De Amerikaanse arbeidsgeschiedenis staat alom bekend om zijn bijzonder gewelddadige karakter. Ondernemers probeerden de vakbeweging systematisch te breken met behulp van federale troepen, de National Guard, Pinkertons, particuliere militias, en ingehuurde misdadigersbendes. Om 'de wil van het kapitaal' kracht bij te zetten werd regelmatig gebruikt gemaakt van militair en paramilitair geweld: rebellerende arbeiders werden in de gevangenis opgesloten, afgetuigd en gelynched. Tegenwoordig wordt de solidariteit van de arbeidersklasse voornamelijk tegengegaan door middel van spionagenetwerken, het praktisch en juridisch breken van stakingen en propaganda-campagnes voor vakbondsvrije ondernemingen ('open-shop'). De Amerikaanse ondernemers leggen zich vooral toe op het met behulp van formele procedures laten verbieden vakbonden. De formele procedures voor 'union decertification' werden ingevoerd onder de Taft-Hartley wet van 1947. Door deze wet werden alle effectieve vormen van solidariteit en georganiseerd protest illegaal verklaard. Ondernemers roepen tegenwoordig de hulp in van zo'n duizend advokatenkantoren en adviesbureaus die zich gespecialiseerd hebben in de vernietiging van bestaande vakbonden en de onderdrukking van hun opvolgers. Uit onderzoek blijkt dat zij daarin zeer succesvol zijn. Zij verdienen jaarlijks honderden miljoenen dollars aan het buitenspel zetten van lokale vakbonden. De strategieën en tactieken van de moderne Pinkertons worden beschreven door Chernow [1980 - The New Pinkertons], Georgine [1980 - From Brass Knuckles to Briefcases ].
[77] Deze versmalling van het arbeidsbegrip werd ook al door Marx geconstateerd in zijn analyse van de wijze waarop 'produktieve arbeid' fungeert onderkapitalistische verhoudingen. Het volgende citaat laat zien wat de stootrichting is van zijn argumentatie: "Slechts de burgerlijke bekrompenheid, die de kapitalistische vormen van de produktie voor de absolute vormen ervan laat doorgaan - en daarmee voor eeuwige natuurvormen van de produktie - kan de vraag wat produktieve arbeid vanuit het standpunt van het kapitaal is, verwisselen met de vraag, welke arbeid überhaupt produktief is of wat produktieve arbeid überhaupt is, en zich daarom zeer wijs dunken met te antwoorden, dat iedere arbeid, die überhaupt iets produceert, in iets resulteert, daardoor vanzelf produktieve arbeid is. Alleen die arbeid, die zich direct in kapitaal omzet, is produktief" [Marx, MEW 26.1:368 e.v. - Theorien über den Mehrwert, deel I].
We gaan hier niet verder in op het verschil tussen het op de kapitalistische arbeidswijze toegesneden arbeidsbegrip in Marx' kritiek op de politieke economie en de schone eenvoud van neoklassieke economie. Bij Marx vindt men een zeer verfijnde analyse van elementaire aspecten van de arbeid: concrete & abstracte, nuttige & waardevormende, private & maatschappelijke, individuele & algemene, eenvoudige & gekwalificeerde, noodzakelijke & meerarbeid, dode & levende arbeid. En men vindt vooral een kritisch onderscheid tussen arbeid en arbeidskracht: arbeid schept waarde, arbeidskracht heeft waarde, en wel gebruiks- en ruilwaarde. In de neoklassieke economische theorie wordt arbeid een black box, het figureert slechts als een van de drie 'produktiefactoren'. De neoklassieken spreken altijd over de waarde, prijs en ruil van 'arbeid' en hebben derhalve weinig benul van de problemen van de omzetting van arbeidskracht in arbeid, van motivering en verzet, van controle en 'paradoxes of discretion'; kortom van alles wat binnen kapitalistische arbeidsorganisaties plaatsvindt.
[78] Zie o.a. berekeningen die gepresenteerd werden op de Nairobi-conferentie van de Verenigde Naties: Report of the UN Secretary-General [1985/9 - World Survey of the Role of Women in Development] en het overzicht van Lewenhak [1992:7 e.v., 226 e.v.]. Zie voor een kritiek op de exclusie van huishoudelijke arbeid van de nationale rekeningen: Delphy/Leonard [1992: 90]. Sommige economen proberen inmiddels huishoudelijke arbeid in hun schattingen van het BNP te verwerken. Het is echter niet eenvoudig om vast te stellen wat de omvang is van het huishoudelijk werk en wat hiervan de waarde is. Er zijn in principe twee soorten schattingen mogelijk. (1e) Men kan een schatting maken van het geldbedrag dat een huishouden/gezin zou ontvangen wanneer zij hun goederen/diensten verkocht zou hebben in plaats van zelf te consumeren. (2e) Men kan schatten wat een huishouden/gezin zou moeten betalen voor het koken, schoonmaken, verzorgen enz. wanneer zij deze goederen/diensten op de markt zou moeten kopen. In het eerste geval maakt men een schatting van het geld dat een gecommercialiseerd huishouden ('gezinsbedrijf') verliest; in het tweede geval maakt men een schatting van het geld dat op het huishoudelijk of gezinsbudget wordt bespaard.
[79] Zie voor een overzicht van de in Europa gehanteerde definities van werkloosheid: Besson/ Comte [1992 - La notion de chômage en Europe].
[80] Portes [1994 - The Informal Economy and Its Paradoxes] geeft een goed overzicht van de geschiedenis van het begrip informele economie en van zijn definitieproblemen. Hij laat zien hoe dit begrip geschikt gemaakt kan worden voor sociologische analyse. Vgl. Pahl [1984/92:115 e.v.], Harding/Jenkins [1989 - The Myth of the Hidden Economy].
[81] Castells/Portes [1989 - World Underneath] laten zien hoe de wederzijdse relaties tussen formele, informele en illegale activiteiten systematisch bestudeerd kunnen worden.
[82] Zie voor Europa het journalistieke overzicht van Roth/Frey [1994 - Het verenigd Europa van de Mafia]. Zie voor onderzoek naar de relatie tussen formele en illegale economieën: voor Italië Arlacchi [1986 - Mafia Business], voor Bolivia: Blanes [1989 - Cocaïne, Informality and, the Urban Economy in La Paz, Bolivia], voor voormalige Sovjet Unie: Stark [1989 - Bending the Bars of the Iron Cage], Grossman [1989 - Informal Personal Incomes and Outlays of the Sovjet Urban Population].
[83] Zie voor subsistentieproduktie in ontwikkelde economieën: Gershuny [1978 - After Industrial Society, 1985 -Economic Development and Cange in the Mode of Provision of Services], Pahl [1980 - Employment, Work, and the Domestic Division of Labour], Pahl/Wallace [1985 - Household Work Strategies in Economic Recession]. Zie voor subsistentieproduktie in onontwikkelde economieën: Roberts [1989 - Employment Structure, Life Cycle, and Life Cances: Formal and Informal Sectors in Gualdajara].
[84] Zie het in noot 13 gegeven voorbeeld van formeel zelfstandige vuilnisophalers en verkopers van loterijtickets in Colombia en New York. Het verschil tussen deze categorie en de kleine zelfstandige drugdealers is dat deze laatsten in de regel door illegale ondernemingen worden ingehuurd.
[85] In aansluiting op Gershuny [1979 - The Informal Economy] gaat Pahl [1994: 93,118 - Divisions of Labour] uitvoerig in op de relaties tussen drie economieën: de formele, de informele, en de huishoudelijke of communale economie.
[86] Het midden- en kleinbedrijf krijgt in toenemende mate een toeleveringsfunctie. In de sectoren bouw, metaal en dienstverlening werd in 1972 al tweederde van de omzet behaald uit intermediaire leveringen aan andere bedrijven.
[87] Suzanne Berger [1981:77 e.v. The Uses of the Traditional Sector in Italy] analyseerde de werking van het stelsel van onderaanneming in Italië. Zij laat zien dat er in alle industriële sectoren grote verschillen bestaan in lonen en sociale voorzieningen voor identiek werk in kleine en grote ondernemingen. In industrieën waarin het werk aan thuiswerkers kan worden uitbesteed zijn de verschillen tussen lonen van arbeiders die hetzelfde produkt maken nog veel groter.
[88]
Zie voor informele arbeid: Geuns e.a. [1986 - Informele economie], Mevissen/Renooy [1986 - De informele
economie gelokaliseerd], Van Dijk [1987 - Omvang en aard van het vrijwilligerswerk in Nederland na 1975], Koopmans [1989 - Informele arbeid; vraag, aanbod, participanten, prijzen].
Zie voor 'zwarte' arbeid: Allaart/De Voogd-Hamelink [1989 - Wie werkt zwart?], Van Eck/Kazemier [1989 - Zwarte arbeid], Mot/Roozen [1990 - Aanvullende en vervangende zwarte arbeid].
Zie voor vrijwilligerswerk: Marck [1983 - Vrijwilligerswerk: initiatief van burgers], Van Luijk/De Bruijn [1984 - Vrijwilligerswerk tussen betaald en huishoudelijk werk], Adriaansens [1987:23-40 - Vrijwilligerswerk: profiel en signaal].
[89] Dit werk wordt 'zwart' genoemd omdat het niet opgeven van inkomsten aan de fiscus een strafbaar feit is, Daarom wordt daarnaast vaak een 'grijs' circuit onderscheiden waarin slechts(!?) 'oneigenlijk' gebruik wordt gemaakt van de fiscale en sociale wetgeving.
[90] Er zijn verschillende methoden om te schatten wat het relatieve gewicht is van informele activiteiten in nationale economieën: (1) de arbeidsmarkt benadering, (2) de zeer-kleine-ondernemingen benadering, (3) de huishoudelijke-consumptie benadering, en (4) de macro-economische discrepatie benadering. Geen van deze strategieën is echter volledig bevredigend. De voor- en nadelen van deze benaderingen worden besproken door Portes [1994: 438 e.v. - The Informal Economy and Its Paradoxes].
[91] In de landen van de Derde Wereld ligt het aandeel van informele arbeid veel hoger. Tussen de 20 en 70 procent van de arbeidkrachten in belangrijke steden van de Derde Wereld heeft geen vaste werkplek, beroep of inkomen. Vgl. Rosenberg [1986 - Surviving in the City].
[92] Er zijn helaas wenig auteurs die dit onderkennen of durven toegeven. Maar er zijn ook uitzonderingen. Zo concludeert ook Grint [1991:7] "that no unambiguous or objective definition of work is possible".
[93] Dit is overigens geen ramp. Zeker niet in een situatie waarin nog veel sociale wetenschappers menen dat het oplepelen van formele definities de meest overtuigende manier is om de 'exactheid' van het eigen denken te demonstreren. Dit levert meestal niet meer op dan een paar slechte veralgemeningen. Er zijn meerdere pogingen gedaan om het begrip arbeid tot een formule terug te brengen en haar in een definitie op te sluiten. Het resultaat hiervan is meestal dat het arbeidsbegrip wordt geneutraliseerd en slechts een schijnbare precisie krijgt aangemeten.
[94] Vergelijkbare problemen doen zich voor bij de afbakening van veel andere sociaal-wetenschappelijke basisbegrippen. Ik heb elders laten zien hoe deze problemen bij het begrip 'klasse' kunnen worden opgelost [Benschop 1993 - Klassen].
Adriaansens, H.P,M. [1987] - Vrijwilligerswerk: profiel en signaal. In: R.C. Kwant (red.) Dat doe je gewoon? Vrijwilligerswerk in sociaal, cultureel en economisch perspectief. Amsterdam: De Balie, pp. 23-40.
Algera, J.A. (red.) Analyse van arbeid vanuit verschillende perspectieven. Amsterdam/Lisse.
Allaart, P.C./Voogd-Hamelink, A.M. de [1989] Wie werkt zwart? Den Haag.
Andel, C.P. [1965] Ethiek van arbeid en rust. Nijkerk.
Anthony, P. D. [1977] The Ideology of Work. London: Tavistock.
Arendt, Hannah [1958/94] Vita Activa. Amsterdam: Boom [vert. van: The Human Condition].
Arlacchi, P. [1986] Mafia Business: the Mafia Ethic and the Spirit of Capitalism. London: Verso.
Arneson, R.J. [1987] Meaningful Work and Socialism. Ethics 97(3): 517-45.
Arvon, H. [1956] De arbeid, een wijsgerige beschouwing. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum.
Bader, Veit/Benschop, Albert [1988] Ongelijk-heden. Pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen. Deel 1. Groningen: Wolters-Noordhoff. Zowel de inleiding als het eerste hoofdstuk van dit boek, Sociale ongelijkheid als wetenschappelijk en politiek probleem is online te lezen.
Bader, Veit/Benschop, Albert [1988] Machtskansen in arbeidsverhoudingen. URL=http://www.sociosite.net/labor/ArbVer/
Bardt, Hans-Paul [1983] Arbeit als Inhalt des Lebens. In: Joachim Matthes (Hg.) Krise der Arbeitsgesellschaft? Verhandlungen des 21. Deutschen Soziologentages in Bamberg. Frankfurt/New York: Campus Verlag.
Bechhofer, Frank/Elliott, Brian [1981] The Petite Bourgeoisie. Comparative Studies of the Uneasy Stratum. London: Macmillan Press.
Beck, Ulrich/Brater, Michael/Daheim, Hansjürgen [1980] Sociologie der Arbeit und Berufe. Grundlagen, Problemfelder, Forschungsergebnisse. Reinbek bei Hamburg: Rowohlt.
Beerling, R.F. [1964] Arbeid, spel en creativiteit. In: idem: Wijsgerig-sociologische verkenningen. Zeist/Arnhem: De Haan/Van Loghum Slaterus. pp. 39-101.
Bendix, Reinhard [1963] Work and Authority in Industry. New York: Harper & Row.
Benería, Lourdes [1988] Conceptualizing the Labour Force: the Underestimation of Women's Economic Activities. In Pahl 1988: 372-91.
Benería, Lourdes/Sen, Gita [1981/8] Accumulation, reproduction and women's role in economic development. In: Pahl 1988:355-71.
Benschop, Albert [1983] Het moeizame afscheid van het proletariaat. Een kritiek op het eendimensionale universum van André Gorz. Te Elfder Ure 33: 229-56.
Benschop, Albert [1987] Sociale ongelijkheid en klassen - Max Weber's bijdrage aan de theorie van sociale ongelijkheid en klassen. Amsterdam: IWA-Rapport nr. 9. Het hele boek is online beschikbaar.
Benschop, Albert [1990] De klassentheorie van Marx. URL: http://www.sociosite.net/class/marx
Benschop, Albert [1993] Klassen. Ontwerp van een transformationele klassenanalyse. Amsterdam: Spinhuis. De inhoudsopgave en summary zijn online beschikbaar.
Benschop, Albert [1994/7] Naar een nieuwe economische sociologie. - Een transformationeel perspectief. Amsterdam: Ms.
Benschop, Albert [1994a] Wat is een arbeidsmarkt? - uit: idem, Arbeidskrachten tussen markt en macht. Amsterdam: Ms.
Benschop, Albert [1996a] Wat is Arbeidssociologie? - uit: idem, Arbeidssociologie - een inleiding.
Benschop, Albert [1996b] Taylor en het Scientific Management - uit: idem, Arbeidssociologie - een inleiding.
Benschop, Albert [1997/8] Telewerk - Omwenteling van tijd-ruimtelijke arbeidstructuren
Benseler, F. e.a. (hrsg.) [1982] Die Zukunft der Arbeit. Hamburg.
Berger, Suzanne [1981] The Uses of the Traditional Sector in Italy: Why Declining Classes Survive. In: Bechhofer/Elliott 1981: 71-89.
Besson, J.L./Comte, M. [1992] La notion de chômage en Europe - analyse comparative. Paris: Mission Recherche Expérimentation (MIRE).
Biggart, Nicole Woolsey [1994] Labor and Leisure. In: Smelser/Swedberg 1994: 572-90
Blanes Jiménez, Jozé [1989] Cocaïne, Informality and, the Urban Economy in La Paz, Bolivia. In: Portes/Castells/Benton 1989: 135-49.
Bloch, Maurice [1983] Marxism and Anthropology. London: Malaby Press.
Boserup, Ester [1970] Women's Role in Economic Development. London.
Braudel, Fernand [1979/81] Beschaving, Economie en Kapitalisme (15de-18de eeuw). 3 delen. Amsterdam: Contact 1987/8. Vert. van: Civilisation matérielle, Economie et Capitalisme XVe-XVIII Siècle.:
Brouns, M. [1993] De homo economicus als winkeldochter. Theorieën over arbeid, macht en sekse. Amsterdam: SUA.
Brown, R. [1988] The Employment Relationship in Sociological Theory. In: D. Gallie (ed.) [1988] Employment in Britain. Oxford: Blackwell.
Bruijn, J. de [1988] Haar werk. Vrouwenarbeid en arbeidssociologie in historisch en emancipatorisch perspectief. Amsterdam.
Burke, Peter [1978] Popular Culture in Early Modern Europe. New York: New York Univ. Press.
Burns, S. [1977] The Household Economy. Boston: Beacon Press.
Burns, T. [1973] Leisure in industrial society. In: S. Parker et a. [1973] Leisure and Society in Britain. Lonodon.
Butsch, Richard [1990] For Fun and Profit. Philadelphia: Temple University Press.
Caplow, Th. [1958] The Sociology of Work. Minneapolis.
Capecchi, Vittorio [1989] The Informal Economy and the Development of Flexible Specialization. In: Portes/Castells/Benton 1989: 189-215.
Castels, Mauel/Portes, Alejandro [1989] World Underneath: The Origins, Dynamics and Effects of the Informal Economy. In: Portes/Castells/Benton 1989: 11-37.
CBS [1993] Werken en leren in Nederland. Voorburg/Heerlen.
Clayre, A. [1974] Work and play. Ideas and experience of work and leisure. New York.
Conze, Otto [1972] Arbeit, in: Brunner, Otto/Conze, Werner/Koselleck, Reinhart (hrsg.) Geschichtliche Grundbegriffe. Stuttgart: Ernst Klett Verlag. Band I, A-D.
Cremers, W.J.G. [1990] The Social and Personal Setting of Labour. Amsterdam
Cunningham, H. [1980] Leisure in the Industrial Revolution. London.
Dahrendorf, Ralf [1980] Im Entschwinden der Arbeitsgesellschaft: Wandlungen der sozialen Konstruktion des menschlichen Leben, in: Merkur 34:749-60.
De Coster, Michel/Pichault, François (ed.)[1994] Traité de sociologie du travail. Bruxelles: De Beock-Wesmael.
Delphy, Chirstine/Leonard, Diana [1992] Familiar Exploitation. A New Analysis of Marriage in Comtemporary Western Societies. Cambridge: Polity Press.
Demos, J. [1986] Past, Present and Personal: The Family and the Life Course in American History. New York: Oxford Univ. Press.
Dijk, J. van [1987] Omvang en aard van het vrijwilligerswerk in Nederland na 1975. Rijksuniversiteit Groningen.
Doorne-Huiskes, A. [1992] Betaalde en onbetaalde arbeid: over oude spanningen en nieuwe uitdagingen. Rotterdam.
Dubin, R. [1973] Work and nonwork: institutional perspectives. In: Dunnette 1973: 53-68.
Dumazedier, Joffre [1962] Vers une civilisation du loisir? Parijs: Seuil
Dumazedier, Joffre [1974] Sociology of Leisure. Amsterdam: Elsevier.
Dumont, L. [1977] From Mandeville to Marx: The Genesis and Triumpf of Economic Ideology. Chicago: University of Chicago Press.
Dunnette, M.D. (ed.) [1973] Work and nonwork in the year 2001. Belmont Cal.: Wadsworth.
Durkheim, E. [1960] The Division of Labour in Society. New York.
Eck, R. van/Kazemier, B. [1989] Zwarte arbeid, een empirische en methodologische studie. Univ. v. A'dam. Diss.
Eggebrecht, Arne e.a. [1980] Geschichte der Arbeit. Vom Alten Agypt bis zum Gegenwart. Köln: Kiepenheuer & Witsch.
Eijl, C. van [1994] Het werkzame verschil. Vrouwen in de slag om arbeid 1998-1940. Hilversum: Verloren.
Engelen, J./Hemelrijk, A./Munnichs, J. (red.) [1983] Wie niet werkt... Arbeitsethos en werkgelegenheid. Utrecht: Spectrum.
Erikson, Kai/Vallas, Steven Peter [1990] The Nature of Work. Sociological Perspectives. New Haven/ London: Yale Univ. Press.
Esping-Andersen, Gøsta [1990] The Three Worlds of Welafre Capitalism. Cambridge: Polity Press.
Esping-Andersen, Gøsta [1993] Changing Classes. Stratification and Mobility in Post-industrial Societies. London: Sage.
Fèbre, Lucien [1948] Travail: évolution d'un mot et d'une idée. Journal de Psychologie Normale et Pathlogique 61(1).
Feige, Edgar [1990] Defining and Estimating Underground and Informal Economies: The New Institutional Economic Approach. World Development 18(7): 989-1002.
Fetscher, Iring [1963] Arbeit und Spiel. Stuttgart.
Finley, M.I. [1963/77] The Ancient Greeks. London: Penguin.
Finley, M.I. [1985] The Ancient Economy. London: Hogarth Press.
Fourastié, J. [1966] 40.000 uur; de mens in het perspectief van een verkorte arbeidstijd. Werkgroep 2000, Amersfoort: de Horstink.
Fox, A. [1976] The Meaning of Work. In: Unit 6, People and Work. Milton Keynes: Open University Press.
Fox, M.F./Hesse-Biber, S. [1984] Woman at Work. Palo Alto, CA: Mayfield.
Friedman, Georges [1950/73] Où va le travail humain? Paris: Gallimard.
Friedman, Georges [1956/71] Le travail en miettes, specialisations et loisirs. Paris: Gallimard.
Friedman, Georges [1960] Q'est-ce que le travail? Annales 4.
Friedman, Georges/ Naville, Pierre (ed.) [1961-2] Traité de sociolgie du travail. Paris: Colin.
Gerry, Chr./Birkbeck, Chr. [1981] The Petty Commodity Producer in Third World: Petit Bourgeois or 'Disguised Proletarian?, in: Bechhofer/Elliott [1981: 121-54].
Gershuny, J.I. [1978] After Industrial Society? The Coming Self-Service Economy. London: Basingstoke.
Gershuny, J.I. [1979] The Informal Economy: Its Role in Industrial Society. Futures, febr. 1979: 3-13.
Gershuny, J.I. [1983] Goods, servives and the future of work. In: J. Matthes (hrsg.) Krise der Arbeitsgesellschaft? Frankfurt/New York.
Gershuny, J.I. [1985] Economic Development and Cange in the Mode of Provision of Services. In: Redclift/ Mingione 1985: 3-15.
Gershuny, J.I. [1993] Social Innovation and the Division of Labour. Oxford: Oxford University Press.
Gershuny, J.L./Miles, I.D. [1983] The New Service Economy. London: Basingstoke.
Gershuny, J.I./Pahl, R.E. [1979] Work outside employment. Some preliminary speculation. New Universities Quarterly 34(1): 120-35.
Geuns, R.C. van e.a. (red.) [1986] Informele economie. Perspectieven en gevaren. Leiden.
Gils, M.R. (red.) [1975] Werken en niet werken in een veranderende samenleving. Amsterdam: Swets & Zeitlinger.
Godelier, Maurice [1980] Work: the Words used tot represent Work and Workers. History Workshop Journal, 10: 164-74.
Gorz, André [1981] Afscheid van het proletariaat. Amsterdam: Van Gennep.
Grint, Keith [1991] The Sociology of Work. An Introduction. Cambridge: Polity Press.
Grossman, Gegory [1989] Informal Personal Incomes and Outlays of the Sovjet Urban Population. In: Portes/Castells/Benton 1989: 150-72.
Guggenberger, B. [1982] Am Ende der Arbeitsgesellschaft, in: F. Benseler u.a. (hrsg.) Zukunft der Arbeit. Hamburg.
Gutman, Herbert G. [1988] Work, Culture and Society in Industrializing America, 1815-1919. In: Pahl 1988: 125-37. Oorsp. in: American Historical Review, june 1973.
Hall, Richard H. [1994] Sociology of Work. Perspectives, Analyses, and Issues. California: Sage.
Hamaker, H.G. [1981] Ontwikkelingen in arbeid en beroep. In: idem (red.) Arbeid, beroep en samenleving. Assen: Van Gorcum.
Handy, Ch. [1984] The Future of Work. Oxford: Basi Blackwell.
Harding, P./Jenkins, R. [1989] The Myth of the Hidden Economy. Milton Keynes: Open University Press.
Harding, S./Phillips, D. [1986] Contrasting Values in Western Europe. London: MacMillan.
Hareven, T.K. [1982] Family Time and Industrial Time. The Relationship Between the Family and Work in a New England Industrial Community. Cambridge: Cambridge University Press.
Hart, Keith [1973] Informal Income Opportunities and Urban Employment in Ghana. Journal of Modern African Studies 11: 61-89.
Heneman, H.G. [1974] Work and nonwork: historical perspectivs. In: Dunnette 1973:12-28.
Herkner, H. [1923] Arbeit und Arbeitsteilung, in: Herkner e.a. Grundriss der Sozialökonomik. II. Abt. 1. Teil. Tübingen.
Herzberg, F. [1968] Work and the Nature of Man. London.
Herzberg, F. e.a. [1959] The Motivation to Work. New York/London/Sidney.
Hill, Christhopher [1965] Society and Puritanism in Pre-Revolutionary England. London.
Hobsbawm, E.J. [1968] Labouring Men. Studies in the History of Labour. London.
Hobsbawm, E.J. [1984] Worlds of Labour. Further Studies in the History of Labour. London.
Hofstede, G. [1980] Culture's Consequences. International Differences in Work Related Values. London/Beverly Hills: Sage.
Hofstede, G. [1991] Cultures and Organizations. Software of the Mind. London: McGraw Hill.
Inglehart, Ronald [1990] Culture Shift in Advanced Industrial Society. Princeton, NJ: Princeton University Press.
International Research Team [1987] The Meaning of Work. London: Academic Press
Iribarne (d'), Philippe [1994] Cultures nationales et conceptions du travail. In: De Coster/Pichault 1994: 103-13.
Jacobs, F. [1976] Reflexies over arbeid. Alphen a.d. Rijn: Samsom.
Jenkins, C./Sherman, B. [1979] The Collapse of Work. London.
Johler, Jens/Sichtermann, Barbara [1978] Der Begriff 'Arbeit' in der nationalökonomischen Ideengeschichte. Mehrwert 15/16:41-58.
Jong, B. de [1981] Thuiswerk: voor jou tien anderen. Amsterdam.
Josten, J.G.J.E. [1975] Werken en niet werken in een veranderende samenleving. In: Van Gils 1975:104-8.
Joyce, P. [1980] Work, Society and Politics. London: Methuen.
Joyce, P. [1987] The Historicial Meaning of Work: an Introduction. In: Joyce 1987.
Joyce, P. [ed.) [1987] The Historical Meaning of Work. Cambridge: Cambridge University Press.
Kanter, Rosabeth [1978] Work in a New America. Daedales. Journal of The American Academy of Arts and Sciences 107: 47-78.
Kern, H./Schumann, M. [1984] Das Ende der Arbeitsteilung? Rationalisierung in der industriellen Produkton. München.
Koopmans, C.C. [1989] Informele arbeid; vraag, aanbod, participanten, prijzen. Univ. v. A'dam. Diss..
Kluge [1900] Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, 7. Aufl.
Koopal, Koos / Benschop, Albert [1996] Bibliografie over werkloosheid, arbeidsvoorzieningen, sociale zekerheid en armoede in Nederland.
Krätke, Michael [1984] Kritik der Staatsfinanzen. Hamburg.
Kuiper, J.P. [1975] Niet meer werken om den brode. In: Van Gils 1975:11-27.
Kuiper, J.P. [1975] Arbeid en inkomen: twee rechten en twee rechten. Sociaal Maandblad Arbeid 31:501-12.
Kumar, Krishan [1978] Prophecy and Progress: The Sociology of Industrial and Post-Industrial Society. Harmondsworth: Penguin.
Kumar, Krishan [1979/85] The Social Culture of Work: Work. Employment and Unemployment as Ways of Life. In: Thompson 1985: 2-17. Oorspr. in: New University Quarterly, 34.
Kumar, Krishan [1988] Form Work to Employment and Unemployment: the English Experience. In: Pahl 1988: 138-64. Oorspr. in: Sociological Review 22(2), mei 1984.
Kwant, R.C. [1964] Filosofie van de arbeid. Antwerpen: De Nederlandse Boekhandel.
Lafargue, Paul [1883/1980] Het recht op luiheid. Amsterdam.
Lanfant, M.R. [1974] Sociologie van de vrije tijd. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum.
Lavine d'Èpinay, Christian [1994] Significations et valeurs du travail, de la société industrielle à nos jours. In: De Coster/Pichault 1994: 55-82.
Le Goff, Jacques [1980] Time, Work, and Culture in the Middle Ages. Chicago: Univ. of Chicago Press.
Lewenhak, S. [1982] The Revaluation of Women's Work. London.
Lippe, Tanja van der [1993] Arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen. Een interdisciplinaire studie naar betaald en huishoudelijk wek binnen huishoudens. Amsterdam: Thesis.
Littler, C.R. (ed.) The Experience of Work. Aldershot: Gower.
Luijk, E.W. van/Bruijn, R.J. [1984] Vrijwilligerswerk tussen betaald en huishoudelijk werk. Een verkennende studie op basis van een enquête. Den Haag.
Marck, E. van der [1983] Vrijwilligerswerk: initiatief van burgers. Deventer.
Marcuse, H. [1967] Über die philosophischen Grundlagen des wirtschaftswissenschaftlichen Arbeitsbegriffes. In: Kultur und Gesellschaft 2. Frankfurt: Suhrkamp. pp. 7-49.
Marshall, Alfred [1920/86] Principles of Economics. London: Basingstoke.
Marx, Karl: Marx-Engels Werke. Geciteerd als MEW.
Marx, Karl: Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie. Berlin 1953. Geciteerd als Grundrisse.
Matthes, Joachim (hrsg.) [1983] Krise der Arbeitsgesellschaft? Verhandlungen des 21. Deutschen Soziologentages in Bamberg 1982. Frankfurt/New York: Campus.
Meeus, M. [1989] Wat betekent arbeid? Over het ontstaan van de westerse arbeidsmoraal. Assen/Maastricht.
Mevissen, J.W.M./Renooy, P.H. [1986] De informele economie gelokaliseerd; een studie naar achtergronden en verschijningsvormen van de informele economie in Nederland. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Den Haag.
Mok, A.L. [1994] Arbeid, bedrijf en maatschappij, In het zweet uws aanschijns... Stenfert Kroese.
Moore, Henrietta L. [1988] Feminism and Anthropology. Cambridge: Polity Press.
Moorhouse, H.F. [1987] The 'Work Ethic' and 'Leisure' Activity: the Hor Rod in Post-war America. In: Joyce 1987.
Mot, E.S./Roozen, I.T.M. [1990] Aanvullende en vervangende zwarte arbeid. WRR-Werkdocument W 52. Den Haag.
Naschold, F. [1985] Zum Zusammenhang von Arbeit, sozialer Sicherung und Politik. Einführende Anmerkungen zur Arbeitspolitik. Berlin.
Naville, Pierre [1954] La vie de travail et ses problèmes. Paris.
Negt, Oskar [1994] Lebendige Arbeit, enteignete Zeit: politische und kulturelle Dimensionen des Kampfes um die Arbeitszeit. Frankfurt/New York: Campus Verlag.
Nosow, S./Form, W. (eds.) [1962] Man, Work and Society. New York: Basic Books.
Oakley, Ann [1974] The Sociology of Housework. London.
Offe, Claus [1985] Work: The Key Sociological Concept? In: C. Offe, Disorganized Capitalism. Contemporary Transformations in Work and Politics. Cambridge: Polity Press. pp. 129-55.
O'Toole, J. (ed.) [1973] Work in America. Cambridge: MIT-Press.
Ovitt, G. [1986] The cultural context of Western technology: Early Christian attitudes toward manual labour. In: Technology and Culture 27: 477-500.
Oxley, Geoffrey W. [1974] Poor Relief in England and Wales 1601-1834. Newton Abbott: David & Charles.
Pahl, Raymond E. [1980] Employment, Work, and the Domestic Division of Labour. International Journal of Urban and Regional Research 4(1): 1-20.
Pahl, Raymond E. [1984/92] Divisions of Labour. Oxford: Blackwell.
Pahl, Raymond E. (ed.) [1988] On Work. Historical, Comparative and Theoretical Approaches. Oxford: Blackwell.
Pahl, Raymond E./Wallace, Claire [1985] Household Work Strategies in Economic Recession. In: Redclift/Mingione 1985: 189-227.
Paoli, P. [1992] First European survey on the work environment 1991-1992. Dublin: Eur. Found. Improv. Living & Working Conditions.
Perlman, L. [1976] The Myth of Marginality. Berkeley, Cal.: University of California Press.
Petty, William [1662] A Treatise of Taxes and Contribution. London.
Plantenga, J. [1993] Een afwijkend patroon. Honder jaar vrouwenarbeid in Nederland en West-Duitsland. Amsterdam.
Polanyi, Karl [1944/57] The Great Transformation: The Political and Economic Origins of Our Time. Boston: Beacon Press.
Portes, Alejandro [1994] The Informal Economy and Its Paradoxes. In: Smelser/Swedberg 1994: 426-49.
Portes, Alejandro/Castells, Manuel/Benton, Lauen [1989] The Policy Implications of Informality. In: idem 1989: 298-311.
Portes, Alejandro/Castells, Manuel/Benton, Lauen (ed.) [1989] The Informal Economy: Studies in Advanced and Less Developed Countries. Baltimore, MD: John Hopkins University Press.
Pronovost, Gilles [1989] The Sociology of Time. London/Newburry Park (CA): Sage.
Pronovost, Gilles [1993] Loisir et société. Traité de sociologie empirique. Québec: Presses de l'Université du Québec.
Pronovost, Gilles [1994] Loisir et travail. In: De Coster/Pichault 1994: 83-102.
Pronovost, Gilles [1996] Sociologie du Temps. Paris: De Boevk & Larcier.
Prost, A.[1990] Grenzen en ruimte van het persoonlijke. In: A. Prost/G. Vincent, Geschiedenis van het persoonlijke leven. Deel 5. Amsterdam, pp. 13-125.
Reich, Robert [1991] The work of nations. Preparing ourselves for 21st-century capitalism. New York: Vintage Books.
Redclift, N/Mingione, E. [1985] Beyond Employment, Household, Gender and Subsistance. London: Basil Blackwell.
Richards, V. (ed.) [1984] Why Work? London: Freedom Press.
Rijnvos, C.J. e.a. [1981] Waarheen met onze arbeid? Baarn: Ambo.
Robert, Bryan, R. [1989] Employment Structure, Life Cycle, and Life Chances: Formal and Informal Sectors in Gualdajara. In: Portes/Castells/Benton 1989: 41-59.
Romein, Jan [1952/71] Het arbeidsbegrip in Oost en West. In: idem, Historische lijnen en patronen. Een keuze uit de essays. Amsterdam: Querido, pp. 446-73.
Ronco, William/Peattie, Lisa [1983] Making Work: Self-created Jobs in Participatory Organizations. Plenum Press.
Ronco, William/Peattie, Lisa [1988] Making Work: a Perspective from Social Science. In: Pahl 1988:710-21.
Rose, M. [1985] Re-working the Work Ethic. London: Allen Lane.
Roth, Jürgen/Frey, Marc [1994] Het verenigd Europa van de Mafia. Amsterdam: Van Gennep/ Kritak.
Russel, B. [1984] In Praise of Idleness. In: Richards 1984.
Rybeynski, Witold [1991] Waiting for the Weekend. New York: Viking.
Sabel, Charles S. [1982] Work and Politics: the Divisions of Labour in Industry. Cambridge: Cambridge UP.
Sahlins, Marshall [1974] Stone Age Economics. London: Tavistock.
Sayers, S. [1988] The Need to Work. In: Pahl 1988.
Schelsky, H. [1975] Die Arbeit tun die anderen. Opladen.
Scott, James, C. [1985] Weapens of the Weak. Everyday Forms of Peasant Resistance. New Haven/London: Yale University Press.
SCP (Sociaal & Cultureel Planbureau) [1994] Sociaal en Cultureel Rapport. Rijswijk.
Saerle-Chatterjee, M. [1979] The Polluted Identity of Work: a Study of Benares Sweepers. In: Wallman 1976.
Segalen, M. [1983] Love and Power in the Peasant Family. Basil Blackwell. Oxford.
Sharp, C. [1981] The Economics of Time. Oxford: Martinn Robertson.
Skyrme, David J. [1995] Flexibel werken: Naar een slanke en alert reagerende organisatie. M&O Quarterly 1: 43-65.
Smelser, Neil/Swedberg, Richard (eds.) [1994] The Handbook of Economic Sociology. Princeton/New York: Princeton Univ. Press/Russel Sage Foundation.
Smith, Adam [1776/1993] An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations. Oxford/New York: Oxford University Press.
Stark, David [1989] Bending the Bars of the Iron Cage: Bureaucratization and the Informalization in Capitalism and Socialism. Sociological Forum 4: 637-64.
Stebbins, Robert A. [1970] Amateurs: On the Margin between Work and Leisure. Beverly Hills: Sage.
Sue, R. [1992] Significations sociales du travail. In: R. Racine [ed.] [1992] L'Europe au-delà du chômage. Genève: Presses interuniversitaires européennes, pp. 118-29.
Sue, R. [1994] Temps et ordre social. Sociologie des temps sociaux. Paris: PUF.
Surber, M [1983] Work and Leusure: The Problem of Identity Among Professional Workers. Society and Leisure 6(2): 429-56.
Thomas, Keith [1964] Work and leisure in pre-industrial society. Past & Present 29: 55-66.
Thompson, E.P. [1971] The moral economy of the English crowd in the 18th century. Past & Present 50.
Thompson, E.P. [1967] Time, work-dicipline and industrial capitalism. Past and Present 38: 56-97.
Thompson, Kennet (ed.) [1985] Work, Employment & Unemployment - Perspectives on Work and Society. Milton Keynes, Phil.: Open University Press.
Tilgher, Adriano [1931] Work: what it has meant through the ages. London: Harrap & Company.
Tilgher, Adriano [1958] Homo Faber. Work trough the Ages. Chicago.
Tilgher, Adriano [1962] Work through the ages. In: Nosow/Form 1962:11-24.
Tilly, Chris/Tilly, Charles [1994] Capitalist Work and Labor Markets. In: Smelser/Swedberg 1994: 255-82.
Triandis, H.C. [1973] Work and nonwork: intercultural perspectives. In: Dunnette 1973:39-42.
United Nations [1986, 1989]World Survey of the Role of Women in Development New York.
United Nations [1985] Forward-Looking Strategies, document adopted by consensus by World Conference to Review and Appraise the Achievements of the Women's Decade for Woman. Nairobi.
Ven, F.J.H.M. van der [1965] De arbeidende mens. Arbeidssociologische beschouwingen.
Ven, F.J.H.M. van der [1965/68] Geschiedenis van de arbeid I, II en III. Utrecht/Antwerpen:
Veen, P.A.F. van/Sijs, N. van der [1991] Van Dales Etymologisch Woordenboek. Den Haag.
Vialatoux, J. [1966] Sociologie van de arbeid. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum.
Volz, F.R. [1982] Die Arbeitsgesellschaft. Hamburg.
Voyé, L./Bawin-Legros, B./Kerkhofs, J./Dobbelare, K. [1992] Belges, heureux et satisfaits. Bruxelles: De Boek.
Watson, Tony J. [1996] Sociology, Work & Industry. Routledge & Kegan Paul.
Waldinger, Roger [1986] Through the Eye of the Needle: Immigrants and Enterprise in the New York's Garment Trade. New York: New York University Press.
Wallman, Sandra (ed.) [1976] Social Antropology of Work. Cambridge: Cambridge University Press.
Weber, Max: Wirtschaft und Gesellschaft. Grundriß der Verstehende Soziologie. Tübingen: Mohr 1956. Geciteerd als WG.
Weber, Max: Die protestantische Ethik I. München 1965 (Geciteerd als PE I); Die protestantische Ethik I - Kritiken und Anti-kritiken. Hamburg 1972 (Geciteerd als PE II).
Weber, Max: Gesammelte Aufsätze zur Religionssoziologie. Tübingen 1963. Geciteerd als RS.
Wezel, J.A.M. e.a. [1976] De verdeling en de waardering van de arbeid: een studie over ongelijkheid van het arbeidsbestel. Tilburg: IVA.
Wijmans, Luuk [1994] Arbeid: Last of Lust? Om de kwaliteit van het arbeidsbestaan. Amsterdam:Nivon.
Wilensky, H.L. [1966] Work as a social problem. In: H.S. Becker (ed.) Social Problems - A Modern Approach. New York: Wiley. pp. 117-66.
WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) [1977] Over sociale ongelijkheid. Een beleidsgerichte verkenning. 's Gravenhage: SDU.
WRR [1990] Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren '90. 's Gravenhage: SDU.
Worsley, Peter [1984] The Three Worlds. Culture and World Development. London: Weidenfeld & Nicolson.
Yankelowich [1974] The Meaning of Work. In: J.M. Rosow (ed.) The Worker and the Job: Coping with Change. Englewood Cliffs, N.J.: Prentice Hall.
Zanden, J.L. [1991] Arbeid tijdens het handelskapitalisme. Opkomst en neergang van de Hollandse economie 1350-1850. Bergen: Octavo.
Zanders, H. L.G. [1978] Opinies over Arbeid. Een onderzoek naar kenmerken van en opvattingen over arbeid en arbeidsomstandigheden. Intermediair 14(22): 63-7.
Zanders, H.L.G. [1987] Opvattingen over arbeid in Nederland en Europa. In: L. Halman e.a. (red.) Traditie, secularisatie en individualisering. Een studie naar de waarden va de Nederlanders in een Europese context. Tilburg. pp. 168-86.
| ArbeidsSociologie | NetSociologie | Zoek | Home | Contact |
|---|