ArbeidsSociologie NetSociologie Zoek Home Contact

UvA
Universiteit van Amsterdam
Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen

Arbeid: een lastig en omstreden begrip

dr. Albert Benschop

    Inleiding
  1. Maatschappelijke betekenis van arbeid
    1·1 Een glibberig begrip
    1·2 Het einde van de arbeidsmaatschappij?
  2. Culturele betekenissen van arbeid
    2·1 Arbeid als last of lust
    2·2 Breed arbeidsbegrip
  3. Voor alle maatschappijformaties
    3·1 Algemeen arbeidsbegrip
    3·2 Arbeid en gebruikswaarde 3·3 Arbeid en vrije tijd 3·4 Handelingscontext en zelfbeleving van actoren 3·5 Arbeid als bijzondere vorm van sociaal handelen
  4. Voor kapitalistische maatschappijen
    4·1 Verbreding en versmalling van arbeidsbegrip
    4·2 Informele arbeid
    4·3 Het meten van het onmetelijke
  5. Arbeid blijft een lastig begrip
ABy© Amsterdam · december 1995 — 2017

Inleiding

“Work is the curse of the drinking classes.”
[H. Pearson, Life of Oscar Wilde]

‘Arbeid’ is een woord met vele en meestal tegenstrijdige betekenissen.

Arbeid wordt ervaren als last of lust. Arbeid wordt ervaren als een last die wordt opgelegd door externe omstandigheden van existentiële nood en gebrek of van relatieve schaarste. Arbeid is een bezigheid die geen doel in zichzelf heeft, maar louter middel is waarmee mensen in hun levensonderhoud voorzien. Wie werkt verkeert in het rijk der noodzakelijkheid: de doelen van de arbeid worden van buitenaf opgelegd. Arbeid is slechts een middel om deze doelen te realiseren; het is een offer, een opoffering van vrije levenstijd. De arbeid zelf is een moeizame, belastende activiteit die we nooit zouden verrichten als we hiertoe niet gedwongen werden door de noodzaak om in ons levensonderhoud te voorzien. Arbeid wordt echter ook ervaren als een lust, als iets waaraan we persoonlijk een intrinsiek plezier beleven (laborare et orare). Wie werkt krijgt zicht op het rijk der vrijheid: de mens is een wezen dat zichzelf in producten en diensten wil veruiterlijken en dat zich juist in en door de arbeid kan verwerkelijken (ook wel ‘objectivering van het subject’ genoemd). Arbeid biedt unieke mogelijkheden tot zelfverwerkelijking, en ontplooiing. Arbeid kan dus ook als eerste levensbehoefte worden opgevat, of zelfs als eigenlijke zin van het leven.

Arbeid wordt ervaren als plicht of recht. Arbeid wordt ervaren als een plicht, als schuld die elke arbeidsgeschikte burger aan de maatschappij moet afdragen. Door sommigen wordt deze verplichting nog steeds geïnterpreteerd als uitvloeisel van een goddelijk gebod; voor anderen was de algemene arbeidsplicht lange tijd slechts een opgelegd pandoer in centraal gestuurde planeconomieën. De werklozen van tegenwoordig, voor wie het ‘recht op arbeid’ een lege huls is, wordt regelmatig voorgehouden dat zij toch een —al door Babeuf bepleitte— plicht tot gemeenschapsarbeid hebben. Arbeid is een zeer cruciale rechtstitel op inkomen en verzorging (resp. een aandeel in eigendom). Het ‘recht op arbeid’ is echter in veel gevallen niet veel meer dan een moreel principe: het is weliswaar als grondrecht vastgelegd in vele nationale en internationale constituties, maar geen enkele overheid is in staat dit recht daadwerkelijk te verzekeren. Overheden kunnen of willen hun burgers niet garanderen dat zij een ieder in staat stellen in zijn onderhoud te voorzien door arbeid die afgestemd is op de persoonlijke en maatschappelijke behoeften en mogelijkheden. In plaats van een substantieel recht op arbeid krijgen Nederlandse burgers de onverplichtende —en misschien moet men wel zeggen: platonische— verzekering dat “de bevordering van voldoende werkgelegenheid” een “voorwerp van zorg der overheid” is (artikel 1.18 van Grondwet). Het ‘wie niet werkt, zal ook niet eten’ is echter naar de achtergrond gedrongen door een verdergaande institutionalisering van het recht op inkomen (van bijstand tot AOW).

Arbeid wordt ervaren als bevrijding of verslaving. Arbeid wordt ervaren als unieke veranderingskracht in civilisatieprocessen en als betrouwbare graadmeter van de menselijke progressie. Het emancipatoire effect van arbeid zou vooral tot uiting komen in het feit dat zij de massa invoegt in de cultuurbeweging (‘Arbeid maakt vrij’), en dat zij een opvoedende, veredelende werking heeft (‘Arbeid adelt’). En daarom geldt ook in christelijke termen: ‘Ledigheid is des duivels oorkussen’. Maar arbeid wordt niet alleen ervaren als toegangspoort naar het rijk der vrijheid. Arbeid betekent voor velen juist ook verslaving. Het regressieve effect van arbeid komt tot uiting in het feit dat zij de massa invoegt in een hiërarchische en repressieve verhoudingen waarin mensen hun zelfstandigheid verliezen (‘Arbeid is werken voor de baas’), en dat zij een afstompende en geestdodende werking heeft (‘Arbeid vernedert’). En dus geldt ook in profane termen: ‘Arbeid is voor de dommen’. Wie de pech heeft om te moeten werken, zal hier dus een zekere prijs voor moeten betalen. Het zijn de kosten van onderworpenheid, van vervreemding en van heteronomie, die echter moeilijk exact te berekenen zijn.

Arbeid wordt ervaren als bron van rijkdom of van armoede. Arbeid is —afgezien van de natuurlijke hulpbronnen— de enige echte bron van rijkdom en is daarom de maatstaf van alle economische waarden. Volgens Benjamin Franklin moesten we er altijd rekening mee houden ‘dat tijd geld is’. De intuïtie zegt echter ook dat geld in laatste instantie niets anders is dan gestolde arbeidstijd. Arbeid genereert niet alleen rijkdom, maar kan onder bepaalde omstandigheden ook tot de bitterste armoede leiden. Arbeid was voor de heersende klassen en elites immers altijd een middel voor zelfverrijking op kosten van de werkenden. Arbeid is iets dat geëxploiteerd kan worden: de vruchten van de arbeid worden toegeëigend door mensen die niet werken maar slechts commanderen. In maatschappijen met een overwegend kapitalistische arbeidswijze fungeert arbeid als middel van meerwaardevorming en kapitaalaccumulatie. Wie in loondienst werkt, wordt structureel geëxploiteerd. De keerzijde van de vermeerdering van de rijkdom van de exploiteurs is de relatieve verarming van de werkenden. Tegenover de oude volkswijsheid van heersenden ‘dat van werken nog nooit iemand dood is gegaan’ (wat empirisch gezien zeker niet klopt) staat die andere wijsheid van de werkenden, ‘dat men van hard werken nooit rijk zal worden’ (wat empirisch gezien vaak wel regel is).

Arbeid wordt ervaren als grondslag van eigendom of van bezitloosheid. Voor aanhangers van het liberalisme is arbeid de basis van alle eigendom. Zij beschouwen arbeid als grondslag van een sociaal rechtvaardige en economisch effectieve, vrije en toch goed georganiseerde prestatiemaatschappij. Een maatschappij waarin iedereen op basis van eigen arbeid in staat is om eigendom te verwerven. Voor aanhangers van het socialisme is arbeid echter veeleer de basis van bezitloosheid. Zij beschouwen loonarbeid als grondslag van een sociaal onrechtvaardige en economisch exploitatieve, klassenmaatschappij. Een maatschappij waarin bezitloze werknemers juist door hun loonarbeid voor ondernemers verstoken blijven van alle relevante economische eigendommen, en met name van controle over de materiële arbeidsvoorwaarden.

Tenslotte wordt arbeid ervaren als godsdienst of mensendienst. Arbeid is mensenwerk. Want arbeid wordt niet alleen door mensen verricht, maar ook voor mensen. Arbeid is een doelgerichte menselijke activiteit gericht op het voortbrengen van goederen en diensten die de meest uiteenlopende behoeften van individuen kunnen bevredigen. Arbeid is dus in meerdere opzichten een mensendienst, een daad van sociale wederkerigheid. In een relatief hoog ontwikkelde samenleving als de Nederlandse wordt arbeid merkwaardig genoeg ook nog steeds als een godsdienst bedreven. Arbeid fungeert als een moderne religie waaraan mensen de zin van hun leven ontlenen. Het hebben van werk geldt daarom als de hoogste eer die mensen ten deel kunnen vallen; op het altaar van de arbeidsplaats worden daarom grote offers gebracht om deel te hebben aan de zegeningen van de arbeid. De moderne workaholics hebben daarom weinig begrip voor de leuze dat men beter 4 of 3 dagen kan werken dan 7 dagen werkloos te zijn. Drastische arbeidstijdverkorting is voor hen een even buitenaardse gedachte als een bezuiniging op gebedsuren voor fundamentalistische gelovigen.

Zowel de horizontale structurering van de arbeid (indeling naar arbeidssectoren en -velden) als de verticale structurering van de arbeid (verdeling van beschikkingsmacht over bronnen; controle over arbeidsorganisaties) blijven in deze analyse buiten beschouwing. In hoofdstuk VI van Ongelijk-heden, Machtskansen in arbeidsverhoudingen, wordt uitvoeriger ingegaan op de wijze waarop maatschappelijke arbeidsverhoudingen kunnen worden onderzocht.
In deze analyse worden de sociale en culturele betekenissen van arbeid in kaart gebracht. Daarmee maak ik de weg vrij voor de constructie van een sociologisch arbeidsbegrip dat niet alleen voldoende afstand houdt van de grote diversiteit en tegenstrijdigheid van alledaagse connotaties, maar dat ook geschikt is om als heuristisch kader te fungeren voor empirisch sociologisch en historisch onderzoek. De vraag is dus vooral of het mogelijk is een sociaalwetenschappelijk kritisch en consistent arbeidsbegrip te formuleren dat voldoende handen en voeten heeft om in empirisch onderzoek van arbeidsverhoudingen gebruikt te kunnen worden.


Index1. Maatschappelijke betekenis van arbeid

1·1 Een glibberig begrip
Je hoeft geen socioloog te zijn om te weten wat ‘arbeid’ is. Maar het lijkt wel alsof sociologen tegenwoordig steeds minder duidelijk kunnen vertellen wat arbeid werkelijk is. Op het eerste gezicht lijkt dit een merkwaardige paradox. Arbeid is immers een basisbegrip van de sociologie, en in het bijzonder van de economische sociologie en van de arbeidssociologie. De klassieke theoretici —Karl Marx, Emile Durkheim en Max Weber— legden de grondslagen voor de sociologische thematisering van arbeid, arbeidsorganisatie en van arbeidsverhoudingen. Tegelijkertijd is arbeid een tamelijk slecht afgebakend begrip.

Dat is niet zo verwonderlijk: de meest elementaire en algemene begrippen zijn immers buitengewoon moeilijk te definiëren. Maar Sociologen kunnen niet werken met vage en te algemene —of zo men wil ‘katholieke’— definities. Zij hebben scherp afgebakende begrippen nodig, zodat ze precies weten waarover ze het hebben en wat de reikwijdte is van het verschijnsel dat zij bestuderen, zodat zij de verschijnselen nauwkeurig kunnen meten en goede vergelijkingen kunnen maken [Hall 1994:3]. Voor sociologen is het arbeidsbegrip dus nogal problematisch. ‘Arbeid’ is niet alleen een moeilijk te definiëren begrip, maar ook een zeer controversieel begrip, zowel theoretisch als empirisch.

Arbeid is niet alleen een fundamenteel begrip, maar ook een glibberig begrip. Hoewel we het allemaal gebruiken, is ‘arbeid’ slechts een schijnbaar eenduidig begrip. Het is echter opvallend dat rond de laatste eeuwwisseling het begrip arbeid voor velen geen precieze betekenis meer heeft. Wat zijn hiervan de redenen?

Sinds de opkomst van het kapitalisme werd arbeid steeds sterker geïdentificeerd met loonarbeid die buitenshuis, in fabrieken en kantoren werd verricht. De fabriek was het model voor een specifieke tijd-ruimtelijke eenheid van de arbeid. Door de moderne informatie- en telecommunicatietechnologie wordt de eenduidigheid van de tijd-ruimtelijke arbeidsstructuren doorbroken. Hierdoor worden de scheidslijnen tussen arbeid en niet-arbeid steeds minder duidelijk. Steeds meer typen betaald werk worden tegenwoordig thuis, vanuit huis of onderwerg verricht: telewerk, telecommunicatie en ‘networking’ hebben breuken geslagen in het klassieke model van de tijd-ruimtelijk geconcentreerde fabrieksarbeid.

Zowel de eenheid van arbeidstijd (‘from nine to five’) als de eenheid van ruimte (de fabriek, het kantoor) worden hierdoor steeds verder doorbroken. We beginnen steeds meer te wennen aan een wereld waarin communicatie wereldwijd (‘globaal’) en direct (‘instantelijk’) kan zijn. Hierdoor worden de tijd-ruimtelijke structuren van arbeid fundamenteel veranderd, zeker waar het informatieverwerking betreft. De verspreiding van de moderne computertechnologie heeft nieuwe industrieën mogelijk gemaakt die op wereldwijde en uiterst snelle wijze informatie kunnen verzamelen, verwerken, bewerken en verzenden.

Zowel ruimte als tijd worden hierdoor gecomprimeerd. Dit heeft geresulteerd in een dramatische groei van commerciële dienstverlenende industrieën, zoals banken, verzekeringsmaatschappijen, reisbureaus en softwarebedrijven. Of de door velen verwachte groei van tele-thuiswerk daadwerkelijk zo’n vlucht zal nemen, valt nog te bezien. We moeten ons evenmin laten verleiden de potentiële gevolgen van de moderne high-tech voor te stellen als onvermijdelijke consequenties. Maar de essentie is dat er zeer belangrijke verschuivingen optreden in de tijd-ruimtelijke structurering van de arbeid. Hierdoor vervagen de schijnbaar duidelijke scheidslijnen tussen arbeid en niet-arbeid, en is derhalve het arbeidsbegrip aan een grondige revisie toe.

Traditionele en moderne thuiswerkers
De traditionele thuiswerker combineerde zijn of haar werk voor de fabrikant (en daarmee voor de wereldmarkt) met een landbouwbedrijfje of een andere vorm van huisnijverheid. Hierdoor kon een belangrijk deel van de reproductiekosten van de arbeid worden afgewenteld op pre-kapitalistische arbeidswijzen.
Zie voor een economische interpretatie van de zgn. proto-industrie: Van Zanden [1991:21,111 e.v. - Arbeid tijdens het handelskapitalisme] en Worsley [1984:198 - The Three Worlds].
De moderne thuiswerker opereert in volledige afhankelijkheid van kapitalistische ondernemingen. Deze ondernemingen zijn hierdoor niet alleen in staat de reproductiekosten van de arbeid te drukken (wat duidelijk blijkt uit de enorme loonverschillen tussen thuiswerkers en loonarbeiders die hetzelfde product in bedrijfsverband vervaardigen), maar ook om zich flexibel aan te passen aan de wisselingen op de markt. Daarom zijn de werkzekerheid en de sociale zekerheid van thuiswerkers meestal zeer minimaal.
Het ‘werken op afstand’ kan verschillende vormen aannemen: (1) onafhankelijk van plaats (nomadisch), (2) kantoorwerk op afstand (telewerk vanaf het platteland), (3) gespreide werkteams (meervoudige locatie) en (4) telethuiswerk.

Index


1·2 Het einde van de arbeidsmaatschappij?
Arbeid is van cruciaal belang voor de wijze waarop mensen omgaan met de problemen die ontstaan door de schaarste van bronnen die in de omgeving beschikbaar zijn. De relatieve schaarste van bronnen heeft een grote invloed op concurrentie- en conflictpatronen die ontstaan tussen sociale klassen en groepen. De maatschappelijke organisatie van de arbeid is dus een weerspiegeling van de fundamentele machtsverhoudingen in de samenleving. Kenmerkend voor de theoretische benadering van sociologische grootmeesters zoals Marx, Weber en Durkheim was het model van een verwervingsmaatschappij die gecentreerd is rond loonarbeid en in beweging wordt gehouden door arbeidsconflicten.
In het model van de verwervingsmaatschappij wordt de nadruk gelegd op de betekenis van (productieve) arbeid voor de identiteitsvorming van het individu enerzijds, en de integratie of structurering van de maatschappij anderzijds [Durkheim 1960:62, 400 - The Division of Labour in Society].
Simpel gezegd: een model waarin de arbeidswijze bepalend is voor de gehele levenswijze. Voor alle hierop geënte maatschappijtheorieën gold daarom dat arbeid als een sociologisch sleutelbegrip werd gehanteerd.

In veel sociologische analyses wordt uitgegaan van de centraliteit van maatschappelijke arbeid. Maar deze klassieke vooronderstelling wordt vandaag de dag niet meer als vanzelfsprekend geaccepteerd en is thema geworden van verhitte discussies [Offe 1985; Watson 1987:272; WRR 1990:38 e.v.; De Coster 1994:16 e.v.].

De centrale vraag is dus of de maatschappelijke vormen van arbeid tegenwoordig nog wel zo’n centrale betekenis hebben voor het geheel van de sociale levensverhoudingen. Of anders gezegd: hoe sterk is de structurerende kracht en betekenis van loonarbeid voor ongelijkheids- en machtsverhoudingen in de maatschappij als geheel? Het is lastig om op deze vraag een eenduidig antwoord te geven, omdat we te maken hebben met twee tegenstrijdige processen: terwijl het ene proces in de richting wijst van een toenemende betekenis, duidt het andere proces juist op het tegendeel.

Sommigen spreken in dit verband terecht van een ongeëvenaarde periode van volledige werkgelegen- heid [Pahl 1984:92], anderen van een ‘gouden eeuw van volledige werkgelegenheid’. In de 19e eeuw verrichtte zo’n 50% van de actieve bevolking in Nederland onzelfstandige arbeid (d.w.z. loonarbeid). Na de Tweede Wereldoorlog steeg dit aandeel tot meer dan 70%. In 1960 liep die op tot 80%, in 1980 tot 85%, terwijl het tegenwoordig al meer dan 90% bedraagt. Zie voor recente gegevens over arbeidsparticipatie: SCP [1994-2010 - Sociaal & Cultureel Rapport].
a) Aan de ene kant hebben we vooral na de Tweede Wereldoorlog te maken met een enorme toename van loonarbeid en loonafhankelijkheid. Hierdoor is niet alleen de betekenis van de interne differentiatie van de loonafhankelijken toegenomen, maar ook de ongelijkheidsstructurerende kracht en betekenis van loonarbeid [Benschop 1987/2017:119; Bader/Benschop 1988:24; Benschop 1993/2017].

In veel empirisch onderzoek komt daardoor onmiskenbaar de centrale plaats naar voren die de betaalde beroepsarbeid heeft voor de structurering van de sociale levenskansen en politieke handelingskansen. De verdeling van negatieve en positieve privileges is meestal sterk verbonden met de positie in arbeidsverhoudingen en met de hiervan afhankelijke loon-, resp. inkomenspositie.

Op grond van deze ontwikkeling zou men dus kunnen concluderen dat de centraliteit van de maatschappelijke organisatie van de arbeid eerder is toe- dan afgenomen.

b) Aan de andere kant hebben we te maken met processen die duiden op een afnemende betekenis van betaalde beroepsarbeid. Ten eerste zijn we getuige van een steeds verdergaande verkorting van individuele levensarbeidstijd. Dit is het gecombineerde effect van de uitbreiding van het onderwijs, de verkorting van de arbeidsdag, de uitbreiding van de vrije en vakantiedagen, en het vervroegd uittreden uit het arbeidsleven.
Zie voor een algemene historische analyse van de verkorting van de individuele levensarbeids- tijd: Biggart [1994]. Zie het onderzoek en de schattingen van Gershuny [1983]. Vgl. ook Watson [1987:267 e.v.].
Het einde van dit proces is nog lang niet in zicht. Dat de rol en betekenis van arbeid afneemt, komt het scherpst tot uiting in toekomst-beelden. In een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wordt dit als volgt verwoord:

Het ontstaan van de zgn. vrijetijdsmaatschappij werd al in de jaren ’60 aan de orde gesteld in een aantal spraakmakende boeken, zoals die van Dumazedier [1962] en Fourastié [1966].
De ontwikkeling in de richting van een vrijetijdsmaat-schappij lijkt onomkeerbaar. In ieder geval is totale arbeidstijd in het leven van een individu in de loop der tijd aanzienlijk verkleind. Het vermoeden is dat hierdoor de vrije tijd een steeds belangrijker rol vervuld voor de sociale identiteit en zelfopvatting van werkenden.

Arbeidstijd, niet-arbeidstijd en vrije tijd
In sociologische en journalistieke publicaties wordt soms een rechtstreeks en eenzijdig verband gelegd tussen enerzijds de verkorting van de formele arbeidstijden en anderzijds de afnemende structurerende kracht van arbeidsrelaties voor het geheel van de maatschappij en voor sociale identiteitsvorming in het bijzonder. De bezwaren daartegen kunnen in twee punten worden samengevat.

Ten eerste kan uit de verkortingen van de legale of gereglementeerde arbeidsduur (kwantitatief criterium) niet de conclusie worden getrokken dat daardoor ook automatisch de sociale ongelijkheids- en identiteitsstructurerende betekenis van de arbeid afneemt (kwalitatief criterium). Een in sociaal opzicht minoritaire tijd kan dominant blijven in de sociale structuur en in het sociale bewustzijn [Sue 1992:123; 1994:197-8].

Ten tweede is het onjuist om de niet-arbeidstijd (dat wil zeggen de tijd buiten de arbeid) gelijk te stellen met vrije tijd: reducties van de formele arbeidstijd resulteren niet quasi automatisch in een daarmee corresponderende toename van de vrije tijd. Ook hier geldt weer dat kwantitatieve verschuivingen in de formele arbeidstijdstructuren niet zonder meer leiden tot kwalitatieve verschuivingen in de sociale tijden. In sociologisch onderzoek moet men rekening houden met meervoudige sociale tijden: arbeidstijden, noodzakelijke rust- en hersteltijden (‘sateliettijden’) en vrije tijden. De rust- en hersteltijden die aan de arbeid gebonden zijn omvatten niet alleen de tijd die nodig is voor het uitrusten, slapen en de persoonlijke hygiëne, maar bijv. ook de reistijden van en naar het werk (die door het urbanisatie aanzienlijk zijn toegenomen), de huishoudelijke werkzaamheden, de om-, her- en bijscholingsactiviteiten.

Ten tweede hebben we te maken met een structurele werkloosheid en met het ontstaan van oude en nieuwe vormen van arbeid buiten de officiële arbeidsmarkt.Juist in een situatie van duurzame massawerkloosheid is er een uitgebreide informele economie ontstaan, zijn er nieuwe typen coöperatieve ondernemingen van de grond gekomen en hebben velen hun toevlucht gezocht in de kleine zelfstandigheid aan de rand van de afgrond (men zou dit de lompenbourgeoisie kunnen noemen) [Benschop 1993/ 2017 - X, § 6·3 en lompenkapitalisten in Colombia]. Ten derde zijn er nieuwe vormen van arbeidsloos inkomen ontstaan. In de huidige verzorgingsstaat is het mogelijk om in leven te blijven zonder te werken.

De afname van de arbeidstijd, de toegenomen discontinuïteit van de arbeid, de structurele werkloosheid en de nieuwe vormen van arbeidsloos inkomen hebben uiteraard grote consequenties voor het zelfbegrip en de identiteit van werkenden en werklozen, voor hun biografie en hun cultuur. Ik denk in het bijzonder aan de erosie van het calvinistische arbeidsethos, de opkomst van een hedonistisch consumentisme, de opkomst van een individualistische levenstijl, en de versterking van zgn. postmaterialistische waarden.

Herwaardering van arbeidsmoraal
Het in een samenleving dominante arbeidsethos refereert aan de zingeving van de arbeid in het kader van een bepaalde opvatting van de menselijke aard en bestemming (d.w.z. van een bepaald mensbeeld). Zoals bekend beschouwde Weber de calvinistische arbeidsethiek als een belangrijke (relatief autonome) impuls voor de opkomst van het moderne kapitalisme en industrialisme. In deze ethiek wordt een sterke verbinding gelegd tussen het verrichten van werk en noties van persoonlijke waarde, zingeving en plicht: arbeid wordt in deze traditie als ‘roeping’ opgevat.
    Zie voor een korte interpretatie van Weber’s controversiële bijdrage: Watson [1995:101 e.v.]. Zie voor discussies over de herwaardering van de arbeidsmoraal: Rose [1985], Achterhuis [1984], Gorz [1981], Meeuws [1989].
Het afscheid van de oude calvinistische arbeidsmoraal moet echter niet al te snel gevierd worden. Uit een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat arbeid nog steeds een van de meest waardevolle levensgebieden vormt. Van de vijf onderscheiden terreinen (vrije tijd, arbeid, religie, gezin en gemeenschap) neemt arbeid de tweede plaats in, weliswaar na gezin, maar duidelijk voor vrije tijd en de andere levensgebieden[SCP 1986:54 - Sociaal Cultureel Rapport 1980].

Het calvinistisch arbeidsethos is echter zeker geen specifiek Nederlandse aangelegenheid. Nederlanders scoren op het vlak van ‘werkoriëntatie’ laag: niet zo laag als Engelsen, maar lager dan West-Duitsers, Belgen, Israeli’s, Amerikanen en Japanners [International Research Team 1987:84 - The Meaning of Work].

Uit dit en ander onderzoek blijkt ook dat Nederlanders in vergelijking met anderen over het algemeen een weinig materialistische houding hebben als het op werk aankomt: zij zijn vooral gesteld op plezierige werkomstandigheden.

    Zie voor een internationaal vergelijkend onderzoek naar de verspreiding van postmaterialistische waarden: Inglehart [1990].
    Zie voor opvattingen over arbeid in Nederland en Europa: Zanders [1987] en Paoli [1992].
    Zie voor empirisch onderzoek naar de subjectieve waardering van arbeid: Hofstede [1980], Harding/Phillips [1986], Voyé e.a. [1992].

Impliceren deze ontwikkelingen nu dat langzamerhand arbeid uit de ‘arbeidsmaatschappij’ verdwijnt? Leiden deze processen tot een verdergaande erosie van het ‘verwervingsprincipe’? Verliest hierdoor de betaalde beroepsarbeid haar centrale rol in de structurering van sociale levenskansen? Wordt nu ook het arbeidsleven in vergaande mate geïndividualiseerd? En verliezen daarmee de arbeidersklasse en haar organisaties hun structurele strategische positie?

Het zijn allemaal vragen die hier natuurlijk niet beantwoord kunnen worden. Ik heb er slechts op willen wijzen dat we te maken hebben met zeer tegenstrijdige processen. Dit betekent in ieder geval dat men voorzichtig moet zijn met al te snelle conclusies die gebaseerd zijn op een eenzijdige waarneming van een van deze processen. De (structurele) plaats en (culturele) betekenis van arbeid in onze samenleving ontwikkelt zich niet in één bepaalde richting. Bovendien moeten we er rekening mee houden dat de processen die hiervoor beschreven zijn zich veeleer manifesteren als tendenzen met mogelijke gevolgen.

Waarom arbeid een centrale categorie in het moderne sociale denken werd, is nauwelijks omstreden. Het was het gevolg van twee elkaar versterkende processen: (a) de verwereldlijking van de arbeid (vanaf de 16e euuw) en (b) de vermaatschapplijking van de arbeid (vanaf de 19e eeuw). De discussie over de afnemende betekenis van arbeid concentreert zich op een geheel ander proces, nl. dat van individualisering van het arbeidsleven en i.h.b. op het tegenstrijdige karakter van de individualisering van de arbeid(sverhoudingen).
Sociologen zouden gepaste afstand moeten houden van de profeten van de ‘vrijetijdsmaatschappij’, de ‘consumptiemaatschappij’ en van de ‘postmaterialistische samenleving’ die deze mogelijke gevolgen behandelen alsof het om onvermijdelijke consequenties zou gaan. Er is meer sociologische fantasie, en vooral ook empirische precisie vereist als men zicht wil krijgen op de tegenstrijdige processen waarin de maatschappelijke organisatie van arbeid zich ontwikkelt.

Arbeid is en blijft mijns inziens een cruciale factor voor de structurering van de sociale levens- en politieke handelingskansen in onze samenleving. De verdeling van negatieve en positieve privileges blijft overwegend verbonden met de positie die mensen innemen in de arbeidsverhoudingen en de hierdoor gestructureerde inkomensverhoudingen. Ondanks alle individualisering blijft arbeid “a major focus in the life of an adult” [Hall 1994:7]. Zolang dit nog het geval is, moeten sociologen die geïnteresseerd zijn in ongelijkheids- en machtsverhoudingen een centrale plaats inruimen voor het onderzoek naar arbeid(sverhoudingen). We hebben hiervoor ook gezien waarom zij deze ‘centraliteit van de arbeid’ niet moeten verabsoluteren.

'Arbeid' was en is een sociologisch basisbegrip. Zo’n stelling heeft echter pas zin wanneer we duidelijk maken wat we onder 'arbeid' verstaan en laten zien hoe we de verschillende maatschappelijke 'vormen van arbeid' wetenschappelijk kunnen analyseren. En daarbij zouden we iets meer nauwkeurigheid moeten betrachten dan gebruikelijk is. Om tot een consistente en bruikbare notie van arbeid te komen, zal ik daarom in paragraaf 3 uitvoeriger ingaan op het - meestal stilzwijgend veronderstelde - algemene arbeidsbegrip.

Index2. Culturele betekenissen van arbeid

2·1 Arbeid als last of lust
Het arbeidsbegrip vervult tegenwoordig een centrale plaats in het maatschappelijke en politieke denken. Dat is niet altijd het geval geweest. Het arbeidsbegrip zoals wij dat kennen is tamelijk recent en begint eigenlijk pas in de 19e eeuw –met de ontwikkeling van de politieke wetenschap– een centrale plaats in te nemen [Tilgher 1958; Arendt 1958/94; Anthony 1977; Godelier 1980:165; Pahl 1984/92:18 e.v.].

Arbeid wordt meestal opgevat als een menselijke activiteit die geen doel in zichzelf heeft, en dus alleen verricht wordt met het oog op een buiten haarzelf liggend doel. Daarom werd en wordt arbeid meestal eenvoudig gelijkgesteld met opoffering en onlust. Als arbeid geldt dan alleen dat wat zware inspanning vereist en onlust veroorzaakt en daarom niet om wille van zichzelf kan worden nagestreefd. Vanuit dit perspectief wordt niet ontkend dat economische of beroepsmatige activiteiten op zichzelf (dus ongeacht de economische gevolgen) ook plezier en genoegdoening kunnen bieden, maar dit aspect valt dan niet onder het begrip van de persoonlijke inspanning, van het offer, en van de kosten van de arbeid. Plezier (in de zin van zelfrealisatie) en arbeid zijn begrippen die elkaar uitsluiten. Deze gedachtengang knoopt aan bij de taalkundige betekenis van het woord arbeid.

Taalkundige betekenis
Gr. ponos; Lat.: arare; Hebr. avodah; Nhd.: arjan; Slav.: orati. De Grieken hadden geen algemeen woord voor arbeid, maar gebruikten drie specifieke woorden: ponos (moeizame of vermoeiende activiteit), ergon (militaire of agrarische taak) en techne (techniek). Het Hebreeuwse woord voor arbeid, avodah, heeft dezelfde stam als eved, wat slaaf betekent.
De taalkundige afleiding van het woord ‘arbeid’ stamt van het Indogermaanse ar = ploegen en het Voorgermaanse orbho = knecht. In ieder geval betekent arbeid in het Oudhoogduits ook moeite, nood, ongemak, en leed [Kluge 1900:21; Herkner 1923:272; Conze 1972:154].

Het Nederlandse woord arbeid is afgeleid van het Germaanse are bejd of ar(a)beit, een situatie van grote nood waarin mensen komen te verkeren, die uit hun stam zijn gevallen en zich elders in afhankelijkheid van en dienstbaarheid aan vreemden in leven moeten houden. Het stamwoord arbejo betekent: ‘Ik ben een verweesd en daardoor tot harde arbeid gedwongen kind’.

Arbeid heeft dus in oorsprong te maken met inspanning en met het verlies van geborgenheid, het zich buiten de vertrouwde omgeving moeten begeven. In het Oudhoogduits hebben ‘arbeid’ en ‘armoede’ (ar(a)muoti) dezelfde stam [Van Veen/Van der Sijs 1991:68; Arendt 1958/94:338].

Alle Europese talen gebruiken voor arbeid woorden die pijn, moeite en inspanning aanduiden. In veel talen refereert arbeid aan de barensweeën van vrouwen. Dit geldt zowel voor het Engelse labour, het Italiaanse lavoro als voor het Franse labeur.

In Frankrijk werd pas in de 16e eeuw het woord ‘werken’ (travailler) in het vocabulaire opgenomen. Het verving gedeeltelijk twee eerdere woorden: labourer (wat nu ploegen gaat betekenen) en oeuvrer (niet langer in gebruik als een werkwoord; het betekent een kunstwerk). Zowel in het Frans, Engels als Duits zijn de zelfstandige naamwoorden oeuvre, work, Werke in de loop der tijd steeds meer gebruikt om een kunstwerk aan te duiden. Het Franse woord travailler (werken) is afgeleid van het Latijnse tripaliare en betekent martelen met een tripalum, een instrument met drie staken.

Voordien —rond 1120— werd wel labeur gebruikt. Dit stamt van het Latijnse labor, wat een algemene uitdrukking is voor agrarische activiteiten. Tegenwoordig betekent het Franse ‘labeur’: zware inspanning, gezwoeg, geploeter, gesloof.

In de 12e eeuw werd ook het woord ouvrier (arbeider) voor het eerst gebruikt. Het woord is afgeleid van het Latijnse operaius: gekwelde, bedroefde, geteisterde mensen; mensen in nood. Deze term is zelf een samenstelling van twee woorden: opus = een handeling of werkstuk; en operae = verplichtingen die men voor iemand anders moest verrichten. Zoals de verplichtingen van een bevrijde horige ten opzichte van zijn oude meester of van een ambachtsman ten opzichte van een klant waarmee deze een contract had. Maar voordat deze woorden in omgang kwamen betekende travailler het martelen van een overtreder (zondaar, misdadiger) op een tripalum. En de travailleur was niet het slachtoffer, maar de beul.

De negatieve waardering van arbeid als offer gaat terug tot de oude Grieks-Romeinse traditie. Het zou eeuwen duren voor de gedachte opkwam dat arbeid ook een ‘roeping’ kan zijn (Luther) of zelfs een vorm van ‘zelfverwerkelijking’ (Marx).

Voor de oude Grieken stond vrije tijd als model voor het meest gewenste en enig ‘schone leven’. Arbeid werd gezien als een pijnlijke, vernederende noodzakelijkheid. Het toeëigenen en vervaardigen van middelen waarmee basisbehoeften bevredigd konden worden, werden beschouwd als minderwaardige activiteiten die men moest overlaten aan de allerlaagste groepen in de samenleving, en vooral aan de slaven.

Deze minachting voor arbeid was niet zozeer een minachting voor lichamelijke arbeid als zodanig, maar voor het arbeider zijn: mensen die moeten werken voor hun bestaan zijn net als dieren gebonden aan de noodzakelijkheid.

Aristoteles’ theorie van de ‘natuurlijke slavernij’ in het eerste boek van de Politeia is hiervan een extreem voorbeeld. Alles wat behoorde bij het regeren en bij de kenmerken van de in het ‘schone’ (dat wil zeggen deugdzame en gelukkige) leven verenigde burgers stond volgens Aristoteles ver boven de arbeid van het voortbrengen dat moest worden toebedeeld aan ‘van nature’ inferieure mensen.

Het schone vs. het noodzakelijke
Zie voor de tegenstelling tussen het schone en het noodzakelijke en nuttige: Aristoteles [Politeia 1333a30 e.v., 1332b32]. Het ‘schone’ is een wijze van leven dat betrokken is op dingen die niet absoluut noodzakelijk noch louter nuttig zijn: (a) het epicuristische leven van de zintuiglijke geneugten, de levenskunst die weet te genieten van het schone, zoals het is gegeven; (b) het leven gewijd aan de zaken van de polis, waarin men uitblinkt door schone daden; (c) het leven van de filosoof, gewijd aan het onderzoek van en de contemplatie over eeuwige dingen, welker eeuwigdurende schoonheid niet kan worden opgeroepen door de mens, noch veranderd door het gebruik ervan.

De praxis (het ethisch-politieke handelen in de polis) beheerste dus in alle opzichten de poiesis (het werken): de wijsheid van handelen was heerschappijkennis, die slechts was voorbehouden aan de heren des huizes en de politici. Degenen die zijn stelling niet onderschreven, keerden deze eenvoudig om: mensen die zich bezighielden voorziening van levensmiddelen of gedwongen werden als slaven te werken, zouden door het werk dat zij verrichten inferieur worden. Vooral ook in de filosofie van Plato wordt de menstelijke bestemming geheel gezocht in het ideële streven naar het ware, het goede en het schone [Finley 1985; Finley 1963/77; Conze 1972:155-8].

Het Griekse woord schole betekent dus niet eenvoudig vrije tijd, maar vrijstelling van politieke activiteit. Het woord werd echter ook gebruikt om aan te geven dat men niet behoeft te werken en vrij is van zorgen voor het dagelijkse bestaan.
De Grieken stelden schole tegenover de arbeid: zij beschouwden arbeid als dienst aan de menselijke noden en schole als vrijheid ten opzichte van deze dienst. De vrije mensen wijdden zich aan het spel van lichaam en geest, dat wil zeggen aan sport en wetenschap. De levenswijze van de lichamelijk werkenden werd als onverenigbaar beschouwd met de burgerlijke deugd. Alleen wie de deugd bezat, was in staat om burger te zijn. Arbeid en burgerdeugd, arbeid en vorming werden scherp tegenover elkaar gesteld. Uiteraard weerspiegelen deze opvattingen alleen de denk- en waarderingswijze van een geprivilegieerde bovenlaag.

In de Romeinse cultuur werd deze dominante opvatting (of beter: opvatting van de dominante groep) overgenomen.

Jan Romein doelt hier enerzijds op het opvallende organisatietalent van de Romeinen, anderzijds op hun normbegrip. Bij de oude Romeinen drong voor het eerst het besef door dat alle arbeid in strikte zin een kweste van organisatie is. Voor moderne westerlingen is het verband tussen organisatie en arbeid inmiddels een grote vanzelfsprekendheid. Het normbesef van de Romeinen - dat ten grondslag lag aan hun wetsbegrip - bracht de gedachte met zich mee dat iets altijd nog beter kan voor het aan een, bewust-gestelde en geformuleerde norm voldoet.

In de periode rond de geboorte van Christus begint de slavernij aan betekenis in te boeten. Hierdoor begint ook het arbeidsethos te veranderen en ontstaat er meer aandacht voor de betekenis van arbeid en prestaties. In de vroege Christelijke traditie werd erkend dat arbeid iemand niet alleen gezond kan houden, maar dat het mensen ook kan afhouden van zondige gedachten en gewoontes (‘ledigheid is des duivels oorkussen’) en een bijdrage kan leveren aan de deugd van gehoorzaamheid. De opvatting van de arbeid als offer staat in het teken van de vloek die Jehova aan Adam meegaf: ‘U zult brood eten in het zweet uws aanschijns’.

Aan gene zijde van het paradijs
Volgens de Joodse mythe werd Adam door God op een zeer grondige wijze vervloekt.
  • Ten eerste legde hij een conflict tussen man en vrouw op: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad” (het verschil tussen mannelijk sperma en vrouwelijke eicel was de Joodse God nog niet bekend).
  • Ten tweede werd opgelegd dat de biologische reproductie pijnlijk zou zijn: “Ik zal zeer vermeerderen de moeite van uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren”.
  • Ten derde werden de patriarchale verhoudingen formeel bevestigd: “naar uw man zal uw begeerte uitgaan en hij zal over u heersen.” Van zelfstandige vrouwen en lesbiennes had de Joodse God evenmin gehoord.
  • Ten vierde werd de productie - impliciet een mannenactiviteit - niet alleen moeilijk gemaakt (“is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen”), maar ook vermoeiend (“om het zweet uws aanschijns zult gij brood eten”). Ook van vrouwenarbeid had de Joodse God nog nooit gehoord [Bijbel: Genesis 3].

De vloek van God ruste dus op de voorwaarden waaronder het werk gedaan moest worden. Wanneer de echter de arbeid desondanks of juist vanwege haar last als Godsdienst wordt verricht, dan rust daarop de God’s zegen. Hierdoor was een negatieve waardering van lichamelijke arbeid —zoals bij de Grieken— principieel niet mogelijk en in het praktische leven minstens afgezwakt.

Ook de evangeliën en brieven uit het Nieuwe Testament staan in deze Joodse traditie. Daarbij is het thema nooit de arbeid als zodanig, maar alleen de arbeid die in dienst staat van de eigenlijke zin van het menselijke bestaan. Deze arbeid is niet alleen nodig omdat zij in het levensonderhoud voorziet, maar omdat zij door de zondigheid van de mens door God is opgelegd en ter voorkoming van laster en luiheid.

“Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten” [Bijbel - 2 Thess 3:10]. Dat was de les die de apostel Paulus voorhield aan de eerste Christenen, die in hun verwachting van de spoedige komst van Gods koninkrijk hun werk eraan gaven en gezamenlijk hun bezittingen opteerden. Arbeid moet door iedereen, zonder onderscheid naar stand worden verricht. Niet omwille van het levensonderhoud en zeker niet omwille van het materiële gewin, maar ‘om Gods wil’. Het is werk dat ook voor de behoeftige naaste en voor de gemeente van harte gedaan moet worden, vervuld van de vreugde van de ‘nieuwe mens in Christis’.

In het Joodse denken gold arbeid dus niet alleen als straf voor de zonde, maar ook als voortzetting van het bezigzijn van God met zijn schepping. Door de afwijzing van rijkdom, ledigheid en zinnelijk genot oefende deze nieuwe godsdienst een grote aantrekkingskracht uit op de brede massa van handwerkers en (vrijgekochte) slaven.

In de Christelijke traditie wordt een ‘stichtelijke’ waarde aan de arbeid toegekend. De vroegchristelijke arbeidsopvatting versmolt met de antieke arbeidsopvatting en bevestigde deze schijnbaar (‘arbeid’ = ‘zware last’), maar stelde ze tegelijkertijd ter discussie. De spanning die daaruit voortvloeide was bepalend voor het arbeidsbegrip in christelijk Europa tot aan de moderne revolutie. De vooraanstaande denkers van de katholieke kerk, zoals Thomas van Aquino (1225-1274) waren weliswaar sterk beïnvloed door de Griekse traditie, maar er ontstond ook een christelijke doctrine waarbij arbeid werd gezien als een boetedoening die voortvloeide uit de zondeval en oorspronkelijke zonden [Ovitt 1986; Meeuws 1989:24; Watson 1995:114].

In alle middeleeuwse talen van de westerse cultuur blijft 'arbeid' dicht bij angst, leed, nood, kommer, ongemak, moeite, kwaal en pijn liggen. Pas aan het einde van de middeleeuwen breekt in het Westen een radicaal andere houding tegenover de arbeid door.

In het vroeg-middeleeuwse kloosterwezen zette zich enerzijds de Platoonse voorkeur voor het contemplatief bestaan voort. Anderzijds bestond er tussen monniken en lekebroeder echter ook een heel geprononceerde verdeling van geestelijk en lichamelijk werk. Fysieke inspanning werd in ere gehouden als tuchtmeester van lichaam en ziel: ‘wie arbeid zondigt niet’.

De kerkvader Augustinus (354-430), die niet geloofde dat mensen op eigen kracht in staat waren om te beslissen tussen goed en kwaad, legde een grote nadruk op de plicht tot arbeid. Het is niet te veel overdreven als men zegt dat het middeleeuwse kloosterleven tot op grote hoogte werd gestempeld door de leerregel van Benedictus: ‘arbeidt en vertwijfelt niet’. De kloosters van de cisterciënsers in de randgebieden van de christelijke wereld waren religieuze landbouwcommunes. De middeleeuwse kloosters kenden een strenge tijdsindeling tussen bidden en werken (ora et labora) die door de kloosterklokken duidelijk werden gemarkeerd. Hierdoor werd een nieuwe discipline geïntroduceerd in het leven van de gekerstende volken.

Pas in de late middeleeuwen deden zich ingrijpende sociaal-economische verschuivingen voor die de waardering van de arbeid zouden veranderen. De zeehandel bracht welvaart in de havensteden en de steden langs de grote handelsroutes. Sinds Augustinus had er een taboe gelegen op het lenen van geld tegen rente, zonder zelf aan de arbeid deel te nemen. In de late middeleeuwen werd dit verbod steeds minder serieus genomen. Het in gilden georganiseerde ambacht kwam tot ongekende bloei.

Na de beëindiging van de kruistochten richtte de adel zich steeds meer op de eigen hofcultuur. Hun praalzucht en de door hen geïnitieerde landhervormingen die oude gemeenschapsrechten doorbrak, leidde tot grote onvrede van de kant van de boeren en soms tot bloedige revoltes. In deze opstanden kwam de vroeg-christelijke droom van een ‘gulden godsrijk van vrede en gerechtigheid’ opnieuw tot leven. Het gezag van de kerk, dat het hele sociale leven van de leken omspande, werd uitgedaagd door sektarische stromingen, die er alternatieve leefwijzen op nahielden.

De gevestigde orden waren inmiddels in goede doen geraakt. Als reactie daarop ontstonden er nieuwe ascetische orden waarin ‘de deugd van nederige arbeid’ opnieuw werd gepredikt. Bovendien ontstonden er bedelorden die ‘de louterende werking van vrijwillige armoede’ als de zekerste weg tot zaligheid beschouwden. Kerkvaders zoals Thomas van Aquino probeerden het tij nog te keren door —in aansluiting op de leer van Aristoteles— de nieuwe wereld terug te persen in een alles omvattende, door God gegeven hiërarchische orde; het goddelijk en het natuurlijk recht, de geestelijkheid en de leken, de handel en de ambachten kregen daarin elk hun vast plaats. Daarbij werd arbeid voorsteld als een wezenlijk bestanddeel van ‘de menselijke natuur’ en als een integrerende factor van menselijke samenlevingsverbanden. Het ‘geestelijk werk’ —vooral in de vorm van gebed en contemplatie— bleef echter een hogere plaats houden dan het werk dat gericht was op de reproductie van het fysieke en sociale bestaan.

Natuurlijk moet deze tijdsaanduiding niet al te absoluut worden genomen. Er waren incidenteel al eerder positieve waarderingen van de arbeid. Een voorbeeld hiervan is Thomas a Kempis (1380-1472), die in 1410 schreef: “Waartoe zoekt gij rust, daar gij geboren zijt om te arbeiden? … Zonder arbeid komt men tot de rust niet, en zonder strijd niet tot de zegepraal” [De Navolging van Christus: 10·1. 19·4; vgl. Negt 1983:42]. In het algemeen kan men echter stellen dat in het Westen pas aan het einde van de middeleeuwen een radicaal andere houding tegenover de arbeid doorbreekt.
Pas sinds de reformatie en de opkomst van het protestantisme wordt aan arbeid een meer positieve betekenis gehecht in de Westerse cultuur. Volgens Maarten Luther (1483-1546) kan arbeid zelf een manier zijn om God te dienen: arbeid werd een ‘roeping’ die in het hiernumaals consciëntieus en levenslang verricht moest worden om in het hiernamaals een goede kans te maken op de betere posities. Arbeid werd hierdoor tot een morele plicht verheven. De vita activa werd niet meer ondergeschikt gemaakt aan de vita contemplativa.

Als maatstaf voor de waarde van de arbeid telde alleen de mate waarin zij gelovig dienend werd verricht, en dus niet wat zij voor de mensen betekende in termen van behoeftebevrediging, of wat zij aan winst opleverde (ook niet in de zin van het ‘goede werk’ als verdienste voor God). Daarom moest zelfs de rijke werken, ook wanneer deze daartoe niet gedwongen was om wille van zijn levensonderhoud. De arbeid was immers God’s gebod voor iedereen, zonder standsonderscheid.
Volgens Luther is de arbeid, ook al is zij zuivere kwelling, verankerd in de natuur van de mens: “Der Mensch ist zur Arbeit geboren wie der Vogel zum Fliegen.”
De arbeid om wille van God en de naaste maakte de christen tot medewerker en voltrekker van de goddelijke wil op aarde. Bij Luther werd de arbeid dus niet om wille van de arbeid zelf gewaardeerd.

Vooral bij Johannes Calvijn (1509-1564) krijgt de arbeid een nieuwe dynamiek. Hij vat arbeid op als het dienstbaar maken van de door God gegeven talenten in dienst van Gods koninkrijk. Wie door God is uitverkoren (predestinatie), dient dit ook in zijn handel en wandel zichtbaar te maken. Omdat het raadsbesluit van God voor de mens verborgen is, rest hem niets anders dan in een arbeidzaam bestaan zijn gaven zo goed mogelijk te onplooien: ‘aan de vruchten herkent men de boom’ [Polder 2009]. Toch bleef ook het middeleeuwse ascetisme bij Calvijn doorwerken. Grote weelde en zinnelijk genot waren voor hem ijdelijke verkwisting van het door God toevertrouwde goed waarover men als rentmeester verantwoording verschuldigd is. De enige aanvaardbare manier om de vrucht van met succes bekroonde arbeid te gebruiken was hulp aan de behoeftige naaste en uitbreiding van de eigen bedrijvigheid. Deze nieuwe arbeidsethos van het protestantisme fungeerde als belangrijke hefboom bij de opkomst van het moderne kapitalisme.

Luther verleende de arbeid zijn positieve waarde, maar Calvijn maakte met zijn pleidooi voor de herinvestering van door arbeid gerealiseerde winst de morele weg vrij voor een economisch stelsel dat gebaseerd is op ongebreidelde expansie en accumulatiezucht. In ieder geval gingen in de nieuw opkomende zeevarende en handelsdrijvende naties grote massa’s over tot het protestantisme. De stedelijke burgerij begon democratische rechten te veroveren en drong de allesomvattende centrale macht van kerk, keizer en koning in de verdediging. Door toenemend particulier initiatief en koloniale expansie raakte het middeleeuwse stands- en gildewezen in verval. Hierdoor kwam de weg vrij voor gedurfd ondernemerschap en vrije concurrentie. Deze ontwikkeling werd mede mogelijk gemaakt door een arbeidsmoraal die de eigen verantwoordelijkheid benadrukt om te woekeren met de beschikbare talenten en middelen. In deze nieuwe economische habitus worden niet alleen geld, goud en goederen, maar ook arbeidskrachten en arbeidstijd gewaardeerd vanuit het kosten-baten principe.

Protestantse ethiek en kapitalisme
Max Weber heeft in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus [1905] laten zien dat het ascetische protestantisme een zeer belangrijke historische rol vervulde voor het ontstaan van het moderne kapitalistische economische systeem. Naast talloze andere factoren stond er “een bepaalde, constitutieve component van de levensstijl” aan de wieg van het moderne kapitalisme [PE II:169]. Door de nadruk op beroepsplicht en rationele ascese kon de protestantse ethiek een van de constitutieve momenten vormen van de ‘kapitalistische geest’ [idem: 285].

Het religieuze leven van de protestanten, hun hierdoor bepaalde familietradities en levensstijl creëerde een specifieke habitus die hen geschikt maakte om aan de specifieke eisen van het vroeg-kapitalisme te voldoen [idem: 318].

De protestantse arbeidsethiek is vaak snel bestempeld als een reactionaire en onderdrukkende ideologie. Maar historisch gezien vervulde deze arbeidsmoraal in ieder geval voor de vroege protestanten toch ook vooral een progressieve en radicale functie. De protestantse opvattingen over arbeid hebben bijgedragen aan het ontstaan van specifieke houdingen en gewoontes (arbeidsdiscipline) die nodig waren voor de ontwikkeling van het moderne kapitalisme en haar ondernemingen.

De oorspronkelijke ontwikkeling van de kapitalistische industrie was niet het werk van de destijds heersende klassen. Zij was veeleer het resultaat van de inspanningen van ‘the industrious people’, van economisch onafhankelijken of zelfstandige ambachtslieden, middenstanders en vrije boeren. De opvattingen van de vroege protestanten waren vaak heel specifiek gericht tegen de destijds heersende klassen; zij beschouwden de aristocratie en de landadel als een nietsdoende en parasitaire klasse. De Engelse historicus Christopher Hill [1969:133] formuleerde dit als volgt:

    “A theory that dignifies labour is as double-edged as the labour theory of value which is its secularised counterpart, already to be found in the writings of Hobbes and Locke. ‘They are unworthy of bread that in their deed have no care for the commonweal’. This was the lower-class heresy throughout the centuries. The propertied class had always been able to supress it until the sixteenth century, but then it won its way to respecability, thanks in part at least to the growing social importance of the industrious sort of people.”
Nadat de opkomende bourgeoisie haar economische en politieke macht gevestigd had, werd ook de protestantse arbeidsethiek getransformeerd: naast de ‘arbeidsplicht’ werd steeds meer de nadruk gelegd op ‘het recht op arbeid’.

De unieke betekenis van de protestantse ethiek voor het ontstaan van het kapitalisme betekent echter niet dat deze ook doorslaggevend zou zijn voor het voortbestaan van dit economisch stelsel. De ‘burgerlijke beroepsethiek’ blijft tegenover de enorme psychische weerstanden en voor-kapitalistische tradities haar betekenis houden totdat “het op zuiver mechanische basis berustende kapitalisme van tegenwoordig dit steunpunt kon missen” [PE II:285]. De protestantse ethiek en levensstijl mag dan voor het ontstaan van het kapitalisme een uitermate belangrijke kracht zijn geweest, voor het voortbestaan van dit economisch stelsel is deze factor volgens Weber in toenemende mate irrelevant [Weber, RS: 36,55, 204].

Bij Marx vind men methodisch gezien een identieke benadering. Superieur geweld is historisch gezien een doorslaggevende factor voor het ontstaan van nieuwe uitbuitingsrelaties: van de koloniale oorlogen van de Griekse stadstaten, de veroveringstochten van het Imperium Romanum, de verovering van ‘geciviliseerde hoogculturen’ door nomaden via de rooftochten van de feodale ridders, de gewelddadige onteigening van de boeren door de ‘ridders van de industrie’ tot aan het kapitalistische kolonialisme en imperialisme en de afpersingspraktijken van de diverse moderne maffia’s.

Geweld is weliswaar kenmerkend voor de zogenaamde oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal [Marx, MEW 23:788; vert. 593] en als zodanig uitgangspunt van de kapitalistische arbeidswijze, maar zodra dit stelsel op eigen benen staat treedt bij haar uitgebreide reproductie het geweld naar de achtergrond [MEW 23:765; vert. 575]. Haar voortbestaan wordt primair veroorzaakt door het ‘normale’ —formeel vreedzame— economische proces van kapitaalaccumulatie — en slechts bij uitzondering gegarandeerd door direct —buiten-economisch— geweld.

Het is niet erg verrassend dat de oud-Griekse opvatting van arbeid als offer een hoeksteen werd van de latere klassieke economen, zoals Adam Smith, die zich inspanden om de structuur en werking van het opkomende kapitalisme te verklaren, en in belangrijke mate ook te legitimeren. De fysiocraten (Quesnay) en de klassieke economen (Petty, Smith, Ricardo) begonnen echter de arbeid als productieve prestatie te waarderen en maakten de sprong naar het moderne arbeidsbegrip. Arbeid werd het centrale begrip van hun theoretische systemen. Het uitgangspunt daarvan luidde: “That Labour is the Father and active principle of Wealth as Lands are the Mother” [Petty 1662:69].

Arbeid werd niet meer alleen beschouwd als middel voor levensonderhoud, maar primair als productiefactor. Adam Smith bevrijdde het arbeidsbegrip van het primaat van de agrarische arbeid (welke door de fysiocraten nog als enige waardescheppende arbeid werd beschouwd) en benadrukte de centrale betekenis van de arbeid in het economisch kringloopproces. Voor hem was arbeid de eigenlijke bron van rijkdom en dus de enige productiefactor in de economisch zin.

De waardeleer van Adam Smith bevat een aantal tegenstrijdigheden die hier buiten beschouwing moeten blijven. Onder ‘waardebron’ verstaat hij de moeite en inspanningen van de werkende zelf, dus het ‘offer’ dat gebracht moet worden om een product te maken. Hierop werd later aangesloten door de grensnutstheoretici - met de variant van de zgn. grensoffertheorie in de leer van de arbeidsmarkt.
Aan alle waardeschepping en prijsvorming ligt volgens Smith dus arbeid ten grondslag: arbeid wordt opgevat als de enige bron en ware maatstaf van de ruilwaarde van alle goederen. De productiviteit van de arbeid zou vooral door verbeterde techniek en organisatie (arbeidsdeling) kunnen worden vergroot. De mogelijkheden van de arbeid zouden vooral benut kunnen worden wanneer zij zich in een ongeremd functionerende kringloop van geld en goederen als een waar vrij kon bewegen. Door deze economisering kreeg het arbeidsbegrip een zeer uitgesproken politiek-maatschappelijke betekenis. ‘Arbeid’ werd een basisbegrip van de economische theorie [zie voor een reconstructie van het arbeidsbegrip van de klassieke economen: Johler/Sichtermann 1978].

Marx sloot kritisch aan bij de klassieke economen, maar nam de achterliggende oud-Griekse en oerburgerlijke notie van de ‘arbeid als offer’ scherp onder vuur. Daar tegenover stelde hij de notie van arbeid als ‘vrije zelfrealisatie’, als mogelijkheid van ‘zelfverwerkelijking’.

Marx verving de tradionele definitie van de mens als een animal rationale door de definitie van de mens als een animal laborans. “De eerste historische daad van deze individuen waardoor zij zich van de dieren onderscheiden, is niet dat zij denken, maar dat zij beginnen hun bestaansmiddelen te produceren” [Marx/Engels, Duitse Ideologie, p. 21]. Deze zinsnede is weliswaar uit de Duitse Ideologie geschrapt, maar de gedachte zelf komt in diverse bewoordingen in uiteenlopende teksten voor.
Marx beschouwde arbeid als het wezen van de mens: het meest kenmerkende voor mensen is dat zij zich door arbeid als eigenactiviteit ‘objectiveren’, zichzelf realiseren en veruiterlijken. Voor Marx is de hele wereldgeschiedenis daarom niets anders dan de voortbrenging van de mens door menselijke arbeid.

Onder kapitalistische verhoudingen zijn arbeiders echter gedwongen hun arbeidskracht te ‘verkopen’ en zich te onderschikken aan een exploitatief systeem van meerwaardevorming en kapitaalaccumulatie. Zij ondergaan hierdoor een zo sterke ‘vervreemding’ dat zij tegenover de arbeid een niet alleen onverschillige, maar zelfs vijandige houding aannemen.

Marx kritiseert benaderingen waarin het ‘rijk der vrijheid’ abstract tegenover het ‘rijk der noodzakelijkheid’ wordt gesteld, dat wil zeggen waarin niet-arbeid wordt voorgesteld als domein van ‘vrijheid en geluk’, terwijl arbeid slechts verschijnt als door uiterlijke omstandigheden opgelegde dwangarbeid. Volgens Marx gaat dit wel op voor de exploitatieve vormen van arbeid, zoals slavenarbeid, horige arbeid en loonarbeid, maar niet voor arbeid als zodanig en zeker niet voor de arbeid in een communistische samenleving, waarin werkelijk vrije arbeid kan bestaan in die mate dat de productie is vermaatschappelijkt en verwetenschappelijkt.

De historicus Jan Romein beweerde dat zich “in de loop van eeuwen de opvattingen omtrent de arbeid in West-Europa evolueerde van zinledig-in-zich-zelf tot zinvol, van bijkomstig tot onmisbaar en van kwaad tot goed.” Hij noemt het een ‘wonder’ dat men hier de arbeid “op den duur heeft leren waarderen, niet meer als middel om in leven of evenwichtig te blijven of om winst te maken, maar als doel-in-zich-zelf, dat als onafscheidelijk deel van het leven zelf werd nagestreefd” [Romein 1952/71:462]. Mijns inziens geeft Romein een nogal overtrokken beeld: de negatieve waardering van arbeid als noodlot, als offer en als ‘zinledig-in-zich-zelf’ spelen tot op de dag van vandaag nog een uiterst belangrijke rol.
De opvatting van ‘arbeid als offer’ is dus zeer oud. Maar ook tegenwoordig wordt arbeid vaak alleen opgevat als een noodzakelijk kwaad. Al onze inspanningen monden uit in het streven dit euvel absoluut of minstens relatief (dat wil zeggen in verhouding tot de resultaten die het kan opleveren) zoveel mogelijk in te perken. Volgens het oude adagium van François Quesnay: “la plus grande diminution possible de travail pénible avec la plus grande jouissance possible.” Niet de arbeid zelf, maar alleen de rijke vruchten die harde arbeid kan afwerpen, maakt voor velen het leven pas zinvol. In deze benadering lijkt het arbeidsbegrip aan duidelijkheid en scherpte te winnen.

Toch zijn er vele bedenkingen bij deze gelijkstelling van arbeid en offer/onlust. Oorspronkelijk kon ‘arbeid’ alleen maar refereren aan de grote inspanning die de mens leverde om zich te bevrijden van de druk van de overweldigende macht van het gebrek (of de nood)*, of van menselijke heerschappij. Tegenwoordig wordt het woord arbeid vaak in een bredere en vriendelijker betekenis gebruikt.

Het natuurrecht van John Locke
In een nauwkeurige reconstructie van het ontstaan moderne arbeidsbegrip zou niet vergeten mogen worden aandacht te besteden aan het werk van John Locke. In zijn Two Treatises of Government [1690] breekt Locke de eerste lans voor opvatting dat arbeid als grondslag van eigendom fungeert.

God had weliswaar aan de mensen de aarde en alle schepselen in bruikleen gegeven, maar elke mens heeft ook een particulier eigendom in zijn persoon, d.w.z. in de ‘arbeid’ van zijn lichaam en in het ‘werk’ van zijn handen. Het door arbeid verworven eigendom is niet wederrechtelijk, maar juist een uitvloeisel van het meest onvervreemdbare recht, nl. het natuurrecht. Niemand anders heeft recht op de arbeidsproducten dan de persoon die deze daadwerkelijk heeft voortgebracht [Ashcraft 1987; Waldron 2002].

Locke beseft overigens wel dat zijn theorie niet alle feitelijk bestaande particuliere eigendommen kon rechtvaardigen; en hij besefte ook dat niet elke arbeid ook recht op eigendom van het arbeidsproduct met zich meebrengt. Voor Locke was arbeid iets heiligs, even heilig als de eigendom die daaruit voortvloeide: de mens heeft een natuurlijk recht op de door zijn arbeid geschapen eigendom.

Dit axioma stond echter vanaf het begin in tegenspraak met het eigendomsrecht van de burgerlijke klassen, dat hij juist wilde legitimeren en garanderen. Locke schreef zijn verhandeling een jaar na de glorious revolution, waarbij de Engelse burgerij zowel staat als maatschappij naar haar eigen hand had gezet, honderd jaar vóór de Franse burgerij hetzelfde zou doen.

Index


2·2 Breed arbeidsbegrip
Iedereen praat over arbeid. Maar wat is dat eigenlijk? Wat verstaan sociologen onder arbeid? Hoe bakenen zij het arbeidsbegrip af? Veel auteurs hanteren een erg restrictief arbeidsbegrip. Arbeid wordt dan simpel opgevat als het geheel van activiteiten waarmee mensen hun brood verdienen. Of iets specifieker: alle activiteiten waarmee inkomen of inkomsten worden gegenereerd. De bezwaren tegen een dergelijke arbeidsopvatting komen hierna nog uitvoerig aan de orde.

In een overigens kritisch boek over de arbeids- en organisatiesociologie komen we bijvoorbeeld de volgende definitie van arbeid tegen: “The carrying out of tasks which enable people to make a living within the environment in which they find themselves” [Watson 1995:113]. Restrictieve arbeidsdefinities zijn geen handelskenmerk van ‘burgerlijke’ arbeidssociologen. Ook een ‘radicaal’ als André Gorz hanteert een uiterst restrictieve arbeidsopvatting. Hij definieert arbeid als “een betaalde activiteit die wordt verricht voor rekening van een derde” [Gorz 1987:220].
In de arbeidssociologie, -psychologie, -fysiologie of in de economische analyses van arbeid worden meestal slechts bepaalde aspecten van de arbeid opgepakt en definitorisch vastgelegd. Maar de centrale vraag, wat arbeid is, wordt meestal onkritisch als vanzelfsprekend verondersteld, of zij wordt als ‘metafysische vraag’ uit het wetenschappelijk discours verbannen.

De gangbare sociologische arbeidsdefinities geven meestal een algemene beschrijving van de arbeidsprestaties of arbeidshandelingen, maar gaan aan de eigenlijke problematiek voorbij. Een exemplarisch voorbeeld hiervan is de arbeidsdefinitie van Friedman [1960: 685 - Q'est-ce que le travail?]. Hij definieert arbeid als “l’ensemble des actions que l’homme, dans un but pratique, à l’aide de son cerveau, de ses mains, d’outils ou des machines, exerce sur la matière, actions qui, à leur tour, réagissent sur l’homme, le modifient.” Georges Friedman is - samen met Pierre Naville - een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Franse ‘sociologie du travail’-traditie.

Daartegenover zal ik hier een breed, maar niet allesomvattend begrip van arbeid uitwerken: arbeid is een specifiek soort activiteit of praktijk, welke gericht is op het voorbrengen van de middelen van menselijke behoeftenbevrediging.

Dit brede arbeidsbegrip moet naar twee kanten worden afgebakend. Enerzijds moet het arbeidsbegrip worden afgebakend van consumerende activiteiten en van vrije tijdsbesteding. Anderzijds - en veel moeilijker - moet het arbeidsbegrip worden afgebakend van de activiteiten van het toeëigenen (van de resultaten van vreemde arbeidskrachten) en het uitsluiten. Deze beide afbakeningen zijn nodig omdat anders het woord 'arbeid' synoniem wordt met ‘activiteit, ‘taak’ of met ‘sociaal handelen’.

Ik zal de daarmee samenhangende problemen in twee stappen behandelen. Eerst wordt het algemene arbeidsbegrip afgebakend, d.w.z. het arbeidsbegrip dat geldig is voor alle maatschappijformaties [§ 3]. Daarna wordt het arbeidsbegrip gedefinieerd dat specifiek is voor burger- lijke maatschappijen, dat wil zeggen voor maatschappijformaties met een dominant kapitalistische organisatie van de arbeid [§ 4].

De methode van Marx
Een vergelijkbare strategie werd door Marx gehanteerd. Hij analyseert eerst de algemene kenmerken van het arbeidsproces, vanuit het standpunt van het ‘eenvoudige arbeidsproces’. In deze analyse wordt geabstraheerd van de historisch specifieke maatschappelijke vormen van de arbeid, dat wil zeggen van de maatschappelijke verhoudingen waaronder gewerkt wordt.

Deze notie van de ‘arbeid sans phrase’ is een methodisch nuttige abstractie omdat zij een ingang biedt voor de analyse van de elementen waaruit arbeid is samengesteld, zodat daarna de differentia specifica van de kapitalistische arbeid kan worden vastgesteld [Marx, MEW 23:192 e.v.,531; Grundrisse:10].

Index3. Voor alle maatschappijformaties

3·1 Algemeen arbeidsbegrip
Arbeid is een uiting van lichamelijke en geestelijke kracht. Maar niet elke uiting van lichamelijke en geestelijke kracht is arbeid. Arbeid is een bewuste uiting van lichamelijke en geestelijke kracht die gericht is op een uiterlijk effect, dat wil zeggen op een resultaat dat de tijd waarin gewerkt wordt meestal overleeft (‘meestal’ omdat het resultaat van dienstverlenende arbeid zeer vaak niet langer duurt dan de arbeidshandeling zelf → § 3·2). Doorslaggevend is de doelstelling van de activiteiten van de animal laborans (‘zwoegende dier’) of de homo faber (‘werkende mens’).

Animal laborans en homo faber
De term animal laborans staat in tegenstelling tot de klassieke opvatting van de mens als animal rationale (‘denkend dier’). Zij staat echter ook in contrast met de term homo faber.
  • De animal laborans voorziet met zijn lichaam en de hulp van gedomesticeerde dieren in de levensbehoeften, is heer en meester van alles wat leeft, maar blijft onderworpen aan natuur en aarde.

  • De homo faber is de schepper van het menselijk kunstproduct, een ‘aanrander van de natuur’, een ‘maker van werktuigen’. De ‘toolmaking animal’ (Benjamin Franklin) werpt zich niet alleen op als heer en meester over de natuur, maar is ook meester over zichzelf en zijn eigen productieve daden.

Hannah Arendt verbindt hieraan het onderheid tussen arbeid en werk: het arbeiden van animal laborans wordt gecontrasteerd met het werken van de homo faber [Arendt 1958/94:89,138,142,150 - Vita Activa].

Onder arbeid versta ik het geheel van doelmatige en bewuste menselijke activiteiten welke specifiek gericht zijn op het voortbrengen van gebruikswaarden, dat wil zeggen van goederen en diensten die de behoeften van menselijke individuen kunnen bevredigen [Benschop 1993/2017:143].

In veel arbeidsdefinities waarin arbeid niet eenvoudig met ‘betaald werk’ wordt geïdentificeerd, treft men een meestal ongespecificeerde notie van ‘waarde’ aan. Arbeid wordt dan gedefinieerd als “an activity that producess something of value for other people” [O’Toole 1973:3]. Om de reductie tot materiële productie te voorkomen, worden hierbij bovendien vaak expliciet de diensten vermeld. Dan wordt arbeid gedefinieerd als “any activity, or expenditure of energy, that produces services and products of value to other people” [Fox/Hesse-Biber 1984:21]. Neemt men deze definitie letterlijk, dan kan subsistentiearbeid niet meer als arbeid worden opgevat — op zelfvoorziening gerichte activiteiten hebben immers per definitie geen ‘value for other people’.

Bankroven en neussnuiten als arbeid
Ook de arbeidsdefinitie van Albert Mok is nauwkeurig. Hij definieert arbeid als “het verrichten van bezigheden die nut hebben voor degene die de arbeid verricht, voor zijn of haar naaste omgeving en/of voor de maatschappij als geheel” [Mok 1994:37]. Hij onderkent zelf dat met deze definitie de arbeidsbezigheden niet precies zijn af te grenzen van vrijetijdsbezigheden. Bovendien blijft onduidelijk welk soort nut (economisch, sociaal of psychisch) bedoeld wordt.

Voor Mok zijn dit echter geen voldoende redenen om zijn arbeidsbegrip strakker af te bakenen. Hij accepteert zelfs de absurde consequentie van zijn definitie, namelijk dat het beroven van banken ook arbeid genoemd kan worden omdat dit ‘nuttig voor het individu’ dat de bank berooft. Als men alle menselijke activiteiten die maar enig ‘nut’ hebben voor de actor, voor anderen of voor de maatschappij als geheel arbeid gaat noemen, dan moet men ook bereid zijn dergelijke onzinnige consequenties voor lief te nemen. Als ik mijn neus snuit, dan is dat is dat voor mij nuttig — maar is het daarom al arbeid?

Maar het echte probleem met dergelijke definities is dat nooit wordt aangegeven wat men onder ‘waarde’ moet verstaan. Het blijft dus onduidelijk of er gezinspeeld wordt op de specifieke gebruikswaarde van goederen en diensten, op hun economische ruilwaarde of geldwaarde, of op een bepaalde morele waarde. Het waardebegrip heeft zowel economische als ethische connotaties. ‘Economische waarden’ wordt meestal opgevat als uitdrukking van maatschappelijk noodzakelijke arbeid of van specifieke grensnutsbepalingen. ‘Ethische waarden’ worden meestal opgevat als uitdrukking van morele principes zoals het recht op leven, rechtvaardigheid, vrijheid, zelfbepaling of autonomie.

Alle menselijke activiteiten die gebruikswaarden voortbrengen kunnen in principe als arbeid worden aangemerkt, althans wanneer voor de actoren zelf herkenbaar is dat deze activiteiten zijn onderscheiden van niet-arbeid (vrije tijd), van consumerende activiteiten en van de activiteiten van het toeëigenen en uitsluiten [Bader/Benschop 1988:94-5,118-22; Benschop 1993:143 e.v.]. Bij afbakening van het algemene arbeidsbegrip zijn dus minstens drie vooronderstellingen in het geding.

Figuur 1 Vooronderstellingen van algemeen arbeidsbegrip

In de volgende paragraven worden deze drie vooronderstellingen apart behandeld.

Index


3·2 Arbeid en gebruikswaarde

3·2·1 Gebruikswaarden
Ik heb arbeid in eerste instantie zeer algemeen gedefinieerd als een gebruikswaarde genererende menselijke activiteit. Arbeid is “de voortbrenging van de meest uiteenlopende gebruikswaarden tot aan hun definitieve gebruiksklare, consumeerbare vorm” [Bader/Benschop 1988:94].

Arbeid is niet beperkt tot het voortbrengen van gebruikswaarden voor anderen of derden. Ook de op zelfvoorziening gerichte producties en diensten vallen binnen het algemene arbeidsbegrip: huishoudelijke en subistentie-arbeid zijn vormen van gebruikswaardeproductie die zich buiten de marktruil voltrekken. Het negeren van de voortbrenging van gebruikswaarden leidt tot vertekeningen in de meting van het totale arbeidspotentieel en in het bijzonder tot een onderwaardering van vrouwenarbeid.

Arbeid is ook niet beperkt tot het voortbrengen van materiële goederen (‘goederenproductie’) in de ruime betekenis van het woord (dus inclusief transport, verpakking, materiële infrastructuur enzovoort).

Arbeid omvat álle activiteiten waarin gebruikswaarden worden voortgebracht. Arbeid omvat dus ook processen van dienstverlening waarin een specificeerbare gebruikswaarde wordt voortgebracht.

Als dienst kan worden aangemerkt:

Al deze diensten veruiterlijken zich niet of niet direct in een materieel product dat tijd-ruimtelijk gescheiden kan worden van het arbeidsproces (en dus ook niet van de lijfelijke aanwezigheid van de dienstverlener) en van het consumptieproces (en dus ook niet van de lijfelijke aanwezigheid van de consumenten, gebruikers of cliënten van de betreffende dienst). Bij de materiële productie verdwijnt het arbeidsproces in het product (Marx), bij dienstverlening verdwijnt het product in het arbeidsproces.

Containerbegrip
‘Dienst’ is een slecht afgebakend containerbegrip dat meestal fungeert als een negatief gedefinieerde restcategorie: alle arbeidsvormen die niet direct resulteren in een materieel product [Benschop 1993/2017:290 e.v.]. Daarom zijn er ook nog weinig bruikbare indelingen voor de verschillende typen diensten voorhanden.

De meest grove indeling is die tussen (a) persoon- of gemeenschapsbetrokken diensten, en (b) op goederen of zaken betrokken diensten. Binnen deze tweedeling zou men de ‘zakelijke dienstverlening’ zo breed kunnen opvatten dat hieronder ook alle vormen van verhuur en leasing kunnen worden gerangschikt: verhuur van huizen en tenten, van auto’s en caravans, van fietsen en boten, van fietsenstallingen en parkeergarages, van televisies en videobanden, van gereedschappen en computers, van tennis- en golfbanen, van feest- en carnavalkleding.

Arbeid is een maatschappelijk fenomeen dat niets te maken heeft met oordelen over de (on)zin of het nut van menselijke activiteiten. Het vervaardigen van objecten die voor niemand nuttig of potentieel bruikbaar zijn, is geen arbeid — ook al heeft deze activiteit nog zo’n grote invloed op de omgeving [Benschop 1993/2017:144]. Iets wat voor niemand een intersubjectief te begrijpen zin heeft (dat wil zeggen geen werkelijke of ingebeelde gebruikswaarde), is geen arbeid, ook al impliceert het een verandering of misschien wel een bewuste verandering van de natuurlijke en sociale omgeving [Krätke 1984:272]. Wie bijvoorbeeld een stoel maakt waarop je niet kunt zitten en die ook voor anderen geen herkenbare esthetische waarde heeft (dus een object zonder zit- of rustgenot en zonder esthetisch genot), heeft in deze optiek dus geen arbeid verricht.

3·2·2 Grenzen van algemeen arbeidsbegrip
Een voorbeeld van een uiterst elastische arbeidsdefinitie staat in het overigens uitstekende boek van Sheila Lewenhak [1992: 16 - The Revaluation of Women’s Work]: “Work comprises all activities which people carry on in order to live.” Deze afbakening is even oeverloos als die van de oude klassieke economen: ‘any effort to satisfy wants’.
Met zo’n rekbare definitie ben je al aan het werk als je met je geliefde ligt te vrijen. Wanneer elke menselijke activiteit als ‘arbeid’ wordt opgevat dan verdwijnt ook de arbeidssociologie in ‘een sociologie van alles’.
Ik heb hiervoor een arbeidsdefinitie gegeven waaraan een probleem kleeft. Het probleem van deze arbeidsdefinitie is haar focus op gebruikswaarde. Door deze focus op het voortbrengen van gebruikswaarden is het algemene arbeidsbegrip weliswaar breed gedefinieerd, maar toch niet zonder grenzen (het is geen oeverloos opgerekt, of katholiek arbeidsbegrip). Er zijn in ieder geval drie soorten activiteiten die wél onder het begrip 'economisch handelen' vallen, maar niét onder het algemene arbeidsbegrip.

  1. Specifiek commerciële en financiële activiteiten die uitsluitend bedoeld zijn om winst te maken. Deze activiteiten vallen strikt genomen buiten het algemene arbeidsbegrip omdat zij als zodanig geen gebruikswaarden voortbrengen. Onder kapitalistische verhoudingen worden echter ook deze activiteiten in de vorm van loonarbeid verricht, zoals in banken, verzekeringsinstanties en aandelenbeurzen.
  2. Specifieke activiteiten die ervoor zorgen dat anderen worden uitgebuit, kunnen volgens de algemene definitie evenmin als arbeid worden beschouwd. Ook deze louter controlerende en repressieve activiteiten worden echter onder kapitalistische verhoudingen als loonarbeid verricht. Het klassenperspectief wordt dus lastiger wanneer deze exploitatieve activiteiten zelf in de vorm van kapitalistische loonarbeid worden verricht.
  3. Alle activiteiten van monopolisering en uitsluiting kunnen strikt genomen evenmin als arbeid worden beschouwd. Zij brengen immers als zodanig geen gebruikswaarden voort, maar zijn gericht op de toeëigening van objecten die al gebruiksklaar zijn, en op de uitsluiting van anderen van hun gebruik. Deze activiteiten omvatten zowel de 'relatiearbeid' en de 'likarbeid' in individuele carrièrestrategieën, de 'machtsarbeid' in de ontplooiing van bijvoorbeeld sociale bewegingen, als de 'geweldsarbeid' in rooftochten en in koloniale, imperiale en handelsoorlogen. De krijgsarbeid heeft zich als een der eersten uitgedifferentieerd tot een beroep. Dat gebeurde niet alleen in legale vormen (zoals bij militairen en politieagenten), maar ook in illegale vormen (zoals bij rovers, muiters en misdaadsyndicaten).

3.2.3 Probleem
De uitsluiting van deze drie activiteiten van het arbeidsbegrip is niet zonder problemen. Voor al deze actviteiten geldt immers dat zij onder kapitalistische voorwaarden in de vorm van min of meer normale loonarbeid worden verricht. De problemen ontstaan omdat het meest algemene referentiepunt van de arbeid (voortbrenging van gebruikswaarden) onder kapitalistische voorwaarden zowel wordt verbreed als versmald. Ik kom hier in paragraaf 4 uitvoerig op terug.

Als men niet alle activiteiten om in het eigen levensonderhoud te voorzien als arbeid wenst te beschouwen, moet men dergelijke problemen op de koop toenemen. Als men deze redenatie volgt, wordt het noodzakelijk de normatieve en descriptieve betekenis van deze verschillen tot gelding te laten komen in een nadere differentiëring van soorten arbeid.

Index


3·3 Arbeid en vrije tijd

3·3·1 Drie empirische differentiaties
Niet alle activiteiten die specifieke gebruikswaarden voortbrengen kunnen als arbeid worden aangemerkt. Het is niet eenvoudig om in het algemeen een onderscheid te maken tussen arbeid en vrije tijd, of tussen arbeid en recuperatie, spel, tijdverdrijf. Ook voor mensen die werken is het niet altijd duidelijk waar de grens ligt arbeid en vrije tijd. Omdat de grenzen tussen arbeid en vrije tijd meestal zo vloeiend zijn, is het erg moeilijk om scherp afgebakende begrippen te formuleren [Clayre 1974; Biggart 1994].

Vanuit dit perspectief is het dus niet eenvoudig een dwingende algemene arbeidsdefinitie te geven. In klassenmaatschappijen zou men nog kunnen proberen om arbeid via de specifieke tegenstelling tot niet-arbeid te definiëren, namelijk als heteronome arbeid, als arbeid onder uiterlijke dwang, als arbeid die uiterlijke doelen dient.

In niet-klassenmaatschappijen verliest echter ook dit onderscheid tussen gewongen arbeid en vrije tijd haar scherpte, en misschien verliest zij wel helemaal haar betekenis. Bovendien is de oud-Griekse en oerburgerlijke opvatting van arbeid als dwang, vloek en rijk van de onvrijheid steeds problematischer geworden. Zij moet concurreren met de opvatting van arbeid als vrije zelfrealisatie en zelfverwerkelijking, met ‘arbeid als spel’ (Marx).

Van Jehova tot Marx: arbeid als offer of als zelfverwerkelijking
Marx legde sterk de nadruk op het tegenstrijdige karakter van de arbeid als offer en als zelfverwerkelijking.

  1. De arbeid als offer staat in het teken van de vloek die Jehova aan Adam meegaf: “U zult brood eten in het zweet uws aanschijns&.” We hebben eerder gezien dat Adam volgens de Joodse mythe op een zeer grondige wijze door Jehova werd vervloekt. Deze van oorsprong oud-Griekse opvatting van arbeid als offer werd later ook door Adam Smith aangehangen. Marx bekritiseert deze opvatting omdat daarin vrijheid en geluk worden geïdentificeerd met rust, met niet-arbeid. Dat neemt niet weg dat de mate van arbeid zelf extrinsiek gegeven is door het doel dat bereikt moet worden en door de belemmeringen die overwonnen moeten worden om dat doel te bereiken [Marx, Grundrisse:505].

  2. De arbeid als zelfverwerkelijking bevat bij Marx ook momenten van vrijheid, zonder ooit doel in zichzelf, spel, louter amusement te worden — zoals bij Fourier [idem: 599]. Het overwinnen van belemmeringen is namelijk op zichzelf al een ‘uitoefening van vrijheid’. Bovendien kunnen de extrinsieke doelen worden ontdaan van de schijn van louter uiterlijke natuurnoodzakelijkheid wanneer zij doelen worden die het individu zelf stelt. In die zin is arbeid dus ook een vorm van “zelfverwerkelijking van het subject, en daarom werkelijke vrijheid” [idem:505].

    In de historische vormen van de arbeid als slavenarbeid, herendienst en loonarbeid domineert steeds het repulsieve karakter van de arbeid en verschijnt de niet-arbeid als ‘vrijheid en geluk’.

      “Het rijk van de vrijheid begint inderdaad pas daar waar het werken, dat door nood en extrinsieke doelmatigheid is bepaald, ophoudt; het ligt dus van nature aan gene zijde van de sfeer van de eigenlijke materiële productie” [Marx, MEW 25:828].

    Het werkelijke ‘rijk der vrijheid’ begint weliswaar voor Marx aan gene zijde van de noodzakelijke arbeid, maar hij erkent —in tegenstelling tot bijvoorbeeld André Gorz [Benschop 1983]— de mogelijkheid van “werkelijk vrije arbeid” [Marx, Grundrisse: 505]. Hiervan is volgens hem sprake wanneer de productie is vermaatschappelijkt (d.w.z. wanneer de geassocieerde producenten hun productie rationeel regelen en onder hun gemeenschappelijke controle hebben gebracht) en wanneer zij is verwetenschappelijkt (d.w.z. wanneer de mens niet meer optreedt als een specifiek gedresseerde natuurkracht, maar als een subject dat alle natuurkrachten regelt).

    Maar zelfs een volledig vermaatschappelijkt en verwetenschappelijkt productiesysteem blijft een ‘rijk der noodzakelijkheid’, want het doel dat bereikt moet worden is extrinsiek gegeven en er blijven tal van belemmeringen over die overwonnen moeten worden. “Pas aan gene zijde daarvan begint de ontwikkeling van de menselijke vermogens die als doel in zichzelf geldt, het ware rijk der vrijheid dat pas kan opbloeien op basis van het rijk der noodzakelijkheid” [Marx, MEW 25:828].

De vraag is en blijft dus: hoe kunnen we een algemeen onderscheid maken tussen arbeid en niet-arbeid (of vrije tijd) dat zowel theoretisch als voor de actoren zelf betekenis heeft? Om deze vraag te beantwoorden moeten we een drievoudige empirische differentiatie introduceren. We moeten in staat zijn om een empirisch onderscheid te maken tussen: (a) de activiteiten zelf, (b) de instituties en functiekringen waarbinnen deze activiteiten zijn georganiseerd, en (c) de tijden waarin deze activiteiten plaatsvinden.

Mijn stelling is dat het voortbrengen van gebruikswaarden alleen als arbeid kan worden ervaren wanneer er empirisch sprake is van een minimale differentiatie tussen arbeid en niet-arbeid (vrije tijd). Deze ervaring wordt gestimuleerd door de tijd-ruimtelijke en institutionele scheiding van arbeid en andere activiteiten en door de differentiatie van beroepen.

De activiteit van het verzamelen, jagen en vooral die van het ploegen, zaaien en oogsten kunnen gemakkelijk als arbeid worden herkend. Zij zijn immers tijd-ruimtelijk en institutioneel van niet-arbeid of vrije tijd gescheiden. In moderne industriële maatschappijen heeft zich deze scheiding grosso modo steeds verder ontwikkeld. Bovendien heeft de beroepsvorming en professionalisering steeds gedifferentieerder vormen aangenomen. Het is een ontwikkeling naar afzonderlijke ruimten met een eigen functie, waardoor de werk- en woonsituatie worden gescheiden (hier even afgezien van recente tegentendensen in de vorm van telethuiswerk).

Ik zal mijn stelling illustreren aan de vraag of huishoudelijke activiteiten als arbeid kunnen worden aangemerkt [§ 3.3.2] en aan de relatie tussen arbeid en vrije-tijd in pre-industriële samenlevingen [§ 3.3.3].

3.3.2 Huishoudelijke arbeid
Huishoudelijke activiteiten kunnen veel minder gemakkelijk als arbeid worden herkend omdat de tijd-ruimtelijke splitsing hier nauwelijks aanwezig en tastbaar is: “a woman’s work is never done”. Bovendien is er niet of nauwelijks sprake van beroepsdifferentiatie: ‘wij koken, wassen, verzorgen, voeden op, cultiveren enzovoort’. Dit is een belangrijke oorzaak van de moeilijkheden bij het herkennen en benoemen van huishoudelijke activiteiten als arbeid.

Zoals gezegd speelt dit vooral een rol in maatschappijen waarin arbeid wordt gereduceerd tot waren- of ruilwaarde producerende beroepsarbeid. Het algemene referentiepunt van de arbeid wordt hierin zodanig beperkt dat huishoudelijke arbeid —die immers ‘slechts’ gebruikswaarden voortbrengt— officieel niet meetelt in de calculaties van veel economen.

Huishoudelijke arbeid is het thuis voortbrengen van gebruikswaarden (goederen en diensten zoals maaltijden koken en wassen) voor directe consumptie. De producten van de huishoudelijke arbeid verschijnen niet op de markt. Huishoudelijke arbeid is daarom geen waardeproductie: de voortgebrachte goederen en diensten worden niet voor de ruil geproduceerd, en de voorwaarden van hun productie zijn niet direct onderworpen aan de waardewet.

In de calculaties van de economen van het nationaal product wordt echter alleen rekening gehouden met goederen en diensten die op de markt worden geruild. Zij beschouwen alleen de productie van ruilwaarden als economische activiteit, terwijl de productie van gebruikswaarden meestal buiten beschouwing wordt gelaten.

Zij tellen nauwelijks mee
Beroepstellingen geven geen juist beeld van de omvang van de vrouwelijke beroepsbevolking. De grootste foutmarges doen zich voor bij de tellingen van (i) meewerkende vrouwen in landbouw en detailhandel, (ii) arbeid in huisindustrie, (iii) huishoudelijke diensten (wasvrouwen, werksters), en (iv) onbetaalde huishoudelijke arbeid [Van Eyl 1994:36 e.v.]. Zie voor de theoretische en operationele problemen van het identificeren en kwantificeren van huishoudelijke arbeid: Benería [1988 - Conceptualizing the Labour Force].
Arbeid in burgerlijke maatschappijen wordt conventioneel gedefinieerd als betaalde arbeid buitenshuis. Daarom werd de feitelijke mate waarin vrouwen onbetaalde arbeid verrichten, altijd onderschat. Vrouwen leverden door de eeuwen heen een substantiële bijdrage aan het huishoudelijk inkomen resp. de huishoudelijke inkomsten. Zij deden en doen dit zowel indirect in termen van hun onbetaalde agrarische en huishoudelijke arbeid als direct door het inkomen dat zij verdienen in de handel en kleine warenproductie.

In de discussies over huishoudelijke arbeid wordt bovendien duidelijk dat ‘werk’ niet alleen een kwestie is van wat mensen daadwerkelijk doen. Elke definitie van arbeid impliceert tevens uitspraken over de voorwaarden waaronder dat werk verricht wordt en over de gepercipieerde sociale waarde of waardering. De onzichtbaarheid van vrouwenarbeid is een effect van de arbeidsdeling naar sekse die in veel maatschappijen bestaat. Deze onzichtbaarheid wordt nog eens versterkt door de etnocentrische vooronderstellingen van veel onderzoekers en beleidsmakers en door autochtone seksistische ideologieën. Wanneer arbeid wordt gedefinieerd als ‘betaald werk buitenshuis’ dan is en blijft het onmogelijk om de omvang en waarde van de subsistentie en huishoudelijke arbeid van vrouwen te herkennen. Deze door en door ‘burgerlijke’ arbeidsdefinitie lijdt een hardnekkig bestaan — ook al contrasteert ze nog zo duidelijk met de ervaringen en verwachtingen van veel mensen.

3·3·3 Arbeidsdeling en traditionele boerensamenlevingen
Het traditionele boerenbestaan is bij uitstek een gebied dat (grotendeels of minstens gedeeltelijk) buiten de markt blijft. Het is de zone van het eigen-gebruik, de zelfvoorziening, waar men op zichzelf is aangewezen. De boeren leven van wat ze eigenhandig produceren of wat de van de buren kunnen krijgen in ruil voor levensmiddelen of diensten.

Natuurlijk kwamen zij wel in groten getale naar de markt van de grote of kleine stad. “Maar de boeren die er alleen maar het onmisbare ploegijzer te kopen en door de verkoop van eieren, boter, een paar kippen of wat groenten aan geld proberen te komen waarmee ze hun belanstingen en cijnzen kunnen betalen, zijn niet werkelijk verbonden met de handel op de markt” [Braudel 1979/89 II:45 - Beschaving, economie en kapitalisme].

Het is niet gemakkelijk om met onze moderne arbeidsopvatting greep te krijgen op het leven van traditionele subsistentieboeren. Dit komt omdat het niet goed mogelijk is vast te stellen wanneer deze boeren met hun werk beginnen en op welk tijdstip zij deze beëindigen. Net als bij de huishoudelijke arbeid is er “geen scheidslijn tussen het opstaan, het wassen, het pellen van rijst voor het ontbijt, het klaar maken van het ontbijt, het verorberen van het ontbijt, het verrichten van vlechtwerk, het naar buiten gaan om de moestuin te cultiveren, het repareren van huishoudelijke objecten en gereedschappen, het naar het veld gaan, het vissen naar kreeft in een nabijgelegen riviertje, het in dit riviertje zwemmen, het hoeden van het vee, het spelen van een muziekinstrument enz.” [Bloch 1983: 91].

All deze activiteiten zijn onderdeel van het leven en lopen volledig in elkaar over. Het is niet mogelijk om ze in werk en vrije tijd te scheiden. In pre-kapitalistische maatschappijen zijn de productieve activiteiten volledig geïntegreerd in andere sociale relaties en bestaat er geen scherpe scheidslijn tussen arbeid en andere activiteiten [Burke 1978]. Mensen werkten en vermaakten zich, maar zij gingen niet ‘naar het werk’ of ‘op vakantie’. Natuurlijk waren er heilige dagen en dagen voor het profane werk, maar de scheiding van de dag in perioden van werk en niet-werk ontstond pas met de opkomst van het kapitalisme.

Voor boerensamenlevingen bestaan nog geen systematische historische analyses van de taakverdeling van leden van huishoudingen. We weten echter wel dat wat gedaan moet worden primair bepaald wordt door arbeidscycli die verbonden zijn met seizoenen en de reproductiecyclus. Hoe sterk op boerderijen de taken onderling verweven zijn, heeft Martine Segalen voor Frankrijk laten zien. Volgens haar bestaat er geen wezenlijk verschil tussen cultiveren en koken.

In pre-industriële samenlevingen en in tradionele arbeidswijzen binnen geïndustrialiseerde samenlevingen heeft arbeid schijnbaar geen begin en geen einde. Werken en eten, kinderverzorging en slapen, cultiveren en koken zijn versmolten in een organisch geheel.

3·3·4 Genese van de arbeidsdag en van vrije tijd
De tijd als externe dwang (als 'dictaat van de klok') of als eindige waar vormde geen onderdeel van de middeleeuwse mentaliteit. Het idee om een tijd vast te stellen waarin gewerkt moest worden, ontstond pas in de 14e eeuwse steden, waar een prominente textielindustrie bestond. De manufactuur van textiel was een van de eerste kapitalistische industriën. De arbeidskosten vormden een belangrijk element van de totale productie. Aan het einde van de 13e eeuw verlaagden de ondernemers de lonen in reactie op een economische crisis. Omdat de arbeiders niet in staat waren deze aanslag op hun levenspeil te weerstaan, zagen zij geen andere uitweg dan de ondernemers te verzoeken om meer te mogen werken. Om de arbeidsuren te controleren en bedrog te ontmoedigen lieten ondernemer ‘werkklokken’ luiden in de steden om het uur aan te duiden. Terwijl voorheen klokken alleen gebruikt werden voor de religieuze oproep tot gebed, werden ze nu in dienst gesteld van economische discipline. Arbeiders verloren de controle over hun arbeidstijd — zij hoorden een klok wanneer het tijd was om te werken, te eten, te pauzeren of te vertrekken.

De textielarbeiders verzetten zich heftig tegen de werkklokken (work clocks, Werkglocken) waarmee de ondernemers hun arbeidsgedrag probeerden te controleren. Deze revoltes hadden echter geen succes omdat de stedelijke besturen de kant kozen van de ondernemers en de klokketorens beschermden.

Aan de traditionele agrarische economie was een natuurlijk tijdsregime verbonden dat de natuurlijke afwisseling van de seizoenen en van dag en nacht volgde. Het tijdsregime werd in de eerste textielsteden steeds meer aangepast aan de eisen van het fabriekssysteem: de arbeiders moesten hun oude ‘ongedisciplineerde’ werkgewoontes laten varen en leren vooral op regelmatige tijden te werken. Ondernemers begonnen te begrijpen dat tijd geld is en dat de controle van de tijd van arbeiders cruciaal is voor de winsten. Deze transformatie voltrok zich langzaam, maar tegen de 18e eeuw werd het moderne tijdsbewustzijn —een besef van minuten en uren, van een ‘dag werk voor een dagloon’— onderdeel van het algemene bewustzijn, ook al werd dit vooral door arbeiders niet van harte gesteund [Le Goff 1980].

Door onteigening van de afzonderlijke arbeiders van het bezit van zakelijke arbeidsmiddelen wordt ook volgens Weber “de mogelijkheid [geschapen] van een straffe arbeidsdiscipline en daardoor prestatiecontrole en daardoor standaardisering van de producten…” [Weber, WG:78].
Tijd werd een economische maateenheid en een middel voor het disciplineren van arbeiders. Met de opkomst van de gemeten arbeidsdag ging een bewustzijn van de maatstaf van voltooide arbeid gepaard. Traditioneel was de arbeidsprestatie laag geweest, gemeten naar moderne maatstaven, waarschijnlijk deels vanwege slecht dieet en lage input van calorieën van de bevolking [Braudel 1979/89 I:82,97 e.v].

Fabrieksondernemers begonnen nu de productie te intensiveren en de arbeidsdag uit te breiden. Het gemoedelijke tempo van het traditionele agrarische werk, met zijn vele onderbrekingen en vakanties, maakte voor fabrieksarbeiders steeds meer plaats voor een slopend arbeidsleven onder smerige condities [Thompson 1963: 200-2]. De arbeidsdag en het arbeidsjaar namen dramatisch toe: van +/- 2000 uur in 1600 tot +/- 3680 uur in 1850 [Biggart 1994:677; Wilensky 1966:125].

De traditionele ritmes van het agrarische werk werden steeds meer doorbroken en vervangen door de moderne segmentatie van de dag in werk en niet-werk. Deze overgang voltrok zich geleidelijk en niet zonder verzet. Hoe onplezierig het fabrieksleven van de vroege 19e eeuw ook was, het ging vaak vergezeld van werkliederen, drinken en zelfs dansen. De arbeidsdiscipline was moeilijk te handhaven en het verloop was zeer groot.

Rond 1830 werden er door heel Europa heen ‘heilige maandagen’ ingevoerd, waarop de arbeiders hun werk verzuimden. Zij namen ’s maandags vrij om te drinken en zich anderszins te amuseren; ze werden niet voor niets ‘blauwe maandagen’ genoemd.
Een fabrikant van hoeden en petten uit New Yersey merkte in 1836 trots op dat hij eindelijk over aantal goede, regelmatige werklieden kon beschikken die niet besmet waren met ‘de lepra van de blauwe maandaggewoonte’ en ‘de morele kanker van vakbondsprincipes’ [Gutman 1988:129].
Het was hun manier om het evenwicht tussen vrije tijd en de steeds langere werkdagen te herstellen. Deze geïmproviseerde ‘blauwe maandagen’ maakte het de arbeider ook mogelijk om het gezag uit te dagen en zijn traditionele vrijheid te bevestigen om naar het werk te komen en de werkplaats te verlaten als het hem zelf uitkomt [Rybeynski 1991:116]. De ‘blauwe maandagen’ hielden stand tot de laatste helft van de 19e eeuw en waren bijna universeel in Engeland van 1840 tot 1860.

Dit is wat Weber huishouden noemt: “het continue gebruik en voortbrenging van goederen, door productie of door ruil, door een economische eenheid gericht op consumptie (verzorging van eigen levensonderhoud) of op de voortbrenging van andere goederen voor consumptie” [Weber, WG:46].
De pre-kapitalistische arbeidsmentaliteit werd gekenmerkt door de sociale gewoonte dat men alleen werkte om traditionele behoeften te bevredigen: men bepaalde zelf wanneer en hoe men werkte. Deze houding liet zich niet gemakkelijk veranderen en ondernemers maakte zich hierover grote zorgen. De traditionele sociale zeden en gewoonten die niet pasten in het patroon van het industriële leven werden gediscrediteerd als belemmeringen voor progressie. Er was een grondige herstructurering van de arbeidsgewoontes nodig: nieuwe vormen van discipline, nieuwe vormen van prestatiemeting, nieuwe vormen van beloning, en dus een nieuw type werkende mens waarop deze prikkels vat konden krijgen [Thompson 1967: 57].

De staat steunde de zaak van de ondernemers met een serie wetten, waarvan de bekendste de Poor Law is die in 1832 in Engeland werd geïntroduceerd. Deze wet was gebaseerd op het idee dat individuen zelf verantwoordelijk zijn voor hun armoede; het verloste zowel landeigenaars als parochies van hun traditionele verplichtingen ten opzichte van hulpbehoevende arbeiders. De overheid verplichtte zichzelf tot het voorkomen dat armen zouden verhongeren en plaatste hen in workhouses waarvan de omstandigheden met opzet miserabel waren. Door de zweep van de honger werden de arme plattelandsbevolking in de fabrieksarbeid gedreven.

De succesvolle pogingen om arbeiders in de fabrieken te drijven, werden tegemoet getreden met een gevecht om kortere arbeidstijden. De eerste arbeidersassociaties en -organisaties hebben zich vooral ingezet de 10-urige werkdag. Zij probeerden niet alleen om de arbeiddag te beperken, maar ook om vrouwen- en kinderarbeid af te schaffen. Het was een omvattend protest tegen de vernietiging van de traditionele gezinseconomie. Met de uiteindelijke ratificatie van de wet op de 10-urige werkdag kwam een formeel eind aan proces dat eeuwen had geduurd: de vestiging van een arbeidsdag, van een bepaalde periode van tijd voor werk. De tijd buiten de werkplaats werd ‘vrije tijd’: vrij beschikbaar voor persoonlijke arctiviteit. Zo ontstond de moderne idee van vrije tijd, een tijdsperiode die van werk is onderscheiden en welke specifiek gedefinieerd werd als niet-arbeid.

Tot ver in de 19e eeuw bestond er nog een andere relatie tussen ‘werk’ en ‘vrije tijd’ en tussen loonarbeid en subsistentiearbeid. De belangrijkste kenmerken van het werk en van de arbeiders voor de opkomst van het fabriekssysteem beschrijft Kumar [1988:147] als volgt:

    “Work was regulated by the task, rather than by time; bouts of intense labour alternated with long periods of idleness; the irregularity of the workday pattern imposed by the task was heightened by the irregularity of the working week and the working year; ‘Saint Monday’ and often ‘Saint Thuesday’ were piously honoured; and the summer season of the year, often for as long from June to October, was given over to agricultural and farming activities as against the manufacturing work carried on during the rest of the year. The keynote throughout is irregularity: of time, of effort, of the payment of wages by employers, who often delayed for two or three months before paying for completed pieces of work.”
Het was niet zozeer de lengte van de fabrieksdag, maar de regelmatigheid ervan die contrasteerde met de traditionele huisindustrie (‘cottage labour system’).

Index


3·4 Handelingscontext en zelfbeleving van actoren
Tenslotte kan arbeid niet los van de gegeven handelingscontext en van het subjectieve perspectief van actoren worden begrepen.

3·4·1 Handelingscontext
Arbeid is een gebruikswaarde genererende menselijke activiteit en wordt uitgevoerd in specifieke sociale situaties. Wat precies geldt als werk is afhankelijk van de specifieke tijd-ruimtelijke en sociaal-culturele mstandigheden waaronder dergelijke activiteiten plaatsvinden. Precies dezelfde concrete activiteit (zoals koken, computerprogramma's schrijven, gitaar spelen) kan voor de een arbeid zijn (voor de kok, programmeur, gitarist), terwijl het voor de ander een vrijetijdsbezigheid of hobby is. Hetzelfde gedrag wordt in de ene context als arbeid en in de andere als vrijetijdsbesteding aangemerkt. Wanneer ik thuis voor mijn vrienden de heerlijkste gerechten kook, dan is dat géén arbeid, terwijl de bereiding van het smerigste eten door een incompetente kok in een slecht restaurant dat wél is. Of een bepaald repertoire van menselijke handelingen als arbeid kan worden ervaren en gedefinieerd, is dus altijd afhankelijk van de specifieke handelingscontext.

Bijna alle bezigheden zijn nu eens geen arbeid, dan weer wel arbeid. Auto's repareren is arbeid voor de automonteur, maar niet voor de arbeidssocioloog die tijdens het weekend aan zijn eigen auto staat te knutselen. Het hangt dus niet van de intrinsieke aard van een activiteit af of zij arbeid is, maar van de sociale context binnen welke zij wordt verricht.

De cruciale vraag is dus: welke sociale contexten of welke institutionele kaders stempelen een activiteit tot arbeid? In paragraaf 4 zullen we zien hoe deze vraag beantwoord kan worden voor burgerlijke maatschappijformaties met dominant kapitalistische arbeidsverhoudingen.

3·4·2 Het subjectieve perspectief
Activiteiten die gebruikswaarden genereren voltrekken zich altijd in specifieke tijd-ruimtelijke en sociaal-culturele contexten. Wat precies als ‘werk’ geldt is echter niet alleen afhankelijk van de specifieke sociale omstandigheden waaronder dergelijke activiteiten worden uitgevoerd, maar ook van de wijze waarop deze omstandigheden en activiteiten door de betrokkenen zelf worden gedefinieerd.

Het woord ‘arbeid’ heeft geen universeel-objectieve of transcendente betekenis. De taal van de arbeid en de discussies over arbeid zijn symbolische representaties waarmee sociale betekenissen en belangen worden geconstrueerd en gearticuleerd.

De betekenissen van arbeid zijn dus niet inherent aan de observeerbare arbeidspraktijken, maar worden door rivaliserende interpretaties en referentiekaders gegenereerd en getransformeerd.

“In essence, work is a socially constructed phenomenon without fixed or universal meaning across space and time, but its meanings are delimited by the cultural forms in which it is practised. Some cultures do not distinguish between work and non-work; others distinguish between work and leisure; still others by reference to employment as a particular category of work” [Grint 1991:46].

Een volledige definitie van arbeid eist dat men rekening houdt met het feit dat arbeid is wat wij als arbeid definiëren. Arbeid is niet alleen een ‘objectieve activiteit’, maar een door en door sociaal geconstrueerd fenomeen [Joyce 1987].

Daarom definieert Hall [1994:5] arbeid als “the effort or activity of an individual that is undertaken for the purpose of providing goods or services of value to others and that is considered by the individual to be work.” Of een bepaald repertoire van menselijke handelingen als arbeid kan worden gedefinieerd, is dus altijd afhankelijk van het subjectieve perspectief waarin actoren deze handelingen verrichten.

Dit betekent echter niet dat het zoeken naar een duidelijke afbakening van de betekenis van arbeid hetzelfde is als speculeren over het geslacht der engelen. Het betekent ook niet dat de arbeidsdefinitie van de één even invloedrijk is als die van een ander. Het betekent veeleer dat we de bestaande arbeidsdefinities moeten opvatten als symbolen van dominante of oppositionele culturen en met name als spiegels van heersende of oppositionele macht.

Arbeidsdefinities zijn altijd ingebed in de concrete machtsverhoudingen waarin de arbeid in een bepaalde samenleving is georganiseerd, alsmede in de daarbij behorende levensstijlen en culturen [d’Iribarne 1994; Wallman 1979]. Zij weerspiegelen deze verhoudingen niet alleen, maar zijn er ook onderdeel van. Rivaliserende arbeidsdefinities refereren dus aan concrete machtskansen in maatschappelijke arbeidsverhoudingen en culturele verhoudingen. Meer in het bijzonder refereren zij aan (a) de verschillende belangenposities die binnen de maatschappelijke organisatie van de arbeid worden ingenomen, en aan (b) de ideële kansen om over maatschappelijk dominante culturen te beschikken, ze te gebruiken of in te zetten [Bader/Benschop 1988:73; Benschop 1993:342,358 e.v.]. Deze ideële kansen zijn een onderdeel van de feitelijke arbeidsposities die mensen innemen. Zij omvatten drie elementen: Bij deze ideële kansen gaat het niet om de feitelijke subjectieve opvattingen die individuen, groepen of sociale klassen hebben, maar om kansen om over deze maatschappelijk dominante duidingspatronen, wereldbeelden, prestigehiërarchieën enzovoort te beschikken, er gebruik van te maken of ze in te zetten.

Veranderingen in de sociaal-economische arbeidsverhoudingen werken door binnen de context van een gegeven cognitieve en normatieve omgeving en in de dominante maatschappelijke duidingspatronen, wereldbeelden en prestigehiërarchieën. Dit zijn geen louter mentale constructies die buiten de alledaagse arbeidspraktijken staan, maar geobjectiveerde en geïnstitutionaliseerde waarnemings-, duidings- en waarderingsschema's die zijn ingebed in de arbeidspraktijken [Scott 1985:305; Benschop [1993/2017:460 e.v. - XVI, § 4·1].

Het gaat er dus om welke kansen de diverse individuen, groepen of klassen hebben om gebruik te maken van specifieke schema's van waarneming, duiding en waardering, en niet om hun feitelijke waarnemingen, duidingen en waarderingen die zij met behulp van dergelijke schemata kunnen realiseren.

Rivaliserende arbeidsdefinities reflecteren dus zowel de spanningsrelatie tussen heersende en subalterne arbeidsvormen, als de spanningsrelatie tussen dominante en oppositionele culturele verhoudingen (in de hier boven omschreven betekenis van geïnstitutionaliseerde cognitieve en normatieve gedragsverwachtingen). Dat is de reden waarom men door een analyse van deze rivaliserende arbeidsdefinities zicht kan krijgen op de concrete machtsverhoudingen die zijn ingebakken in de maatschappelijke organisatie van de arbeid alsmede op de geïnstitutionaliseerde culturele waarderingspatronen waarmee arbeid in onze samenleving beoordeeld wordt. De discussie over en de polemiek rond arbeidsdefinities is en blijft een zeer belangrijk onderdeel van het inmiddels eeuwenoude gevecht om de reproductie resp. transformatie van de actuele maatschappelijke arbeidsverhoudingen.

Index


3·5 Arbeid als bijzondere vorm van sociaal handelen
Zoals gezegd is arbeid het meest algemene, maar tegelijkertijd slechtst afgebakende begrip van de arbeidssociologie. Voor een nauwkeurige en bruikbare definitie van arbeid moet in ieder geval rekening worden gehouden met drie preliminaire afbakeningen. Met deze afbakeningen zijn alleen nog maar de grenzen aangegeven waarbinnen het arbeidsbegrip kan worden gedefinieerd. Zoals zo vaak zijn de meest elementaire en algemene begrippen buitengewoon moeilijk te definiëren.

Arbeid is een bijzondere vorm van sociaal handelen en is net als alle andere vormen van sociaal handelen meervoudig gestructureerd en gemotiveerd. Het streven naar economische doelen gaat meestal gepaard met het streven naar niet-economische doelen, zoals sociabiliteit, persoonlijke erkenning, sociaal prestige en macht [Benschop 1994: hft. II].

Index4. Voor kapitalistische maatschappijen

Ik heb hiervoor gesteld dat het meest algemene referentiepunt van de arbeid de voortbrenging van gebruikswaarden (levensonderhoud, verhoging van de levenskwaliteit) is. Onder kapitalistische voorwaarden wordt dit algemene referentiepunt zowel verbreed als versmald.

4·1 Verbreding en versmalling van arbeidsbegrip
Enerzijds wordt het referentiepunt verbreed. Dat komt omdat zowel de commerciële en financiële als de uitbuitende, monopoliserende en uitsluitende activiteiten de vorm aan nemen van betaalde loonarbeid. Het resultaat van deze verbreding van het referentiepunt van de arbeid is dat men geneigd is om alle activiteiten waarmee mensen in hun eigen levensonderhoud voorzien ('to make a living') als 'arbeid' te beschouwen. Daarmee verschuift het referentiepunt van de arbeid naar de mate waarin activiteiten onder kapitalistische of staatsbureaucratische regie als loonarbeid verricht kunnen worden.

Alle activiteiten die we eerder [§ 3.2.2] van het algemene arbeidsbegrip hebben uitgesloten worden onder kapitalistische verhoudingen als normale loonarbeid bedreven: (a) specifiek commerciële en financiële activiteiten die uitsluitend gericht zijn op realisatie van winsten op goederen of geldmarkten, (b) alle controlerende en repressieve activiteiten die specifiek gericht zijn op het uitbuiten van andere actoren, en (c) alle activiteiten van monopolisering en sociale uitsluiting: van de 'relatie- en likarbeid' in individuele carrièrestrategieën, via de 'machtsarbeid' en 'propaganda-arbeid' in strategieën van bijvoorbeeld ondernemersorganisaties (de moderne Pinkertons), tot de officiële 'krijgsarbeid' in koloniale, imperiale of moderne handelsoorlogen die door militairen in overheidsdienst wordt uitgeoefend en de semi-officiële of illegale 'geweldsarbeid' van paramilitaire groeperingen die in particuliere dienst wordt uitgeoefend, naar het model van de oude Pinkertons [→ VIII, § 5·1. Zie voor analyses van het ‘corporate terrorism’ in de V.S.: Fantasia 1988:39 e.v.; Bendix 1956:268 e.v.; Chernow 1980; Georgine 1980].

Anderzijds wordt het referentiepunt van de arbeid echter tegelijkertijd versmald omdat het wordt gereduceerd tot:

  1. beroepsarbeid
  2. betaalde arbeid
  3. waardeproducerende of productieve - meerwaardeproducerende - arbeid
  4. officiële, legale en zichtbare arbeid.
De arbeid wordt verengd tot ‘economisch’ relevante (d.i. maatschappelijk erkende en monetair beloonde) arbeid welke binnen een specifiek institutioneel kader wordt verricht, namelijk binnen het kader van de officiële arbeidsmarkt.

Versmalling van het arbeidsbegrip bij Marx
Deze versmalling van het arbeidsbegrip werd ook al door Marx geconstateerd in zijn analyse van de wijze waarop ‘productieve arbeid’ fungeert onderkapitalistische verhoudingen. Het volgende citaat illustreert de stootrichting van zijn argumentatie:
    “Slechts de burgerlijke bekrompenheid, die de kapitalistische vormen van de productie voor de absolute vormen ervan laat doorgaan —en daarmee voor eeuwige natuurvormen van de productie— kan de vraag wat productieve arbeid vanuit het standpunt van het kapitaal is, verwisselen met de vraag, welke arbeid überhaupt productief is of wat productieve arbeid überhaupt is, en zich daarom zeer wijs dunken met te antwoorden, dat iedere arbeid, die überhaupt iets produceert, in iets resulteert, daardoor vanzelf productieve arbeid is. Alleen die arbeid, die zich direct in kapitaal omzet, is productief” [Marx, MEW 26.1:368 e.v. - Theorien über den Mehrwert, deel I].

Ik ga hier niet verder in op het verschil tussen het op de kapitalistische arbeidswijze toegesneden arbeidsbegrip in Marx' kritiek op de politieke economie en de schone eenvoud van neoklassieke economie. Bij Marx vindt men een zeer verfijnde analyse van elementaire aspecten van de arbeid: concrete & abstracte, nuttige & waardevormende, private & maatschappelijke, individuele & algemene, eenvoudige & gekwalificeerde, noodzakelijke & meerarbeid, dode & levende arbeid. En men vindt vooral een kritisch onderscheid tussen arbeid en arbeidskracht: arbeid schept waarde, arbeidskracht heeft waarde, en wel gebruiks- en ruilwaarde. In de neoklassieke economische theorie wordt arbeid een black box, het figureert slechts als een van de drie ‘productiefactoren’. De neoklassieken spreken altijd over de waarde, prijs en ruil van ‘arbeid’ en hebben derhalve weinig benul van de problemen van de omzetting van arbeidskracht in arbeid, van motivering en verzet, van controle en ‘paradoxes of discretion’; kortom van alles wat binnen kapitalistische arbeidsorganisaties plaatsvindt.

Het resultaat van deze versmalling is dat alle vormen van niet-betaalde arbeid van de arbeidsdefinitie worden uitgesloten: vrijwilligersarbeid; alle vormen van huishoudelijke arbeid in economische zin (subsistentiearbeid); alle niet-marktgerichte en niet-winstgevende arbeid; alle vormen van inofficieel betaalde arbeid. Al deze soorten arbeid verschijnen niet, althans niet als waardescheppend, in de officiële statistiek. Indien dit wel zou gebeuren, zou het bruto nationaal product (BNP) onmiddellijk met 30 á 50% moeten worden verhoogd.

Wat als reservoir van werkende en werkzoekende arbeidskrachten wordt gedefinieerd, en hoe dit reservoir gemeten worden, is een door en door politieke kwestie, en hangt dus in vergaande mate van de concrete krachtsverhoudingen tussen de betrokken partijen.

Alle werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers worden berekend op basis van de weliswaar problematisch, maar niet geproblematiseerde categorie van de beroepsbevolking.

De sociaal-culturele en politieke bepaaldheid van veel ‘harde’ cijfers over werkgelegenheid en werkloosheid, maakt deze in ieder geval veel zachter, dat wil zeggen discutabel. Als men zoekt naar echt harde gegevens over het beschikbare arbeidspotentieel moet niet worden vergeten dat “the labor force is whatever the government defines it to be” [Hall 1994:10].

Niet alleen de ‘harde’ cijfers over de beroepsbevolking, maar ook die over de werkloosheid zijn dus in de meest letterlijke zin van het woord sociale constructies: een werkloze is iemand die als zodanig door de sociale wetgeving is erkend en op grond daarvan in aanmerking komt voor bepaalde sociale uitkeringen. Een werkloze is in eerste instantie het product van een administratieve definitie, en meer in het algemeen van het sociale begrip van werkloosheid zelf [Besson/ Comte 1992 geven een overzicht van de in Europa gehanteerde definities van werkloosheid].

De bevolking wordt door de staat ingedeeld in mensen die ‘economisch actief’ zijn en mensen die ‘economisch inactief’ zijn. Wanneer mensen belasting en sociale verzekeringspremies betalen zijn zij ‘actief’ of ‘werkend’, wanneer zij dit niet doen zijn zij ‘inactief’ of ‘niet-werkend’. Dergelijke formele definities van werkgelegenheid en arbeidsparticipatie stuiten op steeds meer verzet. Ook sociologen zijn zich gaan afvragen of dergelijke formele beschouwingen nu wel de beste manier is om arbeid te definiëren, omdat veel mensen, vooral vrouwen met huishoudelijke verantwoordelijkheden, volgens deze definitie zoveel tijd besteden aan het ‘inactief’ zijn [Grint 1991:9].

Index


4·2 Informele arbeid
Alle vormen van arbeid die buiten de normale officiële, betaalde loonarbeid vallen worden samengevoegd in het containerbegrip van de 'informele arbeid': alle vormen van onbetaalde arbeid, alle vormen van inkomen genererende arbeid die niet door de staat worden gereguleerd, alle niet-geregisteerde of inofficiële vormen van arbeid, alle vormen van clandestiene of illegale arbeid, alle vormen van subsistentieproductie. Met een dergelijke kauwgom-omschrijving van informele arbeid valt voor sociologen niet te werken. De term 'informele arbeid' is een nevenproduct van de discussie die sinds het midden van de jaren zeventig werd gevoerd over de 'informele economie'.

Het begrip ‘informele economie’ werd geboren in de Derde Wereld, uit een reeks studies over de stedelijke arbeidsmarkten in Afrika. De economisch antropoloog Keith Hart [1973] introduceerde de term in zijn ILO-verslag over kleine zelfstandigen in Accra en andere Afrikaanse steden. Hij hanteerde daarbij een dualistisch model van inkomenskansen van de stedelijke arbeidskrachten, dat grotendeels gebaseerd was op het verschil tussen loonarbeid en zelfstandigheid. Het begrip informele economie werd toegepast op de kleine zelfstandigen.

Oorspronkelijk refereerde de term informele economie aan: (1) lage toegangsbarrières in termen van kwalificatie, kapitaal en organisatie, (2) familie-eigendom van ondernemingen, (3) arbeidsintensieve productie met achterhaalde technologie, (3) kleinschalige werkwijze, (4) lage productiviteitsniveaus en geringe kans tot accumulatie, en (5) ongereguleerde en competitieve markten.

In talloze studies van het ILO en de Wereldbank werd informaliteit opgevat als een uitgesloten sector in minder ontwikkelde economieën: het verwees naar onvolledige werkgelegenheid en naar arbeiders die geen toegang konden krijgen tot de moderne economie. Deze negatieve karakterisering van de informele sector als overlevingsmechanisme in een situatie van onvoldoende formele werkgelegenheid werd door diverse auteurs bekritiseerd. Zij probeerden een meer positieve karakterisering te geven. Zij beschouwden de informele sector als uiting van verzet tegen de rigide commerciële marktstructuren, als teken van ondernemend initiatief van het gewone volk. Tegenwoordig wordt de informele sector meestal neutraler opgevat als het geheel van activiteiten van economische actoren welke buiten de gevestigde institutionele regels vallen resp. buiten de bescherming die deze regels bieden. In deze definitie wordt geen apriori oordeel gegeven over de vraag dergelijke activiteiten ‘goed’ of ‘slecht’ zijn.

Er zijn in principe twee strategieën om het containerbegrip van de informele arbeid open te breken en te specificeren, namelijk door een institutionele en een functionele differentiatie. Het meest verstandige is echter om beide strategieën te combineren.

a) Institutionele differentiatie. Informele activiteiten kunnen worden gedifferentieerd door na te gaan hoe zij zich verhouden ten opzichte van bestaande institutionele regelingen. Vanuit het perspectief van de Nieuwe Institutionele Economie heeft Edgar Feige [1990:992] een nuttige indeling van de informele sector voorgesteld. Hij baseert zijn taxonomie op de institutionele regels die door specifieke economische activiteiten worden genegeerd. Met enige modificaties kan men zijn taxonomie van de 'onderwater economie' gebruiken om vier subvormen van 'niet-formele arbeid' te onderscheiden:

Figuur 2 Institutionele differentiatie van niet-formele arbeid

In werkelijkheid overlappen deze arbeidsvormen elkaar natuurlijk op veel punten. Informele arbeid is voor het merendeel ook niet-geregistreerde en niet-gerapporteerde arbeid. Het belangrijkste onderscheid is dat tussen informele en illegale activiteiten. Illegale ondernemingen produceren en verhandelen meestal goederen of dienstendie door de bestaande wetgeving als illegaal zijn bestempeld (productie van harddrugs, handel in vrouwen), terwijl informele ondernemingen meestal legale goederen produceren en verhandelen (zoals kleding of voedsel). Illegale of criminele arbeid onttrekt zich aan elke institutionele regeling en is dus bijna per definitie tegelijkertijd ook niet-gerapporteerde, niet-geregistreerde en informele arbeid.

Het onderscheid tussen formeel-legale en crimineel-illegale arbeid is natuurlijk relatief omdat het afhangt van de in een bepaalde maatschappij op een bepaald tijdstip heersende sociale en juridische definitie van wat illegale economische activiteiten zijn. Illegale arbeid is een vorm van inofficiële, niet-gerapporteerde maar wel betaalde arbeid. Het omvat niet alleen het produceren en verhandelen van hard- en softdrugs (cocaïne, opium, hasj, marihuana, XTC enz.), maar bijvoorbeeld ook het prostitutiewezen, de vrouwenhandel, het illegale gokken en de handel in gestolen goederen. De klassieke sectoren zijn die van de prostitutie, het gokwezen, de woeker, de porno en de wapenhandel. Illegale exploitatiepraktijken zijn de laatste decennia steeds sterker geconcentreerd op de uiterst lucratieve drugshandel. In de mate dat de georganiseerde criminaliteit de officiële staatsinstellingen heeft gepenetreerd, kan tegenwoordig soms nog meer verdiend worden met de aanbesteding op openbare werken, d.w.z. het zonder noemenswaardige tegenprestatie achteroverdrukken van overheidsgelden.

Castells/Portes [1989:14] hebben het onderscheid tussen formele, informele en criminele economie en de relaties daartussen als volgt in kaart gebracht:

Figuur 3: Typen van economische activiteit

Het onderscheid tussen formele, informele en criminele arbeid heeft als zodanig niets te maken met de specifieke aard van de geproduceerde goederen of diensten, maar met de wijze waarop deze goederen en diensten worden geproduceerd en/of geruild. Overhemden kunnen zowel gemaakt worden door arbeiders die formeel in loondienst zijn van volledig legale ondernemingen, als door (al dan niet illegaal in een land verblijvende) arbeiders die zonder enige rechtsbescherming of sociale zekerheidsrechten in dienst zijn van illegaal opererende ondernemingen. Zo kunnen ook wapens volkomen legaal en zelfs met instemming en steun van regeringen worden geproduceerd en verhandeld door particuliere ondernemingen, maar ook door illegaal opererende criminele bendes.

b) Functionele differentiatie. In een functionele classificatie worden de informele activiteiten ingedeeld naar hun doelen. Portes/Castells/Benton [1989 - The Policy Implications of Informality] hebben laten zien wat het nut is van een functionele classificatie van informele activiteiten naar hun doelen. Zij maken een onderscheid tussen drie informele economieën: de overlevingseconomie, de afhankelijke exploitatie economie en de groei-economie.

Ook deze drie typen informele economieën vloeien in werkelijkheid sterk in elkaar over. Hetzelfde werk dat overleving betekent voor een informele arbeider kan als flexibiliteitswinst worden toegeëigend door een formele onderneming die hem of haar inhuurt. Zo kunnen informele onderaannemers die gerelateerd zijn aan grotere ondernemingen soms voldoende kapitaal vergaren en sociale connecties opbouwen om zich te verzelfstandigen in een groei-traject [Gershuny 1979; Pahl 1994:93,118].

Onderaanneming
Naarmate grote private en publieke ondernemingen de ‘diseconomics of scale’ ontdekken, wordt het idee van onderaanneming aantrekkelijker. Sommige auteurs verwachten hiervan in de toekomst zelfs een substantiële toename van het aantal kleine zelfstandigen.

Kleinschalige bedrijfjes van niet-kapitalistische warenproducenten hebben bepaalde economische voordelen boven grote kapitalistische ondernemingen. Zij zijn minder kapitaalintensief en kunnen ook gedijen in een economische omgeving met verspreide markten, hoge transportkosten, directe producent-cliënt relaties en onvolledige concurrentie. Bovendien heeft het voor grote kapitalistische ondernemingen voordelen om een hecht netwerk van kleine ondernemingen om zich heen te handhaven of zelfs te creëren. Het midden- en kleinbedrijf krijgt in toenemende mate een toeleveringsfunctie. In de sectoren bouw, metaal en dienstverlening werd al in 1972 tweederde van de omzet behaald uit intermediaire leveringen aan andere bedrijven.

Soms produceren deze kleine bedrijfjes onderdelen voor een grote onderneming die daarin niet winstgevend geproduceerd kunnen worden omdat de vraag naar deze producten te variabel is om ze grootschalig te produceren, of omdat de vervaardiging van het betreffende product te arbeidsintensief is. In andere gevallen vervaardigen grote ondernemingen een product binnen de onderneming en besteden een bepaald volume van de productie via onderaanneming uit aan een aantal kleine bedrijfjes. Sommige grote ondernemingen stimuleren een aantal van hun loonarbeiders om zelf kleine bedrijfjes op te zetten.

Voor grote ondernemingen kan deze vorm van decentralisatie van de productie winstgevend zijn. Hierbij spelen twee factoren een belangrijke rol. Ten eerste hoeven deze ondernemingen dan alleen het centrale deel van hun productieve processen te organiseren en te rationaliseren (technologisch-organisationele factor). Ten tweede zijn arbeiders binnen grote ondernemingen beter in staat zichzelf in vakbonden te organiseren en eisen te stellen. In kleine satellietbedrijfjes exploiteert de onafhankelijke ondernemer zichzelf en een paar —vaak vrouwelijke— arbeiders, wier lonen in de regel aanzienlijk lager liggen dan de regelingslonen en wier vakbondsorganisatie gemakkelijker kan worden onderdrukt (syndicale factor).

    Suzanne Berger [1981 – The Uses of the Traditional Sector in Italy] analyseerde de werking van het stelsel van onderaanneming in Italië. Zij laat zien dat er in alle industriële sectoren grote verschillen bestaan in lonen en sociale voorzieningen voor identiek werk in kleine en grote ondernemingen. In industrieën waarin het werk aan thuiswerkers kan worden uitbesteed zijn de verschillen tussen lonen van arbeiders die hetzelfde product maken nog veel groter.

Gebruikmakend van de op wereldschaal bestaande grote verschillen in loonkosten heeft onderaanneming zich tot een internationaal verschijnsel ontwikkeld. Een groot deel van de radio’s en televisies en een toenemend aantal auto’s, boeken, speelgoed en zelfs de haute couture van de Franse modehuizen wordt tegenwoordig in landen als Zuid-Korea, Taiwan en de Fillipijnen geproduceerd [Worsley 1984:198 e.v. - The Three Worlds].

Index


4·3 Het meten van het onmetelijke
Zoals gezegd heeft het verschil tussen formele en informele arbeid niets te maken met de aard van het eindproduct, maar met de manier waarop dit wordt geproduceerd en/of geruild. Formele arbeid is betaalde arbeid waarvoor de verschuldigde premies worden betaald en waarover belasting wordt geheven. Informele arbeid bestaat uit ‘zwarte’ arbeid (betaalde arbeid waarover geen belasting of premie wordt betaald) en onbetaalde arbeid (zoals huishoudelijke arbeid, zorg voor kinderen en andere huisgenoten, doe-het-zelf-werk, vrijwilligerswerk, burenhulp).

  1. Er zijn verschillende methoden om te schatten wat het relatieve gewicht is van informele activiteiten in nationale economieën: (1) de arbeidsmarkt benadering, (2) de zeer-kleine-ondernemingen benadering, (3) de huishoudelijke-consumptie benadering, en (4) de macro-economische discrepatie benadering. Geen van deze methoden is echter volledig bevredigend. De voor- en nadelen van deze benaderingen worden besproken door Portes [1994: 438 e.v. - The Informal Economy and Its Paradoxes].
    Zwart werk is werk dat verricht wordt zonder dat daarvan de verplichtingen uit de fiscale en sociale zekerheidswetten worden nageleefd. Het is niet opgenomen in de officiële statistieken en verschijnt ook niet in de nationale rekeningen. De schattingen over de omvang van en deelname aan zwart werk lopen daarom sterk uiteen. Sommigen schatten de waarde op minder dan 1% van het nationaal inkomen, terwijl het volgens anderen wel 20% is. Dit werk wordt zwart genoemd omdat het niet opgeven van inkomsten aan de fiscus een strafbaar feit is. Daarom wordt daarnaast vaak een grijs circuit onderscheiden waarin slechts(!?) ‘oneigenlijk’ gebruik wordt gemaakt van de fiscale en sociale wetgeving.

    Volgens schattingen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid gaat het in totaal om een kwart miljoen volledige banen (ca. 5% van de totale werkgelegenheid). Twee derde hiervan wordt verricht in bedrijven (vooral in horeca, verhuis- en transportsector, sociaal-cultureel werk en land- en tuinbouw), een derde in particuliere huishoudens (vooral klusjes in de woning, autoreparatie, kappersdiensten en hinderoppas [WRR 1990:75 e.v.]. Ongeveer een kwart van de Nederlandse beroepsbevolking heeft wel eens zwart gewerkt of werkt zwart. Daarbij valt op dat mensen met een baan aanzienlijk meer zwart werken dan mensen zonder baan, nl. 31,4 % tegenover 17,2% [Allaart/De Voogd 1989:10].

    In de landen van de Derde Wereld ligt het aandeel van informele arbeid veel hoger. Tussen de 20 en 70 procent van de arbeidkrachten in belangrijke steden van de Derde Wereld heeft geen vaste werkplek, beroep of inkomen [Rosenberg 1986 - Surviving in the City].

  2. De gegevens over onbetaalde arbeid zijn waarschijnlijk betrouwbaarder. Gemiddeld besteedden Nederlanders van 12 jaar en ouder in 1990 25,2 uur per week aan onbetaalde arbeid (waarvan driekwart bestond uit huishoudelijke arbeid en zorg voor kinderen en andere huisgenoten; 4,6 uur werd besteed aan doe-het-zelf-werk en 2,5 uur aan vrijwilligerswerk). Vrouwen besteden gemiddeld tweëneenhalf maal zoveel tijd aan huishoudelijke werk en kinderverzorging als mannen. Volgens het Nederlands Centrum voor Vrijwilligerswerk (NCV) is het vrijwilligerswerk in Nederland de grootste bedrijfstak met 2,7 miljoen werknemers, goed voor een half miljard productieve arbeidsuren per jaar. Het aanbod van vrijwilligers neemt echter af. Door een verdergaande individualisering en erosie van gemeenschapszin is onbetaalde vrijwillige arbeid in sportverenigingen, hulptelefoons, buurthuizen, daklozenprojecten, verpleegtehuizen enz. geen vanzelfsprekendheid meer.

Index5. Arbeid blijft een lastig begrip

Er zijn weinig auteurs die onderkennen of expliciet stellen dat er eigenlijk onmogelijk is om een ondubbelzinnige definitie van arbeid te geven. Maar ook op dit punt zijn er uitzonderingen. Zo concludeert Grint [1991:7] “that no unambiguous or objective definition of work is possible.”

Dit is overigens geen ramp. Het oplepelen van formele definities is niet de meest overtuigende manier om de ‘exactheid’ van het eigen denken te demonstreren. Meestal levert dit niet meer op dan een paar slechte veralgemeningen. Er zijn meerdere pogingen gedaan om het begrip arbeid tot een formule terug te brengen en haar in een definitie op te sluiten. Het resultaat is meestal dat het arbeidsbegrip wordt geneutraliseerd en slechts een schijnbare precisie krijgt aangemeten.

Het resultaat van deze analyse is dat arbeid een moeilijk begrip blijft: het arbeidsbegrip wordt ondanks alle inspanningen niet echt consistent en er is ook geen handzame formule waarin de belangrijkste dimensies van het begrip kunnen worden vastgehouden.

De belangrijkste reden daarvan is dat het nauwelijks mogelijk is om precies dezelfde criteria te hanteren voor een algemeen arbeidsbegrip dat op alle maatschappijformaties kan worden toegepast en een arbeidsbegrip dat op de burgerlijke maatschappij is toegesneden. Een sociaalwetenschappelijk kritisch en consistent arbeidsbegrip kan alleen worden geformuleerd wanneer beide analytische niveaus strikt uit elkaar worden gehouden. Er moet in ieder geval een duidelijk onderscheid gemaakt te worden tussen al dan niet beloonde of betaalde ‘arbeid’ als gebruikswaarde scheppende activiteit, en al dan niet gebruikswaarden scheppend ‘betaald werk’ dat mensen als loonafhankelijken verrichten.

De opbrengst van deze zoektocht is bescheiden. De belangrijkste winst is niet zozeer het direct tastbare resultaat (zoals een ‘volledig nieuwe arbeidsdefinitie’), maar de gevolgde analytische strategie. De stapsgewijze ontcijfering en deconstructie van het arbeidsbegrip maakt het mogelijk om nauwkeuriger te laten zien waar de voetangels en klemmen liggen die moeten worden vermeden, en waar de echte problemen liggen die men juist niet uit de weg moet gaan.

Arbeid blijft dus een lastig begrip. Gelukkig heeft dat sociale wetenschappers nooit weerhouden om arbeidsverhoudingen empirisch te bestuderen. Discussies over het arbeidsbegrip zijn hiervoor natuurlijk geen vervanging — zij kunnen wel bijdragen aan een precisering van de richting van empirische onderzoeksagenda’s.

IndexLiteratuur

  1. Achterhuis, Hans [1984] Arbeid een eigenaardig medicijn. Baarn: Ambo.

  2. Adriaansens, H.P,M. [1987] Vrijwilligerswerk: profiel en signaal. In: R.C. Kwant (red.) Dat doe je gewoon? Vrijwilligerswerk in sociaal, cultureel en economisch perspectief. Amsterdam: De Balie, pp. 23-40.

  3. Algera, J.A. (red.) Analyse van arbeid vanuit verschillende perspectieven. Amsterdam/Lisse.

  4. Allaart, P.C./Voogd-Hamelink, A.M. de [1989] Wie werkt zwart? Den Haag.

  5. Andel, C.P. [1965] Ethiek van arbeid en rust. Nijkerk.

  6. Anthony, Peter D. [1977] The Ideology of Work. London: Tavistock.

  7. Arendt, Hannah [1958/94] Vita Activa. Amsterdam: Boom [vert. van: The Human Condition].

  8. Arlacchi, P. [1986] Mafia Business: the Mafia Ethic and the Spirit of Capitalism. London: Verso.

  9. Arneson, R.J. [1987] Meaningful Work and Socialism. In: Ethics 97(3):517-45.

  10. Arvon, H. [1956] De arbeid, een wijsgerige beschouwing. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum.

  11. Ashcraft, Richard [1987] Locke’s Two Treatises of Government. Boston: Unwin Hyman.

  12. Bader, Veit/Benschop, Albert [1988] Ongelijk-heden. Pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen. Deel 1. Groningen: Wolters-Noordhoff. De inleiding, hoofdstukken I: Sociale ongelijkheid als wetenschappelijk en politiek probleem, IV: Behoeften - Activiteiten - Verhoudingen en VI: Machtskansen in arbeidsverhoudingen zijn online te lezen.

  13. Bardt, Hans-Paul [1983] Arbeit als Inhalt des Lebens. In: Joachim Matthes (Hg.) Krise der Arbeitsgesellschaft? Verhandlungen des 21. Deutschen Soziologentages in Bamberg. Frankfurt/New York: Campus Verlag.

  14. Bauman, Zygmunt [1998/2005] Work, consumerism and the new poor. Open University Press.

  15. Bechhofer, Frank/Elliott, Brian [1981] The Petite Bourgeoisie. Comparative Studies of the Uneasy Stratum. London: Macmillan Press.

  16. Beck, Ulrich/Brater, Michael/Daheim, Hansjürgen [1980] Sociologie der Arbeit und Berufe. Grundlagen, Problemfelder, Forschungsergebnisse. Reinbek bei Hamburg: Rowohlt.

  17. Beerling, R.F. [1964] Arbeid, spel en creativiteit. In: idem: Wijsgerig-sociologische verkenningen. Zeist/Arnhem: De Haan/Van Loghum Slaterus. pp. 39-101.

  18. Bendix, Reinhard [1963] Work and Authority in Industry: Managerial Ideologies in the Course of Industrialization. New York: Harper & Row.

  19. Benería, Lourdes [1988] Conceptualizing the Labour Force: the Underestimation of Women’s Economic Activities. In Pahl 1988: 372-91.

  20. Benería, Lourdes/Sen, Gita [1981/8] Accumulation, reproduction and women’s role in economic development. In: Pahl 1988:355-71.

  21. Benschop, Albert

  22. Benseler, F. e.a. (hrsg.) [1982] Die Zukunft der Arbeit. Hamburg.

  23. Berger, Suzanne [1981] The Uses of the Traditional Sector in Italy: Why Declining Classes Survive. In: Bechhofer/Elliott 1981: 71-89.

  24. Besson, J.L./Comte, M. [1992] La notion de chômage en Europe - analyse comparative. Paris: Mission Recherche Expérimentation (MIRE).

  25. Biggart, Nicole Woolsey [1994] Labor and Leisure. In: Smelser/Swedberg 1994: 572-90

  26. Blanes Jiménez, Jozé [1989] Cocaïne, Informality and, the Urban Economy in La Paz, Bolivia. In: Portes/Castells/Benton 1989:135-49.

  27. Bloch, Maurice [1983] Marxism and Anthropology: The History of a Relationship. London: Malaby Press.

  28. Boserup, Ester [1970] Women's Role in Economic Development. London: Allen & Unwin. March 5, 1970.

  29. Braudel, Fernand [1979/81] Beschaving, Economie en Kapitalisme (15de-18de eeuw). 3 delen. Amsterdam: Contact 1987/8. Vert. van: Civilisation matérielle, Economie et Capitalisme XVe-XVIII Siècle.

  30. Brouns, M. [1993] De homo economicus als winkeldochter. Theorieën over arbeid, macht en sekse. Amsterdam: SUA.

  31. Brown, R. [1988] The Employment Relationship in Sociological Theory. In: D. Gallie (ed.) [1988] Employment in Britain. Oxford: Blackwell.

  32. Bruijn, J. de [1988] Haar werk. Vrouwenarbeid en arbeidssociologie in historisch en emancipatorisch perspectief. Amsterdam.

  33. Burke, Peter [1978] Popular Culture in Early Modern Europe. New York: New York University Press.

  34. Burns, S. [1977] The Household Economy. Boston: Beacon Press.

  35. Burns, T. [1973] Leisure in industrial society.
    In: S. Parker et a. [1973] Leisure and Society in Britain. Lonodon.

  36. Butsch, Richard [1990] For Fun and Profit: The Transformation of Leisure into Consumption. Philadelphia: Temple University Press.

  37. Caplow, Th. [1958] The Sociology of Work. Minneapolis.

  38. Capecchi, Vittorio [1989] The Informal Economy and the Development of Flexible Specialization. In: Portes/Castells/Benton 1989: 189-215.

  39. Castels, Manuel/Portes, Alejandro [1989] World Underneath: The Origins, Dynamics and Effects of the Informal Economy. In: Portes/Castells/Benton 1989: 11-37.

  40. CBS [1993] Werken en leren in Nederland. Voorburg/Heerlen.

  41. Clayre, A. [1974] Work and play. Ideas and experience of work and leisure. New York.

  42. Conze, Otto [1972] Arbeit, in: Brunner, Otto/Conze, Werner/Koselleck, Reinhart (hrsg.) Geschichtliche Grundbegriffe. Stuttgart: Ernst Klett Verlag. Band I, A-D.

  43. Cremers, W.J.G.
    [1990] The Social and Personal Setting of Labour. Amsterdam

  44. Cunningham, Hugh
    [1980] Leisure in the Industrial Revolution. London: Palgrave Macmillan.

  45. Dahrendorf, Ralf
    [1980] Im Entschwinden der Arbeitsgesellschaft: Wandlungen der sozialen Konstruktion des menschlichen Leben
    In: Merkur 34(8): 749-760.

  46. De Coster, Michel / Pichault, François (ed.)[1994] Traité de sociologie du travail. Bruxelles: De Beock-Wesmael.

  47. Delphy, Chirstine/Leonard, Diana [1992] Familiar Exploitation. A New Analysis of Marriage in Comtemporary Western Societies. Cambridge: Polity Press.

  48. Demos, J. [1986] Past, Present and Personal: The Family and the Life Course in American History. New York: Oxford Univ. Press.

  49. Dijk, J. van [1987] Omvang en aard van het vrijwilligerswerk in Nederland na 1975. Rijksuniversiteit Groningen.

  50. Donkin, Richard [2001] Blood, sweat and tears: the evolution of work. Texere.

  51. Doorne-Huiskes, A. [1992] Betaalde en onbetaalde arbeid: over oude spanningen en nieuwe uitdagingen. Rotterdam.

  52. Dubin, R. [1973] Work and nonwork: institutional perspectives. In: Dunnette 1973: 53-68.

  53. Dumazedier, Joffre
    • [1962] Vers une civilisation du loisir? Parijs: Seuil.

    • [1974] Sociology of Leisure. Amsterdam: Elsevier.

  54. Dumont, L. [1977] From Mandeville to Marx: The Genesis and Triumpf of Economic Ideology. Chicago: University of Chicago Press.

  55. Dunnette, M.D. (ed.) [1973] Work and nonwork in the year 2001. Belmont Cal.: Wadsworth.

  56. Durkheim, E. [1960] The Division of Labour in Society. New York.

  57. Eck, R. van/Kazemier, B. [1989] Zwarte arbeid, een empirische en methodologische studie. Univ. v. A'dam. Diss.

  58. Edwards, Paul [2005] The Politics of Working Life. Oxford University Press.

  59. Eggebrecht, Arne e.a. [1980] Geschichte der Arbeit. Vom Alten Agypt bis zum Gegenwart. Köln: Kiepenheuer & Witsch.

  60. Eijl, C. van [1994] Het werkzame verschil. Vrouwen in de slag om arbeid 1998-1940. Hilversum: Verloren.

  61. Engelen, J./Hemelrijk, A./Munnichs, J. (red.) [1983] Wie niet werkt... Arbeitsethos en werkgelegenheid. Utrecht: Spectrum.

  62. Erikson, Kai/Vallas, Steven Peter [1990] The Nature of Work. Sociological Perspectives. New Haven/ London: Yale Univ. Press.

  63. Esping-Andersen, Gøsta
    • [1990] The Three Worlds of Welafre Capitalism. Cambridge: Polity Press.

    • [1993] Changing Classes. Stratification and Mobility in Post-industrial Societies. London: Sage.

  64. Fèbre, Lucien [1948] Travail: évolution d'un mot et d'une idée. Journal de Psychologie Normale et Pathlogique 61(1).

  65. Feige, Edgar [1990] Defining and Estimating Underground and Informal Economies: The New Institutional Economic Approach. World Development 18(7): 989-1002.

  66. Fetscher, Iring [1963] Arbeit und Spiel. Stuttgart.

  67. Finley, M.I.
    • [1963/77] The Ancient Greeks. London: Penguin.

    • [1985] The Ancient Economy. London: Hogarth Press.

  68. Fourastié, J. [1966] 40.000 uur; de mens in het perspectief van een verkorte arbeidstijd. Werkgroep 2000, Amersfoort: de Horstink.

  69. Fox, A. [1976] The Meaning of Work. In: Unit 6, People and Work. Milton Keynes: Open University Press.

  70. Fox, M.F./Hesse-Biber, S. [1984] Woman at Work. Palo Alto, CA: Mayfield.

  71. Friedman, Georges
    • [1950/73] Où va le travail humain? Paris:Gallimard.

    • [1956/71] Le travail en miettes, specialisations et loisirs. Paris: Gallimard.

    • [1960] Q’est-ce que le travail? Annales 4.

  72. Friedman, Georges/ Naville, Pierre (ed.) [1961-2] Traité de sociolgie du travail. Paris: Colin.

  73. Gerry, Chr./Birkbeck, Chr. [1981] The Petty Commodity Producer in Third World: Petit Bourgeois or 'Disguised Proletarian?, in: Bechhofer/Elliott [1981: 121-54].

  74. Gershuny, J.I.
    • [1978] After Industrial Society? The Coming Self-Service Economy. London: Basingstoke.

    • [1979] The Informal Economy: Its Role in Industrial Society. In:Futures, febr. 1979:3-13.

    • [1983] Goods, servives and the future of work.
      In: J. Matthes (hrsg.) Krise der Arbeitsgesellschaft? Frankfurt/New York.

    • [1985] Economic Development and Cange in the Mode of Provision of Services.
      In: Redclift/ Mingione 1985: 3-15.

    • [1993] Social Innovation and the Division of Labour. Oxford: Oxford University Press.

  75. Gershuny, J.L./Miles, I.D. [1983] The New Service Economy. London: Basingstoke.

  76. Gershuny, J.I./Pahl, R.E. [1979] Work outside employment. Some preliminary speculation.
    In: New Universities Quarterly 34(1):120-35.

  77. Geuns, R.C. van e.a. (red.) [1986] Informele economie. Perspectieven en gevaren. Leiden.

  78. Gils, M.R. (red.) [1975] Werken en niet werken in een veranderende samenleving. Amsterdam: Swets & Zeitlinger.

  79. Godelier, Maurice [1980] Work: the Words used tot represent Work and Workers. History Workshop Journal, 10: 164-74.

  80. Gorz, André [1981] Afscheid van het proletariaat. Amsterdam: Van Gennep.

  81. Grint, Keith [1991/2005] The Sociology of Work. An Introduction. Cambridge: Polity Press.

  82. Grint, Keith / Nixon, Darren [2015] The Sociology of Work - 4th edition. Polity Press. May 4, 2015.

  83. Grossman, Gegory [1989] Informal Personal Incomes and Outlays of the Sovjet Urban Population. In: Portes/Castells/Benton 1989: 150-72.

  84. Guggenberger, B. [1982] Am Ende der Arbeitsgesellschaft, in: F. Benseler u.a. (hrsg.) Zukunft der Arbeit. Hamburg.

  85. Gutman, Herbert G. [1988] Work, Culture and Society in Industrializing America, 1815-1919. In: Pahl 1988: 125-37. Oorsp. in: American Historical Review, june 1973.

  86. Hall, Richard H. [1994] Sociology of Work. Perspectives, Analyses, and Issues. California: Sage.

  87. Hamaker, H.G. [1981] Ontwikkelingen in arbeid en beroep. In: idem (red.) Arbeid, beroep en samenleving. Assen: Van Gorcum.

  88. Handy, Ch. [1984] The Future of Work. Oxford: Basi Blackwell.

  89. Harding, P./Jenkins, R. [1989] The Myth of the Hidden Economy. Milton Keynes: Open University Press.

  90. Harding, S./Phillips, D. [1986] Contrasting Values in Western Europe. London: MacMillan.

  91. Hareven, T.K. [1982] Family Time and Industrial Time. The Relationship Between the Family and Work in a New England Industrial Community. Cambridge: Cambridge University Press.

  92. Hart, Keith [1973] Informal Income Opportunities and Urban Employment in Ghana. Journal of Modern African Studies 11: 61-89.

  93. Heneman, H.G. [1974] Work and nonwork: historical perspectivs. In: Dunnette 1973:12-28.

  94. Herkner, H. [1923] Arbeit und Arbeitsteilung, in: Herkner e.a. Grundriss der Sozialökonomik. II. Abt. 1. Teil. Tübingen.

  95. Herzberg, F. [1968] Work and the Nature of Man. London.

  96. Herzberg, F. e.a. [1959] The Motivation to Work. New York/London/Sidney.

  97. Hill, Christhopher [1965] Society and Puritanism in Pre-Revolutionary England. London.

  98. Hobsbawm, E.J.
    • [1968] Labouring Men. Studies in the History of Labour. London.

    • [1984] Worlds of Labour. Further Studies in the History of Labour. London.

  99. Hofstede, G.
    • [1980] Culture’s Consequences. International Differences in Work Related Values. London/Beverly Hills: Sage.

    • [1991] Cultures and Organizations. Software of the Mind. London: McGraw Hill.

  100. Inglehart, Ronald [1990] Culture Shift in Advanced Industrial Society.
    Princeton, NJ: Princeton University Press.

  101. International Research Team [1987] The Meaning of Work. London: Academic Press

  102. Iribarne (d’), Philippe [1994] Cultures nationales et conceptions du travail.
    In: De Coster/Pichault 1994: 103-13.

  103. Jacobs, F. [1976] Reflexies over arbeid. Alphen a.d. Rijn: Samsom.

  104. Jenkins, Clive /Sherman, Barry [1979] The Collapse of Work. London: Eyre Methuen.

  105. Johler, Jens/Sichtermann, Barbara [1978] Der Begriff ‘Arbeit’ in der nationalökonomischen Ideengeschichte. Mehrwert 15/16:41-58.

  106. Jong, B. de [1981] Thuiswerk: voor jou tien anderen. Amsterdam.

  107. Josten, J.G.J.E. [1975] Werken en niet werken in een veranderende samenleving.
    In: Van Gils 1975:104-8.

  108. Joyce, P.
    • [1980] Work, Society and Politics. London: Methuen.

    • [1987] The Historicial Meaning of Work: an Introduction. In: Joyce 1987.

    • [ed.) [1987] The Historical Meaning of Work. Cambridge: Cambridge University Press.

  109. Kanter, Rosabeth [1978] Work in a New America.
    In: Daedales. Journal of The American Academy of Arts and Sciences 107: 47-78.

  110. Kern, H./Schumann, M. [1984] Das Ende der Arbeitsteilung? Rationalisierung in der industriellen Produkton. München.

  111. Koopmans, C.C. [1989] Informele arbeid; vraag, aanbod, participanten, prijzen.
    Universiteit van Amsterdam. Diss.

  112. Kluge [1900] Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, 7. Aufl.

  113. Koopal, Koos / Benschop, Albert [1996] Bibliografie over werkloosheid, arbeidsvoorzieningen, sociale zekerheid en armoede in Nederland.

  114. Krätke, Michael [1984] Kritik der Staatsfinanzen. Hamburg.

  115. Kuiper, J.P.
    • [1975] Niet meer werken om den brode. In: Van Gils 1975:11-27.

    • Kuiper, J.P. [1975] Arbeid en inkomen: twee rechten en twee rechten. Sociaal Maandblad Arbeid 31:501-12.

  116. Kumar, Krishan
    • [1978] Prophecy and Progress: The Sociology of Industrial and Post-Industrial Society. Harmondsworth: Penguin.

    • [1979/85] The Social Culture of Work: Work. Employment and Unemployment as Ways of Life. In: Thompson 1985: 2-17. Oorspr. in: New University Quarterly, 34.

    • [1988] Form Work to Employment and Unemployment: the English Experience. In: Pahl 1988: 138-64. Oorspr. in: Sociological Review 22(2), mei 1984.

  117. Kwant, R.C. [1964] Filosofie van de arbeid. Antwerpen: De Nederlandse Boekhandel.

  118. Lafargue, Paul [1883/1980] Het recht op luiheid. Amsterdam.

  119. Lanfant, M.R. [1974] Sociologie van de vrije tijd. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum.

  120. Lavine d’Èpinay, Christian [1994] Significations et valeurs du travail, de la ociété industrielle à nos jours. In: De Coster/Pichault 1994: 55-82.

  121. Le Goff, Jacques [1980] Time, Work, and Culture in the Middle Ages. Chicago: University of Chicago Press.

  122. Lewenhak, Sheila [1982/2009] The Revaluation of Women’s Work. London.

  123. Lippe, Tanja van der [1993] Arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen. Een interdisciplinaire studie naar betaald en huishoudelijk wek binnen huishoudens. Amsterdam: Thesis.

  124. Littler, Chris R. (ed.) [1985] The Experience of Work. Aldershot: Gower.

  125. Luijk, E.W. van/Bruijn, R.J. [1984] Vrijwilligerswerk tussen betaald en huishoudelijk werk. Een verkennende studie op basis van een enquête. Den Haag.

  126. Marck, E. van der [1983] Vrijwilligerswerk: initiatief van burgers. Deventer.

  127. Marcuse, Herbert [1967] Über die philosophischen Grundlagen des wirtschaftswissenschaftlichen Arbeitsbegriffes. In: Kultur und Gesellschaft 2. Frankfurt: Suhrkamp. pp. 7-49.

  128. Marshall, Alfred [1890/2009] Principles of Economics. London: Basingstoke.

  129. Marx, Karl
    • Marx-Engels Werke. Geciteerd als MEW.

    • Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie. Berlin 1953. Geciteerd als Grundrisse.

  130. Matthes, Joachim (hrsg.) [1983] Krise der Arbeitsgesellschaft? Verhandlungen des 21. Deutschen Soziologentages in Bamberg 1982. Frankfurt/New York: Campus.

  131. Meeus, M. [1989] Wat betekent arbeid? Over het ontstaan van de westerse arbeidsmoraal. Assen/Maastricht.

  132. Mevissen, J.W.M./Renooy, P.H. [1986] De informele economie gelokaliseerd; een studie naar achtergronden en verschijningsvormen van de informele economie in Nederland. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Den Haag.

  133. Mok, A.L. [1994] Arbeid, bedrijf en maatschappij, In het zweet uws aanschijns...
    Stenfert Kroese.

  134. Moore, Henrietta L. [1988] Feminism and Anthropology. Cambridge: Polity Press.

  135. Moorhouse, H.F. [1987] The 'Work Ethic' and 'Leisure' Activity: the Hot Rod in Post-war America. In: Joyce 1987.

  136. Mot, E.S./Roozen, I.T.M. [1990] Aanvullende en vervangende zwarte arbeid. WRR-Werkdocument W 52. Den Haag.

  137. Naschold, F. [1985] Zum Zusammenhang von Arbeit, sozialer Sicherung und Politik. Einführende Anmerkungen zur Arbeitspolitik. Berlin.

  138. Naville, Pierre [1954] La vie de travail et ses problèmes. Paris.

  139. Negt, Oskar [1994] Lebendige Arbeit, enteignete Zeit: politische und kulturelle Dimensionen des Kampfes um die Arbeitszeit. Frankfurt/New York: Campus Verlag.

  140. Nosow, S./Form, W. (eds.) [1962/2013] Man, Work and Society: A Reader in the Sociology of Occupations. New York: Basic Books.

  141. Oakley, Ann [1974/83] The Sociology of Housework. London: WileyBlackwell.

  142. Offe, Claus [1985] Work: The Key Sociological Concept? In: C. Offe, Disorganized Capitalism. Contemporary Transformations in Work and Politics. Cambridge: Polity Press. pp. 129-55.

  143. O’Toole, J. (ed.) [1973] Work in America. Cambridge: MIT-Press.

  144. Ovitt, G. [1986] The cultural context of Western technology: Early Christian attitudes toward manual labour. In: Technology and Culture 27:477-500.

  145. Oxley, Geoffrey W. [1974] Poor Relief in England and Wales 1601-1834. Newton Abbott: David & Charles.

  146. Pahl, Raymond E.

  147. Pahl, Raymond E./Wallace, Claire [1985] Household Work Strategies in Economic Recession. In: Redclift/Mingione 1985: 189-227.

  148. Paoli, P. [1992] First European survey on the work environment 1991-1992. Dublin: Eur. Found. Improv. Living & Working Conditions.

  149. Perlman, Janice [1976] The Myth of Marginality: Urban Poverty and Politics in Rio de Janeiro. Berkeley, Cal.: University of California Press.

  150. Petty, William [1662] A Treatise of Taxes and Contribution. London.

  151. Plantenga, J. [1993] Een afwijkend patroon. Honder jaar vrouwenarbeid in Nederland en West-Duitsland. Amsterdam.

  152. Polanyi, Karl [1944/2001] The Great Transformation: The Political and Economic Origins of Our Time. Boston: Beacon Press.

  153. Poler, Johan [2009] Calvijn en de economie. In: J. van der Knijff (red.), De relevantie van Calvijn. Gouda: De Groot Goudriaan Kampen

  154. Portes, Alejandro [1994] The Informal Economy and Its Paradoxes. In: Smelser/Swedberg 1994: 426-49.

  155. Portes, Alejandro/Castells, Manuel/Benton, Lauen [1989] The Policy Implications of Informality. In: idem 1989:298-311.

  156. Portes, Alejandro/Castells, Manuel/Benton, Lauen (ed.) [1989] The Informal Economy: Studies in Advanced and Less Developed Countries. Baltimore, MD: John Hopkins University Press.

  157. Pronovost, Gilles
    • [1989] The Sociology of Time. London/Newburry Park (CA): Sage.

    • [1993] Loisir et société. Traité de sociologie empirique. Québec: Presses de l’Université du Québec.

    • [1994] Loisir et travail. In: De Coster/Pichault 1994: 83-102.

    • [1996] Sociologie du Temps. Paris: De Boevk & Larcier.

  158. Prost, A. [1990] Grenzen en ruimte van het persoonlijke. In: A. Prost/G. Vincent, Geschiedenis van het persoonlijke leven. Deel 5. Amsterdam, pp. 13-125.

  159. Reich, Robert [1991] The work of nations. Preparing ourselves for 21st-century capitalism. New York: Vintage Books.

  160. Redclift, N/Mingione, E. [1985] Beyond Employment, Household, Gender and Subsistance. London: Basil Blackwell.

  161. Richards, V. (ed.) [1984] Why Work? London: Freedom Press.

  162. Rijnvos, C.J. e.a. [1981] Waarheen met onze arbeid? Baarn: Ambo.

  163. Robert, Bryan, R. [1989] Employment Structure, Life Cycle, and Life Chances: Formal and Informal Sectors in Gualdajara. In: Portes/Castells/Benton 1989: 41-59.

  164. Romein, Jan [1952/71] Het arbeidsbegrip in Oost en West. In: idem, Historische lijnen en patronen. Een keuze uit de essays. Amsterdam: Querido, pp. 446-73.

  165. Ronco, William/Peattie, Lisa
    • [1983] Making Work: Self-created Jobs in Participatory Organizations. Plenum Press.

    • [1988] Making Work: a Perspective from Social Science. In: Pahl 1988:710-21.

  166. Rose, M. [1985] Re-working the Work Ethic. London: Allen Lane.

  167. Roth, Jürgen/Frey, Marc [1994] Het verenigd Europa van de Mafia. Amsterdam: Van Gennep/ Kritak.

  168. Russel, B. [1984] In Praise of Idleness. In: Richards 1984.

  169. Rybeynski, Witold [1991] Waiting for the Weekend. New York: Viking.

  170. Sabel, Charles S. [1982] Work and Politics: the Divisions of Labour in Industry. Cambridge: Cambridge UP.

  171. Saerle-Chatterjee, M. [1979] The Polluted Identity of Work: a Study of Benares Sweepers. In: Wallman 1976.

  172. Sahlins, Marshall [1974] Stone Age Economics. London: Tavistock.

  173. Sayers, S. [1988] The Need to Work. In: Pahl 1988.

  174. Schelsky, H. [1975] Die Arbeit tun die anderen. Opladen.

  175. Scott, James, C. [1985] Weapens of the Weak. Everyday Forms of Peasant Resistance.
    New Haven/London: Yale University Press.

  176. SCP (Sociaal & Cultureel Planbureau) [1994] Sociaal en Cultureel Rapport. Rijswijk.

  177. Segalen, M. [1983] Love and Power in the Peasant Family. Basil Blackwell. Oxford.

  178. Sharp, C. [1981] The Economics of Time. Oxford: Martinn Robertson.

  179. Skyrme, David J. [1995] Flexibel werken: Naar een slanke en alert reagerende organisatie. M&O Quarterly 1: 43-65.

  180. Smelser, Neil / Swedberg, Richard (eds.) [1994] The Handbook of Economic Sociology. Princeton/New York: Princeton Univ. Press/Russel Sage Foundation.

  181. Smith, Adam [1776/1993] An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations. Oxford/New York: Oxford University Press.

  182. Stark, David [1989] Bending the Bars of the Iron Cage: Bureaucratization and the Informalization in Capitalism and Socialism. In: Sociological Forum, 4: 637-64.

  183. Stebbins, Robert A. [1970] Amateurs: On the Margin between Work and Leisure. Beverly Hills: Sage.

  184. Strangleman, Tim
    • [2004] Work Identity at the End of the Line? Privatisation and Culture Change in the UK Rail Industry. Palgrave.
    • [2008] Work and Society: Sociological Approaches, Themes and Methods. Routledge.
    • [2011] The Sociology of Work: Critical Concepts in Sociology, (ed.) (4 Vols.) London:Routledge.
    • [2015] Industrial Structure of Feeling: Creating Industrial Gemeinschaft in a Twentieth Century Workplace.
      In: Dawson, M. et al. (eds.) Stretching the Sociological Imagination: Essays for John Eldridge. London: Palgrave Macmillan.
    • [2015 Work: Experience, Identities and Meanings.
      In: Holborn, M. (ed.) Contemporary Sociology. Polity Press.
    • [2016] The Disciplinary Career of the Sociology of Work.
      In: Edgell, S., Gottfried, H. and Granter, E. (eds.) The SAGE Handbook of the Sociology of Work and Employment. London: Sage.

  185. Sue, Roger

  186. Surber, M [1983] Work and Leisure: The Problem of Identity Among Professional Workers
    In: Society and Leisure 6(2): 429-56.

  187. Thomas, Keith [1964] Work and leisure in pre-industrial society. Past & Present 29: 55-66.

  188. Thompson, Edward P.
    • [1971] The moral economy of the English crowd in the 18th century. Past & Present 50.

    • [1967] Time, work-discipline and industrial capitalism. Past and Present 38: 56-97.

  189. Thompson, Kennet (ed.)
    [1985] Work, Employment & Unemployment - Perspectives on Work and Society. Milton Keynes, Phil.: Open University Press.

  190. Tilgher, Adriano
    • [1931] Work: what it has meant through the ages. London: Harrap & Company.

    • [1958] Homo Faber. Work trough the Ages. Chicago.

    • [1962] Work through the ages. In: Nosow/Form 1962:11-24.

  191. Tilly, Chris/Tilly, Charles
    [1994] Capitalist Work and Labor Markets.
    In: Smelser/Swedberg 1994: 255-82.

  192. Triandis, H.C.
    [1973] Work and nonwork: intercultural perspectives.
    In: Dunnette 1973:39-42.

  193. Vallas, Steven
    [2011] Work. New York: Wiley.

  194. Vallas, Steven P. / Finlay, William / Wharton, Amy S.
    [2009] The Sociology of Work: Structures and Inequalities.
    Oxford University Press. January 15, 2009. by

  195. United Nations
    • [1986, 1989] World Survey of the Role of Women in Development New York.

    • [1985] Forward-Looking Strategies, document adopted by consensus by World Conference to Review and Appraise the Achievements of the Women's Decade for Woman. Nairobi.

  196. Ven, F.J.H.M. van der
    • [1965] De arbeidende mens. Arbeidssociologische beschouwingen.

    • [1965/68] Geschiedenis van de arbeid I, II en III. Utrecht/Antwerpen.

  197. Veen, P.A.F. van/Sijs, N. van der
    [1991] Van Dales Etymologisch Woordenboek. Den Haag.

  198. Vialatoux, J.
    [1966] Sociologie van de arbeid. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum.

  199. Volz, F.R.
    [1982] Die Arbeitsgesellschaft. Hamburg.

  200. Voyé, L./Bawin-Legros, B./Kerkhofs, J./Dobbelare, K.
    [1992] Belges, heureux et satisfaits. Bruxelles: De Boek.

  201. Watson, Tony J.
    [1996] Sociology, Work & Industry.
    Routledge & Kegan Paul.

  202. Waldinger, Roger
    [1986] Through the Eye of the Needle: Immigrants and Enterprise in the New York’s Garment Trade.
    New York: New York University Press.

  203. Waldron, Jeremy
    [2002] God, Locke, and Equality
    Cambridge: Cambridge University Press.

  204. Wallman, Sandra (ed.)
    [1976] Social Antropology of Work.
    Cambridge: Cambridge University Press.

  205. Weber, Max
    • Wirtschaft und Gesellschaft. Grundriß der Verstehende Soziologie. Tübingen: Mohr 1956. Geciteerd als WG.

    • Die protestantische Ethik I. München 1965 (Geciteerd als PE I); Die protestantische Ethik I - Kritiken und Anti-kritiken. Hamburg 1972 (Geciteerd als PE II).

    • Gesammelte Aufsätze zur Religionssoziologie. Tübingen 1963. Geciteerd als RS.

  206. Wezel, J.A.M. e.a. [1976] De verdeling en de waardering van de arbeid: een studie over ongelijkheid van het arbeidsbestel. Tilburg: IVA.

  207. Wijmans, Luuk [1994] Arbeid: Last of Lust? Om de kwaliteit van het arbeidsbestaan. Amsterdam:Nivon.

  208. Wilensky, H.L. [1966] Work as a social problem. In: H.S. Becker (ed.) Social Problems - A Modern Approach. New York: Wiley. pp. 117-66.

  209. Worsley, Peter
    [1984] The Three Worlds. Culture and World Development.
    London: Weidenfeld & Nicolson.

  210. WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid)
    • [1977] Over sociale ongelijkheid. Een beleidsgerichte verkenning. 's Gravenhage: SDU.

    • Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren ’90. ’s Gravenhage: SDU.

  211. Yankelowich [1974] The Meaning of Work. In: J.M. Rosow (ed.) The Worker and the Job: Coping with Change. Englewood Cliffs, N.J.: Prentice Hall.

  212. Zanden, J.L. [1991] Arbeid tijdens het handelskapitalisme. Opkomst en neergang van de Hollandse economie 1350-1850. Bergen: Octavo.

  213. Zanders, H. L.G.
    • [1978] Opinies over Arbeid. Een onderzoek naar kenmerken van en opvattingen over arbeid en arbeidsomstandigheden. In: Intermediair 14(22): 63-7.

    • [1987] Opvattingen over arbeid in Nederland en Europa. In: L. Halman e.a. (red.) Traditie, secularisatie en individualisering. Een studie naar de waarden va de Nederlanders in een Europese context. Tilburg. pp. 168-86.

Index


ArbeidsSociologie NetSociologie Zoek Home Contact
Redactie: Albert Benschop
Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen
Universiteit van Amsterdam