| ArbeidsSociologie | NetSociologie | Zoek | Home | Contact |
|---|

Universiteit van Amsterdam
Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen
dr. Albert Benschop
ABy© Amsterdam
december 1995
'Arbeid' is een woord met vele en meestal tegenstrijdige betekenissen.
Arbeid wordt ervaren als last of lust. Arbeid wordt ervaren als een last die wordt opgelegd door externe omstandigheden van existentiële nood en gebrek of van relatieve schaarste. Arbeid is een bezigheid die geen doel in zichzelf heeft, maar louter middel is waarmee mensen in hun levensonderhoud voorzien. Wie werkt verkeert in het rijk der noodzakelijkheid: de doelen van de arbeid worden van buitenaf opgelegd. Arbeid is slechts een middel om deze doelen te realiseren; het is een offer, een opoffering van vrije levenstijd. De arbeid zelf is een moeizame, belastende activiteit die we nooit zouden verrichten als we hiertoe niet gedwongen werden door de noodzaak om in ons levensonderhoud te voorzien. Arbeid wordt echter ook ervaren als een lust, als iets waaraan we persoonlijk een intrinsiek plezier beleven (laborare et orare). Wie werkt krijgt zicht op het rijk der vrijheid: de mens is een wezen dat zichzelf in produkten en diensten wil veruiterlijken en dat zich juist in en door de arbeid kan verwerkelijken (ook wel 'objectivering van het subject' genoemd). Arbeid biedt unieke mogelijkheden tot zelfverwerkelijking, en ontplooiing. Arbeid kan dus ook als eerste levensbehoefte worden opgevat, of zelfs als eigenlijke zin van het leven.
Arbeid wordt ervaren als plicht of recht. Arbeid wordt ervaren als een plicht, als schuld die elke arbeidsgeschikte burger aan de maatschappij moet afdragen. Door sommigen wordt deze verplichting nog steeds geïnterpreteerd als uitvloeisel van een goddelijk gebod; voor anderen was de algemene arbeidsplicht lange tijd slechts een opgelegd pandoer in centraal gestuurde planeconomieën. De werklozen van tegenwoordig, voor wie het 'recht op arbeid' een lege huls is, wordt regelmatig voorgehouden dat zij toch een - al door Babeuf bepleitte - plicht tot gemeenschapsarbeid hebben. Arbeid is een zeer cruciale rechtstitel op inkomen en verzorging (resp. een aandeel in eigendom). Het 'recht op arbeid' is echter in veel gevallen niet veel meer dan een moreel principe: het is weliswaar als grondrecht vastgelegd in vele nationale en internationale constituties, maar geen enkele overheid is in staat dit recht daadwerkelijk te verzekeren. Overheden kunnen of willen hun burgers niet garanderen dat zij een ieder in staat stellen in zijn onderhoud te voorzien door arbeid die afgestemd is op de persoonlijke en maatschappelijke behoeften en mogelijkheden. In plaats van een substantieel recht op arbeid krijgen Nederlandse burgers de onverplichtende - en misschien moet men wel zeggen: platonische - verzekering dat "de bevordering van voldoende werkgelegenheid" een "voorwerp van zorg der overheid" is (artikel 1.18 van Grondwet). Het 'wie niet werkt, zal ook niet eten' is echter naar de achtergrond gedrongen door een verdergaande institutionalisering van het recht op inkomen (van bijstand tot AOW).
Arbeid wordt ervaren als bevrijding of verslaving. Arbeid wordt ervaren als unieke veranderingskracht in civilisatieprocessen en als betrouwbare graadmeter van de menselijke progressie. Het emancipatoire effect van arbeid zou vooral tot uiting komen in het feit dat zij de massa invoegt in de cultuurbeweging ('Arbeid maakt vrij'), en dat zij een opvoedende, veredelende werking heeft ('Arbeid adelt'). En daarom geldt ook in christelijke termen: 'Ledigheid is des duivels oorkussen'. Maar arbeid wordt niet alleen ervaren als toegangspoort naar het rijk der vrijheid. Arbeid betekent voor velen juist ook verslaving. Het regressieve effect van arbeid komt tot uiting in het feit dat zij de massa invoegt in een hiërarchische en repressieve verhoudingen waarin mensen hun zelfstandigheid verliezen ('Arbeid is werken voor de baas'), en dat zij een afstompende en geestdodende werking heeft ('Arbeid vernedert'). En dus geldt ook in profane termen: 'Arbeid is voor de dommen'. Wie de pech heeft om te moeten werken, zal hier dus een zekere prijs voor moeten betalen. Het zijn de kosten van onderworpenheid, van vervreemding en van heteronomie, die echter moeilijk exact te berekenen zijn.
Arbeid wordt ervaren als bron van rijkdom of van armoede. Arbeid is - afgezien van de natuurlijke hulpbronnen - de enige echte bron van rijkdom en is daarom de maatstaf van alle economische waarden. Volgens Benjamin Franklin moesten we er altijd rekening mee houden 'dat tijd geld is'. De intuïtie zegt echterook dat geld in laatste instantie niets anders is dan gestolde arbeidstijd. Arbeid genereert niet alleen rijkdom, maar kan onder bepaalde omstandigheden ook tot de bitterste armoede leiden. Arbeid was voor de heersende klassen en elites immers altijd een middel voor zelfverrijking op kosten van de werkenden. Arbeid is iets dat geëxploiteerd kan worden: de vruchten van de arbeid worden toegeëigend door mensen die niet werken maar slechts commanderen. In maatschappijen met een overwegend kapitalistische arbeidswijze fungeert arbeid als middel van meerwaardevorming en kapitaalaccumulatie. Wie in loondienst werkt, wordt structureel geëxploiteerd. De keerzijde van de vermeerdering van de rijkdom van de exploiteurs is de relatieve verarming van de werkenden. Tegenover de oude volkswijsheid van heersenden 'dat van werken nog nooit iemand dood is gegaan' (wat empirisch gezien zeker niet klopt) staat die andere wijsheid van de werkenden, 'dat men van hard werken nooit rijk zal worden' (wat empirisch gezien vaak wel regel is).
Arbeid wordt ervaren als grondslag van eigendom of van bezitloosheid. Voor aanhangers van het liberalisme is arbeid de basis van alle eigendom. Zij beschouwen arbeid als grondslag van een sociaal rechtvaardige en economisch effectieve, vrije en toch goed georganiseerde prestatiemaatschappij. Een maatschappij waarin iedereen op basis van eigen arbeid in staat is om eigendom te verwerven. Voor aanhangers van het socialisme is arbeid echter veeleer de basis van bezitloosheid. Zij beschouwen loonarbeid als grondslag van een sociaal onrechtvaardige en economisch exploitatieve, klassenmaatschappij. Een maatschappij waarin bezitloze werknemers juist door hun loonarbeid voor ondernemers verstoken blijven van alle relevante economische eigendommen, en met name van controle over de materiële arbeidsvoorwaarden.
Tenslotte wordt arbeid ervaren als godsdienst of mensendienst. Arbeid is mensenwerk. Want arbeid wordt niet alleen door mensen verricht, maar ook voor mensen. Arbeid is een doelgerichte menselijke activiteit gericht op het voortbrengen van goederen en diensten die de meest uiteenlopende behoeften van individuen kunnen bevredigen. Arbeid is dus in meerdere opzichten een mensendienst, een daad van sociale wederkerigheid. In een relatief hoog ontwikkelde samenleving als de Nederlandse wordt arbeid merkwaardig genoeg ook nog steeds als een godsdienst bedreven. Arbeid fungeert als een moderne religie waaraan mensen de zin van hun leven ontlenen. Het hebben van werk geldt daarom als de hoogste eer die mensen ten deel kunnen vallen; op het altaar van de arbeidsplaats worden daarom grote offers gebracht om deel te hebben aan de zegeningen van de arbeid. De moderne workaholics hebben daarom weinig begrip voor de leuze dat men beter 4 of 3 dagen kan werken dan 7 dagen werkloos te zijn. Drastische arbeidstijdverkorting is voor hen een even buitenaardse gedachte als een bezuiniging op gebedsuren voor fundamentalistische gelovigen.
| Zowel de horizontale structurering van de arbeid (indeling naar arbeidssectoren en -velden) als de verticale structurering van de arbeid (verdeling van beschikkingsmacht over bronnen; controle over arbeidsorganisaties) blijven in deze analyse buiten beschouwing. In een hierop aansluitende artikel, Machtskansen in arbeidsverhoudingen, wordt uitvoeriger ingegaan op de wijze waarop maatschappelijke arbeidsverhoudingen kunnen worden onderzocht. |
Arbeid is niet alleen een fundamenteel begrip, maar ook een glibberig begrip. Hoewel we het allemaal gebruiken, is 'arbeid' slechts een schijnbaar eenduidig begrip. Het is echter opvallend dat in de laatste jaren van de 20e eeuw het begrip 'arbeid' voor velen geen precieze betekenis meer heeft. Wat zijn hiervan de redenen?
| Een begrip dat niet is afgebakend is in al zijn omvattendheid toch inhoudsloos. "Een begrip dat alles betekent, betekent uiteindelijk niets meer" [Ricoeur 1955:185 - Travail et Parole]. Het arbeidsbegrip blijft vaak ongedefinieerd, of het wordt zo losjes gedefinieerd dat men in het ongewisse blijft over wat het betekent, d.w.z. het blijft onduidelijk wat de verbinding is met specifieke menselijke handelingen en ervaringen in de werkelijke wereld. Zelfs wanneer de denotaties worden gespecificeerd, worden de sleuteltermen meestal niet onderbouwd. |
|
De moderne thuiswerker opereert in volledige afhankelijkheid van kapitalistische ondernemingen. Deze ondernemingen zijn hierdoor niet alleen in staat de reproduktiekosten van de arbeid te drukken (wat duidelijk blijkt uit de enorme loonverschillen tussen thuiswerkers en loonarbeiders die hetzelfde produkt in bedrijfsverband vervaardigen), maar ook om zich flexibel aan te passen aan de wisselingen op de markt. Darom zijn de werkzekerheid en de sociale zekerheid van thuiswerkers meestal zeer minimaal. |
Ook tegenwoordig wordt in veel sociologische benaderingen de centraliteit van maatschappelijke vormen van arbeid voorondersteld. Maar deze klassieke vooronderstelling wordt vandaag de dag niet meer als vanzelfsprekend geaccepteerd en is thema geworden van verhitte discussies.[5] De centrale vraag is dus of de maatschappelijke vormen van arbeid tegenwoordig nog wel zo'n centrale betekenis hebben voor het geheel van de sociale levensverhoudingen. Of anders gezegd: hoe sterk is de structurerende kracht en betekenis van loonarbeid voor ongelijkheids- en machtsverhoudingen in de maatschappij als geheel? Het is lastig om op deze vraag een eenduidig antwoord te geven, omdat we te maken hebben met twee tegenstrijdige processen: terwijl het ene proces in de richting wijst van een toenemende betekenis, duidt het andere proces juist op het tegendeel.
a) Aan de ene kant hebben we vooral na de Tweede Wereldoorlog te maken met een enorme toename van loonarbeid en loonafhankelijkheid.[6]Hierdoor is niet alleen de betekenis van de interne differentiatie van de loonafhankelijken toegenomen, maar ook de ongelijkheidsstructurerende kracht en betekenis van loonarbeid.[7] In veel empirisch onderzoek komt daardoor onmiskenbaar de centrale plaats naar voren die de betaalde beroepsarbeid heeft voor de structurering van de sociale levenskansen en politieke handelingskansen. De verdeling van negatieve en positieve privileges is meestal sterk verbonden met de positie in arbeidsverhoudingen en met de hiervan afhankelijke loon-, resp. inkomenspositie.
b) Aan de andere kant hebben we te maken met processen die duiden op een afnemende betekenis van betaalde beroepsarbeid. Ten eerste zijn we getuige van een steeds verdergaande verkorting van individuele levensarbeidstijd. Dit is het gecombineerde effect van de uitbreiding van het onderwijs, de verkorting van de arbeidsdag, de uitbreiding van de vrije en vakantiedagen, en het vervroegd uittreden uit het arbeidsleven.[9] Het einde van dit proces is nog lang niet in zicht. Dat de rol en betekenis van arbeid afneemt, komt het scherpst tot uiting in toekomstbeelden. In een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wordt dit als volgt verwoord:
|
In sociologische en journalistieke publicaties wordt soms een rechtstreeks en eenzijdig verband gelegd tussen enerzijds de verkorting van de formele arbeidstijden en anderzijds de afnemende structurerende kracht van arbeidsrelaties voor het geheel van de maatschappij en voor sociale identiteitsvorming in het bijzonder. De bezwaren daartegen kunnen in twee punten worden samengevat. Ten eerste kan uit de verkortingen van de legale of gereglementeerde arbeidsduur (kwantitatief criterium) niet de conclusie worden getrokken dat daardoor ook automatisch de sociale ongelijkheids- en identiteitsstructurerende betekenis van de arbeid afneemt (kwalitatief criterium). Een in sociaal opzicht minoritaire tijd kan dominant blijven in de sociale structuur en in het sociale bewustzijn [Sue 1992:123; 1994:197-8]. Ten tweede is het onjuist om de niet-arbeidstijd (dat wil zeggen de tijd buiten de arbeid) gelijk te stellen met vrije tijd: reducties van de formele arbeidstijd resulteren niet quasi automatisch in een daarmee corresponderende toename van de vrije tijd. Ook hier geldt weer dat kwantitatieve verschuivingen in de formele arbeidstijdstructuren niet zonder meer leiden tot kwalitatieve verschuivingen in de sociale tijden. In sociologisch onderzoek moet men rekening houden met meervoudige sociale tijden: arbeidstijden, noodzakelijke rust- en hersteltijden ('sateliettijden')[12] en vrije tijden. |
Ten tweede hebben we te maken met een grote structurele werkloosheid en met het ontstaan van oude en nieuwe vormen van arbeid buiten de officiële arbeidsmarkt. Juist in een situatie van duurzame massawerkloosheid is er een uitgebreide informele economie ontstaan, zijn er nieuwe typen coöperatieve ondernemingen van de grond gekomen en hebben velen hun toevlucht gezocht in de kleine zelfstandigheid aan de rand van de afgrond (men zou dit de 'lompenbourgeoisie' kunnen noemen).[13] Ten derde zijn er nieuwe vormen van arbeidsloos inkomen ontstaan. In de huidige verzorgingsstaat is het mogelijk om in leven te blijven zonder te werken.
De afname van de arbeidstijd, de toegenomen discontinuïteit van de arbeid, de structurele werkloosheid en de nieuwe vormen van arbeidsloos inkomen hebben uiteraard grote consequenties voor het zelfbegrip en de identiteit van werkenden en werklozen, voor hun biografie en hun cultuur. Ik denk in het bijzonder aan de erosie van het calvinistische arbeidsethos[14], de opkomst van een hedonistisch consumentisme, de opkomst van een individualistische levenstijl, en de versterking van zgn. postmaterialistische waarden.[15]
Impliceren deze ontwikkelingen nu dat langzamerhand arbeid uit de 'arbeidsmaatschappij' verdwijnt? Leiden deze processen tot een verdergaande erosie van het 'verwervingsprincipe'? Verliest hierdoor de betaalde beroepsarbeid haar centrale rol in de structurering van sociale levenskansen? Wordt nu ook het arbeidsleven in vergaande mate geïndividualiseerd? En verliezen daarmee de arbeidersklasse en haar organisaties hun structurele strategische positie? Het zijn allemaal vragen die hier natuurlijk niet beantwoord kunnen worden. Ik heb er slechts op willen wijzen dat we te maken hebben met uitermate tegenstrijdige processen. Dit betekent in ieder geval dat men voorzichtig moet zijn met al te snelle conclusies die gebaseerd zijn op een eenzijdige waarneming van een van deze processen. De (structurele) plaats en (culturele) betekenis van arbeid in onze samenleving ontwikkelt zich niet in één bepaalde richting. Bovendien moeten we er rekening mee houden dat de processen die hiervoor beschreven zijn zich veeleer manifesteren als tendenzen met mogelijke gevolgen. Sociologen zouden gepaste afstand moeten houden van de profeten van de 'vrijetijdsmaatschappij', de 'consumptiemaatschappij' en van de 'postmaterialistische samenleving' die deze mogelijke gevolgen behandelen alsof het om onvermijdelijke consequenties zou gaan. Er is meer sociologische fantasie, en vooral ook empirische precisie vereist als men zicht wil krijgen op de tegenstrijdige processen waarin de maatschappelijke organisatie van arbeid zich ontwikkelt.[16]
Arbeid is en blijft mijns inziens een cruciale factor voor de structurering van de sociale levens- en politieke handelingskansen in onze samenleving. De verdeling van negatieve en positieve privileges blijft overwegend verbonden met de positie die mensen innemen in de arbeidsverhoudingen en de hierdoor gestructureerde inkomensverhoudingen. Ondanks alle individualisering blijft arbeid "a major focus in the life of an adult" [Hall 1994:7]. Zolang dit nog het geval is, moeten sociologen die geïnteresseerd zijn in ongelijkheids- en machtsverhoudingen een centrale plaats inruimen voor het onderzoek naar arbeid(sverhoudingen). We hebben hiervoor ook gezien waarom zij deze 'centraliteit van de arbeid' niet moeten verabsoluteren.
'Arbeid' was en is een sociologisch basisbegrip. Zo'n stelling heeft echter pas zin wanneer we duidelijk maken wat we onder 'arbeid' verstaan en laten zien hoe we de verschillende maatschappelijke 'vormen van arbeid' wetenschappelijk kunnen analyseren. En daarbij zouden we iets meer nauwkeurigheid moeten betrachten dan gebruikelijk is. Om tot een consistente en bruikbare notie van arbeid te komen, zal ik daarom in paragraaf 3 uitvoeriger ingaan op het - meestal stilzwijgend veronderstelde - algemene arbeidsbegrip.
Arbeid wordt meestal opgevat als een menselijke activiteit die geen doel in zichzelf heeft, en dus alleen verricht wordt met het oog op een buiten haarzelf liggend doel. Daarom werd en wordt arbeid meestal eenvoudig gelijkgesteld met opoffering en onlust. Als arbeid geldt dan alleen dat wat zware inspanning vereist en onlust veroorzaakt en daarom niet om wille van zichzelf kan worden nagestreefd. Vanuit dit perspectief wordt niet ontkend dat economische of beroepsmatige activiteiten op zichzelf (dus ongeacht de economische gevolgen) ook plezier en genoegdoening kunnen bieden, maar dit aspect valt dan niet onder het begrip van de persoonlijke inspanning, van het offer, en van de kosten van de arbeid. Plezier (in de zin van zelfrealisatie) en arbeid zijn begrippen die elkaar uitsluiten. Deze gedachtengang knoopt aan bij de taalkundige betekenis van het woord arbeid.
In Frankrijk werd pas in de 16e eeuw het woord 'werken' (travailler) in het vocabulaire opgenomen. Het verving gedeeltelijk twee eerdere woorden: labourer (wat nu ploegen gaat betekenen) en oeuvrer (niet langer in gebruik als een werkwoord; het betekent een kunstwerk).[21] Het Franse woord travailler (werken) is afgeleid van het Latijnse tripaliare en betekent martelen met een tripalum, een instrument met drie staken. Voordien - rond 1120 - werd wel labeur gebruikt. Dit stamt van het Latijnse labor, wat een algemene uitdrukking is voor agrarische activiteiten. Tegenwoordig betekent het Franse 'labeur': zware inspanning, gezwoeg, geploeter, gesloof. In de 12e eeuw werd ook het woord ouvrier (arbeider) voor het eerst gebruikt. Het woord is afgeleid van het Latijnse operaius: gekwelde, bedroefde, geteisterde mensen; mensen in nood. Deze term is zelf een samenstelling van twee woorden: opus = een handeling of werkstuk; en operae = verplichtingen die men voor iemand anders moest verrichten. Zoals de verplichtingen van een bevrijde horige ten opzichte van zijn oude meester of van een ambachtsman ten opzichte van een klant waarmee deze een contract had. Maar voordat deze woorden in omgang kwamen betekende travailler het martelen van een overtreder (zondaar, misdadiger) op een tripalum. En de travailleur was niet het slachtoffer, maar de beul. |
De negatieve waardering van arbeid als offer gaat terug tot de oude Grieks-Romeinse traditie. Het zou eeuwen duren voor de gedachte opkwam dat arbeid ook een 'roeping' kan zijn (Luther) of zelfs een vorm van 'zelfverwerkelijking' (Marx).
Voor de oude Grieken stond vrije tijd als model voor het meest gewenste en enig 'schone leven'. Arbeid werd gezien als een pijnlijke, vernederende noodzakelijkheid. Het toeëigenen en vervaardigen van middelen waarmee basisbehoeften bevredigd konden worden, werden beschouwd als minderwaardige activiteiten die men moest overlaten aan de allerlaagste groepen in de samenleving, en vooral aan de slaven.[22] Aristoteles' theorie van de 'natuurlijke slavernij' in het eerste boek van de Politeia is hiervan een extreem voorbeeld. Alles wat behoorde bij het regeren en bij de kenmerken van de in het 'schone' (dat wil zeggen deugdzame en gelukkige) leven verenigde burgers stond volgens Aristoteles ver boven de arbeid van het voortbrengen (welke moest worden toebedeeld aan 'van nature' inferieure mensen).[23] De praxis (het ethisch-politieke handelen in de polis) beheerste dus in alle opzichten de poiesis (het werken): de wijsheid van handelen was heerschappijkennis, die slechts was voorbehouden aan de heren des huizes en de politici. Degenen die zijn stelling niet onderschreven, keerden deze eenvoudig om: mensen die zich bezighielden voorziening van levensmiddelen of gedwongen werden als slaven te werken, zouden door het werk dat zij verrichten inferieur worden. Vooral ook in de filosofie van Plato wordt de menstelijke bestemming geheel gezocht in het ideële streven naar het ware, het goede en het schone.[24] De Grieken stelden schole tegenover de arbeid: zij beschouwden arbeid als dienst aan de menselijke noden en schole als vrijheid ten opzichte van deze dienst.[25] De vrije mensen wijdden zich aan het spel van lichaam en geest, dat wil zeggen aan sport en wetenschap. De levenswijze van de lichamelijk werkenden werd als onverenigbaar beschouwd met de burgerlijke deugd. Alleen wie de deugd bezat, was in staat om burger te zijn. Arbeid en burgerdeugd, arbeid en vorming werden scherp tegenover elkaar gesteld. Uiteraard weerspiegelen deze opvattingen alleen de denk- en waarderingswijze van een geprivilegieerde bovenlaag.
In de Romeinse cultuur werd deze dominante opvatting (of beter: opvatting van de dominante groep) overgenomen.
Jan Romein doelt hier enerzijds op het opvallende organisatietalent van de Romeinen, anderzijds op hun normbegrip. Bij de oude Romeinen drong voor het eerst het besef door dat alle arbeid in strikte zin een kweste van organisatie is. Voor moderne westerlingen is het verband tussen organisatie en arbeid inmiddels een grote vanzelfsprekendheid. Het normbesef van de Romeinen - dat ten grondslag lag aan hun wetsbegrip - bracht de gedachte met zich mee dat iets altijd nog beter kan voor het aan een, bewust-gestelde en geformuleerde norm voldoet.
In de periode rond de geboorte van Christus begint de slavernij aan betekenis in te boeten. Hierdoor begint ook het arbeidsethos te veranderen en ontstaat er meer aandacht voor de betekenis van arbeid en prestaties. In de vroege Christelijke traditie werd erkend dat arbeid iemand niet alleen gezond kan houden, maar dat het mensen ook kan afhouden van zondige gedachten en gewoontes ('ledigheid is des duivels oorkussen') en een bijdrage kan leveren aan de deugd van gehoorzaamheid.[26] De opvatting van de arbeid als offer staat in het teken van de vloek die Jehova aan Adam meegaf: 'U zult brood eten in het zweet uws aanschijns'.
|
De vloek van God ruste dus op de voorwaarden waaronder het werk gedaan moest worden. Wanneer de echter de arbeid desondanks of juist vanwege haar last als 'Godsdienst' wordt verricht, dan rust daarop de 'God's zegen'. Hierdoor was een negatieve waardering van lichamelijke arbeid - zoals bij de Grieken - principieel niet mogelijk en in het praktische leven minstens afgezwakt. Ook de evangeliën en brieven uit het Nieuwe Testament staan in deze Joodse traditie. Daarbij is het thema nooit de arbeid als zodanig, maar alleen de arbeid die in dienst staat van de eigenlijke zin van het menselijke bestaan. Deze arbeid is niet alleen nodig omdat zij in het levensonderhoud voorziet, maar omdat zij door de zondigheid van de mens door God is opgelegd en ter voorkoming van laster en luiheid. "Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten" [Bijbel - 2 Thess 3:10]. Dat was de les die de apostel Paulus voor hield aan de eerste Christenen, die in hun verwachting van de spoedige komst van Gods koninkrijk hun werk eraan gaven en gezamenlijk hun bezittingen opteerden. Arbeid moet door iedereen, zonder onderscheid naar stand worden verricht. Niet omwille van het levensonderhoud en zeker niet omwille van het materiële gewin, maar 'om Gods wil'. Het is werk dat ook voor de behoeftige 'naaste' en voor de 'gemeente' van harte gedaan moet worden, vervuld van de vreugde van de 'nieuwe mens in Christis'. In het Joodse denken gold arbeid dus niet alleen als straf voor de zonde, maar ook als voortzetting van het bezigzijn van God met zijn schepping. Door de afwijzing van rijkdom, ledigheid en zinnelijk genot oefende deze nieuwe godsdienst een grote aantrekkingskracht uit op de brede massa van handwerkers en (vrijgekochte) slaven. |
In alle middeleeuwse talen van de westerse cultuur blijft 'arbeid' dicht bij angst, leed, nood, kommer, ongemak, moeite, kwaal en pijn liggen. Pas aan het einde van de middeleeuwen breekt in het Westen een radicaal andere houding tegenover de arbeid door. In het vroeg-middeleeuwse kloosterwezen zette zich enerzijds de Platoonse voorkeur voor het contemplatief bestaan voort. Anderzijds bestond er tussen monniken en lekebroeder echter ook een heel geprononceerde verdeling van geestelijk en lichamelijk werk. Fysieke inspanning werd in ere gehouden als tuchtmeester van lichaam en ziel: 'wie arbeid zondigt niet'. De kerkvader Augustinus (354-430), die niet geloofde dat mensen op eigen kracht in staat waren om te beslissen tussen goed en kwaad, legde een grote nadruk op de plicht tot arbeid. Het is niet te veel overdreven als men zegt dat het middeleeuwse kloosterleven tot op grote hoogte werd gestempeld door de leerregel van Benedictus: 'arbeidt en vertwijfelt niet'. De kloosters van de cisterciënsers in de randgebieden van de christelijke wereld waren religieuze landbouwcommunes. De middeleeuwse kloosters kenden een strenge tijdsindeling tussen bidden en werken (ora et labora) die door de kloosterklokken duidelijk werden gemarkeerd. Hierdoor werd een nieuwe discipline geïntroduceerd in het leven van de gekerstende volken. Pas in de late middeleeuwen deden zich ingrijpende sociaal-economische verschuivingen voor die de waardering van de arbeid zouden veranderen. De zeehandel bracht welvaart in de havensteden en de steden langs de grote handelsroutes. Sinds Augustinus had er een taboe gelegen op het lenen van geld tegen rente, zonder zelf aan de arbeid deel te nemen. In de late middeleeuwen werd dit verbod steeds minder serieus genomen. Het in gilden georganiseerde ambacht kwam tot ongekende bloei. Na de beëindiging van de kruistochten richtte de adel zich steeds meer op de eigen hofcultuur. Hun praalzucht en de door hen geïnitieerde landhervormingen die oude gemeenschapsrechten doorbrak, leidde tot grote onvrede van de kant van de boeren en soms tot bloedige revoltes. In deze opstanden kwam de vroeg-christelijke droom van een 'gulden godsrijk van vrede en gerechtigheid' opnieuw tot leven. Het gezag van de kerk, dat het hele sociale leven van de leken omspande, werd ondergraven door sektarische stromingen, die er 'alternatieve' leefwijzen op nahielden. De gevestigde orden waren inmiddels in goede doen geraakt. Als reactie daarop ontstonden er nieuwe ascetische orden waarin 'de deugd van nederige arbeid' opnieuw werd gepredikt. Bovendien ontstonden er bedelorden die 'de louterende werking van vrijwillige armoede' als de zekerste weg tot zaligheid beschouwden. Kerkvaders zoals Thomas van Aquino probeerden het tij nog te keren door - in aansluiting op de leer van Aristoteles - de nieuwe wereld terug te persen in een alles omvattende, door God gegeven hiërarchische orde; het goddelijk en het natuurlijk recht, de geestelijkheid en de leken, de handel en de ambachten kregen daarin elk hun vast plaats. Daarbij werd arbeid voorsteld als een wezenlijk bestanddeel van 'de menselijke natuur' en als een integrerende factor van menselijke samenlevingsverbanden. Het 'geestelijk werk' - vooral in de vorm van gebed en contemplatie - bleef echter een hogere plaats houden dan het werk dat gericht was op de reproduktie van het fysieke en sociale bestaan.
Pas sinds de reformatie en de opkomst van het protestantisme wordt aan arbeid een meer positieve betekenis gehecht in de Westerse cultuur.[27] Volgens Maarten Luther kan arbeid zelf een manier zijn om God te dienen: arbeid werd een 'roeping' die in het hiernumaals consciëntieus en levenslang verricht moest worden om in het hiernamaals een goede kans te maken op de betere posities. Arbeid werd hierdoor tot een morele plicht verheven. De vita activa werd niet meer ondergeschikt gemaakt aan de vita contemplativa.
Vooral bij Calvijn krijgt de arbeid een nieuwe dynamiek. Hij vat arbeid op als het dienstbaar maken van de door God gegeven talenten in dienst van Gods koninkrijk. Wie door God is uitverkoren ('predestinatie'), dient dit ook in zijn handel en wandel zichtbaar te maken. Omdat het raadsbesluit van God voor de mens verborgen is, rest hem niets anders dan in een arbeidzaam bestaan zijn gaven zo goed mogelijk te onplooien: 'aan de vruchten herkent men de boom'. Toch bleef ook het middeleeuwse ascetisme bij Calvijn doorwerken. Grote weelde en zinnelijk genot waren voor hem ijdelijke verkwisting van het door God toevertrouwde goed waarover men als rentmeester verantwoording verschuldigd is. De enige aanvaardbare manier om de vrucht van met succes bekroonde arbeid te gebruiken was hulp aan de behoeftige naaste en uitbreiding van de eigen bedrijvigheid. Deze nieuwe arbeidsethos van het protestantisme fungeerde als belangrijke hefboom bij de opkomst van het moderne kapitalisme. Luther verleende de arbeid zijn positieve waarde, maar Calvijn maakte met zijn pleidooi voor de herinvestering van door arbeid gerealiseerde winst de morele weg vrij voor een economisch stelsel dat gebaseerd is op ongebreidelde expansie en accumulatiezucht. In ieder geval gingen in de nieuw opkomende zeevarende en handelsdrijvende naties grote massa's over tot het protestantisme. De stedelijke burgerij begon democratische rechten te veroveren en drong de allesomvattende centrale macht van kerk, keizer en koning in de verdediging. Door toenemend particulier initiatief en koloniale expansie raakte het middeleeuwse stands- en gildewezen in verval. Hierdoor kwam de weg vrij voor gedurfd ondernemerschap en vrije concurrentie. Deze ontwikkeling werd mede mogelijk gemaakt door een arbeidsmoraal die de eigen verantwoordelijkheid benadrukt om te 'woekeren' met de beschikbare talenten en middelen. In deze nieuwe economische habitus worden niet alleen geld, goud en goederen, maar ook arbeidskrachten en arbeidstijd gewaardeerd vanuit het kosten-baten principe.
Max Weber heeft in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus [1905] laten zien dat het ascetische protestantisme een zeer belangrijke historische rol vervulde voor het ontstaan van het moderne kapitalistische economische systeem: naast talloze andere factoren stond er "een bepaalde, constitutieve component van de levensstijl" aan de wieg van het moderne kapitalisme [PE II:169]. Door de nadruk op beroepsplicht en rationele ascese kon de protestantse ethiek een van de constitutieve momenten vormen van de 'kapitalistische geest' [idem: 285]. Het religieuze leven van de protestanten, hun hierdoor bepaalde familietradities en levensstijl creëerde een specifieke habitus die hen geschikt maakte om aan de specifieke eisen van het vroeg-kapitalisme te voldoen [idem: 318]. Het is tegenwoordig vooral in progressieve kringen gebruikelijk om af te geven op de 'protestantse arbeidsethiek' omdat dit een door en door reactionaire en onderdrukkende ideologie zou zijn. Daarbij wordt vergeten dat deze arbeidsmoraal in ieder geval voor de vroege protestanten toch ook vooral een progressieve en radicale functie vervulde. De protestantse opvattingen over arbeid hebben bijgedragen aan het ontstaan van specifieke houdingen en gewoontes (arbeidsdiscipline) die nodig waren voor de ontwikkeling van het moderne kapitalisme en haar ondernemingen. De oorspronkelijke ontwikkeling van de kapitalistische industrie was echter niet het werk van de destijds heersende klassen; zij was veeleer het resultaat van de inspanningen van 'the industrious people', van economisch onafhankelijken of zelfstandige ambachtslieden, middenstanders en vrije boeren. De opvattingen van de vroege protestanten waren vaak heel specifiek gericht tegen de destijds heersende klassen; zij beschouwden de aristocratie en de landadel als een nietsdoende en parasitaire klasse. De Engelse historicus Christopher Hill [1969:133] formuleerde dit als volgt:
De unieke betekenis van de protestantse ethiek voor het ontstaan van het kapitalisme betekent echter niet dat deze ook doorslaggevend zou zijn voor het voortbestaan van dit economisch stelsel. De 'burgerlijke beroepsethiek' blijft tegenover de enorme psychische weerstanden en voor-kapitalistische tradities haar betekenis houden totdat "het op zuiver mechanische basis berustende kapitalisme van tegenwoordig dit steunpunt kon missen" [PE II:285]. De protestantse ethiek en levensstijl mag dan voor het ontstaan van het kapitalisme een uitermate belangrijke kracht zijn geweest, voor het voortbestaan van dit economisch stelsel is deze factor volgens Weber in toenemende mate irrelevant [vgl. Weber RS: 36,55, 204]. Bij Marx vind men methodisch gezien een identieke benadering. Superieur geweld is historisch gezien een doorslaggevende factor voor het ontstaan van nieuwe uitbuitingsrelaties: van de koloniale oorlogen van de Griekse stadstaten, de veroveringstochten van het Imperium Romanum, de verovering van 'geciviliseerde hoogculturen' door nomaden via de rooftochten van de feodale ridders, de gewelddadige onteigening van de boeren door de 'ridders van de industrie' tot aan het kapitalistische kolonialisme en imperialisme en de afpersingspraktijken van de diverse moderne maffia's. Geweld is weliswaar kenmerkend voor de zogenaamde oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal [Marx, MEW 23:788; vert. 593] en als zodanig uitgangspunt van de kapitalistische arbeidswijze, maar zodra dit stelsel op eigen benen staat treedt bij haar uitgebreide reproduktie het geweld naar de achtergrond [MEW 23:765; vert. 575]. Haar voortbestaan wordt primair veroorzaakt door het 'normale' - formeel vreedzame - economische proces van kapitaalaccumulatie - en slechts bij uitzondering gegarandeerd door direct - 'buiten-economisch' - geweld. |
Het is niet erg verrassend dat de oud-Griekse opvatting van arbeid als offer een hoeksteen werd van de latere klassieke economen, zoals Adam Smith, die zich inspanden om de structuur en werking van het opkomende kapitalisme te verklaren, en in belangrijke mate ook te legitimeren. De fysiocraten (Quesnay) en de klassieke economen (Petty, Smith, Ricardo) begonnen echter de arbeid als produktieve prestatie te waarderen en maakten de sprong naar het moderne arbeidsbegrip.[29] Arbeid werd het centrale begrip van hun theoretische systemen. Het uitgangspunt daarvan luidde: "That Labour is the Father and active principle of Wealth as Lands are the Mother" [Petty 1662:69]. Arbeid werd niet meer alleen beschouwd als middel voor levensonderhoud, maar primair als 'produktiefactor'. Adam Smith bevrijdde het arbeidsbegrip van het primaat van de agrarische arbeid (welke door de fysiocraten nog als enige waardescheppende arbeid werd beschouwd) en benadrukte de centrale betekenis van de arbeid in het economisch kringloopproces. Voor hem was arbeid de eigenlijke 'bron van rijkdom' en dus de enige produktiefactor in de economisch zin.
Marx sloot kritisch aan bij de klassieke economen, maar nam de achterliggende oud-Griekse en oerburgerlijke notie van de 'arbeid als offer' scherp onder vuur en stelde daartegenover de notie van arbeid als 'vrije zelfrealisatie', als mogelijkheid van 'zelfverwerkelijking'. Hij beschouwde arbeid als het wezen van de mens: het meest kenmerkende voor mensen is dat zij zich door arbeid als eigenactiviteit 'objectiveren', zichzelf realiseren en veruiterlijken. Daarom zou de hele wereldgeschiedenis niets anders zijn dan de voortbrenging van de mens door menselijke arbeid.[32] Onder kapitalistische verhoudingen zijn arbeiders echter gedwongen hun arbeidskracht te 'verkopen' en zich te onderschikken aan een exploitatief systeem van meerwaardevorming en kapitaalaccumulatie.[33] Zij ondergaan hierdoor een zo sterke 'vervreemding' dat zij tegenover de arbeid een niet alleen onverschillige, maar zelfs vijandige houding aannemen. Marx kritiseert benaderingen waarin het 'rijk der vrijheid' abstract tegenover het 'rijk der noodzakelijkheid' wordt gesteld, dat wil zeggen waarin niet-arbeid wordt voorgesteld als domein van 'vrijheid en geluk', terwijl arbeid slechts verschijnt als door uiterlijke omstandigheden opgelegde dwangarbeid. Voor Marx gaat dit wel op voor de exploitatieve vormen van arbeid, zoals slavenarbeid, horige arbeid en loonarbeid, maar niet voor arbeid als zodanig en zeker niet voor de arbeid in een communistische samenleving, waarin werkelijk vrije arbeid kan bestaan in die mate dat de produktie is vermaatschappelijkt en verwetenschappelijkt.
De opvatting van 'arbeid als offer' is dus zeer oud. Maar ook tegenwoordig wordt arbeid vaak alleen opgevat als een noodzakelijk kwaad. Al onze inspanningen monden uit in het streven dit euvel absoluut of minstens relatief (d.w.z. in verhouding tot de resultaten die het kan opleveren) zoveel mogelijk in te perken.[34] Niet de arbeid zelf, maar alleen de rijke vruchten die harde arbeid kan afwerpen, maakt voor velen het leven pas zinvol. In deze benadering lijkt het arbeidsbegrip aan duidelijkheid en scherpte te winnen. Toch zijn er vele bedenkingen bij deze gelijkstelling van arbeid en offer/onlust. Oorspronkelijk kon 'arbeid' alleen maar refereren aan de grote inspanning die de mens leverde om zich te bevrijden van de druk van de overweldigende macht van het gebrek (of de nood), of van menselijke heerschappij.[35] Tegenwoordig wordt het woord arbeid vaak in een bredere en vriendelijker betekenis gebruikt.[36]
Daartegenover zal ik hier een breed, maar niet allesomvattend begrip van arbeid uitwerken: arbeid is een specifiek soort activiteit of praktijk, welke gericht is op het voorbrengen van de middelen van menselijke behoeftenbevrediging.[39] Dit brede arbeidsbegrip moet naar twee kanten worden afgebakend. Enerzijds moet het arbeidsbegrip worden afgebakend van consumerende activiteiten en van vrije tijdsbesteding. Anderzijds - en veel moeilijker - moet het arbeidsbegrip worden afgebakend van de activiteiten van het toeëigenen (van de resultaten van vreemde arbeidskrachten) en het uitsluiten. Deze beide afbakeningen zijn nodig omdat anders het woord 'arbeid' synoniem wordt met 'activiteit', 'taak' of met 'sociaal handelen'.[40] Ik zal de daarmee samenhangende problemen in twee stappen behandelen. Ik ga eerst in op het algemene arbeidsbegrip, d.w.z. op het arbeidsbegrip dat geldig is voor alle maatschappijformaties [par. 3]. Daarna ga ik in op het arbeidsbegrip dat specifiek is voor burgerlijke maatschappijen, dat wil zeggen voor maatschappijformaties met een dominant kapitalistische organisatie van de arbeid [par. 4].[41]
Onder arbeid versta ik het geheel van doelmatige en bewuste menselijke activiteiten welke specifiek gericht zijn op het voortbrengen van gebruikswaarden, dat wil zeggen van goederen en diensten die de behoeften van menselijke individuen kunnen bevredigen [Benschop 1993:143]. Het bijzondere van deze arbeidsdefinitie is haar (normatieve) gerichtheid op gebruikswaarde, dat wil zeggen op middelen van menselijke behoeftenbevrediging.
In veel arbeidsdefinities waarin arbeid niet eenvoudig met 'betaald werk' wordt geïdentificeerd, treft men een meestal ongespecificeerde notie van 'waarde' aan. Arbeid wordt dan bijvoorbeeld gedefinieerd als "an activity that producess something of value for other people" [O'Toole 1973:3]. Om de reductie tot materiële produktie te voorkomen, worden hierbij bovendien vaak expliciet de diensten vermeld. Arbeid word dan bijvoorbeeld gedefinieerd als "any activity, or expenditure of energy, that produces services and products of value to other people" [Fox/Hesse-Biber 1984:21].[44] Het probleem met dergelijke definities is dat nooit wordt aangegeven wat men in dit verband onder 'waarde' moet verstaan.[45] Het blijft dus onduidelijk of er gezinspeeld wordt op de specifieke gebruikswaarde van goederen en diensten, op hun economische ruilwaarde of geldwaarde, of op een bepaalde morele waarde.[46]
Alle menselijke activiteiten die gebruikswaarden voortbrengen kunnen in principe als arbeid worden aangemerkt, althans wanneer voor de actoren zelf herkenbaar is dat deze activiteiten zijn onderscheiden van niet-arbeid ('vrije tijd'), van consumerende activiteiten en van de activiteiten van het toeëigenen en uitsluiten. Bij afbakening van het algemene arbeidsbegrip zijn dus minstens drie vooronderstellingen in het geding.[47]
Figuur 1 Vooronderstellingen van algemeen arbeidsbegrip

In de volgende paragraven worden deze drie vooronderstellingen apart behandeld.
Arbeid is een maatschappelijk fenomeen dat niets te maken heeft met oordelen over de (on)zin of het nut van menselijke activiteiten. Het vervaardigen van objecten die voor niemand nuttig of potentieel bruikbaar zijn, is geen arbeid - ook al heeft deze activiteit nog zo'n grote invloed op de omgeving [Benschop 1993:144]. Iets wat voor niemand een intersubjectief te begrijpen zin heeft (dat wil zeggen geen werkelijke of ingebeelde gebruikswaarde), is geen arbeid, ook al impliceert het een verandering of misschien wel een bewuste verandering van de natuurlijke en sociale omgeving [Krätke 1984:272]. Wie bijvoorbeeld een stoel maakt waarop je niet kunt zitten en die ook voor anderen geen herkenbare esthetische waarde heeft (dus een object zonder zit- of rustgenot en zonder esthetisch genot), heeft in deze optiek dus geen arbeid verricht.
Als men niet alle activiteiten om in het eigen levensonderhoud te voorzien als arbeid wenst te beschouwen, moet men dergelijke problemen op de koop toenemen. Als men deze redenatie volgt, wordt het noodzakelijk de normatieve en descriptieve betekenis van deze verschillen tot gelding te laten komen in een nadere differentiëring van soorten arbeid.
Vanuit dit perspectief is het dus niet eenvoudig een dwingende algemene arbeidsdefinitie te geven. In klassenmaatschappijen zou men nog kunnen proberen om arbeid via de specifieke tegenstelling tot 'niet-arbeid' te definiëren, namelijk als 'heteronome arbeid', als arbeid onder 'uiterlijke dwang', als arbeid die 'uiterlijke doelen' dient.[53] In niet-klassenmaatschappijen verliest echter ook dit onderscheid tussen gewongen arbeid en vrije tijd haar scherpte, en misschien verliest zij wel helemaal haar betekenis. Bovendien is de oud-Griekse en oerburgerlijke opvatting van arbeid als dwang, vloek en rijk van de onvrijheid steeds problematischer geworden. Zij moet concurreren met de opvatting van arbeid als vrije zelfrealisatie en zelfverwerkelijking, met 'arbeid als spel' (Marx).
|
De vraag is en blijft dus: hoe kunnen we een algemeen onderscheid maken tussen arbeid en niet-arbeid (of vrije tijd) dat zowel theoretisch als voor de actoren zelf betekenis heeft? Om deze vraag te beantwoorden moeten we een drievoudige empirische differentiatie introduceren. We moeten in staat zijn om een empirisch onderscheid te maken tussen: (a) de activiteiten zelf, (b) de instituties en functiekringen waarbinnen deze activiteiten zijn georganiseerd, en (c) de tijden waarin deze activiteiten plaatsvinden.
In de discussies over huishoudelijke arbeid wordt bovendien duidelijk dat 'werk' niet alleen een kwestie is van wat mensen daadwerkelijk doen. Elke definitie van arbeid impliceert tevens uitspraken over de voorwaarden waaronder dat werk verricht wordt en over de gepercipieerde sociale waarde of waardering. De onzichtbaarheid van vrouwenarbeid is een effect van de arbeidsdeling naar sekse die in veel maatschappijen bestaat. Deze onzichtbaarheid wordt nog eens versterkt door de etnocentrische vooronderstellingen van veel onderzoekers en beleidsmakers en door autochtone seksistische ideologieën. Wanneer arbeid wordt gedefinieerd als 'betaald werk buitenshuis' dan is en blijft het onmogelijk om de omvang en waarde van de subsistentie en huishoudelijke arbeid van vrouwen te herkennen. Deze door en door 'burgerlijke' arbeidsdefinitie lijdt een hardnekkig bestaan - ook al contrasteert ze nog zo duidelijk met de ervaringen en verwachtingen van veel mensen.[60]
Voor boerensamenlevingen bestaan nog geen systematische historische analyses van de taakverdeling van leden van huishoudingen. We weten echter wel dat wat gedaan moet worden primair bepaald wordt door arbeidscycli die verbonden zijn met seizoenen en de reproduktiecyclus. Hoe sterk op boerderijen de taken onderling verweven zijn, heeft Martine Segalen voor Frankrijk laten zien. Volgens haar bestaat er geen wezenlijk verschil tussen cultiveren en koken.
De textielarbeiders verzetten zich heftig tegen de werkklokken ('work clocks', 'Werkglocken') waarmee de ondernemers hun arbeidsgedrag probeerden te controleren. Deze revoltes hadden echter geen succes omdat de stedelijke besturen de kant kozen van de ondernemers en de klokketorens beschermden.
Aan de traditionele agrarische economie was een natuurlijk tijdsregime verbonden dat de natuurlijke afwisseling van de seizoenen en van dag en nacht volgde. Het tijdsregime werd in de eerste textielsteden steeds meer aangepast aan de eisen van het fabriekssysteem: de arbeiders moesten hun oude 'ongedisciplineerde' werkgewoontes laten varen en leren vooral op regelmatige tijden te werken. Ondernemers begonnen te begrijpen dat tijd geld is en dat de controle van de tijd van arbeiders cruciaal is voor de winsten. Deze transformatie voltrok zich langzaam, maar tegen de 18e eeuw werd het moderne tijdsbewustzijn - een besef van minuten en uren, van een 'dag werk voor een dagloon' - onderdeel van het algemene bewustzijn, ook al werd dit vooral door arbeiders niet van harte gesteund [Le Goff 1980].
Tijd werd een economische maateenheid en een middel voor het disciplineren van arbeiders.[62] Met de opkomst van de gemeten arbeidsdag ging een bewustzijn van de maatstaf van voltooide arbeid gepaard. Traditioneel was de arbeidsprestatie laag geweest, gemeten naar moderne maatstaven, waarschijnlijk deels vanwege slecht dieet en lage input van calorieën van de bevolking [Braudel 1979/ 89 I: 82, 97 e.v].
Fabrieksondernemers begonnen nu de produktie te intensiveren en de arbeidsdag uit te breiden. Het gemoedelijke tempo van het traditionele agrarische werk, met zijn vele onderbrekingen en vakanties, maakte voor fabrieksarbeiders steeds meer plaats voor een slopend arbeidsleven onder smerige condities [Thompson 1963: 200-2]. De arbeidsdag en het arbeidsjaar namen dramatisch toe: van +/- 2000 uur in 1600 tot +/- 3680 uur in 1850.[63]
De traditionele ritmes van het agrarische werk werden steeds meer doorbroken en vervangen door de moderne segmentatie van de dag in werk en niet-werk. Deze overgang voltrok zich geleidelijk en niet zonder verzet. Hoe onplezierig het fabrieksleven van de vroege 19e eeuw ook was, het ging vaak vergezeld van werkliederen, drinken en zelfs dansen. De arbeidsdiscipline was moeilijk te handhaven en het verloop was zeer groot.
Rond 1830 werden er door heel Europa heen 'heilige maandagen' ingevoerd, waarop de arbeiders hun werk verzuimden. Zij namen 's maandags vrij om te drinken en zich anderszins te amuseren; ze werden niet voor niets 'blauwe maandagen' genoemd.[64] Het was hun manier om het evenwicht tussen vrije tijd en de steeds langere werkdagen te herstellen. Deze geïmproviseerde 'blauwe maandagen' maakte het de arbeider ook mogelijk om het gezag uit te dagen en zijn traditionele vrijheid te bevestigen om naar het werk te komen en de werkplaats te verlaten als het hem zelf uitkomt [Rybeynski 1991:116]. De 'blauwe maandagen' hielden stand tot de laatste helft van de 19e eeuw en waren bijna universeel in Engeland van 1840 tot 1860.
De pre-kapitalistische arbeidsmentaliteit werd gekenmerkt door de sociale gewoonte dat men alleen werkte om traditionele behoeften te bevredigen: men bepaalde zelf wanneer en hoe men werkte.[65] Deze houding liet zich niet gemakkelijk veranderen en ondernemers maakte zich hierover grote zorgen. De traditionele sociale zeden en gewoonten die niet pasten in het patroon van het industriële leven werden gediscrediteerd als belemmeringen voor progressie. Er was een grondige herstructurering van de arbeidsgewoontes nodig: nieuwe vormen van discipline, nieuwe vormen van prestatiemeting, nieuwe vormen van beloning, en dus een nieuw type werkende mens waarop deze prikkels vat konden krijgen [Thompson 1967: 57]. De staat steunde de zaak van de ondernemers met een serie wetten, waarvan de bekendste de Poor Law is die in 1832 in Engeland werd geïntroduceerd. Deze wet was gebaseerd op het idee dat individuen zelf verantwoordelijk zijn voor hun armoede; het verloste zowel landeigenaars als parochies van hun traditionele verplichtingen ten opzichte van hulpbehoevende arbeiders.[66] Door de zweep van de honger werden de arme plattelandsbevolking in de fabrieksarbeid gedreven.[67]
De succesvolle pogingen om arbeiders in de fabrieken te drijven, werden tegemoet getreden met een gevecht om kortere arbeidstijden. De eerste arbeidersassociaties en -organisaties hebben zich vooral ingezet de 10-urige werkdag. Zij probeerden niet alleen om de arbeiddag te beperken, maar ook om vrouwen- en kinderarbeid af te schaffen. Het was een omvattend protest tegen de vernietiging van de traditionele gezinseconomie. Met de uiteindelijke ratificatie van de wet op de 10-urige werkdag kwam een formeel eind aan proces dat eeuwen had geduurd: de vestiging van een arbeidsdag, van een bepaalde periode van tijd voor werk. De tijd buiten de werkplaats werd 'vrije tijd': vrij beschikbaar voor persoonlijke arctiviteit. Zo ontstond de moderne idee van vrije tijd, een tijdsperiode die van werk is onderscheiden en welke specifiek gedefinieerd werd als niet-arbeid.
Bijna alle bezigheden zijn nu eens geen arbeid, dan weer wel arbeid. Auto's repareren is arbeid voor de automonteur, maar niet voor de arbeidssocioloog die tijdens het weekend aan zijn eigen auto staat te knutselen. Het hangt dus niet van de intrinsieke aard van een activiteit af of zij arbeid is, maar van de sociale context binnen welke zij wordt verricht.[69] De cruciale vraag is dus: welke sociale contexten of welke institutionele kaders stempelen een activiteit tot arbeid? In paragraaf 4 zullen we zien hoe deze vraag beantwoord kan worden voor burgerlijke maatschappijformaties met dominant kapitalistische arbeidsverhoudingen.
Dit betekent echter niet dat het zoeken naar een duidelijke afbakening van de betekenis van arbeid hetzelfde is als speculeren over het geslacht der engelen. Het betekent ook niet dat de arbeidsdefinitie van de één even invloedrijk is als die van een ander. Het betekent veeleer dat we de bestaande arbeidsdefinities moeten opvatten als symbolen van dominante of oppositionele culturen en met name als spiegels van heersende of oppositionele macht.
Rivaliserende arbeidsdefinities reflecteren dus zowel de spanningsrelatie tussen heersende en subalterne arbeidsvormen, als de spanningsrelatie tussen dominante en oppositionele culturele verhoudingen (in de hier boven omschreven betekenis van geïnstitutionaliseerde cognitieve en normatieve gedragsverwachtingen). Dat is de reden waarom men door een analyse van deze rivaliserende arbeidsdefinities zicht kan krijgen op de concrete machtsverhoudingen die zijn ingebakken in de maatschappelijke organisatie van de arbeid alsmede op de geïnstitutionaliseerde culturele waarderingspatronen waarmee arbeid in onze samenleving beoordeeld wordt. De discussie over en de polemiek rond arbeidsdefinities is en blijft een zeer belangrijk onderdeel van het inmiddels eeuwenoude gevecht om de reproduktie resp. transformatie van de actuele maatschappelijke arbeidsverhoudingen.
Arbeid is een bijzondere vorm van sociaal handelen en is net als alle andere vormen van sociaal handelen meervoudig gestructureerd en gemotiveerd. Het streven naar economische doelen gaat meestal gepaard met het streven naar niet-economische doelen, zoals sociabiliteit, persoonlijke erkenning, sociaal prestige en macht [Benschop 1994: hft. II].
Anderzijds wordt het referentiepunt van de arbeid echter tegelijkertijd versmald omdat het wordt gereduceerd tot:
Het resultaat van deze versmalling is dat alle vormen van niet-betaalde arbeid van de arbeidsdefinitie worden uitgesloten: vrijwilligersarbeid; alle vormen van huishoudelijke arbeid in economische zin (subsistentiearbeid); alle niet-marktgerichte en niet-winstgevende arbeid; alle vormen van inofficieel betaalde arbeid. Al deze soorten arbeid verschijnen niet, althans niet als waardescheppend, in de officiële statistiek. Indien dit wel zou gebeuren, zou het bruto nationaal produkt (BNP) onmiddellijk met 30 á 50 % moeten worden verhoogd.[78] Wat als reservoir van werkende en werkzoekende arbeidskrachten wordt gedefinieerd, en hoe dit reservoir gemeten worden, is een door en door politieke kwestie, en hangt dus in vergaande mate van de concrete krachtsverhoudingen tussen de betrokken partijen.
Alle werkgelegenheids- en werkloosheidscijfers worden berekend op basis van de weliswaar problematisch, maar niet geproblematiseerde categorie van de beroepsbevolking.
Het begrip 'informele economie' werd geboren in de Derde Wereld, uit een reeks studies over de stedelijke arbeidsmarkten in Afrika. De economisch antropoloog Keith Hart [1973] introduceerde de term in zijn ILO-verslag over kleine zelfstandigen in Accra en andere Afrikaanse steden. Hij hanteerde daarbij een dualistisch model van inkomenskansen van de stedelijke arbeidskrachten, dat grotendeels gebaseerd was op het verschil tussen loonarbeid en zelfstandigheid. Het begrip informele economie werd toegepast op de kleine zelfstandigen. Oorspronkelijk refereerde de term informele economie aan: (1) lage toegangsbarrières in termen van kwalificatie, kapitaal en organisatie, (2) familie-eigendom van ondernemingen, (3) arbeidsintensieve produktie met achterhaalde technologie, (3) kleinschalige werkwijze, (4) lage produktiviteitsniveaus en geringe kans tot accumulatie, en (5) ongereguleerde en competitieve markten. In talloze studies van het ILO en de Wereldbank werd informaliteit opgevat als een uitgesloten sector in minder ontwikkelde economieën: het verwees naar onvolledige werkgelegenheid en naar arbeiders die geen toegang konden krijgen tot de moderne economie. Deze negatieve karakterisering van de informele sector als overlevingsmechanisme in een situatie van onvoldoende formele werkgelegenheid werd door diverse auteurs bekritiseerd. Zij probeerden een meer positieve karakterisering te geven. Zij beschouwden de informele sector als uiting van verzet tegen de rigide commerciële marktstructuren, als teken van ondernemend initiatief van het gewone volk. Tegenwoordig wordt de informele sector meestal neutraler opgevat als het geheel van activiteiten van economische actoren welke buiten de gevestigde institutionele regels vallen resp. buiten de bescherming die deze regels bieden. In deze definitie wordt geen apriori oordeel gegeven over de vraag dergelijke activiteiten 'goed' of 'slecht' zijn.[80]
Er zijn in principe twee strategieën om het containerbegrip van de informele arbeid open te breken en te specificeren, namelijk door een institutionele en een functionele differentiatie. Het meest verstandige is echter om beide strategieën te combineren.
a) Institutionele differentiatie. Informele activiteiten kunnen worden gedifferentieerd door na te gaan hoe zij zich verhouden ten opzichte van bestaande institutionele regelingen. Vanuit het perspectief van de Nieuwe Institutionele Economie heeft Edgar Feige [1990:992] een nuttige indeling van de informele sector voorgesteld. Hij baseert zijn taxonomie op de institutionele regels die door specifieke economische activiteiten worden genegeerd. Met enige modificaties kan men zijn taxonomie van de 'onderwater economie' gebruiken om vier subvormen van 'niet-formele arbeid' te onderscheiden:
Figuur 2 Institutionele differentiatie van niet-formele arbeid

In werkelijkheid overlappen deze arbeidsvormen elkaar natuurlijk op veel punten. Informele arbeid is voor het merendeel ook niet-geregistreerde en niet-gerapporteerde arbeid.[81] Het belangrijkste onderscheid is dat tussen informele en illegale activiteiten. Illegale ondernemingen produceren en verhandelen meestal goederen of diensten die door de bestaande wetgeving als illegaal zijn bestempeld (produktie van harddrugs, handel in vrouwen), terwijl informele ondernemingen meestal legale goederen produceren en verhandelen (zoals kleding of voedsel). Illegale of criminele arbeid onttrekt zich aan elke institutionele regeling en is dus bijna per definitie tegelijkertijd ook niet-gerapporteerde, niet-geregistreerde en informele arbeid. Het onderscheid tussen formeel-legale en crimineel-illegale arbeid is natuurlijk relatief omdat het afhangt van de in een bepaalde maatschappij op een bepaald tijdstip heersende sociale en juridische definitie van wat illegale economische activiteiten zijn. Illegale arbeid is een vorm van inofficiële, niet-gerapporteerde maar wel betaalde arbeid. Het omvat niet alleen het produceren en verhandelen van hard- en softdrugs (cocaïne, opium, hasj, marihuana, XTC enz.), maar bijvoorbeeld ook het prostitutiewezen, de vrouwenhandel, het illegale gokken en de handel in gestolen goederen. De klassieke sectoren zijn die van de prostitutie, het gokwezen, de woeker, de porno en de wapenhandel. Illegale exploitatiepraktijken zijn de laatste decennia steeds sterker geconcentreerd op de uiterst lucratieve drugshandel. In de mate dat de georganiseerde criminaliteit de officiële staatsinstellingen heeft gepenetreerd, kan tegenwoordig soms nog meer verdiend worden met de aanbesteding op openbare werken, d.w.z. het zonder noemenswaardige tegenprestatie achteroverdrukken van overheidsgelden.[82]
Castells/Portes [1989:14] hebben het onderscheid tussen formele, informele en criminele economie en de relaties daartussen als volgt in kaart gebracht:
Figuur 3 Typen van economische activiteit

Het onderscheid tussen formele, informele en criminele arbeid heeft als zodanig niets te maken met de specifieke aard van de geproduceerde goederen of diensten, maar met de wijze waarop deze goederen en diensten worden geproduceerd en/of geruild. Overhemden kunnen zowel gemaakt worden door arbeiders die formeel in loondienst zijn van volledig legale ondernemingen, als door (al dan niet illegaal in een land verblijvende) arbeiders die zonder enige rechtsbescherming of sociale zekerheidsrechten in dienst zijn van illegaal opererende ondernemingen. Zo kunnen ook wapens volkomen legaal en zelfs met instemming en steun van regeringen worden geproduceerd en verhandeld door particuliere ondernemingen, maar ook door illegaal opererende criminele bendes.
b) Functionele differentiatie. In een functionele classificatie worden de informele activiteiten ingedeeld naar hun doelen. Portes/Castells/Benton [1989 - The Policy Implications of Informality] hebben laten zien wat het nut is van een functionele classificatie van informele activiteiten naar hun doelen. Zij maken een onderscheid tussen drie informele economieën: de overlevingseconomie, de afhankelijke exploitatie economie en de groei-economie.
Voor grote ondernemingen kan deze vorm van decentralisatie van de produktie winstgevend zijn. Hierbij spelen twee factoren een belangrijke rol. (1e) Op deze manier hoeft de onderneming alleen het centrale deel van haar produktieve proces te organiseren en te rationaliseren (technologisch-organisationele factor). (2e) Arbeiders binnen grote ondernemingen zijn beter in staat zichzelf in vakbonden te organiseren en eisen te stellen; in kleine bedrijfjes exploiteert de onafhankelijke ondernemer zichzelf en een paar - vaak vrouwelijke - arbeiders, wier lonen in de regel aanzienlijk lager liggen dan de regelingslonen en wier vakbondsorganisatie gemakkelijker kan worden onderdrukt (syndicale factor).[87] Gebruikmakend van de op wereldschaal bestaande grote verschillen in loonkosten heeft onderaanneming zich tot een internationaal verschijnsel ontwikkeld. Een groot deel van de radio's en televisies en een toenemend aantal auto's, boeken, speelgoed en zelfs de haute couture van de Franse modehuizen wordt tegenwoordig in landen als Zuid-Korea, Taiwan en de Fillipijnen geproduceerd [Worsley 1984:198 e.v. - The Three Worlds]. |
De opbrengst van deze zoektocht is bescheiden. De belangrijkste winst is ook in dit geval niet zozeer het direct tastbare resultaat (zoals een 'volledig nieuwe arbeidsdefinitie'), maar de gevolgde analytische strategie. De stapsgewijze ontcijfering en deconstructie van het arbeidsbegrip maakt het mogelijk om nauwkeuriger te laten zien waar de voetangels en klemmen liggen die moeten worden vermeden, en waar de echte problemen liggen die men juist niet uit de weg moet gaan. Arbeid blijft dus een lastig begrip. Gelukkig heeft dat sociale wetenschappers nooit weerhouden om arbeidsverhoudingen empirisch te bestuderen. Discussies over het arbeidsbegrip zijn hiervoor natuurlijk geen vervanging - zij kunnen wel bijdragen aan een precisering van de richting van empirische onderzoeksagenda's.
[5] Zie bijv. Offe [1985 - Work: The Key