
Albert Benschop
Universiteit van Amsterdam
Machtskansen in arbeidsverhoudingen
Veit Bader & Albert Benschop
In het centrum van alle theorieën van sociale ongelijkheid, die collectief handelen willen verklaren, staat de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over maatschappelijke bronnen. De feitelijke kansen om macht uit te oefenen in sociale situaties van concurrentie of strijd worden bepaald door
- de samenstelling en omvang van die bronnen en
- de mate waarin zij kunnen worden ingezet en gemobiliseerd ten opzichte van tegengestelde conflictgroepen.
Geen enkele theorie van sociale ongelijkheid zou daarom voorbij mogen gaan aan de vraag wat de maatschappelijke bronnen zijn waarover mensen individueel of collectief kunnen beschikken.
In het boek Ongelijk-heden hebben wij laten zien dat er nogal wat mankeert aan de gangbare indelingen van bronnen: zij zijn buitengewoon onvolledig, tegenstrijdig en selectief onderbouwd, en er is nauwelijks nagedacht over de perspectieven en criteria van deze indelingen. Daarom hebben wij in deze studie de koe bij de horens gevat: onze pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen is verankerd in een nauwkeurige afbakening van het bronnenbegrip en in een uitvoerige indeling van de machtsbronnen waarover beschikt kan worden resp. waarover controle kan worden uitgeoefend. Wie deze hele exercitie wil meemaken, raden wij aan de eerdere hoofdstukken van dit boek te lezen.
Om het lezen van dit hoofdstuk over 'Machtskansen in arbeidsverhoudingen' te vergemakkelijken geves we eerst een korte toelichting op een paar begrippen die in eerdere hoofdstukken uitvoerig worden besproken. Het analytische onderscheid tussen bronnen en beloningen, en het onderscheid tussen directe en indirecte bronnen hebben wij uitvoerig uitgewerkt in hft. III-V.
Bronnen zijn objecten die gebruikt worden om de middelen van behoeftebevrediging voort te brengen of om deze toe te eigenen; beloningen fungeren als middel voor directe behoeftebevrediging.
Directe bronnen zijn
bronnen die als zodanig direct in maatschappelijke arbeidsverhoudingen worden
gebruikt voor het voortbrengen van maatschappelijke gebruikswaarden; alle
andere bronnen die niet directen als zodanig in arbeidsprocessen gebruikt
kunnen woren, worden aangeduid als indirecte bronnen. Omdat directe bronnen in
tegenstelling tot indirecte bronnen als zodanig bijdragen aan de vervaardiging
van goederen en diensten kunnen zij ook worden aangeduid als produktieve
bronnen.
De directe bronnen kunnen worden onderverdeeld in drie
categorieën:
- materiële bronnen of materiële
arbeidsvoorwaarden: bewerkte en onbewerkte natuurlijke voorwaarden (zoals
grond, bossen, akkers, water), materiële produktie- of arbeidsvoorwerpen
(grondstoffen) en materiële arbeidsmiddelen (zoals machines, gebouwen,
wegen),
- prestatiekwalificaties van specifiek gekwalificeerde
arbeidskrachten, en
- vormen van coöperatie, coördinatie en leiding
van de arbeidsorganisatie.
Bij eerste de analyse van de directe en indirecte bronnen zijn we bewust niet ingegaan op vragen zoals:
- wie kan deze bronnen toeëigenen?
- in welke mate kunnen ze worden toegeeigend?
- wat is hun relatieve betekenis en kracht bij de structurering van ongelijkheids- en machtsverhoudingen?
- welke factoren bepalen of bronnen feitelijk gebruikt kunnen worden?
Toch zijn dit voor de ontwikkeling van theorieën van sociale ongelijkheid en collectief handelen zeer wezenlijke vragen. We hebben ze tot nu toe buiten beschouwing gelaten om ze in dit hoofdstuk op een andere grondslag te behandelen.
Onze pro-theoretische indeling van bronnen kan op drie manieren vruchtbaar gemaakt worden:
- als een bronnencatalogus die in empirisch
onderzoek gebruikt kan worden als een zoeklicht dat de aandacht richt en
concentreert.
- als referentiekader voor ethische discussies en
met name voor inhoudelijke rechtvaardigheidstheorieën. Als men
democratische ethiek niet beperkt tot zuiver formele, procedurele
discoursethiek, dan maakt ze impliciet of expliciet gebruik van een catalogus
van objecten die rechtvaardig verdeeld zouden moeten worden.[1] De catalogussen die hiervoor worden gebruikt, zijn meestal net zo reductionistisch en onduidelijk als de bekende reeks 'macht, rijkdom, status' in de ongelijkheidssociologie.[2]
- als grondslag voor de ontwikkeling van evolutionaire, maatschappijformatie- en
veldspecifieke bronnentheorieën.
In dit hoofdstuk laten we zien hoe onze bronnenindeling voor zo'n theorie
gebruikt kan worden. We specificeren eerst de criteria voor de relatieve
structurerende kracht van de verschillende typen bronnen [§ 1].
Daarna geven wij aan vanuit welke analytische invalshoek de machtsverdeling
tussen verschillende maatschappelijke velden onderzocht kan worden. Bij wijze
van voorbeeld schetsen we hoe de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over
directe en indirecte bronnen de machtskansen in arbeidsverhoudingen, in het
bijzonder op arbeidsmarkten structureert [§ 2].
Wij hebben directe en indirecte bronnen uitsluitend geanalyseerd in het licht
van hun inzetbaarheid in maatschappelijke arbeidsprocessen. We hebben gesteld
dat directe bronnen een grotere betekenis hebben voor het structureren van
machtsverhoudingen en handelingskansen dan indirecte bronnen. Als men
uitspraken wil doen over de relatieve structurerende kracht van verschillende
typen bronnen dan moet dat worden beargumenteerd. Wie dergelijke stellingen theoretisch wil onderbouwen, moet in ieder geval rekening houden met de volgende factoren en criteria.[3]
Stelling 1: De specifieke gebruikseigenschappen van bronnen zijn bepalend voor de mate waarin zij kunnen worden toegeëigend en gecontroleerd
Bronnen hebben specifieke gebruikseigenschappen. Dit heeft gevolgen voor
de mogelijkheid om ze toe te eigenen en te controleren. Bronnen moeten als middel in strategische handelingscontexten gebruikt of ingezet kunnen worden. Dat is ook mogelijk wanneer deze bronnen niet exclusief of volledig door een actor gecontroleerd worden; zij hoeven dus zeker geen 'volledig eigendom' te zijn in de moderne privaatrechtelijke zin van het woord.
- De materiële objecten kunnen - uiteraard onder bepaalde technische voorwaarden - gemakkelijk en volledig worden toegeëigend.
- Toeëigening van andere mensen of toeëigening van menselijke arbeidskracht levert aanzienlijk grotere moeilijkheden op. Een volledige toeëigening van andere actoren is moeilijk. Natuurlijk kunnen mensen juridisch gezien - net als dieren! - gemakkelijk als zaken behandeld worden. Maar mensen kunnen feitelijk nooit volledig van hun handelingscompetentie - die ook altijd potentiële verzetscompetentie insluit - beroofd worden. Tenzij men ze doodt, maar dat is zelden het doel van de toeëigening. De toeëigening van vreemde arbeidskracht onder voorwaarde van (conventionele, juridische, politieke) vrijheid en gelijkheid
van hun dragers is moeilijk. De arbeidskracht kan immers niet gescheiden van hetlevende subject worden toegeëigend.[4]
- De toeëigening van ideële, symbolische, culturele
objecten levert vergeleken met materiële objecten eveneens grotere moeilijkheden op.[5] Kennis en informatie kunnen onder bepaalde voorwaarden in vergaande mate worden gemonopoliseerd (middels copyright, patentrecht etc.). Maar legaliteit, legitimiteit en dominante prestigehiërarchieën kunnen
bijvoorbeeld helemaal niet in strikte zin worden toegeëigend. De
feitelijke politieke handelingskansen om legaliteit te
beïnvloeden of te veranderen zijn natuurlijk in meer of mindere mate
ongelijk gestructureerd. Bovendien kunnen een aantal van deze politieke bronnen worden toegeëigend, zoals vooral politieke rechten. Legaliteit is als resultaat van politieke beslissingen echter niet het eigendom van iemand. Toch kan legaliteit worden gebruikt als een belangrijke indirecte bron, zowel door individuele en collectieve actoren tegen elkaar als tegen de staat (wat idealiter in moderne rechtsstaten het geval is). In dit opzicht biedt legaliteit min of meer openlijk klassen- en groepsspecifieke handelingskansen.
Cultureel dominante duidingspatronen en legitimiteitsopvattingen kunnen geen individueel, groeps- of klasse-eigendom worden. Het zijn weliswaar geen 'publieke goederen' waarover consensus bestaat, maar ze maken wel aanspraak op maatschappelijke geldigheid. Legitimiteitsopvattingen zijn alleen in de
metaforische zin overdraagbaar, beschikbaar en controleerbaar. Bovendien zijn ze slechts binnen strikte grenzen strategisch manipuleerbaar. Toch kunnen legitimiteitsopvattingen effectief gebruikt worden als belangrijke indirecte bronnen.
Mensen kunnen objecten toeëigenen met de verwachting dat daaraan
positief sociaal prestige is verbonden.[6] Dit is echter slechts in beperkte mate
mogelijk. Veel eigenschappen die ascriptief positief of negatief worden
gewaardeerd, kunnen niet verworven of veranderd worden (huidskleur, leeftijd, geslacht enz.). Andere eigenschappen kunnen alleen maar gedeeltelijk en oppervlakkig worden verworven en veranderd (zoals habitus en levensstijlen). Het dominante sociale prestige zelf is echter geen individueel, groeps- of klasse-eigendom. Dat neemt niet weg dat sociaal prestige een effectieve bron is wanneer en in de mate dat het prestige feitelijk empirisch geldig is - ook als het prestige
niet, nog niet of niet meer conventioneel of juridisch is gesanctioneerd.
- Ook sociale relaties kunnen strategisch worden
aangeknoopt en beïnvloed en kunnen als indirecte bron worden gebruikt. Maar evenals habitus en collectieve identiteit kunnen relaties niet worden toegeëigend - ook al 'heeft' men nog zoveel goede relaties, men 'bezit' ze niet.[7]
Sommige bronnen laten zich dus gemakkelijker en omvattender toeëigenen dan andere bronnen. Tegelijkertijd hebben we gezien dat bronnen die als zodanig niet volledig toegeëigend of gecontroleerd kunnen worden, wel degelijk bruikbaar en inzetbaar zijn. In het algemeen kan men echter zeggen dat de graden van beschikkingsmacht over bronnen bepalend zijn voor hun inzetbaarheid en effectiviteit. Alleen bronnen die feitelijk selectief gebruikt en in dit opzicht geprivatiseerd kunnen worden, laten zich inzetten in particuliere machtsstrategieën. Er is dus een zeker minimum aan feitelijke beschikking verondersteld, om nog zinvol van bronnen te kunnen
spreken.[8]
Stelling 2: De relatieve betekenis van bronnen verandert in de loop der tijd
De relatieve betekenis van bronnen is geen statisch gegeven, maar verandert met de historische ontwikkeling. In de loop van de geschiedenis zijn bijvoorbeeld de verschillende prestatiecompetenties steeds verder ontwikkeld. Door de ontwikkeling van de maatschappelijke produktiekrachten van de arbeid neemt bovendien de relatieve betekenis van lichamelijke competenties in vergelijking met cognitieve competenties sterk af ('informatisering van de arbeid'). Dat gebeurt niet alleen in materiële
produktieprocessen, maar ook op het meest oorspronkelijke terrein van de
lichaamskracht: in de gespecialiseerde processen van maatschappelijke
geweldsuitoefening. De slagkracht van een modern leger is niet meer primair afhankelijk van de fysieke conditie en lichamelijke training van de militairen, maar van de cognitieve competenties die zich in hun hard- en software heeft gematerialiseerd: er wordt gevochten met 'slimme bommen'.
|
Informatisering van de arbeid
Menselijke arbeidsprocessen zijn nooit alleen maar stoffelijk-energetische activiteiten van de 'stofwisseling met de natuur', zij zijn altijd tegelijk ook kennisverwerkende processen. In de loop van de ontwikkeling van de kapitalistische arbeidswijze wordt een toenemend deel van deze 'denkarbeid' getransformeerd in een informatieverwerkingsproces en gescheiden van het verrichtingsproces van de arbeid. Dit proces wordt meestal beeldend ook al is het een wat scheef beeld aangeduid als scheiding van hand- en hoofdarbeid.
Met de toenemende sturings- en controlebehoefte ontwikkelde zich sinds het midden van de 19e eeuw een systeem van voortbrenging en bewerking van informatie, dat in toenemende mate steunt op technieken die op hun beurt hoofdzakelijk gebaseerd zijn op organisatiestrategieën [Schmiede 1992: 57f.]. Door de ontwikkeling van het tayloristisch-fordistische rationaliseringsparadigma werd dit proces sterk geïntensiveerd. Kenmerkend voor de Tayloristische reorganisatie van de bedrijfsstructuren is dat deze gericht is op het scheppen van gelijkvormige arbeidshandelingen en hun organisatie naar machineachtige principes. Via de standaardisering van de in de produktie ingezette onderdelen legde het Taylorisme tevens de grondslag voor de standaardisering van de ingezette loonarbeid. Door deze gelijkvormigheid van de organisatorische processen werd een verdere voorwaarde geschapen om ook de arbeid als centrale categorie van het produktieproces 'berekenbaar' te maken. Verbonden met de invoering van het prestatieloon werden door de uniformering van de arbeidsprocessen de voorwaarden geschapen voor het verkrijgen van empirisch-gebaseerde kennis over het verloop van produktieprocessen en de eigenaardigheden van de menselijke arbeid [Benschop 1996].
De informatisering van de arbeid is een algemeen kenmerk van de industrialisatie. Het concrete produktieproces ondergaat daarbij sinds het begin van de kapitalistische arbeidswijze een "structurele verdubbeling" [Schmiede 1992: 68]: informaties worden systematisch verzameld en verwerkt, organisatorisch en personeel gescheiden alsmede in complexe informatiesystemen met een eigensoortige logica (berekeningswezen, produktiebesturingssystemen) geïntegreerd. Door abstractie worden formele modellen van de werkelijkheid voortgebracht die, hoe omvangrijker zij worden, op hun beurt de toegang tot de verandering en sturing van de werkelijkheid bepalen.
Deze ontwikkeling voltrekt zich in eerste instantie historisch onafhankelijk van het ontstaan en het gebruik van de computertechniek. Het sinds de jaren 40 van onze eeuw voortschrijdende proces van de commerciële gebruik van de computertechniek voor informatieverwerking heeft veeleer zijn historische en logische wortels in deze ontwikkeling.
Het wezenlijke van de 'informatiemaatschappij' kan men echter niet verklaren als men de blik uitsluitend op de techniek richt. Het ontstaan van de informatietechniek is een gematerialiseerde uitdrukking van een historische ontwikkeling van de 'informatisering van de arbeid', waarvan het begin veel verder teruggaat dan de inzet van de eerste computer [Schmiede 1992; zie uitvoeriger: Baukrowitz/Boes 1996].
|
Stelling 3:De betekenis van bronnen is afhankelijk van de mate waarin zij generaliseerbaar zijn
De relatieve maatschappelijke betekenis van de verschillende typen bronnen is afhankelijk van de mate waarin ze generaliseerbaar zijn. Bronnen kunnen door hun inhoudelijke of intrinsieke eigenschappen zeer specifiek zijn. In dat geval kunnen zij alleen binnen bepaalde velden, arena's of domeinen ingezet worden. Andere bronnen zijn in meerdere of alle velden inzetbaar. Directe bronnen worden door hun specifieke gebruiksvorm min of meer nauwkeurig vastgelegd op bepaalde arbeidsverhoudingen en zijn daarom tamelijk specifiek. Indirecte bronnen zijn veel algemener: zij kunnen in de meest uiteenlopende
maatschappelijke verhoudingen als machtsbronnen worden gebruikt. Een aantal van deze indirecte bronnen is bijna universeel bruikbaar: geld in maatschappijen met ontwikkelde waren- en geldcirculatie; vrije tijd en geweld.[9]
In maatschappijen met een ontwikkelde waren- en geldcirculatie is geld een doorslaggevende indirecte bron. Geld kan gemakkelijk en volledig toegeëigend worden en men kan er exclusief over beschikken. In dit soort maatschappijen is geld universeel, d.w.z. in alle velden bruikbaar. De bruikbaarheid van geld wordt slechts beperkt door gewoontes of zeden, conventies of juridische regels (die lang niet altijd effectief zijn) en door emotioneel, traditioneel en/of normatief gemotiveerde sociale sluiting. Daarnaast wordt de bruikbaarheid van geld slechts beperkt door de kwantiteit van de de beschikbare geldsom, door geldontwaarding en door de verschillende 'wisselkoersen' in de diverse velden. Wanneer geld als indirecte bron gebruikt wordt, wordt het volledig uitgegeven (als ruil-, koop-, betalings- of omkopingsmiddel). Geld kan echter ook door zijn loutere aanwezigheid en reputatie gratis werken. De waarde van het geld is afhankelijk van de geldvorm en valutastabiliteit. Daarom wordt geld door niet-gebruik meer of minder sterk gedevalueerd. Gled is extreem liquide en - bij onbeperkte en ongedeelde beschikkingsmacht - op korte termijn inzetbaar. Bovendien is geld extreem deelbaar en kan daarom zeer nauwkeurig gedoseerd worden ingezet.
Geld is een van de meest prominente en meest gebruikte bronnen in positieve
sanctiestrategieën: geld is een bijna universeel bruikbare beloning. Men
kan met geld activiteiten financieren, anderen omkopen, verzet afkopen,
compromissen vergemakkelijken enzovoort. Wanneer men beloofde geldsommen dreigt
te onthouden, financieringen opschort of beëindigt, kredieten bevriest
enz. gebruikt men geld als bron in negatieve sanctiestrategieën. In beide
strategieën bewijst de fijne doseerbaarheid van geld haar strategische
betekenis. Alleen in overtuigingsstrategieën kan geld niet worden
gebruikt: geld is geen overtuigend argument. Maar men kan geld wel gebruiken
voor de financiering van communicatiesystemen die nodig zijn om van goede
argumenten maatschappelijk effectieve argumenten te maken.
In maatschappijen met ontwikkelde waren- en geldcirculatie is geld dus voor
alle collectieve actoren een uitmuntende machtsbron. De reproduktie van de
monetaire inkomens- en vermogensongelijkheid van de klassen, elites en sociale
lagen structureert niet alleen hun arbeids- en levenskansen, maar tevens al hun
kansen om alle machts- en mobilisatiebronnen te verwerven die voor het conflict
relevant en koopbaar zijn. Voor de collectieve actoren die financieel arm zijn,
betekent dit (1) dat hun interne financiële bronnen ter bestrijding van de
mobilisatie- en organisatiekosten en van de kosten van actuele conflicten zeer
beperkt zijn: lidmaatschapsbijdragen en giften; (2) dat hun mogelijkheden
externe financiële bronnen te mobiliseren meestal zeer beperktzijn; (3)
dat wanneer sociale bewegingen en organisaties er toch in slagen externe
bronnen te mobiliseren, hun relatieve financiële afhankelijkheid van
anderen verhoudingsgewijs veel en veel groter is: alle potentiële externe
'financiers' hebben een eigenbelang en oefenen meer of minder nadrukkeling
invloed uit op programma en strategie van bewegingen en organisaties.
Stelling 4: Veldspecifieke bronnen zijn niet zonder verlies aan effectiviteit inzetbaar in een ander veld
Toch hebben bronnentypen die in verschillende maatschappelijke verhoudingen
kunnen worden ingezet hun specifieke velden, domeinen, arena's,
hun 'scopes and sites' [Lasswell/Kaplan 1950:78; Gamson 1968:82]. Ze moeten ook
steeds met andere bronnen concurreren. Met geld, relaties en geweld bereikt men
in emotionele of wetenschapsverhoudingen niet niets, maar toch ook niet alles.
Het gebruik van generaliseerbare bronnen in andere velden gaat meestal gepaard
met 'koersverliezen' of verliezen aan effectiviteit. Bronnen zijn dus niet
onbeperkt en zonder verliezen omzetbaar of
convertibel.[10] Ze hebben veldspecifieke
wisselkoersen.[11] De potentiële reikwijdte en
werkzaamheid van bepaalde bronnen is afhankelijk van de graad van
generaliseerbaarheid of universaliteit van de inzetbaarheid in combinatie met
hun gegeven wisselkoersen.
Stelling 5: Een algemeen primaat van direct over indirecte bronnen is niet aantoonbaar - evenmin als het omgekeerde
Het is niet eenvoudig om algemene uitspraken te doen over de relatieve betekenis van directe in verhouding tot indirecte bronnen. Enerzijds wordt de beschikkingsmacht over indirecte bronnen, voor zover het resultaten van maatschappelijke arbeidsprocessen zijn,
gestructureerd en gereproduceerd door de beschikkingsmacht over directe bronnen. Daarom is vaak gepleit voor een primaat van directe bronnen, en meer i.h.b. van levende arbeid, van prestatiecompetenties, of van 'presterende macht'.[12] Anderzijds heeft de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over indirecte bronnen een wezenlijke invloed op de verdeling van directe bronnen en daarmee op de machtskansen in maatschappelijke arbeidsprocessen. Op grond van deze overweging wordt - in
combinatie met het al eerder gememoreerde feit dat indirecte bronnen in hogere mate generaliseerbaar zijn - vaak geprobeerd een primaat van de indirecte bronnen te onderbouwen. Op dit niveau van algemeenheid is het uitermate moeilijk om hierover op een zinnige manier te discussiëren. Bovendien zijn de abstracte confrontaties die daar meestal uit voortvloeien niet zinvol. Zo zouden voor marxistische klassenanalyses, die uitgaan van de verdeling van directe bronnen in maatschappelijke arbeidsprocessen, de machtskansen die de distributie van directe bronnen bepalen, evenmin irrelevant mogen zijn als voor weberiaanse klassenanalyses de feitelijke machts- en gezagsverhoudingen in maatschappelijke arbeidsprocessen [zie Ongelijk-heden, hft. VII; Benschop 1993: hft. VII].
Stelling 6: Controle over materiële bronnen is beslissend, zolang zij niet effectief gecollectiviseerd zijn
Er is een bepaalde onderlinge verhouding tussen de beschikkingsmacht
over de drie typen directe bronnen. De beschikkingsmacht over
materiële arbeidsvoorwaarden is beslissend voor de machtsverhoudingen in
maatschappelijke arbeidsprocessen zolang de beslissingen over werkgelegenheid,
arbeidsomstandigheden en de gehele arbeidsorganisatie daarvan afhankelijk zijn.
Met andere woorden: de beschikkingsmacht over de materiële bronnen is
doorslaggevend zolang ze niet effectief gecollectiviseerd is, d.w.z. de directe
materiële bronnen feitelijk (en niet alleen maar juridisch)
gemeenschappelijk eigendom (geworden) zijn.[13]
Stelling 7: Sommige indirecte bronnen kunnen niet direct als machtbron worden gebruikt
Er is ook een bepaalde verhouding tussen indirecte bronnen
onderling. Enerzijds gaat het daarbij om de al aangeduide
gestructureerde convertibiliteit (bijv. van geld in onderwijstitels en van
onderwijstitels of van positief sociaal prestige in geldinkomen).[14] Maar het gaat het met name om het feit dat
een aantal indirecte bronnen überhaupt niet direct als machtsbronnen
gebruikt kunnen worden: zij kunnen er alleen toe bijdragen om de eigen
machtsbronnen te mobiliseren of externe, d.w.z. niet zelf gecontroleerde
bronnen te ontsluiten. Bovendien hebben we er al op gewezen dat een aantal
indirecte bronnen niet als zodanig, maar slechts in combinatie met andere
bronnen als machtsbronnen kunnen fungeren. Sociale relaties werken bijvoorbeeld
alleen in combinatie met de (verwachte) invloed van het geld, de gezagspositie
van de patroon of van selectief geassocieerden. De bronnen die direct als
machtsbronnen gebruikt kunnen worden, zou men daarom kunnen aanduiden als
'primaire' bronnen, en de andere als 'secundaire' bronnen.[15]
Stelling 8: De structurerende kracht van bronnen is afhankelijk van de mate waarin men ze kan toeëigenen
Bronnen kunnen als middel worden gebruikt of ingezet, ook al kunnen ze niet
altijd in de strikte zin worden toegeëigend. Maar de graden van
toeëigenbaarheid of beschikkingsmacht zijn globaal bepalend voor hun
structurerende kracht. Dit geldt in dubbel opzicht:
- De relatieve betekenis van bepaalde typen bronnen verandert met de stand
van hun feitelijke privatisering of collectivisering. Collectieve
bronnen kunnen niet als bronnen voor particularistische strategieën worden
gebruikt. De ongelijkheidsstructurerende kracht van bronnen neemt af naarmate
ze feitelijk gecollectiviseerd zijn. Hierdoor neemt tegelijkertijd de relatieve
betekenis van de beschikkingsmacht over andere typen bronnen toe. Twee bekende
voorbeelden kunnen dit verduidelijken. De grote betekenis van sociaal prestige
als bron en beloning in tribale maatschappijen is het pendant van nauwelijks
ontwikkelde particuliere beschikkingsmacht over materiële
arbeidsvoorwaarden.[16] De betekenis van de
directe bronnen prestatiekwalificaties en organisatie neemt sterk toe wanneer
de materiële arbeidsvoorwaarden juridisch (en vooral wanneer ze feitelijk)
zijn vermaatschappelijkt. Dit is de belangrijkste reden voor de relatief grote
rol van expertocratie en managerialisme in socialistische landen. En dit is -
ondanks alle misverstanden die een dergelijke generaliserende formulering kan
oproepen - ook het geval als men de huidige etatistisch-socialistische met de
kapitalistische maatschappijen vergelijkt.[17]
- Beschikkingsmacht over bronnen die door deling, delegatie en door externe
limitatie is beperkt, biedt aanzienlijk geringere machtskansen in vergelijking
met de hoge graad van concentratie van controle-, overdrachts- en gebruiksrechten van de volledige 'private eigendom'.[18]
Stelling 9: Sommige bronnen werken alleen in combinatie met andere bronnen
Een aantal bronnen werkt alleen in combinatie met andere bronnen. Dit
verschijnsel is niet alleen kenmerkend voor secundaire of mobilisatiebronnen.
In gestabiliseerde sociale ongelijkheidsstructuren bestaan specifieke
cumulaties van bepaalde bronnen die meer of minder grote ongelijkheden van
machtskansen vastlegggen.[19] Het probleem
van de bronnenconcentratie en -cumulatie zou niet dichotomiserend benaderd
moeten worden. Ook al zijn de belangrijkste maatschappelijke bronnen nog zo
asymmetrisch verdeeld, de heersende klassen kunnen niet alle bronnen
monopoliseren. Eenvoudig gezegd: 'niemand heeft alle macht' en 'niemand is
volledig machteloos'.[20] Bovendien is het
totale bronnenpotentieel dat in een maatschappij beschikbaar is geen constante.
De verdeling van bronnen is weliswaar in een specifieke situatie gefixeerd
[Gamson 1968: 105 e.v; Etzioni 1963:342], maar ze is op de lange termijn geen
'zero-sum-game'.
Stelling 10: De feitelijke inzetbaarheid van bronnen wordt beïnvloed door hun graden van liquiditeit en mobiliseerbaarheid, door de kosten van hun gebruik en door externe & interne blokkades
Tenslotte moeten de factoren worden genoemd die de feitelijke
inzetbaarheid van bronnen beïnvloeden[21]:
- Graden van liquiditeit: bepaalde bronnen zijn van nature
extreem vloeiend en converteerbaar, zoals geld, tijd en arbeidskracht die is
uitgerust met bepaalde maatschappelijke minimumcompetenties ('discretionaire
bronnen'). Andere bronnen zijn gefixeerd en zeer moeilijk converteerbaar.
Sommige bronnen waarover men volledig beschik kunnen voor bepaalde actuele
conflcten niet gebruikt worden, omdat hun inhoudelijke eigenschappen dit niet
toelaten. Zo kunnen bijvoorbeeld de produktiemiddelen waarover men beschikt
meestal niet - en zeker niet op korte termijn - als geweldsmiddelen worden
ingezet, en kan slechts op beperkte schaal worden omgeschakeld voor de
produktie van geweldsmiddelen.
- Graden van mobilisatie: alle bronnen zijn habitueel, door
gewoontes, zeden, conventies of contracten gebonden of geallokeerd en moeten
daarom voor conflictdoeleinden eerst nog worden gemobiliseerd en geconverteerd.
- Kosten van hun gebruik: de meeste bronnen - alle
materiële - worden door hun inzet verbruikt of vernietigd: geld wordt
uitgegeven en kogels verschoten. Ideële bronnen kunnen daarentegen
weliswaar verouderen, maar door hun gebruik worden zij niet verbruikt maar
gereproduceerd of versterkt. Bepaalde bronnen kunnen door hun inzet dus juist
gereproduceerd en vermeerderd worden: legitimiteit, prestige, alle
prestatiekwalificaties, sociale relaties - hun situatiekosten zijn nul of zelf
negatief. Zo leidt de inzet van prestatiekwalificaties meestal niet tot hun
slijtage, maar tot kostenloze vermeerdering van praktische kwalificaties en
ervaring.
- Externe en interne blokkades van inzetbaarheid van bronnen. De
inzet van bronnen die in principe beschikbaar en bruikbaar zijn kan in meer of
mindere mate effectief geblokkeerd worden door de volgende factoren.
- Men
kan over deze bronnen niet, gebrekkig of strategisch verkeerd geïnformeerd
zijn.
- Men kan verkeerde of strategisch vertekende cognitieve
situatiedefinities hebben.
- Het gebruik van bepaalde bronnen kan verhinderd
worden door nuchtere strategische overwegingen. Geweld wordt bijvoorbeeld niet
gebruikt omdat de inzet ervan nadelig lijkt. Men kan afzien van geweld of van
bedrijfsbezettingen omdat deze middelen in de heersende rechtsorde illegaal
zijn verkaard.
- Men kan ook afzien van de inzet van bepaalde bronnen omdat
men deze zelf als illegitiem beoordeeld. Zo zijn bijvoorbeeld geweldsmiddelen -
die in principe strategisch beschikbaar en aanwendbaar zijn - in
strategieën van geweldloos verzet niet inzetbaar, zolang de
bewegingsinterne normatieve bindingen intact blijven.[22]
- De zeden en solidariteiten die de
conflictpartijen omspannen, verhinderen dat bepaalde bronnen worden ingezet.
Bronnen die de mobilisatie en de inzet van bronnen beïnvloeden zullen we in deel 2 uitvoeriger behandelen. Dit probleem kan hier kort worden geïllustreerd aan het voorbeeld van illegalisering. De inzet van indirecte bronnen kan door de geldende rechtsorde illegaal verklaard zijn:
- geld zou noch zieleheil, noch onderwijstitels, ambten, politieke beslissingen of recht mogen kopen;
- geweld zou alleen binnen strikte grenzen gebruikt mogen worden door diegenen aan wie het legale geweldsmonopolie van de staat is gedelegeerd;
- sociale relaties zouden niet gebruikt mogen worden om illegale privileges te verkrijgen en
- discriminatie wordt uitdrukkelijk en gedetailleerd verboden in verschillende internationale verklaringen van de grond- en mensenrechten, in verschillende nationale grondwetten en strafwetboeken.
Een dergelijke illegalisering werkt enerzijds via strafdreiging die verbonden is
met het positieve recht. Deze dreiging bewerkstelligt dat men om strategische
opportuniteitsredenen afziet van de inzet van geïllegaliseerde bronnen, of
dat men deze wetten ontduikt, d.w.z. dat men de geïllegaliseerde bronnen
toch heimelijk inzet en er semi-officieel en inofficieel - tot aan crimineel -
gebruik van maakt. Illegalisering kan er anderzijds toe leiden dat men zich
door langdurige gewenning aan de wetten gaat houden of ze legitiem gaat vinden
omdat men er zelf waarderend mee instemt. Wanneer deze legitimiteitsopvattingen
feitelijk handelingsrelevant zijn, worden de kansen die zich aandienen voor
illegale beïnvloeding niet benut.
De relatieve betekenis van de verschillende typen bronnen voor de structurering
van sociale ongelijkheid en voor de betreffende machtsverhoudingen is dus
historisch variabel, verschillend in de diverse maatschappijformaties en in de
diverse velden van maatschappelijke activiteiten. Bronnentheorieën zouden
op z'n minst rekening moeten houden met de hier genoemde criteria en factoren.
In de volgende paragraaf zullen we een van de mogelijkheden die zich hiervoor
aandient iets nader belichten.[23]
Onze bronnenindeling maakt een gedifferentieerde analyse mogelijk van de veldoverstijgende of -doorsnijdende machtskansen. Het maakt echter ook een analyse mogelijk van machtskansen in gedifferentieerde maatschappelijke arbeidsverhoudingen. In onze benadering wordt in eerste instantie geabstraheerd van de gebruikswaarde, van de concreet nuttige soorten arbeid. In deze argumentatie staat dus het specifieke maatschappelijke karakter van de soorten arbeid en arbeidsverhoudingen centraal. Dit biedt een betere ingang voor de analyse van de machts- en gezagsverhoudingen dan de concentratie op de specifieke kenmerken van arbeidsprocessen.
Eerst worden de belangrijkste vragen opgeworpen die het maatschappelijke
karakter van de arbeid(sverhoudingen) bepalen [§ 2.1] en geven we een
samenvatting van de distributieprocessen in kapitalistische
arbeidsverhoudingen [§ 2.2]. Tegen deze achtergrond behandelen we de
machtskansen in processen van distributie van de directe bronnen, speciaal op
kapitalistische arbeidsmarkten [§ 2.3], in de kapitalistische
produktieprocessen [§ 2.4] en in de verdeling van de resultaten van
kapitalistische arbeidsprocessen [§ 2.5].
Deze behandeling is noch nieuw noch revolutionair. Wij beperken ons tot een algemene schets van een
onderzoeksprogram om plausibel te maken hoe de ongelijke verdeling van
beschikkingsmacht over directe en indirecte bronnen de machtskansen in
arbeidsverhoudingen structureert. Wij verbinden een aantal disciplines die
nogal gescheiden opereren, zoals arbeidsmarkt- en arbeidsproces- of
industriële sociologie, beroepssociologie, vakbondssociologie en
arbeidsrecht. We geven geen overzicht van de bestaande theoretische tradities,
maar versmallen de optiek tot een bepaalde aanpak om te laten zien hoe deze op
grond van ons pro-theoretisch referentiekader uitgewerkt zou kunnen worden.[24]
Om misverstanden te vermijden benadrukken we hier nog eens dat de
betreffende machtskansen niet volledig zijn gedetermineerd door de factoren die
hier behandeld worden: de actuele onderhandelingsmacht wordt door de
beschikkingsmacht over directe en indirecte bronnen globaal gestructureerd,
maar zij wordt tevens beïnvloed door de kansen om deze bronnen te
mobiliseren en te gebruiken, door strategische competenties en strategisch
falen en door een groot aantal externe handelingskansen. Deze onderwerpen komen
uitvoerig in aan de orde in het tweede deel van dit project.
De analyse van het maatschappelijke karakter van de arbeid en de
arbeidsverhoudingen is natuuurlijk niet nieuw. Het is de verdienste van Karl Marx dat hij de basiskenmerken van het specifieke historisch-maatschapelijke karakter van exploitatieve arbeidsverhoudingen
blootlegde. In theoriehistorisch opzicht is deze verdienste onbetwistbaar en in maatschappijtheoretisch opzicht nog steeds actueelle. Zonder ons te verliezen in de oeverloze debatten over begrippen als 'produktieverhouding' en 'produktiewijze' vatten we een aantal argumentaties samen die voor onze probleemstelling wezenlijk zijn.[25] Ook hier hebben we de argumentatie bewust buiten de grenzen van 'materiële' produktieverhoudingen uitgebreid tot
alle maatschappelijke arbeidsprocessen: op deze manier kunnen ook het maatschappelijke karakter en de machtsverhoudingen in gedifferentieerde geweldsverhoudingen, wetenschapsverhoudingen enz. zinvol worden geanalyseerd.
Het maatschappelijke karakter van de arbeidsverhoudingen is afhankelijk van
drie factoren:
- van de verdeling van de beschikkingsmacht over de directe bronnen,
- van het dominante of overheersende doel van de arbeid, en
- van de hierdoor gestructureerde maatschappelijke relaties in de arbeidsverhoudingen, speciaal in het directe arbeidsproces.
We zullen deze
factoren eerst afzonderlijk behandelen.
Álle maatschappelijke arbeidsprocessen veronderstellen een specifieke verdeling van de beschikkingsmacht over de directe bronnen. Zodra maatschappelijke arbeidsverhoudingen een zekere stabiliteit en duurzaamheid hebben wordt deze feitelijke verdeling van beschikkingsmachten ook conventioneel en juridisch gesanctioneerd [Bader/Benschop 1988: hoofdstuk X]. Deze verdeling van directe bronnen is op haar beurt echter weer het resultaat van de specifiek maatschappelijke vorm van het arbeidsproces zelf. Ze wordt hierdoor gereproduceerd en getransformeerd. We hebben immers al eerder gezien:
- de feitelijke beschikkingsmacht over directe bronnen structureert de machtskansen in arbeidsprocessen en de verdelingskansen van hun resultaten.
- de beschikkingsmacht over directe bronnen is intern gestructureerd: feitelijke (private) beschikkingsmacht over materiële bronnen structureert beslissingen over de arbeidsvoorwaarden en arbeidsorganisatie.
Het maatschappelijke karakter van de arbeidsverhoudingen wordt dus in eerste instantie bepaald door de vraag: wie oefent effectieve beschikkingsmacht uit over welke directe bronnen?[26]
Het is mogelijk om een abstracte casuïstiek van mogelijke maatschappelijke
arbeidsverhoudingen uit te werken door aan te sluiten bij de vraag naar de
'eigendomssubjecten'[27] en naar de directe
bronnen die kunnen worden toegeëigend.[28] We beperken ons hier tot een zeer
eenvoudig onderscheid dat maatschappijtheoretisch echter wel van groot belang
is. We krijgen dit onderscheid onmiddellijk in het vizier door de volgende
vraag te stellen:
beschikken de direct werkenden (individueel of geassocieerd)
over de materiële bronnen, hun eigen arbeidskracht en de vormen van
arbeidsorganisatie of niet?
Maatschappelijke verhoudingen waarin de 'directe
producenten' niet beschikken over de materiële bronnen, hun eigen
arbeidskracht en - in vormen van effectieve democratie - over hun
arbeidsorganisatie, zijn potentieel antagonistisch. Zij bieden dus de
mogelijkheid om meerarbeid toe te eigenen en worden door ons
klassenverhoudingen genoemd [vgl. hft. VII; Benschop 1993:144 e.v.].
Het maatschappelijke karakter van de arbeidsverhoudingen wordt niet alleen gestructureerd door de verdeling van beschikkingsmacht over directe bronnen. Het wordt onafhankelijk daarvan ook gestructureerd door het dominante doel van de arbeid. Deze indeling overlapt weliswaar de eerste, maar ze dekken elkaar niet. Het volgende schema biedt een aanzet voor een
bruikbare indeling van doelen van de arbeid.
Figuur 1 Doelen van de arbeid

De bekende indelingen van arbeidsverhoudingen op deze grondslag zijn:
- produktie van gebruikswaarden voor eigen behoeften, voor de behoeften van anderen (in
klassenmaatschappijen: voor de heersende klassen);
- eenvoudige warenproduktie, kapitalistische warenproduktie, socialistische warenproduktie.[29]
De verschillende maatschappelijke vormen
van de arbeid die op deze basis kunnen worden onderscheiden, bestaan ook in
maatschappijen met een dominant kapitalistische arbeidswijze:
- kapitalistisch loonarbeid (als dominante vorm),
- niet-kapitalistische
loonarbeid,
- arbeid van eenvoudige warenproducenten,
- huishoudelijke arbeid (in
de economische zin van het woord) of subsistentiearbeid,
- vrijwilligerswerk,
-
arbeid voor de staat,
- dwangarbeid (als ondergeschikte en afhankelijke vormen).
De maatschappelijke relaties in arbeidsverhoudingen en met name in het directe arbeidsproces worden hierdoor gestructureerd. Voor de constructie van een algemene typologie van mogelijke maatschappelijke arbeidsverhoudingen kunnen we aansluiten bij een gedachte van Marx, die hij uitwerkte in een historische schets van economische maatschappijformaties.[30] Daarin ligt het accent op de samenhang tussen de specifieke verdeling van beschikkingsmacht over produktieve bronnen
en het karakter van de sociale afhankelijkheidsrelaties in de arbeid- en toeëigeningsverhoudingen. Deze relaties kunnen - in een ontwikkelingstheoretisch perspectief - als volgt worden samengevat:
"Marx distinguishes the pre-individuated primitive community or Gemeinwesen,
which may take on a despotic character if subjugated by a superior regime,
personal relations of domination and subordination, exchange relations,
exchange relations coupled with a specificially capitalist command of the
labour process, and, in socialism, a differentiated community of individuals"
[Therborn 1976: 384].[31]
Ook aan deze indeling kan men weer een zeer gedifferentieerde analyse verbinden van de typische sociale relaties in de verdeling van de directe bronnen, in de directe arbeidsprocessen alsmede in de distributie van de resultaten. We willen hier slechts twee fundamentele gedachten naar voren halen:
- Wanneer de directe producenten feitelijk over de materiële bronnen beschikken of hier zelfs de rechtmatige eigenaars van zijn, dan zal meerarbeid hoofdzakelijk "door buiten-economische dwang worden afgeperst, welke vorm dit ook moge aannemen" [Marx, MEW 25:799]. De eigendomsverhouding moet daarom "tegelijk optreden als directe heerschappij- en onderschikkingsverhouding".[32]
- Wanneer de directe producenten de feitelijke of juridische eigenaars zijn van hun arbeidskracht, dan zijn hun relaties tot de feitelijke of juridische eigenaars van de vereiste materiële arbeidsvoorwaarden in distributieprocessen ruilrelaties van formeel 'vrije en gelijke' individuen, maar in het directe arbeidsproces zelf zijn het relaties van meer of minder
'despotische' heerschappij.[33]
Op basis van deze drie kenmerken van het maatschappelijke karakter van
arbeidsverhoudingen is het mogelijk om een gedifferentieerd schema uit te
werken van mogelijke maatschappelijke arbeidsverhoudingen. Een dergelijk
schema zou ontwikkelingstheoretisch gericht en historisch geïnformeerd
vereenvoudigd kunnen worden door het te combineren de ontwikkeling van de produktiekrachten van de arbeid.[34] We zullen hier echter alleen de fundamentele gedachten opnemen die nodig zijn voor een karakterisering van kapitalistische arbeidsverhoudingen. Daarmee willen we illustreren hoe onze bronnenindeling gebruikt kan worden voor een
gedifferentieerde analyse van de machtsverhoudingen daarin.
Niet alleen verhoudingen van de materiële produktie, maar ook van
gezondheid, kunst, wetenschap, onderwijs en van geweld kunnen als
kapitalistische arbeidsverhoudingen georganiseerd zijn. De fundamentele
kenmerken van 'zuiver' kapitalistische arbeidsverhoudingen kunnen als volgt
worden samengevat:
- De direct werkenden beschikken feitelijk en juridisch over hun eigen arbeidskracht en prestatiekwalificaties, maar zij zijn uitgesloten van de feitelijke en juridische beschikking over hun materiële arbeidsbronnen en over de arbeidsorganisatie.
- Het doel van kapitalistische arbeidsverhoudingen is rentabiliteitsoptimalisatie of kapitaalaccumulatie.
- De sociale relaties in kapitalistische arbeidsverhoudingen kunnen globaal als volgt worden gekarakteriseerd: de processen van verdeling van de directe
bronnen en van de resultaten van kapitalistische arbeidsprocessen zijn
ruilprocessen op markten. Op deze markten worden kapitalistisch en
niet-kapitalistisch geproduceerde waren (in principe) als ekwivalenten geruild.
De ruilsubjecten erkennen elkaar feitelijk en juridisch als vrije en gelijke
eigenaars van hun waren.[35] In
kapitalistische arbeidsprocessen wordt deze vrijheid en gelijkheid feitelijk of
contractueel sterk beperkt, maar niet helemaal geëlimineerd.[36] De arbeidsorganisatie zelf wordt
gedomineerd door de (in meer of mindere mate gedifferentieerde, gedelegeerde en extern
gelimiteerde) 'heerschappij van het kapitaal' in al haar verschillende
historische vormen: van despotische beheersing (gebaseerd op fysieke of economische dwang) tot hegemoniale beheersing (gebaseerd op instemming); en van direct persoonlijke controle, via technische controle (beheersing van arbeidsgedrag door de machine die volgorde en tempo van activiteiten dicteert) tot bureaucratische controle (beheersing van arbeidsgedrag door systeem van onpersoonlijke regels: beoordelingsprocedures en beloningssystemen).[37]
De verdelingsprocessen van directe bronnen en resultaten vinden dus plaats op specifieke markten: markten voor onroerende goederen, markten voor materiële arbeidsvoorwaarden en -middelen, arbeidsmarkten, geld- en kredietmarkten en markten van consumptiegoederen. De relevante transacties die op deze markten plaatsinden zijn niet alleen kopen en verkopen, maar ook
pachten en verpachten, lenen en verlenen, huren en verhuren.[38] In deze transacties staan verschillende 'klassen' in concurrentieverhoudingen tegenover elkaar. In figuur 2 zijn deze transacties vereenvoudigd weergegeven.
Figuur 2 Kringloop van kapitalistische reproduktie

We hebben in grote lijnen de specifieke kenmerken geschetst van de
kapitalistische arbeidsverhoudingen. We willen nu nauwkeuriger laten zien hoe
de beschikkingsmacht over directe en indirecte bronnen de machtskansen
structureert in processen van distributie van directe bronnen, speciaal op
kapitalistische arbeidsmarkten [§ 2.3], in directe kapitalistische
arbeidsprocessen en -organisaties [§ 2.4] en in processen van
distributie van de resultaten van kapitalistische arbeidsverhoudingen
[§ 2.5].[39]
Zoals bekend zijn de machtskansen op markten zeer complex gestructureerd.
- Om als aanbieder te kunnen optreden moet men beschikken over waren
(goederen of diensten) die men kan veruiterlijken. Op markten van
directe bronnen zijn er dus verschillende potentiële 'verkopersklassen':
diegenen die effectief beschikken over materiële bronnen en/of
prestatiekwalificaties (vereenvoudigd: grond- en arbeidsmiddelenbezitters,
loonarbeiders).[40] Potentiële
kopersklassen zijn alleen diegenen die direct over de benodigde materiële
bronnen beschikken en/of voldoende geld hebben om de benodigde
prestatiekwalificaties te kopen. De beslisende markten zijn de kapitaal-,
produktiemiddelen- en arbeidsmarkten .
- De machtskansen op markten worden gestructureerd door de gegeven vraag-
en aanbodverhoudingen (in dit geval dus: op de kapitaal-,
produktiemiddelen- en arbeidsmarkten) en door de verschillende kansen om deze
verhoudingen strategisch te beïnvloeden.
- De concurrentieverhoudingen tussen de verkopers en de kopers
onderling en de kansen om deze strategisch te beperken of overwinnen
beïnvloeden de machtskansen (traditioneel: monopolies of oligopolies van
de kant van de aanbieders, monopsonies of oligopsonies van de kant van de
vragers). Dit geldt ook voor kwalitatief belangrijke verschillen in omvang van
de aangeboden en gevraagde waren.
- De toegang tot markten kan feitelijk, conventioneel of
juridisch worden gesloten, ook voor diegenen die effectief beschikken over de
gevraagde waren (bijv. voor bepaalde categorieën arbeidskrachtbezitters,
zoals buitenlanders, gehuwde vrouwen, communisten) of die in staat zijn om deze
waren te kopen (bijv. investeringsverbod voor buitenlands of 'joods' kapitaal;
verbod op wapenhandel of technologie-export naar actueel/potentieel vijandige
staten enz.).
- Ook de formeel vrije en vreedzame concurrentie is als
geïnstitutionaliseerde concurrentie altijd conventioneel of juridisch
geregeld (geweldsverbod, marktreguleringen enz. tot aan de staat als
ordeningsverband). Ook wanneer de toegang tot deze markten niet volledig wordt
gesloten, kunnen de kansen op markten echter toch door
conventionele of juridische beperkingen worden beïnvloed (bijv. negatieve
of positieve juridische discriminatie van bepaalde categorieën
arbeidskrachtbezitters): juridisch ongelijke en onvrije concurrentie. Bovendien
worden de feitelijke kansen op markten gestructureerd door een groot aantal
indirecte bronnen.
Al deze processen worden niet alleen gestructureerd door de beschikkingsmacht
over indirecte bronnen, maar ook door hun mobiliseerbaarheid en inzetbaarheid
en door strategische handigheid of falen. Het gaat dus niet alleen om de
structurering van ongelijke strategische kansen, maar ook om het competente
gebruik van deze kansen.[41]
Wij concentreren ons nu op de structurering van de machtskansen op
kapitalistische arbeidsmarkten, omdat deze het geheel van levenskansen van de
overgrote meerderheid van de loonafhankelijke bevolking in maatschappijen met
een dominante kapitalistische arbeidswijze duurzaam structuren [zie: Een
noodzakelijke fictie]. Op arbeidsmarkten concurreren de loonarbeiders
formeel vreedzaam als aanbieders en verhuurders van specifieke
prestatiekwalificaties en als vragers en huurders daarvan de kapitalisten, die
feitelijk beschikken over de materiële bronnen, of ze deze nu zelf alleen
maar gepacht, geleend of gehuurd hebben of dat zij hun volledige eigenaars
zijn.
Een noodzakelijke fictie
In de burgerlijke maatschappij verwerven wij onze middelen van bestaan overwegend via ruilprocessen op de verschillende markten. De primaire geldinkomens: arbeidsloon en winsten, interest en grondrente kunnen gemakkelijk aan figuur 2 worden ontleend. De afhankelijkheid van het huishoudelijke inkomen van deze primaire inkomensbronnen wordt niet fundamenteel veranderd door de ontwikkeling van (grotendeels verstatelijkte) sociale verzekeringen en -voorzieningen, maar ze wordt hierdoor wel gemodificeerd.[42]
Deze inkomens en inkomsten (van
kinderbijslag tot pensioen, van arbeidsongeschiktheids- tot
werkloosheidsuitkering, van bijstand tot studiebeurs) worden niet gerealiseerd
via de ruil van eigen waren (goederen of diensten) op markten, maar via sociale
herverdelingen van de staat op basis van gerealiseerde en gegarandeerde
sociale rechten.
In het vervolg van deze analyse zullen wij hiervan
afzien, zoals we ook zullen abstraheren van alle andere inkomens of inkomsten
uit niet-kapitalistische loonarbeid, eenvoudige warenproduktie en
subsistentieproduktie. We houden dus de theoretische fictie van zuiver
kapitalistische arbeidsverhoudingen overeind. We laten echter de fictie van een
ascriptief homogene burgerlijke maatschappij varen, want we willen immers juist
laten zien wat de invloed van indirecte bronnen, dus ook van negatief prestige
is op - hierdoor 'onzuivere' - kapitalistische arbeidsmarkten.
|
De arbeidsmarkt is een centrale arena van macht. Individuele en collectieve marktpartijen treffen elkaar daar. Toegangskansen van aanbieders van arbeidskracht worden door drie belangrijke factoren gestructureerd: (1) prestatiekwalificaties, (2) sociaal prestige, en (3) diploma's.
- Prestatiekwalificaties
In de eerste plaats wordt de toegang tot de arbeidsmarkt bepaald door de beschikking over specifieke feitelijke
prestatiekwalificaties. Alleen degenen waarvan men verwacht dat - en
via selectie- en testprocedures probeert te toetsen of - ze de gevraagde
competenties bezitten, kunnen effectief concurreren op de dienovereenkomstig
gedifferentieerde arbeidsmarkten. Zo ontstaat het beeld van een ideale vrije
toegang tot open arbeidsmarkten, waarop van de kant van de aanbieders alleen
maar feitelijk individueel prestatievermogen telt. In dit beeld is sprake van
zuiver meritocratische concurrentie van arbeidskrachtaanbieders.
De beschikking over gespecialiseerde prestatiekwalificaties is het resultaat van voorafgaande kansen op opvoedings-, onderwijs- en arbeidservaringen en deze zijn duidelijk ongelijk. Dit weerspreekt natuurlijk al het liberale (en socialistische)
meritocratische ideaal van kansengelijkheid. Opvoeding en onderwijs spelen een grote rol bij de overdracht van ongelijkheid van de ene generatie op de andere.
"Er bestaat een aanzienlijke samenhang tussen de beroepspositie van ouders en die van hun kinderen, en die samenhang komt voor de helft tot stand door rechtstreekse overerving van sociaal-economische privileges, en voor de andere helft door de sociale selectie die in het onderwijs plaatsvindt. Aangezien diploma's ongelijk verdeeld worden onder de verschillende sociaal economische lagen van onze samenleving en omdat de toegang tot aantrekkelijke beroepen plaatsvind op basis van onderwijskwalificaties bestaat er behoorlijk veel sociale immobiliteit zonder dat privileges rechtstreeks worden overgedragen." [Dronkers/De Graaf 1995:46].[43]
Het onderwijs is dus niet alleen een kanaal voor sociale mobiliteit dat voor iedereen - ook voor kinderen uit minder gepriviligieerde groepen - kansen biedt op een gunstige maatschappelijke positie, maar ook een mechanisme van indirecte overerving van gepriviligieerde posities.
Ook bij 'ideale' vrije toegang tot arbeidsmarkten en open concurrentie op die markten reproduceren de klassespecifieke en de ascriptieve ongelijkheden van het opvoedings- en onderwijswezen zich op de arbeidsmarkten. Zij worden nog eens versterkt door de aanvullende ongelijkheden van de 'training on the job'.
Ook wanneer er vergelijkbare of feitelijk identieke prestatiekwalificaties in
het geding zijn kan de toegang tot deze 'arena of competition' [Rex
1970:122],[44] tot de gedifferentieerde
arbeidsmarkten worden bemoeilijkt of totaal worden verhinderd. Arbeidsmarkten
kunnen op grond van twee indirecte bronnen feitelijk dan wel conventioneel of
juridisch meer of minder volledig worden gesloten tegenover concurrerende
aanbieders[45]: sociaal prestige en
diploma's.
- Sociaal prestige
De toegang tot specifieke arbeidsmarkten kan worden gesloten voor ascriptief
negatief gediscrimineerden. Kleurlingen, negers, joden, (gehuwde) vrouwen,
buitenlanders, communisten worden uitgesloten van concurrentie om
arbeidsmarktkansen, hoewel ze over de gevraagde prestatiekwalificaties
beschikken en ook bereid zijn om deze te verhuren. Deze uitsluiting kan
conventioneel of juridisch en ze kan feitelijk zijn. - Van conventionele of
juridische sluiting van de toegang tot arbeidsmarkten is sprake,
wanneer de overtreding van ongeschreven of geschreven regels 'feitelijk
voelbare en gesanctioneerde afkeuring' met zich mee brengt, dan wel dreiging
met straf. In dat geval wordt het dominante negatieve sociaal prestige van
ascriptief gediscrimineerde groepen in de vorm van ongelijke
rechten gecodificeerd en door de staat gesanctioneerd.
- Het
negatieve sociale prestige van ascriptief gediscrimineerde groepen kan echter ook zonder juridische codificatie als indirecte bron worden gebruikt om de toegang tot arbeidsmarkten feitelijk te sluiten of toch aanzienlijk te bemoeilijken. Dit is zelfs mogelijk wanneer ascriptieve discriminatie van overheidswege juridisch en politiek wordt bestreden.
Beide processen spelen een belangrijke rol in de feitelijke segmentering van
arbeidsmarkten in van elkaar afgegrensde deelarbeidsmarkten.[46] Deze
segmentering is niet alleen het gevolg van verschillen in verworven
prestatiekwalificaties, maar vooral ook van de werkingen van ascriptieve
segmenteringen.[47] Ascriptieve segmentering
van de arbeidsmarkt is het gevolg van een dubbele sluiting:
- als sluiting
naar binnen betekent ze uitsluiting van ascriptief gediscrimineerden als concurrenten om arbeids- en inkomenskansen (en uiteraard monopolisering van die kansen door de positief geprivilegieerden);
- als sluiting naar buiten kan ze als strategisch middel van de aanbieders van arbeidskracht worden ingezet om
hun concurrentie- en daarmee machtsposities tegenover de vragers te versterken.[48]
Arbeidsmarktsegmentering
Het algemene allocatieproces van arbeidskrachten wordt sterk beïnvloed door het bestaan van deelmarkten. Helaas zijn er geen duidelijke criteria om segmenten op de arbeidsmarkt af te bakenen. In de theoretische en empirische studies over segmentering van de arbeidsmarkt worden zeer uiteenlopende criteria gehanteerd om deelarbeidsmarkten in te delen, zoals (a) verschillen in kwalificatie en kwalificatieniveaus van arbeidskrachten, en (b) verschillen in arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden.
- In benaderingen die uitgaan van - door socialisatie en
opleiding bepaalde - kwalificatieverschillen worden meestal drie segmenten onderscheiden:
- een niet-specifieke deelmarkt: voor arbeidskrachten die slechts een algemene kwalificatie bezitten en functies die weinig specifieke vaardigheden vereisen.
- een bedrijfsspecifieke deelmarkt: voor arbeidskrachten met een algemene kwalificatie die intern worden opgeleid voor het vervullen van bedrijfsspecifieke functies.
- een deelmarkt voor vakarbeiders: specifiek geschoolde, vakbekwame arbeidskrachten die sterk gespecialiseerde of specialistische functies vervullen.
In deze benadering[49] wordt het hele complex van factoren dat
tot segmentering van arbeidsmarkten leidt eenzijdig teruggevoerd tot verschillen in -
vereiste of aangeboden - kwalificaties van de arbeidskrachten. Daarbij worden deze verschillen meestal te onvoorzichtig als 'zuiver technisch' geïnterpreteerd.[50]
- In benaderingen die uitgaan van verschillen in arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden
wordt deze reductie meestal vermeden. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen
twee (soms drie) segmenten op grond van een aantal gecombineerde, beschrijvende
criteria zoals: hoge/lage lonen, goede/slechte arbeidsomstandigheden,
rechtspositie en arbeidsplaatszekerheid, promotiekansen, wijze van toezicht. Hieruit resulteert een scheiding tussen een primaire arbeidsmarkt van vaste, goedbetaalde posities en een secundaire arbeidsmarkt van tijdelijke, slecht betaalde posities. [51]
Het ontstaan en de reproduktie van deze segmentatie wordt enerzijds verklaard door selectieve allocatie en sociale
sluiting. De vraag is daarbij hoe het komt dat het steeds dezelfde bevolkingsgroepen zijn die voortdurend op de 'slechte' arbeidsplaatsen terecht komen. Anderzijds worden de processen en mechanismen onderzocht die deze segmentering van arbeidsplaatsen zelf structureren en transformeren (bijv. efficiëntie- en beheersingsstrategieën van kapitalistische ondernemers en management). [52]
|
- Diploma's
Door de staat erkende diploma's worden in succesvolle professionaliseringsstrategieën als indirecte bron gebruikt om aanbieders met vergelijkbare (maar concurrerende) kwalificaties als concurrenten uit te sluiten. Dit veronderstelt dat bepaalde (organisaties van) beroepsgroepen erin geslaagd zijn om controle te krijgen op de toegang tot beroepsopleidingen, op
de opleidingen zelf en op de voorwaarden van de beroepsuitoefening en dat zij dit monopolie juridisch weten te garanderen en door de staat te laten sanctioneren. Hierdoor ontstaat "a castelike separation among major occupational blocks" [Collins 1979:43] die op gespannen voet staat met de heersende meritocratische ideologie. Door exclusieve recrutering worden de beroepsgenoten
een naar buiten toe gesloten groep. Door gedragscontrole (beroepscodes en -ethieken) en het cultiveren van een specifieke groepsidentiteit en -solidariteit wordt de beroepsgroep naar binnen toe gesloten: ze worden 'a self-regulating community' [Goode 1957]. [53]
Figuur 3 Blokkering van toegang tot arbeidsmarkten

Als resultaat van de sluiting door ascriptieve discriminatie (2) en
professionalisering (3) worden (specifieke deel)arbeidsmarkten gemonopoliseerd
door ascriptief positief geprivilegieerde (witte, mannelijke, staatsburgers
enz.) en gediplomeerde arbeidskrachtbezitters.[54]
Hiervoor zijn de belangrijkste bronnen geschetst die het mogelijk maken om de toegang tot arbeidsmarkten te sluiten. We zullen nu eerst ingaan op de mogelijkheden om belangrijke indirecte bronnen in te zetten in concurrentieverhoudingen tussen aanbieders van prestatiekwalificaties [§ 2.3.3.1]. We abstraheren dan even van de onderlinge concurrentie
tussen vragers en behandelen alleen de globale concurrentie tussen aanbieders en vragers [§ 2.3.3.2]. Daarbij zullen we ook nog kort ingaan op de gevolgen van verschillen in beschikkingsmacht over directe materiële
bronnen en over prestatiekwalificaties voor de structurering van de organisatiekansen en strategische kansen. Gezien de complexiteit van de structurering van machtsverhoudingen op arbeidsmarkten kunnen we hier alleen maar een schets geven van de manier waarop onze bronnenindeling kan worden toegepast. De concurrentieprocessen die elkaar feitelijk overlappen en doorkruisen worden hier analytisch gescheiden en sterk vereenvoudigd behandeld.
2.3.3.1 Indirecte bronnen en concurrentie tussen aanbieders
Naast verschillen in feitelijke prestatiekwalificaties worden machtskansen van aanbieders van arbeidskracht in formeel vrije concurrentie met andere aanbieders vooral gestructureerd door de volgende indirecte bronnen:
- Getuigschriften, diploma's, titels. De feitelijke prestatiekwalificaties waarover individuen beschikken moeten
duidelijk worden onderscheiden van credenties, zoals getuigschriften,
diploma's of titels. Credenties kunnen niet als directe bron fungeren, omdat zij als zodanig geen bijdrage leveren aan de voortbrenging van gebruikswaarden ("Diploma's werken niet!"). Elke leek weet dat er een variabele en vaak zeer grote mate aan incongruentie bestaat tussen diploma's en de feitelijke individuele kwalificaties, waarvan ze het schriftelijk bewijs zouden moeten zijn. Credenties geven - in het gunstigste geval - een
vage indicatie van het type opleiding dat men heeft afgesloten of van de
arbeidservaring die men heeft opgedaan.[55]
Daarnaast zijn credenties ook
tekens die wijzen op succesvolle familiaire, patronale of politieke sociale
relaties, soms zelfs op geslaagde frauduleuze handelingen (corruptie). Bij het 'kopen' van onderwijstitels en het malverseren bij de verwerving van onderwijstitels is deze incongruentie het duidelijkst zichbaar. Deze incongruentie loopt door het hele onderwijssysteem heen en moet daarom door complexe selectie- en testprocedures worden bewerkt, waarbij met name een positieve premie staat op 'sociale' en 'morele' aanpassingscompetenties.
Hoe
diploma's ook verworven mogen zijn, en dus los van de vraag of de
veronderstelde individuele competenties ook daadwerkelijk aanwezig zijn, zij fungeren als belangrijke indirecte bronnen in individuele strategieën van aanbieders, want "educational credentials have become the currency for employment" [Collins 1979:183]. Zij verkleinen de relatieve machtskansen van degenen die wel over vergelijkbare kwalificaties beschikken, maar - om welke reden dan ook - niet over de erkende diploma's en titels.[56]
- Het negatieve sociaal prestige van aanbieders van arbeidskracht hoeft niet zo ver te gaan dat de toegang tot arbeidsmarkten voor hen volledig is afgesloten. Toch verkleint dit in meer of mindere mate hun kansen op arbeidsmarkten: ofwel omdat de vragers de daarmee verbonden vooroordelen en negatieve waarderingen zelf delen, of omdat zij hiervan strategische nadelen voor zichzelf verwachten (van de beroemde verstoring van de 'bedrijfsvrede' tot aan dreigende represailles). Vrouwen zouden niet in 'mannenberoepen' moeten werken, beschikken niet over 'voldoende doorzettingsvermogen', hebben 'andere carrièreverwachtingen' enz.[57] 'Kleurlingen' zouden 'lui' en 'ongeciviliseerd' zijn en 'niet logisch kunnen denken' enz.[58] Vergelijkbare houdingen kan men constateren voor alle andere ascriptief gediscrimineerde aanbieders van arbeidskracht, of het dominant negatieve sociale prestige nu aansluit bij leeftijd ('onervaren jongeren', 'uitgebluste, onproduktieve ouderen'), taal, sociale afkomst, culturele achtergrond, religie of aan woonplaatsen, regio's ('de achterbuurt', 'de Achterhoek'), beroepen, sectoren of bedrijven waar men al werkzaam is geweest ('de havenarbeider', 'de bootwerker'), staatsburgerschap ('tweederangsburgers', 'buitenlandse of gastarbeiders', 'vreemdelingen') of
politieke criteria (zwarte lijsten voor vakbondskaders of voor 'communisten').
Omgekeerd kunnen specifieke arbeidsmarktkansen natuurlijk aanzienlijk worden
vergroot door overwegend positief sociaal prestige. De invloed van het prestige van de heersende of
voorname families, verklaart samen met het 'culturele kapitaal' en de 'beste sociale
relaties' de selectieve recrutering voor topfuncties tegenover formeel
gelijkgekwalificeerden.
Diploma-ziekte en ascriptieve discriminatie zijn waarschijnlijk de meest dominante indirecte bronnen die arbeidsmarktkansen van aanbieders structureren [Berger 1986]. Daarnaast worden ze in de verschillende combinaties mede beïnvloed door de volgende indirecte bronnen.
- Sociale relaties zijn een belangrijke indirecte bron voor individuele
arbeidsmarkt- en carrièrestrategieën.[60] Sociale relaties zijn belangrijke kanalen
via welke men een reputatie kan opbouwen (in de ogen van een
arbeidskrachthuurder), belangrijke informatie kan verkrijgen (tips over banen
die vrijkomen), invloed kan uitoefenen op selectieprocedures (referenties,
aanbevelingen), primaire bronnen van anderen voor eigen doeleinden kan
gebruiken enz. In perioden van crisis en massale werkloosheid lijkt de
betekenis van informele netwerken van vrienden en familieleden voor de
recrutering op arbeidsmarkten toe te nemen.[61] Sociale relaties zijn voor bepaalde
beroepsgroepen, sectoren (bijv. in de wereld van kunst en wetenschap) en
functies (bijv. leidinggevende functies[62])
belangrijker als voor andere en we hebben er al op gewezen dat de
'bronnenrijken' ook de betere sociale relaties hebben. Toch zijn ze als bronnen
van bepaalde groepen van arbeidskrachtaanbieders in collectieve
strategieën tegenover elkaar maar zeer beperkt inzetbaar.[63]
- Regionale verschillen (tussen stad en land, tussen industrieel
centrale regio's en periferie) en verschillen in ruimtelijke mobiliteit
bepalen de ruimtelijke segmentatie van arbeidsmarkten en daarmee tevens
verschillende concurrentiekansen van arbeidskrachtaanbieders.
- De fysieke en psychische gezondheid bepaalt of en in hoeverre men
daadwerkelijk in staat is het eigen arbeidsvermogen permanent 'naar de markt'
of 'aan de man' te brengen. De kansen op arbeidsmarkten worden negatief
beïnvloed door de afnemende arbeidsgeschiktheid als gevolg van arbeids- en
woonomstandigheden die de gezondheid ondergraven en door ontoegankelijkheid van
noodzakelijke medisch-therapeutische voorzieningen, diensten en middelen.
Verschillen in gezondheid en i.h.b. van medische behandeling en sociale
zekerheid zijn niet alleen belangrijk in individuele, maar ook in
groepsspecifieke concurrentiestrategieën van arbeidskrachtaanbieders. De
structurele selectiviteit van het sociale zekerheidsstelsel vergroot voor
bepaalde groepen (het duidelijkst voor de illegale buitenlandse arbeiders) de
dwang om de arbeidskracht onder praktisch alle (slechte) condities te verhuren,
terwijl ze voor anderen meer tijd biedt en daarmee tevens strategische
kansen van het kunnen wachten, van het zoeken naar alternatieven enz. Ook voor
degenen met relatief goede sociale verzekeringen worden arbeidsmarktkansen
verslechterd door langdurige werkloosheid - via ontbrekende arbeidservaring en
via dominant negatief sociaal prestige [G. Schmid 1980, Berger 1986].
Verschillen in feitelijke informatiekansen over arbeidsmarktkansen,
vergelijkbare arbeids- en loonvoorwaarden enz. zijn relevanter voor individuele
concurrentiestrategieën dan voor collectieve strategieën van
verschillende groepen arbeiders, omdat ook de informatiebehoefte van
verschillende beroeps-, kwalificatie- en functiegroepen zeer uiteenloopt.
- Organisatie daarentegen en verschillende organisatiekansen zijn ook
bronnen die effectief en op verschillende manieren kunnen worden ingezet in de
concurrentie van verschillende groepen van arbeidskrachtaanbieders:
- Strategieën van de closed shop bieden niet alleen tegenover
kapitalisten het voordeel dat alleen vakbondsleden worden aangesteld en
ongeorganiseerden kunnen worden uitgesloten (sluiting naar buiten).
Georganiseerde werknemers kunnen hiermee ook hun greep versterken
op het aanstellingsbeleid in die zin dat alle buitenstaanders (al degenen die
niet uit de eigen regio stammen, die niet het eigen dialect spreken, niet de
eigen huidskleur hebben enz.) worden uitgesloten (sluiting naar binnen).[64]
- De kansen van potentiële concurrenten kunnen worden beperkt wanneer
de gevestigde arbeiders erin slagen om vaste aanstellingen
te verwerven: van juridische ontslagbescherming en allocatieve
regelingsprincipes (zoals het senioriteitsprincipe: 'last in - first out'), via
interne selectieprocedures tot aan gegarandeerde aanstellingen voor het leven.
De benadeelde concurrenten die zich op deze markten aandienen moeten genoegen
nemen met zgn. flexibele, juridisch aanzienlijk minder of helemaal niet
beschermde arbeidscontracten of deeltijdcontracten.[65]
In beide gevallen wordt organisatie
gebruikt als wapen van gevestigde, stabiele arbeidsplaatsbezitters tegen
marginale groepen van loonarbeiders. Reeds bestaande ascriptieve
splitsingslijnen binnen de categorie loonarbeiders worden hierdoor niet alleen
gereproduceerd, maar ook verscherpt. Dergelijke
marginaliseringsstrategieën zijn bijzonder effectief wanneer ze worden
ondersteund en gedragen door omvangrijke conflictorganisaties, bijvoorbeeld
door vakbonden.[66]
2.3.3.2 Concurrentie tussen aanbieders en vragers op arbeidsmarkten
De belangrijkste factoren die de machtskansen tussen loonarbeiders en
kapitalisten op arbeidsmarkten structureren zijn:
- de verhoudingen tussen vraag en aanbod,
- de ongelijke kansen om deze verhoudingen strategisch te beïnvloeden,
- de ongelijke organisatiekansen en
- algemeen ongelijke strategische kansen.
- Vraag en aanbod
Er is geen verdere bewijsvoering nodig voor de stelling dat onderhandelingskansen van loonarbeiders op 'overspannen'
(deel)arbeidsmarkten zowel met betrekking tot arbeidslonen als in het algemeen met betrekking tot de juridische en feitelijke arbeidsvoorwaarden groter zijn dan bij cyclische of structurele werkloosheid. De situatie op de (deel)arbeidsmarkt heeft echter ook belangrijke gevolgen voor de kwalificatorische en ascriptieve selectiviteit van de recrutering. Deze selectiviteit neemt af bij een gespannen arbeidsmarktsituatie.[67]
Bij conjuncturele, maar vooral bij structurele werkloosheid treedt een
aanzienlijke verscherping op van de selectie op alle relevante (kwalificatie)
en niet-relevante (ascriptieve eigenschappen) criteria.[68] Dit heeft enerzijds tot gevolg dat de
arbeidsmarktkansen van ongeschoolde, werkloze, jongere en oudere, vrouwelijke
en buitenlandse arbeiders aanzienlijk verslechteren. Door verharding van de
uitsluiting en marginalisering van 'probleemgroepen' worden ascriptieve
splitsingslijnen met name in het werkloosheidsproces zichtbaar. Anderzijds zijn
dergelijke situaties zoals bekend tegelijkertijd de voedingsbodem voor
ascriptieve discriminaties in het algemeen, en van seksisme en racisme in het
bijzonder.[69]
- Strategieën om vraag en aanbod van arbeidskrachten te beïnvloeden
De ontwikkeling van vraag-aanbodverhoudingen op de arbeidsmarkt kan - in ieder geval in kapitalistisch gedomineerde maatschappijen
- niet of slechts zeer marginaal worden gepland of gecontroleerd. Maar het is
ook geen natuurproces dat niet beïnvloed kan worden door strategieën
en politieken van organisaties van loonarbeiders en ondernemers en door de
staat. De effectiviteit van deze strategieën is natuurlijk sterk
afhankelijk van de organisatiekansen, de strategische kansen als geheel alsmede
van een aantal situationele factoren. We beperken ons hier tot de algemene
strategische mogelijkheden van de vragers en aanbieders van
prestatiekwalificaties.
- De principiële strategie van de kapitalisten als vragers is
vraagbeperking. Deze strategie varieert van het verplaatsen van
investeringen om lokale of regionale knelpunten in de arbeidsmarkt te
overwinnen, tot aan investeringsvlucht naar lage-lonen-landen zonder sterke
vakbonden en wettelijk geregelde arbeidsverhoudingen. Op de lange termijn wordt
de vraag naar arbeidskrachten beperkt door strategieën van
rationalisering, mechanisering en automatisering. Deze worden ingezet om
schaarse, goed georganiseerde categorieën gekwalificeerde arbeiders die
zich potentieel kunnen verzetten strategisch te dekwalificeren [vgl. Van Hoof
1987:198 over autonomiseringsstrategieën}.
- De primaire strategie van loonarbeiders als aanbieders is
aanbodbeperking. Afgezien van individuele vluchtstrategieën
zoals emigratie, criminaliteit[70] is het
beperken van het aanbod van arbeidskrachten alleen mogelijk door een
georganiseerde en collectieve strategie van bepaalde groepen loonarbeiders of
van de loonarbeiders als geheel.
Bepaalde groepen aanbieders van - meestal hooggekwalificeerde - arbeidskracht
kunnen proberen om het arbeidsaanbod te controleren door middel van het
limiteren van de toegang (numerus clausus) tot opleidingen en arbeidsmarkten,
alsmede door uitsluiting van medeconcurrenten (professionalisering als sluiting
naar buiten). Bepaalde ascriptief discriminerende strategieën - zoals het
beperken of verbieden van immigratie, remigratiedwang of oprot-premies, verbod
van vrouwenarbeid - sluiten aanbiedersconcurrenten uit en beperken daardoor het
arbeidsaanbod (ascriptieve discriminatie als sluiting naar buiten). Tenslotte
bestaat er nog de mogelijkheid van een collectieve strategie die niet intern
discriminerend is (solidarisering tegenover ondernemers). De enige in principe
niet intern-discriminerende strategie van de aanbieders is het streven naar een
meer of minder vergaande wettelijke verkorting van de totale levensarbeidstijd
in de verschillende varianten: later intreden en vroeger uittreden; verkorting
van de arbeidstijd per dag, week, maand of jaar; uitbreiden van vakanties, van
betaald (om-, her-, bij-)scholings- en vormingsverlof enzovoort. In de praktijk kunnen deze varianten wel degelijk
feitelijk discriminerend uitwerken, of dat nu zo bedoeld is of niet
(bijvoorbeeld tegenover jongeren en ouderen, tegenover vrouwen).
Zowel de aanbieders als de vragers hebben ook secundaire strategische mogelijkheden.
- De aanbieders kunnen via hun organisaties en via de staat
invloed proberen uit te oefenen op de investeringsbeslissingen en het
technologiebeleid van de kapitalisten: van het voorkomen van
bedrijfssluitingen, van run-away investeringen tot aan het beïnvloeden van
de rationaliserings- en automatiseringsstrategieën (arbeidsintensieve
versus kapitaalintensieve e.d.). Dergelijke pogingen veronderstellen meer of
minder vergaande (juridische maar ook feitelijke) beperkingen van de
'investeringsvrijheid van de ondernemer' en tasten dus het kapitalistische
karakter van de arbeidsverhoudingen in de wortel aan.
- De vragers kunnen proberen om de strategie van verkorting van
de levensarbeidstijd te verhinderen door het mobiliseren van eigen
(organisatorische) macht en van alle beschikbare politieke invloed. Al naar
gelang de arbeidsmarktsituatie kunnen zij de intern-discriminerende
strategieën van bepaalde groepen aanbieders ondersteunen of juist
ondergraven - eventueel aangevuld met de secundaire strategie van het binden
van de arbeidskrachten aan de onderneming. Overigens kan deze laatste strategie
ook anders gemotiveerd zijn, bijvoorbeeld door het instandhouden van een
patriarchaal bedrijfsklimaat en van de bedrijfsvrede [vgl. Kocka 1969].
In figuur 4 zijn de primaire en secundaire strategieën van
vragers en aanbieders van arbeidskrachten in kaart gebracht.
Figuur 4 Strategieën van vraag- en aanbodbeperking

- Organisatorische ongelijkheden
Zonder collectieve conflictorganisaties is de afzonderlijke kapitalist in alle opzichten superieur
aan de individuele arbeidskrachtaanbieder. De individuele arbeider kan door het
weigeren van de verhuur van zijn/haar arbeidskracht alleen zichzelf schade
toebrengen; de afzonderlijke kapitalist kan door uitsluiting en door
bedrijfssluiting of -verplaatsing hele steden en regio's lamleggen. Ook de
indirecte bronnen zijn echter extreem ongelijk verdeeld: de individuele
kapitalist beschikt over materiële rijkdom en (veel) geld, het eventuele
vermogen van de arbeider (huisbezit) is gefixeerd. De kapitalist heeft betere
informaties en informatiebronnen, meer omvangrijke en invloedrijke sociale
relaties; en in de patronagerelaties tussen kapitalist en arbeiders is hij/zij
de patroon en de arbeider cliënt. Door de dominantie van kapitalistische
waardepatronen en prestigehiërarchieën heeft de kapitalist ook het
hogere prestige. In eerste instantie beslissend is tenslotte dat de kapitalist
kan wachten of eenvoudig een andere arbeider kan inhuren, terwijl de
arbeider zijn/ haar arbeidskracht min of meer snel moet verhuren (en deze
tijdsdruk wordt door vermogensvorming niet noemenswaardig verkleind en ook door
de coöperatieve of verstatelijkte sociale verzekeringen slechts in
beperkte mate overwonnen).[71]
De afzonderlijke kapitalist en de kapitalistenklasse hebben daarom twee
duidelijke strategische redenen om coalities van arbeiders, arbeidersvakbonden
en -partijen te verbieden, hun ontstaan te bestrijden en hun bestaan te temmen.
Ten eerste weten ze dat arbeiders alleen door collectief handelen en door
organisatie hun directe bron als effectieve machtsbron kunnen inzetten en dat
zij alleen via machtige organisaties belangrijke indirecte bronnen kunnen
verwerven. In de tweede plaats kunnen zij ook met een algemeen coalitieverbod
goed leven, omdat zij via hun selectieve associaties zowel onderling als met de
toppen van de regering en bestuur verbonden zijn. Ook zonder eigen collectieve
conflictorganisaties hebben zij dus effectieve informele vormen van
collectief handelen, waarover arbeiders niet beschikken.[72]
De arbeiders kunnen hun bronnenpotentieel pas ontplooien door collectief
handelen en door organisatie. Dreiging met werkweigering wordt pas een wapen
wanneer het collectief gebeurt: staking.[73]
Ook het afzien van de staking, het aanbod van 'arbeidsvrede' en produktieve
inzet kan alleen maar collectief en georganiseerd als bron worden ingezet. Dit
geldt ook voor bronnen die voor collectief handelen minimaal nodig zijn:
aantal, tijd en collectieve identiteit kunnen pas door organisatie en leiding
duurzaam worden ingezet. Door het opbouwen van duurzame conflict-organisaties
verwerven de arbeiders bovendien een aantal indirecte bronnen die voor
individuele arbeiders ontoegankelijk zijn: bijv. informatie, alternatieve
normatieve en cognitieve duidingspatronen en situatieduidingen, sociale
relaties, bedrijfsinterne rechten. Ook wanneer de kapitalisten op hun beurt
conflictorganisaties stichten, wordt hierdoor toch de enorme asymmetrische
bronnenongelijkheid die kenmerkend is voor 'organisatieloze concurrentie'
afgezwakt. Deze bronnenongelijkheid wordt evenwel niet overwonnen door
zelforganisatie van arbeiders (dat is de stelling die we hier niet verder
zullen onderbouwen): de initiële ongelijkheid van het beschikbare
bronnenpotentieel structureert ook de speelruimte voor organisaties zelf en in
combinatie daarmee de algemene strategische handelingskansen.[74]
Het is ons inziens onjuist om - zoals Offe en Wiesenthal 1980 doen - in het
algemeen te zeggen dat de organisatiekansen van de arbeiders kleiner zijn dan
die van de kapitalisten.[75] Dat neemt niet
weg dat de interne organisatieparadoxen (bijv. aantal en omvang versus
efficiëntie en democratie/motivatie) zich voor arbeidersorganisaties
duurzaam doen gelden. Het belangrijkste is echter dat de enorme verschillen in
het materiële bronnenpotentieel de financiële handelingsspeelruimte
beïnvloeden: ze maken veel hogere kosten van collectief handelen en hogere
organisatiekosten mogelijk (en met name: het kopen van ontbrekende
prestatiekwalificaties en van koopbare indirecte bronnen). Daarentegen zijn de
vakbonden - ook wanneer er sprake is van een hoge organisatiegraad - in
financieel opzicht relatief arm.[76]
- Algemene strategische kansen
Ongelijkheden van algemene strategische kansen vloeien voort uit de ongelijkheid van het bronnenpotentieel
en de organisatiekansen. Zij zijn ook bepalend voor de verschillende
strategietypen van organisaties van loonarbeiders en ondernemers en voor hun
verschillende kansen om de arbeids(markt)politiek van de staat te
beïnvloeden. We zullen in dit verband ingaan op een aantal nog niet
genoemde bronnen. Daarbij maken we een onderscheid tussen (1) de strategische
machtskansen van georganiseerde collectieve concurrentiepartijen ('de sociale
partners') ten opzichte van elkaar, en (2) hun kansen om de staatspolitiek in
hun voordeel te beïnvloeden.
ad (1) Het gemeenschappelijke doel van collectieve organisaties van
arbeiders en kapitalisten is het beperken of uitschakelen van concurrentie
onder aanbieders resp. vragers van arbeidskracht. In die mate dat zij daarin
slagen zijn vakbonden oligopolisten of monopolisten en ondernemersorganisaties
oligopsonisten of monopsonisten van de arbeidskracht (ze zijn dat in ieder
geval bij hun collectieve onderhandelingen over prijs en gebruiksvoorwaarden
van de arbeidskracht). Door hun organisatie van en controle op het aanbod resp.
de vraag wordt een extra onderhandelingsmacht verworven. Deze wordt vooral
bepaald door de mate van die controle: enerzijds door de organisatiegraad van
de vakbond en door de strategieën van binding van ongeorganiseerden en
werklozen; anderzijds door het eenheidsfront van ondernemers in
cao-onderhandelingen, uitsluitingen enz. Naast de al eerder besproken bronnen
worden hun machtsverhoudingen op de markt bovendien beïnvloed door de
volgende drie bronnen: (a) tijd, (b) definitie van de situatie, (c) legaliteit,
en door (4) strategietypen.
- Tijd. Het kunnen wachten of gedwongen zijn om een contract af te
sluiten biedt belangrijke strategische voor- of nadelen. Zowel aanbieders als
vragers van arbeidskracht staan beide onder een specifieke tijdsdruk. De
individuele, ongeorganiseerde en niet sociaal verzekerde aanbieder staat
onder grote tijdsdruk. Deze tijdsdruk wordt afgezwakt door coöperatieve,
syndicale en statelijke sociale verzekeringen en voorzieningen (vandaar de
strategisch nuchtere aanvallen van ondernemers op deze 'disincentives to
work'). Door stakingskassen en -uitkeringen
van de vakbond wordt bovendien de mogelijkheid geopend van collectieve
werkweigering. Door deze beide arrangementen wordt echter de tijdsdruk niet
overwonnen: de verstatelijkte sociale zekerheidsstelsels in het kapitalisme
zijn op z'n zachtst gezegd zo geconstrueerd dat de 'prikkels tot arbeid' niet
verdwijnen. Bovendien stellen de omvang van de stakingskassen en het teren op
gespaarde looninkomens meer of minder nauwe grenzen aan de duur van stakingen -
ondanks alle solidariteit en bereidheid om offers te brengen. De
geïsoleerde individuele arbeider heeft bijgevolg feitelijk geen relevante
exit-optie en ook die van georganiseerde arbeiders is zeer beperkt [vgl.
Hirschmann 1970].
Ook de vragers van prestatiekwalificaties staan onder tijdsdruk. Deze tijdsdruk vloeit ten eerste voort uit de lokale, nationale en internationale concurrentieverhoudingen (die om strategische redenen vaak worden gedramatiseerd). Zij vloeit ten tweede voort uit de technische eigenschappen van continue produktie (bijvoorbeeld in de aluminiumproduktie). Arbeiders die in uiterst continuïteitsgevoelige industrietakken werkzaam zijn en activiteiten verrichten die cruciaal zijn voor de continuïteit van het arbeidsproces, beschikken over een groot beschadigingspotentieel ('disruptive power'). Zelfs kleine werkonderbrekingen kunnen al tot zeer grote of onherstelbare schade aan produktiemiddelen of produkten leiden.
Loonarbeiders en ondernemende kapitalisten hebben beide een specifiek belang
bij de continue verhuring van de arbeidskrachten. Het is niet eenvoudig om
algemene uitspraken te doen over de voordelen die ondernemers hebben als het
gaat om het strategische voordeel van 'het kunnen wachten': vertragen om het
strategisch meest gunstige moment te kunnen kiezen voor het afsluiten van het
arbeidscontract. De beschikbare tijdsbudgetten zijn afhankelijk van de
bedrijfs- en conjunctuurspecifieke situatie (in crisissituaties zijn stakingen
voor ondernemers zeer welkom). Maar ze kunnen niet altijd als strategisch
nadeel van de loonarbeiders worden geïnterpreteerd, zoals dit in de
marxistische traditie gebeurde. Dat neemt niet weg dat in zeer harde en
langdurige strijd met een strategische betekenis op de lange termijn de
relatieve tijdsbudgetten in het voordeel van de ondernemers werken.[77]
- De macht om de situaties van de arbeids(markt)verhoudingen te
definiëren is structureel ongelijk verdeeld. De
informatienadelen van individuele arbeiders tegenover
kapitalisten worden ook door vakbonden en juridisch gegarandeerde rechten op
bedrijfsinformatie niet opgeheven. Zolang investerings- en andere strategische
beleidsbeslissingen niet openbaar zijn voor personeel en vakbonden is dit voor
hen een eenduidig strategisch nadeel (dat vooral manifest wordt in het grote
aantal 'plotselinge' reorganisaties en bedrijfssluitingen). Ambtelijke
arbeidsmarkt- en werkloosheidsstatistieken zijn niet neutraal: alleen al de
categorieën die hiervoor worden gebruikt zijn door de heersende
cognitieve patronen en situatiedefinities bepaald. Deze
cognitieve patronen bepalen niet alleen de (on)zichtbaarheid van werkloosheid,
maar natuurlijk ook de dominante manier waarop de oorzaken daarvan worden
aangewezen (bijv. internationale concurrentie, te hoge lonen, inflexibele
arbeidsmarkt of buitenlandse arbeiders) en de manier waarop tegenstanders,
doelen en strategieën worden gedefinieerd. De heersende
normatieve patronen kleuren de gepubliceerde opinie:
werkloosheid als individueel falen, als een economisch probleem naast nog
belangrijker andere problemen (en iedereen weet natuurlijk hoe het verder gaat:
inflatie, staatsschulden, negatieve handels- en betalingsbalans). De toegang
tot communicatiemedia en de filters die daarin zijn ingebouwd
zijn belangenselectief: de gepubliceerde opinie is die van de 'economisch
heersenden'.[78]
- Legaliteit. Net als bij alle geïnstitutionaliseerde conflicten
worden ook de arbeids(markt)verhoudingen tussen ondernemers en loonarbeiders
niet alleen indirect door rechtsverhoudingen beïnvloed, maar in
verschillende graden ook direct juridisch geregeld. Deze juridificatie kan
zowel betrekking hebben op de coalities en organisaties zelf, op de collectieve
strijdvormen en op de vormen van collectief onderhandelen als op het geheel van
de arbeidsvoorwaarden en de vormen van arbeidsorganisatie. Legaliteit
interesseert ons in dit verband vooral als 'output' van het politiek-juridisch
systeem. Als zodanig is ze in specifieke situaties een 'gegeven'.[79]
Legaliteit als indirecte bron werkt in meer of mindere mate belangenselectief:
het verbod of de juridische beperking van de coalitievrijheid werkt zeer
duidelijk in het nadeel van de arbeiders. Burgerlijke rechtssystemen en vooral
de liberale juridische ideologie zetten een premie op 'individualistische' en
'delibererende' vormen van belangenarticulatie en -behartiging.
Daardoor werken zij in het nadeel van de arbeiders die zijn aangewezen op
collectief handelen en op andere pressiemiddelen dan alleen goede argumenten.
Maar ook na de wettelijke erkenning van collectieve conflictvormen (zoals
stakingen) blijft hun feitelijke juridische erkenning precair.[80] Dit blijkt niet alleen uit de het feit dat
er telkens weer specifieke stakingen worden verboden, maar evenzeer uit het
gebruik van 'verordeningen ter bescherming van de openbare orde' en het
selectieve gebruik van strafwetten. De (in vakbonden georganiseerde)
arbeidersbeweging is hieraan evenzeer blootgesteld als alle niet-institutionele
collectieve acties. Arbeiders(organisaties) zijn dus niet alleen veel sterker
aangewezen op collectief handelen, maar de vormen van hun collectief handelen
brengen ze ook veel gemakkelijker in conflict met de heersende rechtsorde. Deze
rechtsorde garandeert niet alleen de ongelijke bronnenverdeling, maar
discrimineert tevens de politieke vormen van haar verandering op een
belangenselectieve wijze.
De erkenning van collectieve onderhandelingen en collectieve
arbeidsovereenkomsten (cao's, 'algemeen verbindend verklaring', vredesplicht
enz.) is lange tijd zeer omstreden geweest. Maar ook nadat ze zijn erkend
blijven ze ambivalent. Enerzijds komen ze alleen tot stand als resultaat van
machtsontplooiing van de arbeidersbeweging en haar organisaties; ze kunnen -
binnen bepaalde grenzen - institutioneel worden veiliggesteld en door de staat
worden gegarandeerd. Anderzijds blijft ook deze garantie aangewezen op het
feitelijke machtspotentieel van de arbeiders en hun organisaties. Het
vertrouwen op de geïnstitutionaliseerde vormen van collectief overleg
werkt fataal, zoals de juist op dit punt bijzonder gevoelige Nederlandse
vakbonden de laatste jaren tot hun verbazing hebben moeten ervaren.[81]
- Strategietypen. Met de verschillen in het bronnenpotentieel en in de
organisatievormen corresponderen verschillende strategietypen van aanbieders en
vragers van arbeidskracht. Strategietypen kunnen met behulp van verschillende
criteria worden onder scheiden. We zullen er hier slechts twee behandelen:
- Kapitaalorganisaties kunnen gebruik maken van een complexe en variabele mengeling van positief belonende, negatief sanctionerende en overtuigingsstrategieën. Arbeiders(organisaties) zijn daarentegen voornamelijk aangewezen op negatief-sanctionerende strategieën. Hun bronnenbezit maakt positieve premies eigenlijk alleen maar mogelijk in de vorm van een belofte om de 'arbeidsvrede', 'rust in het bedrijf' te handhaven; hun overtuigingsstrategieën worden geblokkeerd of belemmerd door de dominante cognitieve en normatieve duidingspatronen en situatiedefinities en door de gepubliceerde 'publieke' opinie. De belangen van het kapitaal zijn de 'rationele' en 'nuchtere', 'wetenschappelijk onderbouwde' belangen van de algemeenheid, bedrijfssluitingen zijn een 'noodzakelijk kwaad'. De belangen van de arbeiders
zijn 'irrationeel', 'particularistisch', 'te kortzichtig' en dus 'te weinig gericht op de echte grote problemen van de toekomst'.
- Strategieën van kapitaalorganisaties zijn eerder defensief en institutioneel. Dat komt omdat zij grosso modo alleen maar - maar niet alleen! - de geïnstitutionaliseerde en juridisch gegarandeerde ongelijke verdeling van de beschikkingsmacht over directe bronnen hoeven te verdedigen. Strategieën van de arbeidersorganisaties zijn in dit opzicht eerder offensief en niet-institutioneel.
- Het bronnenpotentieel van de kapitalisten(organisaties) maakt brede, gespreide, internationale en vooral op de lange termijn gerichte pro-actieve strategieën mogelijk. Die van de arbeiders(organisaties) zijn eerder beperktere, op de korte termijn gerichte re-actieve strategieën.[83]
ad (2) Op arbeidsmarkten staan niet alleen (organisaties) van arbeiders
en kapitalisten tegenover elkaar. De staat is in toenemende mate de
'derde partij'. Ons bronnenmodel en de hiervoor gegeven schets van politieke
bronnen maakt een gedifferentieerde analyse mogelijk van de selectieve
politieke beïnvloedingskansen van de beide hoofdklassen van de burgerlijke
maatschappij. Daarbij wordt de staat de aura van de objectiviteit,
onafhankelijkheid en neutraliteit ontnomen, zonder haar eenvoudig als verlengde
arm of instrument van de heersende klasse te behandelen. We kunnen deze analyse
hier niet uitvoeren. Ons inziens kan echter met goede argumenten worden
aangetoond dat de veel grotere kansen die kapitalisten ten opzichte van
arbeiders hebben om de arbeids(markt)politiek van de staat te beïnvloeden
(tot aan de beïnvloeding van het arbeidsrecht 'de lege ferenda') niet
wordt gecompenseerd of teniet gedaan door de ontwikkeling van machtige
vakbonden.
Samengevat: de relatieve macht van de (organisaties van) aanbieders en
vragers van arbeidskracht op de markt is dus het resultaat (1) van de relatieve
verhouding tussen het (directe en indirecte) bronnenpotentieel waarover zij
beschikken, (2) van de mate waarin dit bronnenpotentieel in specifieke
situaties mobiliseerbaar is en (3) van hun - van strategische vaardigheden
afhankelijke - feitelijke mobilisatie [zie figuur 5]. Wanneer we ons beperken
tot de loonhoogte, tot de effectieve 'marktprijzen van de waar arbeidskracht',
dan kan aangetoond worden dat deze prijzen slechts de zichtbare tekens zijn van
de veel minder direct zichtbare marktmacht van de partijen. Marktprijzen en
vooral zgn. arbeidsprijzen zijn machtsprijzen.[84]
Figuur 5 Relatieve macht op arbeidsmarkten

Een algemene samenvatting van de relatieve feitelijke marktmacht van de
collectieve concurrenten is zeer riskant. Ondanks alle beperkingen van 'de
vrije ondernemingsgewijze produktie' door de staat, door regelingen voor
industriële democratie en medezeggenschap enz. hebben kapitalisten als
huurders van arbeidskracht een globaal structureel overwicht over de
verhuurders van arbeidskracht. Men kan zich natuurlijk voorstellen dat de
marktmacht van vakbonden zo groot wordt dat de winstvoeten tegen nul lopen of
zelfs negatief worden (zoals beweerd wordt in 'theories of profit squeeze').
Tegenover deze mythe van de 'vakbondsstaat' zijn minstens twee kanttekeningen
gemaakt.
Ten eerste zijn er in kapitalistische arbeidsverhoudingen een aantal
zelfregulerende mechanismen ingebouwd (crises, bankroet, werkloosheid) die er
zowel nationaal als internationaal voor zorgen dat een dergelijke vergroting
van de marktmacht van vakbonden sterk gelimiteerd wordt. Door cyclische en
conjuncturele werkloosheid worden de machtsverhoudingen op de markt telkens
weer verschoven ten gunste van het kapitaal. Dit zorgt er al voor dat de bomen
van de arbeidersbeweging niet tot in de hemel groeien, zolang zij en haar
organisaties de 'vrije ondernemingsgewijze produktie' als grondslag van hun
belangenpolitiek erkennen of - tegen hun wil - gedwongen zijn om daarin te
opereren.
Ten tweede stelt de concurrentie tussen staten de arbeidersbeweging voor
duidelijk herkenbare grenzen. Dat is ook het geval wanneer de arbeidersbeweging
er op nationale schaal in geslaagd zou zijn om de machtsverhoudingen duurzaam
ten gunste van de arbeiders te verschuiven.[85] Nu zijn natuurlijk ook deze 'keiharde'
grenzen geen onveranderlijk gegeven. Maar de machtsstructuren van het
kapitalistische wereldsysteem bevatten duidelijke limieten voor een
socialistische politiek die wel tot de 'wortels van het kapitaal' wil gaan maar
internationaal niet gecoördineerd is. En deze grenzen zijn nog veel nauwer
voor een vakbondspolitiek die de kapitalistische produktie- of arbeidswijze als
grondslag voor haar belangenbehartigingspolitiek accepteert en deze niet, ook
niet stapsgewijs, hervormend wil aanpakken.
Dergelijke abstracte en zeer veel omvattende stellingnames zijn echter vooral geschikt voor politiek-ideologische doelen. Het is veel zinvoller om contextspecifieke en concrete analyses te maken van de verandering van de machtsverhoudingen. Met deze schets van een gedifferentieerd onderzoeksprogramma hebben we hiervoor een begaanbare weg willen aangegeven.
De structureel ongelijke machtskansen in kapitalistische arbeidsprocessen en -organisaties zullen we hier alleen maar globaal aanstippen. Eigenaars van materiële bronnen blijven ook nadat de (collectieve) arbeidscontracten zijn afgesloten eigenaars en als zodanig nemen zij de uiteindelijke beslissingen over de vormen van de arbeidsorganisatie. Bovendien bezetten zij zelf de beslissende organisatieposities of beslissen minstens over wie deze bezetten.[86]
De eigenaars van specifieke prestatiekwalificaties dragen de
beslissingsbevoegdheid over de inzet van deze kwalificaties binnen contractueel
min of meer duidelijk omschreven grenzen[87]
over aan de eigenaars en organisatoren van kapitalistische arbeidsprocessen. Ze
zijn daardoor op een dubbele manier objecten van asymmetrische
machtsuitoefening. Ten eerste bezetten ze ondergeschikte posities in de formele
beslissingshiërarchie (ze moeten bevelen gehoorzamen, opdrachten
uitvoeren), over de structuur waarvan zij niet democratisch kunnen beslissen
(democratisch illegitieme heerschappij). Ten tweede worden ze mede daardoor
gedwongen om meerarbeid voor anderen te leveren (uitbuiting). Beide aspecten
zijn door anderen al uitvoerig geanalyseerd.[88]
De formele verdeling van beslissingscompetenties en de contractueel overeengekomen arbeidsvoorwaarden (alsmede de eventuele externe wettelijke regulering hiervan) structureren de feitelijke arbeidsverhoudingen en de feitelijke machtsverhoudingen in kapitalistische arbeidsorganisaties. Maar ze worden hierdoor niet volledig gedetermineerd.[89] De feitelijke machtsverhoudingen binnen arbeidsorganisaties worden bovendien beïnvloed door de volgende factoren:
- De feitelijke kwalificatie en feitelijke 'know how' biedt op alle niveaus en in alle gedifferentieerde afdelingen effectieve macht (niet alleen van de manager tegenover de eigenaar, maar ook van de vakarbeider tegenover de technici en ingenieurs).
- Sleutelposities in bedrijfsinterne processen van informatieverwerking bieden belangrijke machtskansen.
- De storingsgevoeligheid van bepaalde, met name continue produktieprocessen en functies biedt voor degenen
die daarin werken grotere kansen om disruptieve macht uit te oefenen: zij hebben een groter ontregelend vermogen op grond van de technische effectiviteit van (dreigen met) werkonderbrekingen, stakingen.
- Organisatieposities en verworven rechten kunnen binnen de organisatie worden gebruikt als machtsbastions (Crozier) en samen met
- bedrijfsinterne sociale relaties en andere factoren bieden zij kansen om afgeschermde zgn. interne arbeidsmarkten te
ontwikkelen.
- Sociale relaties en ascriptieve discriminaties op de arbeidsplaats beïnvloeden promotie- en carrièrekansen. Ascriptieve discriminatie is een belangrijke factor van
specifieke (bijv. seksistische, racistische) alledaagse organisatie- of
arbeidscultuur.[90]
- Last but not least worden de feitelijke bedrijfsinterne machts- en medezeggenschapskansen niet
alleen gestructureerd door wettelijke regelingen van industriële democratie en vakbondsinformatierechten resp. informatieplichten van ondernemingen, maar ook door vormen en graden van actieve bedrijfsinterne
arbeidersdemocratie (actieve bedrijfsgroepen, vertrouwenslieden,
ondernemingsraden). Hetzelfde geldt natuurlijk voor de feitelijke effectiviteit
van alle externe wettelijke regelingen met betrekking tot werkzekerheid,
veiligheid en gezondheid, milieu enzovoort.
Het bedrijf of de arbeidsorganisatie is dus 'contested terrain' - en de
structurering van de machtskansen eindigt niet bij de cao's die op
arbeidsmarkten worden afgesloten.
De feitelijke mobilisatie van machtskansen op arbeidsmarkten en in
arbeidsorganisaties legt de ongelijke verdeling van de belangrijkste resultaten
vast. Dit is bekend en kan daarom hier beknopt worden samengevat:
- Het eerste en voor de stabiliteit en continuïteit van kapitalistische
verhoudingen belangrijkste resultaat is de reproduktie van de ongelijke
verdeling van beschikkingsmacht over de directe bronnen: kapitalisten
blijven eigenaar van de materiële bronnen, loonarbeiders blijven eigenaar van hun
arbeidskracht.
- Kapitalisten zijn de rechtmatige eigenaars van de gecreëerde waren
(goederen en diensten) en van alle winsten die behaald kunnen worden
door de realisering van de 'waarde' van deze waarden via marktprijzen.
- Aanbieders van prestatiekwalificaties ontvangen in verschillende vormen en op verschillende termijnen looninkomen. De ongelijke verdeling van deze looninkomens kan op basis van de hiervoor genoemde factoren in vergaande mate worden verklaard.[91] De ongelijke
verdeling van primaire geldinkomens legt in kapitalistische maatschappijen -
ondanks alle modificaties als gevolg van de ontwikkeling van sociale
zekerheidsstelsels - de consumptiekansen in vergaande mate vast.
- Naast deze doorslaggevende ongelijkheden in de verdeling van de resultaten
zijn er nog een aantal belangrijke ongelijkheden die vaak ten onrechte
verwaarloosd worden (tussen haakjes geven we zonder verdere toelichting een
aanduiding van de meest markante ongelijkheden tussen aanbieders van
arbeidskracht):
- Ongelijke kansen op bevrediging in en door arbeid, arbeidsvreugde
en -tevredenheid, zelfverwerkelijking in de arbeid (tussen verschillende categorieën
loonarbeiders enerzijds, werkenden en werklozen anderzijds).[92]
- ongelijke gezondheidsrisico's die door de directe arbeidssituatie
zijn bepaald (tussen verschillende sectoren en beroepsgroepen).[93]
- ongelijke kansen op kwalificatie door arbeid zelf en door
verschillende vormen van bedrijfsgebonden om-, her- en bijscholing (tussen
verschillende categorieën loonarbeiders enerzijds, werkenden en vooral
langdurig werklozen anderzijds). Geringe kansen op scholing en 'leren door
werken' hebben grote nadelen voor flexibiliteit. Vooral langdurig werklozen
worden sterk benadeeld door het feit dat zij actualisering van hun kwalificatie
door arbeidservaring missen.[94]
- ongelijke kansen op sociale relaties, zowel selectieve associaties
(bijv. de isolatie van werklozen) als die van patronage.
- ongelijke organisatiekansen (tussen ruimtelijk geconcentreerde of
geïsoleerde, stedelijke of landelijke groepen loonarbeiders).
- ongelijke kansen op sociaal prestige (tussen
leidinggevende employés en hulparbeiders, tussen werkenden en werklozen,
uitkeringsafhankelijken enzovoort).
Ook voor de beschrijving en verklaring van de ongelijkheden in deze resultaten kan een gedifferentieerd bronnenmodel
nuttige diensten bewijzen.
Noten
[1] Vgl. bijvoorbeeld RAWLS [1971, deel 2, met name hft. 5].
[2] De gangbare indelingen van objecten die kunnen worden
toegeëigend worden uitvoerig besproken in BADER/BENSCHOP [1988:86-93]. De
meest bekende en belangrijke onderscheidingen van 'dimensies' of 'kenmerken'
van sociale ongelijkheid die gecentreerd zijn om de indeling van de objecten
van toeëigening zijn:
- rijkdom, macht, status
- klassen, standen, sociale lagen
- prestige of status
- macht, rijkdom, kennis
- rijkdom, kennis, positionele macht, selectieve associatie
- economisch, cultureel en sociaal kapitaal
- materiële en ideële objecten
- goederen en diensten
- economische, juridische, politieke, seksuele, educatieve,
culturele, religieuze enz. levenskansen
- bronnen en beloningen
[3] Tot nu toe werden deze factoren rudimentair behandeld en
niet systematisch geordend. Zie voor politicologische machts- en
invloedstheorieën: LASSWELL/KAPLAN [1950] e.a. Zie voor theorieën
over bronnenmobilisatie: GAMSON [1968] e.a. Vgl. ook de kapitaal-theorie van
BOURDIEU [1979, 1989].
[4]
Het feit dat de arbeidskracht niet gescheiden van het levende subject kan worden toegeëigend, verklaart zowel de noodzaak als de moeilijkheid van specifieke - alternatieve of gecombineerde - reguleringen:
- superieur fysiek geweld of andere vormen van toezicht en controle
- verschillende vormen van disciplinering en normalisering van levende subjecten tot aan de geheel
gehabitualiseerde onderworpenheid
- de juridische regelingen in
arbeidscontracten.
Zie § 2.
[5] Een niet onaanzienlijk deel van de maatschappelijke
'kennis', van de 'culturele erfenis', van de 'achtergrondkennis' onttrekt zich
aan elke private toeëigening in de strikte zin. Dit sluit niet uit dat ook
gedeelde of heersende ideeën, talen of gebruiken ongelijkheidsrelevante
bronnen zijn en differentiële handelingskansen impliceren.
[6] Zie voor een uitvoerige analyse van de begrip en werking
van sociaal prestige: BADER/BENSCHOP [1988: hft. V.5, pp. 150-63].
[7] Bourdieu struikelt op dit punt over zijn vergaande
generalisatie van het kapitaalbegrip. Zijn formuleringen suggereren steeds weer
dat men sociale relaties ('sociaal kapitaal') op een zelfde manier kan
bezitten ('posséder') als het 'economische' en het 'culturele'
kapitaal [BOURDIEU 1979:145].
[8] De gedachte dat bronnen voor particularistische doelen
gemobiliseerd of gebruikt moeten kunnen worden, vindt men - zij het dan
simplistisch - al bij PARSONS [1951]. Om het bronnenbegrip af te bakenen
hanteert hij de criteria van overdraagbaarheid en controleerbaarheid. Als men
echter het Parsoniaanse criterium van overdraagbaarheid gebruikt dan zou men
een aantal zeer belangrijke machts- en mobilisatiebronnen uitsluiten: de
prestatiekwalificaties ('persoonlijke bronnen') zouden bijvoorbeeld niet meer
als machtsbronnen worden aangemerkt.
[9] De betekenis van de generaliseerbaarheid wordt behandeld door:
LASSWELL/KAPLAN [1950], GAMSON [1968], ROGERS [1974], LUHMANN [1975], KRECKEL
[1982], BADER [1992: 271-5].
[10] Conversie is het proces waarin de bronnen waarover
een conflictpartij beschikt, worden omgezet (geconverteerd) van individuele of
private aanwendingsdoelen door individuen of subeenheden in collectieve
aanwendingsdoelen van de conflictpartij. De conversieratio is de
verhouding tussen de de bronnen die voor collectieve mobilisatie en actiedoelen
gebruikt worden, en het geheel van de bronnen waarover in
bewegingen/organisaties beschikt wordt. De mobilisatiegraad heeft
betrekking op de feitelijke gemobiliseerdheid, de conversieratio op de
principiële beschikbaarheid voor collectieve doelen. Bronnen die al
geconverteerd zijn, moeten immers nog feitelijk gemobiliseerd worden [BADER
1992:280].
[11] Het is intussen zeer gebruikelijk om te wijzen op de analogie
tussen de relatieve waardeverhouding en de specifieke wisselkoersverliezen van
valuta tussen soevereine grondgebieden [vgl GAMSON 1968, BOURDIEU 1979 over
convertibiliteit]. Deze analogie is echter te elegant en te glibberig. Er wordt
m.n. voorbij gegaan aan het probleem welk criterium men hanteert voor de
vergelijking tussen verschillende bronnen, en hoe men de verschillen tussen
bronnen meetbaar maakt. Er is nog geen gemeenschappelijke noemer gevonden om de
verschillende soorten bronnen met elkaar te vergelijken. Daarom zou men op geen
enkele manier de indruk moeten wekken dat ze exact kwantitatief meetbaar en
vergelijkbaar zijn. Dit probleem is al zeer lang bekend. Hoewel er nog geen
oplossingen werden uitgewerkt die praktisch bruikbaar en consistent zijn, doen
economen, sociologen en politicologen net alsof hun neus bloedt.
[12] Dit is de bekende argumentatie van MARX. In een iets
andere versie vindt men deze ook bij BLAU [1964], HAFERKAMP [1987,1983:127]
e.a. Zij kennen aan de 'verschillen in prestatie' in ieder geval op de lange
termijn een hoger machtspotentieel toe dan aan de 'verschillen in
beschadiging'.
[13] Deze basisgedachte is net zo 'goed marxistisch' als
'goed weberiaans'. Een gedifferentieerde behandeling van de directe bronnen
staat analyses van hun onderlinge verhouding dus niet in de weg. Deze interne
gestructureerdheid voor de huidige kapitalistische maatschappijen wordt bijv.
door WRIGHT [1985] helaas nog zeer ontoereikend behandeld.
[14] Vgl. de complexe analyse van 'differential returns on
education' bij WRIGHT [1979].
[15] In deze zin is het 'sociale kapitaal' inderdaad "een op
haar beurt beheerst heerschappijprincipe" [BOURDIEU 1981:456]. Het verschil
tussen machtsbronnen en mobilisatiebronnen wordt behandeld door:
JENKINS [1982], ROGERS [1974]. Zie ook deel 2: Collectief Handelen, p. 261.
[16]
Vgl. SAHLINS [1958]. Het prestige van de chiefs en de spiraal van de 'geschenken-prestige-macht' wordt o.a. behandeld door: LANDTMAN, FIRTH, MAUSS, SIGRIST. In zijn analyse van de heerschappij van de oudsten bij de Maka laat GESCHIERE [1983:613,626] zien dat hun gezag juist niet berustte op "directe controle over de produktie", maar over specifieke prestigeobjecten - zoals de mimbesj (kleine ijzeren pijltjes) en de onkau (zware ijzeren arm- of beenbanden) - die een cruciale rol speelden bij de transfer van bruidsprijzen.
[17]
Deze misverstanden kunnen worden beperkt als men het begrip 'managerialisme' uitbreidt tot 'politieke (staats- en
partij)bureaucratie' en er bovendien op wijst dat er zonder effectieve
(bedrijfsspecifieke, maatschappelijke en politieke) democratisering geen sprake
kan zijn van feitelijke vermaatschappelijking.
[18] Vergelijk de hoge machtsconcentratie van de -
natuurlijk nooit helemaal - 'absolute heerser' met de diversiteit van
verdelingen en spreidingen van politieke macht in parlementaire
democratieën. Vergelijk de geconcentreerde bedrijfsinterne machtskansen
van de klassieke kapitalistische patroon met de complexe bedrijfsinterne
machtsstructuur van kapitalistische naamloze vennootschappen.
[19] Het Mattheüs-effect dat we hier op het oog hebben blijkt een meertrapsraket te zijn:
- Beschikkingsmacht over belangrijke bronnen wordt niet alleen gepremieerd met hogere beloningen en reproduktie van de beschikkingsmacht over deze bronnen, maar ook met additionele bronnen. De 'bronrijken' hebben niet alleen het meeste geld, maar
ook de beste onderwijskansen, de betere sociale relaties en prestigekansen enz.
- Zij hebben de beste beïnvloedingskansen in het officieel genormeerde politieke systeem.
- De machtsbronnen van 'bronarmen' worden door de staat illegaal verklaard.
- De bronnenrijkdom vergroot tenslotte ook nog eens de geloofwaardigheid van symbolische communicatie in conflicten en daarmee de kansen van de symbolische versterking van de feitelijke machtsbronnen en van de graad van hun mobilisatie.
[20]
Zie deel 2 (Collectief Handelen) over: aantal, tijd, organisatiekansen en 'commitment' als wezenlijke bronnen van negatief geprivilegieerden en over 'politics of disorder'.
[21] In deel 2 (Collectief Handelen) gaan we uitvoerig in op de belangrijkste bronnen m.b.t. deze criteria en komt ook de relevante literatuur over dit thema aan de orde.
[22] Een van de moeilijkste problemen daarbij is juist dat de strategische mogelijkheden van tegengeweld in scherpe tegenspraak kunnen komen te staan met de zelf opgelegde geweldsonthouding. Vaak is juist de
laatste kogel of de laatste dode er 'een te veel' (vergelijk bijv. Sharpville 1960). Dan wordt het ook in geweldloze verzetsbewegingen extreem moeilijk de bekende tendens te doorbreken dat in sterk escalerende conflicten de eigen
normatieve beperking van de feitelijke aanwending van principieel inzetbare conflictbronnen losser gemaakt of opgeheven wordt. Vergelijkbare problemen doen zich voor bij vakbonden die bedrijfsbezettingen (tegen ondernemers) en politieke stakingen (tegen regeringen) op principiële gronden niet in hun strategisch arsenaal opnemen.
[23] In Ongelijk-heden is de relatieve betekenis van bronnen niet alleen gedemonstreerd aan machtskansen in arbeidsverhoudingen, maar ook aan de politieke machtskansen. De paragraaf die ingaat op politieke
beslissingsverhoudingen in de parlementaire democratie in burgerlijke maatschappijen is hier niet opgenomen.
[24] Gelijksoortige theoretische strategieën werden uitgevoerd in de klassiek marxistische traditie, in de professionaliseringsanalyses van JOHNSON e.a., en in de veldanalyses van BOURDIEU. Zie speciaal voor de analyse van kapitalistische arbeids(markt)verhoudingen: CROUCH [1977], MOK [1975], KRECKEL [1980], BECK/BRATER/DAHEIM [1982], OFFE/HINRICHS [1984], OFFE/WIESENTHAL [1980], PIZZORNO [1972], VAN HOOF [1987]. In deze studies worden de verschillende
bronnen en bronnentypen niet uitvoerig behandeld, maar meestal geaggregeerd en altijd al met het oog op bepaalde strategietypen en strategische opties van verschillende klassen en organisaties. Een exemplarisch voorbeeld is VAN HOOF [1987, hft. 5.2: Marktmacht, hulpbronnen en strategische mogelijkheden). Van Hoof maakt een traditioneel onderscheid tussen lokmiddelen, negatieve sancties en overredingsmiddelen; hij bespreekt ze voor vier verschillende strategietypen: autonomiserings-, bindings-, ontbindings- en beheersingsstrategie. Voor dergelijke, zeker zinvolle en bruikbare indelingen willen wij een gedifferentieerd pro-theoretisch fundament aanbieden.
[25] Vgl. ALTHUSSER/BALIBAR [1968], GODELIER [1976], FOSTER-CARTER [1978], COHEN [1978], ELSTER [1985], BENSCHOP [1993] e.a. Het hoofdaccent ligt hier op de marxistische traditie omdat in andere tradities is geen vergelijkbare gedifferentieerde benadering uitgewerkt van het specifieke maatschappelijke karakter van arbeidsverhoudingen. Ook op dit punt is WEBER de grote uitzondering onder de sociologen. Wij denken hierbij met name aan zijn weinig gebruikte maar zeer scherpe typologie van toeëigening in WG:62 e.v.
[26] Wij gaan hier voorlopig niet in op vragen die het mogelijk maken om nog verder te differentiëren: waarom, hoe en hoe lang, in welke mate en binnen welke grenzen wordt deze beschikkingsmacht uitgeoefend en hoe is deze gestabiliseerd en gegarandeerd? Al deze vragen zijn belangrijk voor een meer volledige bepaling van het maatschappelijke karakter van arbeidsverhoudingen. Omdat we later op deze vragen ingaan volstaan hier met de opmerking (1) dat feitelijke beschikkingsmacht het beslissende criterium is en niet juridisch eigendom, en (2) dat de vraag 'wat zijn produktieverhoudingen?' niet verwisseld moet worden met de andere vragen, 'waarom en hoe ze zijn ontstaan?', 'hoe ze worden gestabiliseerd en gegarandeerd?' enz.
[27]De historisch bekende mogelijke eigendomssubjecten zijn: individuen, families (onder bepaalde voorwaarden: privé-eigendom), coöperaties, publieke organen (gemeente-eigendom, gemeenschappelijk eigendom, en antagonistisch: staatseigendom). Dit wordt verder uitgewerk in hoofdstuk VIII van 'Ongelijk-heden'. Vgl. voor Marx: KOVALEVSKI [1977:26].
[28]
Eerdere pogingen om arbeidsverhoudingen te analyseren vanuit het perspectief van de directe bronnen die kunnen worden toegeëgend werden gedaan door COHEN [1978:63 e.v.] en GODELIER [1972:303 e.v.]. Anders dan in traditionele analyses van de 'objectieve en subjectieve produktievoorwaarden' hebben wij de directe bronnen uitgebreid met vormen van coöperatie en organisatie.
[29] Er ontstaan grote moeilijkheden als men deze beide
bepalingen van het maatschappelijk karakter van de arbeidsverhoudingen met
elkaar probeert te verbinden. Dit blijkt uit de debatten over het karakter van
de feodale produktieverhoudingen in de marxistische onderzoekstraditie. Vgl.
DOBB versus SWEEZY. Vgl. HILTON [1976, 1984], VILAR [1974].
[30] De relatie tussen specifieke arbeidsvormen en vormen
van sociale afhankelijkheid werd door MARX voor het eerst uitvoerig
geanalyseerd in de Grundrisse: 75 e.v. Vgl. ook MEW 25:799. Zie
voor een uitvoerige interpretatie: PEM [1978:171 e.v.].
[31] Vgl. ook COHEN [1978:82 e.v.].
[32] Vgl. MARX [MEW 23:93; MEW 25:827, 839; GR
400]. In deze terminologische traditie hebben heerschappij en
knechtschap betrekking op omvattende politieke afhankelijkheidsrelaties:
verschillende vormen van lijfeigenschap, uitbuiting door tribuut- of
belastingheffing. We hebben het citaat uit MEW 25:799 voorzichtiger
geïntroduceerd dan Marx (hij schreef: 'slechts' in plaats van
'hoofdzakelijk'), omdat we zullen zien dat meerarbeid in dit geval ook kan
worden toegeëigend door ongelijke ruil en door contractverhoudingen.
[33] In deze terminologische traditie refereren heerschappij en despotie van het kapitaal - tegenover het liberale basisaxioma - aan autoritaire vormen van arbeidsorganisatie. Marx' polemische gebruik van het begrip 'despotie' is hier overigens net zo misleidend als i.h.a. bij zijn behandeling van de politieke vormen van klasseheerschappij in de burgerlijke maatschappij. Nuchter gezien gaat het immers om diverse vormen van asymmetrische heerschappij en macht in arbeidsorganisaties, of deze nu juridisch geregeld zijn of niet. Wanneer