| Home | Subject Areas | Cyberspace | Zoek | Contact |
|---|

|
|
Dit is een bekorte en bewerkte versie van hoofdstuk VI uit:
V.M. Bader & A. Benschop, Ongelijk-heden. Sociale ongelijkheid |
In het boek Ongelijk-heden hebben wij laten zien dat er nogal wat mankeert aan de gangbare indelingen van bronnen: zij zijn buitengewoon onvolledig, tegenstrijdig en selectief onderbouwd, en er is nauwelijks nagedacht over de perspectieven en criteria van deze indelingen. Daarom hebben wij in deze studie de koe bij de horens gevat: onze pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen is verankerd in een nauwkeurige afbakening van het bronnenbegrip en in een uitvoerige indeling van de machtsbronnen waarover beschikt kan worden resp. waarover controle kan worden uitgeoefend. Wie deze hele exercitie wil meemaken, raden wij aan de eerdere hoofdstukken van dit boek te lezen.
Om het lezen van dit hoofdstuk over 'Machtskansen in arbeidsverhoudingen' te vergemakkelijken geves we eerst een korte toelichting op een paar begrippen die in eerdere hoofdstukken uitvoerig worden besproken. Het analytische onderscheid tussen bronnen en beloningen, en het onderscheid tussen directe en indirecte bronnen hebben wij uitvoerig uitgewerkt in hft. III-V.
Bronnen zijn objecten die gebruikt worden om de middelen van behoeftebevrediging voort te brengen of om deze toe te eigenen; beloningen fungeren als middel voor directe behoeftebevrediging.
Directe bronnen zijn bronnen die als zodanig direct in maatschappelijke arbeidsverhoudingen worden gebruikt voor het voortbrengen van maatschappelijke gebruikswaarden; alle andere bronnen die niet directen als zodanig in arbeidsprocessen gebruikt kunnen woren, worden aangeduid als indirecte bronnen. Omdat directe bronnen in tegenstelling tot indirecte bronnen als zodanig bijdragen aan de vervaardiging van goederen en diensten kunnen zij ook worden aangeduid als produktieve bronnen.
De directe bronnen kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:
Bij eerste de analyse van de directe en indirecte bronnen zijn we bewust niet ingegaan op vragen zoals:
Onze pro-theoretische indeling van bronnen kan op drie manieren vruchtbaar gemaakt worden:
In dit hoofdstuk laten we zien hoe onze bronnenindeling voor zo'n theorie gebruikt kan worden. We specificeren eerst de criteria voor de relatieve structurerende kracht van de verschillende typen bronnen [§ 1]. Daarna geven wij aan vanuit welke analytische invalshoek de machtsverdeling tussen verschillende maatschappelijke velden onderzocht kan worden. Bij wijze van voorbeeld schetsen we hoe de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over directe en indirecte bronnen de machtskansen in arbeidsverhoudingen, in het bijzonder op arbeidsmarkten structureert [§ 2].
Cultureel dominante duidingspatronen en legitimiteitsopvattingen kunnen geen individueel, groeps- of klasse-eigendom worden. Het zijn weliswaar geen 'publieke goederen' waarover consensus bestaat, maar ze maken wel aanspraak op maatschappelijke geldigheid. Legitimiteitsopvattingen zijn alleen in de metaforische zin overdraagbaar, beschikbaar en controleerbaar. Bovendien zijn ze slechts binnen strikte grenzen strategisch manipuleerbaar. Toch kunnen legitimiteitsopvattingen effectief gebruikt worden als belangrijke indirecte bronnen.
Mensen kunnen objecten toeëigenen met de verwachting dat daaraan positief sociaal prestige is verbonden.[6] Dit is echter slechts in beperkte mate mogelijk. Veel eigenschappen die ascriptief positief of negatief worden gewaardeerd, kunnen niet verworven of veranderd worden (huidskleur, leeftijd, geslacht enz.). Andere eigenschappen kunnen alleen maar gedeeltelijk en oppervlakkig worden verworven en veranderd (zoals habitus en levensstijlen). Het dominante sociale prestige zelf is echter geen individueel, groeps- of klasse-eigendom. Dat neemt niet weg dat sociaal prestige een effectieve bron is wanneer en in de mate dat het prestige feitelijk empirisch geldig is - ook als het prestige niet, nog niet of niet meer conventioneel of juridisch is gesanctioneerd.
Sommige bronnen laten zich dus gemakkelijker en omvattender toeëigenen dan andere bronnen. Tegelijkertijd hebben we gezien dat bronnen die als zodanig niet volledig toegeëigend of gecontroleerd kunnen worden, wel degelijk bruikbaar en inzetbaar zijn. In het algemeen kan men echter zeggen dat de graden van beschikkingsmacht over bronnen bepalend zijn voor hun inzetbaarheid en effectiviteit. Alleen bronnen die feitelijk selectief gebruikt en in dit opzicht geprivatiseerd kunnen worden, laten zich inzetten in particuliere machtsstrategieën. Er is dus een zeker minimum aan feitelijke beschikking verondersteld, om nog zinvol van bronnen te kunnen spreken.[8]
Stelling 2: De relatieve betekenis van bronnen verandert in de loop der tijd
De relatieve betekenis van bronnen is geen statisch gegeven, maar verandert met de historische ontwikkeling. In de loop van de geschiedenis zijn bijvoorbeeld de verschillende prestatiecompetenties steeds verder ontwikkeld. Door de ontwikkeling van de maatschappelijke produktiekrachten van de arbeid neemt bovendien de relatieve betekenis van lichamelijke competenties in vergelijking met cognitieve competenties sterk af ('informatisering van de arbeid'). Dat gebeurt niet alleen in materiële
produktieprocessen, maar ook op het meest oorspronkelijke terrein van de
lichaamskracht: in de gespecialiseerde processen van maatschappelijke
geweldsuitoefening. De slagkracht van een modern leger is niet meer primair afhankelijk van de fysieke conditie en lichamelijke training van de militairen, maar van de cognitieve competenties die zich in hun hard- en software heeft gematerialiseerd: er wordt gevochten met 'slimme bommen'.
|
Met de toenemende sturings- en controlebehoefte ontwikkelde zich sinds het midden van de 19e eeuw een systeem van voortbrenging en bewerking van informatie, dat in toenemende mate steunt op technieken die op hun beurt hoofdzakelijk gebaseerd zijn op organisatiestrategieën [Schmiede 1992: 57f.]. Door de ontwikkeling van het tayloristisch-fordistische rationaliseringsparadigma werd dit proces sterk geïntensiveerd. Kenmerkend voor de Tayloristische reorganisatie van de bedrijfsstructuren is dat deze gericht is op het scheppen van gelijkvormige arbeidshandelingen en hun organisatie naar machineachtige principes. Via de standaardisering van de in de produktie ingezette onderdelen legde het Taylorisme tevens de grondslag voor de standaardisering van de ingezette loonarbeid. Door deze gelijkvormigheid van de organisatorische processen werd een verdere voorwaarde geschapen om ook de arbeid als centrale categorie van het produktieproces 'berekenbaar' te maken. Verbonden met de invoering van het prestatieloon werden door de uniformering van de arbeidsprocessen de voorwaarden geschapen voor het verkrijgen van empirisch-gebaseerde kennis over het verloop van produktieprocessen en de eigenaardigheden van de menselijke arbeid [Benschop 1996]. De informatisering van de arbeid is een algemeen kenmerk van de industrialisatie. Het concrete produktieproces ondergaat daarbij sinds het begin van de kapitalistische arbeidswijze een "structurele verdubbeling" [Schmiede 1992: 68]: informaties worden systematisch verzameld en verwerkt, organisatorisch en personeel gescheiden alsmede in complexe informatiesystemen met een eigensoortige logica (berekeningswezen, produktiebesturingssystemen) geïntegreerd. Door abstractie worden formele modellen van de werkelijkheid voortgebracht die, hoe omvangrijker zij worden, op hun beurt de toegang tot de verandering en sturing van de werkelijkheid bepalen. Deze ontwikkeling voltrekt zich in eerste instantie historisch onafhankelijk van het ontstaan en het gebruik van de computertechniek. Het sinds de jaren 40 van onze eeuw voortschrijdende proces van de commerciële gebruik van de computertechniek voor informatieverwerking heeft veeleer zijn historische en logische wortels in deze ontwikkeling. Het wezenlijke van de 'informatiemaatschappij' kan men echter niet verklaren als men de blik uitsluitend op de techniek richt. Het ontstaan van de informatietechniek is een gematerialiseerde uitdrukking van een historische ontwikkeling van de 'informatisering van de arbeid', waarvan het begin veel verder teruggaat dan de inzet van de eerste computer [Schmiede 1992; zie uitvoeriger: Baukrowitz/Boes 1996]. |
Stelling 3:De betekenis van bronnen is afhankelijk van de mate waarin zij generaliseerbaar zijn
De relatieve maatschappelijke betekenis van de verschillende typen bronnen is afhankelijk van de mate waarin ze generaliseerbaar zijn. Bronnen kunnen door hun inhoudelijke of intrinsieke eigenschappen zeer specifiek zijn. In dat geval kunnen zij alleen binnen bepaalde velden, arena's of domeinen ingezet worden. Andere bronnen zijn in meerdere of alle velden inzetbaar. Directe bronnen worden door hun specifieke gebruiksvorm min of meer nauwkeurig vastgelegd op bepaalde arbeidsverhoudingen en zijn daarom tamelijk specifiek. Indirecte bronnen zijn veel algemener: zij kunnen in de meest uiteenlopende
maatschappelijke verhoudingen als machtsbronnen worden gebruikt. Een aantal van deze indirecte bronnen is bijna universeel bruikbaar: geld in maatschappijen met ontwikkelde waren- en geldcirculatie; vrije tijd en geweld.[9]
In maatschappijen met een ontwikkelde waren- en geldcirculatie is geld een doorslaggevende indirecte bron. Geld kan gemakkelijk en volledig toegeëigend worden en men kan er exclusief over beschikken. In dit soort maatschappijen is geld universeel, d.w.z. in alle velden bruikbaar. De bruikbaarheid van geld wordt slechts beperkt door gewoontes of zeden, conventies of juridische regels (die lang niet altijd effectief zijn) en door emotioneel, traditioneel en/of normatief gemotiveerde sociale sluiting. Daarnaast wordt de bruikbaarheid van geld slechts beperkt door de kwantiteit van de de beschikbare geldsom, door geldontwaarding en door de verschillende 'wisselkoersen' in de diverse velden. Wanneer geld als indirecte bron gebruikt wordt, wordt het volledig uitgegeven (als ruil-, koop-, betalings- of omkopingsmiddel). Geld kan echter ook door zijn loutere aanwezigheid en reputatie gratis werken. De waarde van het geld is afhankelijk van de geldvorm en valutastabiliteit. Daarom wordt geld door niet-gebruik meer of minder sterk gedevalueerd. Gled is extreem liquide en - bij onbeperkte en ongedeelde beschikkingsmacht - op korte termijn inzetbaar. Bovendien is geld extreem deelbaar en kan daarom zeer nauwkeurig gedoseerd worden ingezet.
Geld is een van de meest prominente en meest gebruikte bronnen in positieve sanctiestrategieën: geld is een bijna universeel bruikbare beloning. Men kan met geld activiteiten financieren, anderen omkopen, verzet afkopen, compromissen vergemakkelijken enzovoort. Wanneer men beloofde geldsommen dreigt te onthouden, financieringen opschort of beëindigt, kredieten bevriest enz. gebruikt men geld als bron in negatieve sanctiestrategieën. In beide strategieën bewijst de fijne doseerbaarheid van geld haar strategische betekenis. Alleen in overtuigingsstrategieën kan geld niet worden gebruikt: geld is geen overtuigend argument. Maar men kan geld wel gebruiken voor de financiering van communicatiesystemen die nodig zijn om van goede argumenten maatschappelijk effectieve argumenten te maken.
In maatschappijen met ontwikkelde waren- en geldcirculatie is geld dus voor alle collectieve actoren een uitmuntende machtsbron. De reproduktie van de monetaire inkomens- en vermogensongelijkheid van de klassen, elites en sociale lagen structureert niet alleen hun arbeids- en levenskansen, maar tevens al hun kansen om alle machts- en mobilisatiebronnen te verwerven die voor het conflict relevant en koopbaar zijn. Voor de collectieve actoren die financieel arm zijn, betekent dit (1) dat hun interne financiële bronnen ter bestrijding van de mobilisatie- en organisatiekosten en van de kosten van actuele conflicten zeer beperkt zijn: lidmaatschapsbijdragen en giften; (2) dat hun mogelijkheden externe financiële bronnen te mobiliseren meestal zeer beperktzijn; (3) dat wanneer sociale bewegingen en organisaties er toch in slagen externe bronnen te mobiliseren, hun relatieve financiële afhankelijkheid van anderen verhoudingsgewijs veel en veel groter is: alle potentiële externe 'financiers' hebben een eigenbelang en oefenen meer of minder nadrukkeling invloed uit op programma en strategie van bewegingen en organisaties.
Stelling 4: Veldspecifieke bronnen zijn niet zonder verlies aan effectiviteit inzetbaar in een ander veld
Toch hebben bronnentypen die in verschillende maatschappelijke verhoudingen
kunnen worden ingezet hun specifieke velden, domeinen, arena's,
hun 'scopes and sites' [Lasswell/Kaplan 1950:78; Gamson 1968:82]. Ze moeten ook
steeds met andere bronnen concurreren. Met geld, relaties en geweld bereikt men
in emotionele of wetenschapsverhoudingen niet niets, maar toch ook niet alles.
Het gebruik van generaliseerbare bronnen in andere velden gaat meestal gepaard
met 'koersverliezen' of verliezen aan effectiviteit. Bronnen zijn dus niet
onbeperkt en zonder verliezen omzetbaar of
convertibel.[10] Ze hebben veldspecifieke
wisselkoersen.[11] De potentiële reikwijdte en
werkzaamheid van bepaalde bronnen is afhankelijk van de graad van
generaliseerbaarheid of universaliteit van de inzetbaarheid in combinatie met
hun gegeven wisselkoersen.
Stelling 6: Controle over materiële bronnen is beslissend, zolang zij niet effectief gecollectiviseerd zijn
Er is een bepaalde onderlinge verhouding tussen de beschikkingsmacht
over de drie typen directe bronnen. De beschikkingsmacht over
materiële arbeidsvoorwaarden is beslissend voor de machtsverhoudingen in
maatschappelijke arbeidsprocessen zolang de beslissingen over werkgelegenheid,
arbeidsomstandigheden en de gehele arbeidsorganisatie daarvan afhankelijk zijn.
Met andere woorden: de beschikkingsmacht over de materiële bronnen is
doorslaggevend zolang ze niet effectief gecollectiviseerd is, d.w.z. de directe
materiële bronnen feitelijk (en niet alleen maar juridisch)
gemeenschappelijk eigendom (geworden) zijn.[13]
Stelling 7: Sommige indirecte bronnen kunnen niet direct als machtbron worden gebruikt
Er is ook een bepaalde verhouding tussen indirecte bronnen
onderling. Enerzijds gaat het daarbij om de al aangeduide
gestructureerde convertibiliteit (bijv. van geld in onderwijstitels en van
onderwijstitels of van positief sociaal prestige in geldinkomen).[14] Maar het gaat het met name om het feit dat
een aantal indirecte bronnen überhaupt niet direct als machtsbronnen
gebruikt kunnen worden: zij kunnen er alleen toe bijdragen om de eigen
machtsbronnen te mobiliseren of externe, d.w.z. niet zelf gecontroleerde
bronnen te ontsluiten. Bovendien hebben we er al op gewezen dat een aantal
indirecte bronnen niet als zodanig, maar slechts in combinatie met andere
bronnen als machtsbronnen kunnen fungeren. Sociale relaties werken bijvoorbeeld
alleen in combinatie met de (verwachte) invloed van het geld, de gezagspositie
van de patroon of van selectief geassocieerden. De bronnen die direct als
machtsbronnen gebruikt kunnen worden, zou men daarom kunnen aanduiden als
'primaire' bronnen, en de andere als 'secundaire' bronnen.[15]
Stelling 9: Sommige bronnen werken alleen in combinatie met andere bronnen
Een aantal bronnen werkt alleen in combinatie met andere bronnen. Dit
verschijnsel is niet alleen kenmerkend voor secundaire of mobilisatiebronnen.
In gestabiliseerde sociale ongelijkheidsstructuren bestaan specifieke
cumulaties van bepaalde bronnen die meer of minder grote ongelijkheden van
machtskansen vastlegggen.[19] Het probleem
van de bronnenconcentratie en -cumulatie zou niet dichotomiserend benaderd
moeten worden. Ook al zijn de belangrijkste maatschappelijke bronnen nog zo
asymmetrisch verdeeld, de heersende klassen kunnen niet alle bronnen
monopoliseren. Eenvoudig gezegd: 'niemand heeft alle macht' en 'niemand is
volledig machteloos'.[20] Bovendien is het
totale bronnenpotentieel dat in een maatschappij beschikbaar is geen constante.
De verdeling van bronnen is weliswaar in een specifieke situatie gefixeerd
[Gamson 1968: 105 e.v; Etzioni 1963:342], maar ze is op de lange termijn geen
'zero-sum-game'.
Stelling 10: De feitelijke inzetbaarheid van bronnen wordt beïnvloed door hun graden van liquiditeit en mobiliseerbaarheid, door de kosten van hun gebruik en door externe & interne blokkades
Tenslotte moeten de factoren worden genoemd die de feitelijke
inzetbaarheid van bronnen beïnvloeden[21]:
Bronnen die de mobilisatie en de inzet van bronnen beïnvloeden zullen we in deel 2 uitvoeriger behandelen. Dit probleem kan hier kort worden geïllustreerd aan het voorbeeld van illegalisering. De inzet van indirecte bronnen kan door de geldende rechtsorde illegaal verklaard zijn:
De relatieve betekenis van de verschillende typen bronnen voor de structurering van sociale ongelijkheid en voor de betreffende machtsverhoudingen is dus historisch variabel, verschillend in de diverse maatschappijformaties en in de diverse velden van maatschappelijke activiteiten. Bronnentheorieën zouden op z'n minst rekening moeten houden met de hier genoemde criteria en factoren. In de volgende paragraaf zullen we een van de mogelijkheden die zich hiervoor aandient iets nader belichten.[23]
Eerst worden de belangrijkste vragen opgeworpen die het maatschappelijke karakter van de arbeid(sverhoudingen) bepalen [§ 2.1] en geven we een samenvatting van de distributieprocessen in kapitalistische arbeidsverhoudingen [§ 2.2]. Tegen deze achtergrond behandelen we de machtskansen in processen van distributie van de directe bronnen, speciaal op kapitalistische arbeidsmarkten [§ 2.3], in de kapitalistische produktieprocessen [§ 2.4] en in de verdeling van de resultaten van kapitalistische arbeidsprocessen [§ 2.5].
Deze behandeling is noch nieuw noch revolutionair. Wij beperken ons tot een algemene schets van een onderzoeksprogram om plausibel te maken hoe de ongelijke verdeling van beschikkingsmacht over directe en indirecte bronnen de machtskansen in arbeidsverhoudingen structureert. Wij verbinden een aantal disciplines die nogal gescheiden opereren, zoals arbeidsmarkt- en arbeidsproces- of industriële sociologie, beroepssociologie, vakbondssociologie en arbeidsrecht. We geven geen overzicht van de bestaande theoretische tradities, maar versmallen de optiek tot een bepaalde aanpak om te laten zien hoe deze op grond van ons pro-theoretisch referentiekader uitgewerkt zou kunnen worden.[24]
Om misverstanden te vermijden benadrukken we hier nog eens dat de betreffende machtskansen niet volledig zijn gedetermineerd door de factoren die hier behandeld worden: de actuele onderhandelingsmacht wordt door de beschikkingsmacht over directe en indirecte bronnen globaal gestructureerd, maar zij wordt tevens beïnvloed door de kansen om deze bronnen te mobiliseren en te gebruiken, door strategische competenties en strategisch falen en door een groot aantal externe handelingskansen. Deze onderwerpen komen uitvoerig in aan de orde in het tweede deel van dit project.
Het maatschappelijke karakter van de arbeidsverhoudingen is afhankelijk van drie factoren:
Het is mogelijk om een abstracte casuïstiek van mogelijke maatschappelijke arbeidsverhoudingen uit te werken door aan te sluiten bij de vraag naar de 'eigendomssubjecten'[27] en naar de directe bronnen die kunnen worden toegeëigend.[28] We beperken ons hier tot een zeer eenvoudig onderscheid dat maatschappijtheoretisch echter wel van groot belang is. We krijgen dit onderscheid onmiddellijk in het vizier door de volgende vraag te stellen:

De bekende indelingen van arbeidsverhoudingen op deze grondslag zijn:

We hebben in grote lijnen de specifieke kenmerken geschetst van de kapitalistische arbeidsverhoudingen. We willen nu nauwkeuriger laten zien hoe de beschikkingsmacht over directe en indirecte bronnen de machtskansen structureert in processen van distributie van directe bronnen, speciaal op kapitalistische arbeidsmarkten [§ 2.3], in directe kapitalistische arbeidsprocessen en -organisaties [§ 2.4] en in processen van distributie van de resultaten van kapitalistische arbeidsverhoudingen [§ 2.5].[39]
Al deze processen worden niet alleen gestructureerd door de beschikkingsmacht over indirecte bronnen, maar ook door hun mobiliseerbaarheid en inzetbaarheid en door strategische handigheid of falen. Het gaat dus niet alleen om de structurering van ongelijke strategische kansen, maar ook om het competente gebruik van deze kansen.[41]
Wij concentreren ons nu op de structurering van de machtskansen op kapitalistische arbeidsmarkten, omdat deze het geheel van levenskansen van de overgrote meerderheid van de loonafhankelijke bevolking in maatschappijen met een dominante kapitalistische arbeidswijze duurzaam structuren [zie: Een noodzakelijke fictie]. Op arbeidsmarkten concurreren de loonarbeiders formeel vreedzaam als aanbieders en verhuurders van specifieke prestatiekwalificaties en als vragers en huurders daarvan de kapitalisten, die feitelijk beschikken over de materiële bronnen, of ze deze nu zelf alleen maar gepacht, geleend of gehuurd hebben of dat zij hun volledige eigenaars zijn.
|
Deze inkomens en inkomsten (van kinderbijslag tot pensioen, van arbeidsongeschiktheids- tot werkloosheidsuitkering, van bijstand tot studiebeurs) worden niet gerealiseerd via de ruil van eigen waren (goederen of diensten) op markten, maar via sociale herverdelingen van de staat op basis van gerealiseerde en gegarandeerde sociale rechten. In het vervolg van deze analyse zullen wij hiervan afzien, zoals we ook zullen abstraheren van alle andere inkomens of inkomsten uit niet-kapitalistische loonarbeid, eenvoudige warenproduktie en subsistentieproduktie. We houden dus de theoretische fictie van zuiver kapitalistische arbeidsverhoudingen overeind. We laten echter de fictie van een ascriptief homogene burgerlijke maatschappij varen, want we willen immers juist laten zien wat de invloed van indirecte bronnen, dus ook van negatief prestige is op - hierdoor 'onzuivere' - kapitalistische arbeidsmarkten. |
|
Als resultaat van de sluiting door ascriptieve discriminatie (2) en
professionalisering (3) worden (specifieke deel)arbeidsmarkten gemonopoliseerd
door ascriptief positief geprivilegieerde (witte, mannelijke, staatsburgers
enz.) en gediplomeerde arbeidskrachtbezitters.[54]

2.3.3 Machtskansen op arbeidsmarkten
Hiervoor zijn de belangrijkste bronnen geschetst die het mogelijk maken om de toegang tot arbeidsmarkten te sluiten. We zullen nu eerst ingaan op de mogelijkheden om belangrijke indirecte bronnen in te zetten in concurrentieverhoudingen tussen aanbieders van prestatiekwalificaties [§ 2.3.3.1]. We abstraheren dan even van de onderlinge concurrentie
tussen vragers en behandelen alleen de globale concurrentie tussen aanbieders en vragers [§ 2.3.3.2]. Daarbij zullen we ook nog kort ingaan op de gevolgen van verschillen in beschikkingsmacht over directe materiële
bronnen en over prestatiekwalificaties voor de structurering van de organisatiekansen en strategische kansen. Gezien de complexiteit van de structurering van machtsverhoudingen op arbeidsmarkten kunnen we hier alleen maar een schets geven van de manier waarop onze bronnenindeling kan worden toegepast. De concurrentieprocessen die elkaar feitelijk overlappen en doorkruisen worden hier analytisch gescheiden en sterk vereenvoudigd behandeld.
2.3.3.1 Indirecte bronnen en concurrentie tussen aanbieders
Naast verschillen in feitelijke prestatiekwalificaties worden machtskansen van aanbieders van arbeidskracht in formeel vrije concurrentie met andere aanbieders vooral gestructureerd door de volgende indirecte bronnen:
Diploma-ziekte en ascriptieve discriminatie zijn waarschijnlijk de meest dominante indirecte bronnen die arbeidsmarktkansen van aanbieders structureren [Berger 1986]. Daarnaast worden ze in de verschillende combinaties mede beïnvloed door de volgende indirecte bronnen.
2.3.3.2 Concurrentie tussen aanbieders en vragers op arbeidsmarkten
De belangrijkste factoren die de machtskansen tussen loonarbeiders en
kapitalisten op arbeidsmarkten structureren zijn:
Bij conjuncturele, maar vooral bij structurele werkloosheid treedt een aanzienlijke verscherping op van de selectie op alle relevante (kwalificatie) en niet-relevante (ascriptieve eigenschappen) criteria.[68] Dit heeft enerzijds tot gevolg dat de arbeidsmarktkansen van ongeschoolde, werkloze, jongere en oudere, vrouwelijke en buitenlandse arbeiders aanzienlijk verslechteren. Door verharding van de uitsluiting en marginalisering van 'probleemgroepen' worden ascriptieve splitsingslijnen met name in het werkloosheidsproces zichtbaar. Anderzijds zijn dergelijke situaties zoals bekend tegelijkertijd de voedingsbodem voor ascriptieve discriminaties in het algemeen, en van seksisme en racisme in het bijzonder.[69]
Zowel de aanbieders als de vragers hebben ook secundaire strategische mogelijkheden.
De afzonderlijke kapitalist en de kapitalistenklasse hebben daarom twee
duidelijke strategische redenen om coalities van arbeiders, arbeidersvakbonden
en -partijen te verbieden, hun ontstaan te bestrijden en hun bestaan te temmen.
Ten eerste weten ze dat arbeiders alleen door collectief handelen en door
organisatie hun directe bron als effectieve machtsbron kunnen inzetten en dat
zij alleen via machtige organisaties belangrijke indirecte bronnen kunnen
verwerven. In de tweede plaats kunnen zij ook met een algemeen coalitieverbod
goed leven, omdat zij via hun selectieve associaties zowel onderling als met de
toppen van de regering en bestuur verbonden zijn. Ook zonder eigen collectieve
conflictorganisaties hebben zij dus effectieve informele vormen van
collectief handelen, waarover arbeiders niet beschikken.[72]
De arbeiders kunnen hun bronnenpotentieel pas ontplooien door collectief
handelen en door organisatie. Dreiging met werkweigering wordt pas een wapen
wanneer het collectief gebeurt: staking.[73]
Ook het afzien van de staking, het aanbod van 'arbeidsvrede' en produktieve
inzet kan alleen maar collectief en georganiseerd als bron worden ingezet. Dit
geldt ook voor bronnen die voor collectief handelen minimaal nodig zijn:
aantal, tijd en collectieve identiteit kunnen pas door organisatie en leiding
duurzaam worden ingezet. Door het opbouwen van duurzame conflict-organisaties
verwerven de arbeiders bovendien een aantal indirecte bronnen die voor
individuele arbeiders ontoegankelijk zijn: bijv. informatie, alternatieve
normatieve en cognitieve duidingspatronen en situatieduidingen, sociale
relaties, bedrijfsinterne rechten. Ook wanneer de kapitalisten op hun beurt
conflictorganisaties stichten, wordt hierdoor toch de enorme asymmetrische
bronnenongelijkheid die kenmerkend is voor 'organisatieloze concurrentie'
afgezwakt. Deze bronnenongelijkheid wordt evenwel niet overwonnen door
zelforganisatie van arbeiders (dat is de stelling die we hier niet verder
zullen onderbouwen): de initiële ongelijkheid van het beschikbare
bronnenpotentieel structureert ook de speelruimte voor organisaties zelf en in
combinatie daarmee de algemene strategische handelingskansen.[74]
Het is ons inziens onjuist om - zoals Offe en Wiesenthal 1980 doen - in het
algemeen te zeggen dat de organisatiekansen van de arbeiders kleiner zijn dan
die van de kapitalisten.[75] Dat neemt niet
weg dat de interne organisatieparadoxen (bijv. aantal en omvang versus
efficiëntie en democratie/motivatie) zich voor arbeidersorganisaties
duurzaam doen gelden. Het belangrijkste is echter dat de enorme verschillen in
het materiële bronnenpotentieel de financiële handelingsspeelruimte
beïnvloeden: ze maken veel hogere kosten van collectief handelen en hogere
organisatiekosten mogelijk (en met name: het kopen van ontbrekende
prestatiekwalificaties en van koopbare indirecte bronnen). Daarentegen zijn de
vakbonden - ook wanneer er sprake is van een hoge organisatiegraad - in
financieel opzicht relatief arm.[76]
ad (1) Het gemeenschappelijke doel van collectieve organisaties van
arbeiders en kapitalisten is het beperken of uitschakelen van concurrentie
onder aanbieders resp. vragers van arbeidskracht. In die mate dat zij daarin
slagen zijn vakbonden oligopolisten of monopolisten en ondernemersorganisaties
oligopsonisten of monopsonisten van de arbeidskracht (ze zijn dat in ieder
geval bij hun collectieve onderhandelingen over prijs en gebruiksvoorwaarden
van de arbeidskracht). Door hun organisatie van en controle op het aanbod resp.
de vraag wordt een extra onderhandelingsmacht verworven. Deze wordt vooral
bepaald door de mate van die controle: enerzijds door de organisatiegraad van
de vakbond en door de strategieën van binding van ongeorganiseerden en
werklozen; anderzijds door het eenheidsfront van ondernemers in
cao-onderhandelingen, uitsluitingen enz. Naast de al eerder besproken bronnen
worden hun machtsverhoudingen op de markt bovendien beïnvloed door de
volgende drie bronnen: (a) tijd, (b) definitie van de situatie, (c) legaliteit,
en door (4) strategietypen.
Ook de vragers van prestatiekwalificaties staan onder tijdsdruk. Deze tijdsdruk vloeit ten eerste voort uit de lokale, nationale en internationale concurrentieverhoudingen (die om strategische redenen vaak worden gedramatiseerd). Zij vloeit ten tweede voort uit de technische eigenschappen van continue produktie (bijvoorbeeld in de aluminiumproduktie). Arbeiders die in uiterst continuïteitsgevoelige industrietakken werkzaam zijn en activiteiten verrichten die cruciaal zijn voor de continuïteit van het arbeidsproces, beschikken over een groot beschadigingspotentieel ('disruptive power'). Zelfs kleine werkonderbrekingen kunnen al tot zeer grote of onherstelbare schade aan produktiemiddelen of produkten leiden.
Loonarbeiders en ondernemende kapitalisten hebben beide een specifiek belang
bij de continue verhuring van de arbeidskrachten. Het is niet eenvoudig om
algemene uitspraken te doen over de voordelen die ondernemers hebben als het
gaat om het strategische voordeel van 'het kunnen wachten': vertragen om het
strategisch meest gunstige moment te kunnen kiezen voor het afsluiten van het
arbeidscontract. De beschikbare tijdsbudgetten zijn afhankelijk van de
bedrijfs- en conjunctuurspecifieke situatie (in crisissituaties zijn stakingen
voor ondernemers zeer welkom). Maar ze kunnen niet altijd als strategisch
nadeel van de loonarbeiders worden geïnterpreteerd, zoals dit in de
marxistische traditie gebeurde. Dat neemt niet weg dat in zeer harde en
langdurige strijd met een strategische betekenis op de lange termijn de
relatieve tijdsbudgetten in het voordeel van de ondernemers werken.[77]
Legaliteit als indirecte bron werkt in meer of mindere mate belangenselectief:
het verbod of de juridische beperking van de coalitievrijheid werkt zeer
duidelijk in het nadeel van de arbeiders. Burgerlijke rechtssystemen en vooral
de liberale juridische ideologie zetten een premie op 'individualistische' en
'delibererende' vormen van belangenarticulatie en -behartiging.
Daardoor werken zij in het nadeel van de arbeiders die zijn aangewezen op
collectief handelen en op andere pressiemiddelen dan alleen goede argumenten.
Maar ook na de wettelijke erkenning van collectieve conflictvormen (zoals
stakingen) blijft hun feitelijke juridische erkenning precair.[80] Dit blijkt niet alleen uit de het feit dat
er telkens weer specifieke stakingen worden verboden, maar evenzeer uit het
gebruik van 'verordeningen ter bescherming van de openbare orde' en het
selectieve gebruik van strafwetten. De (in vakbonden georganiseerde)
arbeidersbeweging is hieraan evenzeer blootgesteld als alle niet-institutionele
collectieve acties. Arbeiders(organisaties) zijn dus niet alleen veel sterker
aangewezen op collectief handelen, maar de vormen van hun collectief handelen
brengen ze ook veel gemakkelijker in conflict met de heersende rechtsorde. Deze
rechtsorde garandeert niet alleen de ongelijke bronnenverdeling, maar
discrimineert tevens de politieke vormen van haar verandering op een
belangenselectieve wijze.
De erkenning van collectieve onderhandelingen en collectieve
arbeidsovereenkomsten (cao's, 'algemeen verbindend verklaring', vredesplicht
enz.) is lange tijd zeer omstreden geweest. Maar ook nadat ze zijn erkend
blijven ze ambivalent. Enerzijds komen ze alleen tot stand als resultaat van
machtsontplooiing van de arbeidersbeweging en haar organisaties; ze kunnen -
binnen bepaalde grenzen - institutioneel worden veiliggesteld en door de staat
worden gegarandeerd. Anderzijds blijft ook deze garantie aangewezen op het
feitelijke machtspotentieel van de arbeiders en hun organisaties. Het
vertrouwen op de geïnstitutionaliseerde vormen van collectief overleg
werkt fataal, zoals de juist op dit punt bijzonder gevoelige Nederlandse
vakbonden de laatste jaren tot hun verbazing hebben moeten ervaren.[81]
ad (2) Op arbeidsmarkten staan niet alleen (organisaties) van arbeiders
en kapitalisten tegenover elkaar. De staat is in toenemende mate de
'derde partij'. Ons bronnenmodel en de hiervoor gegeven schets van politieke
bronnen maakt een gedifferentieerde analyse mogelijk van de selectieve
politieke beïnvloedingskansen van de beide hoofdklassen van de burgerlijke
maatschappij. Daarbij wordt de staat de aura van de objectiviteit,
onafhankelijkheid en neutraliteit ontnomen, zonder haar eenvoudig als verlengde
arm of instrument van de heersende klasse te behandelen. We kunnen deze analyse
hier niet uitvoeren. Ons inziens kan echter met goede argumenten worden
aangetoond dat de veel grotere kansen die kapitalisten ten opzichte van
arbeiders hebben om de arbeids(markt)politiek van de staat te beïnvloeden
(tot aan de beïnvloeding van het arbeidsrecht 'de lege ferenda') niet
wordt gecompenseerd of teniet gedaan door de ontwikkeling van machtige
vakbonden.

Zonder collectieve conflictorganisaties is de afzonderlijke kapitalist in alle opzichten superieur
aan de individuele arbeidskrachtaanbieder. De individuele arbeider kan door het
weigeren van de verhuur van zijn/haar arbeidskracht alleen zichzelf schade
toebrengen; de afzonderlijke kapitalist kan door uitsluiting en door
bedrijfssluiting of -verplaatsing hele steden en regio's lamleggen. Ook de
indirecte bronnen zijn echter extreem ongelijk verdeeld: de individuele
kapitalist beschikt over materiële rijkdom en (veel) geld, het eventuele
vermogen van de arbeider (huisbezit) is gefixeerd. De kapitalist heeft betere
informaties en informatiebronnen, meer omvangrijke en invloedrijke sociale
relaties; en in de patronagerelaties tussen kapitalist en arbeiders is hij/zij
de patroon en de arbeider cliënt. Door de dominantie van kapitalistische
waardepatronen en prestigehiërarchieën heeft de kapitalist ook het
hogere prestige. In eerste instantie beslissend is tenslotte dat de kapitalist
kan wachten of eenvoudig een andere arbeider kan inhuren, terwijl de
arbeider zijn/ haar arbeidskracht min of meer snel moet verhuren (en deze
tijdsdruk wordt door vermogensvorming niet noemenswaardig verkleind en ook door
de coöperatieve of verstatelijkte sociale verzekeringen slechts in
beperkte mate overwonnen).[71]
Ongelijkheden van algemene strategische kansen vloeien voort uit de ongelijkheid van het bronnenpotentieel
en de organisatiekansen. Zij zijn ook bepalend voor de verschillende
strategietypen van organisaties van loonarbeiders en ondernemers en voor hun
verschillende kansen om de arbeids(markt)politiek van de staat te
beïnvloeden. We zullen in dit verband ingaan op een aantal nog niet
genoemde bronnen. Daarbij maken we een onderscheid tussen (1) de strategische
machtskansen van georganiseerde collectieve concurrentiepartijen ('de sociale
partners') ten opzichte van elkaar, en (2) hun kansen om de staatspolitiek in
hun voordeel te beïnvloeden.
Een algemene samenvatting van de relatieve feitelijke marktmacht van de
collectieve concurrenten is zeer riskant. Ondanks alle beperkingen van 'de
vrije ondernemingsgewijze produktie' door de staat, door regelingen voor
industriële democratie en medezeggenschap enz. hebben kapitalisten als
huurders van arbeidskracht een globaal structureel overwicht over de
verhuurders van arbeidskracht. Men kan zich natuurlijk voorstellen dat de
marktmacht van vakbonden zo groot wordt dat de winstvoeten tegen nul lopen of
zelfs negatief worden (zoals beweerd wordt in 'theories of profit squeeze').
Tegenover deze mythe van de 'vakbondsstaat' zijn minstens twee kanttekeningen
gemaakt.
Ten eerste zijn er in kapitalistische arbeidsverhoudingen een aantal
zelfregulerende mechanismen ingebouwd (crises, bankroet, werkloosheid) die er
zowel nationaal als internationaal voor zorgen dat een dergelijke vergroting
van de marktmacht van vakbonden sterk gelimiteerd wordt. Door cyclische en
conjuncturele werkloosheid worden de machtsverhoudingen op de markt telkens
weer verschoven ten gunste van het kapitaal. Dit zorgt er al voor dat de bomen
van de arbeidersbeweging niet tot in de hemel groeien, zolang zij en haar
organisaties de 'vrije ondernemingsgewijze produktie' als grondslag van hun
belangenpolitiek erkennen of - tegen hun wil - gedwongen zijn om daarin te
opereren.
Ten tweede stelt de concurrentie tussen staten de arbeidersbeweging voor
duidelijk herkenbare grenzen. Dat is ook het geval wanneer de arbeidersbeweging
er op nationale schaal in geslaagd zou zijn om de machtsverhoudingen duurzaam
ten gunste van de arbeiders te verschuiven.[85] Nu zijn natuurlijk ook deze 'keiharde'
grenzen geen onveranderlijk gegeven. Maar de machtsstructuren van het
kapitalistische wereldsysteem bevatten duidelijke limieten voor een
socialistische politiek die wel tot de 'wortels van het kapitaal' wil gaan maar
internationaal niet gecoördineerd is. En deze grenzen zijn nog veel nauwer
voor een vakbondspolitiek die de kapitalistische produktie- of arbeidswijze als
grondslag voor haar belangenbehartigingspolitiek accepteert en deze niet, ook
niet stapsgewijs, hervormend wil aanpakken.
Dergelijke abstracte en zeer veel omvattende stellingnames zijn echter vooral geschikt voor politiek-ideologische doelen. Het is veel zinvoller om contextspecifieke en concrete analyses te maken van de verandering van de machtsverhoudingen. Met deze schets van een gedifferentieerd onderzoeksprogramma hebben we hiervoor een begaanbare weg willen aangegeven.

2.4 Machtskansen in kapitalistische arbeidsorganisaties en -processen
De structureel ongelijke machtskansen in kapitalistische arbeidsprocessen en -organisaties zullen we hier alleen maar globaal aanstippen. Eigenaars van materiële bronnen blijven ook nadat de (collectieve) arbeidscontracten zijn afgesloten eigenaars en als zodanig nemen zij de uiteindelijke beslissingen over de vormen van de arbeidsorganisatie. Bovendien bezetten zij zelf de beslissende organisatieposities of beslissen minstens over wie deze bezetten.[86]
De eigenaars van specifieke prestatiekwalificaties dragen de beslissingsbevoegdheid over de inzet van deze kwalificaties binnen contractueel min of meer duidelijk omschreven grenzen[87] over aan de eigenaars en organisatoren van kapitalistische arbeidsprocessen. Ze zijn daardoor op een dubbele manier objecten van asymmetrische machtsuitoefening. Ten eerste bezetten ze ondergeschikte posities in de formele beslissingshiërarchie (ze moeten bevelen gehoorzamen, opdrachten uitvoeren), over de structuur waarvan zij niet democratisch kunnen beslissen (democratisch illegitieme heerschappij). Ten tweede worden ze mede daardoor gedwongen om meerarbeid voor anderen te leveren (uitbuiting). Beide aspecten zijn door anderen al uitvoerig geanalyseerd.[88]
De formele verdeling van beslissingscompetenties en de contractueel overeengekomen arbeidsvoorwaarden (alsmede de eventuele externe wettelijke regulering hiervan) structureren de feitelijke arbeidsverhoudingen en de feitelijke machtsverhoudingen in kapitalistische arbeidsorganisaties. Maar ze worden hierdoor niet volledig gedetermineerd.[89] De feitelijke machtsverhoudingen binnen arbeidsorganisaties worden bovendien beïnvloed door de volgende factoren:
[2] De gangbare indelingen van objecten die kunnen worden toegeëigend worden uitvoerig besproken in BADER/BENSCHOP [1988:86-93]. De meest bekende en belangrijke onderscheidingen van 'dimensies' of 'kenmerken' van sociale ongelijkheid die gecentreerd zijn om de indeling van de objecten van toeëigening zijn:
[3] Tot nu toe werden deze factoren rudimentair behandeld en niet systematisch geordend. Zie voor politicologische machts- en invloedstheorieën: LASSWELL/KAPLAN [1950] e.a. Zie voor theorieën over bronnenmobilisatie: GAMSON [1968] e.a. Vgl. ook de kapitaal-theorie van BOURDIEU [1979, 1989].
[4] Het feit dat de arbeidskracht niet gescheiden van het levende subject kan worden toegeëigend, verklaart zowel de noodzaak als de moeilijkheid van specifieke - alternatieve of gecombineerde - reguleringen:
[5] Een niet onaanzienlijk deel van de maatschappelijke 'kennis', van de 'culturele erfenis', van de 'achtergrondkennis' onttrekt zich aan elke private toeëigening in de strikte zin. Dit sluit niet uit dat ook gedeelde of heersende ideeën, talen of gebruiken ongelijkheidsrelevante bronnen zijn en differentiële handelingskansen impliceren.
[6] Zie voor een uitvoerige analyse van de begrip en werking van sociaal prestige: BADER/BENSCHOP [1988: hft. V.5, pp. 150-63].
[7] Bourdieu struikelt op dit punt over zijn vergaande generalisatie van het kapitaalbegrip. Zijn formuleringen suggereren steeds weer dat men sociale relaties ('sociaal kapitaal') op een zelfde manier kan bezitten ('posséder') als het 'economische' en het 'culturele' kapitaal [BOURDIEU 1979:145].
[8] De gedachte dat bronnen voor particularistische doelen gemobiliseerd of gebruikt moeten kunnen worden, vindt men - zij het dan simplistisch - al bij PARSONS [1951]. Om het bronnenbegrip af te bakenen hanteert hij de criteria van overdraagbaarheid en controleerbaarheid. Als men echter het Parsoniaanse criterium van overdraagbaarheid gebruikt dan zou men een aantal zeer belangrijke machts- en mobilisatiebronnen uitsluiten: de prestatiekwalificaties ('persoonlijke bronnen') zouden bijvoorbeeld niet meer als machtsbronnen worden aangemerkt.
[9] De betekenis van de generaliseerbaarheid wordt behandeld door: LASSWELL/KAPLAN [1950], GAMSON [1968], ROGERS [1974], LUHMANN [1975], KRECKEL [1982], BADER [1992: 271-5].
[10] Conversie is het proces waarin de bronnen waarover een conflictpartij beschikt, worden omgezet (geconverteerd) van individuele of private aanwendingsdoelen door individuen of subeenheden in collectieve aanwendingsdoelen van de conflictpartij. De conversieratio is de verhouding tussen de de bronnen die voor collectieve mobilisatie en actiedoelen gebruikt worden, en het geheel van de bronnen waarover in bewegingen/organisaties beschikt wordt. De mobilisatiegraad heeft betrekking op de feitelijke gemobiliseerdheid, de conversieratio op de principiële beschikbaarheid voor collectieve doelen. Bronnen die al geconverteerd zijn, moeten immers nog feitelijk gemobiliseerd worden [BADER 1992:280].
[11] Het is intussen zeer gebruikelijk om te wijzen op de analogie tussen de relatieve waardeverhouding en de specifieke wisselkoersverliezen van valuta tussen soevereine grondgebieden [vgl GAMSON 1968, BOURDIEU 1979 over convertibiliteit]. Deze analogie is echter te elegant en te glibberig. Er wordt m.n. voorbij gegaan aan het probleem welk criterium men hanteert voor de vergelijking tussen verschillende bronnen, en hoe men de verschillen tussen bronnen meetbaar maakt. Er is nog geen gemeenschappelijke noemer gevonden om de verschillende soorten bronnen met elkaar te vergelijken. Daarom zou men op geen enkele manier de indruk moeten wekken dat ze exact kwantitatief meetbaar en vergelijkbaar zijn. Dit probleem is al zeer lang bekend. Hoewel er nog geen oplossingen werden uitgewerkt die praktisch bruikbaar en consistent zijn, doen economen, sociologen en politicologen net alsof hun neus bloedt.
[12] Dit is de bekende argumentatie van MARX. In een iets andere versie vindt men deze ook bij BLAU [1964], HAFERKAMP [1987,1983:127] e.a. Zij kennen aan de 'verschillen in prestatie' in ieder geval op de lange termijn een hoger machtspotentieel toe dan aan de 'verschillen in beschadiging'.
[13] Deze basisgedachte is net zo 'goed marxistisch' als 'goed weberiaans'. Een gedifferentieerde behandeling van de directe bronnen staat analyses van hun onderlinge verhouding dus niet in de weg. Deze interne gestructureerdheid voor de huidige kapitalistische maatschappijen wordt bijv. door WRIGHT [1985] helaas nog zeer ontoereikend behandeld.
[14] Vgl. de complexe analyse van 'differential returns on education' bij WRIGHT [1979].
[15] In deze zin is het 'sociale kapitaal' inderdaad "een op haar beurt beheerst heerschappijprincipe" [BOURDIEU 1981:456]. Het verschil tussen machtsbronnen en mobilisatiebronnen wordt behandeld door: JENKINS [1982], ROGERS [1974]. Zie ook deel 2: Collectief Handelen, p. 261.
[16] Vgl. SAHLINS [1958]. Het prestige van de chiefs en de spiraal van de 'geschenken-prestige-macht' wordt o.a. behandeld door: LANDTMAN, FIRTH, MAUSS, SIGRIST. In zijn analyse van de heerschappij van de oudsten bij de Maka laat GESCHIERE [1983:613,626] zien dat hun gezag juist niet berustte op "directe controle over de produktie", maar over specifieke prestigeobjecten - zoals de mimbesj (kleine ijzeren pijltjes) en de onkau (zware ijzeren arm- of beenbanden) - die een cruciale rol speelden bij de transfer van bruidsprijzen.
[17] Deze misverstanden kunnen worden beperkt als men het begrip 'managerialisme' uitbreidt tot 'politieke (staats- en partij)bureaucratie' en er bovendien op wijst dat er zonder effectieve (bedrijfsspecifieke, maatschappelijke en politieke) democratisering geen sprake kan zijn van feitelijke vermaatschappelijking.
[18] Vergelijk de hoge machtsconcentratie van de - natuurlijk nooit helemaal - 'absolute heerser' met de diversiteit van verdelingen en spreidingen van politieke macht in parlementaire democratieën. Vergelijk de geconcentreerde bedrijfsinterne machtskansen van de klassieke kapitalistische patroon met de complexe bedrijfsinterne machtsstructuur van kapitalistische naamloze vennootschappen.
[19] Het Mattheüs-effect dat we hier op het oog hebben blijkt een meertrapsraket te zijn:
[20] Zie deel 2 (Collectief Handelen) over: aantal, tijd, organisatiekansen en 'commitment' als wezenlijke bronnen van negatief geprivilegieerden en over 'politics of disorder'.
[21] In deel 2 (Collectief Handelen) gaan we uitvoerig in op de belangrijkste bronnen m.b.t. deze criteria en komt ook de relevante literatuur over dit thema aan de orde.
[22] Een van de moeilijkste problemen daarbij is juist dat de strategische mogelijkheden van tegengeweld in scherpe tegenspraak kunnen komen te staan met de zelf opgelegde geweldsonthouding. Vaak is juist de laatste kogel of de laatste dode er 'een te veel' (vergelijk bijv. Sharpville 1960). Dan wordt het ook in geweldloze verzetsbewegingen extreem moeilijk de bekende tendens te doorbreken dat in sterk escalerende conflicten de eigen normatieve beperking van de feitelijke aanwending van principieel inzetbare conflictbronnen losser gemaakt of opgeheven wordt. Vergelijkbare problemen doen zich voor bij vakbonden die bedrijfsbezettingen (tegen ondernemers) en politieke stakingen (tegen regeringen) op principiële gronden niet in hun strategisch arsenaal opnemen.
[23] In Ongelijk-heden is de relatieve betekenis van bronnen niet alleen gedemonstreerd aan machtskansen in arbeidsverhoudingen, maar ook aan de politieke machtskansen. De paragraaf die ingaat op politieke beslissingsverhoudingen in de parlementaire democratie in burgerlijke maatschappijen is hier niet opgenomen.
[24] Gelijksoortige theoretische strategieën werden uitgevoerd in de klassiek marxistische traditie, in de professionaliseringsanalyses van JOHNSON e.a., en in de veldanalyses van BOURDIEU. Zie speciaal voor de analyse van kapitalistische arbeids(markt)verhoudingen: CROUCH [1977], MOK [1975], KRECKEL [1980], BECK/BRATER/DAHEIM [1982], OFFE/HINRICHS [1984], OFFE/WIESENTHAL [1980], PIZZORNO [1972], VAN HOOF [1987]. In deze studies worden de verschillende bronnen en bronnentypen niet uitvoerig behandeld, maar meestal geaggregeerd en altijd al met het oog op bepaalde strategietypen en strategische opties van verschillende klassen en organisaties. Een exemplarisch voorbeeld is VAN HOOF [1987, hft. 5.2: Marktmacht, hulpbronnen en strategische mogelijkheden). Van Hoof maakt een traditioneel onderscheid tussen lokmiddelen, negatieve sancties en overredingsmiddelen; hij bespreekt ze voor vier verschillende strategietypen: autonomiserings-, bindings-, ontbindings- en beheersingsstrategie. Voor dergelijke, zeker zinvolle en bruikbare indelingen willen wij een gedifferentieerd pro-theoretisch fundament aanbieden.
[25] Vgl. ALTHUSSER/BALIBAR [1968], GODELIER [1976], FOSTER-CARTER [1978], COHEN [1978], ELSTER [1985], BENSCHOP [1993] e.a. Het hoofdaccent ligt hier op de marxistische traditie omdat in andere tradities is geen vergelijkbare gedifferentieerde benadering uitgewerkt van het specifieke maatschappelijke karakter van arbeidsverhoudingen. Ook op dit punt is WEBER de grote uitzondering onder de sociologen. Wij denken hierbij met name aan zijn weinig gebruikte maar zeer scherpe typologie van toeëigening in WG:62 e.v.
[26] Wij gaan hier voorlopig niet in op vragen die het mogelijk maken om nog verder te differentiëren: waarom, hoe en hoe lang, in welke mate en binnen welke grenzen wordt deze beschikkingsmacht uitgeoefend en hoe is deze gestabiliseerd en gegarandeerd? Al deze vragen zijn belangrijk voor een meer volledige bepaling van het maatschappelijke karakter van arbeidsverhoudingen. Omdat we later op deze vragen ingaan volstaan hier met de opmerking (1) dat feitelijke beschikkingsmacht het beslissende criterium is en niet juridisch eigendom, en (2) dat de vraag 'wat zijn produktieverhoudingen?' niet verwisseld moet worden met de andere vragen, 'waarom en hoe ze zijn ontstaan?', 'hoe ze worden gestabiliseerd en gegarandeerd?' enz.
[27]De historisch bekende mogelijke eigendomssubjecten zijn: individuen, families (onder bepaalde voorwaarden: privé-eigendom), coöperaties, publieke organen (gemeente-eigendom, gemeenschappelijk eigendom, en antagonistisch: staatseigendom). Dit wordt verder uitgewerk in hoofdstuk VIII van 'Ongelijk-heden'. Vgl. voor Marx: KOVALEVSKI [1977:26].
[28] Eerdere pogingen om arbeidsverhoudingen te analyseren vanuit het perspectief van de directe bronnen die kunnen worden toegeëgend werden gedaan door COHEN [1978:63 e.v.] en GODELIER [1972:303 e.v.]. Anders dan in traditionele analyses van de 'objectieve en subjectieve produktievoorwaarden' hebben wij de directe bronnen uitgebreid met vormen van coöperatie en organisatie.
[29] Er ontstaan grote moeilijkheden als men deze beide bepalingen van het maatschappelijk karakter van de arbeidsverhoudingen met elkaar probeert te verbinden. Dit blijkt uit de debatten over het karakter van de feodale produktieverhoudingen in de marxistische onderzoekstraditie. Vgl. DOBB versus SWEEZY. Vgl. HILTON [1976, 1984], VILAR [1974].
[30] De relatie tussen specifieke arbeidsvormen en vormen van sociale afhankelijkheid werd door MARX voor het eerst uitvoerig geanalyseerd in de Grundrisse: 75 e.v. Vgl. ook MEW 25:799. Zie voor een uitvoerige interpretatie: PEM [1978:171 e.v.].
[31] Vgl. ook COHEN [1978:82 e.v.].
[32] Vgl. MARX [MEW 23:93; MEW 25:827, 839; GR 400]. In deze terminologische traditie hebben heerschappij en knechtschap betrekking op omvattende politieke afhankelijkheidsrelaties: verschillende vormen van lijfeigenschap, uitbuiting door tribuut- of belastingheffing. We hebben het citaat uit MEW 25:799 voorzichtiger geïntroduceerd dan Marx (hij schreef: 'slechts' in plaats van 'hoofdzakelijk'), omdat we zullen zien dat meerarbeid in dit geval ook kan worden toegeëigend door ongelijke ruil en door contractverhoudingen.
[33] In deze terminologische traditie refereren heerschappij en despotie van het kapitaal - tegenover het liberale basisaxioma - aan autoritaire vormen van arbeidsorganisatie. Marx' polemische gebruik van het begrip 'despotie' is hier overigens net zo misleidend als i.h.a. bij zijn behandeling van de politieke vormen van klasseheerschappij in de burgerlijke maatschappij. Nuchter gezien gaat het immers om diverse vormen van asymmetrische heerschappij en macht in arbeidsorganisaties, of deze nu juridisch geregeld zijn of niet. Wanneer machtsverhoudingen geregeld zijn, moet men altijd vragen: hoe en binnen welke grenzen?
[34] Zie bijv. de eenvoudige, maar informatieve combinatie
van gedachten van Marx en Weber door HOFMANN [1969:39]. Zie over:
- huishoudelijke produktiewijze: MEILLASOUX [1979], MOLYNEUX [1979], BOEKRAAD/VAN WEL
[1977:135], BENSCHOP [1993:VI.5];
- slavenhoudersmaatschappij: KIPPENBERG [1977],
FINLEY [1977], DE SAINT-CROIX [1981];
- Aziatische produktiewijze: SOFRI [1972],
KRADER [1975,1978], LORENZ [1977], SAWER [1977];
- feodale produktiewijze: BLOCH [1954], WUNDER [1974], KUCHENBUCH/MICHAEL [1977], VILAR [1974], HILTON [1977];
- kapitalistische produktiewijze: MARX, HOBSBAWM.
[35] Om loonarbeider te worden moet men "eigenaar van zijn eigen persoon" en dus "van zijn eigen arbeidsvermogen" zijn [MARX, Mega II. 3.6:2130], en wel "vrije eigenaar van zijn arbeidsvermogen" [MEW 23:182]. Persoonlijke vrijheidsrechten kunnen wat betreft hun functie in de burgerlijke maatschappij worden aangeduid als "persoonlijk eigendom van de eigen arbeidskracht" [RENNER 1965:83]. Deze formeel juridische vrijheid en gelijkheid heeft implicaties voor de politieke structuur van de burgerlijke maatschappij: het vereist minimale voorwaarden van de formele rechtsstaat, maar geenszins noodzakelijkerwijze democratische politieke rechten (Weber is hierover zeer nuchter). Zie over het verschil tussen de Angelsaksische 'rule of law' traditie en de Duitse 'Rechtsstaatstradition': NEUMANN [1967], HAYEK [1976]. Vgl. ook KOSTEDE [1980].
[36] Vgl. RENNER [1965], SINZHEIMER [1923], KAHN-FREUND [1965].
[37] Vgl. BRAVERMAN [1974], FRIEDMAN [1977], BURAWOY [1979], EDWARDS [1979], LITTLER [1982], REVELLI [1997]. De eigenaardigheid van de arbeidskracht als 'fictieve waar' impliceert dat de ondernemer na het afsluiten van het arbeidscontract over het ingehuurde arbeidsvermogen kan beschikken, maar daarmee is nog niet het specifieke niveau van arbeidsprestatie vastgelegd. Om de noodzakelijk transformatie van arbeidsvermogen in arbeidsprestaties te realiseren is daarom onder kapitalistische verhoudingen altijd een bijzondere vorm van gezag en controle noodzakelijk. Zie uitvoeriger: BENSCHOP [1996] Techniek - Arbeid - Organisatie.
[38] Dit is bekend en duidelijk bij grond en gebouwen (pacht- en huurverhoudingen) en bij het rentedragende kapitaal. Ook bij leasing van arbeidsmiddelen gaat het echter om schuldverhoudingen. De transacties tussen arbeidskrachtbezitters en kapitaal kunnen sociologisch en juridisch gezien niet exact worden geanalyseerd als koop- en verkooprelaties, maar eerder als verhuur. Huurrelaties en -contracten zijn adequater, omdat ze i.t.t. koopcontracten (1) in tijd beperkt zijn en geen definitieve overdracht van beschikkingsmacht impliceren, en (2) de overdracht van beschikkingsmacht zelf differentiëren: meer of minder nauwkeurig gespecificeerde gebruiks- en dispositierechten, geen veruiterlijkingsrechten enz. Vgl. WEBER, SINZHEIMER [1923], BRIEFS [1926:150 e.v.], KORVER [1989].
Toch blijft het problematisch om de transacties tussen loonarbeid en kapitaal te conceptualiseren naar analogie van privaatrechtelijke contractverhoudingen. In tegenstelling tot de ficties bij ROEMER [1982] e.a. kan immers de inhoud van het arbeidscontract niet voldoende worden gespecificeerd [FOX 1974]. Hoewel Marx dit niet heeft geanalyseerd, blijft zijn inzicht in het verschil tussen arbeidskracht en arbeid van fundamenteel belang: overal waar 'arbeidsmarkten' staat zou beter van 'arbeidskrachtmarkten' kunnen worden gesproken. Wij gebruiken de term arbeidsmarkt alleen maar onder dit uitdrukkelijke voorbehoud. De begripsmatige fout van een 'waarde of prijs van de arbeid' zullen wij echter consequent vermijden.
[39] Ook deze indeling is overigens niet origineel. Bij PARSONS [1951:72] vindt men een vergelijkbare structurering: (1) problem of acces to facilities, (2) problem of cooperation, (3) disposal problem, (4) remuneration problem. Vergelijk in dit verband ook de drie arena's bij VAN HOOF [1987]: arbeidsmarkt, collectieve arbeidsverhoudingen, arbeidsorganisatie.
[40] Ook de vormen van arbeidsorganisatie kunnen als diensten of adviezen (van organisatie- en ondernemingsadviseurs) worden veruiterlijkt. In dat geval is wel verondersteld dat arbeidsmiddelen en prestatiekwalificaties al door andere eigenaars zijn toegeëigend.
[41] Beide thema's worden behandeld door OFFE/WIESENTHAL [1980]. Vgl. ook GIDDENS [1973:102 , 121]. Zie uitvoeriger deel 2: Collectief Handelen.
[42] Vgl. POSCH [1985:259], HEINZE [1983], KRÄTKE.
[43] De ongelijkheid van opvoedings- en onderwijskansen werd uitvoerig geanalyseeerd door o.a. BOURDIEU/PASSERON [1971], BERGER [1986:94-108], BOWLES/GINTIS [1976], ERIKSON/GOLDTHORPE [1992], SHAVIT/BLOSSFELD [1993] en speciaal voor Nederland: MATTHIJSSEN [1971/2,1982], TESSER [1986], PESCHAR [1987], VAN DER VELDEN [1991], BAKKER/CREMERS [1994] en diverse publicaties van DRONKERS en DE GRAAF
[44] Vgl. MOK [1975], MARTIN/FRYER [1973:2], Van HOOF [1987:175 e.v.]
[45] Het gaat daarbij meestal om sluitingsstrategieën van verschillende groepen of categorieën aanbieders van arbeidskracht tegenover elkaar. De principiële en eerste strategische optie van de vragers (ondernemende kapitalisten) zijn daarom openingsstrategieën. Toch worden er, zeker in tijden van arbeidskrachtenoverschot, de meest uiteenlopende strategische coalities aangegaan tussen (organisaties van) positief geprivilegieerde arbeidskrachtaanbieders, kapitalisten en staat.
[46] De processen en structuren van segmentering van de arbeidsmarkt in Nederland werden o.a. geanalyseerd door: MOK [1975], VALKENBURG/VISSERS [1979], CHRISTIS e.a., [1980], MARTENS/REGTERING/RIESWIJK [1983:183-99], BENSCHOP [1994]. Bekende buitenlandse studies zijn o.a.: DOERINGER/PIORE [1972], LUTZ [1972], LUTZ/SENGENBERGER [1974], SENGENBERGER [1978], BERGER [1986].
[47] Ascriptieve segmenteringen werden o.a. geanalyseerd door EDWARDS/REICH/GORDON [1975], BERGER [1986:90], HUISMAN [1981].
[48] Vgl. PARKIN [1979:89 e.v.] over 'dual closure' en BENSCHOP [1987] over Weber's aanzet voor een sociale sluitingstheorie.
[49] Die o.a. door LUTZ [1972], LUTZ/SENGENBERGER [1974,1978] werd uitgewerkt.
[50] Vgl. de kritieken van FREIBURGHAUS/SCHMIDT [1975], CHRISTIS e.a. [1980:187] en BENSCHOP [1994- Arbeidskrachten tussen markt en macht].
[51] Vgl. DOERINGER/PIORE [1972:165], en voor Nederland: BROUWER/GROOT/MUIZELAAR/TEULINGS [1992]. Zie VALKENBURG/VISSERS [1978] over de dubbele arbeidsmarkt. Zie voor de interne arbeidsmarkt: WOLFS [1992]. Zie voor een overzicht van de interne arbeidsmarkttheorieën: DE GRIP [1985].
[52] Vgl. KERN/SCHUMANN [1984a:157,318 e.v.; 1984b:22 e.v.]. VAN HOOF [1987:208-35] geeft een overzicht van de segmenteringsdiscussie.
[53] Vgl. hiervoor ook: KORNHAUSER [1962], RÜSCHEMAYER [1964], MILLER [1967], JOHNSON [1972], MOK [1973], BESTAUT [1975], BECK/BRATER [1977,1982], MURPHY [1984], FREIDSON [1988], BENSCHOP [1993: hft. VII].
[54] Er zijn nog andere effectieve uitsluitingsstrategieën die aanknopen bij specifieke organisatiekansen van aanbieders van arbeidskracht ('closed shops') en bezitters van arbeidsplaatsen ('benoemingen voor het leven'). Omdat deze meestal niet de toegang tot hele deelmarkten blokkeren, worden ze behandeld in § 2.3.3.1.
[55] Zeer nuchter hierover zijn: COLLINS [1979], VAN HOOF [1963], MARTENS e.a. [1983], WINDOLF/HOHN [1984:25], BEECHEY [1982] e.v.a. De Middelnederlandse term 'credenties' omvat zowel diploma's, academische titels, getuigschriften als schriftelijke en mondelinge referenties [BENSCHOP 1993:190 e.v.].
[56] Bedrijfsintern verworven kwalificaties zijn bijv. wel degelijk op andere bedrijfssituaties overdraagbaar, maar men krijgt er geen diploma voor en ze zijn evenmin officieel erkend. De kansen om onderwijstitels te verwerven zijn nog klasse- en groepsselectiever dan de kansen om feitelijke prestatiekwalificaties te verwerven. Arbeidskrachtvragers kunnen via zeer willekeurige definities van het kwalificatieniveau dat voor bepaalde functies vereist is de drempels van de arbeidsmarktkansen sturen en tegelijk de concurrentie om onderwijstitels stimuleren. Het vaak schrijnende contrast tussen de feitelijk voor specifieke arbeidsplaatsen vereiste kwalificatie en de profielen en functieomschrijvingen die hiervoor worden opgesteld, wordt o.a. behandeld door: MARTENS e.a. [1983], COLLINS [1979], WINDOLF/HOHN [1984:16]. De dubbelzinnigheid van het kwalificatiebegrip (vaardigheden als kenmerken van individuen; vereisten als kenmerken van activiteiten worden behandeld door: HÖRNIG [1983:26,246,250], BERGER [1986:96,124], BECK/BRATER [1977,1978a/b,1982:212]. Zie over beroepsvorming en arbeidsmarktkansen: KRAIS [1983], LUTZ/SENGENBERGER [1974], VAN IERSEL [1985].
[57] Zie voor directe seksistische discriminatie op de arbeidsmarkt (bij gelijke 'papieren' en 'gelijke arbeid'): VAN DOORNE-HUISKENS [1984], MOSS KANTER [1977]. Vgl. ook: WRIGHT [1979], SCHMID [1980], SZYMANSKI [1983], BERGER [1986], BÜCHTEMAN [1984].
[58] Vgl. REICH [1981], SZYMANSKI [1983], WRIGHT [1979], CASTLES/KOSACK [1973] e.v.a. over negatieve arbeidsmarktkansen en negatieve 'differential income returns on race' bij gelijke papieren en gelijke arbeid. Zie ook het veldonderzoek van BOVENKERK [1978] over verschillen in sollicitatiekansen van zgn. etnische minderheden. Dit laat duidelijk zien dat en waarom er verschillen optreden wanneer Surinamers en Spanjaarden schriftelijk of telefonisch dan wel door direct contact solliciteren.
[59] Vervalt.
[60] Dit geldt zowel voor selectieve associaties als voor patronageverhoudingen. Deze beide begrippen worden afgebakend in hft. V.4.
[61] Vgl. WINDOLF/HOHN [1984], GRANOVETTER [1974], REES/SCHULTZ [1970]. En de oudere onderzoekingen van DE SCHEINETZ [1932], PORNES [1952], REYNOLDS [1951].
[62] Vgl. over recrutering voor topposities in economie en bestuur VAN DEN BERGE/FENNEMA [1984, 1985], BEEKENKAMP/DRONKERS [1984], voor Frankrijk: BOURDIEU/ PASSERON [1970], voor Engeland: STANWORTH/GIDDENS [1984].
[63] Sociale relaties kunnen door de aanbieders van arbeidskracht wel worden gebruikt om individuele kansen op specifieke arbeidsmarkten incidenteel te verbeteren maar kunnen deze niet structureel veranderen. Sociale relaties fungeren dus voornamelijk als indirecte bron voor individuele carrière, mobiliteits- en verzetsstrategieën, d.w.z. het individueel veroveren, behouden of veilig stellen van de eigen arbeidsplaats. Zij kunnen echter ook belangrijke steunpunten bieden voor de organisatie van collectieve strategieën van sociale controle en emancipatie (zie punt f: organisatie). Maatschappelijk relevante machtsvoordelen worden met name bereikt als men gebruik kan maken van niet-lokaal beperkte relaties op het hoogste niveau.
[64] Zie voor de historische achtergrond van closed shops S. & B. WEBB [1902:214 e.v.]: "The trade club of handicrafts men in the eightienth century would have scouted the idea of allowing any man to work at their trade who is not a member of the club. ... This silent and unseen, but absolutely complete compulsion, is the ideal of every trade-union." Vgl. verder: STOCHTON [1911], TONER [1943], MCCARTHY [1964], WINDOLF [1983]. Dat closed shop ook voordelen kan hebben voor ondernemers tonen: HART [1979], MOK [1980:27].
[65] Vgl. EUROPEAN TRADE UNION INSTITUTE [1985], ROOZEMOND [1984], VREEMAN [1984], BOS/VAAS [1986].
[66] Vgl. BÜCHTEMANN [1984] en BERGER [1986] over ascriptieve marginalisering. Vgl. de kritiek op seksistische vakbondspolitiek: ROWBOTHAM [1983], THÖNESSEN [1976]. Vgl. over racistische vakbondspolitiek: CASTELS/KOSACK [1973].
[67] Zie over de aantrekking en afstoting van vrouwen tijdens en na de Eerste en Tweede Wereldoorlog: ROWBOTHAM [1983], WILSON [1982]. Zie speciaal voor leraressen: BAKKER [1978], DU BOIS RAYMOND e.a. [1981], MEIJSEN [1976]. De grote vraag aan arbeidskrachten (m.n. aan onderwijzend personeel op lagere scholen) die na de tweede Wereldoorlog in Nederland ontstond lag ook ten grondslag aan de opheffing van het wettelijk verbod voor gehuwde vrouwen om in overheidsdienst te werken [1957]. Zie voor recrutering/uitstoting van buitenlandse arbeiders: CASTLES/KOSACK [1973], PENNINX/ VAN VELZEN [1977], BURAWOY [1976].
[68] Vgl. het overzicht van BERGER [1986:88-93], WINDOLF/HOHN 1982:20].
[69] Zowel de ascriptieve discriminerende als de anti-discriminerende strategieën en politieken van (organisaties van) loonarbeiders en ondernemers en van de overheid zijn sterk afhankelijk van de situatie en de conjunctuur. Vooral buitenlandse arbeiders, maar ook vrouwen merken dat tegenwoordig weer zeer duidelijk.
[70] Zowel de arbeidsemigratie als de - minder bekende - criminaliteit [REIF 1984, THIEN 1986] waren voor de geschiedenis van het kapitalisme als geheel kenmerkende vluchtstrategieën, die toch tamelijk massaal waren. Dit geldt ook voor de individuele ontwijkingsstrategie van het zoeken van een 'kostwinner' (in bepaalde situaties voor veel vrouwen de enig mogelijke alternatieve strategie). "Voor aanbieders hangen de mogelijkheden om zich ... onafhankelijk te maken van betaalde arbeid nauw samen met de mogelijkheden om buiten de arbeidsmarkt om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Deze mogelijkheden zijn in principe wel aanwezig (denk aan het beginnen van eigen bedrijfjes, het verrichten van zwarte arbeid, het leven op basis van een uitkering) en kunnen met name in huishoudensverband ook de basis vormen voor een afweging of en zo ja in welke mate men zich op de arbeidsmarkt zal aandienen. Toch zijn deze mogelijkheden in de praktijk beperkt (zowel wat betreft hun omvang en hun bestaansniveau dat zij mogelijk maken); en bovendien lang niet voor alle categorieën aanbieders in dezelfde mate toegankelijk" [Van HOOF 1987:198].
[71] We hebben deze doorslaggevende asymmetrie van bronnen hier sterk vereenvoudigd voorgesteld. Hoewel we hierna nog een paar belangrijke machts- en mobilisatiebronnen in dit eenvoudig model zullen invoegen, blijven we abstraheren van de verschillen in het bronnenpotentieel van de arbeidskrachtaanbieders. Deze verschillen zouden natuurlijk op basis van onze bronnenindeling zeer gedifferentieerd behandeld kunnen worden.
[72] Zie voor de geschiedenis van het coalitieverbod, het
reactieve ontstaan van ondernemersorganisaties enz.: VAN BEIJME e.v.a. De
eerste van de "three different forms of collective action" van de kapitalisten
bij OFFE/WIESENTHAL [1980:75]: "the firm itself", is geen collectieve actie van
de kapitalisten zelf.
Deze principiële vijandigheid tegenover conflictorganisaties van
arbeiders blijft latent wanneer de kapitalistische ondernemers ermee moeten
leven omdat de machtsverhoudingen zijn verschoven en wanneer het lukt om m.n.
de vakbonden te pacificeren en institutionaliseren (dan kunnen ze immers ook
voor kapitalisten strategische voordelen bieden). Maar deze principiële
vijandschap verdwijnt niet.
[73] Vgl. LOSOWSKI [1930/71], SCHNEIDER [1971], HYMAN [1972], BLANKE [1972].
[74] Vgl. OFFE/WIESENTHAL [1980], VAN HOOF [1987]. Vgl. voor kritieken op de pluralistische ideologie van 'equality of bargaining power': FOX [1974:260]. Ook op dit punt volstaan we met een zeer vereenvoudigde schets. Onze bronnenindeling maakt in combinatie met de in deel 2 uitvoeriger behandelde problemen van bronnenmobilisatie en van de strategische paradoxen en dilemma's van collectief handelen, een zeer gedifferentieerde behandeling mogelijk van de historische veranderingen van machtskansen van de beide hoofdklassen van de burgerlijke maatschappij (en algemener: van alle klassen en groepen).
[75] De organisatiekansen van collectieve actoren zijn van zeer veel factoren afhankelijk: van de heterogeniteit van de - potentiële en actuele, korte en lange termijn - belangen, van de verschillende kansen voor een 'vrije' en geïnformeerde belangenarticulatie; van collectieve habitus en van graden van collectieve identiteit; van aantal, geografische concentratie of mobiliteit, van sociale en communicatieve netwerken, van capabele organisatoren enz. OFFE/WIESENTHAL abstraheren te snel van de heterogeniteit van de belangen van de (verschillende fracties van) kapitalisten. Hun behandeling van de organisatiekansen en -paradoxen is te eenvoudig en zij postuleren een 'altruïstische' solidaristische tweede logica van collectief handelen. In deel 2 werken we deze kritiek uit.
[76] Daarom opereren ondernemersorganisaties niet alleen met relatief omvangrijke organisatiestaven, maar ook veel meer met betaalde conflicttheoretici en psychologen die als strategische adviseurs op de achtergrond van cao- onderhandelingen fungeren [zie FANTASIA 1988:39 e.v. over de moderne Pinkertons in de VS]. Het financieel potentieel van ondernemers en arbeiders als organisatieleden stelt differentiële grenzen aan de contributies die gerealiseerd kunnen worden. Vgl. de eenzijdig op dit aspect gerichte vakbondsanalyses op basis van de 'logic of collective action' van STREECK [1981] e.a.
[77] Dit geldt met name voor reactieve en defensieve stakingen tegen bedrijfssluitingen e.d. (zie de staking van de Engelse mijnwerkers), maar ook voor offensieve stakingen, zoals bijv. voor de 35-urige werkweek.
[78] Vgl. exemplarisch over het Enka-conflict in 1972: BENSCHOP/KEE [1974], V.D. BERG/V.D. VEER [1986].
[79] Vanwege de tijdshorizon van de verandering/beïnvloeding kunnen alleen de beslissingen van rechters direct worden beïnvloed. Gezien de grote rechterlijke beoordelingsvrijheid in het arbeidsrecht is dit overigens zeer belangrijk. Vgl. v.d. BERG/FORTUYN/JASPERS [1978].
[80] Uitsluiting kan daarentegen worden geïnterpreteerd als een individuele afweerreactie tegen illegale of minstens illegitieme collectieve acties van arbeiders, waarin 'passief geweld' en 'geweld tegen zaken' wordt toegepast. Dat deze individuele beslissingen van kapitalisten vanwege de collectieve organisatie van de arbeid in de kapitalistische onderneming collectieve consequenties hebben, zal de cyclopische liberale jurist een zorg zijn. In dit verband zijn een aantal verschillen tussen kapitaal-organisaties en arbeidersorganisaties van belang die door OFFE/ WIESENTHAL [1980] zijn samengevat: (1) 'machtspotentieel zonder organisatie' versus 'gecreëerd door organisaties'; (2) 'uitoefening van macht door leiderschap' versus 'door de activiteit van leden'; (3) 'defensief gebruik van macht' versus 'offensief gebruik van macht'; (4) verborgen en verspreid gebruik van macht' versus 'open en geconcentreerd gebruik van macht'.
[81] De kritische distantie van de Engelse vakbeweging tegenover juridificatie van de arbeidsverhoudingen wordt duidelijk behandeld door: KAHN-FREUND [1977]. Zie voor Nederland: PEIJPE [1985]. Zie voor de BRD: DÄUBLER [1973], TEUBNER [1971]. Zie voor Zweden: ABRAHAMSON [1976].
[82] Vervalt.
[83] HOBSBAWM [1964], TILLY [1968] e.v.a. hebben zeker gelijk dat de moderne arbeidersbeweging in vergelijking met alle voor-kapitalistische bewegingen van onderdrukten en uitgebuitenen eerder pro-actieve strategieën kiest (dit geldt sowieso voor de socialistische arbeidersbeweging). Het probleem is echter dat hierdoor de aloude samenhang tussen beschikkingsmacht over heerschappij- en leidinggevende posities, de beslissende materiële bronnen en de breedheid en 'planningsgerichtheid' van de horizon niet eenvoudig wordt doorgesneden. Dit wordt vooral duidelijk als men niet gefixeerd blijft op de ideologie, maar een analyse maakt van de horizons van de dagelijkse praktijk (en bijv. de reikwijdte van beslissingen over gigantische investeringen vergelijkt met beslissingen over stakingen). Voor de alledaagse praktijk van arbeidersorganisaties lijkt zich pas een vergelijkbare horizon te openen wanneer er effectief (mede)beslissingsrecht gerealiseerd wordt over de aard, omvang, plaats enz. van de investeringen. Investeringsbeslissingen zijn dus ook in dit opzicht het punt waar alles om draait.
[84] "Geldprijzen zijn produkten van strijd en compromis; zij vloeien dus voort uit machtsconstellaties. 'Geld' is geen loutere 'aanwijzing voor onbepaalde utiliteiten' die men zomaar kan veranderen zonder fundamentele uitschakeling van het karakter van de prijzen als een systeem dat bepaald wordt door de onderlinge strijd van mensen. 'Geld' is primair een strijdmiddel en prijzen zijn uitdrukkingen van deze strijd; geld is alleen een calculatiemiddel in de vorm van een gekwantificeerde schatting van de relatieve kansen in deze belangenstrijd" [WEBER WG:58]. Vgl. ook: GIDDENS [1973:103], KRECKEL [1983b:141], BERGER [1986:131].
Raymond MURPHY [1985] gelooft dat een dergelijke 'machtstheorie van winsten en prijzen' een alternatief is voor voor de zgn. arbeidswaardetheorie van de prijzen. Hij stelt uitsluiting en uitbuiting abstract tegenover elkaar: "The power struggle in the marketplace mediates the relationship between labour content and value (price) so that the latter is not determined by labour content, but rather by the power struggle in the market itself. Instead of being pre-determined by labour, value and price are socially defined by the power struggle in the market" [1985:235, vgl. pp. 228,233 e.v.]. Vgl. de kritiek hierop van BENSCHOP [1987:109 e.v.].
Hoewel we hier niet geïnteresseerd zijn in waarde- en prijstheoretische discussie willen we er wel op wijzen dat we ook deze gangbare confrontatie misleidend vinden. De zgn. sociologische (machtstheoretische enz.) verklaringen van de mogelijkheid van winstgericht economisch handelen van de kapitalistische ondernemers blijven abstract wanneer ze alleen maar de lege plekken markeren voor de herkomst van ondernemerswinst. De zgn. economische (of 'arbeidswaardetheoretische') verklaringen van de (monopolie)prijzen blijven abstract wanneer ze niet verklaren op grond van welke bronnen concurrenten een superieure macht op de markt kunnen ontwikkelen.
[85] Zelfs een arbeidersbeweging die internationaal effectief gecoördineerd zou zijn, wordt vanwege het asynchrone karakter van de internationale cycli geconfronteerd met het bekende probleem om kapitaalvlucht van het vaderlandsloze kapitaal te verhinderen.
[86] De vormen van de arbeidsorganisatie zijn niet eenvoudig 'despotisch', maar kunnen tot op zekere hoogte ook 'hegemoniaal' zijn. Zij variëren naar specifieke ontwikkelingsfasen en vooral ook naar specifieke (nationale, regionale, lokale) situatie en cultuur. Otto BAUER [1932] was hierover al zeer helder. Naast de eerder genoemde literatuur kan hiervoor ook worden verwezen naar: SABEL [1982], HACK [1982], SCHIENSTOCK/FLECKER/ RAINER [1987], TOMANEY [1994], REVELLI [1997].
De competentie om in laatste instantie definitieve beslissingen te nemen kan zijn gedeeld (bijv. beslissingen over plaats, soort en omvang van de investeringen, over inkoop en verkoop, over reclame, over research en development, over
technologie en arbeidsproces) en gedelegeerd (bijv. over Raad van Commissarissen, directie, topmanagers tot aan afdelingschefs en ploegbazen) en ze kan extern gelimiteerd zijn (bijv. wettelijk door investeringscontrole, milieuwetgeving, arbeidsomstandighedenwetten; door andere kapitalisten en m.n. door banken). Deze processen en structuren van differentiatie, delegatie en limitatie zijn uitvoerig geanalyseerd door TANNENBAUM [1968], DE VROEY [1973,1975a, 1975b], ZEITLIN [1974,1976], SCOTT [1979].
[87] Alleen speltheoretici a la ROEMER hebben geen moeilijkheden met ficties over eilanden en modellen "where the labour contract is perfect and costlessly enforceable". En alleen zij kunnen denken dat het hier alleen maar gaat om een "informational problem" [1982:377].
[88] Vgl. de klassieke uiteenzetting van MARX [MEW 23]. Vgl. WEBER en MARX over de geformaliseerde beslissingshiërarchie. Vgl. ook BIERBAUM [1972].
[89] Het is dus geen teken van grote zakelijke kennis wanneer men meent dat "our understanding of power, domination and coercion can be reduced to a study of the transformation of property" [ROEMER 1982: 382]. Vgl. kritisch: BOWLES/GINTIS [1976], ELSTER [1985: 199 e.v.].
[90] Zie voor seksisme op de arbeidsplaats: DE BRUIJN [1981:137-159], ARTS/TEN HOORN BOER/VERLOO [1981:40-54]. Vgl. KAPP HOWE [1977], MOSS KANTER [1977], FARLEY [1978], BULZARIK [1978], SPENCER/PODMORE [1986]. Vgl. ook WILLIS [1977].
[91] De ongelijke verdeling van looninkomen is het gecombineerde resultaat van verschillen van feitelijke kwalificaties, van geslaagde monopoliserings- en professionaliseringsstrategieën, van regionaal en ascriptief afgeschermde arbeidsmarkten, van ascriptieve discriminaties op arbeidsmarkten. Bovendien moet nog rekening worden gehouden met specifieke 'loyaliteitspremies' voor extra-functionele ('politieke') kwalificaties [BENSCHOP 1993: hft VIII]. Vgl. de gedifferentieerde pogingen om de inkomensverschillen te verklaren van WRIGHT [1979], in aansluiting daarbij voor Nederland: KERSTHOLT/LUYKX [1982] en voor de BRD: TERWEY [1984].
[92] Deze ongelijkheden zijn met name het gevolg van de ongelijke spreiding van het ongeschoolde, monotone werk. Zoals gezegd kunnen deze psychische beloningen alleen indirect als bron fungeren via de invloed die arbeidstevredenheid heeft op het prestatievermogen.
[93] Gezondheidsrisico's zijn het gecombineerde resultaat van (1) risico van mechanische ongevallen en blessures (2) slechte arbeidsmilieufactoren (stof, lawaai, hitte/kou enz.) en van (3) arbeidsplaatsen met een hoge totale belasting. Door verdergaande automatisering en informatisering neemt de fysiek-musculaire belasting af, terwijl de psychisch-geestelijke vormen van over- en onderbelasting toenemen [MICKLER/DITTRICH/NEUMANN 1976 e.v.a.]. Deze verschuiving in het globale belastingsprofiel is ongelijk verdeeld over verschillende beroepsgroepen en sectoren. Een hoge fysieke belasting staat in een omgekeerde relatie tot kwalificatieniveau en beroepsstatus; de hoogte van psychische belasting hangt convergent samen met hoogte van beroepspositie [OPPOLZER 1986].
[94] Er zijn vormen van arbeidsbelasting die de ontwikkeling van vaardigheden bevorderen en die welke ze beperken. Belastend in de strikte - negatieve - zin zijn activiteiten die het toepassen en ontwikkelen van verworven kwalificaties niet toelaten: overbelasting en onderbelasting. Vgl. ULICH [1975], KRAAYVANGER/VAN ONNA [1985], CHRISTIS [1991], De SITTER [1992].
| Home | Subject Areas | Cyberspace | Zoek | Contact |
|---|