Literatuur
Januari 1996
I Arbeidssociologie & arbeidssociologen
Het is een spannende en uitdagende tijd om arbeidssocioloog te zijn.
Er zijn een groot aantal brandende maatschappelijke kwesties die
allemaal draaien om de vraag hoe de maatschappelijke arbeid in onze samenleving
is georganiseerd. Al deze kwesties stellen evenzovele pertinente vragen aan
sociologen. Sociologen zijn echter bescheiden mensen: zij pretenderen niet dat
zij voor alle maatschappelijke problemen oplossingen kunnen aandragen. Sociologen die menen dat zij dat wel kunnen, maken zich schuldig aan academische bluf. De arbeidssociologie kan slechts een bescheiden, maar wel kritische en zelf-kritische rol spelen in het aanpakken van maatschappelijke problemen.
Wat zijn die maatschappelijke problemen? Ik zal de belangrijkste kort aanduiden:
- Op het vlak van de internationale arbeidsverdeling is er sprake van een
crisis van internationale economische regulatie [Piore/Sabel 1984].
- Binnen de nationale economieën is er sprake van een crisis van het model van industriële ontwikkeling dat op massaproduktie is gebaseerd: het gebruik van produkt-specifieke machines en van semi-gekwalificeerde arbeiders om gestandaardiseerde goederen te produceren.[1] Onder arbeidssociologen en bedrijfskundigen lijkt er een groeiende overeenstemming over te bestaan dat de dagen van het taylorisme en fordisme zijn geteld [Piore/Sabel 1984, Kern/Schumann 1985]. De crisis van het tayloristisch/fordistische produktiesysteem blijkt zich in alle westers, geïndustrialiseerde landen met een grotere of geringere intensiteit voor te doen [Crouch/Pizzorno 1978, Coriat 1979, Rose 1985, Kijne 1990]. Zie recente discussies over neofordisme, 'lean production' enz. [Amin 1994]. Tegelijkertijd zien we echter dat in kringen van industriële managers pogingen worden ondernomen om zoveel mogelijk elemenen van het taylorisme en fordisme te behouden (arbeidsintensivering en reductie van tijdsautonomie door flexibilisering; flexibele standaardisering).
- Er is sprake van een crisis van de arbeidsmarkt. Deze crisis komt
tot uiting in (a) een grote werkloosheid (conjunctureel, structureel): door
aanhoudende lage groei is de werkloosheid in bijna alle geavanceerde landen
chronisch geworden. De crisis van de arbeidsmarkt komt tevens tot uiting in (b)
de structurele segmentering van arbeidsmarkten; 2/3 maatschappij; etnisering.
Zij komt ook tot uiting in (c) het ontstaan van de zgn. informele economie en
verschuivingen in oude en nieuwe vormen van huishoudelijke arbeid. Ondanks
economische opleving 35 miljoen werklozen in OECD-landen. De sokkel van
werkloosheid is steeds hoger geworden; er worden wel nieuwe arbeidsplaatsen
geschapen (veelal op kosten van geflexibiliseerde arbeidskrachten), maar veel
te weinig. Er is een schaarbeweging tussen meer werkgelegenheid en meer
werkloosheid. De arbeidsmarkt is niet meer in staat tot vereffening
('clearing').
- Op het gebied van sociale zekerheid is er een crisis van de
verzorgingsstaat.
- Flexibilisering, decentralisering, individualisering; druk op
geïnstitutionaliseerde vormen van overlegeconomie, neo-corporatisme; het
'einde van het historisch compromis' [Visser 1992]: Crisis van het
arbeidsbestel
- Informatietechnologie en consequenties voor arbeid, arbeidsorganisaties op kruispunt. Crisis van arbeidsorganisatie.
- Afscheid van: keynesianisme, fordisme, van reaganomics en thatcherism,
van neo-corporatisme, van de verzorgingsstaat en - uiteraard - van alle versies
van staatssocialisme. Crisis van economische regulering door de staat.
Er wordt gevraagd om en gezocht naar nieuwe ontwikkelingsmodellen en nieuwe
politieken. Men is op zoek naar nieuwe institutionele vormen van
economische ordening, arbeidsverhoudingen; sociale zekerheidsarrangemenen etc.
en naar nieuwe (economische, arbeids-, sociale) politieken.
Er zijn geen pasklare antwoorden. Bovendien wordt het steeds duidelijker dat
ook de terugkeer naar de zgn. radicale versie van 'de vrije markteconomie' geen
antwoord biedt - niet in Oost-Europa, maar ook niet in 'de 3e wereld' en niet in de
centra van het kapitalisme zelf.
Wat betekent dit voor arbeidssociologen? Het betekent dat zij veel lastige
vragen op hun bordje krijgen. Er wordt gevraagd:
- naar diagnoses van dergelijke problemen of crises: welke normatieve
standaarden gebruik je daarbij?, hoe diagnosticeer je?, voor wie is het een
crisis?, welke data kan je gebruiken?
- naar oorzaken van de problemen: welke verklaringsmodellen kan je
haneren?, hoe consistent zijn die verklaringsmodellen?, wat is de reikwijdte
van de diverse verklaringen?
- naar politieken en strategieën (therapieën voor
arbeidsproblemen): met welke handelingsstrategieën of welk beleid kunnen
de genoemde problemen worden aangepakt?
Het zou meer dan arrogant zijn om te denken dat sociologen in staat zijn om een
oplossing te bieden voor alle hiervoor genoemde problemen. Kritische
arbeidssociologen zouden er goed aan doen om zich in dit opzicht
bescheiden op te stellen en geen overdreven pretenties te koesteren.
Zelfkritische sociologen zouden mede daarom op gepaste afstand moeten blijven
van de bekende technocratische traditie waarin gestreefd wordt naar een
'verwetenschappelijking van de politiek' en meer in het bijzonder naar een
'verwetenschappelijking van de bedrijfsvoering'.
De technocratische traditie heeft in Nederland een groot stempel gedrukt op de
verhouding tussen wetenschappelijke expertise en bedrijfsbeheer (zowel het
management van arbeidsorganisaties als van de staat). De technocratische
traditie is gebaseerd op het geloof van sociale wetenschappers in een
wetenschappelijke sturing van arbeidsorganisaties en meer in het algemeen van
economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Ook onder 'moderne' sociologen
en planologen was deze technocratische kijk op de management en politiek lange
tijd populair [Gastelaars 1985].
De technocratische visie op management en politiek past in een meer algemene
naoorlogse trend, waarin sociale wetenschappers geloofden dat 'het einde van de
ideologie' nabij was en pleidooien hielden voor een niet-ideologische
pragmatische politiek. Het idee was dat bedrijfsinterne
belangentegenstellingen en algemene politiek-ideologische tegenstellingen zouden
verdwijnen wanneer zij behandeld zouden worden in het licht van 'objectief'
wetenschappelijke analyses en voorspellingen.
Voor de arbeidssociologie was Frederick Winslow Taylor een belangrijke
grondlegger van technocratische traditie. Door middel van 'scientific
management' wilde hij de rol van persoonlijke gezagsuitoefening in
arbeidsorganisaties zoveel mogelijk uitschakelen om deze te vervangen door
'wetenschappelijk' gezag. In deze sciëntistische ideologie heeft de
bedrijfsleiding het ongeclausuleerde recht om arbeid te beheersen in de meest
letterlijke en gedetailleerde zin van het woord ('over u en zonder u' - het
paternalistisch syndroom). Taylor koesterde en cultiveerde de idee dat ook de
werknemers zijn denkbeelden uiteindelijk zouden volgen omdat zij er baat bij
zouden hebben. Hij meende dat zijn 'wetenschappelijke bedrijfsvoering' niet
alleen tot hogere efficiëntie zou leiden, maar tevens tot een harmonie die
de belangentegenstellingen tussen loonarbeid en kapitaal zou overbruggen. Taylor
probeerde nauurwetenschappelijke methoden toe te passen op de steeds complexer
wordende problemen van de beheersing van de arbeid in snel groeiende
kapialistische ondernemingen. Zijn benadering is echter door en door
partijdig.
"De onderstellingen waarvan ze uitgaat, weerspiegelen slechts de wijze waarop
de kapitalist over de produktievoorwaarden denkt. Hoewel soms het tegendeel
wordt beweerd, gaat de wetenschappelijke bedrijfsvoering niet uit van het
menselijke maar van het kapitalistische gezichtspunt, het gezichtspunt van het
leiding geven aan een weerspannig arbeidsleger in een context van
antagonistische maatschappelijke verhoudingen. De wetenschappelijke
bedrijfsvoering doet geen poging de oorzaak van deze toestand op te sporen en onder ogen te zien, maar aanvaart die als een onverbiddelijk gegeven, als een 'natuurlijke toestand'" [Braverman 1974: 86]. Vgl. Korver [1989: 84 e.v.], Kijne [1990], Benschop [1996]
Binnen de sociale wetenschappen is de gedachte dat het mogelijk en wenselijk is
om management en politiek als een soort 'toegepaste wetenschap' te bedrijven
niet meer zo populair. Er is inmiddels veel kritiek geleverd op technocratische
visies van de 'maakbaarheid van de samenleving' zodat er twijfel
is ontstaan aan mogelijkheid van objectieve wetenschappelijke planning. Soms is
deze terechte twijfel omgeslagen in een algehele twijfel aan elke democratische
notie van maakbaarheid, waarbij geen enkele betekenis meer gehecht wordt aan
wetenschappelijke expertise voor politieke menings- en besluitvorming. In de
bedrijfswetenschappen is het geloof in de 'maakbaarheid van de
arbeidsorganisatie' echer nog springlevend.
De kernstelling van de technocratische benadering is dat
belangentegenstellingen en daaraan geassocieerde politieke meningsverschillen
uiteindelijk wetenschappelijk beslecht moeten kunnen worden. Deze stelling is
gebaseerd op een dubbele miskenning:
- een miskenning van het specifieke karakter van politiek handelen;
- een miskenning van de grenzen van sociaal-wetenschappelijke kennis.
a) Beleidskeuzes binnen ondernemingen kunnen even als politieke keuzes van de overheid nooit wetenschappelijk worden gefundeerd. Politieke en beleidskeuzes zijn altijd controversiële keuzes tussen alternatieve beleidsopties met algemene of organisatiespecifieke consequenties. Zij worden genomen in sociale situaties met een hoge complexiteit, openheid en onvoorspelbaarheid. Wetenschappelijke inzichten zijn nooit instructief genoeg voor het maken van beleidskeuzes. Sciëntisme als (1e) overschatting van politieke betekenis en potentie van wetenschappelijk onderzoek: negatie van relatief zelfstandige betekenis die normatieve oriëntaties en uitgangspunten vervullen in politieke beslissingsprocesssen. Bijv.: stellingnames tegen
exploitatie en onderdrukking of voor democratie kunnen niet wetenschappelijk worden bewezen; zij
kunnen wel op goede normatieve gronden - een universalistische democratische ethiek - gerechtvaardigd worden. Bijv. conceptie van het arbeidsproces kan niet worden herleid tot wetenschappelijke kennis; daarom is het onmogelijk de enig juiste produktiemehode of het enig juiste organisatieschema (inclusief taakspecialisatie en -combinatie, tempo enz.) vast te stellen [vgl. Stock 1980, Manwaring/Wood1985]. Sciëntisme als (2e) overschatting van prognostisch vermogen van de sociale wetenschappen.
b) Subjectieve beslissingen worden gepresenteerd met het prestige van
wetenschappelijkheid. Pseudo-wetenschappelijke politiek en/of management wordt
vermomd als apolitieke wetenschap. De keuzemogelijkheden worden beperkt en het
democratisch gehalte van de besluitvorming wordt uitgehold.[2] Spiegelbeeld van sciëntistische
opvatting van politiek is overpolitisering van de wetenschap: wetenschap
wordt instrumenteel in dienst gesteld van een bepaald beleid, of een politieke
koers. Het bezwaar tegen instrumentele benaderingen is niet dat wetenschappers
zich oriënteren op beleidsproblemen die zich in de praktijk van bepaalde
arbeidsorganisaties voordoen, maar dat de analyse van deze arbeidsorganisaties
in dienst wordt gesteld van de dominante koers (d.w.z. van de koers van de op
dat moment heersende coalitie) of van een specifiek ideologisch discours (en
dus steeds meer gaan lijken op een 'hofleverancier van legitimatielegendes'). Ik kom hierop in hoofdstuk IV uitvoerig terug.
Elke beschaving heeft zijn eigen opvatting over de humane en inhumane kanten
van de arbeid. In de traditionele arbeids- en organisatiemodellen diende de
mens zich aan te passen aan specifieke werksituaties. Het waren in de strikte
zin beheersings- en aanpassingsmodellen waarin de logica van economische
efficiëntie (rentabiliteit) en bedrijfsmatige effectiviteit voorop
stonden. In de moderne modellen wordt het perspectief - althans verbaal -
omgekeerd: de arbeidsorganisatie dient zodanig te worden hervormd dat de
inrichting van arbeidssituaties beter past bij de mogelijkheden en wensen van
de werknemer. De humaniseringsbeweging heeft modellen ontwikkeld waarin gezocht
wordt naar een evenwicht tussen 'economische' doelstellingen (produktivieit,
efficiëntie, renabiliteit) en 'sociale' doelstellingen ontleend aan
specifiek menselijk kwalieien (autonomie, arbeidsaakbeheersing en ontplooiing).
Zoals bekend is dit evenwicht niet eenvoudig te realiseren. Dat heeft niet
alleen te maken met het feit dat de normatieve doelstellingen van
economische rationalieit (efficiëntie), organisationele
rationaliteit (effectiviteit) en democratische rationalieit
(autonomie) niet naadloos in elkaars verlengde liggen. Het heeft vooral ook
te maken met het feit dat deze principes onder kapitalistische
arbeidsverhoudingen nog steeds op voet van oorlog met elkaar lijken te staan.
Alle humaniseringsbewegingen die we tot nu toe gezien hebben - van de oude
human relaions beweging tot de moderne sociotechnische beweging
('human resource mobilizaion') - opereren in het spanningsveld van de
dialectiek van beheersing en emancipatie. De sociale wetenschappers die zich op
dit terrein begeven worden heen en weer gedreven tussen drie
concurrerende perspecieven.
Vanuit het beheersingsperspectief gaat het er nog steeds om de 'weerstanden
tegen verandering' te overwinnen die binnen arbeidsorganisaties in het spel
worden gebracht omdat deze ook bevolkt worden door die lastige en recalcitrante
'human factor', d.w.z. door levende werknemers met hun eigen mores en sores, met
al hun onvoorspelbare, 'non-logische sentimenten'. Om de weerstanden tegen de
noodzakelijke transformaties van kapitalistische arbeidsorganisaties beheersbaar
te maken moeten individuele en collectieve verzetsvormen worden gedemonteerd. Om
deze 'human engineering' mogelijk te maken werd een uitgebreid arsenaal aan
'sociale technologieën' ontwikkeld (van taylorisme en fordisme, via human
relations tot human resource management) waarmee de handelingsspeelruimtes van
werknemers kunnen worden ingeperkt of minstens gecontroleerd. De hiervoor
noodzakelijk attiude is die van een partijdige managementoptiek. Het zijn de
The Servants of Power (Loren Baritz).[3]
Sociologen die binnen het beheersingsperspectief opereren zijn direct en bewust
gericht op de kapitaalbelangen ('rationaliseringswetenschap'). Arbeidsproces
wordt tot object van systematisch onderzoek met het doel de mechanismen van de
prestatiebeperking in het arbeidsproces te onderkennen, uit te schakelen en
daarmee de rentabiliteit te verhogen.[4]
Vanuit het emancipatieperspectief gaat het daarentegen juist om het verkennen
van de 'mogelijkheden van verandering' en het overwinnen van inhumane vormen
van arbeidsverdeling en van ondemocratische organisatiestructuren. Om dit
mogelijk te maken moet de 'emancipatie' van de taakuitvoerders worden vergroot
door het versterken van de autonomie en zeggenschap van werknemers. Om deze
democratisering van de arbeidsverhoudingen mogelijk te maken werden en worden
allerlei strategieën die gericht zijn op het vergroten van de
handelingsautomie van werknemers, zoals mobilisatie van zelfactiviteit en
organisatie van betrokkenen. Sociale wetenschappers die in dit
emancipatieperspectief opereren kiezen bewust voor een partijdigheid die de
belangen en aspiraties van werknemers als richtpunt neemt.
Een exemplarisch voorbeeld van emancipatoire optiek is de moderne
arbeidsprocesbenadering. In deze benadering wordt het arbeidsproces als een
arena beschouwd waarin belangenpartijen een machtsspel spelen. Bij de intrede
in die arena verliest de arbeidssocioloog zijn neutrale wetenschappelijke
status. Zelfs als men geen deel wil uitmaken van het machtsspel wordt men
genoodzaakt voor één van de deelnemende belangenpartijen te
kiezen. Hoewel sommigen ervoor terugschrikken de deskundige autoriteit die zij
claimen op te geven, maken veel specialisten die deze benadering voorstaan
een bewuste keuze voor de 'reproduktiebelangen' van werknemers. Zij stellen hun
intervenies (vormgeving en toepassingen) bewust in het licht van het instandhouden resp. verbeteren van het arbeidsvermogen en van het optimaliseren van de voorwaarden waaronder dit arbeidsvermogen geruild en gebruikt wordt. Arbeidssituaties worden dus beoordeeld vanuit de belangen van werknemers op het
terrein van beloning, werkzekerheid, kwalificatie en belasting.
Vanuit het deskundologisch perspectief gaat het tenslotte om een
schijnbaar gedisantieerde, maar vooral 'objectieve' analyse van de spanningen
en conflicen die zich voordoen in reorganisatie- en innovatieprocessen. De
deskundologen streven formeel niet naar bepaalde 'externe doelstellingen', maar
beperken zich tot een afstandelijke stimulering van 'innovatie', 'moderniteit'
en 'rationalisering' van arbeidsorganisaties. Daarvoor is inmiddels een groot
reservoir aan mehodieken ontwikkeld waarmee 'professionele' begeleiding en
'deskundig' adviezen kunnen worden gerealiseerd. De attitude van sociale
wetenschappers die in dit perspectief opereren is het onpartijdige
professionalisme. Zij profileren zich bij voorkeur als onafhankelijke 'experts'
die zich niet laten verleiden door de charmes van het rentabiliteitsstreven,
noch door die van het humanseringsstreven. Zij willen geen deelnemers zijn aan
het gevecht in de arena, maar dichten zichzelf veeleer de taak toe om de orde
in de arena te bewaren. Het zijn de 'managers van de symbolische arena'
(Herbert Gans) die door de combinatie van wetenschappelijke 'objectiviteit' met
'onparijdigheid' in staat zijn om het noodzakelijke 'evenwicht' in de arena te
realiseren. Hun beroepscode laat zich dus samenvatten in drie geboden: men zal streven naar
- objectiviteit: de feiten en meningen moeten netjes uit elkaar worden gehouden;
- onpartijdigheid: alle relevante partijen moeten aan het woord kunnen komen; en
- evenwicht: alle relevantie visies worden weergegeven.
Een exemplarisch voorbeeld van een deskundologische optiek is de moderne sociotechnische benadering. De socio-technicus ziet zichzelf vooral als een neurale, onafhankelijke deskundige met een overwegend adviserende en begeleidende rol.
Figuur 1.1 Drie perspectieven: tussen beheersing en emancipatie
Natuurlijk is dit slechts een zeer grove karakterisering van de perspectieven
waarin men over arbeid en arbeidsverhoudingen kan nadenken. Maar het maakt in
ieder geval duidelijk dat er botsende visies zijn op wat arbeidssociologie kan
betekenen en dat er ook rivaliserende sociaal-wetenschappelijke benaderingen
van de arbeidsverhoudingen zijn die zich op het eerste gezicht (en meesal ook
bij nader inzien) moeilijk met elkaar laten verenigen.
In een stagnerende crisiseconomie nemen problemen in de beroepsuitoefening van
arbeids- en organisatiesociologen aanzienlijk toe. Het arbeidsbestel kraakt in
al zijn voegen, het sociale voorzieningenstelsel wordt verder geminimaliseerd
en de 'speelruimte' voor democratiserings- of humaniseringsexperimenten wordt
beperkt. Economische stagnatie leidt meestal tot een toespitsing van
bedrijfsinterne belangentegenstellingen, hoewel dit lang niet altijd een
inensivering van organisatie-interne conflicten tot gevolg heeft. Arbeids- en
organisatiesociologen staan middenin deze onderhuids of openlijk polariserende
verhoudingen en er komt een sterker accent te liggen op het reguleren en
beheersen van conflicten. Wanneer in reorganisatieprocessen de belangen,
verlangens en aspiraties scherper botsen, wordt het ook voor de experts
moeilijker zich 'gedistantieerd' op te stellen. Van de spanning tussen
rentabiliteits- en humaniseringsstreven kan men zich moeilijk afsluiten door
een vlucht in het cocon van professionele onafhankelijkheid en neutraliteit.
Ingrijpende omwentelingen van arbeidsorganisaties en de meer of minder
openlijke conflicten die deze genereren, stellen arbeids- en
organisatiesociologen voor lastige keuzen, omdat zij veelal zelf afhankelijk
zijn van de bedrijfsleiding. Dan wordt zowel door opdrachtgevers als
'cliënten' regelmatig een specifieke partijdigheid geëist van
professionals die zich in gemoedelijker tijden konden hullen in een wat vage
humaniseringsideologie.
De eenheid in beroep en beroepsbeeld van de arbeidssociologen is ver te zoeken.
De waarde-oriëntaties en opvattingen over professionaliteit lopen sterk
uiteen. Dat geldt niet alleen voor arbeidssociologen, maar ook voor
organisatieadviseurs, personeelsfunctionarissen en opleidings/trainers.[5]
De meeste arbeids- en organisatiedeskundigen houden zich nog altijd in
hoofdzaak bezig met het verbeteren van de doeltreffendheid en doelmatigheid in
het kader van door 'broodheren' resp. opdrachtgevers gestelde doeleinden [zie voor organisatiekundigen: Lammers 1983/3:43]. Hun dominante kennisleidende belangen waren vrijwel uitsluitend die van de bestuurders en leidinggevenden van private ondernemingen en hun adviseurs. Vooral de organisatiekunde kreeg hierdoor een sterk ideologisch karakter: "het karakter van een rechtvaardigheidsstelsel ten behoeve van vigerende verhoudingen en praktijken [Kastelein 1985: 48]. In dit
opzicht lijkt er maar weinig - en zeker geen principieel verschil te bestaan
tussen interne en externe adviseurs en consulenten, en ook niet tussen degenen
die werken binnen de bescherming van een beroepscode en degenen die zich hierop
niet kunnen beroepen. De verklaring hiervan lijkt op het eerste gezicht simpel
- voor allen geldt 'dat er brood op de plank moet komen'. Bij nader inzien is
dit natuurlijk ook een prachtige legitimatielegende. Arbeids- en
organisatiedeskundigen worden te hulp geroepen bij beheers- en
bestuurbaarheidsproblemen die ontstaan wanneer organisatieleidingen niet in
staat zijn hun beleid af te stemmen op ingrijpende maatschappelijke
veranderingen die binnen de arbeidsorganisaties doorwerken. In hun
beroepsuitoefening worden zij echter ook steeds frequenter geconfronteerd met
werknemers die geen aanstalten maken hun autonomieverlangens en
zeggenschapseisen in te wisselen voor een nieuw - en natuurlijk alijd
'wetenschappelijk' of minstens 'deskundig onderbouwd' - produktie- en
organisatieschema's.
Veel arbeidsspecialisten en organisatiedeskundigen hebben zich in vergaande
mate tot dienstmaagd laten maken van kapitalistische 'gevestigde belangen' die
uit zijn op demontage van individuele en collectieve verzetsvormen en op het
blokkeren van het emancipatiestreven van afhankelijke werknemers. Het zou
onzinnig zijn te beweren dat de arbeids- en organisatiesociologie 'per
definitie' alleen maar kan bijdragen aan de instandhouding en reproduktie van
de basisstructuren van kapitalistische arbeidsorganisaties. Een dergelijke
'partijdigheid' zou volledig in strijd zijn met het streven naar
wetenschappelijke objectiviteit: het instrumentaliseert wetenschappelijke
kennis voor niet-gelegitimeerde en ook niet - althans niet democratisch! -
legitimeerbare heerschappij- en exploitatiebelangen en het reduceert zowel
onderzoek als toepassing tot technologische dimensies.
In de praktische beroepsuitoefening is de relatie tussen partijdigheid en
(relatieve) cognitieve autonomie natuurlijk ingewikkelder dan hiervoor is
geschetst. Éen ding lijkt echter wel duidelijk: om in de
beroepsuitoefening als arbeid- en/of organisatiesocioloog overeind te blijven
zonder terug te vallen op het aloude 'wiens brood men eet ...' zijn een gedegen
kennis, kunde en vaardigheden vereist. Nodig is een gedegen kennis van
structuren en processen van arbeidsorganisaties, inzicht in de complexiteit van
concurrerende handelingsstrategieën, en precisie bij de selectie van de
interventiemiddelen en -technieken. Nodig is vooral ook sensibiliteit voor de vaak zo beperkte speelruimtes voor
veranderingsinitiatieven en een nuchter inzicht in de strategische
mogelijkheden op korte en langere termijn.
Wat is arbeidssociologie? Op deze simpele vraag kan natuurlijk een even simpel
antwoord worden gegeven: het is een sociologische benadering van de alle
verschijnselen die met arbeid te maken hebben. Dus met arbeid zelf, met de
wijze waarop de arbeid georganiseerd is en de manier waarop maatschappelijk
georganiseerde arbeid wordt ervaren. Toch is dit geen bevredigend antwoord.
Ten eerste zijn er verschillende academische disciplines die zich met
arbeidsvraagstukken bezighouden, en is de arbeidssociologie zelf ook weer
opgesplitst in verschillende deeldisciplines. Om zicht te krijgen op de
'eigenheid' van de arbeidssociologie moeten we dus ingaan op de relaties met
andere sociaal-wetenschappelijke arbeidsdisciplines en op de samenhang tussen de
verschillende arbeidssociologische disciplines (par. 1).
Ten tweede houdt de arbeidssociologische discipline zich bezig met een groot
aantal terreinen. Om zicht te krijgen op de reikwijdte van de
arbeidssociologische discipline is dus nodig een duidelijke omschrijving te
geven van de inhoudelijke gebieden van onderzoek resp. van (de reikwijdte van)
haar kennisobject (par. 2).
Ten derde is arbeidssociologische discipline gefragmenteerd in een groot aantal
theoretische benaderingen. Om zicht te krijgen op de theoretische
pluriformiteit van het vakgebied moeten we dus ingaan op de verschillende
theoretische benaderingen en onderzoeksstrategieën (par. 3).
Tenslotte opereren arbeidssociologische analyses op meerdere niveaus.
Dat heeft alles te maken met de complexiteit van het object:
arbeidsverhoudingen kunnen niet één grote analytische klap worden
ontsleuteld. Als men inzicht wil krijgen in de analytische strategieën van
arbeidssociologen moeten we een helder beeld krijgen van de analytische niveaus
waarop deze zich kunnen bewegen (par. 4).
Het vak arbeidssociologie is dus zowel gefragmenteerd in deeldisciplines, in
inhoudelijke onderzoeksgebieden als in theoretische benaderingen die vaak op
zeer uiteenlopende analytische niveaus opereren.
Arbeidssociologie is een apart vak: het is een discipline die aan
universiteiten en hogescholen wordt onderwezen. De Nederlandse
arbeidssociologie als academisch vak is van recente datum. De eerste leerstoel
in het vak arbeidssociologie stamt uit 1965, toen J.A.P. van Hoof in Nijmegen
de leerstoel 'Sociologie van arbeid en bedrijf' kreeg. Vóór die
tijd was de gangbare term industriële sociologie, terwijl de
term bedrijfssociologie gebruikt werd voor de analyse van
bedrijfsinterne processen. In België bestond eerder dan in Nederland een
academische discipline 'sociologie van de arbeid'. Dit onder invloed van de
Franse sociologie du travail, waarvan Georges Friedmann en diens
leerlingen (zoals Alain Touraine en Pierre Naville) de inspiratoren waren.
Zoals gezegd bestaat er een heel spectrum van sociaal-wetenschappelijke deeldisciplines die zich allemaal richten op een bepaald aspect of een serie aspecten van de maatschappelijke organisatie van de arbeid. Ik zal eerst aangeven welke academische disciplines zich met arbeidsvraagstukken bezighouden en in welke deeldisciplines de arbeidssociologie zelf weer is opgesplitst. Daarna wordt de vraag opgeworpen wat het bijzondere is van de arbeidssociologische discipline en hoe we de eigenheid of de identiteit van dit vakgebied kunnen omschrijven.
Arbeidsvraagstukken worden behandeld door de volgende academische disciplines:
- Economie en i.h.b. institutionele economie, arbeidsmarkt-economie,
bedrijfseconomie. Institutionele economen houden zich vooral bezig met
de verhouding tussen markten en ondernemingen, eigendomsrechten, het beheer
('governance') van contractuele verhoudingen, ondernemingsvormen e.d.[6] Arbeidsmarkteconomen richten
zich op processen van loonvorming op en de werking van (deel)arbeidsmarkten.[7] Bedrijfseconomen houden zich
vooral bezig met de financieel-economische gang van zaken: met alle
verschijnselen waarbij in geldeenheden gecalculeerd kan worden of wat zich in
geld laat uitdrukken. Zij berekenen kapitaalcoëfficiënten en
winstmarges, geven beoordelingen van of prognoses over de concurrentiepositie,
ontwerpen investerings- en kostenbesparingsstrategieën enz.[8]
- Recht en i.h.b. arbeidsrecht. Juridische aspecten van arbeidsverhoudingen: arbeidsrecht, sociaal recht en sociaal zekerheidsrecht.[9]
- Politicologie en i.h.b. staats- en corporatisme, en strategie- en
collectief handelen. De politicologische theorie van het neocorporatisme biedt
ingang voor bestudering van tripartite besluitvorming op sociaal-economisch
terrein en uitoefening van staatsinvloed op terrein van collectieve
onderhandelingen.[10]
- Psychologie, en i.h.b. arbeidspsychologie: motivationele dimensies
van het arbeidersgedrag m.b.t. prestatie, beloning, stijlen van samenwerking en
leidinggeven, groepsprocessen in arbeidsorganisatie, personeelsselectie,
stress, vervreemding enz.[11]
- Geschiedenis: sociaal-economische geschiedenis, geschiedenis van
arbeid en van arbeidersbeweging.[12]
- Ergonomie: interactie mens-machine.
- Technische disciplines: constructie en ontwerp van machines.
- Geneeskunde en i.h.b. sociale geneeskunde.
- Sociologie en i.h.b. de arbeids- en organisatiesociologie.[13]
Voor een goed begrip van arbeidsverhoudingen moet gebruik worden gemaakt van de
bijdragen uit alle genoemde disciplines. Het vak arbeidssociologie probeert
echter meer te bieden dan de som van de disciplinaire delen. Met een
inerdisciplinaire benadering kunnen de verschillende aspectsgewijze
benaderingen (deelbenaderingen) worden gewogen en in onderlinge samenhang
geplaatst. Dat is echter makkelijker gezegd dan gedaan.
Ook binnen de sociologie zijn er echter diverse arbeidsdisciplines:
- Arbeidssociologie (in engere zin): arbeid, vormen van arbeid, maatschappelijke en organisationele arbeidsdeling (verdeling en combinatie van arbeidsaken), arbeidsdeling naar sekse, arbeidsomstandigheden,
kwalificatiestrucuur, veranderingen in sociale samenstelling van het personeel, betaald en onbetaald werk, werken en niet-werken, arbeidsmotivatie en -oriëntatie, arbeidservaring en -beleving, arbeidsethieken en arbeidsideologieën.[14]
- Arbeidsmarktsociologie: vraag en aanbod van arbeidskrachten, kwantitatieve en kwalitatieve discrepanties tussen vraag en aanbod, arbeidsmarktsegmeneringen, deelmarkten.[15]
- Industriële sociologie: sociologie van het ondernemen en van
de onderneming, technologie en produktiestructuur.
- Beroepensociologie: beroepsvorming, beroepsstructuren, typen
beroepen, beroepscarrières, beroepscodes, beroepsgroepen,
professionalisering,[16]
- Sociologie van (collectieve) arbeidsverhoudingen: 'industrial
relations'.[17]
- Vakbondssociologie: verzets- en organisatievormen van de
loonafhankelijken zelf, hun (onder)handelingsstrategieën en actievormen.
- Managementssociologie, en i.h.b. human resource management.
- Organisatiesociologie: formele beslissingsprocessen en -structuren
(cenralisatie/decentralisatie, organisatievormen, bestuurbaarheids- en
beheersingsproblemen), informatieprocessen en -structuren, machts- en gezagsverhoudingen, leiderschap en stijlen van leiderschap, organisatiecultuur, berokkenheid bij of vervreemding van organisatie. [18]
- Vrouwenarbeidssociologie.[19]
De arbeidssociologie
zelf is dus weer opgesplitst in een aantal specialisaties, waarvan er een
aantal ook in dit boek aan de orde zullen komen. Het voordeel van deze
specialisatie is dat men zich scherper kan concentreren op één
bepaald gebied. Het nadeel is natuurlijk dat er een zodanige verbrokkeling van
het vakgebied kan optreden dat men door de bomen van de specialisaties niet
meer het arbeidssociologische bos kan zien.
Arbeidssociologie is een apart vak, een 'discipline'. Een 'discipline'
impliceert een specifieke manier van kijken en van nadenken, van theorievorming
en van onderzoek. Een discipline is dus niets anders dan een geordende
benadering van delen en problemen van de werkelijkheid. 'Gedisciplineerde
academici' kijken gericht naar een beperkte serie verschijnselen van de
maatschappelijke of natuurlijke werkelijkheid. Het voordeel van een
wetenschappelijke discipline is: (a) dat er een specifiek terrein wordt
afgebakend, (b) dat er een bepaalde mehode van onderzoek wordt
vastgelegd, en (c) dat er een specifieke praktijk van onderzoek
georganiseerd kan worden. Bovendien is het voordeel van een wetenschappelijke
discipline boven een militaire discipline dat kritiek niet wordt afgehouden,
maar er door mogelijk wordt gemaakt.
Arbeidssociologie is een eigensoortige discipline: zij heeft 'iets eigens' in
disciplinaire zin. Maar het is een disciplinaire eigenheid die niet eenvoudig
worden gedefinieerd in termen van de bestaande institutionele afbakeningen
tussen de academisch erkende disciplines.
Arbeidssociologie kan misschien nog het beste worden gedefinieerd als een
onderzoeksprogramma in ontwikkeling, d.w.z. als een onderzoeksprogram
dat zich in binnen een historische onderzoekstraditie ontwikkelt.[20] Deze onderzoekstraditie wordt
gekenmerkt door drie elementen die we hiervoor al hebben leren kennen:
- zij heeft een specifieke object of problematiek met favoriete
onderwerpen; daarbinnen een reeks theorieën;
- zij heeft een methode die gebaseerd is op een (sociale) ontologie
en een kennisheorie; zij bestaat uit een methodologie, een methode in de engere
zin en concrete onderzoeksvormen, methoden en technieken;
- zij kent een eigensoortige praktijk. d.w.z een reeks exemplarische
onderzoeken die de zichtbare werking en de resultaten van de traditie vormen.
Het arbeidssociologische onderzoeksprogramma heeft zich in meerdere
sociaal-wetenschappelijke disciplines ontwikkeld. Om de kenmerken van dit
programma te omlijnen, moeten we eerst haar formele karakter typeren. In een
wetenschappelijk onderzoeksprogramma moeten - volgens Lakatos - altijd drie
elementen zijn geïmpliceerd:
- Een moeilijk aantastbare harde kern van theoretische stellingen of theorieën met basisbegrippen die binnen dit onderzoeksprogramma figureren. Deze harde kern is bepalend voor de coherentie
van het onderzoeksprogramma, ook al bestaat er geen volledige consensus over de precieze formulering van de elementen die tot deze harde kern behoren. Door de harde kern te omschrijven, is het tevens mogelijk een onderzoeksprogramma te identificeren, dat wil zeggen af te bakenen van andere theoretische programma's. De werkelijke harde kern van een programma "wordt niet in volle wapenrusting geboren als Athene uit het hoofd van Zeus. Ze ontwikkelt zich langzaam, via een lang proces van uitproberen" [Lakatos 1970: 117]. Een wetenschap gaat niet uit van principes of van een harde kern, zij gaat er naar toe [vgl. Bachelard 1951, Manschot 1980:51 e.v.].
- Een stelsel van hulphypothesen of fundamentele assumpies die de harde kern als een schil 'beschermen' en moeilijk aantastbaar maken, en tegelijkerijd in het 'vijandige' kamp penetreren.
- Een hieraan gekoppelde reeks positieve en negatieve heuristiekendie als een mehodologische leidraad fungeren. Positieve heuristieken geven methodologische richtlijnen voor het uitbreiden en verder ontwikkelen van de theorie, terwijl negatieve heuristieken haar juist tegen 'vreemde' invloeden beschermen: zij geven aan welke wegen vermeden moeten worden om de consisentie en identiteit van het programma niet in gevaar te brengen (dit impliceert geen aanbeveling om zich in confrontaties met rivaliserende theorieën voorzichig, onkwetsbaar of behoudend op te stellen vermijden). De positieve en negatieve heuristieken geven samen een globale definitie van het begrippenkader en dus van de (wetenschaps)aal van een onderzoeksprogramma [Lakaos 1970:45
e.v.].
De harde kern van het arbeidssociologische onderzoeksprogramma kan worden
samengevat in de stelling dat de specifieke vorm van de maatschappelijke
organisatie van de arbeid een essentiële verklaringsgrond is voor de
sociale structuur en maatschappelijke verandering in het algemeen en voor
sociale ongelijkheden en collectief conflicthandelen in het bijzonder. Deze
kern van het programma kan worden gepreciseerd door een nadere omschrijving van
de verklaringsgrond, d.w.z. van de maatschappelijke (vormen van) organisatie
van de arbeid. Wanneer men hieraan begint komen tevens de verschillen tussen
specifieke theoretische benaderingen naar voren.
a) Arbeid en organisatie: geen dualistische opvatting van arbeid en
organisatie.
b) Deze formulering van de harde kern betekent niet dat ik een ongekwalificeerd 'primaat van de arbeid' poneer. Mijn formulering is niet zo 'hard' als die van de klassieke sociologische grootmeesers (zoals Marx, Weber en Durkheim): zij opereerden grosso modo met het model van een 'verwervingsmaatschappij' die gecentreerd is rond loonarbeid en in beweging wordt gehouden door arbeidsconflicten. Simpel gezegd: een model waarin de arbeidswijze bepalend is voor de gehele levenswijze. Deze 'centraliteit van de arbeid' moet niet worden verabsoluteerd tot een altijd en overal gelden primaat [zie Benschop 1995 - Arbeid een lastig en omstreden begrip].
De stelling is dat (de maatschappelijke vorm van de) arbeid een cruciale factor is voor de structurering van de sociale levens- en politieke handelingskansen in onze samenleving. De verdeling van negatieve en positieve privileges blijft
overwegend verbonden met de positie die mensen innemen in de maatschappelijke arbeidsverhoudingen en de hierdoor gestructureerde inkomensverhoudingen. Zolang dit nog het geval is, moeten sociologen die geïnteresseerd zijn in
ongelijkheids- en machtsverhoudingen een cenrale plaats inruimen voor het onderzoek naar arbeid(sverhoudingen).
Hoe rationeel of legitiem zijn de bestaande institutionele afbakeningen tussen
academisch gevestigde disciplines vandaag de dag nog? De huidige
(sub)faculaire indeling binnen de sociale wetenschappen is historisch gegroeid
en heeft dus een zekere traditionele legitimiteit. Nuchter en inhoudelijk
beschouwt zijn echter de huidige institutionele afbakeningen zeer labiel en
dubieus. Zij vormen steeds vaker een belemmering voor nieuwe ontwikkelingen.
Arbeids- en organisatiesociologie ontlenen hun identiteit niet aan het feit dat
zij een specifieke dimensie of aspect van
arbeidsorganisaties of -situaties tot onderwerp heeft. Ook geen
'superwetenschap' van de arbeidsverhoudingen (die al het andere omvat en in
zich opneemt).
Ik kies voor de term problematiek in plaats van discipline om het
verschil te accenueren tussen een wetenschapsinhoudelijke en een
formeel-institutionele of territoriale afbakening. Vraag naar de specifieke
problematiek: d.w.z. een min of meer geordende reeks theoretische
vraagstellingen en oplossings- of antwoordstrategieën die haar object
specificeren. Inhoudelijke en programmaische uitwerking van 'arbeidsorganisatie
als strategisch veld' (als resultaat van de confrontatie van strategische
gedragingen van management en betrokken arbeiders) en 'leren/verruimen van
handelingscompetenties'.
Disciplinaire grenzen zijn vaak belangrijke barrières geweest
voor het begrijpen van arbeids- en organisationele structuren. De academische
verkokering is een groot probleem. Sociologen bestuderen meestal
organisationele, beroepsmatige en arbeidsstructuren, terwijl de economen zich
primair concentreren op loonvorming, de werking van arbeidsmarken en andere
macro-economische krachten, en vereenvoudigende vooronderstellingen maken over
de aard van de arbeidsstructuren die hieruit voortvloeien. Een begrip van de
structurering van arbeidsverhoudingen vereist een synthese van in ieder
geval sociologische en economische benaderingen.
Er zijn maar weinigen die aan een dergelijke synthese tot stand hebben
gebracht. Tony Watson heeft wel een verdienstelijke poging gedaan. In zijn boek
laat hij zien hoe de sociologische discipline bijdraagt aan ons begrip van een
grote verscheidenheid van arbeidspraktijken en -instituties die in moderne
maatschappijen bestaan. Hij concentreert zich daarbij op een integratie van
arbeidssociologie en industriesociologie, dus het hele terrein van de
'klassieke industriële sociologie' (of beter: van de klassieke en moderne
'economische sociologie').
Arbeidssociologen houden zich - u had al een vermoeden - bezig met arbeid. Zij
houden zich bezig met arbeid en hoe de arbeid georganiseerd is en hoe de arbeid
wordt ervaren. Het kennisobject van de arbeidssociologie is enorm breed.
Arbeidssociologen houden zich in principe bezig met alle aspecten van
arbeidssituaties: arbeidsomstandigheden, arbeidsinhoud,
arbeidsvoorwaarden, en het (collectieve) arbeidsbestel.[21] Hoewel het een niet theoretisch
onderbouwde ad-hoc indeling is, kan zij toch nuttige diensten bewijzen om een
voorlopige afbakening te geven van de terreinen/domeinen van de
arbeidssociologie.
- De arbeidsomstandigheden verwijzen naar de fysieke
omstandigheden waaronder gewerkt word, zoals verlichting, lawaai, veiligheid,
aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, straling, ongezonde lichaamshouding,
klimatologische omstandigheden enz..[22]
De arbeidsomstandigheden zijn vooral bepalend voor de lichamelijke en
geestelijke belasing die gepaard gaat met de uitvoering van het werk, de
onaangename kanen van het werk (de 'inconveniëtnen) en de mate van
veiligheid en bescherming tegen ongevallen. Indicaties voor kwaliteit van
arbeidsomstandigheden zijn: veiligheids-, gezondheids- en welzijnrisico's voor
werknemers. Sommige auteurs rekenen hieronder ook het werktempo (werkbelasing).
- De arbeidsinhoud verwijst naar de aard van het takenpakket
en de wijze waarop en de volgorde waarin deze taken verricht (moeten) worden.
De arbeidsinhoud heeft betrekking op de taakstructuur (welke deeltaken
moeten worden verricht?) de regelstructuur (bestaat er speelruimte om
zelfstandig en/of autonoom te handelen?) de samenwerkingsstructuur (is
er ruimte voor samenwerking of contact met collega's?) en de
kwalificatievereisten (in welke mate kan/moet gebruik gemaakt worden van
beschikbare kwalificaties en kunnen deze verder ontwikkeld worden?).
Arbeidsinhoudelijke thema's zijn: eentonigheid van taken, onzelfstandigheid
binnen het werk, minimale sociale contacten, onvoldoende gebruik van
kwalificaties, gebrek aan ontplooiingsmogelijkheden. Beleidsmatige opties van
kwaliteitsverbetering van de arbeidsinhoud staan in het teken van gevarieerd,
uitdagend en zelfstandig werk. Om te beginnen betekent dit het minimaliseren
van saaie, monotone herhaalarbeid waar je niets van kunt leren en dat
nauwelijks regelingsmogelijkheden beidt. Versus 'geestelijke drainering van de
arbeid'
- De arbeidsvoorwaarden verwijst naar alle afspraken tussen
werkgever (vrager naar arbeidskracht) en de werknemer (als aanbieder van
arbeidskracht) met berekking tot de voorwaarden waaronder arbeidskracht
ingehuurd en verhuurd wordt op de arbeidsmarkt. Indicaties voor
arbeidsvoorwaarden: het loon, allerhande toeslagen en premies, arbeidstijden en
vakanties, pensioen- en spaarregelingen, werkzekerheid en duur van het
arbeidsconract, sociale zekerheid (uitkering bij ziekte, ongeval en
werkloosheid), overwerk- en reistijdvergoeding, auto van de zaak. Sommige
auteurs rekenen hierbij ook nog de medezeggenschap over gang van zaken in de
onderneming. Verbeering van kwaliteit van arbeidsvoorwaarden staat in het teken
van een rechtvaardige verdeling van de beschikbare arbeidsplaatsen en van
opbrengsten van de arbeid. Om te beginnen betekent dit een drastisch reductie
van de werkloosheid, het terugdringen van te lange, onregelmatige en
onnatuurlijke arbeidstijden, en het verkleinen van inkomensverschillen.
- Het begrip arbeidsverhoudingen verwijst naar de aard van de
in meer of mindere mate geïnstitutionaliseerde (dus politiek en juridisch
gereguleerde) machtsrelaties tussen de belangenpartijen in de afdeling, de
onderneming en de maatschappij als geheel. Collectieve arbeidsverhoudingen
omvatten het geheel van de dynamische machtsrelaties tussen de werkgevers, de
werknemers en hun respectievelijke organisatie en tussen deze en de overheid,
voorzover deze relaties een structurerende invloed uitoefenen op de
maatschappelijke, organisationele en interactionele arbeidsrelaties.[23] Collectieve arbeidsverhoudingen
omvatten dus zowel (a) de sociale verhoudingen tussen chefs en medewerkers; de
inspraak en medezeggenschap op het niveau van de afdeling; de afdelingscultuur,
(b) de sociale relaties tussen ondernemingsleiding en medewerkers; de inspraak
en medezeggenschap op het niveau van de onderneming; de bedrijfscultuur, als
(c) de collectieve arbeidsverhoudingen zoals die tussen vakbonden en
onderneming, tussen werkgevers en werknemersorganisaties, en tussen deze en de
overheid. Indicaties voor de kwaliteit van collectieve arbeidsverhoudingen zijn:
aanwezigheid van vormen van directe democratie op de werkvloer (werkoverleg
e.d.) en van veregenwoordigende democratie op ondernemingsniveau
(ondernemingsraad, medezeggenschapscommissie, dienstcommissie e.d.) en op
landelijk niveau (vakbondsvertegenwoordiging in SER e.d.); sfeer en
gezelligheid in werkomgeving; type leiderschap; mate van bedrijfsbinding.
Verbetering van kwaliteit van de collectieve arbeidsverhoudingen staat in het
teken van de bedrijfsdemocratie. Om te beginnen betekent dit het terugdringen
van autoritair gezag en starre hiërarchieën.
In de volgende figuur is deze traditionele indeling weergegeven
Figuur 2.1 Vier aspecten van de arbeidssituatie
Aardig schema, maar is een pragmatische ad-hoc indeling. Is op zichzelf niet
erg, maar
- het schema is erg onvolledig: belangrijke terreinen zoals
arbeidsorganisatie en arbeidsmarkt komen in dit schema niet voor resp. komen
onvoldoende naar voren; maatschappelijke arbeidsverhoudingen (employment
relations) zijn helemaal afwezig. Te zeer op directe arbeidssituatie
geconcentreerd.
- het schema is labiel: de grenzen tussen de terreinen zijn slecht
afgebakend.
De arbeidssociologie kent een groot aantal terreinen.[24] Zij houdt zich bezig met:
- Arbeid en arbeidsdeling; arbeidsoriëntaties en -beleving;
arbeidsethiek en arbeidsideologieën, arbeid en sekse, werk en vrije tijd;
kwaliteit van de arbeid.
- Beroepen: beroepsstructuren, typen beroepen, beroepsgemeenschappen,
beroepsintree en carrière, professies en professionalisering.
- Organisaties en organisatieveranderingen: bureaucratie, structuur
en technologie, ontwerp en verandering, macht en gezag, omvang, individuele
betrokkenheid, leiderschap. Structuur van ondernemen.
- Arbeidsbestel: industriële verhoudingen; juridische en (al dan
niet geïnstituionaliseerde) politieke collectieve arbeidsverhoudingen:
o.a. vakbonden, collecieve onderhandelingen, manifestaties van conflict,
informele patronen, context van sociale (georg.) klassen, zeggenschap en
industriële democratie. Terrein bestaat uit (a) interacties tussen
werkgevers en werknemers en overheid, (b) de resultaten van die interacties:
formele en informele regels die het arbeidsproces beïnvloeden.
- Industriële en kapialistische maatschappijen: maatschappelijke
arbeidsverhoudingen, verdeling van beschikkingsmacht over produktieve bronnen;
doelen van de arbeid; sociale afhankelijkheidsverhoudingen in directe
arbeidsprocessen; klassenrelatie (uitbuitings- en klasseposities);
taylorisische, fordistische en postfordisische arrangementen.
- Arbeidsmarkten: huur en verhuur van arbeidskrachten;
arbeidsparticipatie en werkloosheid; segmentering en deelarbeidsmarkten,
bedrijfs- en beroepsgerichte segmentering enz.
- Vakbonden: arbeidsconflicten, verzets- en organisatievormen van
werknemers, strategieën van mobilisatie, organisatiegraad, opbouw en
werking van vakbonden, relaties tussen vakbonden en vakcentrales enz.
- Technologie en produktie-organisatie:
Een eenvoudig schema van arena's of terreinen en van wederzijdse
structurering:
Figuur 2.2 Terreinen van arbeidssociologie (eenvoudig)
Voor het 'echte' arbeidssociologische werk is dit schema uiteraard veel te simpel ('Everything should be made as simple as possible, but not simpler' - Albert Einstein). Een verdere differentiatie is mogelijk. Bijv. differentiatie:
- naar vier typen markten (produkt, kapitaal, bronnen, arbeid)
- naar zes basale vormen of niveaus van arbeidsorganisatie: vakbond, bedrijfsorganisatie, industrie, beroep, klasse,
staat [zie bijv. Kalleberg/Berg Fig. 1].
- naar nivaus van collectieve arbeidsverhoudingen (arbeidsbestel): afdelings- en bedrijfsniveau, bedrijfstakniveau en nationaal niveau.
Figuur 2.3 Terreinen van arbeidssociologie (complex)
Er is een grote diversiteit van theoretische benaderingen. Dat is goed voor het métier
(concurrentie van verschillende perspectieven, wederzijdse kritiek enz.), maar is voor studenen vaak lastig (werkt soms erg verwarrend). Watson [1995:42 - fig. 2.2] geeft een kort overzicht van een aantal benaderingen. Hij laat alleen grote lijnen zien.
Arbeidssociologische stromingen of theoretische tradities zijn:
- Managerial-psychologistic:
Scientific management (Taylor)
Neo-human relations: zelfrealisatie (McGregor)
- Durkheimiaanse systeembenaderingen:
Human relations school ('revisionisme') (Mayo);
Structureel functionalisme (Parsons, Dunlop);
Socio-techniek (De Sitter).
Human resource management/mobilisation.
- Interactionistische benaderingen:
Chicago school en ethnomethodologie; netwerken.
- Weberiaanse sociale handelingstheorie:
arbeidsoriëntatie. Arbeidsgedrag en arbeidspatronen in bredere
sociaal-economische en politiek culturele contexten. Nadruk op typologie van
handelingsoriëntaties.
Bijv. Goldhorpe/ Lockwood over instrumentele arbeidsoriëntatie.
- Marxistische benaderingen:
arbeidsprocesbenadering, beheersingstheorie: arenaperspectief,
structureringsperspectief, transformationeel perspectief.
Bijv. Braverman, Burowoy, Edwards e.v.a.
- Postmodernistische benaderingen:
Discours en menselijke subjectiviteit; postmoderne organisaties.
Dit lijstje is zeker niet compleet. Wat Watson [1995] 'vergeet' zijn bijv.
- institutionalistische traditie
- rational choice theorie: gebaseerd op fictie van homo economicus.
- transformationele benadering
- nieuwe economische sociologie ('inbedding')
In economie zijn van belang: neo-klassieke; 'rational choice'; keynesiaanse; instiuionele, nieuwe
economische sociologie, marxistische enz. benadering.
Elk van de genoemde verklaringskaders of benaderingen concentreert zich niet alleen op een bepaalde inhoudelijke thematiek, maar op een specifiek analytisch verklaringsniveau. Uit dit overzicht van benaderingen kan men concluderen dat zij zich concentreren op:
- Arbeidshandelen of arbeidsstructuren: handelings- vs structuurtheorie, syseem vs partij enz. [handelingsstructurering]
Bijvoorbeeld:
- Specifieke factorenbundels die relevant zijn voor de verklaring van het feitelijke arbeidshandelen: [niveaus van handelingsstructurering].
Bijvoorbeeld: Objectieve arbeidsposities vs subjectieve arbeidservaring (motivatie, oriëntatie, arbeidstevredenheid enz.)
- Micro-, meso- of macrofenomenen
Bijvoorbeeld: (symbolisch) interactionistische benadering die zich concenreert op het individu en de kleine groep versus organisationele benadering of versus al dan niet kritische maatschappijtheoretische benadering
(marxisme) of de traditie van Durkheim [niveaus van handelingsintegratie]
- Het bestaan (instandhouding) of verandering van arbeidsstructuren en -instiuties: [niveaus van reproduktie en transformatie]
Bijvoorbeeld: invloed van macht/dwang versus legitimatie; innerlijke of
uiterlijke bindingskracht aan organisatie; betekenis van belangenconflict/strijd
versus integratie/harmonie door gemeenschappelijke zeden en gewoontes.
Als men wil proberen de terreinen of gebieden van de arbeidssociologie van
elkaar af te bakenen is het van groot belang om de analytische
onderscheidingen van niveaus van structurering in de gaten te houden. Ik
stel voor om drie van dergelijke structureringsassen te analyseren:
- de niveaus van handelingsstructurering
- de niveaus van handelingsintegratie,
- de niveaus van reproduktie en transformatie van
arbeidsverhoudingen.
In het volgende hoofdstuk wordt dit nader uitgewerkt.
Figuur 2.4 Model van transformationele analyse
Ondanks alle rivaliteit en kunstmatige tegenstellingen krijgt men in diversiteit van disciplines en benaderingen toch iets te zien van de complexiteit van het object. Arbeid en arbeidsverhoudingen zijn complex gestructureerd. Dit stelt hoge eisen aan de manier waarop we moeten analyseren. Het vereist op z'n minst: een analyse die zich op meerdere
niveaus tegelijk beweegt: multi-level and multi-variate analysis [Kalleberg/Berg 1988:6 e.v.].
'De' theorie, die dit alles omvat en ook nog consistent en verklaringskrachig is, bestaat gewoon niet. Bovendien er zijn goede redenen om aan te nemen dat zo'n superdelux-allesomvattende theorie ook niet kan bestaan: theorieën moeten immers op bepaalde waarom-vragen gericht zijn.
Ik pleit voor het samenbrengen van de inzichten en ideeën uit diverse stromingen van de arbeids- en organisatiesociologie. Dit is geen oproep voor een eclectische benadering waarin bijna 'alles kan' en waarin we 'een beetje van dit' en 'een beetje van dat' nemen totdat we denken dat alles gedekt is. Wat nodig is een coherent analytisch kader dat (i) rekening houdt met de serie ideeën uit de diverse tradities, maar vooral ook (ii) probeert om zelf een coherentie en interne consistentie te bereiken.[25]
Wat is hiervoor nodig?
- Differentiatie en onderbouwing van verschillende analyse- en
structureringsniveaus;
- Afbakening van basis-begrippen;
- Concentratie op specifieke niveaus van structurering;
- Referentiekader voor empirische analyses en/of voor de uitwerking
van theorieën
De sociale werkelijkheid is overcomplex. Theorieën moeten deze complexiteit structureren, bewerken en reduceren, maar moeten de brede probleemhorizont niet vergeten (om onhoudbare generalisaties te voorkomen: bijv. vs. rational choice modellen). Ze moeten een weg vinden tussen: (a) rabiate complexiteitsreducties (waardoor een reusachtige kloof ontstaat tussen 'model' en 'werkelijkheid') en (b) het verzuipen in ongestructureerde complexiteit.
Aansluitend op taken van pro-theorie (opbouw van gestructureerde complexiteit) is het voornaamste probleem: de keuze van adequate niveaus van complexiteit. Zie bijv. de moderne stress-theorieën.[26] Beslissend hiervoor zijn heldere causale 'waarom' vragen: waarom is iets objectief stress-veroorzakend? (waarom is de trap voor het Sociologisch Instituut zo gevaarlijk?) is een andere vraag dan: waarom vertoont iemand stress-verschijnselen? (waarom donder ik wel maar hij niet naar beneden?) Beide vragen moeten door verschillende theorieën worden behandeld en de 'ineractie-modellen' zijn volslagen nutteloos.[27]
Het probleem is dat er geen meer omvattend protheoretisch
interpretatiekader bestaat. Zo'n protheorie moet (a) de basisbegrippen die
in theorievorming en onderzoek worden gebruikt kunnen verduidelijken en
definiëren, en (b) het hele arbeidssociologische onderzoeksveld op een
overzichtelijke en gedifferentieerde wijze structureren.
- Uit de studies over nieuwe arbeidsverhoudingen en ondernemingsvormen blijkt
in ieder geval dat veel gehaneerde basisbegrippen zoals
'produktiestrucuur' en 'arbeidsorganisatie' zeer slecht zijn afgebakend en dat
er mede daardoor zoveel taalkundige ekwivalenen voor in omloop zijn. Het gevolg
hiervan is dat onderzoekers elkaar vaak niet goed begrijpen omdat zij met
hetzelfde woord iets heel anders bedoelen, of omdat zij juist verschillende
woorden voor hetzelfde gebruiken. Met slecht afgebakende basisbegrippen is het
bovendien zeer moeilijk om theoretische verklaringsmodellen te construeren
waarin de logische relaties tussen begrippen worden geëxpliciteerd en
waarin causale of structureringsrelaties tussen de essentiële factoren of
processen worden gehypothetiseerd.
- Voor het ontwerpen van goede heuristische modellen is een duidelijke en
gedifferentieerde probleemstructurering nodig. Bij probleemstructurering
gaat het er een zo duidelijk mogelijk onderscheid te maken tussen de
analytische niveaus waarop de problemen onderzocht kunnen worden.
Hierdoor krijgt men beter zicht op de factoren en processen die relevant zijn
voor verklaringen van (veranderingen) in arbeidsstructuren. Bij het uit elkaar
halen van analytische niveaus spelen natuurlijk ook theoretische overwegingen
een rol. Een goede probleemstructurering vereist dat men deze theoretische
overwegingen noties expliciet maakt en dat men ze ook aannemelijk maakt.
Probleemstructureringen zijn dus wel degelijk theoretisch geladen, maar zij
leggen geen (verklarende) theorieën vast. Zij bieden echter wel een aantal
criteria om 'echte' theorieën te beoordelen.
Probleemstructureringen kunnen in dit opzicht twee functies vervullen.
1 Enerzijds functioneert een probleemstructurering als een soort steiger
waaraan men verschillende theorieën kan ophangen: zij biedt een raamwerk
waarbinnen men theorieën kan ontwerpen en waarmee men bestaande
theorieën kan beoordelen op hun complexiteit en reikwijdte. Met behulp van
een goede probleemstructurering kan men bijvoorbeeld de blinde vlekken laten
zien in organisationele theorieën die zich volledig concentreren op
bedrijfsinterne vormen van arbeidsdeling en -coördinatie, maar die geen
oog hebben voor de - daaraan in structureel opzicht veronderstelde -
maatschappelijke vormen van arbeidsdeling en de op niveau gesitueerde
instituties (zoals arbeidsmarkten). Een bekend voorbeeld hiervan is de
sociotechnische benadering. In deze benadering ligt het accent volledig op de
bedrijfsinerne structurering van de arbeid, los van maatschappelijke
werkgelegenheidsverhoudingen.
2 Anderzijds functioneert een probleemstructurering als een soort
opzichter die theorieën onder druk zet om expliciete onderbouwingen
te geven: zij biedt een kader waarmee men kan achterhalen wat de theoretische
premissen zijn van de verschillende verklaringsmodellen. In theorieën over
de samenhang tussen techniek, arbeid en organisatie wordt vaak uitgegaan van
het - functionele, structurele of historisch-causale - primaat van specifieke
factoren of factorenbundels. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn de
technologisch deterministische theorieën wordt uitgegaan van het
primaat van de wetenschappelijke en technische innovaties. Technische
ontwikkelingen zouden zich volledig autonoom voltrekken: zij volgen hun eigen,
principieel niet te beïnvloeden logica. De technologie die in de produktie
wordt ingezet zou bovendien bepalend zijn voor de arbeidsorganisatie en dus ook
voor kwalificatie-eisen die aan arbeiders worden gesteld. In volunaristische
theorieën wordt de zaak op z'n kop gezet: de handelingsstrategieën
van werkgevers en werknemers worden als autonome factoren beschouwd die in
wisselwerking met elkaar resuleren in bepaalde vormen of typen van
arbeidsorganisaties. Arbeids- en organisatiestructuren verschijnen in dit soort
verklaringsmodellen altijd slechts als resultaat, maar nooit als
vooronderstelling van de feitelijke handelingsstrategieën van actoren. Een
protheoretische probleemstructurering stelt ons in staat om deze vaak
impliciete premissen expliciet te maken. Met een goede probleemstructurering
kan men dus laten zien op welke punten er theoretische beslissingen worden
genomen en wat hiervoor de argumenten zijn. Op deze manier kunnen we niet
alleen ondeugdelijke theoretische fundamenten kritiseren of reviseren, maar
kunnen we ook proberen om zwakke theoretische fundamenten te versterken of om
de geldigheidsclaims van theorieën te beperken.
Bescheidenheid van doel. Er is al eerder aangetoond dat
pro-theorieën deze funcies alleen maar kunnen vervullen op basis van een
tamelijk vergaande analytische differentiatie en desaggregatie van het
probleemveld [Bader/Benschop 1988; Bader 1991; Benschop 1993, 1994]. Deze inleiding heeft
slechts een bescheiden doel. Er wordt geen nieuwe allesomvattende en
verklarende theorie gepresenteerd van de samenhang tussen alle aspecten van de
arbeidsverhoudingen; wel wordt er uitvoerig ingegaan op het bestaande
theorie-aanbod. Er wordt geen historisch of vergelijkend empirisch onderzoek
gepresenteerd waarin de ontwikkelingen van arbeidsverhoudingen en -organisaties
in kaart worden gebracht; wel wordt er gebruikt gemaakt van een aantal
empirische onderzoeksresultaten. Het is veeleer een systematische
terreinverkenning. Die verkenning is gericht op de constructie van een
protheoretisch referentiekader. Zo'n onderneming is pas succesvol wanneer de
contouren van zo'n protheorie helder naar voren komen.
De voorgestelde protheoretische strategie (van afbakening van basisbegrippen en
desaggregatie van probleemcomplexen) is zeker niet de enige methode om onze
inzichten in de veranderende wereld van techniek-arbeid-organisatie te
verdiepen. Het is zeker ook geen verhulde vorm van imperialisme in de
wetenschapspolitiek. Een protheorie kan - gelukkig - niet voorschrijven hoe
anderen moeten denken: zij schrijft niet voor welke specifieke begrippen er
gebruikt moeten worden, hoe men theorieën moet construeren of welk
empirisch onderzoek men moet doen. Theorieën en hypothesen voor empirisch
onderzoek zijn immers op een ander abstractieniveau geformuleerd dan
protheorieën. Proheorieën staat niet 'boven' theorieën zoals
schoolmeester boven hun leerlingen staan. Zij zijn een belangrijk onderdeel van
het proces van wetenschappelijke theorievorming en derhalve net als andere
onderdelen - theorieën, deeltheorieën, hypothesen, taxonomieën,
classificaties - principieel feilbaar. Ook proheorieën kunnen dus 'beter'
of 'slechter' zijn omdat zij zelf beoordeeld kunnen worden op het criterium van
consistentie, niveaudifferentiatie, analytische differentiatie en precisie. Zij
zouden vooral ook beoordeeld kunnen worden op de manier waarop zij complexe
samenhangen op een niet-reductionistische en toch overzichtelijke wijze
toegankelijk maken.
Van de hier beoogde protheorie van arbeidsverhoudingen kan men niet zeggen dat
ze 'waar' of 'onwaar' is. Men kan wel zeggen dat ze meer of minder zinvol of
vruchtbaar is en hoe groot haar heuristische kracht is.
De algemene sociologische benadering die hier wordt uitgewerkt is de theorie
van handelingsstructurering (in aansluiting op Bourdieu, Bhaskar, Giddens,
Unger e.a.) voor een voor arbeidssociologie relevant gebied. Deze theorie gaat
uit van een transformationeel perspectief. De algemene
vooronderstellingen van deze benadering kunnen in een zestal punten worden
samengevat.[28]
In veel grote sociologische theorieën wordt een beeld gepresenteerd waarin
maatschappijen worden voorgesteld als hecht geïntegreerde gehelen
die slechts zo en niet anders kunnen zijn. Men kan zich de maatschappij veel
beter voorstellen als een 'lappendeken' (Roberto Unger). Daarmee bedoel
ik: dat men delen van de maatschappij door anderen kan vervangen, zonder dat
meteen het geheel compleet verandert: bijv. de ene technologie door de andere
(informatietechnologie), zonder dat daardoor direct de gehele structuur van de
maatschappelijke arbeidsverhoudingen op z'n kop gezet zou (moeten) worden.
Bestaande ordeningen of instituties zijn altijd een keuze uit vele
mogelijke alternatieven.[29]
"De meeste tijd onderkennen de meeste mensen niet de conventionele en
arbitraire aard van veel van de sociale arrangementen waaronder zij leven en
veronderstellen dat zij deel zijn van een onvermijdelijke en onveranderbare
orde. ... Het is deel van de verantwoordelijkheid [van de sociale
wetenschappers] om duidelijk te maken dat de bestaande orde geenszins
gedetermineerd wordt door weten die inherent zijn aan de universele aard der
dingen" [Alan Fox, p. 222-4].[30]
Uiteraard betekent kritiek op het determinisme in het synchrone (of
gelijkijdige) perspectief niet, dat er überhaupt geen beperkingen
('constraints') zouden zijn, dat alle keuzes voor het oprapen zouden liggen, of
dat er helemaal geen structurele of functionele incompatibiliteiten zouden
bestaan. Het gaat om gestructureerde contingenie, om keuze én
beperking ('choice and constraint'; fascilitatie en limitatie)
Een goede sociologische benadering moet dus recht doen aan de wisselwerking
tussen individuele kenmerken en initiatieven aan de ene kant en structurele
factoren en contingenties aan de andere kant [Watson 1995: 132 e.v.]. Wat dit
betekent krijgt men te zien als men het voorbeeld van de beroepskeuze neemt.
Terwijl sommige auteurs alleen maar de nadruk leggen op de individuele
beroepskeuze, leggen anderen juist de nadruk op de beperkende
invloed van externe omstandigheden. Veel onderzoek naar het proces van
beroepskeuze heeft een psychologische bias: men gaat na hoe individuen zich in
een aantal fases ontwikkelen gedurende welke de zelfopvating, de
prestatievermogens en voorkeuren worden gevormd. Daarbij wordt niet of
nauwelijks aandacht besteed aan de situationele factoren die de beroepskeuze
conditioneren of (voor)structureren. In meer sociologisch getinte studies wordt
wel aandacht besteed aan de serie rollen die het individu doorloopt in
het gezin, op school en tijdens de eerste werkervaringen. Deze rollen leveren
de context waarin het individuen wordt gesocialiseerd en arbeidsrollen leert
selecteren waarin zij evenueel terecht komen. Het probleem met dergelijke
benaderingen is echter dat er geen aandacht wordt besteed aan de structurele
grenzen waarbinnen dergelijke keuzes worden gemaakt, d.w.z. aan grenzen die
worden opgelegd door de structurele (maatschappelijke, organisationele en
interactionele) context waarin individuen leven. In sociologische benaderingen
die hieraan wel aandacht schenken wordt benadrukt dat het krijgen van een baan
betekent: zichzelf inpassen in de baan die op een gegeven moment beschikbaar is
gegeven de kwalificaties die men gezien de klasse- en educationele achtergrond
kon verwerven. De arbeidscarrière van individuen is dus geen uitkomst
van persoonlijke ambities, maar veeleer van de feitelijke 'kansenstructuur'. De
loopbaan is bepalend voor de ambities: loopbaanpatronen worden bepaald door de
structurele kansen die individuen hebben, eerst in het onderwijs en later in de
werkgelegenheid; de ambities van individuen reflecteren de invloed van de
maatschappelijke, organisationele en interactionele structuren waarin zij zijn
ingebed [Roberts 1975; Bourdieu 1979. Zie voor kritische kanttekeningen: Watson
1995:132].
In het diachrone perspectief verschijnt het determinisme als
'evolutionisme'. Sinds Saint-Simon en Spencer wordt in de sociologie in
ijzeren ontwikkelingswetten gegrossierd. De bewering dat toekomsten
radicaal open zijn, is daar een zeer nuttig correctief tegen: als we geen
alternatieve toekomsten bedenken en proberen te realiseren, kunnen we
überhaupt nooit te weten komen, wat objectief mogelijk was geweest
[Unger].[31] De diepe logica van ijzeren
structuren en ontwikkelingswetten werkt als effectieve blokkade en heeft een
sterke ingebouwde voorkeur voor de staus quo (in de 'marxisische' versie van de
onvermijdelijke ondergang van het kapialisme: atentisische consequenties).
We kennen het oude, maar steeds opnieuw door 'pessimistische realisten' naar
voren gebrachte overweging: alternatieve ordeningen zijn onmogelijk, ook al
zouden die 'sociaal' wel mogelijk en misschien wel zeer wenselijk zijn. Achter
deze frase lagen altijd harde beweringen over de onveranderlijkheid (en
uiteraard 'slechtheid') van de menselijke natuur.
a) Agressie als behoefte? Aan 'de menselijke natuur' worden
toegeschreven: agressie ('homo homini lupus') vs zachtaardigheid (liefde,
redelijkheid). Pessimistische antropologieën gaan uit van de
'natuurlijke', geërfde of aangeboren agressie. Zij veronderstellen dat dit
agressie-instinct of deze agressieve aandrifen of behoeften een niet te
elimineren verschijnsel is, waarvan hooguit de uitingsvormen kunnen worden
geciviliseerd en waarvan de werkingssfeer kan worden beperkt door sterke
instituties. Men vindt deze stellingname van Hobbes via Nietsche, Durkheim,
Russell tot aan Parsons. Moderne etologen en sociobiologen hebben de
agressiedrift nog verder gegeneraliseerd en in de moderne
'natuurwetenschappelijke' zin genaturaliseerd. We zien dit bijv. bij Konrad
Lorenz, die agressie opvat als "een instinct als elk ander, onder natuurlijke
omstandigheden even zinvol voor behoud van individu en soort" [1963/84: 8, vgl.
245]. Steven Goldberg heeft een rationalisatie van The Ineviability of
Patriarchy [1974] geschreven die berust op de aanname van het 'mannelijke'
hormoon testoteron, welke ons vermogen tot 'agressief' gedrag zou produceren.
Zie voor een gedetailleerde kritiek op dit extreme 'wetenschappelijk' seksisme:
Green [1981:127, 147].
De 'diepzinnige' vraag naar 'het wezen van de menselijke natuur' van de zijn
wetenschappelijk onbeslisbaar omdat ze veronderstelt dat het mogelijk zou zin te
abstraheren van de historiciteit en maatschappelijkheid van de mens.
Interessanter zijn de onderzoeksvragen en strategieën die met
pessimistische en optimistische antropologieën verbonden zijn. Vanuit de
pessimistische variant worden goedheid en zachtmoedigheid ontmaskerd als
afgeleide 'rancuneuze' deugden van de zwakkelingen. Vanuit de optimistische
varianten wordt geprobeerd om agressieve handelingen (zoals sadisme, masochisme
en vernietigingsdrang) te verklaren uit maatschappelijke en natuurlijke
voorwaarden die ertoe leiden dat menselijke behoeften systematisch niet
bevredigd worden. In deze traditie zijn vernietigen, kwellen, marelen e.d. geen
uiting van 'primaire' behoeften, reacies op gefrustreerde behoeftebevrediging.
Hierdoor wordt de aandacht geconcentreerd op de historische en maatschappelijke
voorwaarden die in de pessimistische varianten al te gemakkelijk worden
ontkend.
Agressie heeft een breed specrum van mogelijk oorzaken. De moderne neurose- en
psychosetheorieën geven slechts inzicht in een deel van dit complex. Dit
geldt bijv. voor psycho-analytische studies over oorzaken en uitdrukkingsvormen
van het masochisische complex. Agressief gedrag is echter niet exclusief en
primair verankerd in een al vroeg ontwikkeld gefrusreerd 'psychisch
(sadistisch) karakter'. Psychische frustratie is niet de enige en ook niet de
belangrijkste oorzaak van agressie, maar speelt wel een belangrijke rol bij de
ontketening van de agressieve impuls [Heller 1977:48].
"Agressie is ook en vooral geworteld in een sociaal gestructureerde frustratie
welke onlosmakelijk verbonden is met maatschappijen die gekenmerkt worden door
structurele sociale ongelijkheid en een genadeloos concurrentiesysteem - de
beste voedingsbodem voor haat en nijd, moord en doodslag" [Bader/Benschop
1988:310].
b) Egoïsme en opportunisme. Het model en de mythe van de homo economicus. (i) de stelling; (2) de vooronderstellingen; (iii) de kritiek plus de benoeming van condities waaronder opporunistisch gedrag waarschijnlijk optreedt [Zie NES-manuscript en Transactiekosten-ms].
Conclusie: Vaak wordt gesuggereerd dat aan democratische ethiek een optimistisch mensbeeld ten grondslag ligt of zou moeten liggen. Maar dit is niet strikt noodzakelijk (en wat mij betreft ook onverstandig). Veel nuchterder en voor een democratische ethiek vruchtbaarder is het om uit te gaan van mensen zoals zij historisch geworden zijn. Tot hun 'natuur' behoort in ieder geval net zo goed een afschrikwekkende mate van agressie als alijd weer verbazingwekkende voorbeelden van collectieve solidariteit en zachtaardigheid; een afschuwelijk zelfdestructief opportunisme en een bewonderenswaardige opofferingsbereidheid.
Deze drie punten kan men samenvatten in de theorie- en onderzoeksstrategische leuze:
= it depends, contexts, social institutions and history make a difference.
Structuralistische theorieën werken met overgesocialiseerde mensbeelden (Wrong), zij overschatten de structurerende kracht van sociale instituties of ontkennen überhaupt dat 'subject' en 'handelen' zinvolle categorieën
zouden zijn. Actoren worden opgevat als personificaties van structurele posities in arbeidsverhoudingen. Actionistische of voluntaristische theorieën postuleren onbeperkte vrijheden van wil en handelen. Zij zijn niet in staat de maatschappelijke gestructureerdheid van dit handelen te thematiseren.
Beide miskennen de basisgedachte van de theorie van handelingsstructurering: handelingen en keuzes vinden plaats in contexten. En uiteraard: het hangt af van de aard van de (sociale, cognitieve, normatieve) contexten,
hoeveel vrijheden deze laten. Maar zelfs de meest beperkende en repressieve contexten laten keuzes open - en: mensen zijn geen zombies.
Voorbeeld: liberaal-democratische constituties en context-revisie versus dictatoriaal gevangenisregime (maar zelfs daar - hoe beperkt ook - vrijheden en keuzemomenten!).
Figuur 2.5 Transformationeel perspectief versus actor- en
systeemperspectief

Arbeidssociologen moeten zich wapenen tegen het ene gevaar van het objectivisme (miskenning van menselijke subjectiviteit) en het andere gevaar van subjectivisme
(miskenning van objectiviteit van maatschappelijke, organisationele en
interactionele handelingscontexten).
Tony Watson probeert dit probleem te verduidelijken in de achterhaalde taal van
het 'materiële' en het 'ideële'. Zijn formulering van de "twee
hoofdproblemen" die in het maatschappelijk leven moeten worden opgelost is
nogal misleidend. Het eerste probleem is dat van "allocating the scarce
resources which people require to meet their physical needs". Het tweede
probleem is dat van "making sense of the world" [Watson 1987:56 e.v.]. Het
eerste noemt hij het gebied van de belangen, en het tweede het
gebied van de ideeën.
Hiertegen zou ik twee bezwaren willen inbrengen. Ten eerste is het een nogal
hachelijke zaak om 'belangen' te reduceren tot materiële of fysieke
belangen (belang van fysieke overleving). Ten tweede heeft ook 'zingeving'
alles te maken met 'schaarse bronnen': toegang tot en beschikking over
culturele duidingsschemata. Ten derde heeft de 'allocatie van bronnen' alles te
maken met 'zingeving'. In Ongelijkheden en Collectief Handelen
kan men dit in een uitgewerkte en moderne versie vinden: zie schema 3 uit SO:
Hisorisch ontwikkelde behoeften en maatschappelijke vereisten (p.115),
zie schema 6 uit CH: Typologie van belangen (p. 139).
Het aardigste in het hele boek van
Uiteraard is dit een van de traditionele zwaartepunten van het sociologische perspectief, zeker sinds Marx en Weber. Toch is het verrassend hoe vergaand dit kon worden vergeten in conventionele wijsheden van de organisatiesociologie (en uiteraard in de neo-klassieke standaardleer van de drie productiefactoren), in het funcionalisme en in bepaalde versies van systeemtheorie.
Watson werkt echter met een nogal primitief model van bronnen. In Ongelijkheden (SO) en Collectief handelen (CH) wordt met een veel gedifferentieerder model van hulpbronnen gewerkt. Daarom is een veel nauwkeuriger theoretische en empirische analyse van macht en strategieën mogelijk. Vergelijk deze analyse bijv. met de nogal bleke opmerkingen van Watson over 'toegang tot arbeid' [p. 132 e.v.], 'impliciete contracten' [143 et pass.] en m.n. over hft.. 7 'Conflict, challenge and control in work'.
Om twee redenen derhalve politieke sociologie van arbeid en organisatie:
- Asymmetrische machtsverhoudingen en collectieve actie: protest tegen
'depolitisering van het private' in liberale maatschappijvisie (de 'private
sfeer' als de sfeer van vrijheid, gelijkheid en vrijwillige contracten vs. de
'politieke sfeer' als de sfeer van gezag): uitleg!
- Sociale structuren = 'frozen politics'; politiek (!= staatspolitiek)
verandert sociale structuren.
De punten drie t/m 6 zou men kunnen samenvatten in de leuze:
= it's all politics; choices in contexts and collective action do matter
Sociologen werken altijd met een bepaald globaal beeld van de maatschappij. Zij
beschouwen de maatschappij bijv. als een door moderne techniek
'geïndustrialiseerde' of 'gecomputeriseerde' maatschappij, als een door
arbeidsdeling 'gedifferenieerde' maatschappij, als een door exploitatie
gesplitste 'klassenmaatschappij' of als een door winstproduktie gedomineerde
'kapitalistische' maatschappij. Dergelijke globale maatschappijbeelden hebben
een grote betekenis. Zij bieden niet alleen (1) een referentiekader voor
interpretatie van ervaringen/ feiten, maar ook (2) een oriëntatie
voor diagnoses en voor politiek handelen. Zij vervullen dus zowel een
cognitieve oriëntatiefuncie (zij vergemakkelijken onze oriëntatie in
een complexe wereld) als een politieke mobilisatiefunctie (zij stimuleren
deelname aan bepaalde vormen van collectief handelen). Tussen beide functies
bestaat een spanningsverhouding: gedifferentieerde en geïnformeerde
cognitieve analyses versus noodzakelijke eenvoud van oriëntatie (de prijs
die men voor politieke effectiviteit moet betalen). [vgl. Bader 1991 - hft. VII Articulatie].
Nog een keer: zelf-kritische rol van sociologie is urgent (cf. 'genivelleerde middenstandsmaatschappij.'); enorme complexiteit (welke velden, welke structuren); belang en perspectief (bijv. dichotome afbakeningen:
modern/traditioneel; gedifferentieerd/eenvoudig (zeer 'gedifferentieerde' verwantschapssysemen etc.).
Waarom 'industrieel kapitalisme'? Waarom niet 'vrije markteconomie'? [vgl. Watson 1995:94]. En niet, wat in een ander perspectief, vanuit andere kennisbelangen, gezegd kan worden:
- liberaal-democratisch geconstitueerde staten (!= liberale of democratische
maatschappij)
- geseculariseerde maatschappij
- sexistische, racistische maatschappij
- industriële, post-industriële maatschappij, risicomaatschappij
- verzorgingsmaatschappij.
- consumptiemaatschappij., vrije-tijdsmaatschappij.
- organisatiemaatschappij.
- etc. etc.
[ eventueel: dus ook niet als formeel gerationaliseerde
bureaucratische maatschappij (Weber) of als functioneel gedifferentieerde
maatschappij (Luhmann), maar als kapitalistische klassenmaatschappij (Marx).
Drie overwegingen:
- Centraliteit van maatschappelijke vormen van arbeid: vs.
techniek/technologie; vs. vrije tijd [SO: 94-96].
- Centraliteit van structurele machtsasymmetrieën: klasse,
sekse/gender, 'ras', etniciteit.
- Centraliteit van niveau van maatschappelijke integratie, en niet van
organisaties of interacties.
Dit is geen 'neutraal' perspectief, maar het is in veel opzichten wel
een vruchtbaar en kritisch perspecief.
Het gaat om maatschappijtheoretische fundering van de arbeids- en organisatiesociologie. Dit staat tegenover een maatschappijtheoretisch geneutraliseerde organisatiesociologie, waarin de maatschappij niet meer is dan een
'bedrijfsomgeving'. De maatschappij is meer dan alleen bedrijfsomgeving: bedrijven vormen een onderdeel van de maatschappij; het is het karakter van de maatschappij dat in algemene zin bepaalt hoe bedrijven, hun omgeving en hun
uitwisselingsrelaties eruit zien.
Het is de erkenning van het feit dat het de combinatie van kapitalistische arbeidsverhoudingen en industriële produktiemethoden was die geleid heeft tot de meest significantie maatschappelijke veranderingen die zich in de recente wereldgeschiedenis hebben voorgedaan.
Als men wil proberen de terreinen of gebieden van de arbeidssociologie van elkaar af te bakenen is het van groot belang om de analytische onderscheidingen van niveaus van structurering in de gaten te houden. Ik stel voor om drie van dergelijke structureringsassen te analyseren:
- niveau van handelingsstructurering
- niveaus van handelingsintegratie,
- niveaus van reprodukie en transformatie van arbeidsverhoudingen.[32]
Figuur 3.1 Model van transformationele analyse
- Structureringsniveaus: systeemstructuur - positionele structuur - objectieve levensposities - habitus - typen en graden van collectief conflictbewustzijn - voorwaarden van collecief handelen - collectief handelen.
- Niveaus van handelingsintegratie: interactie - organisatie - maatschappelijke integratie.
- Niveaus van reproduktie- en transformatie: mechanismen waardoor arbeidsstructuren en instituties worden gegenereerd, gestabiliseerd en gegarandeerd en mechanismen waardoor zij worden gedestabiliseerd en getransformeerd.
Noten bij: Arbeidssociologie
[1] Het tayloristisch-fordistische ontwikkelingsmodel wordt gekenmerkt door (a) extrene bedrijfsinterne arbeidsdeling en vereenvoudiging van arbeidstaken (Taylor) welke door de combinatie met een lopende bandsysteem resulteert in monotone, kortcyclische en geestdodende arbeid; (b) een sterk hiërarchische arbeidsorganisatie; (c) produktie-organisatie: massa-produktie met behulp van produkt-specifieke machines; (d) gebruik van semi-gekwalificeerde of 'geoefende' arbeidskrachten; (e) output: produktie van gestandaardiseerde goederen.
[2] Het lopende bandsysteem van Ford fungeerde als een rechtvaardiging voor de toepassing van wetenschappelijke rationaliteit in organisaties. In Frankrijk kon zelfs de strijdbare leiding van communistische vakbond CGT geen reden bedenken om zich tegen de introductie van de lopende band te verzeten. De lopende band was immers een 'wetenschappelijke uitvinding'. En 'je kunt wetenschap en machinerie net zomin bestrijden als je kunt vechten tegen de regen' [Fridenson 1978:169].
[3] Dit was de titel van Baritz' boek over de geschiedenis van de amerikaanse bedrijfssociologie. Hij concentreert zich daarin op het toegepaste bedrijfsonderzoek met sociologische methoden.
[4] Vgl. bijv. het onderzoek van G. Schmidt [1974] over ontwikkeling van de industriële sociologie in de VS.
[5] Van de Bunt [1981]. Vgl. Van Dijk [1981:335-53], De Bont [1979], De Baas [1974] en daarop aansluitende (schaarse) latere studies.
[6] Institutionele economen: Williamson [1985 - The Economic Institutions of Capitalism] en het overzicht van Hodgson [1994 - The Return of Institutional Economics].
- Transactiekosten: Williamson [1971,1973,1979,1985,1994], Klein et al
[1978]; Grossman/Hart [1986] en met Coase [1937] als voorloper. Zie voor een uitvoerige bespreking van het transactiekosten perspectief: Benschop, Transactiekosten in de Economische Sociologie
- Teamorganisatie van communicatie: Marschak/Radner [1972].
- Agency Theory: teamorganisatie van technologisch non-scheidbaarheid
[Alchian/Demsetz [1972]. Zie voor een nuttig overzicht: Eisenhardt [1989].
- Firm as a nexus of contracts: Jensen/Mechling [1976], Lane [1980],
Fama/Jensen [1983a].
- Coöperatieve spelen: Aoki [1984] en tot op zekere hoogte ook
Schotter [1981]. Zijn werk is in essentie gebaseerd op een speltheoretische
benadering. Instituties worden hoofdzakelijk opgevat als een manier om 'sociale
coördinatiespelen' op te lossen teneinde te voorkomen dat het individuele
rationele handelen leidt tot irrationele collectieve resultaten. De benadering
van Schotter is Darwiniaans getint. "Economic and social systems evolve the way
species do. To ensure their survival and growth, they must solve a whole set of
problems that arise as the system evolves. Each problem creates the need for
some adapive features, that is, a social institution. ... Every evolutionary
economic problem requires a social institution to solve it [Schotter 1981:1-2].
[7]
Economische studies over loonvorming en werking arbeidsmarkt: De Galan/Miltenburg [1991 - Economie van de arbeid], Van Drimmelen/Van Hulst [1987 - Loonvorming in Nederland], Knoester [1989 - Economische
politiek in Nederland].
[8] Bedrijfseconomische studies:
[9] Juridische handboeken over arbeidsrecht: Bakels [1992 -
Schets van het Nederlandse arbeidsrecht], Fase [1987 - Inleiding
sociaal recht], Jaconbs e.a. [1992 - Elementair sociaal recht], Rood
[1993 - Introductie inhet sociaal recht].
Gespecialiseerde studies: Van der Grinten [1993 -
Arbeidsovereenkomstenrecht], Fase [1982 - C.A.O.-recht],
Jaspers/Riphagen [1991 - Schets van het sociaal zekerheidsrecht].
[10] Politicologische studies over (neo)corporatisme:
Akkermans/Nobelen [1983 - Corporatisme en verzorgingsstaat].
[11] Koopman-Iwema/Wiegersma [1985 - Sociale arbeidspsychologie], Drenth/Thierry/De Wolff [1992 - Nieuw handboek arbeids- en organisatiepsychologie].
[12] Studies over sociaal-economische geschiedenis: De Vries [1977 - De Nederlandse Economie tijdens de 20ste eeuw], Messing [1981 - De Nederlandse economie 1945-1980], Van Zanden/Griffiths [1989 - Economische geschiedenis van Nederland in de 20ste eeuw].
Studies over geschiedenis van Nederlandse vakbeweging: Harmsen/Reinalda [1975 - Voor de bevrijding van de arbeid], Harmsen/Perry/Van Gelder [1980 - Mensenwerk], Hueting/De Jong/Neij 1983 - Naar grotere eenheid. De geschiedenis van het NVV], Bank e.a. [1985 - Katholieke arbeidsbeweging].
[13] Zie voor een overzicht: Van Hees [1992 - Arbeids- en
organisatieonderzoek in Nederland], Buitendam [1987 - Arbeidsmarkt,
arbeidsorganisatie, arbeidsverhoudingen].
[14] Mok [1994 - Arbeid, bedrijf en maatschappij].
[15] Van Hoof [1987 - Arbeidsmarkt als arena], Zwegers [1994 - Organisatie & Arbeidsmarkt]
[16] Mok [1974 - Beroepen in actie].
[17] Albeda/Dercksen [1994 - Arbeidsverhoudingen in Nederland].
[18] Lammers [1990 - Organisaties vergelijkenderwijs].
[19] De Bruyn [1989], Tijdens [1990].
[20] De term onderzoeksprogramma veronderstelt weliswaar net als de term paradigma van Kuhn een bepaalde interne samenhang en coherentie, maar laat meer ruimte voor pluralisme.
[21] Vgl. WRR [1981:121], Mok [1980, 1994:149 e,v,], SCP [1994:140], Van Ruysseveldt [1994:4]. Sommige auteurs hanteren een andere indeling. Zo maakt Van der Zwaan [1991] een onderscheid tussen een zestal terreinen van de arbeid: arbeidsorganisatie, arbeidsverhoudingen, arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, (interne) arbeidsmarkt en kwaliteit van de arbeid. Hij legt de nadruk op de onderlinge verbanden tussen de zes terreinen. De externe context van de arbeidsverhoudingen (op meso- en macroniveau) is in sterke mate bepalend voor de aard van de arbeidsverhoudingen binnen het afzonderlijke bedrijf (op microniveau). De arbeidsomstandigheden en vooral de arbeidsvoorwaarden spelen daarbij een belangrijke interveniërende rol. De interne arbeidsverhoudingen worden bepaald door het personeelsbeleid (onderscheiden in algemeen en sociaal management).
[22] Sommige auteurs [Ruysseveldt 1994:4] noemen bij de arbeidsomstandigheden ook de sociale omstandigheden, zoals de aard van leiding geven, de groepsgrootte, de groepscultuur enz. Meestal worden deze aspecten echter ondergebracht bij de arbeidsvoorwaarden op het niveau van de onderneming.
[23] Vergelijk de volgende omschrijvingen. Bij arbeidsverhoudingen gaat het om "de relaties tussen de werkgevers, de werknemers en hun respectieve organisaties en tussen deze en de overheid, voorzover deze relaties een structurerende invloed uitoefenen op de plaats van de factor arbeid op het werk en in de maatschappij" [Reynaerts/Nagelkerke 1986:12]. Bij arbeidsverhoudingen gaat het om "de sociale verhoudingen binnen het bedrijf, zowel tussen chefs en medewerkers als onderling tussen medewerkers, de inspraak en medezeggenschap zowel op het niveau van de afdeling als op dat van de onderneming als geheel, alsmede de collectieve arbeidsverhoudingen (zoals die tussen vakbonden en onderneming" [Mok 1994:150]. Bij arbeidsverhoudingen gaat het om "de aard van de machtsrelaties tussen de belangenpartijen in de onderneming, d.w.z.: de mate waarin samenwerking, conflict of strijd kenmerkend is voor deze verhoudingen, de onderwerpen die daarbij aan bod komen, en de wijze waarop deze verhoudingen gestalte krijgen. Tenslotte kunnen hier ook de collectieve arbeidsverhoudingen genoemd worden"
[Van Ruysseveldt 1994:5].
[24] Watson [1995: 41, Fig. 2.1] The components of the sociology of work & industry.
[25] Ook Watson [1987:55; 1995:78] pleit hiervoor, maar hij werkt dit nogal slordig en onvolledig uit. Zie ook Watson [1995b - Theorising managerial work: a pragmatic pluralist approach to interdisciplinary research. In: British Journal of Management].
[26] Jac Christis voor stress-theorieën in aansluiting op Einstein, Karasek, Bhaskar, Humphreys.
[27] Hoe moeilijk het is, om tot een heldere structurering van complexiteit te komen, kan hier heel kort en beeldend worden gedemonstreerd: zie Fig. 6.1 van Watson: A social model of modern work organisation [1995: 238]. Zie ook Fig. 2.4 van Watson: A basic conceptual framework for sociological analysis [1987: 59 - in latere versie vervallen].
[28] Deze sporen in grote lijnen met de benadering van Watson.
[29] Zie Watson [1995: 83 e.v.] over 'determinisme en keuze' versus "taken-for-grantedeness" van technologische vooruitgang, en specifiek versus. 'technologisch determinisme' [idem: 91]: technologie is geen kracht met eigen logica en dynamiek; er is geen 'iron hand of technology' (Kerr e.a.). Zie ook Mok [1994:221].
Zie voor de organisatiesociologie: Child [1973 - Organization: a Choice for Man] vs. de oude en nieuwe 'conventionele wijsheid'.
[30] "For much of the time most men do not perceive the conventional and arbitrary naure of many of the social arrangements under which they live and suppose them to be part of an inevitable and unchangeable order... It is part of his [social scientists] responsibility to make clear that the existing order is in no way deermined by laws inherent in the universal nature of things" [Alan Fox, pp. 222-4].
[31] Zie Watson [1995: 84]. Zie ook het overigens waardeloze artikel van Kumar [1977:31] vs 'continuitites' pro 'openness of the options available to industrial societies'. Hij waarschuwt tegen het leunen op 'geschematiseerde geschiedenis' die in de sociologie zo vaak een vervanging is voor historische kennis. Versus ijzeren wet van opeenvolging van maatschappelijke formaties: antieke, feodale, kapitalistische en socialistische formaties.
[32] Dit voorstel is al eerder gedaan en uitgewerkt in Bader/Benschop [1988 - Ongelijk-heden] en Benschop [1993 - Klassen].
Literatuur
- Aglietta, M. [1979] A Theory of Capitalist Regulation. The US Experience. London: NLB.
- Aitken, G.J. [1960] Taylorism at Watertown Arsenal, 1908-1915. Scientific Management in Action. Cambridge Mass.
- Amin, Ash (ed.) [1994] Post-Fordism. A Reader. Oxford: Blackwell.
- Andrle, V. [1989] Workers in Stalin's Russia: Industrialization and Social Change in a Planned Economy. Brighton: Wheatsheaf.
- Argyle, Michael [1953] The Relay Assembly Test Room in Retrospect. Occupational Psychology 27: 98-103.
- Argyle, Michael/Gardner, Godfrey/Cioffi, Frank [1958] Supervisory Methods Related to Productiviy, Absenteeism, and Labour Turnover. Human Relations 11
- Bader, Veit / Benschop, Albert [1988] Ongelijk-heden. Pro-theorie van sociale ongelijkheid en collectief handelen. Groningen: Wolters-Hoordhoff. Eerste hoofstuk: Sociale ongelijkheid als wetenschappelijk en politiek probleem.
- Baritz, Loren [1960] The Servants of Power. A History of the Use of Social Science in American Industry. Wesleyan University Press.
- Bauer, Otto [1932] Kapitalisme en socialisme na den wereldoorlog. Goede en verkeerde rationalisatie. Amsterdam: Querido.
- Bell, Daniel [1974] The Coming of Post-Industrial Society. London: Heinemann.
- Benschop, Albert [1996] Arbeid: een lastig en omstreden begrip
- Benschop, Albert [1996] Taylor en het Scientific Management
- Benschop, Albert [1995] Transactiekosten in de Economische Sociologie
- Benschop, Albert [1993] Klassen - Ontwerp van een transformationele klassentheorie. Amsterdam: Spinhuis. English summary
- Bloemen, Eric [1988] Scientific Management in Nederland 1900-1930.
Amsterdam.
- Bloemen, Eric/Ruys, Maarten [1983] Intensivering van de arbeid en
Taylor-receptie in Nederland 1890-1920. In: Te Elfder Ure 33, Annex,
Taylorisme in Nederland, mei 1983: 39-70.
- Bramel, Danna/Friend, Ronald [1981] Hawthorne, the Myth of the Docile Worker,
and Class Bias in Psychology. American Psychology 36: 867-78.
- Braverman, Harry [1974] Labor and Monopoly Capital. The Degradation of Work
in the Twentieth Century. New York/London:
- Braverman, Harry [1974/83] Wetenschappelijke bedrijfsvoering', in: Te Elfder
Ure 33, Annex, Talorisme in Nederland, mei 1983: 5-35. Vertaling van hft. 4
van Braverman [1974].
- Bulmer, M. (ed.) [1975] Working-Class Images of Society. London:
Routledge & Kegan Paul.
- Burawoy, Michael [1985] The Politics of Production. London: Verso.
- Carey, A. [1967] The Hawthorne Studies: A Radical Criticism. American
Sociological Review 32: 403-16.
- Christis, Jacques [1988] Taylorisme en nieuwe produktieconcepties. In: Te
Elfder Ure 41:
- Cooper, C.L./Robertson, I. (eds.) [1986] International Review of Industrial
and Organizational Psychology. Chichester: Wiley.
- Coriat, Benjamin [1981] De werkplaats en de stopwatch. Over taylorisme,
fordisme en massaproduktie. Amsterdam: Van Gennep.
- Dahrendorf, Ralf [1962/5] Sociologie van industrie en bedrijf.
Utrecht/Antwerpen: Aula.
- Daito, E. [1979] Summary of Discussions of the 4th International Conferencce
on Business History. In: Nakagawa 1979.
- Dore, R.P. [1973] British Factory-Japanese Factory. London: Allen &
Unwin.
- Drenth, P.J.D./Thierry, Hk./Wolff, C. de (red.) [1992] Nieuw handboek
arbeids- en organisatiepsychologie. Houten: Bohn, Stafleu & van
Loghum.
- Drucker, Peter F. [1951] The New Society. London: Heinemann.
- Drucker, Peter [1954] The Practice of Management. New York.
- Drucker, Peter [1993] Post-Capitalist Society. Oxford: Heinemann.
- Dunnette, M.N. (ed.) [1976] Handbook of Industrial and Organizational
Psychology. Chicago: Rand McNally.
- Edwards, Richard [1979] Contested Terrain. The Transformation of the
Workplace in the Twentieth Century. New York.
- Etzioni, Amitai [1964/66] De moderne organisatie. Utrecht/Antwerpen:
Spectrum.
- Fayol, Henry [1916/49] General and Industrial Management. London: Sir Isaac
Pilman & Sons. Vert. van: Adminstration industrielle et
générale.
- Fox, A. [1974] Beyond Contract. London: Faber.
- Francke, Richard Herbert/Kaul, James D. [1974] The Hawthorne Experiments: First
Statistical Interpreation. American Sociological Review 43: 623-43.
- Fridenson, P. [1978] The coming of the assembly line to Europe. Sociology of
the Sciences. 11:159-75.
- Friedman, A. [1977] Industry and Labour: Class Struggle at Work and
Monoipoly Capitalism. London: Macmillan.
- Friedman, G. [1956] La crise du progrès. Paris.
- Gartman, D. [1979] Origins of the Assembly Line and Capitalist Control of
Work at Ford. in: Zimbalist 1979.
- Gastelaars, Marja [1985] Een geregeld leven. Sociologie en sociale politiek
in Nederland. 1925-1968. Amsterdam
- Gillespie [1991]
- Goldman, P./Van Houten, D.R. [1980] Bureaucracy and Domination: Managerial Strategy in turn-of-the-century American Industry. In: D. Dunkerley/G. Salaman (eds.) The International Yearbook of Organiszational
Studies. London: Routledge.
- Grint, Keith [1991] The Sociology of Work. An Introduction. Cambridge: Polity
Press.
- Hall, Richard [1994] Sociology of Work. Perspectives, Analysis, and
Issues. Thousand Oaks/London/New Delhi: Pine Forge Press.
- Herzberg, F. [1966] Work and the Nature of Man. Cleveland: World
Publishing Co.
- Herzberg, F. [1968] One more time: how do you motivate employees? Harvard
Business Review 46(1): 53-62.
- Herzberg, F. [1976] The Managerial Choice: to be efficient and to be
human. New York: Dow Jones-Irwin.
- Herzberg, F./ Mauser, B./Snyderman, B.B. [1959] The Motivation to Work.
New York Wiley.
- Homans, G. [1950] The Human Group. New York: Harcourt Brace
Jovanonich.
- Horn, L.A. ten [1983] Behoeften, werksituatie en arbeidsbeleving. Delft:
TH;
- Hounshell, David Allen [1987] From the American System to Mass Production:
The Development of Manufacuring Technology in the United States, 1850-1920.
University of Delaware
- House, Robert, J./Wigdor, Lawrence A. [1967] Herzberg's Dual Factor Theory of
Job Satisfaction and Motivation: A Review of the Evidence and a Criticism.
Personal Psychology 20: 369-89.
- Huizinga, G. [1970] Maslow's Need Hierarchy in the Work Situation.
Groningen: Wolters-Noordhoff;
- Humphreys, George, C. [1986] Taylorism in France, 1904-1920. The Impact of
Scientific Management on Factory Relations and Society. New York.
- Jacoby, Sanford M. [1983] Union-Management Cooperation inde United States.
Lessons form the 1920s. Industrial Labor Relations Review.
- Kakar, Sudkir [1970] Frederick Taylor: A Study in Personality and
Innovation. London.
- Kalleberg, Arne L./Berg, Ivar [1988] Work Structures and Markets: An Analytic
Framework, in: G. Farkas/P. Engleand (eds.) Industries, Firms and Jobs.
Sociological and Economic Approaches. New York: Plenum Press. pp. 3-17.
- Kelly, J. [1982] Scientific Management. Jog Redesign and Work
Performance. London.
- Kijne, Hugo [1987] De persoonlijke moraal van Frederick Winslow Taylor. De
Groene Amsterdammer 1.1.1987.
- Kijne, Hugo [1990] Het gementen tarief. Taylorisme en de Nederlandse
metaalindustrie 1945-1963. Delft: Delftse Universitaire Pers.
- Knights, D/Willmott, H./Collinson, D. (eds.) [1985] Jog Redesign
Organization and Control of the Labour Process. Aldershot.
- Korver, Ton [1989 ] A Matter of Discretion. An Essay on the US Labour
Market. Amsterdam.
- Kossler, R./Muchie, M. [1990] American Dreams and Soviet Realities: Socialism
and Taylorism. Capial and Class 40: 61-88.
- Kumer, Krishan [1977] Continuities and Discontinuïties in the
Development of Industrial Societies. In: Scase 1977: 29-42.
- Lammers, Cor [1983/7] Organisaties vergelijkenderwijs. Ontwikkeling en relevantie van het sociologisch denken over organisaties. Utrecht: Spectrum.
- Lammers, Cor [1993] Organiseren van bovenaf en van onderop. Utrecht:
Spectrum.
- Landsberger, [1958] Hawthorne revisited: Management and the worker, its
critics and developments in human relations in industry. Ithaca, N.Y.:
Corell University Press.
- Leiserson, William M. [19@@] The Economics of Restriction of Output.
- Littek, Wolfgang [1973] Industriearbeit und Gesellschaftsstruktur. Zur
Kritik der Industrie- und Betriebssoziologie. Frankfurt: EVA.
- Littler, Craig [1982] The Development of the Labour- Process in Capitalist
Societies. London.
- Littler, Craig [1985] Taylorism, fordism and job design. In
Knights/Willmott/Collinson 1985.
- Locke, E.A. [1976] The Nature and Causes of Job Satisfaction. in:
Dunette 1976
- Locke, E.A./Henne, D. [1986] Work Motivation Theories. In:
Cooper/Robertson 1986.
- Lockwood, David [1966/75] Sources of Variation in Working-Class Images of
Society. Oorspr. in Socilogical Review 14(3):249-67. Geciteerd uit :
Bulmer 1975:16-31].
- Manwaring, T./Wood, S.. [1985] The ghost in the labour process. In:
Knights e.a. 1985: 171-96.
- Maslow, A.H. [1943] A Theory of Human Motivation. In: Psychological
Development 50: 370-96.
- Maslow, A.H. [1954] Motivation and Personality. New York: Harper &
Row.
- Maslow, A.H. [1970/81] Motivatie en persoonlijkheid. Rotterdam:
Lemniscaat.
- Methewson, Stanley [1931] Restriction of Output Among Unorganized
Workers. New York.
- Mayo, Elton [1933/60] The Human Problem of an Industrial Civilization.
The Viking Press.
- Mayo, Elton [1945] The Social Problems of an Industrial Civilization.
- McGregor, Douglas C. [1960] The Human Side of Enterprise. New York:
McGraw-Hill.
- McGregor, Douglas C. [1984] Theory X and Theory Y. In: D. Pugh (ed.)
[1984] Organization Theory. Harmondsworth: Penguin.
- Meiksins, P.F. [1984] Scientific Management and Class Relations: A Dissenting
View. In: Theory and Society 13(2): 177-209.
- Meulen, R. ter/Hoorn, W. van [1981/2] Psychotechniek en menselijke
verhoudingen. Grafiet 1:106-55.
- Miles, Robert E. [1965] Human Relations or Human Resources. Harvard Business
Review 43(4): 148-55.
- Miller, D.S./Form, W.H. [1967] Industrial Sociology, 2nd Ed. NewYork.
- Mok, A.L. [1974] Beroepen in actie. Meppel: Boom.
- Mok, A.L. [1994] Arbeid, bedrijf en maatschappij Stenfert Kroese.
- Montgomery, David [1979] Worker's Control in America. New York.
- Montmolin, Maurice/Pastre, Olivier [1984] Le Taylorisme. Paris.
- Münsterberg, Hugo [1913] Psychology and Industrial Efficiency.
Boston: Huoghton Mifflin Company.
- Nadworny, Milton J. [1955] Scientific Management and the Unions 1900-1932. A
Historical Analysis. Cambridge, Mass.: Harvard University Press.
- Nakagawa, N. (ed.) Labor and Management. Tokyo: University of Tokyo
Press.
- Nakase, T. [1979] The Introduction of Scientific Management in Japan and its
Characteristics. In: Nakagawa 1979.
- Nelson, Daniel [1974] Scientific Management. Systematic Management and Labor
1880-1915. Business History Review 28: 479-500.
- Nelson, Daniel [1975] Managers and Workers. Origins of the New Factory
System in the United Stats, 1880-1920. Madison, Wis,: University of
Wisconson Press.
- Nelson, Daniel [1980] Frederick Winslow Taylor and the rise of scientific
management. Madison Wisconson.
Nelson, Daniel [1984] Le Taylorisme dans l'industrie americaine, 1900-1930. In: Montmollin/Pastre 1984.
- Nelson, Daniel [1991] Scientific Management and the Workplace, 1920-1935. In: Sanford M. Jacoby (ed.) [1991] Masters to Managers. Historical and Comparative Perspectives on American Employees. New York: Columbia University Press.
- Noble, David F. [1984] Forces of Production. A Social History of Industrial
Automation. New York: Alfred A. Knopf.
- Nyland, C. [1987] Scientific Planning and Management. Capital and Class
33: 55-83.
- Nystrom, P.C. [1991] Designing jobs and assigning employees. in: P.C.
Nystrom/W.H. Starbuck (eds.) Handbook of Organisationzal Design. Vol 2.
New York: Oxford University Press.
- Ozanne, R, [1979] United States Labor-Management Relations 1860-1939.
In: Nakagawa 1979.
- Petri, H.L. [1986] Motivation: Theory and Research. Belmont: Wadsworth
(2e ed.).
- Piore, Michael, J./Sabel, Charles F. [1984] The Second Industrial Divide.
Possibilities for Prosperity. New York: Basic Books.
- Piore, Michael, J./Sabel, Charles F. [1985] Das Ende der
Massenproduktion. Berlin.
- Roethlisberger, J./Dickson, W.J. [1939] Management and the Worker.
Cambridge, Mass.: Harvard University Press.
- Rose, Michael [1975] Industrial Behavior. Theoretical Developments since
Taylor. Harmondsworth: Penguin.
- Rose, Michael [1987] Industrial sociology.Work in the French Tradition.
London.
- Rose, R. [1989] The Productive Subject. London: Routledge.
- Sabel, Charles [1982] Work and Politis. Cambridge: Cambridge Univ.
Press.
- Salamen, G. [1979] Work Organisations. London.
- Scase, R. (ed.) [1977] Industrial Society: Class Cleavage and Control.
London: Allen & Unwin.
- Smith, J.H. [1987] Elton Mayo and the hidden Hawthorne. Work, Employment and Society 1(11): 33-56.
- Schmidt, G. [1974] Gesellschaftlichte Entwicklung und Industriesoziologie in
den USA. Eine historische Analyse. Frankfurt/Köln: EVA.
- Stock, R. [1980] Management or Control? The Organizational Challenge.
Bloomington/London.
- Sykes, A.J. [1963] Economic Interest and the Hawthorne Researchers: A Comment.
Human Relations 18:253-63.
- Tausky, G./Parke, E.L. [1976] Job Enrichment, need theory, and reinforcement theory. In: R. Dubin (ed.) Handbook of work, organization, and society. Chicago: Rand McNally.
- Taylor, F.W. [1972] Scientific Management. New York/London. Deze uitgave bevat zijn drie belangrijkste bijdragen:
- Shop Management [1903]
- Principles of Scientific Management [1911]
- Hearings Before Special Committee of the House if Representatives to Investigate the Taylor and Other
Systems of Shop Management [1912]
- Thierry, Hk. [1968] Loont de prestatiebeloning? Assen: Van Gorcum.
- Thierry, Hk. [1969] Arbeidsinstelling en prestatiebeloning. Utrecht: Het Spectrum.
- Thierry, Hk. [1992] Motivatie en satisfactie, in: Drent/Thierry/De Wolff 1992: 3-62;
- Thierry, Hk./Drenth, P.J.D. [1970] De toetsing van Herzberg's 'two
factor'-theorie. In: Drenth, P.J.D./Willems, P.J./De Wolff, Ch. J. (red.)
Bedrijfspsychologie, onderzoek en evaluatie. Deventer: Kluwer.
- Thompson, C.B. [1917] The Theory and Practice of Scientific Management.
Boston: Houghton Mifflin.
- Traub, R. [1978] Lenin and Taylor: the Fate of 'Scientific Management' in the
early Soviet Union. Telos 37: 82-92.
- Urwick, Lyndall [1926] The Meaning of Rationalisation. London.
- Urwick, Lyndall/Brech, E.F.L. [1945, 1946, 1949] The Making of Scientific
Management. 3dln. London.
- Wabha, M.A./Bridwell, L.G. [1976] Maslow reconsidered: a review of research on
the need hierarchy theory. Organizational Behavior and Human Performance
15:212-40;
- Watson, Tony [1987] Sociology, Work & Industry. London: Routledge
& Kegan Paul.
- Whitehead, T.N. [1938] The Industrial Worker. New York: Oxford
University Press.
- Wrege, Charlers D./Greenwood, Ronald J. [1991] Frederick W. Taylor. Myth and
Reality. Homewood, Ill.: Irwin.
- Zimbalist, A. (ed.) [1979] Case Studies on the Labour Process. New York:
Monthly Review.
- Zwegers, J.M.M. [1994] Organisatie & Arbeidsmarkt. Deventer: Kluwer.
Home |
Contact